2-148

2-148

Belgische Senaat

2-148

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 18 OKTOBER 2001 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Regeling van de werkzaamheden

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Voorstel van resolutie over de ministeriële conferentie van de Wereldhandelsorganisatie in Doha (van mevrouw Marie-José Laloy c.s., Stuk 2-869)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 7 mei 2000 houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en van een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid (Stuk 2-833) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp houdende instemming met het amendement op het Verdrag van Bazel van 22 maart 1989 inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan, aangenomen op de derde vergadering van de Conferentie van de Partijen, gehouden te Genève op 22 september 1995 (Stuk 2-824)

Wetsontwerp houdende instemming met het Zetelakkoord tussen het Koninkrijk België en het Internationaal Comité van het Rode Kruis, ondertekend te Brussel op 19 april 1999 (Stuk 2-839)

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende internationale akten:
1. De Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995;
2. Het Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996;
3. Het Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en de Gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997;
4. Het Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en de Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996;
5. De Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder C), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 (Stuk 2-885)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Socialistische Republiek Vietnam inzake luchtvervoer, en met de bijlage, ondertekend te Brussel op 21 oktober 1992 (Stuk 2-893)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van Macau inzake luchtvervoer, en met de bijlage, ondertekend te Brussel op 16 november 1994 (Stuk 2-894)

Vraag om uitleg van de heer Philippe Mahoux aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de geautomatiseerde stemming» (nr. 2-568)

Vraag om uitleg van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Justitie over «commandant Massoud» (nr. 2-570)

Voorstel van resolutie over de ministeriële conferentie van de Wereldhandelsorganisatie in Doha (van mevrouw Marie-José Laloy c.s., Stuk 2-869)

Voorstel van resolutie betreffende de vierde ministeriële conferentie van de Wereldhandelsorganisatie (van mevrouw Marie Nagy en de heer Michiel Maertens, Stuk 2-918)

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Stemmingen

Verzending van wetsvoorstellen naar een andere commissie

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over «de ratificatie van het Verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie over de bescherming van het moederschap» (nr. 2-566)

Vraag om uitleg van de heer Michel Barbeaux aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «de herfinanciering van de diensten thuisverpleging die een beroep doen op loontrekkend personeel» (nr. 2-552)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid, aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen en aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand, over «het sociaal statuut voor de meewerkende echtgenoot» (nr. 2-558)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand, over «e-government in België» (nr. 2-559)

Vraag om uitleg van de heer Olivier de Clippele aan de minister toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, belast met Landbouw, over «de bepaling van de pachtprijzen voor landbouwgronden en hoevegebouwen» (nr. 2-565)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor aan de agenda van deze vergadering toe te voegen het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 7 mei 2000 houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en van een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid (Stuk 2-833). (Instemming)

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Wim Verreycken aan de eerste minister over «de ongeloofwaardigheid van de minister van Buitenlandse Zaken» (nr. 2-722)

De voorzitter. - De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Guy Verhofstadt, eerste minister.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Na de diplomatieke enormiteit tegenover Oostenrijk, waarbij de minister van Buitenlandse Zaken met veel gezichtsverlies voor België bakzeil moest halen, volgde een uithaal naar Italië. Klap op de vuurpijl was de deelname van de minister - het Europese voorzitterschap - aan een "spelletje" op RTL-TVI, waar hij de Italiaanse premier Berlusconi even hoog inschatte als de Taliban. The Wall Street Journal betitelde daarop de minister als "een ongelooflijk lichtgewicht"; The Washington Post noemde hem "een ramp" en de Britse The Spectator sprak van "een kruising tussen een kakkerlak en een koe".

Onmiddellijk na dit zoveelste incident werd Berlusconi uitgenodigd voor een staatsbezoek aan Washington, een duidelijk diplomatiek signaal van afkeuring voor minister Michel. De Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken Ruggiero vroeg zijn collega's, verwijzend naar de belediging, om tegenover België een volledige koelheid in acht te nemen, het gesprek met hen te weigeren en hen zelfs geen hand te drukken. De Italiaanse ambassadeur kreeg dezelfde instructie.

Meent de regering dat onze hoogst ondiplomatieke minister van Buitenlandse Zaken nog kan gehandhaafd worden in zijn opdracht?

De premier heeft zich intussen in de plaats van minister Michel verontschuldigd. Zal de minister zich eveneens verontschuldigen tegenover Italië, zoals nadrukkelijk geëist door Francesco Cossiga, ex-president van Italië?

Is de ironisch geformuleerde opmerking in een Nederlandse krant dat de afkoeling in de betrekkingen tussen traditioneel bevriende regeringsleiders en "Brussel" het gevolg is van de antidiplomatie van minister Michel mogelijk terecht en zal de regering daar conclusies uit trekken?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Het artikel in The Wall Street Journal werd waarschijnlijk geschreven door de echtgenote van een collega van mijnheer Verreycken. Ik ben overigens niet van plan een polemiek met voornoemde aan te gaan. Dat is zoals iedereen weet wel zijn stijl.

Ik heb uitleg gegeven waar die moest gegeven worden en ik heb daar niets aan toe te voegen. Het incident met Italië is gisteren gesloten.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Nu begrijp ik waarom men de Belgische minister van Buitenlandse Zaken de meest ondiplomatieke minster noemt. Hij heeft het hier zopas nogmaals gedemonstreerd.

Ik wens de voorzitter er toch op te wijzen dat mijn vraag niet tot de minister van Buitenlandse Zaken gericht was, maar wel aan de eerste minister. Als de minister van Buitenlandse Zaken hier nu komt zeggen dat hij niet met mij in polemiek wil treden, dan wil ik toch opmerken dat dit ook niet mij bedoeling was. Ik had juist mijn vraag niet tot hem gericht, omdat ik me aan een dergelijk boers antwoord kon verwachten.

Zo een antwoord tast de prerogatieven van de Senaat om de regering te ondervragen ernstig aan. Ik moet dat niet dulden. Ik kan alleen veronderstellen dat bepaalde partijpolitieke bindingen het gedrag van de minister in de Senaat zullen toelaten. Het schelden zegt alles over het niveau van degene die scheldt, maar niets over degene die uitgescholden wordt.

Ik verwacht trouwens binnenkort een incident met Noorwegen. De minister van Buitenlandse zaken is het hoofd van de Belgische diplomatie, maar heeft duidelijk geen diplomatiek talent. Hij zal wellicht naar Noorwegen uithalen, waar vandaag beslist werd dat de vooruitgangspartij, die een extreem rechts etiket krijgt opgekleefd, deel zal uitmaken van de Noorse regering.

Ik vraag de voorzitter aan te dringen op een antwoord op een vraag die op de meest reglementaire en correcte wijze aan de eerste minister werd gesteld.

Mondelinge vraag van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over «het tijdskrediet» (nr. 2-723)

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - De wet `Verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven' doet een eerlijke poging om het leven van vooral jonge gezinnen comfortabeler en kwaliteitsvoller te maken door hen te helpen gezinsleven en arbeid beter te combineren. Bij de uitvoering van de vele maatregelen van deze wet blijkt echter dat zij het leven en de loopbaanplanning van vele werknemers en hun gezinnen ernstig in de war stuurt in plaats van te harmoniseren.

Vanaf 1 januari 2002 ontstaat immers het `recht op tijdskrediet', een onderbreking van de arbeidsovereenkomst gedurende slechts één jaar op de gehele loopbaan. Gelijktijdig wordt het systeem van loopbaanonderbreking afgeschaft dat voorzag in de mogelijkheid van vijf jaar opschorting van de arbeidovereenkomst. Tevens worden de toepassingsmogelijkheden sterk beperkt.

Om alsnog aanspraak te kunnen maken op loopbaanonderbreking, diende de aanvraag hiertoe voor 15 september 2001 te gebeuren, aldus het uitvoeringsbesluit van dezelfde datum van 15 september 2001.

Wat met de mensen die het uitvoeringsbesluit hebben afgewacht om een beslissing te nemen? Zijn hun rechten definitief verloren?

Waar is de rechtszekerheid gebleven? Op welke wijze zal de minister de betrokkenen concreet en correct informeren? Hoe zal ze de verwarring bij de mensen wegnemen?

Welke rechten kunnen werknemers nog laten gelden bijvoorbeeld wanneer zij die reeds 3 jaar voltijdse loopbaanonderbreking hebben opgenomen, maar toch hadden gepland dit systeem met één jaar te verlengen vanaf januari 2002? Voltijdse loopbaanonderbreking moet immers telkens voor de duur van één jaar worden aangevraagd.

Is er geen nieuwe discriminatie tussen voltijdse en deeltijdse loopbaanonderbrekers vermits deeltijdse loopbaanonderbreking wél voor de volledige duur van vijf jaar kon aangevraagd worden?

Worden niet vooral jonge gezinnen getroffen door de voorwaarden van anciënniteit? Die zijn immers: voorafgaand aan de uitoefening van het recht 12 maanden tewerkgesteld zijn bij dezelfde werkgever en vijf jaar anciënniteit om aanspraak te kunnen maken op een vijfde arbeidsduurvermindering.

Meent de minister niet dat er tal van correcties op deze wet nodig zijn om de feitelijke achteruitgang inzake de harmonisatie van arbeid en gezin ongedaan te maken?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Alle basisregels aangaande het tijdskrediet voor de privé-sector werden door de sociale partners vastgelegd in de collectieve overeenkomst nr. 77. Daar is over gesproken toen het wetsontwerp in juli werd goedgekeurd. Wij hebben in de wetgeving aanvullende principes ingeschreven omdat ze niet in de collectieve overeenkomst konden worden opgenomen. Die principes worden echter gesteund door de sociale partners. Het gaat bijvoorbeeld over het bedrag van de uitkeringen, de opheffing van de verplichting tot vervanging en de cumul met een bijberoep als zelfstandige of als werknemer.

De datum van 15 september 2001, waarop de wet van 10 augustus 2001 in het Belgisch Staatsblad is verschenen, is geen uiterste datum waarna elke aanvraag voor loopbaanonderbreking wordt afgewezen, zoals mevrouw De Schamphelaere in haar vraag suggereert.

Schematisch voorgesteld onderscheiden we drie soorten aanvragen voor loopbaanonderbreking. Voor aanvragen van voor 15 september 2001 voor een loopbaanonderbreking die ingaat in 2001, geldt integraal de huidige regeling inzake loopbaanonderbreking. Voor de aanvragen van na 15 september voor loopbaanonderbrekingen die ingaan in 2001 een aanvang nemen, geldt eveneens de huidige regeling, zij het met een beperking: alle vormen van loopbaanonderbreking worden dan nog voor slechts maximaal 12 maanden toegestaan. Dit gebeurt zo op vraag van de sociale partners teneinde het naast elkaar doorlopen van het oude stelsel van loopbaanonderbreking en het nieuwe stelsel van tijdskrediet in tijd te beperken.

Ten derde zijn er de aanvragen voor een loopbaanonderbreking die pas ingaat na 31 december 2001. Ongeacht de datum waarop de aanvraag gebeurde, geldt hier steeds de nieuwe reglementering inzake tijdskrediet.

Wanneer een bestaande reglementering wordt vervangen, moeten er uiteraard overgangsmaatregelen worden vastgelegd. Het spreekt vanzelf dat alle betrokken partijen, namelijk de sociale partners en in het bijzonder de vakbonden, de RVA, het ministerie van Arbeid en Tewerkstelling en mijn diensten, bijna alle dagen telefonisch en per brief en per e-mail uitleg geven over die overgangsmaatregelen.

Of werknemers in de toekomst gedurende vijf jaar het werk kunnen onderbreken, hangt af van de collectieve arbeidsovereenkomst die op hen van toepassing is. Het kan om een sectoriële of ondernemingsovereenkomst gaan. Het recht op loopbaanverkorting met een vijfde vereist geen dergelijke CAO, aangezien dat recht op vijf jaar reeds is opgenomen in de overeenkomst nr. 77 van de NAR. De bepalingen over een beperkte prestatievermindering worden dus gunstiger behandeld dan de volledige werkonderbreking.

Conform de wet zullen de nieuwe bepalingen worden geëvalueerd. Artikel 26 voorziet in een globale jaarlijkse evaluatie door de NAR, met name over het reële gebruik van het tijdskrediet over vijf jaar. Vóór de goedkeuring van de wet bestond er geen recht op een tijdskrediet. Nu bestaat er een tijdskrediet van één jaar voor iedereen. In de sectoren waar er reeds een recht op vijf jaar bestond bij collectieve overeenkomst, is het niet logisch dat recht te beperken. De wet geeft dus een minimumrecht, maar vanzelfsprekend mag men verder gaan. In de sectoren waar die praktijk bestaat, zal die worden voortgezet. Het federale Parlement zal de evaluatie ontvangen en zal dan de toepassing van de nieuwe bepalingen kunnen onderzoeken.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Er blijven nog een paar grote knelpunten onbeantwoord.

Jonge gezinnen die al een loopbaanonderbreking hadden en die overtuigd waren dat die voor vijf jaar zou gelden, komen nu bedrogen uit. Hun planning wordt overhoop gehaald, ze moeten nu overschakelen naar een regeling die zij ervaren als minder gunstig voor de harmonisatie van gezin en arbeid.

De vrijwillige instap van de sectoren, waarover de minister het had, stelt in de praktijk niet erg veel voor. 56 procent van de sectoren houdt het bij de minimumbepalingen van de wet, namelijk een loopbaanonderbreking van een jaar. Tien procent heeft de periode verlengd tot twee jaar en slechts veertien procent tot drie jaar. Alles samen heeft tachtig procent het systeem van loopbaanonderbreking van vijf jaar niet in het systeem van tijdskrediet geïntegreerd. Met andere woorden, in de overgrote meerderheid van de sectoren is er een feitelijke achteruitgang.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Neen. De senator zal dat vaststellen in de evaluatie. De sectoren die reeds meer dan een jaar gaven, zullen dat uiteraard blijven doen. Er is dus geen inperking van rechten, maar veeleer een uitbreiding van het recht om de loopbaan te onderbreken.

Mondelinge vraag van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand, over «de dienstverlening van De Post» (nr. 2-713)

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Ik wou deze vraag vorige week al stellen, maar de minister kon toen niet aanwezig zijn. Een van mijn vragen, over de liberalisering van De Post op Europees vlak, is intussen beantwoord.

Het autonoom overheidsbedrijf De Post buste onlangs een brief met de welluidende naam Early Post. De bedoeling is vanaf 1 november te laten betalen voor post die dagelijks vóór 9 uur wordt besteld. Het bedrag is niet min: 60 euro ofwel 2.420 frank per maand, jaarlijks zowat 30.000 frank. Betaling van dat bedrag garandeert postbestelling vóór de kantooruren. Blijkbaar is dat 9 uur!

Ik krijg de indruk dat De Post, die nog steeds over een monopolie beschikt en wellicht nog voor enige tijd, voor die dienstverlening misbruik maakt van haar positie. Het gevolg is dat kleine zelfstandigen en gewone burgers niet meer tijdig hun post zullen krijgen. Overigens worden bepaalde kranten nog steeds via De Post bezorgd.

Meent de minister niet dat De Post zijn monopoliepositie door voorgestelde maatregel misbruikt?

Leidt de maatregel voor de kleine zelfstandigen niet tot een kostenverhoging die hun bedrijfsvoering zal bemoeilijken?

Zullen de burgers die uit werken gaan, pas na hun werkuren kennis kunnen nemen van hun post?

De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand. - In tegenstelling tot wat de heer Van Quickenborne met zijn vraag insinueert, wordt vandaag niet alle post vóór 9 uur 's morgens besteld. Een postbode heeft een bepaalde ronde. Sommige mensen hebben het geluk om vóór 9 uur hun post te krijgen, anderen krijgen ze pas na 9 uur, onafhankelijk of men zelfstandige is of niet.

De Post roept nu een nieuwe dienst in het leven, die bestelling vóór 9 uur garandeert. Daarvoor moet extra personeel worden ingeschakeld. Het lijkt mij logisch dat De Post voor die extra bediening iets aanrekent.

Ik deel de bezorgdheid van de heer Van Quickenborne voor een goede dienstverlening. Zijn vragen zijn echter niet relevant. Een ronde van een postbode heeft nu eenmaal tot gevolg dat slechts een klein gedeelte van de mensen vóór 9 uur wordt bediend. Ik kan mij moeilijk een willekeurige selectie voorstellen. De voorgestelde maatregel is een zaak van De Post. Het bedrijf maakt zelf uit hoe het moet worden georganiseerd en wat het moet kosten. In feite is de markt bepalend.

Een zaak is duidelijk. De ongelijkheid die vandaag bestaat tussen degenen die hun post vóór 9 uur ontvangen en de anderen, wordt door de nieuwe dienstverlening op een correcte manier weggewerkt.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Het gaat over 30.000 frank per jaar. Voor een kleine zelfstandige weegt dat veel zwaarder door dan voor een groot bedrijf. Het is waar dat De Post vandaag de postbedeling niet garandeert vóór 9 uur, maar in stedelijke gebieden genieten reeds talrijke mensen van zo een vroege postbestelling. Om dit voordeel te kunnen behouden zal men genoopt zijn daarvoor zwaar te betalen. Overigens ben ik niet de enige senator die bedenkingen heeft bij de brief over Early Post.

Mondelinge vraag van de heer Marc Hordies aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand, over «de betrekkingen tussen Swissair en Sabena in het kader van het gerechtelijk akkoord» (nr. 2-716)

De heer Marc Hordies (ECOLO). - De Europese commissie heeft haar toestemming gegeven voor de toekenning van een overbruggingskrediet aan Sabena. Dat verheugt me. Niettemin is de raad van bestuur nog altijd voor de helft samengesteld uit vertegenwoordigers van Swissair. Het valt dan ook te vrezen dat Sabena nog steeds de belangen van Swissair of Crossair verdedigt. De eerste minister zou de syndicale delegaties ook hebben laten weten dat er geen geld is om het sociaal plan uit te voeren, dat door het personeel onlangs werd goedgekeurd.

Welke maatregelen werden tijdens de periode van het gerechtelijk akkoord genomen met betrekking tot de bestuurders van Swissair bij Sabena? Welke financiële verplichtingen heeft Sabena nog tegenover Swissair of haar filialen? Welke maatregelen worden genomen of onderzocht om het sociaal plan uit te voeren?

De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand. - Onder het gerechtelijk akkoord blijft de raad van bestuur normaal functioneren, inclusief het toezicht van de commissaris.

Dat betekent dat Swissair op dit ogenblik 49,5% van de Sabena-aandelen bezit en dat, zolang het gerechtelijk akkoord van kracht is, alle daaraan verbonden rechten blijven gelden. Niettemin hebben we een aantal gerechtelijk stappen voorbereid die rechtstreeks tegen deze aandeelhouder zijn gericht omdat de afgesloten contracten niet werden uitgevoerd. Die stappen waren voorlopig opgeschort, maar worden nu opnieuw bestudeerd.

Het sociaal plan zal afhangen van het nieuwe bedrijfsplan. De regering verbindt er zich alleszins uitdrukkelijk toe een sociaal plan toe te passen voor personen die niet kunnen blijven in de nieuwe onderneming die eventueel zal worden opgericht,. Die personen zullen op correcte wijze sociaal begeleid worden. De gemiddelde leeftijd van het Sabenapersoneel is zeer laag omdat veel 50-plussers de voorbije jaren door allerlei regelingen zijn kunnen vertrekken.

De eerste minister heeft die verbintenis van de regering bevestigd.

Ik beschik over een lijst met alle financiële verplichtingen van Sabena tegenover Swissair of zijn filialen. Het gaat om een bedrag van 72.275 euro. Dat geld is bestemd voor Swissair, AMP, SR Logistics, Nuance, Swissport, Atraxis. De betalingen werden natuurlijk bevroren. Er zijn ook facturen van Sabena die door Swissair en zijn filialen betaald moeten worden. Dit bedrag is echter lager dan 72.000 euro.

De heer Marc Hordies (ECOLO). - De rivaliteit binnen de raad van bestuur van Sabena ingevolge de aanwezigheid van Swissair mag niet worden onderschat. Ik ben blij met de uitdrukkelijke verbintenis van de regering om het sociaal plan toe te passen en het personeel te begeleiden.

Mondelinge vraag van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de samenwerking tussen de Dienst Vreemdelingenzaken en de Kazachse autoriteiten» (nr. 2-706)

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Toen ik de getuigenis las van een Kazach van Russische oorsprong waarvan de asielaanvraag op 7 november 2000 onontvankelijk werd verklaard, werd me duidelijk welke nauwe samenwerking bestaat tussen de Dienst Vreemdelingenzaken en de veiligheids- en inlichtingendiensten van Kazachstan. Dat verontrust me.

Afgezien van de erbarmelijke omstandigheden waarin zijn gesprek op het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen verliep, het feit dat hij geen kopie ontving van de beslissing tot weigering en de mensonwaardige opsluiting in het gesloten centrum van Brugge, blijkt uit het verhoor dat plaatsvond naar aanleiding van een verzoekschrift dat de betrokkene bij het Hof van Straatsburg indiende dat de Belgische en Kazachse overheden op drie manieren samenwerken.

Naar verluidt zouden de Kazachse veiligheidsdiensten, met toestemming van Vreemdelingenzaken, asielzoekers hebben ondervraagd in het gesloten centrum in Brugge.

Bovendien zouden aan de Kazachse autoriteiten pasfoto's zijn bezorgd die van de asielzoekers werden genomen met het oog op hun verwijdering. Het blijkt namelijk dat op de documenten, die ze gekregen hebben toen ze in Kazachstan aankwamen, de foto's waren aangebracht die door de Kazachse veiligheids- en inlichtingendiensten in Brugge waren genomen.

Ten slotte zouden de Kazachse autoriteiten toegang hebben gehad tot het dossier dat door de betrokken asielzoekers was ingediend. Nu dienden die personen juist een asielaanvraag in uit vrees voor de Kazachse autoriteiten. Uit verschillende getuigenissen blijkt ook dat de personen, die op 6 januari 2001 werden verwijderd, al van bij hun aankomst in Kazachstan door de politie worden gevolgd omwille van hun asielaanvraag, precies omdat de autoriteiten inzage hadden in hun dossier in België.

Bevestigt de minister deze feiten? Zo ja, wat is de juridische basis voor de samenwerking tussen de Belgische en Kazachse overheid?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Als een persoon die hier illegaal verblijft, teruggestuurd wordt naar zijn land van oorsprong, moet dat land bevestigen dat het wel degelijk om een van zijn onderdanen gaat. Dat is de reden waarom contact werd opgenomen met de autoriteiten van het betrokken land.

Wat betreft de Kazachse onderdanen die op 5 januari 2001 werden verwijderd, stuurden de Kazachse autoriteiten een delegatie naar België die deze personen in de gesloten centra is gaan identificeren. Dat is een gebruikelijke procedure.

Bovendien is een pasfoto altijd nodig voor de uitreiking van een doorgangsbewijs, een reisdocument dat nodig is om te kunnen repatriëren.

De autoriteiten hebben in geen geval toegang tot het dossier van de uitgeprocedeerde asielzoekers. Er wordt zelfs geen melding gemaakt van het feit dat ze asiel hebben gevraagd. Uit het rapport van de immigratieambtenaar, die op 6 januari 2001 in de luchthaven van Almati aanwezig was, blijkt dat de gerepatrieerde personen door de immigratiedienst niet werden gecontroleerd en dat ze hun bagage konden afhalen zoals elke gewone passagier.

Als men de rechtsstaat wil respecteren, moet men de vreemdelingen die zich illegaal op ons grondgebied bevinden, verwijderen. Om ervoor te zorgen dat deze personen opnieuw in hun land van herkomst worden toegelaten, kunnen akkoorden nodig zijn. Dat is niet zo gemakkelijk. In afwachting van die akkoorden moet het land van herkomst een doorgangsbewijs afleveren. Daartoe willen de autoriteiten controleren of de betrokkenen wel onderdanen zijn.

De procedure is dus nodig om ons beleid van verwijdering van illegalen te kunnen uitvoeren.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Het is niet mijn bedoeling de verwijderingsprocedure te betwisten. Ik blijf me wel verbazen over de manier waarop de autoriteiten hebben geholpen bij de identificatie. Ik zal de kwestie van de eerbiediging van de individuele rechten en de manier waarop de identificatie in de gesloten centra verloopt, alleszins verder uitdiepen.

