2-59

2-59

Belgische Senaat

2-59

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 29 JUNI 2000 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Samenstelling van de commissies en afvaardigingen

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 73 van de nieuwe gemeentewet (van mevrouw Jeannine Leduc c.s., Stuk 2-119)

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 73 van de nieuwe gemeentewet, betreffende het verbod voor bloed- en aanverwanten om in dezelfde gemeenteraad zitting te nemen (van de heer Patrik Vankrunkelsven, Stuk 2-168)

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 73 van de nieuwe gemeentewet (van de heer Chokri Mahassine, Stuk 2-205)

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 24 van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging (van mevrouw Jeannine Leduc c.s., Stuk 2-258)

Wetsontwerp tot wijziging, wat de door de werkgevers verschuldigde bijdrage voor werkloosheid wegens economische oorzaken betreft, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers (Stuk 2-452) (Evocatieprocedure)

Belangenconflict tussen het Vlaams Parlement en de Kamer van volksvertegenwoordigers over het wetsontwerp tot wijziging van het bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 2-442)

Regeling van de werkzaamheden

Stemmingen

Vraag om uitleg van mevrouw Marie Nagy aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer over «het plan om de lijn 124 op 3 of 4 sporen te brengen in het kader van de ontwikkeling van het gewestelijk expresnet» (nr. 2-173)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de tewerkstelling van vrouwen bij de brandweer» (nr. 2-165)

Vraag om uitleg van de heer Frans Lozie aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de regeling voor de veiligheidscontracten vanaf 2001» (nr. 2-159)

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de verwijderingen van de Roma-zigeuners» (nr. 2-168)

Vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de resolutie van de IAO over de dwangarbeid in Birma (Myanmar)» (nr. 2-171)

Vraag om uitleg van de heer Johan Malcorps aan de eerste minister over «de uitvoering door België van de in het Kyoto-protocol aangegane verbintenissen» (nr. 2-169)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Samenstelling van de commissies en afvaardigingen

De voorzitter. - Bij de Senaat is een voorstel ingediend om in de afvaardiging bij de Parlementaire Assemblee van de Organisatie voor de veiligheid en de samenwerking in Europa de heer Jean-Luc Dehaene te vervangen door de heer Luc Van den Brande als effectief lid. (Instemming)

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Michiel Maertens aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «zijn voorziene bezoek aan Israël en de Palestijnse gebieden» (nr. 2-307)

De voorzitter. - De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Door een administratief foutje is de oude tekst van mijn vraag, die dateert van enkele weken geleden, op de administratie toegekomen. De reis waarvan sprake is ondertussen afgelast. De problematiek blijft echter dezelfde. Sinds 52 jaar leven vijf miljoen Palestijnse vluchtelingen in verschillende kampen ver weg van hun eigen huizen. Al 110 keer werd VN-resolutie 194/III met eenparigheid van stemmen, op Israël na, door de VN goedgekeurd. Naar aanleiding van dat afgelaste bezoek aan Israël en de Palestijnse gebieden, lijkt het ons aangewezen om de aandacht van de minister te vragen voor dit probleem waarvoor een manifeste Israëlische onwil bestaat om het op te lossen. Dit is nochtans een van de basiselementen om te komen tot een duurzame vrede in de regio.

In september aanstaande zal over de Palestijnse situatie de allerlaatste internationale verklaring worden afgelegd, waardoor de problematiek definitief zou moeten opgelost zijn. Alles wijst er nochtans op dat, net zoals in de Oslo-akkoorden, het lot van de vluchtelingen weer niet aan de orde zal komen, omdat Israël daartoe nog steeds niet bereid is. Daarom kan er geen sprake zijn van een duurzaam vredesakkoord in het Midden-Oosten, en zal de nu groeiende spanning weer verder oplopen. De VN-resolutie 194/III stipuleert nochtans uitdrukkelijk dat de Palestijnse vluchtelingen recht hebben op terugkeer en op volledige bescherming en bijstand, zoals alle vluchtelingen waar ook ter wereld. Dit is de enige, maar dan ook enige voorwaarde om tot een duurzame vrede in het Midden-Oosten te komen. Wij wensen daarover eerstdaags ook een resolutie neer te leggen in de Senaat, en daartoe de spoedbehandeling te vragen in het licht van de afgelaste reis en de verklaring van september.

Graag vernam ik van de minister welke stappen de Belgische regering zal ondernemen om de toepassing van de resolutie 194/III onder de aandacht te brengen op Europees en op internationaal vlak. Welke concrete voorstellen zal de minister doen en, als hij dat niet doet, welke zijn daarvoor dan de concrete redenen?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Een fatsoenlijke oplossing van het probleem van de Palestijnse vluchtelingen is van kapitaal belang voor een duurzame vrede in het Midden-Oosten. Het is evenwel een uiterst complexe en emotioneel geladen kwestie. Ze heeft ook een regionale dimensie, aangezien vele Palestijnse vluchtelingen een toevluchtsoord hebben gevonden in Jordanië, Libanon, Syrië en in Cisjordanië en Gaza.

Sedert 1948 werd inderdaad een indrukwekkend aantal VN-resoluties aangenomen die direct of indirect verband houden met de situatie van deze vluchtelingen, waaronder resolutie 242. Resolutie 194/III van de algemene vergadering van de Verenigde Naties van 11 december 1948 stelde het recht van de Palestijnen vast om terug te keren. Zij bevestigt in artikel 11 dat de vluchtelingen die naar hun huizen willen terugkeren en in vrede leven met hun buren daartoe zo snel mogelijk de toelating zouden moeten krijgen. Wie niet wenst terug te keren, moet een vergoeding krijgen voor zijn eigendommen alsook voor de geleden verliezen en de schade aan de eigendommen die overeenkomstig de beginselen van het internationaal recht moeten worden vergoed.

De Conferentie van Madrid, die eind 1991 het vredesproces opstartte, besliste dat één van de vijf werkgroepen van het multilaterale luik van de vredesonderhandelingen zich zou bezighouden met de kwestie van de Palestijnse vluchtelingen. Die werkgroep heeft weliswaar nuttig werk verricht, maar heeft geen vooruitgang kunnen boeken met betrekking tot de meest politieke vragen. In de akkoorden van Oslo wordt de oplossing van dit complexe probleem doorverwezen naar de zogenaamde `finale' onderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen over het statuut van de Palestijnen. In die onderhandelingen werd evenwel een enorme vertraging opgelopen. Er is nog niet voldoende eensgezindheid bereikt om de krachtlijnen vast te leggen in een raamakkoord, dat dan tegen 13 september 2000 deel zou uitmaken van een definitief globaal akkoord.

Voor de toepassing van een definitieve regeling voor de Palestijnse vluchtelingen is de actieve betrokkenheid nodig van de internationale gemeenschap. Zij draagt immers een morele verantwoordelijkheid bij de oplossing van één van de meest tragische vluchtelingenproblemen sedert het einde van de Tweede Wereldoorlog. Hoezeer de Europese Unie of België ook gehecht zijn aan de beginselen van internationaal recht, de betrokken partijen en volkeren zullen blijk moeten geven van realisme en politiek pragmatisme, zonder daarbij evenwel de internationale rechtsregels met voeten te treden. Ingevolge de aanbevelingen van de Europese Raad van Luxemburg van december 1997 richtte de Europese Unie een informele werkgroep op die aan de partijen suggesties voor oplossingen moest aanreiken. België werkt daar actief aan mee, doch dit blijft zeer moeilijk zolang de partijen zelf nog niet hebben afgesproken binnen welke kader naar oplossingen voor dit probleem kan worden gezocht. Het bestuderen van ogenschijnlijk technische factoren kan door de partijen immers als een poging tot inmenging in de rechtstreekse onderhandelingen aangevoeld worden.

Mijn collega van Buitenlandse Zaken herinnert eraan dat België jaarlijks een vrijwillige bijdrage overmaakt aan de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA). Voor het jaar 2000 bedraagt ze 24 miljoen Belgische frank.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Als reactie op het antwoord van de minister veroorloof ik mij de woorden van Shakespeare te gebruiken : "Words, words, words".

Het gaat hier niet alleen om het Belgische standpunt, maar om het standpunt van de hele wereldgemeenschap en zeker om dat van de Europese Unie. Er wordt niet naar een echte oplossing gezocht. Men noemt dit pragmatisme. De Palestijnen interpreteren dit als is er voor hen geen thuiskomst mogelijk.

Er kan voor het Midden-Oosten geen definitieve oplossing worden gevonden zolang het probleem van de Palestijnen niet is opgelost.

De Verenigde Naties vergoeden in Zimbabwe de blanke boeren die van hun erf worden verjaagd, maar miljoenen Palestijnen verkeren in dezelfde situatie en blijven in de kou staan. Er wordt dus wel degelijk met twee maten en twee gewichten gewerkt. De Belgische regering moet duidelijk maken dat dit niet kan. Eerlijkheid en niets anders, is de basis van vrede.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik zal uw boodschap overbrengen.

Mondelinge vraag van mevrouw Gerda Staveaux-Van Steenberge aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Justitie over «de drugsprimeur in Charleroi» (nr. 2-296)

De voorzitter. - De heer Jaak Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand, antwoordt namens de heer Marc Verwilghen, minister van Justitie.

Mevrouw Gerda Staveaux-Van Steenberge (VL. BLOK). - Reeds op 25 november 1999 stelde ik een schriftelijke vraag over het drugsbeleid van de regering. De kritiek van Romani Prodi en de Franse president Chirac op het lakse Nederlandse drugsmodel was daaraan niet vreemd. Tot op heden mocht ik nog geen antwoord ontvangen, hoewel de regering een studie had beloofd over de resultaten van de drugscirculaire die CVP-minister De Clerck tijdens de vorige legislatuur rondstuurde.

Recent kwam kritiek van de vice-secretaris-generaal van de VN, Pino Arlacchi, op het uit de strafrechtelijke sfeer halen van softdrugs. Op vraag van collega Bert Schoofs in de Kamer antwoordde de minister van Justitie dat één dag na het bezoek van Pino Arlacchi nog geen conclusies konden worden getrokken. "Snel en efficiënt" - zoals premier Verhofstadt het regeringsbeleid omschreef - is anders.

Intussen titelde De Morgen op 16 juni: "Allen naar de blow-in van Charleroi". De substituut-procureur des Konings, de heer Marlière, had immers verklaard dat men zeer tolerant zou staan tegenover het gebruik van softdrugs. Een strenge aanpak van supporters die joints roken, zou geweld uitlokken. Voorwaar, een primeur voor België.

Het spreekt voor zich dat er nu eindelijk eens duidelijkheid moet worden geschapen.

Worden de uitlatingen van substituut Marlière gedekt door de minister? Op basis van welke circulaire treedt de substituut op? Wat zijn de resultaten van de studie van de circulaire die de gewezen minister van Justitie rondstuurde over het drugsgebruik? Volgt de Belgische regering het standpunt van onder meer de Italiaanse en Franse regering, maar ook van Pino Arlacchi, om druggebruik in de strafrechtelijke sfeer te houden en om het gedoogbeleid in Nederland te veroordelen? Zo ja, hoe valt dit te rijmen met het optreden van het parket in Charleroi?

De heer Jaak Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand. - In het kader van Euro 2000 is de actie van de politiediensten en de rijkswacht vanzelfsprekend prioritair gericht op de ordehandhaving en de bescherming van de personen en de goederen van de toeschouwers en de inwoners van de steden waar het tornooi wordt georganiseerd. In dat verband moeten de verklaringen van substituut Marlière van het parket van Charleroi worden begrepen. Deze laatste heeft niet verklaard dat men zeer tolerant zou staan tegenover het gebruik van softdrugs, maar dat tegenover enkele supporters bij wie werd vastgesteld dat ze drugs gebruikten, geen proces-verbaal is opgesteld, rekening houdend met de bovenvermelde imperatieven van het vrijwaren van de openbare orde en van het beschermen van personen en goederen. Deze houding strookt volledig met de omzendbrief van 8 mei 1998 van de toenmalige minister van Justitie die bepaalt dat een repressieve aanpak van de gewone gebruiker van softdrugs geen prioriteit uitmaakt en dit overeenkomstig de conclusies van de parlementaire werkgroep inzake drugs van 1997. In die conclusies wordt gesteld dat een repressieve tussenkomst tegenover de gewone druggebruiker pas als ultimum remedium geldt. De verklaringen van substituut Marlière zijn dus in overeenstemming met de omzendbrief van mijn voorganger en met de conclusies van de parlementaire werkgroep inzake drugs van 1997. De dienst strafrechtelijk beleid heeft op 23 november 1999 zijn conclusies neergelegd inzake de studie van de omzendbrief die werd gevraagd door mijn voorganger. Deze studie wil een kwalitatieve en geen kwantitatieve studie zijn van de impact van de omzendbrief van 8 mei 1998, maakt momenteel het voorwerp uit van een evaluatie door de parketten en de parketten-generaal. Twee evaluatievergaderingen werden daartoe reeds georganiseerd, meer bepaald met het oog op het aanpassen van de omzendbrief van 1998, een suggestie die in aanmerking werd genomen in de studie van de dienst voor Strafrechtelijk Beleid. De professoren De Ruyver en Casselman hebben in januari een studie die ik had besteld over de stand van zaken inzake de drugsproblematiek in ons land, aangeboden. De regering heeft op de ministerraad van 27 januari 2000 beslist een werkgroep op te richten om deze problematiek in zijn geheel te onderzoeken. Volgens het federaal veiligheids- en detentieplan moet de werkgroep in november een ontwerp van beleidsnota op federaal niveau afleveren aangaande de volgende punten: een evaluatie van de huidige toestand; een stand van zaken in de ons omringende landen, meer bepaald in Frankrijk en Nederland, en aanbevelingen terzake.

Deze werkgroep vergadert geregeld. Mijn kabinet neemt deel aan de vergaderingen die worden voorgezeten door de minister van Volksgezondheid, mevrouw Magda Aelvoet.

Het is bijgevolg voorbarig om nu al mee te delen welk beleid de Belgische regering terzake denkt te voeren.

Mevrouw Gerda Staveaux-Van Steenberge (VL. BLOK). - Ik dank de minister voor zijn uitgebreid antwoord.

De E.U. verzet zich ten zeerste tegen het gebruik en tegen de legalisering van softdrugs. De minister heeft daar niets van gezegd. Ik kan daarover misschien nog een bijkomende vraag stellen aan de minster voor Justitie.