Mondelinge vraag van de heer Jean Cornil aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de invoering van een premie voor politiemensen die illegale vreemdelingen bij hun uitwijzing begeleiden tot aan de grens van het Belgisch grondgebied» (nr. 2-719)

De heer Jean Cornil (PS). - Binnen de politiediensten heerst ongenoegen over de inhoud van het koninklijk besluit over het statuut van de politiediensten.

Eén bepaling voorziet in een premie voor politiemensen die illegale vreemdelingen escorteren. Het bedrag van de vergoeding varieert naargelang van de graad. Tevens werd bepaald dat de premie wordt gehalveerd als de vreemdeling op het einde van de missie het grondgebied niet heeft verlaten.

De minister zal mij zeggen dat deze maatregel bedoeld is om het averechtse effect te beperken van de maatregel die de vorige regering nam na het overlijden van Semira Adamu. Mocht ik toen nog op het Centrum hebben gewerkt, dan was ik des te meer verontwaardigd geweest over deze premie die de verwijdering van het grondgebied bevordert.

Hoe interpreteert de minister deze bepalingen? Waaraan beantwoordt de vergoeding? Verantwoordelijken van de politiediensten menen dat de vergoeding bepaalde reiskosten dekt. Ze begrijpen dan ook niet waarom ze wordt gehalveerd als de politieman het grondgebied niet verlaat.

De minister heeft vanochtend in een communiqué laten weten dat het vooral een premie is voor de moeilijke opdracht om een persoon van het grondgebied te verwijderen.

Moet deze zaak niet financieel worden geneutraliseerd zodat de politieagent geen financieel gevolg ondervindt van het al dan niet slagen van de missie? Waarom wordt de premie niet toegekend aan alle politieagenten die zich vrijwillig voor een escorteopdracht melden, of die opdracht nu een succes is of niet?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Vooraf wil ik erop wijzen dat ik geen communiqué verspreid als ik in het Parlement op vragen kan antwoorden.

Ik apprecieer dat de heer Cornil erkent dat ik niet de uitvinder van dit systeem ben.

De vorige regering heeft op 9 oktober 1998 een asiel- en immigratienota goedgekeurd. Het koninklijk besluit ter uitvoering van deze beslissing dateert van 8 juli 1999, vier dagen voor mijn aantreden.

Ik wil deze beslissing helemaal niet aanvechten.

Ze is gerechtvaardigd omdat de escorteopdrachten zeer belastend zijn. Ze worden uitgevoerd door speciaal opgeleide vrijwilligers. De moeilijkheid, de druk en het risico van deze opdrachten rechtvaardigen een premie.

Soms ontlasten de illegalen die worden uitgezet zich in hun broek, spuwen ze in het gezicht van de politieagenten, bijten en slaan ze, stoten hun hoofd tegen de muur, gooien zich op de grond enzovoort.

Om dergelijke escorteopdrachten uit te voeren, moet men stevig in zijn schoenen staan.

Tijdens de onderhandelingen over de mammoetwet werd het principe van de premie aanvaard. Het bedrag varieert naargelang van de graad zodat de fiscale effecten worden geneutraliseerd en iedereen dezelfde premie ontvangt. Onder de vorige regering werd de premie slechts bij een geslaagde missie toegekend. We hebben deze beslissing aangepast door ook in geval van een mislukking de helft van de premie toe te kennen.

Er zijn verschillende omstandigheden waarin de missie niet tot een goed einde kan worden gebracht. Meestal beslist de boordcommandant op basis van een ministerieel besluit van de huidige regering dat een persoon een te groot risico is om aan boord te worden gelaten. De boordcommandant neemt dus de beslissing en niet de politiemensen.

Wat menselijkheid en wederzijds respect betreft, meen ik dat ook de politiemensen een minimum aan respect verdienen. Het is ongehoord te beweren dat in ons land politiemensen zijn die bereid zijn om voor 350 frank de mensenrechten te schenden. Het beleid moet worden voortgezet, maar er mag geen enkele verdenking rond hangen. Ik wens een evenwichtig en redelijk beleid, zonder demagogisch, politiek of ideologisch misbruik. In het Europees Parlement werd onlangs een conferentie over migratie georganiseerd waarop bijna veertig ministers aanwezig waren. Het viel mij op dat iedereen streefde naar een verantwoord, evenwichtig en realistisch beleid. Ik hoor misleidende interpretaties en ik ben beducht voor ongerechtvaardigde verdachtmakingen. Ik zal de vakbonden en de regering dan ook voorstellen om de premie ongeacht het resultaat van de missie integraal toe te kennen. Ik herhaal dat de politiemensen moeilijk werk doen, dat heel weinigen zouden willen doen. Ze verdienen deze premie omdacht ze tijdens hun tocht van het centrum naar de plaats van inscheping worden geconfronteerd met stress, geweld, beledigingen en wansmakelijke toestanden.

De heer Jean Cornil (PS). - De minister heeft een duidelijke en bevredigende interpretatie van de bepaling gegeven. Ik wens niet dat de premie wordt afgeschaft. Alleen de halve premie lijkt me betwistbaar omdat ze in extreme gevallen een aansporing zou kunnen zijn. Het verheugt me dat de minister zal voorstellen de premie volledig uit te betalen ongeacht hoe de uitzetting afloopt.

Mondelinge vraag van de heer Philippe Mahoux aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «de terugbetaling van de geneesmiddelen voor de ziekte van Alzheimer» (nr. 2-720)

De voorzitter. - De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, belast met het Grootstedenbeleid, antwoordt namens de heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen.

De heer Philippe Mahoux (PS). - In het begin van dit jaar heb ik de minister van Sociale Zaken en Pensioenen ondervraagd over de terugbetaling van de geneesmiddelen die worden gebruikt om de ontwikkeling van de ziekte van Alzheimer te vertragen. De minister antwoordde dat zijn departement niet de middelen had om deze geneesmiddelen terug te betalen.

Hij wees er ook op dat er andere dringende noden waren met betrekking tot deze ziekte, zoals de initiatieven voor de begeleiding en voor de hulp aan deze patiënten.

Dat standpunt leunde nauw aan bij het advies van de Technische raad voor farmaceutische specialiteiten van het RIZIV.

Gelet op de evolutie van het budget vraag ik een herziening van de negatieve beslissing en de terugbetaling mits aan een aantal voorwaarden is voldaan.

Ik pleit voor een globale benadering die rekening houdt met elke nieuwe therapie voor de lichte en gematigde vormen van de ziekte.

Dit pijnlijke probleem, waarmee tal van families worden geconfronteerd, heeft belangrijke financiële implicaties. De kosten voor de medicatie belopen meer dan 6.000 frank per maand.

Wat is de huidige stand van zaken in dit dossier? Vele families kijken hoopvol uit naar een oplossing.

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, belast met het Grootstedenbeleid. - De procedure voor de regeling van de terugbetaling van de bedoelde geneesmiddelen werd ingezet.

De Technische raad voor de farmaceutische specialiteiten van het RIZIV heeft het voorstel van de minister om de drie geneesmiddelen terug te betalen, onderzocht.

Dit voorstel moet nog worden goedgekeurd door het Verzekeringscomité van het RIZIV, de Inspectie van Financiën, de minister van Begroting en de Raad van State. Als alles volgens plan verloopt, zullen de geneesmiddelen vanaf de lente van 2002 voor 75% worden terugbetaald, of voor 85% aan de personen die recht hebben op een vermindering van de persoonlijke bijdrage.

Een neuroloog, een psychiater of een geriater moeten vooraf nagaan of de patiënt in aanmerking komt voor behandeling met een van de geneesmiddelen. De behandeling wordt gedurende een proefperiode van zes maanden toegepast. Als op het einde van die periode blijkt dat de medische toestand noch de staat van afhankelijkheid van de patiënt zijn verslechterd, wordt de behandeling voortgezet.

Na de proefperiode wordt de toestand van de patiënt jaarlijks geëvalueerd.

Een nieuw aspect van de procedure is de aandacht voor de organisatie van de verzorging. Een efficiënte behandeling van de ziekte van Alzheimer vereist een vlotte samenwerking tussen de specialisten, de huisarts en het paramedisch personeel. De voorlopige terugbetaling wordt pas toegestaan op voorwaarde dat er vooraf een verslag over deze samenwerking wordt opgemaakt. Het is de bedoeling de patiënt thuis zo goed mogelijk te verzorgen. Daarom moeten de arts en de zorgverleners de partner, de gezinsleden en eventuele vrijwilligers inlichten en begeleiden.

Minister Vandenbroucke voegt eraan toe dat de aandacht voor de organisatie van de verzorging ertoe moet leiden dat de patiënten langer thuis kunnen blijven en dat de werklast voor het verzorgend personeel wordt verlicht.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Dat met deze geneesmiddelen wordt rekening gehouden, is een bewijs van de vooruitgang op wetenschappelijk vlak.

Een tweede element betreft de kosten.

De patiënten die door deze ziekte worden getroffen, moeten meer hulp krijgen.

Ik zal dit probleem blijven volgen. De aangekondigde vooruitgang verheugt mij.

Mondelinge vraag van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, belast met het Grootstedenbeleid, over «de geplande vestiging van een megawinkelcentrum in de omgeving van Moeskroen» (nr. 2-718)

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Recentelijk heeft de Waalse minister Foret een positief advies gegeven voor de inplanting van een megawinkelcentrum van bijna 90.000 m² in de omgeving van Moeskroen en dit tegen alle negatieve adviezen in van de diverse administraties. De visie van de stad Moeskroen, die merkwaardig wordt ondersteund door de Waalse minister Foret, staat volledig haaks op het kernversterkend beleid van de Vlaamse en de federale regering inzake mobiliteitsplannen, veiligheidsplannen, structuurplannen en dergelijke meer. De vestigingsplaats van dat centrum ligt op 10 kilometer van Moeskroen, maar ook op 10 kilometer van Kortrijk.

Daarenboven is het argument dat de stad Moeskroen aanvoert, namelijk Belgische kopers in eigen land houden, een vals argument. De Franse aantrekkingskracht is vooral te wijten aan de belangrijke verschillen in BTW en taksen.

Wat zal de houding van de regering zijn in dit dossier? Zal ze haar ogen sluiten en op die manier de kleinhandel die zo cruciaal is voor onze steden - vooral in het zuiden van West-Vlaanderen - de doodsteek geven? Zal ze het recht van de sterkste laten spelen of daarentegen ook aandacht hebben voor de kleinhandel in de binnensteden? Erkent de regering de belangrijke maatschappelijke rol van de kleinhandel die erin bestaat de verbondenheid tussen mensen te bevorderen?

Wil de regering de kleinhandel wel ondersteunen? Welke mogelijkheden overweegt de regering daaromtrent? Maakt het voorstel van minister Daems om het kadastraal inkomen voor handelspanden in stadskernen vrij te stellen nog een kans?

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, belast met het Grootstedenbeleid. - Om een winkelcentrum van die omvang op te trekken moet de aanvrager eerst een stedenbouwkundige en vervolgens een sociaal-economische vergunning aanvragen. Ruimtelijke ordening en stedenbouw zijn gewestelijke bevoegdheden. De stad Moeskroen heeft na het gunstig advies van minister Foret een stedenbouwkundige vergunning uitgereikt voor de bouw van dat winkelcentrum.

De procedure voor toekenning van een sociaal-economische vergunning valt onder de wet betreffende de handelsvestigingen van 1975. Die bepaalt dat de aanvraag van een sociaal-economische vergunning moet worden gericht aan het college van burgemeester en schepenen van de plaats waar de vestiging wordt gepland. De aanvraag wordt vervolgens, samen met een sociaal-economisch dossier, overgezonden aan het sociaal-economisch comité voor de distributie. Het comité onderzoekt het dossier en brengt een gemotiveerd advies uit, waarin de geplande vestiging wordt beoordeeld op volgende aspecten: ruimtelijke inplanting, consumenten, werkgelegenheid en weerslag op de bestaande handelszaken. Als het advies van het comité negatief is, moet de gemeente de aanvraag afwijzen. Als het comité voorwaarden bepaalt, dan moet de gemeente die voorwaarden opleggen. Tot op heden heeft het comité nog geen enkel dossier over de geplande vestiging in Moeskroen ontvangen. Ik kan mij derhalve moeilijk uitspreken over de afloop van deze aanvraag.

In het koninklijk besluit van 1975 tot vaststelling van de criteria waarmede rekening moet worden gehouden bij het onderzoek van een aanvraag voor een handelsvestiging, wordt wel bepaald dat het sociaal-economisch comité moet nagaan of de geplande vestiging de leefbaarheid van de bestaande handelszaken niet in gevaar brengt.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - De minister heeft een mooie uitleg gegeven over de wet op de handelsvestigingen, maar dat is geen antwoord op mijn vraag. Ik wil weten wat de regering concreet zal doen. Ik weet ook wel dat het dossier nog niet is ingediend bij het sociaal-economisch comité, maar dat zal beslist gebeuren aangezien er een stedenbouwkundige vergunning werd gegeven. Zal de regering op het ogenblik dat het dossier door het comité wordt behandeld, de mogelijk negatieve adviezen gewoon naast zich leggen en geen rekening houden met het kernversterkend beleid?

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, belast met het Grootstedenbeleid. - Ik kan mij hier niet uitlaten over de inhoud van het dossier. We moeten het advies van het sociaal-economisch comité afwachten.

De regering heeft wel het debat geopend over de hervorming van de wet van 1975. Wij gaan na op welke manier de wet aan de huidige behoeften kan worden aangepast. De procedure moet alleszins worden ingekort en ook doorzichtiger worden. Het gebrek aan transparantie leidt immers tot wantrouwen. Ik verwacht dat de regering eerlang tot een besluit zal komen.

Mondelinge vraag van de heer Paul Wille aan de minister van Financiën over «de fiscale behandeling van de afsplitsing van vennootschappen» (nr. 2-721)

De heer Paul Wille (VLD). - Door de wet van 16 juli 2001 werd een fiscaal stelsel uitgewerkt voor de zogenaamde partiële fusie en afsplitsing. Mijn vraag heeft specifiek betrekking op de afsplitsing.

Volgens de vennootschapswetgeving is een afsplitsing, een splitsing van vennootschappen zonder dat alle overdragende vennootschappen ophouden te bestaan. Concreet betekent dit dat bij een afsplitsing een gedeelte van de activa en passiva van een bestaande vennootschap worden overgebracht in een nieuwe vennootschap waarvan de aandelen toekomen aan de aandeelhouders van de bestaande vennootschap. Ook de bestaande vennootschap blijft verder bestaan.

Door de wet van 16 juli 2001 valt deze verrichting op fiscaal vlak onder het stelsel van toepassing in geval van ontbinding en vereffening van vennootschappen. Dit stelsel leidt in principe tot een zekere belastbaarheid, maar wanneer de verrichting beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften, kan er sprake zijn van vrijstelling.

Na de verklaringen die de staatssecretaris voor Energie naar aanleiding van het dossier Electrabel in de senaatscommissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden heeft afgelegd, is er in de praktijk enige verwarring gerezen over de fiscale invulling van het begrip "afsplitsing". De staatssecretaris stelde immers dat er geen behoefte was aan de invoering van een vrijstellingsregime inzake BTW en registratierechten, omdat er zich wat dergelijke vrijstelling betreft geen problemen zouden stellen.

Er zouden geen problemen rijzen voor de BTW en registratierechten wanneer de afgesplitste activa een zogenaamde tak van werkzaamheid betreffen. In alle andere gevallen zou er geen BTW-vrijstelling of vrijstelling inzake registratierechten zijn, wat volgens ons wel problemen kan veroorzaken. Bijgevolg zou het antwoord van de staatssecretaris impliceren dat men er fiscaal van uitgaat dat een afsplitsing altijd betrekking moet hebben op activa die één specifieke bedrijfstak vormen. Nochtans lijkt mij dit vennootschapsrechtelijk niet vereist en voegt de belastingwet geen voorwaarde toe aan de wet op de vennootschappen.

Kan de minister van Financiën bevestigen dat er ter zake geen onduidelijkheid bestaat, dat de belastingwet geen voorwaarde toevoegt aan de wet op de vennootschappen en dat het bijgevolg met het oog op de toepassing van het fiscale stelsel, voorzien voor de afsplitsing, niet vereist is dat deze verrichting betrekking heeft op dezelfde bedrijfstak.

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Over de door de heer Wille bedoelde problematiek loopt er in mijn administratie momenteel een onderzoek naar aanleiding van een concreet dossier.

Zonder mij nu reeds uit te spreken over de uiteindelijke beslissing die in dit concreet dossier zal worden genomen, wens ik niettemin op te merken dat de wetgever in eerste instantie de bedoeling had belastingneutrale herstructureringen ook via de rechtsfiguur van de afsplitsingen mogelijk te maken. Het kan bijgevolg geenszins de bedoeling van de wetgever zijn geweest om verrichtingen van afsplitsing zodanig te organiseren dat de belastingplichtigen zelf expliciet zouden kunnen stellen dat zij niet aan financieel-economische behoeften voldoen. Men wenste te voorkomen dat de hele operatie via omwegen en andere wettelijke bepalingen toch nog met een definitieve vrijstelling van belastingen en roerende voorheffingen zou kunnen worden doorgevoerd.

Voorts wordt nog opgemerkt dat het Wetboek van Vennootschappen en de diverse fiscale wetgevingen ten opzichte van dergelijke verrichtingen niet steeds op dezelfde manier evolueren. Daarbij rijst misschien de vraag of de hele verrichting ten aanzien van dergelijke constructies niet in zijn geheel zou moeten worden bekeken om desgevallend tot herkwalificering, bijvoorbeeld als stockdividend, over te gaan.

Voor een concreet antwoord op een concreet dossier moet ik wachten op de eindbeslissing van mijn administratie. Mijn antwoord op uw concrete vraag is dus neen.

De heer Paul Wille (VLD). - Ik heb helemaal geen concreet dossier voor ogen, want dan zou mijn vraag misplaatst zijn. Het is integendeel zo dat het tijd was voor deze wetgeving. Verschillende vennootschappen voldoen wel degelijk aan de criteria die oorspronkelijk in de wet werden gehanteerd. De interpretatie van de minister van Energie naar aanleiding van een concreet dossier heeft verwarring gezaaid. Er moet zo spoedig mogelijk duidelijkheid komen. Uit de verklaring van de minister leid ik af dat de algemene regeling geïnspireerd zou zijn op een concreet dossier. Ik hoop dat dit niet het geval is. Ik ga er immers van uit dat wetten niet gemaakt worden voor een concreet dossier.

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Er bestaat een algemeen stelsel, maar voor een eindbeslissing moeten we wachten tot de onderzoeken naar concrete gevallen afgesloten zijn. Deze problematiek heeft immers altijd te maken met de economische realiteit.

De voorzitter. - Het verheugt me dat we erin geslaagd zijn tien mondelinge vragen in 70 minuten af te handelen. De spreektijd, namelijk drie minuten voor de vraag, drie minuten voor het antwoord en een minuut voor de repliek, werd dus vrijwel in alle gevallen gerespecteerd.

Voorstel van resolutie over de ministeriële conferentie van de Wereldhandelsorganisatie in Doha (van mevrouw Marie-José Laloy c.s., Stuk 2-869)

Voorstel tot terugzending

De heer Marcel Colla (SP.A). - Als voorzitter van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging stel ik voor dat de commissie onmiddellijk bijeenkomt om de amendementen te bespreken die thans werden ingediend.

-Tot terugzending wordt besloten.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 7 mei 2000 houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en van een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid (Stuk 2-833) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De heer Guy Moens (SP), rapporteur. - Het uitvoerig schriftelijk verslag over de bespreking van het wetsontwerp was twee weken geleden reeds beschikbaar. Vorige week werd tot terugzending naar de commissie besloten ingevolge de indiening van nieuwe amendementen.

Ik verwijs naar het schriftelijk verslag, maar ik zal de punten aanhalen die de commissie het belangrijkst achtte.

In de eerste plaats vroegen de leden zich af of het door de commissie aangenomen amendement van de heer Jean-Marie Dedecker en de tekst van het regeringsontwerp in overeenstemming zijn met de Grondwet. In dat verband werd voortdurend verwezen naar artikel 89 van de Grondwet over de civiele lijst. Aangezien de ontwerpen en amendementen betrekking hebben op de dotatie aan een lid van de koninklijke familie, staat de grondwettelijkheid niet ter discussie.

Voorts vroeg men zich af of het inderdaad om een ontwerp ging dat door de Senaat kan worden geëvoceerd dan wel of het onder de toepassing van artikel 77 paragraaf 2 valt dat luidt dat sommige aangelegenheden door de beide wetgevende Kamers moeten worden behandeld. Volgens de minister is dat hier niet het geval aangezien de basiswet die thans wordt gewijzigd, onder de toepassing valt van artikel 78.

Een derde reeks van discussiepunten ging over inhoudelijke elementen. Zo vroeg de heer Jean-Marie Dedecker zich af welke leden van de koninklijke familie recht hebben op een dotatie.

Kunnen eventueel de kinderen van prinses Astrid later ook een dotatie krijgen of niet? Dat was de kern van de discussie. Volgens de minister is wat nu gebeurt, namelijk het toekennen van een jaargeld aan één van de kinderen van de Koning via het Koninklijk Instituut voor het duurzaam beheer van de natuurlijke rijkdommen, een slechte regeling. Die wordt nu vervangen door een dotatie. Daardoor zou iedereen op gelijke voet worden gesteld. Dat deed vele vragen rijzen.

Een ander discussiepunt, waarop vooral de heer Van Quickenborne de nadruk legde, betrof de hoogte van het bedrag, de indexering en de ingangsdatum ervan. Hij diende daaromtrent amendementen in. De commissie was niet akkoord met deze amendementen, omdat zij meende dat wat de ene toekomt, ook de andere toekomt. Waarom zou dan geen terugwerkende kracht gelden? Daarop heeft collega Jean-Marie Dedecker een amendement ingediend om in de toekomst enkel de kroonprins of - prinses recht te geven op een dotatie met uitsluiting van alle anderen. Dat amendement is goedgekeurd met vijf tegen drie stemmen bij drie onthoudingen. Het aldus geamendeerde regeringsontwerp werd met zes tegen vier stemmen goedgekeurd. Het verslag werd met zes stemmen voor en twee onthoudingen goedgekeurd. De twee onthoudingen golden als een aankondiging van nieuwe amendementen die voor de behandeling in plenaire vergadering zouden worden ingediend, wat inderdaad is gebeurd door de heren Van Quickenborne, Thissen en Monfils. Het amendement nummer 19 wil het oorspronkelijk ontwerp herstellen. Daarover werd gisteren nog gedebatteerd in de commissie voor de Financiën. Dat debat is in alle sereniteit verlopen. Collega Jean-Marie Dedecker heeft daarbij veel begrip betoond voor de stelling van de heren Thissen en Monfils en verklaarde zich bereid zijn amendement in te trekken op voorwaarde dat er op korte termijn een wetsvoorstel zou komen met garanties dat over de hele financiering van het Koningshuis ernstig wordt nagedacht en wetgevend werk met medewerking van de regering tot stand komt. De regering toonde zich daarvan grote voorstander. Zij had zich trouwens al eerder in die zin uitgesproken. De commissie is op die suggestie ingegaan.

De wil was dus blijkbaar aanwezig om amendement 19 onder bepaalde voorwaarden te aanvaarden. Daarop heeft de heer Jean-Marie Dedecker garanties gevraagd.

Een zeer intelligent lid van de Senaat heeft dan het voorstel gedaan tot oprichting van een werkgroep die op korte termijn een wetsvoorstel zou uitwerken. Van elke politieke fractie van de Senaat zou één lid deelnemen aan de werkzaamheden met het oog op het bereiken van een consensus over alle voorwaarden voor de eventuele toekomstige financiering van leden van de koninklijke familie. Dit voorstel werd door een meerderheid van de commissie aanvaard. Er werd vervolgens gestemd over het herstellen van de oorspronkelijke tekst. Amendement 19 werd aangenomen met 9 stemmen tegen 1 bij 1 onthouding. Daarna werd gestemd over de ontwerptekst van de regering, die met dezelfde stemmenverhouding werd aangenomen. De amendementen van de heer Van Quickenborne met betrekking tot de terugwerkende kracht werden verworpen.

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Ik ben blij dat de heer Moens alvast mijn naam juist heeft vermeld. De voorzitter heet Armand De Decker en ik ben Jean-Marie Dedecker. Wij houden er beide een liberaal principe op na, maar voor het overige zijn er tussen ons nogal wat meningsverschillen, met name wat het koningshuis betreft.

Nogal wat collega's kennen het verschil niet tussen de civiele lijst en de dotaties. Men moet de geschiedenis kennen om het heden te begrijpen. Artikel 89 van de Grondwet bepaalt dat de civiele lijst door de wet vestgesteld wordt voor de duur van de regering van elke Koning. Volgens grondwetspecialist Karel Rimanque heeft deze civiele lijst alleen betrekking op de Koning en slaat ze op het jaargeld voor de hofhuishouding. Dit werd in 1831 zo bepaald om de onafhankelijkheid van de koninklijke functie te waarborgen en om te verhinderen dat de Koning onderhevig zou zijn aan de nukken van de opeenvolgende parlementen. Dit verklaart waarom men nog steeds niet kan controleren op welke manier de Koning zijn uitgaven doet ten laste van de civiele lijst. Het zou nochtans een goede democratische oefening zijn. Niet langer dan vorig jaar werd door de heer Edward Korry, die ambassadeur van de Verenigde Staten is geweest in Chili, en dus een man is die naar mijn mening boven elke verdenking staat, bekendgemaakt dat Koning Boudewijn met vele miljoenen de Chileense presidentskandidaat Eduardo Frey gesteund had in zijn strijd met Salvador Allende. Wat er daarna met Allende en Pinochet gebeurd is, behoort tot de wereldgeschiedenis.

Vandaag, 17 oktober 2001, publiceert Knack nog een artikel over de miljarden van Koning Boudewijn, die net voor de devaluatie van de Belgische frank in 1982 in New York werden geplaatst, en over een vermogen van 12 miljard dat na zijn overlijden in de VS werd geplaatst.

De voorzitter. - Wat heeft dit met dit wetsontwerp te maken?

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Het gaat om de dotaties, dus om geld dat aan het koninklijk huis wordt gegeven, en om de controle op dat geld. Mijn standpunt staat u wellicht niet aan, maar laat mij uitspreken.

Misschien gaat het om indianenverhalen, hoewel de bronnen dit allerminst doen vermoeden. Wie uit de staatsruif eet, moet toch aan een minimale controle worden onderworpen. Honni soit qui mal y pense.

De civiele lijst wordt bij het begin van een regeerperiode vastgelegd - voor de huidige koning gebeurde dit op 16 november 1993 - en bedraagt momenteel bijna 293 miljoen frank, een bedrag dat jaarlijks wordt geïndexeerd en in de begroting wordt vastgelegd. De regering kan hieraan niet tornen aangezien voor een aanpassing een grondwetswijziging noodzakelijk is.

In de Grondwet staat niets over de overige leden van de koninklijke familie. Dit is belangrijk. De Hollandse grondwet van 1815 kende wel nog een dotatie toe aan de prins van Oranje, de vermoedelijke kroonprins. Op 28 februari 1832 werd aan Leopold I 2.751.000 frank toegekend. Leopold II kreeg op 10 december 1865 3,3 miljoen frank. Op 30 december 1909 werd Albert I 3,3 miljoen frank toegekend. Dit bedrag werd vanwege de muntontwaarding verhoogd tot 9,5 miljoen. Op 20 maart 1934 werd aan Leopold III 12 miljoen toegekend en op 24 juli 1951 kreeg Boudewijn 36 miljoen. Dit laatste bedrag werd bij zijn huwelijk tot 42 miljoen verhoogd.

Vanaf 1965 wordt de civiele lijst aan de levensduurte gekoppeld zodat in 1993 aan koning Boudewijn 214,3 miljoen frank werd toegekend. Op 16 november 1993 werd dus aan koning Albert II 244 miljoen toegekend.

Hoewel de Grondwet geen enkele regeling kent voor leden uit de koninklijke omgeving, werd bij uitzondering soms een dotatie toegekend. Surlet de Chokier kreeg van het Nationaal Congres een dotatie voor zijn regentschap. Prins-regent Karel kreeg vanaf 1951 een dotatie van 4 miljoen. Koningin Elizabeth kreeg na het overlijden van Albert I in 1934, na veel protest in het parlement, 2 miljoen frank. Leopold III kreeg een dotatie voor de koninklijke familie, die tot op heden nog aan prinses Lilian wordt uitbetaald, ten bedrage van 16,2 miljoen frank. Leopold II deed zijn broer Philippe als vermoedelijke troonopvolger een dotatie toekennen van 200.000 frank, die bij diens overlijden overging op Albert I.

Deze traditie werd 100 jaar gevolgd, tot prins Albert in 1959 als vermoedelijke troonopvolger ook uit de ruif mocht eten en 3,5 miljoen frank kreeg.

Het laatste decennium werden we echter geconfronteerd met een inflatie van dotaties die totaal niet in verhouding staat tot de traditie waaraan het koningshuis zich gedurende 160 jaar had gehouden.

De koningin-weduwe kreeg naar gewoonte vanaf 1993 een dotatie die inmiddels opgelopen is tot 52,6 miljoen. Kroonprins Filip kan zich verheugen op een huwelijksopslag tot bijna 34 miljoen frank. Dit is 2,5 maal het oorspronkelijk bedrag, of een loonsverhoging van 250%. Het gaat dus om een royale vergoeding voor samenwonenden en vermoedelijk is een even vorstelijke kinderbijslag op komst.

Op één enkele uitzondering na, toen de tweede zoon van Leopold I, prins Philippe, als tweede zoon en niet-kroonprins ook 150.000 frank toebedeeld kreeg, werden nooit dotaties toegekend aan niet-vermoedelijke troonopvolgers.

Om schimmige redenen, zoals een kroostrijk gezin en dienstbetoon uit hoofde van het Rode Kruis, werd aan prinses Astrid de som van 1 miljoen per maand toegekend, of 11,7 miljoen per jaar en vier maal zo veel als de netto wedde van premier Verhofstadt.

Om even verborgen redenen, of het nu van vrijzinnige of charismatische aard is - in dit geval weet men het nooit - wordt nu ook aan prins Laurent een evenwaardige dotatie toegekend, zogezegd ter vervanging van een even dubieuze financiering, indertijd uitgedokterd door Fons Verplaetse om onze prins een gewaarborgd inkomen te bezorgen, gesalarieerd uit zijn Koninklijk Instituut voor het duurzaam beheer van de natuurlijke rijkdommen en de bevordering van de schone technologie, kortweg Kint genoemd. Een dotatie die amper een jaar geleden, in mei 2000, werd gevraagd door een CVP-volksvertegenwoordiger als zwijggeld voor prins Laurent, omdat hij zich kritisch had uitgelaten over de vorige legislatuur.

In de Kamer heeft de CVP tegen de dotatie gestemd, maar dit is slechts een detail en toont aan dat dotaties veel te maken hebben met willekeur en nattevingerpolitiek, in functie van afspraken achter de coulissen.

De wetgever beschouwde de dotatie als een financiële compensatie voor de politieke onafhankelijkheid en de protocollaire taken. Dotaties worden gerechtvaardigd met gelegenheidsargumenten: vandaag een dotatie en morgen misschien een wedde van senator om niet aanwezig te zijn. Het absenteïsme waarvan de koningskinderen blijk geven is niet aard om hen een opleiding in staatszaken te garanderen, wat nochtans in illo tempore de bedoeling van de wetgever was. Ook dit pseudo-pedagogisch argument is in deze tijd van massamedia en informatica achterhaald, zoals trouwens ook grondwetsspecialist professor Robert Senelle toegeeft.

Dit geeft de hoofse onderdanigheid in de politieke houding over Laken toch wel aan. Net als de jongste jaren tegen de traditie in dotaties worden gegeven aan niet-kroonprinsen of - prinsessen, wordt al even kwistig omgesprongen met senaatszetels van rechtswege.

De globale dotatie aan de koninklijke familie is van 1993 tot 2001, dus in amper acht jaar, opgelopen van 260 tot 413,7 miljoen, of een verhoging van het gezinsbudget met 59%. Dit is geen indexering meer, noch een aanpassing aan de levensduurte, maar een cadeau waarvan de burger in de straat alleen maar kan dromen. Een burger, of hij in het onderwijs staat of zich inlaat met ziekenzorg - over de NMBS zal ik zwijgen - moet staken om 3% loonsverhoging te krijgen.

Tot slot nog een korte vergelijking met de andere vorstenhuizen in Europa. Ons vorstenhuis is het duurste per capita van heel Europa. Het kost bijna het dubbele van dit van Nederland en Zweden en is vier keer duurder dan het vorstenhuis van Groot-Brittannië. Nergens ter wereld, behalve in België, worden nog dotaties gegeven voor andere leden van de koninklijk familie, met uitzondering van de gepensioneerde koning of koningin of van de vermoedelijke troonopvolger. Wij zijn kwistig tot in de zevende rang, de rang in opvolging van prins Laurent.

Dan heb ik het nog niet over het persoonlijke fortuin van ons vorstenhuis. Gezien de omerta die er rond het koningshuis heerst, kunnen we ons alleen baseren op benaderende waarden. Volgens cijfers uit de Financieel Economische Tijd aan de hand van schattingen van het Brits tijdschrift Eurobusiness is de koninklijke familie, met een persoonlijk vermogen van 91 miljard, de rijkste van ons land.

Dan hebben we het ook niet over het onschatbaar onroerend patrimonium van de Koninklijke Schenking, dat bovendien ontsnapt aan erfenisrechten en allerhande onroerende belasting.

Of het koninklijk fortuin 10, 50 of 90 miljard bedraagt - de geheimzinnigheid daar rond wordt in stand gehouden - doet niets terzake. Wie over een dergelijk financieel vermogen beschikt, wordt verondersteld zijn kinderen te kunnen onderhouden. Als dit niet mogelijk is, kan men doen wat elke goede huisvader zijn kroost leert: er is niets oneerbaars aan werken voor de kost. De meeste koningskinderen in de andere Europese vorstenhuizen doen dat overigens ook.

U hoort het, beste collega's, ik ben eigenlijk een beetje socialistisch opgevoed. Werken zit me in het bloed.

Met de regelmaat van een klok leggen politici ronkende verklaringen af, telkens als er een opstootje is rond de rol van het koningshuis. Denken we maar aan de verklaringen van Prins Laurent over Jean-Luc Dehaene in het tijdschrift Arbeid en Milieu, aan de benoeming van de senatoren van rechtswege, de bouwcarrousel in Opgrimbie, de druk op het Lambermontakkoord of de dotatie aan de koningskinderen. Over het grondwettelijke kunst- en vliegwerk rond de rol van de Koning in het tot stand komen van de abortuswetgeving wil ik het niet hebben, want volgende week bespreken we de euthanasiewetgeving. Telkens slikken de politici echter hun woorden weer in van zodra de pers is uitgeraasd. Altijd zijn het schijngevechten om de intellectuele oneerlijkheid te verdoezelen. Wanneer zullen we de politieke moed hebben om een grondig debat te voeren over de werkelijke rol van ons koningshuis? Wanneer houden we eens op met dit politieke management by opportunity?

Het gaat hier niet over het afnemen van de dotatie aan Prins Laurent. Wat de Kamer en de regering hebben beslist, blijft behouden. De jongen heeft ook zijn onkosten. Het onderhouden van een milieuvriendelijke Ferrari is niet niets en wie zijn vriendin een Mercedes Jeep cadeau geeft bij de geboorte van haar kindje, moet toch over wat inkomsten beschikken om een evenwaardig geschenk te kunnen geven aan het kindje van zijn broer dat op komst is. Nee, vandaag gaat het om een wettelijke regeling voor het toekennen van koninklijke dotaties, over democratische regels, neergeschreven in een wet. Dit is evenmin een debat voor of tegen de monarchie, voor of tegen de republiek, zoals velen het trachten voor te stellen. Mijn amendement op artikel 4 laat de dotatie van 11 miljoen frank aan prins Laurent dan ook bestaan. We wensen er enkel aan toe te voegen dat in de toekomst alleen nog een dotatie wordt toegekend aan de Kroonprins of Kroonprinses of, bij ontstentenis daarvan, aan de vermoedelijke troonopvolger. Prins Laurent is zevende in lijn voor de troonopvolging. De wetgever moet een inflatie aan dotaties vermijden, want het kroost van prinses Astrid wordt ook volwassen en dan zal er wel een of ander systeem worden uitgedokterd om onderhoudsgeld uit te keren aan deze kinderen, die overigens nog een rang hoger genoteerd staan voor de troonopvolging dan Prins Laurent.

Het amendement van de heren Monfils en Thissen om artikel 4 te doen vervallen, heeft niets met (grond)wetgeving te maken, maar alles met zuiver politieke manoeuvres. Het amendement werd zelfs niet in de bevoegde commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden besproken en werd aanvaard uit louter politiek opportunisme. Drie grondwetsspecialisten met faam heb ik over dit amendement ondervraagd: de heer Karel Rimanque van de Universiteit Antwerpen, de heer Van Oorshoven van de Katholieke Universiteit Leuven en zelfs minister Johan Vande Lanotte, grondwetspecialist van de Rijksuniversiteit Gent. Geen van hen vond de verantwoording van het amendement relevant of van toepassing. Dezer dagen stellen we het voortbestaan van de Senaat ter discussie en gisteren hebben we er nog uren over gedebatteerd. Wat er rond dit ontwerp gebeurt, voedt echter de stelling dat onze instelling nutteloos is. We mogen wel evoceren, maar zeker niet amenderen. We kruipen op onze buik om de kleinste verandering teniet te doen. We zijn meer vazallen van de macht dan wetgevers. Drie gereputeerde grondwetspecialisten zeggen dat het amendement van de heren Monfils en Thissen waardeloos is en toch neemt de Senaat het aan. Iedereen moet maar voor zichzelf uitmaken of hij zich belachelijk wil maken, maar ík doe daar niet aan mee.

Politiek is de kunst van het haalbare. De politieke lobbymachine is hier weer belangrijker dan het gezond verstand en het zal vandaag wel weer niet lukken om de wildgroei aan dotaties, betaald met belastinggeld, aan banden te leggen. Ik zal er echter met argusogen op toezien dat de regering haar belofte nakomt om zo vlug mogelijk een wetsontwerp in te dienen dat deze materie regelt. Ik zal alle partijen ter verantwoording roepen die in de werkgroep op 17 oktober formeel hebben beloofd op korte termijn definitief een dotatiewetgeving uit te werken. We zijn verkozenen van het volk die moeten verhinderen dat er kwistig wordt omgesprongen met belastinggeld. Ik voel me nog altijd geen vazal van de Coburgs van Laken.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Als ik de heer Jean-Marie Dedecker hoor, voel ik me enkele honderden jaren terug in de geschiedenis gekatapulteerd, enkele maanden voor de dood van Lodewijk XVI.

De uitlatingen van de heer Jean-Marie Dedecker zijn onrustbarend: hij doet mee aan de roddels over het zogeheten fortuin van koning Boudewijn en van andere leden van de koninklijke familie. De heer Jean-Marie Dedecker houdt zich blijkbaar liever bezig met de financiën van het koningshuis dan met het witwassen van het geld van terroristen. Iedereen heeft zo zijn doelstellingen.

Na zijn enigszins ongepaste uitlatingen over wat de koninklijke familie ons land kost, stel ik de heer Jean-Marie Dedecker voor eens na te trekken wat er allemaal over de Europese koninklijke families en staatshoofden geschreven wordt. Hij zal vaststellen dat ze allemaal op de ene of andere wijze met overheidsgeld worden gefinancierd. Geloof me, ik verkies een koning die de naam Albert draagt boven een president die Jean-Luc Dehaene heet. Maar nogmaals, iedereen heeft het recht er zo zijn eigen ideeën over België op na te houden.

Ik ben niet voor of tegen het Hof, ik houd me aan de feiten.

In juli heeft de regering, weliswaar snel en zonder veel uitleg, bij het bureau van de Senaat een ontwerp ingediend betreffende de toekenning van een dotatie aan prins Laurent. Dat gebeurde enkele uren vóór het einde van de zitting, wat vele senatoren ontstemde. We kregen niet de tijd om een aantal problemen, die gerezen waren, te onderzoeken. We keurden een amendement goed dat liet uitschijnen dat het laatste keer was dat er drie dotaties zouden zijn voor de drie kinderen van de Koning, prins Filip, prinses Astrid en prins Laurent.

Het amendement van de heer Jean-Marie Dedecker, was echter niet accuraat: het was geen antwoord op de vragen die eerder gerezen waren. We hebben nagedacht en bij het begin van het parlementair jaar hebben we een oplossing gezocht die prins Laurent niet langer gijzelde, want dat was het doel dat de heer Jean-Marie Dedecker nastreefde. Hij wilde namelijk de derde dotatie, die bestemd was voor prins Laurent, blokkeren. Ik heb verklaard dat ik het onaanvaardbaar vond dat een onschuldig slachtoffer te lijden zou hebben onder het politiek manoeuvre van Jean-Marie Decker. Dat is de reden waarom ik zo snel mogelijk heb gereageerd en verklaard heb dat het probleem van de dotatie van prins Laurent geregeld moest worden.

Ik herinner de heer Jean-Marie Dedecker eraan dat alle ministers het ontwerp hebben ondertekend. Hij, lid van de meerderheid, ligt dwars. Of is hij soms de Decroly van de VLD? We willen weten of hij deel uitmaakt van de meerderheid dan wel van de oppositie.

Begin september heb ik duidelijk gemaakt dat ik geen bezwaar had tegen een onderzoek van de kwestie in alle sereniteit. Laat ons de twee dossiers scheiden en dat van de dotatie aan prins Laurent goedkeuren. Het gaat om een kwestie van verdelende rechtvaardigheid.

De heer Philippe Moureaux (PS). - Na deze woorden zal u zeker uitgenodigd worden door het Hof voor een groot diner.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Later kunnen we de grond van de zaak in alle sereniteit onderzoeken en een wetsvoorstel indienen waarin met alle mogelijke hypothesen rekening wordt gehouden. Wat gebeurt er bijvoorbeeld bij een huwelijk? Of als iemand sterft? Zullen we dan een dotatie toekennen? Op die manier zal dit soort van discussies, die telkens opduiken als er een gelukkige of ongelukkige gebeurtenis plaatsvindt in de koninklijke familie, vermeden kunnen worden. U valt de koninklijke familie aan, mijnheer Jean-Marie Dedecker. Daarover gaat het nu niet.

Bovendien hebt u verklaard dat de Senaat tot niets dient en niet kan evoceren. Sommige senatoren lijken geobsedeerd door de idee dat de Senaat overbodig is, ook al oefent hij gewoon zijn opdracht als evocatiekamer uit. U begaat dus een monumentale vergissing. Dit is koren op de molen van degenen die het vel willen van deze eerbare instelling. Ik vind uw houding volkomen onaanvaardbaar. Daarenboven houdt u zich niet aan de parlementaire deontologie. Er was namelijk overeengekomen dat als u dit ontwerp niet zou tegenhouden, ik bereid was met u en met andere collega's samen de verschillende hypothesen te onderzoeken. U hebt me dat wel tienmaal gevraagd en ik heb tienmaal geantwoord dat ik akkoord ging. Nu blijkt dat u me vraagt een papier te ondertekenen, alsof ik een sjacheraar zou zijn. Neen, mijnheer Jean-Marie Dedecker, ik ben zo niet. Als ik hier mijn woord geef aan een collega, houd ik me daaraan. En ik heb daarvoor geen papier nodig. Parlementaire deontologie heeft voor mij nog een betekenis. Ik houd mijn belofte. We zullen samen de hypothesen bestuderen. We zullen aan specialisten vragen een lijst op te stellen. We zullen nagaan of we het in de werkgroep eens kunnen worden. Als er moeilijkheden opduiken, zullen we ons tot de bevoegde commissies wenden om uit te maken hoe we een akkoord kunnen bereiken. Dit soort debatten wil ik voor eens en voor altijd vermijden.

Kortom, het vooruitzicht dat de verdelende rechtvaardigheid wordt toegepast en dat de dotatie van prins Laurent wordt goedgekeurd, verheugt me.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Verdelende! Toe maar...

De heer Philippe Moureaux (PS). - Ook de natuurlijke kinderen komen dan in aanmerking...

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Waarom zou ik niet blij mogen zijn als een regeringsontwerp, dat door alle ministers werd ondertekend, de socialistische inbegrepen, door de Senaat wordt aangenomen. Wat is het probleem?

Ik ben bereid deel te nemen aan een debat over de dotaties. Niet over de koninklijke familie of over haar rol, want dit heeft niets met de dotaties te heeft. Een akkoord tussen de democratische partijen is zeker mogelijk. We zullen een wetsvoorstel goedkeuren. Op die manier kunnen we duidelijkheid scheppen en politieke hysterie vermijden.

De heer Frans Lozie (AGALEV). - In deze discussie steunt onze fractie zich op een aantal principes. Allereerst moet worden uitgemaakt wie over de dotatie voor de koninklijke familie beslist: de uitvoerende macht of het parlement. Als het de uitvoerende macht is, dan moet dat worden geregeld bij koninklijk besluit en niet bij wet. Voor mij mag het wel een prerogatief zijn van de wetgevende kamers. Vandaag zijn we daar ook mee bezig.

Een eerste principe waardoor we ons laten leiden is de gelijkwaardigheid tussen de leden van de koninklijke familie. In het verleden hebben we beslist prinses Astrid voor een aantal protocollaire taken een dotatie toe te kennen. Ik zie dan ook geen reden om dat ook niet te doen voor haar broer prins Laurent. Over de uitkering van een dotatie aan prins Laurent was er in feite geen probleem, noch in de Kamer, noch in de Senaat.

Ten tweede, als een lid van de koninklijke familie gevraagd wordt een protocollaire opdracht uit te oefenen, is het volkomen normaal dat daartegenover een dotatie staat.

Een vraag is wat gedaan met de jonge generatie van de koninklijke familie. Moet die automatisch een dotatie ontvangen? Ons uitgangspunt is altijd geweest dat de kinderen van de koninklijke familie zolang mogelijk hun eigen leven moeten kunnen leiden. Dat betekent een eigen beroep en een eigen inkomen tot het parlement of de regering hen vraagt een functie uit te oefenen. Als we zonder meer een dotatie toekennen aan bijvoorbeeld de kinderen van prinses Astrid, dan is het alsof ze niet voor zichzelf moeten instaan.

Voor de dotatie van prins Laurent is er geen probleem, maar anderzijds is beslist een werkgroep op te richten. Agalev wil deel uitmaken van de werkgroep op voorwaarde dat de grenzen worden vastgelegd waarbinnen de regering over de dotatie kan beslissen. Maar nogmaals, de kinderen van de koninklijke familie moeten zoals elk ander kind zo lang mogelijk een gewoon leven kunnen leiden. Dat wil zeggen een opleiding krijgen en daarna een beroepsactiviteit uitoefenen.

De heer Frank Creyelman (VL. BLOK). - Dit wetsontwerp creëert het wettelijke kader om prins Laurent Benoit Baudouin Marie van Saksen-Coburg een leefloon van 11 miljoen belastingvrije franken per jaar toe te kennen. Iedereen zal het ten minste op dit punt met mij eens zijn: dat is niet niks. Er zijn brave mensen - bravere mensen zelfs - die het met veel minder moeten doen en die er veel harder voor moeten werken. Als het wetsontwerp wordt goedgekeurd - en wie twijfelt daar nog aan - moeten zij straks nog iets harder en nog iets langer werken om heel het koninklijk circus draaiende te houden. Dat geld ter beschikking stellen moeten die brave mensen allemaal doen zonder enige zinnige motivering, zonder enige uitleg.

Het minste wat van het wetsontwerp kan worden gezegd is dat het een duister verloop heeft gekend en zeker geen voorbeeld is van de open communicatie waar de regering zo graag mee pronkt. Wat kan de reden geweest zijn waarom ze het ontwerp zo stoemelings heeft willen laten goedkeuren? Is er een andere reden dan de wil van de regering om goed te staan bij de meest invloedrijke tak van de Belgische constructie? Is er een andere reden voor dat tersluikse optreden dan de wetenschap dat het wetsontwerp niet goed ligt bij een groot deel van de bevolking, ook niet bij een groot deel van de aanhang van de regeringspartijen? Ik geloof het niet.

Het is natuurlijk ook mogelijk dat prins Laurent beloond wordt voor het gebruik van maçonnieke symbolen bij zijn eedaflegging als senator. We kennen allemaal de invloed van occulte verenigingen in deze regering.