Mondelinge vraag van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Justitie over «de ontvoeringen van kinderen door één van de ouders» (nr. 2-298)

De voorzitter. - De heer Jaak Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand, antwoordt namens de heer Marc Verwilghen, minister van Justitie.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Kan de minister me zeggen of internationale ontvoeringen door één van de ouders onder de bevoegdheid vallen van de algemene directie van de gerechtelijke politie, meer bepaald in het kader van de gespecialiseerde opdrachten?

Artikel 4, tertio, punt E, vermeldt dat deze afdeling bevoegd is voor "de grote criminaliteit en de georganiseerde criminaliteit tegen personen, met inbegrip van moorden, geweld en bedreiging, mensenhandel, zedenschennis, verdwijningen, ontvoeringen en gijzelnemingen".

Heeft deze bepaling ook betrekking op de ontvoering door één van de ouders, in de zin van artikel 360bis van het Strafwetboek?

Mijns inziens zou dat het geval moeten zijn, zowel in het belang van de ontvoerde kinderen als van de benadeelde ouders.

De heer Jaak Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand. - Ik lees het antwoord voor van minister Verwilghen.

"Ik stel vast dat deze mondelinge vraag ook gericht is aan mijn collega van Binnenlandse Zaken. Na overleg tussen de kabinetten, kan ik u meedelen dat de internationale ontvoeringen door één van beide ouders onder de toepassing vallen van artikel 9, derde alinea, E, van het koninklijk besluit dat betrekking heeft op het commisariaat-generaal en de algemene directies van de federale politie.

Dit koninklijk besluit ligt op dit ogenblik voor advies bij de Raad van State.

De opdrachten in dit KB werden al grotendeels vastgesteld in artikel 102 van de wet op de geïntegreerde politiediensten en hebben betrekking op de strijd tegen fenomenen die een gespecialiseerde en omvattende benadering vergen."

Mondelinge vraag van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Justitie over «de toepassing van de nieuwe bepalingen betreffende het Wetboek van de Belgische nationaliteit» (nr. 2-308)

De voorzitter. - De heer Jaak Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand, antwoordt namens de heer Marc Verwilghen, minister van Justitie.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Tijdens de vergadering van de gemeenteraad van Schaarbeek, mijn gemeente, was ik even uit mijn lood geslagen toen van de ambtenaar van de burgerlijke stand meedeelde dat geen enkele van de aanvragen tot het bekomen van de Belgische nationaliteit, die werden ingediend op basis van de nieuwe wet, binnen de voorziene termijn zal kunnen worden afgehandeld. Dit is nochtans nodig om op 8 oktober eerstkomend te kunnen gaan stemmen. Heel wat aanvragen waren precies om die reden ingediend en de huidige regering heeft de naturalisatieprocedure versoepeld, liever dan stemrecht toe te kennen aan vreemdelingen.

Volgens de schepen bevoegd voor de burgerlijke stand zijn er drie redenen voor de achterstand.

Het is voor veel aanvragers onmogelijk in hun land van herkomst een geboortebewijs te bekomen. Indien de wet op dat punt soepeler zou zijn, zouden zij gelijkwaardige documenten kunnen voorleggen. Niet alle gemeentebesturen volgen daarin hetzelfde beleid. In Schaarbeek aanvaardt men bijvoorbeeld zeer moeilijk gelijkwaardige documenten die door de ambassades in België worden uitgereikt.

Heeft de minister van Justitie of van Binnenlandse Zaken de gemeenten erop gewezen dat de geboorteakte volgens de nieuwe wet door een gelijkwaardig document mag worden vervangen?

Voor personen die in verschillende gemeenten gewoond hebben, is het een ware kruistocht om al de verblijfsvergunningen op te halen. Kan de gemeente waarin de betrokkene laatst heeft gewoond het Rijksregister niet raadplegen en een lijst laten opstellen met alle vorige verblijfplaatsen? Volgens de schepen voor de burgerlijke stand van mijn gemeente moet de betrokkene zich wenden tot alle gemeenten waarin hij heeft gewoond. Ik begrijp dat niet. Ik wil dus weten of deze personen aan hun gemeente kunnen vragen om het Rijksregister in te kijken en een verblijfsbewijs uit te reiken waarop alle opeenvolgende woonplaatsen vermeld staan sinds hun aankomst in België.

De derde reden die wordt aangevoerd, is dat de parketten, vooral in Brussel, talmen bij het overmaken van de bij wet opgelegde ontvangstmelding. Ik verneem dat er voor 900 van de 1100 in mijn gemeente ingediende aanvragen nog geen ontvangstmelding is binnengekomen. Nochtans schrijft de wet voor dat dit document onverwijld moet worden opgemaakt.

Ik weet dat de parketten met een personeelstekort te kampen hebben en dat de minister beloofd heeft bijkomende juristen aan te werven voor het behandelen van al die dossiers, maar ik betreur toch dat dit ontvangstbewijs niet vlugger wordt opgestuurd.

Kan de minister mij zeggen of de gemeenten instructies hebben gekregen in verband met de problemen met de geboorteakten, of een gemeente het initiatief kan nemen om het Rijksregister te raadplegen en of het niet raadzaam is het parket richtlijnen te geven om de procedure te bespoedigen.

Een aantal personen hebben een daad van burgerschap verricht door de Belgische nationaliteit aan te vragen teneinde aan de komende verkiezingen te kunnen deelnemen. Het spijt mij te moeten vaststellen dat dit onmogelijk zal zijn door de vertraging in de procedure.

De heer Jaak Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand. - Namens mijn collega van Justitie, de heer Marc Verwilghen, kan ik volgend antwoord verstrekken.

De wet van 1 maart 2000, tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de Belgische nationaliteit is op 1 mei jongstleden van kracht geworden.

Op 18 mei 2000 heb ik al geantwoord op een vraag van de heer Daif met betrekking tot het gelijkwaardig document.

Conform artikel 5 van het Wetboek van de Belgische Nationaliteit en de algemene strekking van de wet van 1 maart 2000 kan het document, dat geldig werd uitgereikt door de diplomatieke of consulaire overheden van het land van geboorte van de aanvrager, als gelijkwaardig document in het dossier worden opgenomen als de aanvrager onmogelijk een geboorteakte kan voorleggen.

De ambtenaar van de burgerlijke stand, die krachtens artikel 70 van het Burgerlijk Wetboek voortaan kan beoordelen of de aanvrager werkelijk in de onmogelijkheid verkeert om zijn geboorteakte voor te leggen, kan het door de diplomatieke of consulaire overheden uitgereikte gelijkwaardig document dan ook niet weigeren.

Voor het bewijs van de verblijfsduur in België verwijs ik naar het antwoord dat de minister van Binnenlandse Zaken op 19 juni 2000 in de Kamer heeft gegeven op de mondelinge vraag van mevrouw Genot met betrekking tot de nieuwe naturalisatieprocedure en de verblijfsvergunning. Mijn collega van Justitie is van oordeel dat het de taak is van de gemeente waar de burger is ingeschreven om alle nodige démarches te doen om van de gemeenten waar de aanvrager vroeger was ingeschreven een verblijfsattest te krijgen. Hij heeft eraan toegevoegd dat hij de gemeenten zal aanbevelen deze procedure te volgen. Ik ben het daar volkomen mee eens.

Met betrekking tot het door de parketten uit te reiken ontvangstbewijs heb ik de heer Jean-Jacques Viseur op 19 juni in de Kamer geantwoord dat de circulaire van 25 april 2000 uitdrukkelijk stelt dat de termen "onmiddellijk" en "zonder uitstel" in de artikelen 12bis, 15 en 21 van het Wetboek van de Belgische Nationaliteit uitdrukking geven aan de wil van de wetgever dat de verplichtingen die hij de ambtenaar van de burgerlijke stand en de procureur des Konings oplegt, zonder uitstel worden nagekomen.

Voor het parket van Brussel zijn de noodzakelijke bijkomende juristen aangewezen.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Ik zal de betrokken ambtenaar van de burgerlijke stand op de hoogte brengen van dit en de vorige antwoorden van de minister.

De zes juristen die voor het parket van Brussel zijn aangewezen, zijn nog niet actief bezig omdat er enige tijd verloopt tussen de aanwerving van het personeel en de effectieve tewerkstelling. De politieke beslissing is genomen, maar de juristen zijn nog aan de slag gegaan.

Mondelinge vraag van mevrouw Marie Nagy aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de maatregelen die worden genomen met het oog op de inschrijving van niet-Belgische Europeanen op de kieslijsten» (nr. 2-304)

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - De Europese onderdanen die op het Belgisch grondgebied verblijven, kunnen aan de volgende gemeenteraadsverkiezingen deelnemen.

De pers, zich baserend op cijfers van het ministerie van Binnenlandse Zaken, wijst op de geringe belangstelling voor de inschrijving en op de grote verschillen tussen de gemeenten, die waarschijnlijk te wijten zijn aan de uiteenlopende manieren waarop deze mogelijkheid wordt bekendgemaakt.

Hoe staat het op dit ogenblik met de inschrijvingen?

Hebben alle gemeenten de nodige maatregelen genomen om de kiezers de gelegenheid te geven zich tijdig te laten inschrijven, zodat België de verplichting nakomt van artikel 8, paragraaf 1, van de Europese richtlijn van 19 december 1994 over de uitoefening van het passief en actief kiesrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen?

Welke campagnes werden of worden door uw departement vóór het afsluiten van de inschrijvingsperiode gevoerd om de betrokkenen te informeren of ertoe aan te zetten aan de verkiezingen deel te nemen?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik zal voor mevrouw Nagy met genoegen het antwoord herhalen dat ik al herhaaldelijk in de Kamer gegeven heb, aangevuld met de jongste gegevens.

Volgens de Europese richtlijn van 19 december 1994 worden de Europese onderdanen die verblijven in een lidstaat waar er kiesplicht is, daar niet automatisch op de kieslijsten ingeschreven. Ze moeten hun wil tot uitoefening van hun kiesrecht uitdrukkelijk kenbaar maken.

De lidstaat moet de Europese onderdanen dus tijdig en op de gepaste wijze op de hoogte brengen van de regels voor de uitoefening van het actief en passief kiesrecht. Te dien einde is er begin maart in de pers een bericht verschenen, dat later nog eens is herhaald. Via de gemeentebesturen en politiekantoren werden informatiebrochures verspreid. Nadien werden er naar de gemeenten nog voldoende brochures gestuurd zodat ze er alle in aanmerking komende onderdanen van de Unie een konden bezorgen. Deze brochure werd vervolgens ook naar de Europese scholen gestuurd. Het aanvraagformulier staat ook op de internetsite over de verkiezingen. Ik heb in al mijn persconferenties over de organisatie van de verkiezingen de klemtoon gelegd op de inschrijving van de Europese burgers. Tot slot is er vorige week op RTL-TVi en VTM nog een televisiespot uitgezonden.

Op 24 maart waren er 5.928 inschrijvingen ; op 26 mei, 20.259 ; op 9 juni, 24.443 ; op 16 juni, 27.602 en op 26 juni, 31.552.

In de laatste weken rekent men op ongeveer 3.000 inschrijvingen per week, zodat wij tegen 31 juli nog ongeveer 18.000 nieuwe inschrijvingen mogen verwachten.

Ik wijs erop dat er in het Rijksregister nog geen enkele inschrijving is binnengekomen voor de stad Antwerpen en voor zes van de negentien Brusselse gemeenten. Misschien onderwerpen sommige gemeenten alle aanvragen aan een gezamenlijke goedkeuring door het schepencollege.

Een persoonlijke brief van de minister aan iedere betrokkene zou in het totaal 20 miljoen kosten en zou een overlapping zijn van de initiatieven die het departement aan de gemeenten heeft gevraagd.

Het aantal inschrijvingen wordt wekelijks gecontroleerd in het rijksregister en per gemeente op de vermelde websites vermeld.

De informatie is één zaak, maar de wil om deel te nemen is een andere. Er kan hier geen enkele dwang worden uitgeoefend. Als ik de cijfers bekijk, vraag ik me wel af wat het resultaat zou zijn als er in België geen kiesplicht bestond. Het gaat hier om het functioneren van onze democratie en de wil om aan het democratisch proces deel te nemen. De gemeenteraadsverkiezingen bieden al degenen die op ons grondgebied verblijven, de mogelijkheid om de organisatie van onze samenleving op lokaal vlak te beïnvloeden.

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Ik deel de mening van de minister over de deelname van de burger aan het democratisch proces via de verkiezingen.

We weten nochtans dat de situatie in iedere gemeente anders is. In sommigen gemeenten worden de Europese onderdanen door de gemeente aangeschreven, in andere gemeenten moeten ze zich zelf verplaatsen. Dat komt de deelname niet ten goede. Ook de mogelijkheid om via internet in te schrijven zal daar niet veel aan veranderen.

Televisiecampagnes op de openbare zenders zijn wellicht efficiënter dan officiële berichten in de pers. Het gaat hier om een belangrijke test voor ons land.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Wij hebben een uitzonderlijke inspanning gedaan, maar we moeten ons ook geen illusies maken over de wil van de Europese burgers om aan verkiezingen deel te nemen. Wij kunnen hen tot niets verplichten.

Indien u echter op de hoogte bent van concrete feiten of indien de gemeenten de instructies in de circulaire niet toepassen, moet u mij daarvan op de hoogte brengen. Ze hebben het recht niet om de vreemdelingen te vragen zelf naar het gemeentehuis te komen. Een eenvoudige telefonische aanvraag of een aanvraag via de post of internet is voldoende.

Mondelinge vraag van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de uitreiking van een identiteitskaart aan hoogbejaarde personen» (nr. 2-309)

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CVP). - Het koninklijk besluit van 29 juli 1985 betreffende de identiteitskaarten bepaalt dat identiteitskaarten maximum tien jaar geldig zijn.

Ook hoogbejaarde en soms bedlegerige mensen worden opgeroepen om hun identiteitskaart op het gemeentehuis te komen vernieuwen.

Moet de tienjaarlijkse vernieuwing van de identiteitskaart ook gelden voor 80-plussers? Is het niet mogelijk in een soepele regeling te voorzien voor hoogbejaarde mensen?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik zal weldra een beslissing nemen over de aanpassing van het koninklijk besluit. Boven de 75 jaar zal de identiteitskaart niet meer moeten worden vernieuwd. Vóór die leeftijd kunnen de gemeenten voor alle mogelijke hulp zorgen aan gehandicapten of personen die zich moeilijk kunnen verplaatsen.

Mondelinge vraag van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Justitie over «de verklaringen van de Britse ferry-operator P&O» (nr. 2-310)

De voorzitter. - De heer Jaak Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand, antwoordt namens de heer Marc Verwilghen, minister van Justitie.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Naar aanleiding van het overlijden van 58 personen tijdens hun overbrenging van Zeebrugge naar Dover verklaarde de minister van Justitie vorige dinsdag in de senaatscommissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administratieve Aangelegenheden dat de Britse ferry-operator P&O een verdachte zending van sigaretten en alcohol in de betrokken truck vermoedde en dat hij de Britse overheid hierover inlichtte.

Gisteren ontsloeg P&O zijn woordvoerder wegens het afleggen van onjuiste verklaringen. In een persmededeling verklaarde P&O wettelijk gezien niet verantwoordelijk te zijn voor het checken van de vrachtwagens voor ze aan boord van de ferry's worden geladen. De persmededeling luidt in dat verband: "Dat nazicht rust bij de havenautoriteiten. De dood van de Chinezen kwam aan het licht toen de Britse douane de truck doorzocht. Dit onderzoek was volledig gesteund op eigen onderzoek en procedures van die douane. Britse klanten werden nooit door P&O gealarmeerd, ook niet door hun agent in Zeebrugge. Noch de rederij, noch haar agent hadden enig vermoeden betreffende die bepaalde vrachtwagen of lading."

Er is kennelijk een tegenstelling tussen de verklaring van de minister en die van de rederij.

Kan de minister mij meedelen op basis van welke gegevens en inlichtingen hij zijn mededeling aan de commissie heeft gebaseerd? Wie heeft de Britse overheid ingelicht?

De heer Jaak Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand. - De verklaringen van de minister in de commissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administratieve Aangelegenheden zijn gebaseerd op de eerste resultaten van het onderzoek door het parket van Brugge bij P&O in Zeebrugge en op de informatie die inmiddels door de bevoegde departementen werd uitgewisseld.

Er werd duidelijk voorbehoud gemaakt voor de informatie die door de rechtshulpverzoeken en het verdere onderzoek aan het licht zal worden gebracht.

Het parket van Brugge meldde mij dat de Belgische douane noch de rijkswacht werden ingelicht door de rederij P&O, maar dat de Britse douane een controle uitvoerde op de vracht.

Anderzijds neem ik vandaag kennis van de persartikelen met betrekking tot de standpunten van P&O. Deze standpunten moeten nader worden bekeken. Dat P&O mogelijk dacht aan een smokkel van tabak en sigaretten, is slechts een denkrichting die in de senaatscommissie werd geformuleerd. Deze mogelijkheid werd geopperd op grond van de analyse van de eerste gegevens. P&O moet hierover uitsluitsel geven. Van een kennelijke tegenstelling is er dus geen sprake.

Wie de Britse overheid heeft ingelicht, zal moeten blijken uit het onderzoek. Het is mogelijk dat de Britse douane ambtshalve is opgetreden. De Britse overheid kan bezwaarlijk door de Belgische douane of rijkswacht zijn ingelicht aangezien deze diensten blijkbaar niet op de hoogte waren van het transport. Op grond van de eerste gegevens van het onderzoek zou men kunnen vermoeden dat de rederij de Britse douane heeft ingelicht. Deze werkwijze wordt blijkbaar gevolgd wanneer een chauffeur contant betaalt.

Ik herhaal dat dit nog moet worden bevestigd door de Britse douane en door de rederij.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Tien dagen na de dramatische gebeurtenissen kan nog steeds niet duidelijk worden gemaakt wat er precies in Zeebrugge is gebeurd wat de controle van de betrokken vrachtwagen betreft. In de commissie voor Binnenlandse Aangelegenheden heeft de minister van Justitie het enkel gehad over een hypothese over het vervoer van alcohol en sigaretten met overtreding van de accijnswetgeving. Men dacht dus niet aan de hypothese dat P&O de Britse overheid niet zou hebben ingelicht. Volgens de duidelijke verklaringen van de minister had P&O aan de bevoegde Britse overheden gesignaleerd dat men een vermoeden had over een verdachte lading sigaretten en alcohol. We hoorden reeds verschillende verklaringen van P&O. Ik stel vast dat er daarin ook tegenstellingen zitten. Men heeft de woordvoerder van P&O trouwens ontslagen. Het opentrekken van de paraplu gaat dus onverkort verder. We wachten de verdere verklaringen van de bevoegde ministers af om de mist over het Kanaal te verdrijven.

Mondelinge vraag van de heer Chris Vandenbroeke aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «het terugschroeven van de vervroegde pensionering van leerkrachten» (nr. 2-306)

De heer Chris Vandenbroeke (VU-ID). - Gelet op de amendering van de programmawet is deze vraag enigszins achterhaald, maar ik wil ze toch nog graag stellen.

Op korte en middellange termijn zal er heel wat veranderen op de arbeidsmarkt. Het gecombineerd effect van ontgroening, vergrijzing en vergrijzing in de vergrijzing maakt dat er steeds minder sprake zal zijn van vervroegde carrièrebeëindiging.

De vraag rijst dan ook op welke manier en tegen welk tempo voor een verlenging van de carrière geopteerd zal worden. Over de plannen dienaangaande voor de ambtenaren is er nog altijd discussie met minister Luc Vandenbossche. En er worden ook nog heel wat bezwaren geformuleerd tegen de uittreding van leerkrachten vanaf 55 jaar.

De modernisering van het lerarenambt doet de vraag rijzen naar het tempo van de carrièreafbouw overeenkomstig de specifieke eisen in dit arbeidssegment.

Hoe evalueert de minister de arbeidsgeschiktheid van oudere leerkrachten overeenkomstig de actuele en toekomstgerichte eisen? Moet geen extra aandacht uitgaan naar passende vormen van bijscholing voor oudere leerkrachten? Gelet op de exclusieve bevoegdheid terzake van de gemeenschappen vraag ik mij af of de discussie over de terbeschikkingstelling niet moet worden gevoerd met de bevoegde ministers van onderwijs.

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Senator Vandenbroecke is gezien zijn professionele werkzaamheden en publicaties goed geplaatst om het belang van de demografische uitdaging in te schatten.

We staan voor een andere samenleving waarin mensen steeds langer zullen leven en ook langer zullen studeren. Het zou paradoxaal zijn om er in de samenleving van de 21e eeuw vanuit te blijven gaan dat mensen tussen hun 25e en hun 55e levensjaar productief alles geven wat ze kunnen om dan als ze 55 zijn opgelucht uit het beroepsleven te stappen of opzij gezet te worden. We moeten een andere opvatting krijgen over levenscyclus en professionele cyclus zowel voor de privé-sector als voor de overheidssector, en dus ook voor het onderwijs.

In de programmawet worden drie maatregelen voorgesteld voor de overheidspensioenen en die gelden dus ook voor het onderwijzend personeel. Ten eerste is het de bedoeling ambtenaren die ervoor kiezen om na hun zestigste actief te blijven, aan te moedigen via een pensioencomplement. Ten tweede zal een lijst worden opgemaakt van zware beroepen in de overheidssector. Personen die deze beroepen uitoefenen, kunnen rekenen op een gunstiger tantième op het einde van hun loopbaan. Ten derde wordt gestreefd naar nieuwe uitstapmogelijkheden. Vandaag kunnen ambtenaren in de vijf jaar die hun oppensioenstelling voorafgaat, verlof opnemen. Die verlofjaren worden beschouwd als actieve dienst. Die regeling dateert uit een periode dat er een enorm overschot was aan jonge leerkrachten en is ingevoerd als een soort van tewerkstellingsmaatregel. Vandaag is de situatie helemaal anders.

De nieuwe regeling in de programmawet is er gekomen na het verplichte overleg met de representatieve vakbondsorganisaties en met instemming van de verschillende gemeenschapsregeringen. Ik was dan ook enigszins verbaasd over de commotie van de voorbije dagen, maar ik neem aan die het gevolg is van een gebrek aan doorstroming.

Op het ogenblik dat over die zaak overleg is gepleegd met de vakbondsorganisaties was de bedoeling al aanwezig om te onderhandelen over alternatieve uitstapformules die beter aan de noden van vandaag zijn aangepast. In "het protocol van niet-akkoord" met de vakbondsorganisaties is dit trouwens duidelijk gestipuleerd. Er wordt vanuit gegaan dat iedereen die in overheidsdienst werkt, en dus ook in het onderwijs, tijdens de loopbaan recht moet hebben op een tijdskrediet, ook vóór de leeftijd van 55 jaar. Dat past beter bij de hedendaagse samenleving waarin we meer te maken hebben met veranderingen, ons meer dan vroeger moeten bijscholen en ook meer onder stress staan.

Dat voorstel zal met de vakorganisaties worden besproken. Omdat ik gemerkt had dat er een communicatiestoornis was met de Vlaamse minister van Onderwijs, mevrouw Vanderpoorten, heb ik gisterenmorgen met haar een persoonlijk gesprek gehad. Ik heb daarbij vastgesteld dat we wezenlijk dezelfde opvatting hebben over die aangelegenheid. Er is dan ook een werkgroep opgericht om onze voorstellen goed op elkaar af te stemmen en de onderhandelingen die zij met de onderwijswereld zal voeren over de herwaardering van de loopbaan, goed in te passen in de pensioenhervorming die ik wil realiseren. Ik heb ook meteen gezegd, de vakorganisaties wisten dat overigens al, dat ik bereid ben om verdere reglementaire schikkingen te treffen en wetten aan te passen als dat nodig is om tegemoet te komen aan alternatieve, modernere en meer aangepaste uitstapformules.

Om dit engagement duidelijk te onderstrepen zullen we een amendement op de sociale programmawet aanvaarden dat aan de regering de machtiging geeft om dergelijke alternatieve formules zo snel mogelijk in reglementaire voorschriften om te zetten. Dat komt de geloofwaardigheid ten goede. Ik heb begrepen dat iedereen er inmiddels van overtuigd is dat er een grondig overleg plaatsheeft.

We zullen ook met de vertegenwoordigers van andere regeringen van het land, waaronder de Franse Gemeenschapsregering, moeten overleggen. Ook de Franse Gemeenschap is exclusief bevoegd voor haar personeelsbeleid. Het pensioenbeleid en het personeelsbeleid moeten op elkaar worden afgestemd.

Deze kwestie brengt natuurlijk heel wat commotie teweeg omdat mensen ervan uitgaan dat ze rechten putten uit het systeem waarin ze zitten. Aan de rechten van een overgangsgeneratie mag zeker niet worden geraakt. Zo zal de huidige regeling van de gelijkstelling van het verlof voorafgaand aan de oppensioenstelling blijven bestaan tot 2010. Nadien moet er een ander systeem komen en een andere opvatting over de loopbaan. We staan voor een fundamentele maatschappelijke uitdaging en ik denk dat de heer Vandenbroeke net als minister Vanderpoorten daarover niet anders denken.

Het komt er nu op aan dat idee te realiseren. Het was trouwens een van de punten in de beleidsnota die ik na mijn aantreden in Kamer en Senaat heb ingediend. Ik meen dat we hieraan rustig, maar vastberaden moeten voortwerken.

Mondelinge vraag van mevrouw Marie-José Laloy aan de minister van Justitie over «artikel 53 van de wet op de jeugdbescherming en de eerbied voor de menselijke waardigheid van opgesloten minderjarigen» (nr. 2-305)

De voorzitter. - De heer Jaak Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand, antwoordt namens de heer Marc Verwilghen, minister van Justitie.

Mevrouw Marie-José Laloy (PS). - Ik lees in de pers dat een jongere van 17 jaar, die op grond van artikel 53 van de wet op de jeugdbescherming werd opgesloten in de gevangenis, verkracht werd door zijn medegedetineerde.

Ik herinner me dat een jongere van 16 jaar, die eveneens op grond van dat artikel 53 in de gevangenis van Verviers was geplaatst, zich heeft verhangen.

Artikel 53, zoals gewijzigd door de wet van 2 februari 1994, bepaalt dat een jongere van meer dan 14 jaar onder zekere voorwaarden in de gevangenis kan worden opgesloten. Volgens artikel 53bis zal artikel 53 op een bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit bepaalde datum worden opgeheven. Inmiddels heeft de Senaat bij wet bepaald dat artikel 53 uiterlijk op 1 januari 2002 wordt opgeheven. De twee gebeurtenissen tonen nogmaals aan hoe nadelig artikel 53 voor de minderjarigen is. Overweegt de minister niet om artikel 53 vóór 1 januari 2002 op te heffen? Welke maatregelen zal de minister in afwachting van de opheffing van artikel 53 nemen omtrent de levensvoorwaarden van opgesloten minderjarigen teneinde hun menselijke waardigheid te eerbiedigen?

De heer Jaak Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand. - Ik zal het antwoord van de minister van Justitie, dat technische en juridische elementen bevat. in het Nederlands voorlezen

Wat betreft de opheffing van artikel 53 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming (bewaring van een minderjarige voor niet langer dan vijftien dagen in een huis van arrest), met ingang van 1 januari 2002 (wet van 4 mei 1999 verschenen in het Belgisch Staatsblad op 2 juni 1999), luidt het antwoord op de eerste vraag als volgt.

Zolang de onderhandelingen met de gemeenschappen over de voldoende capaciteit van de door hen ter beschikking gestelde gesloten instellingen voor uitvoering van de beschikkingen en vonnissen van de jeugdrechtbanken niet concreet zijn uitgewerkt, is er geen reden om op de datum van 1 januari 2002 vooruit te lopen.

Wat de tweede vraag betreft, werd op 16 december 1999 na een vergadering op mijn kabinet met de kinderrechtencommissarissen van de twee gemeenschappen beslist de gevangenisdirecties te herinneren aan de reglementaire bepalingen inzake de opvang van minderjarige gedetineerden, zoals bepaald in afdeling 4, onderafdeling 3, van de algemene instructie voor de strafinrichtingen, in het bijzonder aan artikel 146. De in voorlopige bewaring geplaatste minderjarigen worden in alle omstandigheden van de andere gedetineerden afgezonderd.