We stellen vast dat bijna elke begrotingsopmaak aanleiding geeft tot een verhoging van de aan de koninklijke familie toegekende financiële middelen. Ook nu weer heeft de ministerraad, op 11 mei al, beslist om prins Laurent een maandelijkse niet-belastbare bezoldiging van 920.000 frank toe te kennen. En dit ter vervanging van de 5,5 miljoen die de prins nu ontvangt als voorzitter van het KINT. Een verdubbeling van zijn inkomen en dat zonder dat de spilindex is overschreden!

In feite danken wij deze nieuwe en hogere jaarlijkse dotatie aan de prins onrechtstreeks aan de onhebbelijke gewoonte van de Franse Gemeenschap om aangegane verbintenissen niet na te komen. Het KINT wordt immers gesubsidieerd door de gemeenschappen, maar de Franstalige betalingen lopen naar aloude gewoonte `vertraging' op. In de portefeuille zijn de Franstaligen duidelijk republikeins. In het Parlement zijn ze dat al een stuk minder.

Wat bij mij dan weer de vraag oproept waarom de Vlaamse regering wel betaalt. Is dat misschien omdat de prins in kwestie zich tot de Vlaamse Gemeenschap heeft bekend? Of is het omdat de Vlamingen nu eenmaal gewoon zijn om alle grillen van hun heersers met zweetgeld te betalen?

Worden wij geacht dit wetsontwerp goed te keuren omdat prins Laurent anders tot de bedelstaf wordt veroordeeld? Is dit misschien een `sociaal' wetsontwerp? Ik geloof het niet en de cijfers geven mij gelijk. Cijfers die boekdelen spreken en die niet genoeg kunnen worden herhaald. De dotaties aan de koninklijke familie en de civiele lijst zijn nu al goed voor een bedrag van bijna 414 miljoen. Hiermee staan we op de tweede plaats in Europa, na het Verenigd Koninkrijk. Sinds 1993 is de bijdrage van de belastingbetaler aan de koninklijke familie met maar liefst 59 procent gestegen, terwijl er voor de modale Belg in die periode sprake was van een loonstop.

Het is niet dat de koninklijke familie de fanfare van honger en dorst is. De persoonlijke goederen van de koninklijke familie zijn toch aanzienlijk. Het zou gaan om een vermogen van 90 tot 95 miljard frank, zonder het onroerend goed van de Koninklijke Stichting mee te tellen. Dat privé-vermogen heeft wel degelijk belang in dit debat, want het is voor het grootste deel vergaard na de aanstelling van de Saksen-Coburgs tot Belgische dynastieke familie. Het bewijst dat de dynastie een zeer lonende bezigheid is. En het is waarschijnlijk de voornaamste motivatie van de Saksen-Coburgs voor het instandhouden van België en de dynastie.

Ik zal het niet eens hebben over de historische wortels van dit miljardenvermogen. We weten dat Leopold II de basis heeft gelegd voor het fortuin van de Saksen-Coburgs. Die basis ligt in Congo. Het wapenschild van de familie zou feitelijk moeten zijn L'Union fait la minière. We kennen allemaal de schandelijke manier waarop het fortuin werd verworven. Vandaag zou zoiets terecht aanleiding geven tot een proces wegens misdaden tegen de menselijkheid of zouden we ten minste spreken van maffiageld.

Voor alle duidelijkheid: ik geloof niet in de erfzonde. Niemand is verantwoordelijk voor het gedrag van zijn voorouders, maar het mag toch eens gezegd worden. Zeker als de hoogste in graad van de familie de bevolking iedere kerstmis vergast op een overdosis antiracisme, verdraagzaamheid en Belgisch staatsnationalisme. Die laatste vorm van staatsbehoudend nationalisme mag natuurlijk wel en is wel politiek correct.

Het is niet dat de prins geen inkomen heeft. Ik heb al gesproken over het royale inkomen van de prins als voorzitter van het KINT, een nutteloos instituut dat werd opgericht om prins Laurent aan een wedde van 9 miljoen, vijf personeelsleden, een kantoor, een Ferrari en een villa aan de rand van het Zoniënwoud te helpen. Op dat bedrag betaalt hij wel belastingen en dat is men in koninklijke kringen natuurlijk niet gewoon. Zelfs de erfenis van wijlen koning Boudewijn zou zonder erfenisrechten verworven zijn. Alle Belgen zijn gelijk voor de wet, maar sommigen zijn net iets gelijker!

Er is dus geen enkele financiële reden om aan de zevende troonopvolger een onbelastbaar win-for-life-ticket ten belope van 11 miljoen frank toe te kennen. De familie van Saksen-Coburg heeft dat financieel niet nodig. Iedere normale familie met dergelijke financiële middelen achter de hand zou zich trouwens schamen om op die manier in de vleespotten te graaien. Maar in adellijke kringen heersen blijkbaar andere zeden en gebruiken dan bij de gewone man.

Het is evenmin de gewoonte om alle kinderen van een zetelende monarch een dotatie te verschaffen. Dat is in geen enkel ander Europees land het geval en dat was tot voor kort ook niet de norm in België. De Grondwet bepaalt immers nergens dat alle leden van de koninklijke familie aanspraak kunnen maken op een dotatie. Alleen het laatste decennium ontstond er een inflatie aan dotaties. Recentelijk werd beslist om prinses Astrid een dotatie toe te kennen om haar representatieve taken als voorzitter van het Belgische Rode Kruis te vergoeden. Nu zou ook Laurent dezelfde voordelen moeten genieten. Wie wordt hij dan wel geacht te vertegenwoordigen, behalve misschien een Italiaans automerk?

In alle Europese monarchieën krijgt alleen de rechtstreekse troonopvolger een dotatie. Al de andere koningskinderen voorzien op een andere manier in hun levensonderhoud. Moet de Belgische Staat weer per se een uitzondering maken? Moet op deze manier aan de wereld worden duidelijk gemaakt dat de Belgische prinsen te onbenullig zijn om in hun eigen inkomen te voorzien? Als de Belgische prinsen inderdaad te onbenullig zijn om wat dan ook te doen, is dat erg, maar dan moet de belastingbetaler er niet voor opdraaien. "C'est dur la vie d'artiste, surtout quand on n'a pas de talent".

Als aan Laurent een dotatie wordt gegeven, waarom dan niet aan alle kinderen van prinses Astrid? Zij komen in volgorde voor prins Laurent. Waar gaat dat eindigen?

Onze fractie ziet het nut niet in van een dotatie aan het zoveelste lid van een koninklijke familie. Wij zien trouwens het nut van heel de koninklijke familie niet in. Het enige voordeel van dit wetsontwerp is dan ook dat het debat over de rol van de monarchie in het Belgische staatsbestel heel even werd opgelicht. Er waren stevige, zelfs moedige verklaringen van enkele leden van de VLD-fractie, meer in het bijzonder van de heer Dedecker. Er was de algemene "republikeinse" teneur in de meeste gezaghebbende kranten.

Het Vlaams Blok is een republikeinse partij. Wij zijn in de eerste plaats principiële republikeinen wegens het ondemocratische karakter van een monarchie. Wij zijn geen voorstanders van gelijk welke monarchie, laat staan van de Belgische.

Een tweede reden voor onze aversie tegen het Belgische koningshuis is dat dit huis sinds zijn ontstaan nooit of nimmer rekening heeft gehouden met het grootste deel van zijn zogenaamde onderdanen. De Belgische monarchie is van nature het machtigste onderdeel van de Belgische Staat en wordt steeds als wapen tegen Vlaanderen en de Vlamingen gebruikt. Vandaar het gedoogbeleid van alle Franstalige partijen en van de Vlaamse staatsbehoudende partijen tegenover deze monarchie.

Nochtans zou het Vlaams Blok niet alleen mogen staan met zijn republikeinse ideeën. Was het vroeger niet de toen nog unitaire Belgische Socialistische Partij die resoluut de republikeinse kaart trok en iedere troonrede verstoorde door geroep vanop haar banken? Sinds het aantreden van een Hasselts muzikant is er op dat vlak bij de socialisten veel veranderd. Het rode orkest speelt nu ook geregeld op de galabals van de heren van stand.

Voor de groenen geldt ongeveer hetzelfde. Zij zijn toch de kampioenen van de gelijkheid!

Bij de Vlaamse liberalen zijn er weliswaar enkele leden die zich zonder blozen uitspreken tegen dit wetsontwerp en tegen de monarchie, maar wat is het standpunt het gros van de VLD-parlementsleden? De vraag is of zij de confrontatie van de vrije wandelganggedachte met het plenaire stemknopje aandurven?

Voorzitter, u bent een groot voorstander van het behoud van de Senaat. U pleit geregeld en met verve voor de grote rol die de Senaat speelt en kan spelen. De Senaat is het forum bij uitstek om een debat te houden over de rol van de monarchie en om daarover een toekomstvisie te ontwikkelen. Dit debat zal vroeg of laat moeten plaatshebben, of we dat nu graag hebben of niet. Alleen al de ontmanteling van de nationale staten door Europa zal ons daartoe dwingen.

De werkgroep ad hoc die zal worden opgericht is maar een zeer bescheiden begin, als er al iets van komt. Wat we nodig hebben is een duidelijk en open debat over de monarchie en over de rol die een monarchie al dan niet mag spelen. We zullen zien wat die werkgroep oplevert, maar de manier waarop de kanonnen in stelling werden gebracht om dit wetsontwerp door te drukken, voorspelt niet veel goeds.

Er is in de wandelgangen van het Parlement een zwijgende meerderheid, niet alleen tegen deze dotatie, maar ook tegen de monarchie zelf en tegen haar rol. Als het wetsontwerp wordt goedgekeurd, bewijst dit eens te meer dat de parlementaire vertegenwoordigers van dit land bestaan uit paleisdweilen zonder politieke ruggengraat. Als het wetsvoorstel wordt goedgekeurd, bewijst dit eens te meer dat de democratie alleen schrik moet hebben van de democraten. Ik blijf natuurlijk, tegen beter weten in, hopen dat ik ongelijk krijg.

Onze fractie zal de amendement 15, 16, 17 en 18 opnieuw indienen.

De heer Josy Dubié (ECOLO). - Ik heb niets tegen Prins Laurent. Ik vind het de sympathiekste figuur van de koninklijke familie. Verwacht van mij dus geen harde woorden aan zijn adres.

Na alle verklaringen hierover hier en in de pers, zou ik toch willen zeggen dat de motivering voor dit wetsontwerp mij nogal gewaagd voorkomt. De memorie van toelichting bestaat uit één zin.: "Dames en Heren, ervan overtuigd de éénparige gevoelens van de Natie te vertolken, stelt de Regering U voor om een dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Laurent toe te kennen."

Na wat wij hier hebben gehoord, rijzen er toch enkele problemen.

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Dit wetsontwerp werd door alle ministers ondertekend. Dat valt niet zo vaak voor. In die uitzonderlijke meerderheid zagen wij ook de afspiegeling van de gevoelens van heel de bevolking. Als ik u zo hoor, was ons vertrouwen wellicht iets te groot

De heer Philippe Moureaux (PS). - Ze hebben allemaal getekend uit schrik!

De heer Josy Dubié (ECOLO). - Tenminste op dat vlak geniet u niet het vertrouwen van heel het Parlement.

Afgezien van de persoonlijkheid van Prins Laurent, gaat het hier om de indruk die leeft bij de bevolking, dat er een point of no return is bereikt, of dat het anders inflatoir wordt. Er werden cijfers geciteerd: het bedrag van alle dotaties aan de koninklijke familie bedraagt momenteel 413,7 miljoen frank, waarvan 293,8 miljoen voor de civiele lijst, de enige uitgave waarin de Grondwet voorziet. De Grondwet zwijgt overigens in alle talen over de dotaties voor de andere leden van de koninklijke familie.

Van 1993 tot 2001 is de totale dotatie aan de koninklijke familie gestegen van 260 miljoen tot 413,7 miljoen frank, wat neerkomt op een stijging met 59% op acht jaar.

De heer Philippe Moureaux (PS). - Dat is een royale indexering!

De heer Josy Dubié (ECOLO). - We moeten toegeven dat dit een royale indexering is of een zaak van verdelende rechtvaardigheid, zoals mijn voortreffelijke confrater Monfils het uitdrukte.

Ik wil toch even beklemtonen dat in de beleidsverklaring werd aangekondigd dat de meest behoeftigen een royale verhoging van de minimumuitkeringen met 4% zullen genieten en dat, als de economische toestand gunstig evolueert, volgend jaar een bijkomende inspanning zou worden gedaan.

Het ligt mijns inziens voor de hand dat sommigen vragen hebben bij de voorgestelde tekst.

Niet de persoon van prins Laurent staat hier ter discussie, maar wel een aantal regels die de positie van het koningschap uiteindelijk verzwakken. Dit wetsontwerp zet de monarchie niet op de helling, maar wil ze aanpassen aan de realiteit van vandaag.

Het amendement dat werd goedgekeurd - en dat ik zelf ook heb goedgekeurd - raakt niet aan de civiele lijst voor de Koning. Dat zou ongrondwettelijk zijn; artikel 89 van de Grondwet laat daarover geen twijfel bestaan. Het ontwerp mag dan een dotatie toekennen aan prins Laurent, vanaf de volgende troonsbestijging zal het genot van de dotaties voorbehouden blijven aan de troonopvolger, zonder evenwel te raken aan de dotaties van de hoogheden die deze vandaag al genieten: prinses Lilian, koningin Fabiola, prins Philippe, prinses Astrid en prins Laurent.

Ik herhaal dat ik prins Laurent, de zevende troonopvolger in rang, niet vijandig gezind ben.

Als prins Philippe en prinses Mathilde verschillende kinderen hebben, zal hij nog meer achteraan op de ranglijst komen te staan. Men geeft een dotatie aan prins Laurent omdat men hem niet wil discrimineren ten aanzien van prinses Astrid. Uit overwegingen van verdelende rechtvaardigheid en volgens dezelfde logica zou men hetzelfde argument kunnen inroepen om een dotatie te geven aan de andere prinsen als ze meerderjarig worden.

Dat is de grond van de zaak. Ik dacht dat de commissie voor de Financiën toch regels wilde uitwerken. Een werkgroep kreeg de opdracht na te denken over een regeling voor de prinselijke dotaties. Om die reden zal ik het ontwerp goedkeuren, maar tevens dring ik aan op een snelle bijeenroeping van de werkgroep, die rustig maar met spoed een wetsvoorstel moet uitwerken met een definitieve regeling voor dit probleem. De regering heeft er zich overigens toe verbonden dat voorstel te steunen.

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Er mag geen verwarring zijn. De heer Dubié heeft me daarnet gevraagd wanneer de regering een wetsontwerp zou indienen, maar de regering zal deelnemen aan de werkgroep. Er komt dus geen wetsontwerp.

De heer Josy Dubié (ECOLO). - Mijnheer de minister, ik stel vast dat u zich bewust bent van het belang van de Senaat, in het bijzonder op dit vlak.

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Ik ben me daarvan altijd bewust.

U zult hebben vastgesteld dat ik al geruime tijd in het halfrond aanwezig ben en dat ik zinnens ben nog enige tijd aan de werkzaamheden te blijven deelnemen, vandaag althans.

Ik ben zeer blij dat wij kunnen deelnemen aan een dergelijke werkgroep in de Senaat, want de regering was in dezen eensgezind. Bij de fracties ligt dat blijkbaar enigszins anders.

De heer René Thissen (PSC). - Op 30 mei jongstleden heeft de regering bij de Kamer een wetsontwerp ingediend tot wijziging van de wet van 7 mei 2000 houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Prins Filip en aan Prinses Astrid om de jongste zoon van Koning Albert II op voet van gelijkheid te kunnen behandelen met zijn broer en zus.

Dat was volgens mij het enige doel van dit wetsontwerp.

Zoals de heer Dubié opmerkte, zei de regering ons dat dit ontwerp de gevoelens van de gehele Natie vertolkte. Ze was geneigd dit te denken omdat ze ook steun kreeg vanuit de oppositie.

Dit wetsontwerp bepaalde dat prins Laurent vanaf 1 juli 2001 jaarlijks een even grote dotatie zou ontvangen als zijn zus, namelijk 11 miljoen frank netto per jaar. Dit debat heeft in de Kamer een aantal negatieve reacties losgeweekt, vooral aan Vlaamse zijde - andere stemmen in die zin gaan vandaag op in de Senaat. Volgens hen zou de toekenning van een dotatie vooraf moeten worden beperkt tot een bepaald aantal leden van de koninklijke familie en niet mogen gelden voor alle erfgerechtigden van de Koning, of anders zou een algemene dotatie aan de Koning kunnen worden toegekend, die deze dan zelf zou verdelen over zijn naastbestaanden. De ideeën gingen alle kanten uit... Deze palavers zijn uiteindelijk uitgemond in de goedkeuring van het ontwerp met 85 stemmen vóór, van de meerderheid en van de PSC, 42 tegen, van de CVP, de Volksunie en het Vlaams Blok, en 10 onthoudingen van verschillende leden van de meerderheid.

De fracties die tegen de dotatie gekant zijn, hebben samen met sommige leden van de partij van de eerste minister het ontwerp geëvoceerd aan de vooravond van het parlementair reces.

In de commissie voor de Financiën ontstond er een hevig debat toen Jean-Marie Dedecker een amendement indiende dat ertoe strekte bij de vaststelling van de civiele lijst voor de duur van de regering van de opvolgende Koning enkel nog een dotatie te verlenen aan de kroonprins of kroonprinses.

Sommige vroegen zich af of er geen grondwettelijk probleem zou rijzen en of deze beslissing wel aan het Parlement toekwam. Deze vraag werd niet beantwoord. Er werd overeengekomen om enige bedenktijd te nemen tot bij de opening van het parlementair jaar. Iedereen ging ermee akkoord om het probleem opnieuw te behandelen, want er moeten inderdaad beperkingen worden opgelegd.

De PSC discussieert zelfs niet meer over de dotatie van 11 miljoen frank aan Prins Laurent, want het ligt voor de hand dat die moet worden verleend. Wij zijn wel voorstander van een sereen debat, gespeend van alle poujadisme of populisme.

Wij zijn bereid te discussiëren over wie een dotatie kan genieten, op welke voorwaarden die kan worden verleend en op welke voorwaarden ze eventueel kan worden ingetrokken. Er moet een algemene regeling worden uitgewerkt. In zijn wijsheid heeft de Senaat besloten een werkgroep op te richten. De PSC heeft onmiddellijk te kennen gegeven dat ze onbevooroordeeld aan die werkgroep zou deelnemen...

De heer Philippe Moureaux (PS). - In de geest van het vrij onderzoek...

De heer René Thissen (PSC). - Mijnheer Moureaux, ik ben van mening dat iedereen, ongeacht zijn overtuiging, recht heeft op vrij onderzoek.

We zullen specialisten raadplegen en hopen een tekst te kunnen uitwerken die zeer lang zal meekunnen. Het is nutteloos om overhaast te werk te gaan, te meer daar de toekomst van een zo belangrijke instelling als het Koningshuis op het spel staat. Wij zullen de koninklijke dotatie dus met een gerust gemoed goedkeuren en in dezelfde constructieve geest meewerken aan de algemene reflectie.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - De heer Monfils heeft zo net gesproken over de `justice distributive', maar ik dacht dat we het met het `infinite justice' van de heer Bush hadden gehad.

De discussie over het wetsontwerp tot invoering van een dotatie aan Prins Laurent heeft er een heuse lijdensweg op zitten. Niemand had kunnen vermoeden dat die weg zo lang zou worden. De bespreking werd aangevat in de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 21 juni 2001 en sneller dan verwacht beëindigd in de plenaire vergadering van 5 juli 2001. Op dat ogenblik werden de eerste kritische geluiden gehoord en de grootste oppositiepartij, toen nog de CVP, nu de CD&V en nog steeds geen pleitbezorger van de republiek, keurde de dotatie aan Prins Laurent af. Dat was een eerste en duidelijk signaal.

Belangrijker was evenwel onverwacht en tegen de wens van de regering dat het ontwerp werd geëvoceerd door 16 senatoren uit vier fracties, de VLD, Ecolo, Agalev en onze fractie.

De rapporteur, de heer Moens, heeft een goed en duidelijk verslag uitgebracht over de werkzaamheden. Ik heb zelfs opgemerkt dat de toehoorders in de tribune, voor de eerste maal geboeid hebben geluisterd naar wat hier in de Senaat gebeurt. Collega Moens, ik dank u daarvoor.

De evocatie bleek terecht, want in de commissie werd een meerderheid gevonden, zelfs zonder de steun van het Vlaams Blok, voor het amendement van de heren Jean-Marie Dedecker, Geens, Lozie, Dubié en mijzelf. Wij zijn toch niet allemaal Decroly's. Het doel van dit amendement was uitvoering te geven aan de woorden van VLD-fractieleider Coveliers in de Kamer die voorstelde een definitieve regeling te vinden inzake de dotaties. Ook de CD&V toonde zich in de commissie bij monde van haar fractieleider een waardige voorstander van een duidelijke regeling, maar zei tegelijkertijd dat het gezien de nakende vakantie aan de vereiste tijd ontbrak.

Vandaag zit de te lange vakantie erop. Er ligt een zee van tijd voor ons. Laat ons de gelegenheid te baat nemen om in dit dossier voor eens en altijd definitieve criteria vast te leggen. Wie het dossier kent weet dat het een slecht dossier is, zeker als we kijken naar wat in andere Europese landen gebruikelijk is.

Krachtens artikel 89 van de Grondwet ontvangt elke aantredende Koning en zijn gezel een financiering. Verder wordt er her en der met toepassing van de wetten van 16 november 1993 en van 7 mei 2000 voorzien in dotaties. De heren Thyssen en Monfils hebben het gehad over de ongrondwettelijkheid van de aanvullende dotatie voor de koninklijke familie. Er wordt verteld dat deze dotatie ten goede komt van mevrouw Lilian Baels en dat werd tot nog toe door niemand ontkend. Samen met de professoren Erauw en Senelle stel ik genoegzaam vast dat er mettertijd heel wat dingen worden vergeten of gladgestreken, want in 50 jaar heeft geen enkele volksvertegenwoordiger of senator ooit nog iets gezegd over de wenselijkheid van die aanvullende dotatie.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - U hebt uw grondwetspecialisten en wij de onze... U hebt uw universiteitsprofessoren en wij de onze... U spreekt uw bezwaren uit, maar ik stel vast dat de commissie ons amendement heeft goedgekeurd. Het heeft dus geen zin de discussie hierover voort te zetten.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - De redenen waarop deze ongrondwettelijke dotatie destijds werd gegrond, namelijk het verblijf in het buitenland van Leopold III, de opvoeding van de kroonprins, het onderhoud van prins Albert en prinses Josephine-Charlotte, vervielen met de tijd, maar de dotatie is gebleven.

De eerste minister heeft in zijn antwoord op mijn schriftelijke vraag in verband met het lidmaatschap van de koninklijke familie, trouwens uitdrukkelijk aangegeven dat mevrouw Lilian Baels, in tegenstelling tot koningin Fabiola, geen lid is van de koninklijke familie. Waarom krijgt zij dan jaarlijks een dotatie van 16 miljoen frank netto, wat overeenstemt met een brutoloon van 30 miljoen frank?

We willen echter constructief blijven. Het uitgangspunt van een goede regeling ter financiering van het koningshuis, ik refereer hier uitdrukkelijk aan alle Europese dynastieën, moet zich beperken tot de besteding van het belastinggeld aan de koning of koningin en gezel, de eventuele weduwe of weduwnaar en de troonopvolger. Vandaar dat het amendement van de heer Jean-Marie Dedecker c.s. een goede aanzet was. Het was op zich zelfs al een compromis want het raakte niet aan de verworven rechten van degenen die vandaag al een dotatie krijgen. Het stond zelfs de dotatie aan prins Laurent niet in de weg.