Het grote probleem is de eenzaamheid van de minderjarigen, die conform artikel 37c van het internationaal verdrag inzake de rechten van het kind van volwassen gedetineerden gescheiden worden. De kinderrechtencommissarissen zouden bij de gemeenschapsministers aandringen op frequenter bezoek van de opvoeders en consulenten aan de voor korte tijd gedetineerde minderjarigen.

Mondelinge vraag van de heer Chokri Mahassine aan de minister van Financiën over «de bedrijfsvoorheffing voor buitenlandse podiumkunstenaars» (nr. 2-302)

De heer Chokri Mahassine (SP). - Morgen begint met het festival Torhout-Werchter het seizoen van de zomerfestivals. De popfestivals kunnen niet meer zonder vele buitenlandse acts. Hieraan zijn evenwel veel kosten verbonden, zoals onder meer bedrijfsvoorheffing.

Voor Amerikaanse podiumkunstenaars die in België optreden, is geen 18% bedrijfsvoorheffing verschuldigd, indien zij in België geen vaste basis hebben, er niet meer dan 90 dagen gedurende het belastbaar tijdperk verblijven en hun inkomsten gedurende dit tijdperk 3.000 USD niet te boven gaan.

Volgens het bericht van 25 april 1997, nummer 11, is een Belgische organisator echter in alle gevallen verplicht om de bedrijfsvoorheffing in te houden. De betrokken podiumkunstenaars kunnen na het betreffende jaar om teruggave van de ten onrechte ingehouden bedrijfsvoorheffing verzoeken. De belastingadministratie blijkt dit streng standpunt ook in de praktijk om te zetten.

Volgende aspecten worden hierbij evenwel uit het oog verloren.

Ten eerste, de administratieve zienswijze is in strijd met het principe dat de belastingadministratie haar heffingsbevoegdheid en de omvang van de belastbare basis moet aantonen. Met andere woorden, zij moet zich in de voorwaarden bevinden om tot belastingheffing over te gaan.

In dit verband dient overigens te worden opgemerkt dat de belastingsadministratie beter dan de organisator gewapend is om de nodige informatie inzake verblijf en inkomsten in te zamelen.

Ten tweede, gemakkelijkheidshalve legt de administratie de volledige bewijslast bij de organisator, ofschoon deze met uitzondering van informatie omtrent wat hijzelf betaalt aan de podiumkunstenaars en eventuele verklaringen terzake van de podiumkunstenaars zelf, toch moeilijk een globaal overzicht kan hebben.

In de praktijk valt 18% volledig ten laste van de organisator, waardoor de reeds hoge organisatiekosten verder toenemen. Zou het niet eenvoudiger zijn de bedrijfsvoorheffing slechts te innen als de podiumkunstenaar meer dan 3.000 USD inkomsten heeft gehad? Deze aanpassing zou bovendien de administratie doen verminderen.

Uit het bovenstaande blijkt duidelijk dat een verfijning van het huidige administratieve standpunt zo niet noodzakelijk dan wel wenselijk is.

Graag vernemen wij het standpunt van de minister terzake.

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - De heer Mahassine verwijst duidelijk naar de situatie van inwoners van de Verenigde Staten die als zelfstandige artiesten in België optreden zonder in ons land over een vaste basis te beschikken. Deze artiesten kunnen in België slechts vrijstelling van belasting krijgen indien hun verblijf in ons land gedurende het belastbaar tijdperk - het volledige kalenderjaar - de 90 dagen niet overschrijdt en het totaal van hun inkomsten niet hoger ligt dan 3000 USD.

Indien op het ogenblik van de belastbare feiten echter niet is aangetoond dat deze voorwaarden zijn vervuld, zodat de verdragsvoordelen onmiddellijk kunnen worden verleend, dient het Belgisch recht te worden toegepast om de rechten van de Belgische Schatkist te vrijwaren. Het is een algemeen aanvaard principe dat iedereen die van de voordelen van een of andere verdragsbepaling wenst te genieten, zoals belastingvrijstelling, moet aantonen dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. De maatregel die is opgenomen in punt 11 van het bericht aan de inrichters van vertoningen of sportmanifestaties in België heeft dan ook een dubbel doel, namelijk de rechten van de Belgische Schatkist te vrijwaren én de organisatoren te beschermen die wettelijk gezien verantwoordelijk zijn voor de storting van de bedrijfsvoorheffing. Eenzelfde stelsel geldt in België en Nederland bijvoorbeeld ook voor Euro 2000.

Het is echter perfect mogelijk dit stelsel nog te verfijnen. Daartoe heb ik al een paar besprekingen gevoerd met organisatoren van optredens en sportmanifestaties en ik hoop dat we ook effectief tot een verfijning zullen komen. Voorlopig geldt echter nog de bestaande wet, niet enkel voor festivals, maar ook voor een sportmanifestatie zoals Euro 2000.

Mondelinge vraag van de heer Jacques Devolder aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over «de gedragsregels voor de verkoop van producten via internet» (nr. 2-301)

De heer Jacques Devolder (VLD). - De opmars van internet is niet meer te stuiten. We kunnen ons er uiteraard alleen maar over verheugen dat de spitstechnologie inzake telecommunicatie binnen het bereik komt van een steeds breder publiek, ook in ons land.

Een gevolg van deze evolutie is dat de verkoop via internet alsmaar intenser wordt. Steeds meer bedrijven schakelen inderdaad over op on line verkoop van hun producten en doen behoorlijk goede zaken. Aangezien ze geen winkelhuur hoeven te betalen en evenmin veel verkoopspersoneel nodig hebben, hebben ze niet zelden een streepje voor op de concurrentie, al is uit een studie van de Harvard Business School gebleken dat beide factoren niet noodzakelijk tot lagere verkoopprijzen leiden, integendeel.

We moeten deze evolutie dan ook met de nodige aandacht volgen. Verkopers via internet ontsnappen immers ook aan enkele wettelijke bepalingen waaraan andere handelaars zich wel moeten houden. Een ervan is de verplichte wekelijkse rustdag. Terloops denk ik hier ook aan de sperperiodes die we het handelsleven opleggen naar aanleiding van specifieke feestperiodes zoals Pasen, Kerstmis en Sinterklaas. Heel wat handelaars maken zich dan ook zorgen over deze vorm van oneerlijke concurrentie. In Nederland heeft dit overigens al geleid tot de oprichting van een actiegroep.

Heeft de minister al iets ondernomen om de handel via internet aan bepaalde gedragsregels te onderwerpen om oneerlijke concurrentie te vermijden? Zo ja, wat heeft hij precies gedaan?

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Of de transacties nu on line of off line verlopen, de consument moet altijd op dezelfde manier worden geïnformeerd en beschermd. De ontwikkeling van de elektronische handel vereist een soepel reglementair kader. Er moet wel een evenwicht worden gevonden tussen die soepelheid en de bescherming van de gebruiker. Vertrouwen is een noodzakelijk element om tot een uitbreiding van dit soort handel te komen.

De elektronische handel wordt gelijkgesteld met de verkoop op afstand. Bijgevolg zijn de regels van die verkoop van toepassing. Dit neemt niet weg dat er eventueel bijzondere, aangepaste maatregelen moeten worden genomen.

Ik ben belast met de toepassing van de richtlijn op de elektronische handel. Deze is hoofdzakelijk gebaseerd op het principe van de technologische neutraliteit. De oriënteringsnota over de elektronische handel die ik aan de Ministerraad zal voorleggen, bekrachtigt eveneens dat principe. In deze nota wordt overigens rekening gehouden met de bezorgdheid die de bedrijven hebben geuit tijdens de forums die in de drie gewesten van het land plaatshadden.

De problemen in verband met de concurrentie worden in de meeste gevallen niet zozeer veroorzaakt door de prijs van het product op zich, maar wel doordat bij on line verkoop sommige kosten, zoals die voor infrastructuur, worden vermeden. Er komen evenwel andere kosten in de plaats. Zo kunnen de vervoer- en portkosten heel hoog oplopen. De concurrentie tussen de traditionele en de andere vormen van handel drijven is overigens niet nieuw, ze is ontstaan bij de postorderverkoop. Het gaat hier dus om een normale concurrentie tussen verschillende vormen van handel drijven. Ik ben dan ook niet van plan een toestand te reglementeren die de verbruiker de keuze laat de handelsvorm te kiezen die hem het best past. Wel hecht ik veel belang aan de manier waarop de consument wordt geïnformeerd. Een goede informatie blijft immers de beste waarborg voor de bescherming van de consument.

De heer Jacques Devolder (VLD). - Ik dring erop aan dat de nota zo snel mogelijk aan de Ministerraad wordt voorgelegd. Concurrentie moet er zijn, maar de spelregels moeten bij on line verkoop dezelfde zijn als bij off line verkoop. Als dit niet het geval is kan dit op lange termijn de dood van de ene of de andere manier van verkopen betekenen.

Mondelinge vraag van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling over "de afbouw van het gebruik van kernenergie" (nr. 2-303)

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - We zijn ongeveer één jaar na de goedkeuring van de regeerakkoorden en daarom is het goed de uitvoering ervan te evalueren. Ook de recente gebeurtenissen in Duitsland hebben mij geïnspireerd enkele vragen te stellen bij het gebruik van kernenergie in ons land.

In tegenstelling tot de evolutie in Duitsland zie ik bijzonder weinig afspraken tot stand komen om het regeerakkoord op dit punt uit te voeren. Het enige concrete dat ik daarin terugvind is dat kerncentrales van 40 jaar of ouder zullen worden gesloten. Verder staan er enkel enkele vage beloften in vermeld.

Acht de staatssecretaris de leeftijd van veertig jaar niet wat hoog, zeker nu we vaststellen dat in Duitsland een gemiddelde leeftijd van slechts 32 jaar werd vooropgesteld. Voor zover ik weet verschilt de kwaliteit van onze kerncentrales niet noemenswaardig van die van de Duitse.

De staatssecretaris heeft gezegd dat het Europees milieuagentschap zou worden geconsulteerd over de afbouw. Is dat gebeurd en zo ja, welk resultaat heeft dit opgeleverd?

Het regeerakkoord vermeldt dat een commissie zou worden opgericht om het afbouwscenario te toetsen, onder meer in functie van de haalbaarheid. Is deze commissie intussen opgericht en zo ja, met welk resultaat?

Plant de staatssecretaris een overleg met de sector om tot een concreet uitstapscenario te komen?

Tenslotte, tegen welke datum denkt de staatssecretaris tot een concreet plan te komen?

De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling. - Ik dank de heer Vankrunkelsven voor zijn vragen.

Of veertig jaar een te lange periode vormt, moet ieder voor zichzelf uitmaken, maar mijns inziens is die zeer goed te verantwoorden, ook vanuit een vergelijking met wat er in Duitsland gebeurt. Daar heeft men voor 32 jaar gekozen, maar in Duitsland is ongeveer dertig procent van de elektriciteit afkomstig van kerncentrales. In België kiezen wij nu voor 40 jaar, omdat bij ons zestig procent van de elektriciteit in kerncentrales wordt geproduceerd. Er is dus een zekere logica tussen deze cijfers.

Het Europees milieuagentschap werd inderdaad over de regeringsverklaring geraadpleegd, maar dat kan zich over de kwestie niet uitspreken, omdat iets dergelijks niet tot zijn takenpakket behoort. Precies daarom zijn we op het ogenblik bezig met het samenstellen van een internationale commissie van experts. Ook mensen van het Europees milieuagentschap zullen daar deel van uitmaken.

Natuurlijk is er overleg met de sector voorzien. Zoals men wellicht wel kan vermoeden is er trouwens een voortdurend overleg tussen mijzelf en de sector in het raam van mijn bevoegdheden voor de gas- en de elektriciteitssector. Het overleg met de operatoren van deze sector slaat op alle aspecten van mijn bevoegdheden inzake energie.

De timing is de volgende. Vorige zaterdag vond er een publieke auditie plaats in de lokalen van de Nationale Bank, op initiatief van de commissie-Ampère. Het mandaat van deze commissie, die tijdens de vorige legislatuur werd opgericht, heb ik lichtjes aangepast en in lijn gebracht met de inhoud van de regeringsverklaring, zodat de commissie het scenario van de sluiting van kerncentrales die 40 jaar oud zijn, kan helpen uitvoeren. Het eindverslag van de commissie-Ampère wordt in oktober publiek gemaakt. De commissie van internationale experts, onder wie de mensen van het Europees milieuagentschap, zullen voor een Peer-review van het verslag verzorgen en dit van de nodige commentaar voorzien. Er zal ook een burgerconferentie plaatsvinden. Ik maak trouwens graag van deze gelegenheid gebruik om de Senaat ervoor te danken dat hij vorige week deze procedure heeft aanvaard.

Het verslag en de Peer-review zullen allicht leiden tot een gemeenschappelijk debat, mogelijk ook, maar het is niet aan mij om daarover beslissingen te nemen, tot een parlementair debat.

Zoals de wet bepaalt, zal er tegen mei 2001 een indicatief plan gereed zijn over de productie van elektriciteit in ons land in de toekomst.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Het antwoord van de staatssecretaris was duidelijk wat de methode, de timing en de planning betreft. Ik heb echter bedenkingen bij het antwoord op de eerste vraag, meer bepaald bij het feit dat de levensduur van de kerncentrales wordt gekoppeld aan het aandeel in de energie dat door deze centrales wordt opgewekt. Ik meen dat de leeftijd van de centrale ook een kwestie van veiligheid is. Men kan toch niet ongebreideld, omwille van het grote aandeel in de productie van elektriciteit, de levensduur van deze kerncentrales verlengen. Terwijl oorspronkelijk een levensduur van vijfentwintig jaar was vooropgesteld, heeft men die voortdurend verlengd. Ik vraag me af of de optie om tot veertig jaar te gaan, niet gevaarlijk is, des te meer omdat men in Duitsland slechts tot tweeëndertig jaar gaat en omdat een aantal oudere centrales er zelfs vroeger zullen worden gesloten. Over dit aspect van mijn vraag vind ik het antwoord van de minister zeker niet bevredigend. Ik vraag me af of het aspect veiligheid geen groter aandeel zou moeten krijgen in deze beslissing.