Nochtans voert de regering een willekeurige reden aan om prins Laurent jaarlijks 11 miljoen netto te betalen. Het heeft op zich niets te maken met de financiering van de koninklijke familie. De regering ontkent dit zelfs niet. Het gaat om een vervangingsinkomen voor het werk dat de prins verricht voor zijn instituut het KINT. Prins Laurent is vandaag de zevende in lijn voor de troonopvolging. Ongelukken niet te na gesproken, komt hij voor de koninklijke titel nooit in aanmerking. Waarom hem dan royaal financieren? De regering verwijst naar de financiering van prinses Astrid, die evenmin een aanneembare troonopvolger kan worden genoemd. De regering vergeet evenwel te vermelden dat die dotatie enkel gemotiveerd was door het feit dat ze getrouwd en kinderrijk is. Bij mijn weten is prins Laurent nog niet getrouwd en kinderloos, maar misschien kunnen we voortgaan op de populaire pers die blijkbaar "van wanten" weet.

Indien wij de dotatie aan prins Laurent vandaag goedkeuren zonder duidelijke richtlijnen voor de toekomst geven we alle argumenten aan de kinderen van prinses Astrid, van prins Filip en binnenkort misschien van prins Laurent om op basis van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betreffende de gelijke behandeling, eenzelfde vergoeding op te eisen. Het zal misschien de eerste keer zijn dat de leden van de koninklijke familie voor het Arbitragehof zullen verschijnen.

Mijn fractie wil verder gaan. De dotatie aan prins Laurent mag niet worden goedgekeurd. Er is geen enkele reden om hem een dotatie toe te kennen. Daarom heb ik mijn amendement nummer 1 voor de zoveelste keer ingediend. Indien dit amendement wordt verworpen, zal België het enige land in de wereld zijn, op enkele dynastieën in Afrika na, waar zoveel leden van de koninklijke familie zoveel centen krijgen van de belastingbetaler. De regering ontwikkelt een vreemde oorzaak-gevolgredenering. De kinderen van de koning zouden een dotatie moeten krijgen omdat ze een vertegenwoordigende functie uitoefenen. Is het niet veeleer omgekeerd? In alle andere landen weten prinsen en prinsessen zeer snel waar ze aan toe zijn en ontwikkelen ze een succesvolle carrière in het zakenleven. Bij ons bestaat die motivatie niet.

De heer Coveliers, VLD-fractieleider in de Kamer, verklaarde op 22 juni 2001 in een interview in De Morgen: "Geen enkel koningshuis wordt zo rijk gefinancierd als het onze". Hij heeft gelijk. De totale kostprijs van de financiering van het koningshuis bedraagt 413 miljoen frank. Dat betekent dat in ons land elke burger - rijk of arm - jaarlijks 42 frank betaalt. In Noorwegen betaalt elke burger 20 frank, in Nederland 18 frank, in Zweden 18 frank, in het Verenigd Koninkrijk 10 frank en in Spanje 6 frank.

Als we de ernstige media mogen geloven, hebben de Saksen-Coburgs het financieel niet slecht. Ik heb met belangstelling kennisgenomen van de aankondiging van het boek van Pol Vandendriessche, de Senaat niet onbekend. Rik Van Cauwelaert, vaak bij Herman Van Rompuy op de koffie, liet op 22 september 1999 weten dat van de 12 miljard die koning Boudewijn naliet, geen cent in ons land is terug te vinden. Alles staat op Noord-Amerikaanse rekeningen.

Binnenkort zal onze collega Laurent retroactief 11 miljoen frank netto per jaar ontvangen, dat is ongeveer 44.000 frank netto per werkdag. De regering, in het bijzonder minister Reynders, verdedigt de hoogte van dit bedrag met het argument dat het als een vervanging moet worden gezien voor de vergoeding door het KINT, die door de deelgebieden werd gefinancierd. De vergoeding van het KINT was evenwel slechts 9 miljoen frank bruto. Prins Laurent betaalde op dat bedrag nog belastingen. Ik vind het eigenaardig dat sommige mensen na 11 september, in economisch barre tijden, een loonsverhoging krijgen van 100%.

Met pijn in het hart moet ik zeggen dat eerste minister Verhofstadt al te vriendelijk is voor prins Laurent. Het woord democratie krijgt daardoor een wrange bijsmaak.

Bovendien deelde de regering na de desbetreffende ministerraad in mei niet eens mee dat er een voorontwerp was goedgekeurd. Het nieuws is door een lek bekendgeraakt.

Dat de PRL achter het wetsontwerp staat, verwondert mij niet, mijnheer Monfils. Iemand moet immers de functie van hoflakeien van de PSC overnemen.

Bovendien gaan de geruchten dat het lobbywerk van de logebroeders De Croo, Reynders, Michel en Duquesne hun vruchten hebben afgeworpen.

Wat me echter nog het meest ergert, is dat de socialistische partijen, die beweren op te komen voor de zwaksten in de samenleving, de dotatie mee zullen goedkeuren. Op die manier bedriegen ze hun kiezers. Patrick Janssens, de voorzitter van de SP.A, verklaarde in verband met het klooster van Opgrimbie dat de koning niet meer zou mogen dan de man in de straat. Ik geef hem gelijk. Hij zou het honderd keer moeten zeggen. Het is bij de SP.A momenteel evenwel onrustwekkend stil.

De meerderheid van de bevolking is van oordeel dat de koninklijke familie te veel krijgt. Deze uitspraak is gebaseerd op een enquête van Le Soir van eind 1999, dus nog vóór de dotaties van prinses Astrid en prins Laurent waren goedgekeurd.

Maar er is meer. De eerste burger van het land, de heer Herman De Croo, voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en waarschijnlijk de ambitie koesterend voorzitter te worden van het federale parlement, verklaarde in La Dernière Heure van 30 oktober 1999 dat het een grondwettelijke traditie is dat enkel de koning en de vermoedelijke opvolger een dotatie krijgen. Volgens hem moest de dotatie aan prinses Astrid behouden blijven zolang de eerste opvolger kinderloos bleef. Binnenkort verandert de toestand. Zal hij de dotatie aan prinses Astrid dan nog blijven verdedigen?

Zelfs als ik de inspanning doe om alle voorgaande argumenten te negeren, dan nog blijft er de ultieme uitspraak die iedereen moet overtuigen. Onze dierbare collega, prins Laurent, verklaarde in 1999 in La Dernière Heure het volgende - ik lees het voor in het Frans opdat de heer Happart het zou begrijpen: Je suis persuadé que le seul successeur au trône a droit à la dotation.

Wat doen we vandaag? We geven een geschenk van 11 miljoen frank netto waarvan de ontvanger zegt dat het hem niet toekomt. Dat is een democratie onwaardig.

Het belangrijkste wat ik uit de discussies van de voorbije maanden heb geleerd, is dat over bepaalde thema's in dit land best niet wordt gediscussieerd. Telkens wordt gezegd dat er een discussie over het koningshuis moet worden gevoerd. Ik heb dat al dikwijls vergeleken met de discussies over het voortbestaan van de Senaat. De voorzitter weet dat ik al lang aandring op een debat. Er wordt ons vandaag daartoe een kleine kans geboden in de vorm van een werkgroep in de schoot van de commissie voor de Financiën. Die commissie moet volgens collega Monfils, die daarin niet wordt tegengesproken door de voorzitter en de regering, haar werkzaamheden over enkele weken afronden teneinde een wettelijke regeling te vinden. Ik vraag met aandrang de heer Jean-Marie Dedecker tot voorzitter van die werkgroep te benoemen zodat hij de hand kan houden aan de agenda en de conclusies. Mijn fractie zal spoedig met een concreet voorstel komen. Ik ben echter sceptisch. Collega Jean-Marie Dedecker en ikzelf hebben op 22 juni 2000 een voorstel ingediend tot oprichting van een commissie betreffende de koninklijke prerogatieven. Dat is nog altijd niet in overweging genomen. Zelfs het Vlaams Blok wordt zo niet behandeld. Ik heb de voorzitter reeds twee brieven geschreven, maar ik kreeg geen enkel antwoord. Zal de werkgroep even onverschillig worden behandeld? Ik hoop het niet. Ik wens dat mensen zich aan hun woord houden en laat ook niet na ze daaraan te herinneren. Dat moet ook duidelijk zijn voor de voorzitter en de heer Monfils. De Senaat mag zich niet laten gijzelen. Hij moet zijn werk in volle onafhankelijkheid kunnen doen en zal dat doen. Niemand zal ons dit beletten.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Mijn fractie is gehecht aan het koningshuis. In de context van de Belgische evenwichten is het een waarborg voor de beleving van onze fundamentele rechten en vrijheden en voor de democratie. De bespreking van het statuut van de monarchie moet buiten elke partijpolitieke betwisting blijven. Oplossingen moeten steunen op een brede meerderheid. Daarom betreuren wij dat de regering vóór het indienen van haar ontwerp geen contact heeft genomen met de belangrijkste Vlaamse oppositiepartij. Dat is in het verleden altijd het geval geweest.

Nochtans wordt onze houding niet bepaald door dergelijke beschouwingen. Wanneer men de discussie buiten de partijpolitiek wil houden, kunnen enkel objectieve criteria in acht worden genomen. Die criteria staan in de Grondwet, die een volgorde aangeeft voor de troonopvolging. Dat is het objectieve aanknopingspunt wanneer over de financiering wordt gesproken.

Wellicht kunnen andere criteria aan de orde komen, maar die zijn vandaag niet voorhanden. Daarom vinden wij dat we ons aan het criterium van de Grondwet moeten houden en dat het ontwerp, dat niets anders is dan een gelegenheidsontwerp, daar niet aan tegemoet komt, aangezien de volgorde in de troonopvolging het ontwerp niet inspireert. Wij vinden dat een gelegenheidswet derhalve voorbarig is. Het signaal om een werkgroep in het leven te roepen vinden we goed, maar laten we de resultaten van de werkzaamheden van die werkgroep afwachten, alvorens een beslissing te nemen.

Aan de Senaat wordt immers een dubbele beslissing gevraagd, die intern contradictoir is: te stemmen over de dotatie van Prins Laurent op grond van niet-objectieve criteria, enerzijds, en te stellen dat de criteria later in een werkgroep zullen worden vastgesteld, anderzijds. Wij vinden dit contradictoir. Het zou veel wijzer zijn om de stemming daarover uit te stellen tot de resultaten van de werkgroep bekend zijn.

Indien de Senaat niet ingaat op mijn verzoek om de stemming te verdagen, is onze fractie spijtig genoeg verplicht, zoals in de commissie, tegen het ontwerp te stemmen. Deze houding is enkel ingegeven door het respect voor de Grondwet en drukt op geen enkele wijze een persoonlijk oordeel uit over de activiteiten van Prins Laurent.

De heer Olivier de Clippele (PRL-FDF-MCC). - Ik woon in de Afrikaanse wijk van Brussel en ben van alle parlementsleden geografisch gezien dus wellicht het dichtst bij het Koninklijk Paleis. Ik wil even ingaan op het debat dat in deze assemblee is gelanceerd. De vorige spreker, de fractievoorzitter van de CD&V, heeft wijze uitspraken gedaan over de monarchie.

Ik zal niet uitgebreid ingaan op de rol van de koninklijke familie, maar wil toch enkele opmerkingen formuleren.

Als notaris riep men mij bij het sterfbed van een dame in het ziekenhuis. Het was haar laatste wens haar vermogen - zeker geen fortuin - aan de werken van prins Laurent te schenken. Vaak zijn leden van de koninklijke familie betrokken bij initiatieven van sociale aard in de Marollen. Op die manier tonen ze hun erkentelijkheid tegenover de bevolking.

Ik wil de collega's die tegen de monarchie zijn, niet asociaal noemen, maar het is goed even na te denken over de rol die de leden van de koninklijke familie kunnen spelen. Bedrijfsleiders stellen de aanwezigheid van een lid van de koninklijke familie bij de onderhandelingen over contracten in verre landen ten zeerste op prijs. Het verheugt me dat hieraan een debat zal worden gewijd. Ik vind bovendien dat de koninklijke familie zich niet over haar daden hoeft te schamen.

Nog een laatste bedenking: de jongste partijcongressen zouden aanleiding kunnen geven tot een breuk in onze maatschappij. Dit verontrust mij. Eventuele gewelddadige conflicten zijn niet uit te sluiten.

Een spreker verwees naar Lodewijk XVI. Ik herinner eraan dat Frankrijk na de executie van de koning in 1793 te maken kreeg met een soort van burgeroorlog. Later is het in andere landen, zoals Spanje en Afghanistan, ook tot een breuk gekomen. De aanwezigheid van een koning is niet noodzakelijk in tegenspraak met de democratie. In Spanje is de dictatuur met de keuze voor een grondwettelijke monarchie geëvolueerd tot een democratie.

Laten we goed nadenken alvorens we de monarchie afschaffen. 440 miljoen is niet veel geld om de vrede in ons land te bewaren.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik wil er even op wijzen dat het geen misdaad is de problematiek van de dotatie te bespreken.

Het is uiteraard gemakkelijker iedereen evenveel te geven als er meer te verdelen valt.

Ik weet niet waartoe ons debat zal leiden. In juli hebben we beslist dit punt uit te stellen om erover na te denken en vandaag zouden we pas mogen nadenken nadat we erover hebben gestemd! Wat is er de voorbije drie maanden gebeurd? Ik vertrouw op uw wijsheid, mijnheer de voorzitter, en laat het aan u over om de werkwijze te bepalen.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Ik kan de heer Mahoux meedelen dat er vanmiddag in het Bureau is gesproken over de werkgroep die weldra zal worden opgericht. Zo werden de werkzaamheden geregeld en heeft men beslist bij welke commissie de werkgroep zal worden ondergebracht.

Ik ben daarstraks vergeten de heer Moens te feliciteren voor zijn mondeling verslag over dit ingewikkelde onderwerp. Ik wil dat vooralsnog doen.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

De voorzitter. - Artikel 2 luidt:

Artikel 3 luidt:

De heer Van Quickenborne stelt voor de artikelen 2 en 3 te schrappen (amendement 1, zie stuk 2-833/2).

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Het heeft weinig zin om de verantwoording van dit amendement voor een vierde maal toe te lichten. Het amendement strekt ertoe prins Laurent geen dotatie toe te kennen. Ik verwijs in dit verband naar de excellente uiteenzetting van collega Vandenberghe die stelde dat er geen objectieve reden is om hem een dotatie toe te kennen, laat staan een bedrag van 11 miljoen.

De voorzitter. - De heer Verreycken c.s. stelt voor artikel 2 te schrappen (amendement 15, zie stuk 2-833/5).

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Ik verwijs voor de verantwoording van al onze amendementen naar de uiteenzetting van collega Creyelman in de algemene bespreking.

De voorzitter. - Op artikel 3 heeft de heer Verreycken amendement 16 ingediend (zie stuk 2-833/5) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft de heer Van Quickenborne amendement 20 ingediend (zie stuk 2-833/5) dat luidt:

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Ik vraag even om de aandacht van de regeringsleden en de dierbare collega's omdat dit amendement tijdens de vorige commissievergadering is ingediend en nog niet in plenaire vergadering is besproken.

Dit amendement is de logica zelve. Ik maak de vergelijking met een sollicitatiegesprek waarin de potentiële werkgever iemand in juni aanspreekt om bij hem te komen werken. De kandidaat-sollicitant vraagt om bedenktijd en deelt in september mee dat hij bereid is een contract te tekenen. De arbeidsovereenkomst gaat in. Op dat ogenblik wordt de datum vastgelegd waarop de overeenkomst van kracht wordt. Natuurlijk is dit niet 1 juni, maar wel de datum waarop het contract werd afgesloten.

Mijn amendement strekt ertoe dat dit wetsontwerp pas vanaf 1 november van dit jaar van kracht zou worden zodat de dotatie die dit jaar nog aan prins Laurent zou worden toegekend tot de maanden november en december beperkt zou zijn.

De voorzitter. - De heer Verreycken c.s. heeft amendement 17 ingediend (zie stuk 2-833/5) dat luidt:

De heer Verreycken c.s. heeft amendement 18 ingediend (zie stuk 2-833/5) dat luidt:

-De stemming over de amendementen wordt aangehouden.

-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

Wetsontwerp houdende instemming met het amendement op het Verdrag van Bazel van 22 maart 1989 inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan, aangenomen op de derde vergadering van de Conferentie van de Partijen, gehouden te Genève op 22 september 1995 (Stuk 2-824)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Jean-Marie Dedecker verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 2-824/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met het Zetelakkoord tussen het Koninkrijk België en het Internationaal Comité van het Rode Kruis, ondertekend te Brussel op 19 april 1999 (Stuk 2-839)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Maertens verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 2-839/1.)

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende internationale akten:
1. De Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995;
2. Het Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996;
3. Het Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en de Gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997;
4. Het Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en de Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996;
5. De Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder C), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 (Stuk 2-885)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Mevrouw de Bethune verwijst naar haar schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 2-885/1.)

-De artikelen 1 tot 6 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Socialistische Republiek Vietnam inzake luchtvervoer, en met de bijlage, ondertekend te Brussel op 21 oktober 1992 (Stuk 2-893)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Mevrouw de Bethune verwijst naar haar schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 2-893/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van Macau inzake luchtvervoer, en met de bijlage, ondertekend te Brussel op 16 november 1994 (Stuk 2-894)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Jean-Marie Dedecker verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 2-894/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Vraag om uitleg van de heer Philippe Mahoux aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de geautomatiseerde stemming» (nr. 2-568)

De voorzitter. - De heer Didier Reynders, minister van Financiën, antwoordt namens de heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken.

De heer Philippe Mahoux (PS). - De commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden heeft de toepassing van de wet van 11 april 1994 over de geautomatiseerde stemming bestudeerd. Het commissieverslag, dat in mei 2001 werd goedgekeurd, bevat een reeks aanbevelingen voor de regering.

Kan de minister van Binnenlandse Zaken ons meedelen hoever het staat met de studie over de geautomatiseerde stemming? Is de precieze kostprijs ervan al bekend? Hoever staat het met de ontwikkeling van een optisch leessysteem en met de stemming op papier? Een goede kennis van al deze elementen is een eerste vereiste om tot een beslissing te komen.

De commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden vond het nodig een moratorium op de geautomatiseerde stemming in te stellen en zich te concentreren op het optisch leessysteem voor de telling van de stemmen. Met dit systeem versnelt men de telling en vermijdt men de problemen die met de geautomatiseerde stemming gepaard gaan. Het stembiljet wordt behouden om de transparantie en de toegankelijkheid voor sommige groepen van kiezers te waarborgen. Bovendien blijft het stembiljet bewaard, wat een eventuele manuele hertelling in geval van betwisting mogelijk maakt. Wat zult u doen om de optische lezing bij de telling van de volgende verkiezingen te bevorderen?

Ik heb in januari 2001 samen met mijn collega, Anne-Marie Lizin, een wetsvoorstel ingediend om de ontwikkeling van dit systeem voort te zetten ten einde het bij de volgende verkiezingen op grotere schaal te kunnen gebruiken.

De commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden heeft bij de regering aangedrongen op een snelle beslissing aangezien voor de invoering van een nieuw systeem een zekere tijd nodig is.

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Ik lees u het antwoord van minister Duquesne voor.

De minister van Binnenlandse Zaken heeft een verslag opgesteld met mogelijke oplossingen voor de toekomst van de geautomatiseerde stemming in België. Een werkgroep buigt zich momenteel over dit verslag.

De plenaire vergadering van de Senaat van 14 juni 2001 heeft bij de bespreking van het verslag van de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden over de evaluatie van de toepassing van de wet van 11 april 1994 beslist rekening te houden met het genoemde verslag.

Wat de kostprijs van de verschillende systemen betreft, kan ik u het volgende meedelen:

De totale kostprijs per kiezer en per stemming bedraagt voor de geautomatiseerde stemming ongeveer 61,5 frank, voor de optische lezing ongeveer 100 frank en voor de stemming op papier ongeveer 40 frank. De kosten ten laste van de gemeenten, zoals de kosten voor het drukken van de stembiljetten, de verzendingskosten en de kosten voor de telling, variëren in de verschillende gemeenten en provincies. Het optisch leessysteem werd tweemaal bij wijze van experiment gebruikt bij de verkiezingen van 13 juni 1999 in de kantons Chimay en Zonnebeke.

Het systeem voldeed niet aan de verwachtingen. In het kanton Zonnebeke werden namelijk fouten vastgesteld bij de telling van de stembiljetten voor de Kamer. Voor de verkiezingen van 8 oktober 2000 werden de nodige verbeteringen aangebracht.

De minister van Binnenlandse Zaken is niet van plan deze technologie algemeen toe te passen. De investeringskosten liggen immers erg hoog - een miljoen frank per optisch leestoestel - en men moet ook rekening houden met de technische beperkingen van het systeem. Het aantal lijsten en kandidaten per stembiljet is beperkt. Bovendien vereist de toepassing van dit systeem de aanwezigheid van een groot aantal gespecialiseerde mensen om de toestellen te bedienen en eventuele problemen bij de telling op te lossen.

In de praktijk is er wel degelijk sprake van een moratorium. Er werd tot op heden geen enkele definitieve beslissing genomen. Voorlopig laat het budget geen uitbreiding toe.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik heb drie opmerkingen. De afschaffing van de opvolgers op de lijsten kan de aanpak van de technische problemen beïnvloeden, ook al hebben sommige collega's een wetsvoorstel ingediend tot regeling van het probleem van de opvolgers, in het bijzonder in de Kamer. De leesbaarheid en het gebruiksgemak van de stembiljetten zijn bovendien van fundamenteel belang. Ten slotte moet er ook aan de controlemogelijkheden worden gedacht. De lijsten zullen in elk geval veel korter zijn. Er bestaat wel degelijk een technische oplossing voor de problemen die de minister van Binnenlandse Zaken heeft aangehaald.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Justitie over «commandant Massoud» (nr. 2-570)

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Ik dank de minister van Justitie dat hij gebleven is om te antwoorden op deze vraag om uitleg. Ik zal het gedeelte voor de heer Michel dus achterwege laten en mij beperken tot de moord op commandant Massoud.

Hoe ver staat het met het onderzoek? Wie voert het? Werden de moordenaars al geïdentificeerd? Welke nationaliteit hebben zij? Men zegt ons dat het ondanks de valse papieren toch wel eens om personen met de Belgische nationaliteit zou kunnen gaan. Langs welke weg hebben zij die documenten in handen gekregen? Kan er eventueel een proces voor medeplichtigheid aan moord in het vooruitzicht worden gesteld, aangezien er een band met het Belgisch grondgebied bestaat? De moord op commandant Massoud zou één van de hoofdelementen kunnen zijn voor de aanslagen op het World Trade Center en op het Pentagon. Het gaat dus niet om een kleine zaak, maar om één van de cruciale punten die aantonen dat talloze vragen over de slapende netwerken in Duitsland en In België vandaag nog onbeantwoord blijven.

Zou u zo vriendelijk willen zijn om te antwoorden op de volgende vraag, die gericht was aan de heer Michel: welke omvang heeft de humanitaire en de voedselhulp die aan de Noordelijke Alliantie wordt verleend?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Het gaat om een individueel dossier en het is altijd bijzonder moeilijk voor een minister van Justitie om inlichtingen te verstrekken over een hangende zaak. Ik kan u wel meedelen dat de verantwoordelijken voor de aanslag op commandant Massoud in het bezit waren van twee paspoorten die deel uitmaken van een partij blanco-paspoorten die ontvreemd werden te Straatsburg en in Den Haag. De eerste diefstal vond plaats in de nacht van 26 op 27 juni 1999 in het consulaat-generaal van België te Straatsburg, de tweede in de nacht van 6 op 7 november 1999 in de Belgische ambassade in Den Haag.

Bij deze diefstallen werden ook andere blanco paspoorten, stempels, documenten en geld ontvreemd. De identiteitsgegevens op de paspoorten zijn vals en houden geen enkel verband met de gegevens in de bevolkingsregisters. De echte identiteit van de daders blijft op dit ogenblik dus onbekend. De procureur des Konings te Brussel heeft een vooronderzoek geopend naar de twee diefstallen van blanco paspoorten op de diplomatieke posten. Aangezien niets laat vermoeden dat de moordenaars enige band hebben met ons land, heeft het parket geen onderzoek naar de moord op commandant Massoud geopend. Het ligt voor de hand dat de moord een element is in het lopende vooronderzoek naar de diefstal van paspoorten.

Het tweede deel van uw vraag betreft vooral de minister van Buitenlandse Zaken. Ik geef u het antwoord dat mijn collega mij heeft bezorgd.

De noodhulp aan Afghanistan moet zonder enige discriminatie ten goede komen aan alle arme bevolkingsgroepen, dus ook aan de bevolking in het noorden van Afghanistan, maar niet exclusief. Op dit ogenblik rijst er een probleem met de toegang tot deze bevolkingsgroepen en met de aanvoer van de hulp. De noordelijke territoria zijn uiteraard beter toegankelijk. Voor de maand oktober is 60% van de humanitaire noodhulp langs de noordgrenzen het land binnengebracht en 40% langs de grens met Pakistan. Deze toestand kan wijzigen met de evolutie van de militaire situatie in het binnenland. Hulpkonvooien werden aangevallen door de Taliban. Enkele dagen geleden had ik een onderhoud met een woordvoerder van de Noordelijke Alliantie over onder andere de hulp. De agentschappen en de NGO's die noodhulp vervoeren, hebben eveneens regelmatig contact met de Noordelijke Alliantie. De verzoeken van wijlen commandant Massoud tot België werden geformuleerd in andere omstandigheden. In dit verband werden al initiatieven genomen door het DGIS. Er werd reeds 10 miljoen frank toegekend aan Artsen zonder Grenzen. Andere aanvragen worden herbekeken in het licht van de recente humanitaire, politieke en militaire ontwikkelingen in Afghanistan. Noodhulp wordt verleend conform een strikt principe van niet-discriminatie bij de verdeling over de arme bevolkingsgroepen. Ook de hulp op langere termijn zal heel de bevolking ten goede komen. De Europese noodhulp, waartoe België bijdraagt, wordt aangevoerd en verdeeld in Afghanistan door humanitaire VN-agentschappen, het Internationale Rode Kruis en een aantal betrouwbare NGO's. De controle erop is dus direct. De Pakistaanse regering heeft de Europese Unie verzocht om de noodhulp voor de Afghaanse vluchtelingen door eigen, Europese hulporganisaties te laten aanvoeren, zodat Pakistan niet onterecht kan worden aangewreven dat het van de toestand profiteert. Sinds de gebeurtenissen van 11 september en de Amerikaanse bombardementen heeft België aangekondigd dat het vijftig miljoen noodhulp zou verlenen. Op het forum dat onlangs in Genève werd georganiseerd, heeft ons land 200 miljoen frank beloofd voor de wederopbouw van Afghanistan.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Ik zou een opmerking willen maken bij het onderzoek naar de moord op commandant Massoud. Uit verschillende inlichtingen, waaronder sommige van de Noordelijke Alliantie, zou blijken dat er een merkwaardige band bestaat met België. Is het echt uitgesloten dat de moordenaars Belg zijn?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ik denk niet dat wij over voldoende elementen beschikken om wat dan ook uit te sluiten. Wij kunnen evenwel evenmin het tegendeel beweren. Wij stellen eenvoudig vast wat ik u zojuist heb gezegd. Mochten de identiteiten controleerbaar en exact zijn, dan zouden we naar een band kunnen zoeken, maar dat is spijtig genoeg niet het geval op dit ogenblik. Wij stellen desalniettemin alles in het werk om inlichtingen te blijven verstrekken.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Zijn er elementen die het onderzoek naar de ambassade van Pakistan leiden?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Tot nu toe niet. Wij hebben vooral bekende sporen vanuit Nederland en Frankrijk gevolgd en hebben er de elementen aan toegevoegd die bekend raakten bij de moord op commandant Massoud.

-Het incident is gesloten.

Voorstel van resolutie over de ministeriële conferentie van de Wereldhandelsorganisatie in Doha (van mevrouw Marie-José Laloy c.s., Stuk 2-869)

Voorstel van resolutie betreffende de vierde ministeriële conferentie van de Wereldhandelsorganisatie (van mevrouw Marie Nagy en de heer Michiel Maertens, Stuk 2-918)

Bespreking

De voorzitter. - Het woord is aan mevrouw Nagy voor een mondeling verslag.

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO), rapporteur. - De commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging heeft deze voorstellen van resolutie bestudeerd tijdens haar vergaderingen van 17 oktober 2001 en van vandaag.

Tijdens de commissievergadering gaven de indieners van de amendementen nrs. 1 en 2 bij het gedrukt stuk 2-869/1 een toelichting bij de inhoud ervan. De amendementen werden tijdens de vergadering rondgedeeld en vertaald.

Sommige Nederlandstalige leden hadden problemen met de vertaling, maar aangezien het gaat om een bijzonder dringende aangelegenheid stemden ze ermee in met een eentalige tekst te werken.

Het amendement, met een belangrijk subamendement over elektronische middelen voor cultuur en audiovisuele werken, werd goedgekeurd.

Vandaag moest de commissie de amendementen van de heer Geens en mevrouw Thijs onderzoeken. Na discussie werd een geamendeerde tekst goedgekeurd die zal worden rondgedeeld en waarover zal worden gestemd.

De wijzigingen moeten de draagwijdte van het voorstel van resolutie duidelijker maken. De resolutie is bestemd voor de regering opdat die de vergadering van Doha goed zou kunnen voorbereiden. Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur.

Tot zover mijn taak als rapporteur. Ik wens de voltallige commissie en alle collega's te danken voor hun bereidwillige medewerking om deze tekst vandaag nog te kunnen goedkeuren.

De heer Georges Dallemagne (PSC). Het onderwerp dat we vandaag behandelen, is erg belangrijk omdat het betrekking heeft op de wijze waarop de Staten de verdeling van de rijkdommen en de welvaart in de wereld organiseren.

Ik onderstreep om te beginnen dat ik niet behoor tot hen die gevraagd hebben de Conferentie van Doha uit te stellen of er niet aan deel te nemen. Ik ben er immers van overtuigd dat de internationale gemeenschap meer dan ooit nood heeft aan ontmoeting, dialoog en onderhandelingen om niet terug te vallen op een systeem van internationale betrekkingen dat uitsluitend gebaseerd is op machtsverhoudingen ten voordele van de sterkste en ten nadele van de zwakste landen, vooral die van het zuiden.

Sinds 11 september werden er al veel internationale bijeenkomsten uitgesteld of afgelast, onder meer de Conferentie van de Verenigde Naties over de rechten van het kind en de Top van de Francofonie. Deze annuleringen zouden een enorme stap achteruit kunnen betekenen in het overleg en de internationale dialoog die zich na het einde van de koude oorlog heeft ontwikkeld.

De Conferentie van Doha is nodig om drie redenen:

Het opzeggen van deze Conferentie zou de noodzakelijke vooruitgang in de regulering van de mondialisering voor onbepaalde tijd vertragen. We moeten integendeel gebruikmaken van de nieuwe context en de gewijzigde houding van Amerika tegenover de nieuwe ronde. Uit de wens van de Europese Unie om een uitgebreide en evenwichtige agenda op te stellen, blijkt haar bezorgdheid voor de belangen van de minst ontwikkelde landen.

De Conferentie van Doha is ten tweede een gelegenheid voor een internationale dialoog. Het ontwijken van de dialoog is een slecht politiek signaal.

De WTO vormt ten derde een onderhandelingskader dat deze regulering van de mondialisering kan bevorderen. Het status-quo komt de ontwikkelingslanden niet ten goede.

De PSC steunt een menselijke aanpak van een mondialisering die op volgende drie pijlers rust.

Rechtvaardigheid: de bevordering van de menselijke ontwikkeling door een billijker verdeling van de rijkdom en de vruchten van de economische ontwikkeling.

De versterking van de normen: de versterking van de internationale regelgeving om de globale sociale, economische en milieuuitdagingen beter aan te kunnen.

De dialoog: de versterking van de multilaterale kaders voor dialoog en besluitvorming, vooral van de internationale organisaties die regelend kunnen optreden op het vlak van machtsverhoudingen tussen staten.

Daarom wensen wij de regering vóór de Wereldhandelsconferentie een boodschap over te brengen.

De PSC wenst tijdens de volgende ronde een aantal hoofdlijnen te zien verdedigen.

De ontwikkelingsvereisten moeten aan bod komen. Deze ronde moet de voorwaarden vastleggen om een rechtvaardige band te creëren tussen de internationale handel en de menselijke ontwikkeling. Iedere Staat moet op een billijke wijze kunnen profiteren van de vruchten van de mondialisering. Tijdens de onderhandelingen van de Wereldhandelsorganisatie moet rekening worden gehouden met de ontwikkeling en belangen van de minst ontwikkelde landen, zodat uitzonderingen kunnen worden gemaakt, afhankelijk van de specifieke toestand van de minst ontwikkelde landen, bijvoorbeeld voor de toegang tot geneesmiddelen en gezondheid in het algemeen.

Daarom zal het nuttig zijn het effect van de huidige handelsakkoorden te evalueren zodat de bestaande ongelijkheden kunnen worden weggewerkt.

Er moet een stimulerende en positieve aanpak komen om de sociale en milieunormen te bevorderen. De samenwerking tussen de WTO en de IAO moet onverwijld worden verbeterd. Er is weinig vooruitgang sinds Philippe Maystadt deze idee namens de Belgische regering in 1996 in Singapore heeft verdedigd.

De WTO moet op een open, evenwichtige, democratische en non-discriminatoire wijze functioneren en er moet gewaakt worden over de transparantie, de toegang tot de informatie en de versterking van de mogelijkheden van de minst ontwikkelde landen om aan de WTO deel te nemen.

Er moet gewaarschuwd worden voor de buitensporigheden van de mondialisering op het vlak van opvoeding, gezondheid en cultuur door het in stand houden van de universele diensten van algemeen belang.

Wij willen ook pleiten voor een brede agenda, zodat een waaier van problemen kan worden behandeld die door het handelsverkeer en de internationale economische betrekkingen worden veroorzaakt. Dit aspect is van het grootste belang voor het slagen van deze ronde.

De resolutie die ons vandaag wordt voorgelegd, vertolkt al onze bezorgdheden. Mijn fractie zal ze bijgevolg goedkeuren.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Ik was van plan van mijn betoog af te zien, maar aangezien de PSC haar standpunt vertolkt heeft, zal ook ik enkele korte beschouwingen met betrekking tot de cultuur naar voor brengen.

Ten eerste hielden de onderhandelingen van de voorbije jaren geen enkele rekening met de cultuur. Wanneer sommigen dit punt ter tafel zouden brengen, moet ook het principe van de culturele verscheidenheid worden verdedigd omdat ze de beste waarborg is voor een culturele concurrentie die een gediversifieerd aanbod inhoudt.

Ten tweede moet de elektronische handel op technologisch vlak neutraal zijn, omdat de cultuur anders zal worden geliberaliseerd.

Ten derde moet er een Internationale Conferentie worden opgericht die moet worden belast met het onderzoek van de culturele verscheidenheid, naar het voorbeeld van de Conferentie van Tokio voor het milieu. We zouden op die manier internationale onderhandelingen kunnen aanvatten, onder de bescherming van Unesco of, waarom niet, van de Wereldorganisatie voor intellectuele eigendom.

Ten vierde zouden wij de steun voor cultuur eerst in het Verdrag betreffende de Europese Unie kunnen verankeren alvorens dat op wereldschaal te doen. Ik verwijs naar de audiovisuele sector. In het volgende protocol zou kunnen staan dat de bepalingen van het verdrag geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de lidstaten om audiovisuele werken te financieren, binnen de door de Gemeenschap vastgelegde grenzen en voorwaarden.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik wijs op het positieve signaal van de heer Istasse, die in het parlement van de Franse Gemeenschap een resolutie met dezelfde strekking heeft ingediend.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Dat verheugt mij.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 7 mei 2000 houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip en van een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid (Stuk 2-833) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - Wij stemmen eerst over amendement 1 van de heer Van Quickenborne.

Stemming 1

Aanwezig: 57
Voor: 9
Tegen: 41
Onthoudingen: 7

-Het amendement is niet aangenomen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor amendement 15 van de heer Verreycken. Het amendement is dus niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 16 van de heer Verreycken.

Stemming 2

Aanwezig: 58
Voor: 6
Tegen: 52
Onthoudingen: 0

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 20 van de heer Van Quickenborne.

Stemming 3

Aanwezig: 57
Voor: 10
Tegen: 40
Onthoudingen: 7

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 17 van de heer Verreycken.

Stemming 4

Aanwezig: 58
Voor: 6
Tegen: 49
Onthoudingen: 3

-Het amendement is niet aangenomen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor amendement 18 van de heer Verreycken. Het amendement is dus niet aangenomen.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Ik had graag eerst gestemd over het voorstel tot oprichting van een werkgroep van de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden. De VLD-senaatsfractie gaat unaniem akkoord met het voorstel om binnen deze commissie en onder haar bevoegdheid onmiddellijk een werkgroep op te richten die vóór 15 december een wetsvoorstel over de koninklijke dotaties zal voorbereiden. Indien de oprichting van deze werkgroep wordt goedgekeurd, kan de VLD-senaatsfractie ermee akkoord gaan om door goedkeuring van het amendement-Monfils terug te keren tot het oorspronkelijke ontwerp van de regering dat in de Kamer is goedgekeurd.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Mijn fractie hecht hieraan bijzonder veel belang. Van de oprichting van een werkgroep hangt onze stem af.

De heer Frans Lozie (AGALEV). - We zijn voorstander van de oprichting van deze werkgroep, maar voor ons is dit geen conditio sine qua non voor ons stemgedrag.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Ik heb een louter technische vraag. Een van de sprekers heb ik horen vragen naar een verdaging van de stemming tot volgende week. Heeft de Senaat daarover al een beslissing genomen? Moeten we ons daarover niet eerst uitspreken, vóór we over iets anders kunnen stemmen?

De voorzitter. - We zijn al bezig met de stemming.

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Aangezien de Senaat zich hierover wenst uit te spreken, bevestig ik in dit stadium van het debat dat de regering aan de discussies in die werkgroep wil deelnemen.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - De uitspraak van de VLD-fractie verheugt me. Ze is zeer bemoedigend, duidelijk en nieuw. Ik hou ook vast aan de formulering van mevrouw Leduc, namelijk dat er een officiële werkgroep komt binnen de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden en aan de datum die ze heeft gegeven. Dat is een zeer positief signaal, waarvoor dank.

-Tot de oprichting van de werkgroep wordt bij zitten en opstaan beslist.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming 5

Aanwezig: 60
Voor: 43
Tegen: 17
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Voorstel van resolutie over een universeel moratorium op de doodstraf (van mevrouw Sabine de Bethune c.s., Stuk 2-521)

Stemming 6

Aanwezig: 61
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 6

-Het voorstel van resolutie is aangenomen.

-Het zal aan de eerste minister, aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Justitie worden meegedeeld.

Voorstel van resolutie over de sancties in het internationaal recht (van mevrouw Marie-José Laloy c.s., Stuk 2-561)

De voorzitter. - We stemmen eerst over amendement 6 van de heer Van Quickenborne.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Het amendement werd ingediend door de heer Van Quickenborne, mevrouw Willame, de heren Jean-Marie Dedecker en Maertens.

Stemming 7

Aanwezig: 61
Voor: 24
Tegen: 29
Onthoudingen: 8

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het voorstel van resolutie in zijn geheel.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Wij zullen dit uiterst belangrijke voorstel van resolutie uiteraard goedkeuren.

Wij hebben tegen het amendement gestemd omdat wij de aanneming van de resolutie niet willen vertragen. Bovendien verwijst de niet-geamendeerde tekst naar het geheel van de resolutie. Hij is volgens mij veel duidelijker over het vooropgestelde doel dan het amendement zelf.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Ik ben uiteraard teleurgesteld over de stemming, al was het maar omdat de tekst van het amendement letterlijk overeenkomt met de resolutie die in de Kamer werd ingediend en die onder meer werd ondertekend door parlementsleden van de PS, van de SP en van andere fracties. De fractieleden hebben in de Senaat een totaal andere houding aangenomen dan in de Kamer. Ik betreur dat ten zeerste.

Stemming 8

Aanwezig: 61
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 6

-Het voorstel van resolutie is aangenomen.

-Het zal aan de eerste minister en aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken worden meegedeeld.

Wetsontwerp houdende instemming met het amendement op het Verdrag van Bazel van 22 maart 1989 inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan, aangenomen op de derde vergadering van de Conferentie van de Partijen, gehouden te Genève op 22 september 1995 (Stuk 2-824)

Stemming 9

Aanwezig: 60
Voor: 60
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Zetelakkoord tussen het Koninkrijk België en het Internationaal Comité van het Rode Kruis, ondertekend te Brussel op 19 april 1999 (Stuk 2-839)

Stemming 10

Aanwezig: 60
Voor: 60
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende internationale akten:
1. De Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995;
2. Het Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996;
3. Het Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en de Gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997;
4. Het Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en de Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996;
5. De Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder
C), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 (Stuk 2-885)

Stemming 11

Aanwezig: 60
Voor: 60
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Socialistische Republiek Vietnam inzake luchtvervoer, en met de bijlage, ondertekend te Brussel op 21 oktober 1992 (Stuk 2-893)

Stemming 12

Aanwezig: 59
Voor: 53
Tegen: 0
Onthoudingen: 6

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van Macau inzake luchtvervoer, en met de bijlage, ondertekend te Brussel op 16 november 1994 (Stuk 2-894)

Stemming 13

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Dinsdag 23 oktober 2001

's ochtends om 10 uur

Wetsvoorstel betreffende de euthanasie (van de heer Philippe Mahoux, mevrouw Jeannine Leduc, de heer Philippe Monfils en de dames Myriam Vanlerberghe, Marie Nagy en Jacinta De Roeck); Stuk 2-244/1 tot 24.

Wetsvoorstel betreffende de palliatieve zorg (van de dames Myriam Vanlerberghe, Marie Nagy, Jacinta De Roeck en Jeannine Leduc en de heren Philippe Mahoux en Philippe Monfils); Stuk 2-246/1 tot 7.

Toe te voegen:

Wetsvoorstel betreffende de problemen rond het levenseinde en de toestand van ongeneeslijk zieke patiënten (van de heer Philippe Mahoux en mevrouw Myriam Vanlerberghe); Stuk 2-10/1 en 2;

Wetsvoorstel betreffende het verzoek om levensbeëindiging (van de heer Philippe Monfils); Stuk 2-22/1 en 2;

Wetsvoorstel strekkende tot de vergroting van het medebeslissingsrecht van de patiënt via de invoering van een behandelingsbeschikking (van de heer Frans Lozie en mevrouw Jacinta De Roeck); Stuk 2-86/1 en 2;

Wetsvoorstel op de euthanasie (van mevrouw Jeannine Leduc c.s.); Stuk 2-105/1 tot 3;

Voorstel van resolutie betreffende de uitwerking van een behoeftengestuurd palliatief plan (van mevrouw Iris Van Riet c.s.); Stuk 2-106/1 en 2;

Wetsvoorstel houdende de bescherming van de rechten en de waardigheid van de mens bij het naderend levenseinde (van de heer Hugo Vandenberghe c.s.); Stuk 2-160/1 en 2;

Wetsvoorstel houdende instelling van een federale evaluatiecommissie inzake de toepassing van de wet van ... betreffende de euthanasie (van mevrouw Jacinta De Roeck c.s.); Stuk 2-245/1 en 2;

Wetsvoorstel strekkende om het recht op palliatieve zorg voor eenieder te garanderen en om het kader voor het verlenen van de palliatieve zorg vast te stellen (van mevrouw Clotilde Nyssens c.s.); Stuk 2-249/1 en 2;

Wetsvoorstel strekkende om het recht op palliatieve zorg in te voeren en de palliatieve zorgverlening te verbeteren (van mevrouw Ingrid van Kessel c.s.); Stuk 2-402/1 en 2;

Wetsvoorstel betreffende de begeleiding bij het levenseinde en de mogelijkheid voor de arts om in uitzonderlijke omstandigheden het overlijden van een terminaal zieke patiënt te bespoedigen (van de heer Alain Destexhe); Stuk 2-666/1.

's namiddags om 14 uur

Hervatting van de agenda (wetsvoorstel betreffende de euthanasie).

Woensdag 24 oktober 2001

's ochtends om 10 uur, 's namiddags om 14 uur, eventueel 's avonds om 19 uur

Hervatting van de agenda.

Donderdag 25 oktober 2001

's ochtends om 10 uur

Hervatting van de agenda (wetsvoorstel betreffende de palliatieve zorg).

's namiddags om 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Mondelinge vragen.

Eventueel, hervatting van de agenda van de ochtendvergadering.

Voorstel tot wijziging van artikel 23-8 van het Reglement van de Senaat (van de heer Vincent Van Quickenborne); Stuk 2-138/1. (Pro memorie)

Voorstel tot wijziging van de artikelen 23 en 27 van het Reglement van de Senaat (van de heer Hugo Vandenberghe c.s.); Stuk 2-829/1. (Pro memorie)

Voorstel tot wijziging van artikel 26 van het Reglement van de Senaat (van de heer Philippe Monfils); Stuk 2-872/1. (Pro memorie)

Vanaf 17.30 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Vragen om uitleg:

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Stemmingen

Voorstel van resolutie over de ministeriële conferentie van de Wereldhandelsorganisatie in Doha (van mevrouw Marie-José Laloy c.s., Stuk 2-869)

Stemming 14

Aanwezig: 60
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 6

-Het voorstel van resolutie is aangenomen.

-Het zal aan de eerste minister en aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken worden meegedeeld.

-De goedkeuring van dit voorstel van resolutie impliceert dat het voorstel van resolutie betreffende de vierde ministeriële conferentie van de Wereldhandelsorganisatie (van mevrouw Marie Nagy en de heer Michiel Maertens, Stuk 2-918) vervalt.

Verzending van wetsvoorstellen naar een andere commissie

De voorzitter. - Aan de Senaat wordt voorgesteld de volgende wetsvoorstellen te verzenden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden:

Deze voorstellen werden eerder verzonden naar de commissie voor de Justitie. (Instemming)

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over «de ratificatie van het Verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie over de bescherming van het moederschap» (nr. 2-566)

De voorzitter. - De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Op 15 juni 2000 werd het Verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie voor de bescherming van het moederschap aangenomen. Het treedt in werking op 7 februari 2002.

Het bevat onder meer bepalingen over gezondheidsbescherming, moederschapsverlof, verlof in geval van ziektes of complicaties, bescherming tegen ontslag en het recht op betaalde borstvoedingspauzes. Dit recht bestaat immers nog altijd niet voor Belgische moeders. Het dossier ligt nog altijd op het departement Tewerkstelling en Arbeid en ook op het departement Buitenlandse Zaken werd het nog altijd niet klaargemaakt voor ratificatie door de Senaat.

Reeds in juni 2000 gaf minister Onkelinx de Nationale Arbeidsraad de opdracht haar standpunt over borstvoedingspauzes te actualiseren, maar tot nu toe is er nog geen regeringsontwerp klaar. Dat verontrust me ten zeerste. Ik betreur overigens dat de minister hier vandaag niet aanwezig is, want ik wou eventjes inpikken op het gesprek dat we daarover voor de zomer hadden, meer bepaald bij de behandeling van het regeerontwerp over de verzoening van de werkgelegenheid en de levenskwaliteit. Ik diende toen diverse amendementen in op het regeringsontwerp. Ze hadden betrekking op adoptieverlof, ouderschapsverlof, het aanmoedigen van mannen om meer zorgfuncties te vervullen en het recht borstvoeding te concretiseren. Mijn amendementen werden niet aangenomen omdat volgens de minister bij het begin van het nieuwe parlementair jaar een regeringsontwerp betreffende de borstvoedingspauzes zou worden ingediend.

Hoewel België verplicht is de borstvoedingspauzes in te voeren, werd in het recent verleden het recht op borstvoedingsverlof voor vrouwen bij de krijgsmacht afgeschaft. Ik interpelleerde de minister vroeger reeds over deze problematiek. Op voorstel van minister Duquesne werd dit recht vorig jaar ook bij de rijkswacht afgeschaft.

Dit thema belangt heel wat vrouwen aan. Het VRT-programma "ombudsjan" neemt momenteel een reportage op over een jonge moeder die bij de rijkswacht in dienst is. Anderhalf jaar geleden had ze als rijkswachter recht op drie maanden betaald borstvoedingsverlof. Nu is ze opnieuw zwanger, maar bij de geboorte van haar tweede kind zal ze dat recht niet meer hebben.

Ik haal dit voorbeeld aan om te illustreren dat het hier niet over theorie gaat, maar over de concrete zorg van heel veel moeders die met deze problematiek te maken krijgen.