De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling. - Het aspect veiligheid is natuurlijk heel belangrijk. De regering houdt er bij al zijn beslissingen inzake energiepolitiek rekening mee. Minister Duquesne is bevoegd voor het aspect veiligheid. Ik ben zeker dat hij er aandacht voor heeft.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 73 van de nieuwe gemeentewet (van mevrouw Jeannine Leduc c.s., Stuk 2-119)

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 73 van de nieuwe gemeentewet, betreffende het verbod voor bloed- en aanverwanten om in dezelfde gemeenteraad zitting te nemen (van de heer Patrik Vankrunkelsven, Stuk 2-168)

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 73 van de nieuwe gemeentewet (van de heer Chokri Mahassine, Stuk 2-205)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Ik stel voor deze wetsvoorstellen samen te bespreken. (Instemming)

Mevrouw Erika Thijs (CVP), corapporteur. - De indieners van het wetsvoorstel betreffende de wijziging van artikel 73 van de nieuwe gemeentewet hebben me gevraagd om een mondeling verslag uit te brengen.

Mevrouw Leduc, de heer Vankrunkelsven en de heer Mahassine hebben besloten om een gezamenlijk amendement in te dienen op het oudste voorstel, namelijk het voorstel van mevrouw Leduc. De aanleiding hiervoor was dat de commissie voor de Binnenlandse Zaken, Algemene Zaken en Openbaar Ambt van de Kamer van volksvertegenwoordigers op dit ogenblik een voorstel behandelt dat veel omvattender is, doch blijkbaar niet tot een oplossing komt die nog deze zitting zou kunnen leiden tot een wetswijziging. Daarom vonden genoemde indieners het beter het voormelde amendement met een minimale draagwijdte waarover een consensus bestaat, ter stemming voor te leggen, zodat het zowel door de Senaat als door de Kamer nog vóór het reces eventueel kan worden aanvaard.

De drie indieners hebben het probleem gesteld van de onverenigbaarheid tot in de derde graad voor het lidmaatschap van de gemeenteraad. De oplossing bestaat erin ervoor te zorgen dat de onverenigbaarheid teruggebracht wordt van de derde tot de tweede graad. Daarnaast moest er ook voor gezorgd worden, dat wanneer de onverenigbaarheid ophoudt te bestaan, de geweerde kandidaat opnieuw kan zetelen, net zoals dat geregeld wordt voor mensen die voorheen hun militaire dienstplicht moesten vervullen.

Tijdens de bespreking kwam aan bod dat het goed was om nu reeds de derdegraadsonverenigbaarheid af te schaffen in afwachting van een debat ten gronde over de al dan niet afschaffing van de familiale onverenigbaarheid.

De problematiek van de discriminatie van de gehuwde koppels ten overstaan van de samenwonenden werd door veel commissieleden naar voor gebracht. Vermits de tijd dringt om nog vóór de verkiezingen een wetswijziging door te voeren, hebben mevrouw Leduc en de heren Mahassine en Vankrunkelsven een amendement ingediend dat de minimale optie, met name de loutere afschaffing van de derdegraadsonverenigbaarheid, inhoudt.

Nog twee andere leden dienden amendementen in. Mevrouw Nagy diende een amendement nummer twee in waarbij ze de onverenigbaarheid tot de derde graad wenst te bewaren indien het om kandidaten van dezelfde lijst gaat. Bovendien wil ze de discriminatie tussen gehuwden en feitelijk samenwonenden met samenlevingscontract opheffen door deze laatsten ook te laten vallen onder de onverenigbaarheid. De heer Dallemagne diende een subamendement nummer drie in op amendement nummer één. In zijn amendement wijst hij op de vrees voor een afschaffing van de derdegraadsonverenigbaarheid in het schepencollege omdat deze kring veel kleiner is en het gewicht van twee verwanten meer zou kunnen doorwegen.

Na de discussie in de commissie werd er gestemd. Het artikel één wordt aangenomen met eenparigheid van de elf aanwezige leden. Amendement nummer twee op artikel twee wordt verworpen met vijf tegen vier stemmen bij twee onthoudingen.

Wat subamendement drie betreft is er wellicht een verkeerde notering van de stemmen geweest. Op dit ogenblik kijkt men de verslagen na om dit na te gaan.

Amendement nummer één werd aangenomen met tien stemmen bij één onthouding. Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met tien stemmen bij één onthouding. Het geamendeerde wetsvoorstel wordt in zijn geheel aangenomen met tien stemmen bij één onthouding. Het vertrouwen wordt aan de rapporteur geschonken voor een mondeling verslag in de plenaire vergadering.

De heer Georges Dallemagne (PSC). - Door de snelheid waarmee we in de commissie hebben gewerkt en het feit dat er enkel een mondeling verslag is, is het niet duidelijk of mijn amendement werd aangenomen of verworpen. Ikzelf heb genoteerd dat het met zes stemmen bij vier onthoudingen werd aangenomen. Voor alle zekerheid zal ik het amendement opnieuw indienen. Het bepaalt dat de leden van het college van burgemeester en schepenen geen bloed- of aanverwanten mogen zijn tot en met de derde graad. Aldus wordt het voorstel van mevrouw Leduc aanvaard, maar met behoud van die onverenigbaarheid. Ik zal dus mijn amendement opnieuw indienen. Ik herinner me heel goed hoe het in de commissie werd behandeld, maar we beschikken niet over een verslag.

De voorzitter. - Mevrouw Lizin is niet aanwezig en kan ons dus geen verduidelijking geven, maar er zijn twee rapporteurs. Wat zeggen zij daarover?

U beweert dat uw amendement werd aangenomen?

De heer Georges Dallemagne (PSC). - Dat is wat ik tijdens de commissievergadering heb genoteerd.

De voorzitter. - Wat zeggen de rapporteurs daarover?

De heer Georges Dallemagne (PSC). - Het verslag werd in de commissie niet goedgekeurd.

De voorzitter. - De commissie heeft vertrouwen gegeven aan de rapporteurs.

De heer Georges Dallemagne (PSC). - Los van deze discussie stel ik voor dat ik dit amendement opnieuw indien.

De voorzitter. - De vergadering zal zich over dit probleem uitspreken bij de artikelsgewijze bespreking.

- De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 73 van de nieuwe gemeentewet (van mevrouw Jeannine Leduc c.s., Stuk 2-119)

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administratieve Aangelegenheden, zie stuk 2-119/5.)

- Artikel 1 wordt zonder opmerking aangenomen.

De voorzitter. - Artikel 2 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Dallemagne amendement nr. 3 ingediend (zie stuk 2-119/3) dat luidt:

- De stemming over dit amendement en over artikel 2 wordt aangehouden.

- De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 24 van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging (van mevrouw Jeannine Leduc c.s., Stuk 2-258)

Hervatting van de algemene bespreking

Mevrouw Christine Cornet d'Elzius (PRL-FDF-MCC), rapporteur. - Ik zou u willen vragen een kleine technische verbetering aan te brengen in amendement nummer 12 van de regering. In de titel is er sprake van de wet van 20 juli 1972, maar dat moet 1971 zijn.

Dit wetsvoorstel werd reeds besproken in de plenaire vergadering van donderdag 18 mei en ik verwijs dus naar het verslag dat ik toen heb uitgebracht.

Verscheidene amendementen werden na goedkeuring van het verslag opnieuw ingediend, met name door de dames Nagy en De Schamphelaere, maar ook door de regering.

Amendement nummer 4 van de regering strekt ertoe artikel 24 door een duidelijker tekst te vervangen. Na discussie in openbare vergadering werd besloten het voorstel terug naar de commissie te zenden. De regering heeft een nieuw amendement nummer 12 ingediend; het vervangt amendement nummer 4 en verenigt alle elementen uit de sub-amendementen waarover een consensus kan worden bereikt.

Dit amendement neemt de filosofie over van de sub-amendementen van de heer Lozie, de dames Nagy en Leduc en mezelf, die wij dientengevolge hebben ingetrokken.

Het amendement van de regering preciseerde dus : "De as van de overledene wordt met respect en eerbied behandeld en kan geen voorwerp uitmaken van een commerciële activiteit,..."

Over het ter beschikking stellen van de urne aan de nabestaanden, over de uitstrooiing en de begraving op een andere plaats dan de begraafplaats is het regeringsamendement heel wat preciezer. Ik nodig u uit het van het eerste tot het laatste punt te lezen. De nieuwe tekst bevat preciseringen die dienen om misbruiken te voorkomen, met name het gebrek aan eerbied voor de as na het overlijden van de nabestaanden. Dit amendement werd aangenomen met acht stemmen tegen één stem bij één onthouding. Het aldus geamendeerde voorstel werd in zijn geheel aangenomen met acht stemmen tegen één stem bij één onthouding.

Ik wil nu een persoonlijke beschouwing formuleren over een punt dat voor mij vaag blijft. Dat heel wat personen een herinnering aan een overleden nabestaande willen bewaren is lovenswaardig, maar wat zal er met de urnen gebeuren als deze mensen op hun beurt verdwijnen, ook al geeft de wet hierover uitsluitsel? Zullen hun erfgenamen, voor zover die er zijn, of anderen er dezelfde aandacht en zorg aan besteden?

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CVP). - Voor de tweede maal bespreken wij in voltallige vergadering het voorstel van wet dat een private bewaring en begraving van de as van een overledene mogelijk maakt. Voor de tweede maal bevestigen wij voorstanders te zijn van vrije asverstrooiing onmiddellijk na de rouwdienst. Als deze verstrooiing gebeurt op een plek die voor de overledene symbolisch of emotioneel belangrijk is, kan dit het afscheidsritueel verdiepen en misschien wel het verdriet voor de nabestaanden verlichten.

Het private bewaren of begraven van de as van overledenen staat volgens ons haaks op de maatschappelijke doelstellingen van onze wetgeving op de begraafplaatsen en de lijkbezorging. Deze wetgeving is historisch ontstaan in het jonge België en had toen voornamelijk tot doel te beletten dat er aparte begraafplaatsen voor gelovigen en voor niet-gelovigen zouden komen. Door het openbare en collectieve karakter van de gemeentelijke begraafplaatsen te beklemtonen werd de verhouding tussen kerk en staat in de negentiende eeuw verder uitgeklaard. Zoals in de commissie werd opgemerkt, bleven er naast de gemeentelijke begraafplaatsen nog altijd privé-begraafplaatsen bestaan, bijvoorbeeld rond kastelen en abdijen, maar de meeste ervan zijn ouder dan België zelf. Bovendien verbood de wet van 1971 definitief het oprichten van nieuwe privé-begraafplaatsen. Men zou vandaag kunnen opperen dat deze wetgeving duidelijk voorbijgestreefd is, omdat de doelstellingen ervan al te ideologisch gekleurd zijn en dus niet meer kunnen worden ingepast in onze cultuur. Toch zien wij ook vandaag tal van voordelen in een gemeenschappelijk ingerichte ruimte waar alle overledenen zonder onderscheid kunnen worden herdacht. Het gezamenlijk en openbaar karakter van de herdenkingsplaats maakt het immers moeilijk om een onderscheid te cultiveren al naargelang bekendheid, gezindheid of sociale afkomst. Ook de eventuele persoonsverheerlijking na de dood blijft in de openbaarheid.

Dit voorstel van wet negeert de maatschappelijke bekommernis van de bestaande wetgeving. Met dit wetsvoorstel wordt het immers mogelijk om familiale urnevelden en columbaria in privé-eigendommen in te richten. Niet alleen families, ook groepen en verenigingen die zich om culturele, sociale of ideologische redenen willen onderscheiden, kunnen voortaan voor deze privé-bewaring of -begraving van urnen opteren.

Er is echter meer. Wij weten dat er bij de bespreking van de wetswijziging in 1998 door de Joodse en de islamitische gemeenschappen heel wat bezwaren werden geformuleerd tegen het openbaar en collectief karakter van de gemeenschappelijke begraafplaatsen. Toch werd toen het monopolie van de gemeentelijke begraafplaatsen niet op de helling gezet. Daarvoor was wel heel wat overtuigingskracht nodig.

Wanneer nu, zoals blijkt uit het commissieverslag, de wetgever van oordeel zou zijn dat de enige maatschappelijke doelstelling van de gemeentelijke begraafplaatsen de volksgezondheid is, wordt er wel heel wat op de helling gezet. Dit voorstel zal immers tot gevolg hebben dat eender welke groep en dus ook eender welke religieuze gemeenschap privé-begraafplaatsen kunnen opeisen. In toepassing van het gelijkheidsbeginsel kan er immers nog maar één voorwaarde worden gesteld, namelijk de volksgezondheid. De inrichters van de privé-begraafplaatsen zullen nog enkel moeten aangeven hoe zij de richtlijnen in verband met de volksgezondheid die nu gelden voor de gemeentelijke begraafplaatsen, zullen naleven.

Het eerder beperkte voorstel dat wij bespreken, beoogt in te gaan op een misschien terechte persoonlijke vraag van mensen die hun verdriet bij een plots overlijden op een bijzondere manier willen verwerken. Dit beperkte voorstel heeft echter wel bijzonder verregaande maatschappelijke gevolgen. Het herdenken van onze doden wordt uitdrukkelijk een louter privé-aangelegenheid. Het respect voor de overledene wordt afhankelijk gemaakt van privé-voorkeuren. Het respect voor de overledene wordt niet langer beschouwd als een vanzelfsprekend door de gemeenschap gedragen waarde. Het uitsluiten van de commerciële misbruiken waartoe de toegevoegde amendementen strekken, is natuurlijk een belangrijke verbetering van het voorstel, maar komt niet tegemoet aan onze wezenlijke bezwaren.

De gelijke behandeling van alle overledenen was altijd een belangrijk principe in onze wetgeving en juist dat principe wordt nu onderuit gehaald. Wij willen geen gelijkheid om de gelijkheid en geen toepassing van het gelijkheidsbeginsel zonder redelijke grondslag. Voor ons ligt die redelijke grondslag in de openbaarheid en in het gemeenschapskarakter van de begraafplaatsen zoals wij die nu kennen. Wij dachten dat deze samenlevingswaarden ook werden verwoord in de eerste amendementen van Ecolo, op bepaalde momenten gesteund door Agalev, van VU & ID en van de PRL. Bovendien werden ze krachtig gesteund door een eminent SP-senator. Wij dienen ons amendement dus opnieuw in omdat het uitsluiten van de commerciële misbruiken wel een belangrijke verbetering inhoudt, maar nog onvoldoende is. Voor ons moet de samenleving betrokken blijven bij de wijze waarop onze doden worden geëerd en herdacht en het gemeenschappelijk en open karakter van de begraafplaatsen staat hiervoor borg.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Dit voorstel betreft een essentieel politiek debat. Er wordt veel gesproken over euthanasie en in de VS wordt gedebatteerd over de doodstraf. Wij hebben het over de as van de overledenen.