Ik kijk uit naar de efficiëntie waarmee de regering deze kwestie zal aanpakken. Ikzelf heb twee jaren geleden al een wetsvoorstel ingediend om het recht op borstvoedingsverlof en op borstvoedingspauzes voor moeders te regelen. Dat voorstel geeft werkende vrouwen recht op twee uur borstvoedingspauze per dag met loonbehoud tot het kind negen maanden oud is. De moeder kan die pauze gebruiken wanneer ze wil, hetzij om het kind zelf te voeden, hetzij om af te kolven.

Dit lijkt me slechts een van de maatregelen om arbeid en gezin te combineren. We moeten ze gewoon ook nemen omdat we daar verdragsrechtelijk toe verplicht zijn sinds we de IAO-conventie vorig jaar hebben ondertekend.

Ik heb volgende concrete vragen voor de minister. Welke regeling zal de minister uitwerken om de borstvoedingspauze in ons land in te voeren? Welke stappen zal de minister doen om het betreffende verdrag te doen ratificeren? Wanneer zal het verdrag geratificeerd worden? Wanneer mogen we een wetsontwerp over de borstvoedingspauzes verwachten in het Parlement?

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Zoals mevrouw de Bethune ongetwijfeld weet, valt de problematiek die ze ter sprake brengt onder de bevoegdheid van de minister van Werkgelegenheid. Mevrouw Onkelinx kon echter onmogelijk hier aanwezig zijn, maar heeft wel een antwoord voorbereid, dat ik hierbij voorlees.

Op 15 juni heeft de Internationale Arbeidsorganisatie inderdaad een nieuwe conventie en een nieuwe aanbeveling goedgekeurd betreffende de bescherming van het moederschap. Mevrouw Onkelinx heeft kort daarna een brief gestuurd naar de Nationale Arbeidsraad met het verzoek een standpunt over de borstvoedingspauzes uit te werken. De vakbonden en werkgevers zijn dat in het raam van de NAR aan het bespreken. De Commissie voor individuele arbeidsbetrekkingen van de NAR houdt bovendien morgen 19 oktober een vergadering over dit onderwerp. Omdat de zaak dringend aan het worden is, heeft mevrouw Onkelinx de NAR gevraagd de bespreking van dat probleem voor het einde van dit jaar af te ronden.

Uit de besprekingen van de Commissie voor individuele arbeidsbetrekkingen blijkt dat vakbonden en werkgevers het recht op borstvoedingspauzes willen toekennen en dat ze dat voor de particuliere sector liefst doen via een collectieve arbeidsovereenkomst. Een CAO moet dan een regeling uitwerken voor alle werknemers van de particuliere sector die onder het toepassingsgebied van de IAO-conventie vallen. Dat is iedere vrouw die in het kader van een arbeidsbetrekking werkt onder het gezag van een andere persoon.

Natuurlijk moet hetzelfde gebeuren voor de openbare sector. Mevrouw de Bethune verwees zelf naar de krijgsmacht. We gaan ervan uit dat de bekrachtiging van de IAO-conventie inhoudt dat het recht op borstvoedingspauzes niet alleen in de particuliere maar ook in de openbare sector wordt waargemaakt en eens en voor goed geregeld. Mevrouw Onkelinx geeft verschillende mogelijkheden om dat te doen. Dat kan bijvoorbeeld in Hoofdstuk IV van de arbeidswet van 16 maart 1971 of in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Eventueel kunnen initiatieven worden genomen door de verschillende overheden die bevoegd zijn voor het statuut van hun ambtenaren, namelijk de gewesten, gemeenschappen, provincies, OCMW's en de openbare instellingen die daarvan afhangen.

Het is duidelijk dat de Conventie van de Internationale Arbeidersorganisatie moet worden toegepast, zowel in de particuliere sector als in de openbare sector. Het uiteindelijk bekrachtigen van de hele Conventie nummer 183 van de Internationale Arbeidersorganisatie kan pas gebeuren als een aantal andere problemen zijn opgelost, die ook deel uitmaken van deze Conventie. Het gaat om de gezondheidsbescherming, het moederschapverlof, het verlof in geval van ziekte of verwikkelingen en de bescherming tegen ontslag. Dat gaat dus verder dan de borstvoedingspauzes. Onze sociale partners moeten deze problemen aanpakken en de regeling moet dan worden uitgebreid tot de openbare sector.

Wij moeten deze Conventie dus bekrachtigen en we kunnen dit doen als de Belgische wetgeving is aangepast. Mevrouw Onkelinx bevestigt uitdrukkelijk dat ze zich zal inzetten om dat zo snel mogelijk te doen gebeuren. Alle vrouwen in ons land en alle baby's hebben daar recht op.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik neem er nota van dat er werk van de invoering van de borstvoedingspauzes zal worden gemaakt. Ik betreur wel dat er tot op heden daarover nog geen regeringsontwerp is ingediend. De regeling zal gebeuren via CAO's. Dat zal een langere weg zijn. Ik hoop dat het recht niet zwakker zal zijn, zoals bij het recht op loopbaanonderbreking dat werd vervangen door het recht op een tijdskrediet. In de meeste sectoren werd slechts een tijdskrediet van één jaar ingevoerd, in plaats van een langere periode, zoals mogelijk was in het stelsel van de loopbaanonderbreking. Ik hoop dat het recht op borstvoedingspauzes een stevig recht zal zijn en dat de regeling efficiënt zal zijn.

Voor de openbare sector is het niet nodig te wachten op de CAO-onderhandelingen. Ik begrijp niet dat voor de openbare sector nog geen regeringsontwerp wordt neergelegd. Minister Flahaut en minister Duquesne hebben enkele maanden geleden in de Senaat op een vraag in verband hiermee ontwijkend geantwoord. Ze antwoordden te zullen wachten op een globale regeling voor alle werkende vrouwen.

Ik ben tevreden met de intentie van de minister om de borstvoedingspauzes te willen regelen, maar ik wacht voorzichtig af hoe de concrete invulling zal zijn. Wij zullen niet tevreden zijn zolang er geen effectieve regeling tot stand is gekomen.

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Deze regeling valt volledig onder de bevoegdheid van minister Onkelinx. De regeling via een Collectieve Arbeidovereenkomst voor de particuliere sector hoeft helemaal niet langer te duren dan via een wetsontwerp, integendeel zelfs.

Ik begrijp de opmerking van mevrouw de Bethune hierover. Ik ga er niet dieper op in. Er is wel een verschil met de discussie over het tijdskrediet. De borstvoedingspauzes maken deel uit van een internationale conventie, die moet worden uitgevoerd. Over het tijdskrediet bestaat geen internationale conventie. De sociale partners hadden op dat vlak enige vrijheid.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Michel Barbeaux aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «de herfinanciering van de diensten thuisverpleging die een beroep doen op loontrekkend personeel» (nr. 2-552)

De heer Michel Barbeaux (PSC). - In juli jongstleden heeft het Parlement het wetsontwerp houdende maatregelen inzake gezondheidszorg van minister Vandenbroucke goedgekeurd. Door deze wet beschikt de regering over wettelijke bepalingen voor de herfinanciering van de diensten voor thuisverpleging die een beroep doen op loontrekkend of statutair personeel, die zich thans in een bijzonder precaire financiële toestand bevinden. Ik verwijs naar de betogingen van de verpleegkundigen in juli in Brussel.

De minister wees er tijdens de bespreking op dat er voor deze sector dringend maatregelen moesten worden genomen. Hij vroeg het wetsontwerp nog vóór het zomerreces goed te keuren, wat wij gedaan hebben. De minister verzekerde ons dat hij het artikel inzake thuisverpleging nog dit jaar wenste uit te voeren.

De wet is op 1 september 2001 in Het Belgisch Staatsblad gepubliceerd, maar de diensten voor thuisverpleging hebben nog niet de indruk dat ze gered zijn. De diensten van Wit-Gele Kruis van Brussel, Verviers en Moeskroen kampen met ernstige moeilijkheden en er zijn al personen ontslagen. Anderen verlaten zelf de dienst omdat de toekomst onzeker is. Deze drie diensten verplegen maandelijks gemiddeld 4.500 patiënten. Het vertrek van de verpleegsters zet die verpleging op de helling.

Bovendien kunnen de zelfstandige verpleegsters, niettegenstaande hun kwaliteiten en professionalisme, niet dezelfde dienstverlening bieden als de loontrekkende of statutaire. Vooral de zwaar afhankelijke patiënten kunnen slechts thuis blijven wanneer ze een beroep kunnen doen op de thuisverpleging. Indien die wegvalt, zullen ze in een gespecialiseerde instelling moeten worden opgenomen.

Door de daling van het aanbod en de stijging van de vraag zouden die zelfstandige verpleegsters wel eens erg selectief kunnen optreden. Wat gebeurt er met de patiënten die een verzorging nodig hebben die niet bestaat uit verpleegkundige handelingen, maar die niettemin essentieel is voor hun welzijn? Het behoud van deze dienstverlening met loontrekkende of statutaire verpleegkundigen lijkt ons in ieder geval absoluut noodzakelijk. U wenste hieraan tegemoet te komen door de financiering van een verpleegster-directrice per vijftien loontrekkende of statutaire verpleegsters om het zorgcontinuüm te verzekeren, wat de zelfstandige verpleegsters niet altijd kunnen.

De sector verheugt zich over de verbintenis van de minister om voor 2002 een bedrag van 600 miljoen uit te trekken. Ik zou graag de bevestiging daarvan horen. Zullen er nog dit jaar financiële middelen worden vrijgemaakt om de diensten van het Wit-Gele Kruis te laten overleven?

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Ook ik ben overtuigd van het belang van de diensten voor thuisverpleging zoals het Wit-Gele Kruis van Brussel, Verviers en Moeskroen. Ik heb gezegd dat hier dringend moest worden opgetreden.

De regering heeft de Algemene Raad van het RIZIV bijgevolg voorgesteld om voor de thuisverpleging te voorzien in een budget van 570,9 miljoen voor het begrotingsjaar 2002. Dit bedrag kreeg al een gunstig advies van de Overeenkomstencommissie Verpleegkundigen-Verzekeringsinstellingen en het voorstel zal binnenkort aan het Verzekeringscomité worden voorgelegd.

Concreet betekent dit dat het besluit op 1 oktober 2001 van kracht wordt, zodat de betalingen begin 2002 kunnen worden gedaan. Deze ruime extra middelen zijn een oplossing voor de financiële problemen van de diensten met loontrekkenden

De heer Michel Barbeaux (PSC). - In de begroting voor 2001 is er dus niets ingeschreven.

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Er moet rekening gehouden worden met een budgettair element: als we vanaf 1 oktober 2001 beginnen te betalen, zal dat door de typische betalingsvertragingen van het RIZIV een weerslag hebben op de begroting van 2002. De betrokken organisaties zullen dus belangrijke middelen krijgen die hen onmiddellijk zullen redden.

De heer Michel Barbeaux (PSC). - Ze zullen er dus vanaf 1 oktober 2001 aanspraak kunnen op maken?

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Inderdaad, het besluit waarover nog wordt gediscussieerd - het komt volgende maandag in het Verzekeringscomité van het RIZIV - voorziet in inwerkingtreding op 1 oktober 2001.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid, aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen en aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand, over «het sociaal statuut voor de meewerkende echtgenoot» (nr. 2-558)

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - De vraag naar een eigen sociaal statuut voor de meewerkende echtgenote is al lang aan de orde. In een werkgroep van het Algemeen beheerscomité van het sociaal statuut der zelfstandigen werd daarover al een hele discussie gevoerd. Die werkgroep stelde zich tot taak een toereikend sociaal statuut uit te werken voor de meewerkende echtgenoot. Dit statuut zou ook persoonlijke rechten toekennen en zou niet beperkt blijven tot afgeleide rechten. In dit sociaal beschermingssysteem zou het noodzakelijk evenwicht tussen bijdragen en uitgaven worden gerespecteerd.

Van januari tot mei 2000 heeft de werkgroep een reeks vergaderingen aan deze problematiek gewijd. Op 17 mei 2000 werd het Algemeen beheerscomité in kennis gebracht van een princiepsbesluit van de interkabinettenwerkgroep van Middenstand, Sociale Zaken en Arbeid dat een verplicht sociaal statuut voor de meewerkende echtgenote zou invoeren. In de federale beleidsverklaring van 17 oktober 2000 werd meegedeeld dat het toekennen van een statuut aan de meewerkende echtgenote zou worden onderzocht. In het actieplan van de minister voor KMO van 5 september 2001 heet het dat de meewerkende echtgenote de mogelijkheid zou moeten krijgen om op vrijwillige basis het volledige pakket van het sociaal statuut van de zelfstandigen te onderschrijven.

Aangezien een eigen sociaal statuut voor vele meewerkende echtgenotes van cruciaal belang is, zou ik van de minister willen vernemen of de regering nu wel weet welke richting zij uit wil. Wil men verder overleg plegen? Binnen welke termijn zal dit gebeuren? Hoe zal die regeling uiteindelijk zijn?

De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand. - Ik dank de heer Steverlynck voor zijn vraag en het verheugt mij ook dat hij mijn actieprogramma heeft gelezen. Hij heeft dan ook kunnen lezen dat het plan gebaseerd is op een allesomvattende visie en dat het pas kan worden uitgevoerd over een langere periode. Wij mogen ook niet vergeten dat de helft van de zittingsperiode al is verstreken. Toen ik advies uitbracht aan de Hoge raad voor de Middenstand, heb ik ook duidelijk gemaakt dat de budgettaire ruimte beperkt zou blijven.

Ik kom nu tot enkele specifieke vragen. In juli 2000 heeft de ministerraad een interkabinettenwerkgroep opgericht met vertegenwoordigers van ministers uit het kernkabinet, de ministers van Middenstand, Sociale Zaken en Financiën om te onderzoeken hoe de meewerkende echtgenote kan onderworpen worden aan het sociaal statuut van de zelfstandige.

De regering heeft geen principiële keuze gemaakt over verplicht of vrij, noch over de vorm of de formule. In de federale beleidsverklaring van oktober 2000 werd inderdaad bevestigd dat de regering het toekennen van een sociaal statuut aan de meewerkende echtgenoten onderzoekt. Bij mijn aantreden in juli jongsleden heb ik vastgesteld dat er in de voormelde werkgroep geen enkele overeenstemming was bereikt.

In het actieplan dat ik op 5 september heb voorgesteld, verdedig ik mijn standpunt om te trachten het debat opnieuw los te trekken. Wie een bepaalde bevoegdheid heeft, kan in mijn ogen een bepaalde visie voorstellen en verdedigen. Persoonlijk hecht ik veel belang aan een persoonlijk sociaal statuut voor de meewerkende echtgenoten. Bij scheiding krijgt men immers vaak met pijnlijke situaties te maken. Spijtig genoeg zijn scheidingen nu eenmaal een veeg teken des tijds geworden. Ik kan bevestigen dat ook mijn collega's van Sociale Zaken en Pensioenen en van Arbeid en Gelijke Kansen voornemens zijn deze werkgroep zo snel als mogelijk op te starten. Het is verrassend dat de beleidsverklaring van vorig jaar de vorige al overleefd heeft, zonder dat er resultaten werden geboekt.

Op de vraag naar een precieze timing kan ik alsnog geen antwoord geven. Wij zullen uiteraard het advies inwinnen van het Algemeen Beheerscomité van het Statuut der Zelfstandigen. Dat is trouwens een verplichting.

Ik heb nog enkele bijkomende bedenkingen. Ik ga ervan uit dat een behoorlijke vrijwillige regeling even beschermend kan zijn als een verplichte. Het enige verschil zou kunnen zijn dat een verplichte regeling een ruimere financiële dekking heeft, maar in deze situatie zal dat het geval niet zijn.

De Hoge Raad voor de Middenstand heeft mij inzake het sociale statuut voor de zelfstandigen volgende prioriteiten meegegeven: ten eerste, de invaliditeits- en arbeidsongevallenregeling, ten tweede de pensioenen, ten derde de kleine risico's en ten vierde de kinderbijslagen.

Binnen de toch wel scherpe begrenzingen van de begroting heb ik de invaliditeit en arbeidsongevallen als één pakket genomen dat voor eens en altijd moet worden opgelost. In 2002 zal ik daarvoor een budget van 600 miljoen ter beschikking hebben, dat in de helft van het jaar zou kunnen ingaan. Dat budget zou in 2003 nagenoeg verdubbeld worden. Ik heb de voorkeur gegeven aan die formule in plaats van aan het uitsmeren van budgetten over vijf domeinen omdat ik van oordeel ben dat het beter is een probleem in zijn geheel aan te pakken en er een meteen een definitieve oplossing voor te vinden dan het geld voor verschillende doeleinden te versnipperen.

Ik ben er mij van bewust dat de zelfstandigen en zelfstandigenorganisaties op hun honger blijven. We kunnen dat probleem nu niet definitief oplossen omdat er daar bedragen van meer dan enkele miljarden voor nodig zijn en die zijn in de huidige begroting niet voorhanden.

Dit neemt echter niet weg dat andere specifieke problemen zoals het statuut van de meewerkende echtgenoot en aspecten daarvan toch nog altijd kunnen worden geregeld via een programmawet of afzonderlijke wetsontwerpen. Ik ben ook altijd bereid goede wetsvoorstellen die geen buitensporige budgettaire gevolgen hebben in overweging te nemen.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - De minister zegt zelf dat deze regeerperiode reeds half verstreken is en dat het jammer is dat het dossier over de meewerkende echtgenoot al zo lang aansleept. Hij heeft uiteraard gelijk dat hij, nu hij daarvoor bevoegd is, zijn eigen opvattingen en suggesties daaromtrent naar voor zal brengen. Ik hoop dat er in dat verband nog vóór de volgende regeringsverklaring concrete oplossingen uit de bus komen.

De minister heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om dit probleem open te trekken. Ik zal daar kort op ingaan. Hij had het over het aanvullend pensioen voor de meewerkende echtgenote. Twee jaar geleden is er daarover een wet goedgekeurd, maar we wachten nog op het uitvoeringsbesluit. Dat kan toch geen zware inspanning zijn. Het gaat om een vrijwillige regeling waardoor de meewerkende echtgenoot een eigen pensioen kan opbouwen. De minister heeft met zijn plan hoge verwachtingen gecreëerd, zeker op het vlak van het sociaal statuut. Het is de eerste keer dat een lid van de regering toegeeft dat er in de een discriminatie bestaat van de zelfstandigen.

Ik ben het ermee eens dat er, als de marges beperkt zijn, een keuze moet worden gemaakt. De Hoge Raad heeft terecht gekozen voor de arbeidsongeschiktheid. Hiermee werd evenwel niet aan alle verwachtingen tegemoet gekomen, zeker omdat het niet altijd om financiële implicaties gaat. Ik heb het vroeger in dat verband reeds gehad over de permanente deeltijdse arbeidsongeschiktheid. Ik wil hierover graag nogmaals met de minister van gedachten wisselen.

Tenslotte had ik gehoopt dat bij deze begrotingsbesprekingen een perspectief zou worden geboden. Ik betreur dat er vandaag geen concrete stappen worden gezet inzake pensioenen en gezondheidszorg. Men had evenwel reeds beslissingen kunnen nemen, die dan in een latere fase konden worden gerealiseerd.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand, over «e-government in België» (nr. 2-559)

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - In juli 2001 publiceerde het Planbureau een working paper over e-government in België. Dit werkdocument van het Planbureau bespreekt de voortgang van de Belgische plannen inzake een elektronische overheid. In de analyse van het Planbureau wordt ingegaan op de methodologische benadering van e-government, mogelijke buitenlandse benchmarks, de Belgische stand van zaken en de kosten-baten van e-government in ons land.

Duidelijk is dat er in België tot op heden geen centraal gestuurde benadering is van het e-government-project. Er is eerder sprake van een bottom-up aanpak, die vooral steunt op de ervaringen opgedaan bij de realisatie van de kruispuntbank en de SIS-kaart. Het gevaar van de gekozen benadering is dat er een "silodenken" kan ontstaan, aldus het Planbureau. Dit betekent dat er te veel zou worden gewerkt vanuit bestaande departementale diensten en structuren. Een echte elektronische overheid vereist echter doordachte structuren van de overheid met het oog op een vlotte dienstverlening aan de burger, aangepast aan de concrete wensen van de burger-klant. Bovendien wijst het Planbureau op de noodzaak van een gecoördineerde planning met realisaties en vooruitgangsrapporten via een centraal speciaal ministercomité met voldoende gezag.

Andere pijnpunten van het Belgisch e-government-project die uit de analyse van het Planbureau naar voor komen, zijn het gebrek aan geconsolideerde financiële planning, het ontbreken van een centrale portaalsite met voorlichting rond de e-government- planning, de aandacht voor veiligheid en privacy, de grote beschikbaarheid van gespecialiseerde ambtenaren en de rol van de lokale besturen bij de implementatie van het project.

Terzake rijzen een aantal beleidsvragen. Is er bewust voor een bottom-up aanpak gekozen bij de implementatie van het e-governmentproject in België? Waarom werd voor deze aanpak gekozen? Bestaat volgens de minister het gevaar van "silodenken", zoals het Planbureau aangeeft?

Is de keuze van de diensten die bij voorrang worden opgenomen in het project, gebaseerd op een enquête naar de concrete wensen van de bevolking? Waarom werden maar twee van de twintig overheidsdiensten die door de Europese Commissie vooropgesteld worden in het actieplan e-Europe 2002, als prioritair beschouwd, namelijk elektronische belastingen en sociale zekerheidsdiensten? Waarom werden precies deze diensten gekozen? In welke mate is er bij de Copernicushervorming rekening gehouden met de voor de elektronische overheid noodzakelijke clustervorming van overheidsdiensten?

Waarom bestaat er geen centrale portaalsite met informatie over het Belgisch e-government-project en moet men de informatie via vier verschillende websites zoeken? Vindt de minister niet dat dit getuigt van een weinig gecoördineerde aanpak? Zijn er in het kader van het Belgisch project voortgangsrapporten beschikbaar? Wat is de stand van zaken met betrekking tot de ontwikkeling van een gemeenschappelijke Universal message engine, de uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 23 maart 2001 betreffende de bouw en exploitatie van een gemeenschappelijk e-platform, de aanwerving van informatici voor het e-government-project en de ontwikkeling van de public key infrastructure?

Waarom worden de gemeenten niet onmiddellijk betrokken bij de realisatie van een elektronische overheid in ons land? Vervullen de gemeenten immers niet een niet-gering aantal overheidsdiensten die direct belangrijk zijn voor de burger-klant? Bevestigt een recent rapport van het adviesbureau MÖBIUS Research and Consulting niet de stelling dat het beleid inzake e-government van lokale overheden in de praktijk niet is afgestemd op de federale plannen?

Wanneer en hoe zal de minister ervoor zorgen dat alle overheden in ons land op het gebied van e-government gaan samenwerken? Welke bijkomende initiatieven overweegt hij in dat kader? Kan de minister meedelen welke de geconsolideerde financieringsbehoefte voor het e-government-project in België is? Kan de minister, gelet op het tekort aan informatici op de arbeidsmarkt, een raming geven van de kost van de aanwerving van gespecialiseerde informatici tegen marktprijs voor het e-government-project? Hoe staat het met de financiering van bepaalde projecten, zoals de constructie van de front office, via publiek-private samenwerking en rentewinsten van de UMTS-opbrengsten, waarvan sprake was in de regeringsverklaring van 17 oktober 2000?

Een goed uitgebouwde ICT-infrastructuur is een noodzakelijke voorwaarde voor de uitbouw van een elektronische overheid. Welke initiatieven zal de regering nemen om de ICT-uitgaven in ons land, nu 5,6% van het BBP, te brengen op het gemiddelde voor de Europese Unie, namelijk 6% van het BBP?

Gaat de regering nog bijkomende fiscale stimuli invoeren zodat PC's nog beter beschikbaar zijn in brede lagen van de bevolking? Kan er eventueel een samenwerking komen met gemeenten en provincies om tot massale beschikbaarheid van PC's te komen, bijvoorbeeld in bibliotheken?

Op de webstek stelt de minister volgende maatregelen voor het project e-veiligheid in het vooruitzicht: de invoering in januari van de in december goedgekeurde wet inzake computermisdrijven, de realisatie van de wettelijkheid van elektronische handtekeningen en de bescherming tegen virussen via een virusmeldingplatform. Acht de minister deze maatregelen voldoende? Welke concrete initiatieven neemt de Belgische regering nog om het vertrouwen van het publiek in de veiligheid van een elektronische overheid in België verder te versterken? Heeft de minister in het kader van het Europees voorzitterschap initiatieven genomen inzake e-government, zoals op de webstek van de minister wordt gesuggereerd?