De PSC zal tegenstemmen tenzij het amendement van mevrouw De Schamphelaere wordt aangenomen. Voor ons moet de urne het voorwerp van diep respect zijn. In het voorstel worden de verantwoordelijkheden van de eigenaar van de urne niet duidelijk omschreven. Wat gebeurt er met de as wanneer de familie na enkele generaties uit elkaar valt? De bewaring van de as thuis behoort tot beschavingen waarmee onze huidige levenswijze niet veel gemeen meer heeft. Er is ook geen enkele sanctie voorzien wanneer geen respect voor de as wordt opgebracht. Er kunnen privé-mausoleums worden opgericht, wat via bepaalde sekten, cultussen of vereringen tot ontsporingen kan leiden. Getuigt dit voorstel niet van naïviteit? Kijk naar sommige grafschendingen op de klassieke kerkhoven.

Mijn belangrijkste argument is dat ik me afvraag of de bewaring van de as thuis de betrokkenen gaat helpen in hun rouwproces. Dat geldt met name bij een gewelddadige dood.

Zoals mevrouw De Schamphelaere heeft benadrukt, riskeert deze wet de gelijkheid in gevaar te brengen. Sinds 1789 zijn de begraafplaatsen binnen een lekenstaat burgerlijk en neutraal van aard. Ze vallen onder de bevoegdheid van de gemeenten. Door de asbezorging te privatiseren zet men een stap te ver.

De heer Josy Dubié (ECOLO). - Ik spreek uit eigen naam en niet uit naam van mijn fractie. Eigenlijk laat het me koud wat er na mijn dood met mij gebeurt, maar ik kan begrijpen dat anderen daar anders over denken.

Ik zal tegenstemmen. Ik begrijp uiteraard de humanitaire beweegredenen van de indieners van het voorstel. Ik vrees echter dat hierdoor de doos van Pandora wordt geopend, met name artikel 3. Wie zal morgen een religieuze of politieke groepering of sekte kunnen beletten een mausoleum voor een goeroe op te richten, dat dan een pelgrimsoord wordt? Wie zou, indien de wet had bestaan, de aanhangers van Léon Degrelle hebben kunnen beletten een mausoleum op te richten waar de bewonderaars van Hitler bij elkaar konden komen? Ik vraag u daarover na te denken. De wet verhindert dat immers niet. Wie zal beletten dat overal dergelijke mausoleums van weinig achtenswaardige personen worden opgericht? Ik zelf heb de mausoleums van Komeiny, Lenin en Mao Tse Toeng gezien. Collega Georges Dallemagne had recent het voorrecht het mausoleum van Kim Il-Sung te bezoeken.

De heer Georges Dallemagne (PSC). - Ik heb dat niet gedaan. Ik was het eerste parlementslid om dat niet te doen.

De heer Josy Dubié (ECOLO). - Ik wijs dus op het gevaar dat dit voorstel het mogelijk maakt mausoleums voor weinig achtenswaardige personen op te richten. Daarom zal ik tegenstemmen.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Dit wetsvoorstel heeft de gemoederen danig in beweging gebracht. Alleen al het groot aantal ingediende amendementen is hiervoor een bewijs.

Ik begrijp deze beroering omdat het om een zeer gevoelige materie gaat. Samen met mevrouw Nagy heb ik een amendement ingediend om toe te laten de as op een andere plaats dan het kerkhof te verstrooien. We zijn echter van oordeel dat ze niet in privé-plaatsen kunnen worden bewaard of begraven.

Enkele sprekers wezen op het gelijkheidsbeginsel. Ik ga daar niet dieper op in. Ik heb persoonlijk nog wel een bijkomend argument. Ik begrijp dat er in het raam van de absolute individuele vrijheid van de mens wordt geopperd dat het rouwproces kan worden vergemakkelijkt als de urne bijvoorbeeld in huis, op de schoorsteen, kan worden bewaard. Dat is voor sommige personen misschien wel waar, maar ik vrees dat dit ook een omgekeerd effect kan hebben. Het bewaren van de as in huis of op een plaats dichtbij het huis zal volgens mij eerder aanleiding geven tot een verlenging van het rouwproces of, erger nog, tot het totaal verstrikt geraken in het rouwproces zodat dit laatste onomkeerbaar wordt. Daarom moet het gezond verstand de bovenhand halen en moeten we ervoor pleiten het begraven buiten de kerkhoven te verbieden, maar het verstrooien van de as ook op een aantal andere plaatsen toe te laten.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Ik wens eerst even de bespreking van dit voorstel in de plenaire vergadering van enkele weken geleden in herinnering te brengen.

Deze vergadering verliep vrij woelig en uiteindelijk werd, mede op mijn voorstel, beslist om de teksten en amendementen opnieuw naar de commissie te verzenden. Dit bleek de juiste beslissing te zijn omdat ze volgens mij tot een beter resultaat heeft geleid. Het voorstel waarover wij ons vandaag moeten uitspreken, bewijst dit.

De verzending naar de commissie gaf ons tevens de mogelijkheid om enkele misverstanden en wrijvingen op te klaren. Alle amendementen werden opnieuw uitvoerig besproken, niemand kan dat ontkennen, en er werden, onder meer door mijzelf, nieuwe amendementen ingediend die rekening hielden met de opmerkingen en uitingen van vrees voor misbruiken.

Dankzij het voorstel van de minister om door zijn diensten een amendement te laten opstellen waarin de meeste eerder ingediende amendementen zouden worden verwerkt, en dat rekening zou houden met de wensen en bekommernissen van de commissieleden, kon er aan de commissie een tekst worden voorgelegd die een ruime consensus wegdroeg. Ik ben de minister en zijn kabinet daar zeer dankbaar voor.

Niets is persoonlijker dan de eigen dood. Meer dan in het verleden is er een groeiende belangstelling en aandacht voor alles wat verbonden is met de dood en in het bijzonder met wat men de laatste rustplaats noemt. Mensen bepalen zelf vooraf hoe hun begrafenisplechtigheid moet verlopen en op welke wijze met hun stoffelijk overschot moet omgegaan worden. Sommigen blijven kiezen voor een traditionele begraving en dat is hun goed recht. Steeds meer mensen kiezen echter voor crematie. Op dit ogenblik gaat het om meer dan 35.000 crematies per jaar en dit aantal blijft stijgen. Deze keuze heeft enerzijds te maken met de ziekte waaraan mensen overlijden en anderzijds met een eigentijdse kijk op leven en sterven.

Samen met het groeiend aantal crematies stijgt de vraag naar andere mogelijkheden van asbestemming. Begraving was de laatste eeuwen in onze Westerse cultuur gebruikelijk, maar wanneer we dieper in onze geschiedenis en in deze van andere volkeren graven, zien we dat asbewaring in urnen en asverstrooiing een eeuwenlange traditie is. Mensen zijn eeuwenlang zorgzaam en met eerbied en respect omgegaan met de stoffelijke resten van hun dierbare overledenen, ongeacht of ze nu begraven werden of hun as in urnen bewaard werd of op een bijzondere plaats werd uitgestrooid.

Wat is de situatie in de ons omringende landen? In Frankrijk is de bestemming van de as volledig vrij. Er geldt enkel een verbod de as op een openbare plaats uit te strooien. In Nederland mag de as in een gesloten asbus in huis bewaard worden en laat men de asverstrooiing op een zelfgekozen plek toe. In Noord-Europa en in de Angelsaksische landen bemoeit de overheid zich niet met hetgeen zij als een privé-aangelegenheid beschouwt.

Nergens wordt melding gemaakt van enig misbruik. Er worden ook geen gevallen gemeld van handel, plaatsen van verering of andere extreme toestanden. Waarom zou men in België niet met dezelfde zorgzaamheid handelen? Trouwens, hoe kan België binnen een verenigd Europa bijzondere regelingen opleggen? Overal gaan mensen op een verantwoordelijke wijze en met de nodige eerbied om met de as van hun overledenen. Er zijn dus geen redenen om te verbieden dat mensen zelf kunnen bepalen wat er met hun as dient te gebeuren.

Men zegt dat wij het gelijkheidsbeginsel zouden schenden. Ik wil de discussie niet aangaan of dit gelijkheidsbeginsel gerespecteerd wordt omdat ik het principe hanteer dat elke mens vrij zijn lijkbehandeling mag kiezen. Indien hij voor crematie kiest, moet hij zelf kunnen bepalen wat er met zijn as gebeurt.

Op dit ogenblik bestaan er trouwens nog talrijke begraafplaatsen buiten de stedelijke of gemeentelijke begraafplaatsen. Bij de laatste telling werden er niet minder dan 223 geteld. Ongetwijfeld kennen wij zelf in onze omgeving dergelijke begraafplaatsen die nu nog worden gebruikt.

Ik zou dus niet zeggen dat het gelijkheidsbeginsel geschonden wordt. De grondwettelijke regels inzake gelijkheid en niet-discriminatie sluiten trouwens niet uit dat er een verschil in behandeling bestaat tussen categorieën van personen, als dit verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. In dit geval is het objectief criterium de volksgezondheid. De menselijke as bestaat voor 99% uit mineralen. De impact op het milieu werd wetenschappelijk onderzocht. Daaruit bleek dat as volkomen onschadelijk is voor het milieu en dus geen enkel gevaar inhoudt voor de volksgezondheid. Dit kan niet gezegd worden van een lijk.

Er werd ook gewezen op mogelijke misbruiken. Ik heb onderzoek gedaan in de ons omringende landen: nergens werd enig misbruik gemeld.

Ook het argument van de verering houdt geen steek. Jaarlijks gaan bijvoorbeeld duizenden mensen naar de begraafplaats van Elvis Presley. Is dat dan geen verering? Ik zie niet in dat in mijn of andermans tuin of aan een vijver een soort van verering zou worden georganiseerd. Ik denk dat de mensen meer gezond verstand hebben en dat men dit voorstel verkeerde bedoelingen wil toedichten. Wij moeten nagaan wat op dit ogenblik leeft bij de mensen. De mensen willen echt de as van hun overledene, als die dat zelf gewild heeft, bewaren in huis of uitstrooien op een vertrouwde plaats. Daarmee wordt niemand geschaad. Niemand denkt eraan om mausolea op te richten. Die vinden we nu op kerkhoven, niet in privé-tuinen, want daarvoor moet een bouwvergunning worden aangevraagd. Het symbolische en gevoelsgeladen karakter van het bewaren van as van een dierbare is nadrukkelijk aanwezig bij heel veel mensen. Dit gevoel is van alle tijden. Het is een eeuwenoud gebruik dat geldt in vele culturen.

Er zijn, als we er eerlijk en objectief over nadenken, geen redenen om het vrijgeven van de as te verbieden. Daarom vraag ik u dit voorstel goed te keuren. Wie zijn wij trouwens om een verbod op te leggen aan mensen die deze terechte vraag hebben?

- De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administratieve Aangelegenheden, zie stuk 2-258/13.)

- Artikel 1 wordt aangenomen.

De voorzitter. - Artikel 2 luidt:

Op dit artikel heeft mevrouw De Schamphelaere amendement nr. 13 ingediend (zie stuk 2-2-258/11) dat luidt:

- De stemming over dit amendement en over artikel 2 wordt aangehouden.

- De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsvoorstel in zijn geheel hebben later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging, wat de door de werkgevers verschuldigde bijdrage voor werkloosheid wegens economische oorzaken betreft, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers (Stuk 2-452) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De heer Jan Remans (VLD), rapporteur. - De senaatscommissie voor Sociale Aangelegenheden heeft het wetsontwerp in haar vergadering van 14 juni besproken. Het voert een werkgeversbijdrage in voor werkloosheid om economische redenen. De minister heeft uitgelegd dat het ontwerp een laatste deel uitvoert van het interprofessioneel akkoord 1999-2000, dat de sociale gesprekspartners sloten op 8 december 1998. Volgende maatregelen werden overeengekomen: de verhoging van de jaarlijkse werkgeversbijdrage met 0,08%, waarvan de opbrengst op 600 miljoen frank wordt geraamd; een verhoging van de solidariteitsbijdrage op de hogere vakantiegelden van 0,5% naar 1,5%, verwachte opbrengst 575 miljoen frank; een responsabilisering van de bedrijven die een hogere graad aan werkloosheid om economische redenen opgeven, verwachte opbrengst 250 miljoen frank.

De regering heeft beslist de maatregel in beginsel te beperken tot 2000 en 2001. Daarna zou een evaluatie plaatsvinden.

Er werden twee amendementen ingediend door de heer Kelchtermans en mevrouw De Schamphelaere. Het eerste amendement strekt ertoe de bijdrage pas te innen indien twee jaar na elkaar de vooropgestelde grenzen worden overschreden. Het tweede amendement wil de referteperiode voor de RSZ-berekeningen die betrekking heeft op de eerste drie kwartalen van het voorgaande kalenderjaar en van het vierde kwartaal van het jaar daarvoor, vervangen door de aangiften van een volledig kalenderjaar.

Deze amendementen werden in de commissie uitgebreid besproken. Ze werden verworpen met 7 stemmen tegen 3 stemmen. Het wetsontwerp in zijn geheel werd goedgekeurd met 7 stemmen bij 3 onthoudingen.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CVP). - Ten gronde zijn we het natuurlijk eens met de responsabilisering van werkgevers die op een niet correcte wijze gebruik maken van de tijdelijke werkloosheid om economische redenen. Tijdelijke werkloosheid mag niet afglijden naar structurele werkloosheid, verdoken seizoenarbeid of deeltijdse arbeid. We zijn het echter niet eens met de door de regering in het wetsontwerp gehanteerde criteria om onrechtmatig gebruik te bepalen. Na goedkeuring van het ontwerp zal door de werkgevers een extra bijdrage van 60 frank per werknemer per werkloosheidsdag moeten worden betaald voor iedere werkloosheidsdag boven de 10 procent. Dat betekent concreet dat op gemiddeld 220 werkdagen al vanaf de 23ste werkloosheidsdag wordt geoordeeld dat de tijdelijke werkloosheid om economische redenen onterecht wordt gebruikt.

We vrezen dan ook dat de goedkeuring van het ontwerp niet zozeer de responsabilisering zal bevorderen, maar zal leiden tot een vermindering van de buffer van werknemers met een contract van onbepaalde duur en dat die vervangen zullen worden door werknemers met een tijdelijk contract of door uitzendarbeid. Het ontwerp bevordert de werkgelegenheid niet. Onze amendementen willen meer realistische criteria invoeren om de structurele en economische werkloosheid beter af te lijnen.

- De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, zie stuk 2-452/4.)

De voorzitter. - Artikel 2 luidt:

Op dit artikel hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Kelchtermans amendement nr. 1 ingediend (zie stuk 2-452/2) dat luidt:

Op hetzelfde artikel hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Kelchtermans amendement nr. 2 ingediend (zie stuk 2-452/2) dat luidt:

- De stemming over de amendementen wordt aangehouden.

- De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

Belangenconflict tussen het Vlaams Parlement en de Kamer van volksvertegenwoordigers over het wetsontwerp tot wijziging van het bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 2-442)

Bespreking

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Sta mij toe even te schetsen hoe de motie met betrekking tot het belangenconflict tot stand is gekomen. Bij de opmaak van het wetsontwerp met betrekking tot de herindeling van de gerechtelijke kantons tijdens de vorige regeerperiode bracht de Raad van State een advies uit. Hierin werd opgemerkt dat de bestaande faciliteiten in gerechtszaken blijkbaar uit het oog waren verloren bij de omzetting van het kanton Wolvertem naar het kanton Meise.

Het wetsontwerp werd aangepast, maar men is hierbij te ver gegaan. Men is ervan uitgegaan dat deze regeling ook moest worden toegepast in alle kantons waar faciliteiten in bestuurszaken bestaan. Dat had tot gevolg dat de regeling die bepaalt dat de hoofgriffier en de vrederechter of zijn plaatsvervanger kennis van de andere landstaal moeten hebben, ook geldt voor het kanton Ronse, een kanton in Kortrijk, een kanton in Ieper en het nieuwe kanton Herne-Sint-Pieters-Leeuw, kantons in het Nederlands taalgebied, en de kantons Aat-Lessen en Edingen-Lens in het Franse taalgebied.

Zowel tijdens de bespreking binnen de regering als nadien bij de bespreking in het parlement is deze uitbreiding niemand opgevallen. Nadien werd opgemerkt dat de regeling in feite een onbedoelde uitbreiding van de faciliteiten inhield. Omdat er nog andere fouten in het ontwerp stonden werd een herstelwet ingediend die evenwel deze aangelegenheid niet regelde.

Vervolgens werden in de Kamer amendementen ingediend om een en ander recht te zetten. Deze amendementen werden echter verworpen. Het gevolg was dat het Vlaams Parlement bijna eenparig een motie goedkeurde, die trouwens door de meerderheid was ingediend. In die motie werd gesteld dat de Vlaamse belangen door het niet aannemen van de amendementen werden geschaad.

De Senaat moet nu een advies geven over het belangenconflict dat over het wetsontwerp tot wijziging van het bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek is ontstaan. Wij hebben in deze zaak gewacht op de uitspraak van het Arbitragehof. Het Hof heeft geoordeeld dat deze zaak in wezen een opportuniteitskwestie is waarover niet een rechtbank, maar wel een politieke instelling een uitspraak moet doen. Het Hof was wel van oordeel dat, zelfs bij een marginale toetsing van de regeling, de verplichting die aan de hoofdgriffier wordt opgelegd manifest overdreven is. Wat de verplichting voor de vrederechter of zijn plaatsvervanger betreft, was het Hof van oordeel dat het niet bevoegd was een uitspraak te doen en dat een politieke instelling zich hierover moet uitspreken.

In tegenstelling tot de tekst van het advies moet de Senaat goed beseffen dat we te maken hebben met een uitbreiding van de faciliteiten in gerechtszaken. De rechtzoekende zal zich immers in genoemde kantons voortaan rechtstreeks in de andere landstaal kunnen uitdrukken. Hij zal geen beroep meer moeten doen op een tolk. Als de vrederechter zijn taal niet verstaat, kan hij vragen dat de plaatsvervanger, die de taal wel verstaat, optreedt.

De Senaat moet vandaag zijn rol van Senaat der gemeenschappen spelen.

In het verleden heeft de grondwetgever het land ingedeeld in taalgebieden om het harmonieus samenleven te bevorderen. Wie in een taalgebied gaat wonen, past zich aan en gebruikt in de officiële omgang de taal van het gebied. Bij wijze van uitzondering werden hier en daar faciliteiten toegekend. De geschiedenis heeft ons echter geleerd dat die zo beperkt mogelijk moeten worden gehouden, omdat ze vaak aanleiding geven tot interpretatieproblemen en conflicten.

Het Vlaams Parlement heeft een belangenconflict ingeleid bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, maar eigenlijk zal ook de Franse gemeenschap de nadelen ondervinden van het wetsontwerp tot wijziging van het bijvoegsel van het Gerechtelijk Wetboek, vermits bijvoorbeeld ook de vrederechter of zijn plaatsvervanger in het kanton Aat-Lessen voortaan kennis moet hebben van de tweede landstaal.

Terloops vermeld ik dat het kanton Spa-Stavelot-Malmedy waar faciliteiten in bestuurszaken gelden, niet onder de regeling valt. Om consequent te zijn, zou men daar van de vrederechter de kennis van het Duits moeten eisen.

Ik betreur de stemuitslag in de commissie en hoop dat die anders zal zijn in plenaire vergadering. Ik herinner er nogmaals aan dat het belangenconflict het gevolg is van een nagenoeg eenparige stemming in het Vlaams Parlement over een motie ingediend door de meerderheid en hoop dan ook dat de Vlamingen in de Senaat consequent zijn en het standpunt van het Vlaams Parlement zullen volgen zodat deze manifeste uitbreiding van de faciliteiten in gerechtszaken ongedaan wordt gemaakt.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Dit is het eerste belangenconflict dat de Senaat in deze legislatuur moet behandelen. De wijze waarop dat gebeurt is evenwel bedroevend en voorspelt niet veel goeds voor de toekomst.

Ik zal niet herhalen wat de heer Caluwé al heeft aangehaald. Met de wet van 25 maart 1999 tot herindeling van de gerechtelijke kantons werden in feite megakantons gecreëerd. In het gerechtelijke kanton Herne-Sint-Pieters-Leeuw bijvoorbeeld, waarin zich een taalgrensgemeente bevindt, moeten de vrederechter, zijn plaatsvervanger en de hoofdgriffier de facto tweetalig zijn of althans het bewijs leveren van een grondige kennis van de tweede landstaal.

De discussie in commissie was bedroevend. Gedurende enkele uren werd gedebatteerd over allerhande procedures, maar het merendeel van de leden van de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden heeft nauwelijks de moeite gedaan om te weten waarover het wezenlijk ging. Een unicum was alleszins de discussie over de ontvankelijkheid van de motie van het Vlaams Parlement. Er is zelfs over gestemd. Dat is vreemd, aangezien de wet van 8 augustus 1980 die bepalingen omvat over het belangenconflict, daarover niets zegt.

Ook in openbare vergadering is nog eens gestemd over de ontvankelijkheid. Ik blijf herhalen wat ik de vorige keer al heb gezegd: dit is een gevaarlijk precedent. Bovendien werd de discussie aan het arrest van het Arbitragehof gekoppeld, dat in de loop van de procedure rond het belangenconflict kon worden verwacht. Hoewel de wet ook daarover niets vastlegt, kan men dat nog redelijkerwijze aanvaarden. Grosso modo verklaarde het Arbitragehof in zijn arrest dat het gelijkheidsbeginsel effectief was geschonden en dat er geen redelijke grond of objectief criterium bestond om, met de taalvereisten die de griffier werden opgelegd, het gelijkheidsbeginsel te schenden. Bijgevolg werd artikel 11 van de wet van 25 maart 1999 vernietigd. Ook over artikel 10, dat de taalvereisten voor de vrederechter en zijn plaatsvervanger vastlegt, verklaarde het Arbitragehof dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, maar dat daarvoor wel degelijk een redelijke grond was. Artikel 10 werd dus niet vernietigd. Jammer genoeg heeft dit ertoe geleid dat sommige leden van de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden van mening waren dat de motie van het Vlaams Parlement in feite niet meer geldig was omdat ze beide artikelen betrof. Ik betreur dus dat we een aantal uren hebben gediscussieerd over de ontvankelijkheid en de procedure in het algemeen, maar dat nagenoeg niemand van de commissie de grond van de zaak heeft onderzocht.

Ik daag de commissieleden dan ook uit eens aan te geven welke gemeenten door de herindeling van de gerechtelijke kantons bij elkaar zijn gevoegd en welke kantons er werden gevormd. De grote meerderheid van hen weet dat niet, omdat het hen gewoon niet interesseert. Als we de zaak even grondig bekijken, merken we dat de herindeling van de gerechtelijke kantons noodzakelijk was. Gemeenten die vroeger autonoom waren, maar deel gingen uitmaken van een groter geheel, behoorden soms nog niet tot het gerechtelijke kanton van dat grotere geheel. Niemand kan tegen een redelijke hergroepering zijn. De vraag is echter waarom zoveel gemeenten in de rand rond Brussel, in een megakanton werden gegroepeerd. Zo is er het voorbeeld van Herne-Sint-Pieters-Leeuw dat één taalgrensgemeente telt, namelijk Bever. Het gevolg is dat de vrederechter van Sint-Pieters-Leeuw verplicht is zijn grondige kennis van de andere landstaal, in casu het Frans, te bewijzen. Dit was nergens voor nodig. Tijdens de voorbereidende werkzaamheden van de taalwetgeving inzake gerechtszaken werd gezegd dat in kantons met een taalgrensgemeente de vrederechter en de griffier de andere landstaal machtig moesten zijn, maar dat die kantons best zo klein mogelijk werden gehouden. Nu komt er een megakanton waardoor de taalvereisten voor de rechter en de facto dus de faciliteiten in gerechtszaken worden uitgebreid en een omvang aannemen die niet meer te verantwoorden is. Omdat het megakanton Herne-Sint-Pieters-Leeuw de taalgrensgemeente Bever bevat, waarvan de bevolking 3,3% van het totale gerechtelijke kanton uitmaakt, moet nu ook de vrederechter van Sint-Pieters-Leeuw bewijzen dat hij een grondige kennis heeft van de andere landstaal.

De commissie en de Senaat zouden het overlegcomité kunnen adviseren de gerechtelijke kantons in dat gebied te hertekenen, zodat het kanton met de taalgrensgemeente Bever veel kleiner wordt. Spijtig genoeg getroosten tachtig of negentig procent van de leden van de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden zich niet eens de moeite om na te gaan over welke gemeenten het gaat.

In feite heeft de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden het voorstel van gemotiveerd advies dat voorligt niet eens goedgekeurd. Op de vergadering van dinsdag jongstleden werd na tien minuten discussie over de grond van de zaak aan de commissieleden de vraag gesteld of de belangen van de Vlaamse Gemeenschap werden geschaad. Het is over die vraag dat gestemd is geworden. De meerderheid en de Franstalige senatoren van de oppositie waren van oordeel dat de belangen van de Vlaamse Gemeenschap niet waren geschaad. Over het voorstel van gemotiveerd advies dat veel verder gaat dan die vraag moest dus nog worden gestemd. Het ging dan ook niet op de woensdagnamiddag alleen maar te reserveren voor de goedkeuring van het verslag.

De voorzitter. - En de vorm van het advies...

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Zoals ik al zei hebben de leden van de commissie de grond van de zaak niet bestudeerd. Ze hebben vooral over procedurekwesties gediscussieerd. Als dat de wijze is waarop de Senaat belangenconflicten behandelt, dan doekt men de instelling beter op.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Na deze twee uitvoerige uiteenzettingen wens ik toch even kort ons ongenoegen te laten blijken over de evolutie van dit dossier dat ontstaan is bij de herinrichting van de gerechtelijke arrondissementen. De Vlamingen en heel wat mensen van VU-ID hebben welwillend aan dit dossier meegewerkt. Op een bepaald moment stelde men vast dat uit deze hervorming een nevenwerking was ontstaan. In de nieuwe omschrijvingen was een tweetaligheid vereist, die eigenlijk niet echt gewild was bij de aanvang van de hervorming van deze wet.

In tegenstelling tot de goede wil die de Vlamingen bij de totstandkoming van deze wet aan de dag legden is er bij de Franstaligen onwil om dit ongewild neveneffect weg te werken. Dat betreur ik ten zeerste. Er is zelfs onwil om een gemotiveerd advies over een belangenconflict te geven. Van de Franstaligen valt het misschien nog te begrijpen, maar ik begrijp helemaal niet dat de Nederlandstaligen niet de moed kunnen opbrengen om zich daartegen te verzetten. Men is er in Brussel niet alleen in geslaagd om tegen de logica in de tweetaligheid van de rechters te laten vallen en een grote groep eentalige rechters aan te stellen, maar nu stemmen de Vlaamse senatoren er ook nog mee in om tweetalige rechters in een aantal Vlaamse kantons te benoemen. Dit voorspelt weinig goeds voor de verdere samenwerking tussen de gemeenschappen.

- De stemming over het voorstel van gemotiveerd advies heeft later plaats.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 6 juli 2000

's ochtends te 10 uur

Vragen om uitleg :

- van mevrouw Nathalie de T' Serclaes aan de Minister van Sociale Zaken en Pensioenen en aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over "de georganiseerde opsporing van borstkanker en de financiering ervan" (nr. 2-178);

- van mevrouw Myriam Vanlerberghe aan de Minister van Sociale Zaken en Pensioenen en aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over "de borstkankerscreening in België" (nr. 2-183);

- van mevrouw Jacinta De Roeck aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en aan de Minister van Sociale Zaken en Pensioenen over "het georganiseerd screenen naar borstkanker in België" (nr. 2-185);

- van mevrouw Sabine de Bethune aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en aan de Minister van Sociale Zaken en Pensioenen over "de systematische opsporing van borstkanker" (nr. 2-190);

- van de heer Paul Galand aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en aan de Minister van Sociale Zaken en Pensioenen over "de problemen rond de strijd tegen borstkanker en meer bepaald de opsporing ervan" (nr. 2-191);

- van mevrouw Magdeleine Willame-Boonen aan de Minister van Sociale Zaken en Pensioenen en aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over "de problematiek van de opsporing van borstkanker" (nr. 2-192);

- van de heer Michiel Maertens aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over "de bescherming van dieren tijdens het vervoer en de naleving van de EU-richtlijnen ter zake" (nr. 2-151).