De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand. - Ik heb collega Van den Bossche gevraagd een schriftelijk antwoord op een deel van de vragen te geven. Het e-government-project van de regering wordt immers gedragen door collega Van den Bossche en mezelf. De back office en de middleware berusten bij mijn collega, terwijl de front office bij mij berust. Uiteraard gebeurt dit in overleg. Aanbestedingen en marktvragen worden vaak gecentraliseerd door collega Van den Bossche. Op die manier wordt er in de markt geen onduidelijkheid gecreëerd. Ik verwijs voor die aspecten dan ook naar de antwoorden van mijn collega.

Ik wil eerst de strategie inzake e-government belichten. Dat is immers heel wat meer dan een portaalsite. Het betreft de transformatie van de relatie tussen de burger en de ondernemingen, enerzijds, en de publieke overheden, anderzijds. Het betreft een procesverandering. Met de mogelijkheden die ons worden geboden door de nieuwe ICT-middelen moet dat vorm krijgen. Aan de ene kant is er de dienstverlening van de publieke overheid die moet worden verbeterd, en aan de andere kant is er een grotere deelname van burgers en ondernemingen in een efficiënter platform. Dat is wat e-government voor ons betekent.

Er zijn natuurlijk specifieke beperkingen. e-government kan niet tot gevolg hebben dat er verdoken transfers van bevoegdheden plaatsvinden tussen administraties. Eén ingangspunt zou natuurlijk ideaal zijn. Het interesseert de burger of de ondernemingswereld niet wie precies de administratieve zaken afhandelt. Wie bij een bepaald bedrijf iets koopt, vraagt zich ook niet af welke afdeling van het bedrijf wat doet.

We moeten echter wel oog hebben voor de gebruiksvriendelijkheid van het project. De vertrouwelijkheid van de gegevens zal natuurlijk van belang zijn. We moeten ook opletten dat we geen digitale kloof tot stand brengen tussen wie wel en wie niet mee kan doen. Het is trouwens mijn bedoeling om aan het I-line-project, waar nu al veel scholen op aangesloten zijn, ook een zelfstandigenluik te verbinden. Dat zou heel de ondernemingswereld omvatten. We zouden dan kunnen uitgaan van het concept dat er geen uitzonderingen zijn. Eén van de grote problemen bij het standaardiseren van operaties zijn juist de uitzonderingen. Dan ontstaan er immers twee systemen, met alle moeilijkheden van dien. We moeten komen tot een systeem waarbij vanaf een bepaald ogenblik sommige gegevens enkel nog via het internet aan de overheid kunnen worden meegedeeld.

Het plan voor een publiek-private financiering van de front office werd verlaten omdat het onmogelijke administratieve problemen zou veroorzaken.

De opbrengsten van de UMTS-veiling zijn in het algemene budget gestort en via de normale begrotingswerkzaamheden verdeeld over de verschillende projecten. Concreet betekent dit dat we over een structureel budget van 1,2 miljard per jaar beschikken voor e-government. De federale ICT-dienst FEDICT ontvangt een belangrijk budget om te kunnen functioneren en om strategische en horizontale projecten te kunnen financieren die toegewezen kunnen worden aan een overheidsdienst. Het grootste deel moet evenwel gefinancierd worden uit de bestaande informaticabudgetten. Het zou absurd zijn mocht e-government tot een explosie van de budgetten leiden, terwijl de informatisering in de privé-sector een kostenbesparend effect heeft.

De regering neemt de nodige initiatieven om de infrastructuur, die een van de assen is van het vijfsterrenplan, verder te optimaliseren. Een tijd geleden werd ik nog bekritiseerd voor het tegenvallen van de UMTS-veiling, maar we stellen toch vast dat onze telecomsector niet stuk is, dat voor Belgacom, Mobistar en KPN Mobile geen Sabena-scenario geldt. De wijze van toekenning van de UMTS-licenties heeft een gunstig effect geressorteerd: een lagere licentieprijs, een snellere ontplooiing en gezondere bedrijven. België is één van de weinige landen waar de lokale lus effectief ontbundeld is. Het probleem in België is niet dat we een gebrek aan structuur of debiet hebben, maar een gebrek aan inhoud. Wat voor nut hebben vijf glasvezelkabels als de gebruiker er maar één nodig heeft?

België heeft de grootste penetratiegraad van breedband in de hele wereld. Ook het stijgingspercentage is het hoogste ter wereld. Enerzijds hebben we ADSL met Belgacom en andere operatoren die via de ontbundeling van de lokale lussen op de markt kunnen spelen. Anderzijds hebben we in Vlaanderen Telenet. Vlaanderen en Brussel, en in mindere mate Wallonië, waar Telenet niet aanwezig is, worden een echt breedbandlaboratorium. Het percentage breedband-aansluitingen bedraagt 12%. Internet ontwikkelt zich pas als de snelheid voor de gebruiker zeer hoog is. Wie met een gewone telefoonlijn surft en heel lang moet wachten, maakt minder gebruik van internet.

Bij de begrotingsbesprekingen hebben we ook afgesproken het pc-privé-project te starten. Als een bedrijf aan zijn werknemers in een package deal pc's met een breedband-internetaansluiting aanbiedt, wordt dit niet langer als een voordeel in natura beschouwd. Eenmaal de rondzendbrief van Financiën klaar is, zullen projecten met tienduizenden pc's mogelijk zijn. Ik verwijs naar het bestaande i-line, waarbij nu wordt gewerkt aan een i-line+ en een i-line-Z voor zelfstandigen.

Ook op het vlak van e-security hebben we in België reeds heel wat gerealiseerd. Zo hebben we eindelijk een wet op de computercriminaliteit, een concept dat we hebben overgeërfd van vorige regeringen, maar dat we eindelijk hebben gerealiseerd. Die wet heeft reeds effecten gesorteerd: Red Attack heeft gevoeld dat hacken niet meer straffeloos kan. De vrijbuiters van de internet-wereld hebben begrepen dat ze in België moeilijkheden kunnen krijgen. Ook hebben we het meest performante virus-alarmsysteem ter wereld. We zijn in staat binnen twee uur een verwittiging en een verwijzing naar een tegengif af te kondigen. We hebben trouwens een akkoord gesloten met Singapore: dankzij het tijdsverschil zijn we voor de werkdag in België begint op de hoogte van eventuele problemen die daar overdag zijn gerezen. Op de Europese Raad Telecommunicatie van vorige maandag, waarop een doorbraak werd bereikt over de liberalisering van de post, heb ik een voorstel gedaan om het concept van elektronische veiligheid te realiseren. Hierop werd positief gereageerd.

Natuurlijk heb ik binnen het kader van het Europees Voorzitterschap initiatieven genomen. We trachten echter niet in de fouten van het verleden te hervallen, maar te harmoniseren. Vroeger werd beslist om een agentschap op te richten en vooraleer dit goed en wel in werking trad, was de problematiek verouderd. De vijftien entiteiten die zich met elektronische veiligheid bezighouden moeten op een ordentelijke, fatsoenlijke en doeltreffende wijze samenwerken. We hebben een nieuw concept geïntroduceerd: we zijn afgestapt van het idee dat harmoniseren gelijk staat met centraliseren. We volgen de markt en richten zelf een netwerk op waarbij de een niet meer macht heeft dan de ander.

In het antwoord dat ik heb voorbereid, zijn nog detailaspecten opgenomen waarover ik het hier niet zal hebben. Ik zal ze aan de diensten bezorgen, zodat ze in het verslag kunnen worden opgenomen, samen met het schriftelijk antwoord van collega Van den Bossche.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Ik dank de minister evenals zijn collega Van den Bossche voor het omstandig antwoord. Niettemin heb ik nog enkele opmerkingen.

Ten eerste, in zijn regeringsverklaring heeft premier Verhofstadt gezegd dat het e-government-platform operationeel zal zijn op 1 januari 2002, maar ik vermoed dat hij 1 januari 2003 bedoelde.

Ten tweede, volgens minister Van den Bossche kunnen de gemeenten zich aansluiten bij het samenwerkingsakkoord en kunnen ze worden opgenomen in de nationale commissie. Dat antwoord voldoet mij echter niet. Meer begeleiding van de gemeenten lijkt mij echt noodzakelijk. Elke gemeente moet niet zelf het warm water uitvinden. Meer actieve betrokkenheid en coaching van de gemeenten is dus noodzakelijk.

Ten derde is één centrale portaalsite zeker nodig, waar alle overheden mee verbonden zijn. De minister sprak over de ondernemingen. Welnu zij weten meestal niet bij welke dienst zij voor een bepaald probleem terecht kunnen; en dus worden zij best naar één site verwezen waar ze zelf elektronisch kunnen doorverwezen worden naar de juiste overheid.

Ten vierde, het rapport van het Planbureau bevestigt de grote nood aan informatie en voorlichting. Er moet dus nog een grote inspanning gebeuren. De infrastructuur is er al, maar het aantal pc's en internetaansluitingen is in België nog steeds lager dan in de andere EU-landen.

Als duidelijk wordt dat het e-government er sterk op vooruitgaat, zal er meer respons komen. Ik vertrouw erop dat de nieuwe website van Fedict model zal staan. Alleszins zal ik deze aangelegenheid verder opvolgen om er te gelegener tijd opmerkingen over te maken.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Olivier de Clippele aan de minister toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, belast met Landbouw, over «de bepaling van de pachtprijzen voor landbouwgronden en hoevegebouwen» (nr. 2-565)

De voorzitter. - De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand, antwoordt namens mevrouw Neyts-Uyttebroeck, minister toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, belast met Landbouw.

De heer Olivier de Clippele (PRL-FDF-MCC). - Minister Neyts is verantwoordelijk voor de samenstelling van de pachtprijzencommissies. Die komen volgende week samen om de pachtprijzen voor in pacht gegeven landbouwgronden vast te leggen voor de drie jaar die volgen op de bekendmaking van de pachtprijzen in het Belgisch Staatsblad. Deze pachtprijzen moeten volgens de wet de gemiddelde rendabiliteit van de landbouwbedrijven volgen.

Ik heb drie bedenkingen. Ik zou willen weten hoe de minister de vertegenwoordigers van de pachters en de grondeigenaars in de commissies heeft aangewezen. Dit gebeurt altijd op het laatste ogenblik. Vooral de grondeigenaars maken geen deel uit van een vereniging die bedreven is in dit soort van onderhandelingen. De grondeigenaars, die elkaar zelfs niet kennen, maken pas op het laatste ogenblik kennis met de ambtenaar van het ministerie van Landbouw om over de pachtprijzen te onderhandelen.

Werden ze ruim op tijd ingelicht en welke informatie hebben ze gekregen? Ik meen dat de informatie niet correct was omdat de evolutie van de pachtprijzen sterk verschilt van die van de verkoopprijzen voor vrije landbouwgronden. De prijzen komen ook niet overeen met wat aan de commissieleden werd meegedeeld. Het is niet normaal dat bijvoorbeeld in Haspengouw de verkoopprijs van vrije landbouwgronden de afgelopen jaren met 60 tot 80% is gestegen, terwijl de pachtprijzen in dezelfde periode slechts 5 tot 6% stegen. Dit is economisch niet gerechtvaardigd. Wat vindt de minister hiervan?

Ten tweede heb ik bedenkingen bij de rendabiliteit van de landbouwbedrijven. Wat gebeurt er in een systeem waarin de pachtprijzen worden geblokkeerd? In de eerste plaats is er een forse stijging van de verkoopprijs van landbouwgronden aangezien dat de enige beschikbare gronden zijn voor bedrijven die willen uitbreiden of jonge ondernemers die willen starten. Vervolgens zal, wie een grond van een verpachter wil overnemen, een toegangsrecht tot de pacht betalen. Eergisteren nog heb ik iemand gesproken die zo 250.000 frank per hectare heeft betaald. Als men weet dat de pachtprijs voor die gronden 8.000 frank per hectare bedroeg, beseft men dat de geblokkeerde pachtprijzen niet met de economische realiteit overeenstemmen. Hierdoor moeten landbouwers op een of andere manier geld bijeen zien te krijgen en bovendien moeten ze zich in de schulden steken door vrije landbouwgronden te kopen tegen zeer hoge prijzen.

Een derde probleem is de fiscaliteit. De inkomsten worden door vier overheden belast: de gewesten, de gemeenten, de provincies en de federale staat. De heffing stijgt voortdurend. De kadastrale inkomens zijn geïndexeerd, maar we weten dat de gemeenten, en ook de provincies, de aanvullende belasting op de onroerende voorheffing verhogen.

De eigenaar wordt in een keurslijf gedwongen; enerzijds is er de door de wet beperkte pachtprijs, anderzijds de steeds toenemende fiscale druk. Bovendien kunnen eigenaars van onroerende goederen hun gronden niet bij handgiften afstaan en moeten ze successierechten betalen die, zeker als de verkoopprijzen stijgen, zeer hoog zijn. Ze bevinden zich in een vicieuze cirkel, net als de jonge boer of de landbouwer die wil uitbreiden.

Is het niet mogelijk om de pachtprijzencommissies in de toekomst niet per provincie, maar per gewest te organiseren? Hierdoor zou een beter evenwicht ontstaan tussen de grondeigenaars en de pachters van landbouwgronden.

De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand. - De samenstelling van de pachtprijzencommissies wordt geregeld door de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen, die meerdere keren is gewijzigd.

De wet bepaalt dat de commissies paritair zijn samengesteld uit drie grondeigenaars en drie pachters en dat Landbouw instaat voor het voorzitterschap en het secretariaat.

De drie leden-grondeigenaars worden bij koninklijk besluit benoemd uit een lijst van zes kandidaten die door de Koninklijke Federatie van Belgische Notarissen worden voorgedragen. De drie leden-pachters worden bij koninklijk besluit benoemd uit een lijst van zes kandidaten die door de provinciale landbouwkamers worden voorgedragen.

De diensten van Landbouw en Middenstand hebben de beroepsverenigingen van landbouwers en de verenigingen van eigenaars geïnformeerd over de voorbereidingen van de werkzaamheden van de pachtprijzencommissies. De verenigingen van eigenaars en vertegenwoordigers van eigenaars werden uitgenodigd voor een informatievergadering op 28 september 2001. De commissies zullen tussen 22 oktober en 27 november van dit jaar samenkomen. Alle leden van de pachtprijzencommissies en hun plaatsvervangers hebben, ter voorbereiding van de werkzaamheden van elke commissie, begin oktober een nota en een dossier ontvangen.

Alle koninklijke besluiten aangaande de samenstelling van de provinciale pachtprijzencommissies werden tussen 5 september en 1 oktober 2001 afgekondigd en vanaf 4 oktober gepubliceerd. De vertegenwoordigers van de pachters en de grondeigenaars werden begin oktober door het departement schriftelijk op de hoogte gebracht.

Het is wenselijk de pachtprijzencommissies per provincie te blijven organiseren. De leden kennen de rendabiliteit van de bedrijven in de landbouwstreken van hun provincie. Mochten de commissies per gewest worden samengesteld, dan zouden daarin vertegenwoordigers zitten uit zeer verschillende landbouwstreken, die soms ver van elkaar liggen.

Wat de rendabiliteit van de landbouwgronden betreft, heeft de wetgever voor de bepaling van de pachtprijzen geen handelswaarde vastgelegd. Er werd dan ook geen studie besteld over de evolutie van de verkoopprijzen van landbouwgronden en de invloed ervan op de rendabiliteit van de bedrijven.

In de studie over de evolutie van de rendabiliteit van landbouwbedrijven, die in samenwerking met het Centrum voor landbouweconomie werd uitgevoerd, werd rekening gehouden met de rendabiliteit van representatieve bedrijven en dus met steunmaatregelen en de verkoopprijs van vee.

De ervaring toont aan de neiging van eigenaars om de gronden zelf te exploiteren of te verkopen en te investeren in industriële sectoren of nieuwe technologieën, niet noodzakelijk een hoger rendement met zich meebrengt.

De wetgever heeft de fiscale druk voor de grondeigenaar niet meegerekend bij de vastlegging van de pachtprijzen. Het fiscaal regime voor de eigenaar van goederen die onder de pachtwetgeving vallen, werd reeds aanzienlijk verbeterd bij de aanpassingen van de inkomstenbelastingen.

Wat de discriminatie van hoevegebouwen betreft, is het regime van pachtprijzen voor hoevegebouwen aanzienlijk verbeterd sinds de aanpassing van de pachtwetgeving van 7 november 1998. Vóór deze wet was de pachtprijs voor een hoevegebouw beperkt tot het kadastraal inkomen, vermeerderd met twee derde. Met de nieuwe wet wordt het kadastraal inkomen vermeerderd met een coëfficiënt die om de drie jaar wordt vastgelegd door een commissie waarin de eigenaars paritair zijn vertegenwoordigd.

De minister is niet van plan nieuwe initiatieven te nemen inzake de wetgeving op de hoevepacht. In het verleden ging het initiatief meestal van het parlement uit. Mochten parlementaire initiatieven worden genomen, dan zal de minister ook vertegenwoordigers van de eigenaars horen.

Minister Neyts is bereid met de heer de Clippele samen te werken om een oplossing te vinden voor de problemen die hij heeft aangekaart.

De heer Olivier de Clippele (PRL-FDF-MCC). - Het blijft een fundamenteel probleem dat de pachtprijzencommissies niet naar behoren werken. Dit blijkt uit het feit dat grote sommen onder tafel worden betaald.

De studie heeft niet alles aan het licht gebracht en de eigenaars beschikken niet over de middelen om opdracht te geven voor een studie die de argumentatie van het ministerie van Landbouw ondergraaft. Een landbouwer-huurder die zijn grond in onderhuur geeft, doet dit meestal tegen een prijs die tweemaal de pachtprijs bedraagt. Dit geeft duidelijk aan dat de officiële pachtprijs niet overeenstemt met de prijs die andere landbouwers-huurders bereid zijn te betalen.

-Het incident is gesloten.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergaderingen vinden plaats dinsdag 23 oktober 2001 om 10 uur en om 14 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 20.00 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de heer Ramoudt, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming nr. 1

Aanwezig: 57
Voor: 9
Tegen: 41
Onthoudingen: 7

Voor

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken.

Tegen

Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille.

Onthoudingen

Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ingrid van Kessel.

Stemming nr. 2

Aanwezig: 58
Voor: 6
Tegen: 52
Onthoudingen: 0

Voor

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Tegen

Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.

Stemming nr. 3

Aanwezig: 57
Voor: 10
Tegen: 40
Onthoudingen: 7

Voor

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Jean-Marie Dedecker, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken.

Tegen

Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille.

Onthoudingen

Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ingrid van Kessel.

Stemming nr. 4

Aanwezig: 58
Voor: 6
Tegen: 49
Onthoudingen: 3

Voor

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Tegen

Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ingrid van Kessel, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille.

Onthoudingen

Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne.

Stemming nr. 5

Aanwezig: 60
Voor: 43
Tegen: 17
Onthoudingen: 0

Voor

Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille.

Tegen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Mia De Schamphelaere, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken.

Stemming nr. 6

Aanwezig: 61
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 6

Voor

Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Stemming nr. 7

Aanwezig: 61
Voor: 24
Tegen: 29
Onthoudingen: 8

Voor

Michel Barbeaux, Marcel Cheron, Georges Dallemagne, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Marc Hordies, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Jan Remans, Martine Taelman, René Thissen, Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.

Tegen

Sfia Bouarfa, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Frank Creyelman, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Marie-José Laloy, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Joris Van Hauthem, Myriam Vanlerberghe, Wim Verreycken.

Onthoudingen

Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ingrid van Kessel.

Stemming nr. 8

Aanwezig: 61
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 6

Voor

Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Stemming nr. 9

Aanwezig: 60
Voor: 60
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Paul Wille.

Stemming nr. 10

Aanwezig: 60
Voor: 60
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Paul Wille.

Stemming nr. 11

Aanwezig: 60
Voor: 60
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Paul Wille.

Stemming nr. 12

Aanwezig: 59
Voor: 53
Tegen: 0
Onthoudingen: 6

Voor

Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Stemming nr. 13

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Paul Wille.

Stemming nr. 14

Aanwezig: 60
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 6

Voor

Michel Barbeaux, Sfia Bouarfa, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Indiening van een voorstel

Het volgende voorstel werd ingediend:

Wetsvoorstel

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 328 en 331bis van het Strafwetboek met het oog op de bestraffing van daden die aanslagen veinzen tegen personen of eigendommen (van de heer Philippe Monfils; Stuk 2-925/1).

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 1322bis in het Gerechtelijk Wetboek betreffende de gedwongen tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen die maatregelen inhouden met betrekking tot de persoon van kinderen (van mevrouw Clotilde Nyssens; Stuk 2-853/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot opheffing van de beperkingen van de toegelaten beroepsactiviteit van gepensioneerden (van de heer Jan Steverlynck; Stuk 2-764/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel betreffende de instelling van sociale bankrekeningen en de onvatbaarheid voor beslag van de op die rekeningen gestorte bedragen (van de heren Philippe Mahoux en Francis Poty; Stuk 2-786/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 104 en 110 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met betrekking tot de aftrekbare bestedingen voor kinderopvang (van mevrouw Anne-Marie Lizin en mevrouw Marie Nagy; Stuk 2-847/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 383bis van het Strafwetboek en tot invoering van een artikel 272bis in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (van mevrouw Anne-Marie Lizin; Stuk 2-848/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van de gemeentekieswet en de nieuwe gemeentewet, met betrekking tot het stemrecht en de verkiesbaarheid van niet-Belgen bij gemeente- en provincieraadverkiezingen (van mevrouw Fatma Pehlivan en de heer Louis Tobback; Stuk 2-880/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Wetsvoorstel betreffende het reglementeren van het gebruik van telecommunicatiemiddelen op de werkplaats (van de heer Alain Destexhe; Stuk 2-891/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 328 en 331bis van het Strafwetboek met het oog op de bestraffing van daden die aanslagen veinzen tegen personen of eigendommen (van de heer Philippe Monfils; Stuk 2-925/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

van de heer Vincent Van Quickenborne aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over "het gevolg dat zal worden gegeven aan de aanbevelingen uit het voortgangsrapport van de Senaat inzake het regeringsbeleid met betrekking tot de immigratie" (nr. 2-573)

van de heer Vincent Van Quickenborne aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid en aan de minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen over "de bepaling van objectieve criteria inzake de representativiteit van vakorganisaties" (nr. 2-574)

van de heer Vincent Van Quickenborne aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid en aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer over "de eventuele invoering van een gegarandeerde basisdienstverlening voor bedrijven die een openbare dienst verstrekken" (nr. 2-575)

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Evocaties

De Senaat heeft bij boodschappen van 17 en 18 oktober 2001 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:

Wetsontwerp tot wijziging van verscheidene belastingwetboeken, wat de voorziening in cassatie betreft en de vertegenwoordiging van de Staat voor de hoven en rechtbanken (Stuk 2-865/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsontwerp tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van vennootschappen (Stuk 2-877/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Parlement de la Communauté française

Bij boodschap van 16 oktober 2001 heeft het "Parlement de la Communauté française" aan de Senaat laten weten dat het zich ter vergadering van die dag geconstitueerd heeft.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Beroepen

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Hoge Raad voor de Justitie

Bij brief van 10 oktober 2001, heeft de Hoge Raad voor de Justitie, overeenkomstig de artikelen 259bis-10, §3 en 259bis-15, §7 van het Gerechtelijk Wetboek, aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag 2000 van de Hoge Raad voor de Justitie, het jaarverslag 2000 van de Verenigde Benoemings- en Aanwijzingscommissie en het jaarverslag 2000 over de behandeling van klachten, goedgekeurd tijdens de algemene vergaderingen van 27 juni en 3 oktober 2001.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Vaste Commissie voor taaltoezicht

Bij brief van 28 september 2001, heeft de minister van Binnenlandse Zaken, overeenkomstig artikel 62 van de door het koninklijk besluit van 18 juli 1966 samengeordende wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag van de Vaste Commissie voor taaltoezicht voor het jaar 2000.

-Neergelegd ter Griffie.

Europees Parlement

Bij brieven van 2 oktober 2001 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:

aangenomen tijdens de vergaderperiode van 19 tot 20 september 2001.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging en naar het Federaal Adviescomité voor Europese Aangelegenheden.