's namiddags te 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Mondelinge vragen.

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem en van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Gedr. St. 2-477/1. (Pro memorie)

Toe te voegen :

Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op de oprichting van een algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank (van de heer Hugo Vandenberghe c.s.); Gedr. St. 2-441/1.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet (van de heer Jacques Santkin c.s.); Gedr. St. 2-223/1 tot 4.

Vanaf 16.30 : Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Vragen om uitleg :

- van de heer Philippe Moureaux aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over "de mogelijkheid tot het beroep dat België bij het Europees Hof voor de rechten van de mens dient in te stellen wegens strijdigheid van het Echelon-programma met de beginselen van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens" (nr. 2-179);

- van de heer Michiel Maertens aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over "de afwezigheid van een juridische grondslag voor de grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale collectiviteiten en autoriteiten in het kader van Interreg III" (nr. 2-181);

- van de heer Michiel Maertens aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over "de Belgische houding t.o.v. de Democratische Volksrepubliek van Noord-Korea" (nr. 2-182);

- van mevrouw Sabine de Bethune aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over "de doodstraf in de Verenigde Staten" (nr. 2-189);

- van mevrouw Sabine de Bethune aan de Minister van Binnenlandse Zaken over "de aandacht voor gelijke kansen van vrouwen en mannen bij de hervorming van de politiediensten" (nr. 2-175);

- van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de Minister van Binnenlandse Zaken over "de veiligheid in de kerncentrale van Tihange I" (nr. 2-187);

- van de heer René Thissen aan de Minister van Binnenlandse Zaken over "de situatie van de Kosovaarse vluchtelingen" (nr. 2-193);

- van de heer Michiel Maertens aan de Minister van Justitie over "de nieuwe illegale wapentrafieken via de luchthaven van Oostende" (nr. 2-184);

- van de heer René Thissen aan de Minister van Justitie over "het koninklijk besluit inzake DNA-analyse dat zou moeten genomen worden" (nr. 2-194);

- van de heer Vincent Van Quickenborne aan de Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over "de oriëntatienota over de elektronische handel" (nr. 2-177);

- van de heer Vincent Van Quickenborne aan de Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over "de afschaffing van het bonus-malussysteem en het verdwijnen van de automatische vaste tariefsprongen" (nr. 2-180);

- van de heer Frans Lozie aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie over "de naweeën van de ABOS-problemen voor hen die de problematiek aankaartten" (nr. 2-186);

- van de heer Vincent Van Quickenborne aan de Minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over "het veilen van draadloze UTMS-frequenties" (nr. 2-172).

's avonds te 19 uur

Hervatting van de agenda van de namiddagvergadering.

- De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving en van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven (Stuk 2-453) (Evocatieprocedure)

(De stemming nr. 1 werd geannuleerd.)

De voorzitter. - We stemmen eerst over het amendement nr. 5 van de heer Caluwé.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Ik onthoud me bij alle stemmingen die volgen, omdat ik afgesproken ben met de heer Geens.

Stemming nr. 2

Aanwezig: 57

Voor: 18

Tegen: 38

Onthoudingen: 1

- Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming nr. 3

Aanwezig: 57

Voor: 56

Tegen: 0

Onthoudingen: 1

- Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Wetsontwerp tot bepaling van de voorwaarden waaronder de plaatselijke overheden een financiële bijstand kunnen genieten van de Staat in het kader van het stedelijk beleid (Stuk 2-456) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - We stemmen eerst over het amendement nr. 4 van de heer Dallemagne.

De heer Georges Dallemagne (PSC). - Ik verheug me over de initiatieven die op het vlak van de stadsvernieuwing worden genomen. Als er op dat vlak nieuwe wetten of initiatieven worden voorgesteld, is het wel wenselijk dat de subsidies op grond van objectieve criteria worden toegekend. Dat is de strekking van mijn amendementen. Deze werkwijze moet in de wet worden ingeschreven en het bedrag van de toegekende subsidies moet in de overeenkomsten tussen de Federale Staat en de gemeenten worden vermeld. Om de toepassing van subjectieve criteria, de uitoefening van een al te grote discretionaire bevoegdheid en de versnippering van subsidies te voorkomen, moet die verplichting in de wet worden opgenomen. Door objectiviteit en transparantie kunnen onnodige spanningen tussen de gemeenten worden vermeden. Ik handhaaf daarom deze twee amendementen.

Stemming nr. 4

Aanwezig: 57

Voor: 9

Tegen: 43

Onthoudingen: 5

- Het amendement is niet aangenomen.

- Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor het amendement nr. 2 van de heer Dallemagne. Het amendement is dus niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming nr. 5

Aanwezig: 57

Voor: 38

Tegen: 10

Onthoudingen: 9

- Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 24 van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging (van mevrouw Jeannine Leduc c.s., Stuk 2-258)

De voorzitter. - We stemmen eerst over het amendement nr. 13 van mevrouw De Schamphelaere.

Stemming nr. 6

Aanwezig: 57

Voor: 20

Tegen: 29

Onthoudingen: 8

- Het amendement is niet aangenomen.

- Artikel 2 wordt aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsvoorstel in zijn geheel.

Stemming nr. 7

Aanwezig: 57

Voor: 32

Tegen: 17

Onthoudingen: 8

- Het wetsvoorstel is aangenomen.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 73 van de nieuwe gemeentewet (van mevrouw Jeannine Leduc c.s., Stuk 2-119)

Mevrouw Erika Thijs (CVP), corapporteur. - Na samenspraak met de voorzitter en de secretaris van de commissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administratieve Aangelegenheden zijn we het erover eens dat er een vergissing werd gemaakt bij het opnemen van de stemmen over het subamendement van de heer Dallemagne. De werkelijke uitslag was: zes stemmen voor bij vijf onthoudingen. Ik stel dan ook voor deze rechtzetting in de Handelingen te vermelden en de tekst aangenomen door de commissie in deze zin aan te passen.

De voorzitter. - De heer Dallemagne heeft ons erop gewezen dat hij het gevoel had dat zijn amendement in de commissie was goedgekeurd. Na overleg met mevrouw Lizin, de rapporteurs en de commissiesecretaris, blijkt dat inderdaad zo te zijn. Het gaat dus om een materiële vergissing in het verslag.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Dat blijkt inderdaad zo te zijn. Maakt het in de commissie goedgekeurde amendement nu deel uit van de tekst van het voorstel waarover we nu gaan stemmen en stemmen we dus niet over het amendement?

De voorzitter. - Ik stel voor te stemmen over de tekst zoals de commissie hem ons had moeten voorleggen, d.i. inclusief het amendement van de heer Dallemagne dat bepaalt dat personen die bloed- of aanverwant zijn tot en met de derde graad, geen lid kunnen zijn van eenzelfde college van burgemeester en schepenen. Het is dus de tweede graad voor de gemeenteraad en de derde graad voor het college.

Stemming nr. 8

Aanwezig: 56

Voor: 55

Tegen: 0

Onthoudingen: 1

- Het wetsvoorstel is aangenomen.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

- De goedkeuring van het wetsontwerp impliceert dat het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 73 van de nieuwe gemeentewet, betreffende het verbod voor bloed- en aanverwanten om in dezelfde gemeenteraad zitting te nemen (van de heer Patrik Vankrunkelsven, Stuk 2-168) en het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 73 van de nieuwe gemeentewet (van de heer Chokri Mahassine, Stuk 2-205) vervallen.

Wetsontwerp tot wijziging, wat de door de werkgevers verschuldigde bijdrage voor werkloosheid wegens economische oorzaken betreft, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers (Stuk 2-452) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - We stemmen eerst over het amendement nr. 1 van mevrouw De Schamphelaere en de heer Kelchtermans.

Stemming nr. 9

Aanwezig: 54

Voor: 10

Tegen: 35

Onthoudingen: 9

- Het amendement is niet aangenomen.

- Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor het amendement nr. 2 van mevrouw De Schamphelaere en de heer Kelchtermans. Het amendement is dus niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming nr. 10

Aanwezig: 54

Voor: 38

Tegen: 0

Onthoudingen: 16

- Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Belangenconflict tussen het Vlaams Parlement en de Kamer van volksvertegenwoordigers over het wetsontwerp tot wijziging van het bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 2-442)

De voorzitter. - We stemmen nu over het voorstel van gemotiveerd advies.

Stemming nr. 11

Aanwezig: 53

Voor: 39

Tegen: 13

Onthoudingen: 1

- Het voorstel van gemotiveerd advies is aangenomen.

- Het zal worden overgemaakt aan de eerste minister en aan de voorzitters van het Vlaams Parlement en van de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Vraag om uitleg van mevrouw Marie Nagy aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer over «het plan om de lijn 124 op 3 of 4 sporen te brengen in het kader van de ontwikkeling van het gewestelijk expresnet» (nr. 2-173)

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Het GEN-project ligt de minister nauw aan het hart liggen en is volgens sommigen de oplossing voor de verkeersinvasie van Brussel en van de rand. Het project dreigt echter ook de stadsvlucht opnieuw aan te moedigen doordat de voorsteden beter bereikbaar worden. Opdat dit project gunstig zou worden onthaald, moet de eventuele negatieve weerslag ervan op de leefkwaliteit in sommige Brusselse wijken zoveel als mogelijk worden beperkt.

Verscheidene aspecten van het project van de N.M.B.S., zoals weergegeven in een document met de titel "Mobiliteit om en in Brussel", kwamen reeds ter sprake in de commissie voor de Financiën. Ik zal vandaag alleen vragen stellen over het voorstel van de N.M.B.S. om lijn 124 tussen Nijvel en Brussel op 4 sporen te brengen. Op grond van de effectenstudie en van de bouwvergunning kunt u wellicht een correcte inschatting maken van de weerslag van de werken tussen Nijvel en Linkebeek. Vanaf Linkebeek dringt lijn 124 echter een stedelijk gebied binnen en moeten heel wat gebouwen worden afgebroken om de aanleg van het derde en vierde spoor mogelijk te maken. Op een persconferentie georganiseerd door verenigingen als Interenvironnement, NoMo en de vereniging voor de renovatie van het station Ukkel-Stalle hebben de inwoners van Brussel hun ongerustheid uitgedrukt over de weerslag van het project en werden pertinente vragen gesteld. De minister kan vandaag eenieder geruststellen die begaan is met de leefkwaliteit en de inspraak van de burgers.

Voor de uitvoering van het project moeten er inderdaad woningen, verscheidene kunstwerken en stations, waaronder het geklasseerde en inmiddels verkochte station van Ukkel-Stalle worden afgebroken. De nieuwe bestemming van het stationsgebouw komt daardoor overigens in het gedrang.

Er zijn alternatieve oplossingen mogelijk. Op de interpellatie van mevrouw Evelyne Huyttebroeck op 24 mei jongstleden heeft uw collega, minister Chabert, geantwoord dat het op vier sporen brengen van lijn 124 in stedelijk gebied nog geen ontwerp was, maar enkel een idee, dat nog niet verder was onderzocht. Kunt u dat bevestigen? Als het slechts om een idee gaat, kan dan in de fase van de haalbaarheidsstudies niet worden gezocht naar de alternatieve oplossingen die hetzelfde resultaat bereiken met de minste negatieve weerslag?

Met eenzelfde resultaat bedoel ik uiteraard de verhoging van de frequentie van de treinen tussen Nijvel en Brussel-Zuid.

Het voorstel dat verder moet worden bestudeerd, is een dubbele bediening, zowel via lijn 124 als via lijn 26. Er kunnen dan méér treinen worden ingezet. Lijn 124 wordt nu trouwens minder druk bereden dan vóór het IC/IR-plan.

In februari 2000 heeft mevrouw Laloy u vragen gesteld over het op vier sporen brengen van lijn 124. U hebt toen geantwoord dat u een studie overwoog en dat de N.M.B.S. moest aantonen dat alternatieve oplossingen ontbraken alvorens het project kon worden opgenomen in het tienjarenplan. Zijn er inmiddels nieuwe elementen bekend?

Het college van de gemeente Ukkel heeft een ongunstig advies uitgebracht over de viersporigheid.

Als men erin slaagt de bediening te verbeteren door twee spoorlijnen te berijden in de plaats van grote werken uit te voeren aan één lijn, dan zullen zowel de treingebruikers als de omwonenden tevreden zijn. Anders krijgen de Brusselaars nog meer de indruk dat zij onvoldoende worden gehoord, zelfs over projecten die in de eerste plaats hen aanbelangen.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. - Het document "Task Force - Mobiliteit in en om Brussel - Voorstellen van de N.M.B.S." is een N.M.B.S.-document dat niet met het GEN-project mag worden verward.

De GEN-groep op hoog niveau werd door de interministeriële conferentie belast met het actualiseren en het afronden van het GEN-project in en rond Brussel. De groep van experts waarvan sprake in de regeringsbeslissing en die wordt belast met de actualisering van het financieel plan en van het aanbod en de doelstelling van het GEN, is het bureau Sustrat, dat reeds de eerste studies heeft gerealiseerd in 1991.

Het GEN-project kwam hier ter sprake naar aanleiding van de vraag van mevrouw Laloy. Het gaat inderdaad om een project inzake vervoersaanbod en een reeks begeleidende maatregelen om het gebruik van het openbaar vervoer aan te moedigen.

Het GEN-aanbod vergt noodzakelijkerwijze een studie van de vereiste middelen, waaronder met name, maar niet uitsluitend de infrastructuur.

Een belangrijk aspect van de verbetering van het transportaanbod is de verhoogde bedieningsfrequentie. Op dit ogenblik is de frequentie bijzonder laag. In alle stations van het gewest zullen de Brusselaars gebruik kunnen maken van een zeer snel openbaar vervoer - zes minuten rijden van Ukkel-Stalle naar Brussel-Zuid - met een frequentie die vergelijkbaar is met die van de M.I.V.B. De stations en de treinen dienen ook voor de verplaatsingen binnen de stad.

Een ander voordeel is de vermindering van het wegverkeer: automobilisten zullen hun wagen laten staan en zowel vanuit de voorsteden als in de stad zelf gebruik maken van het openbaar vervoer. ingevolge de begeleidende maatregelen die in het GEN-project zijn opgenomen.

De mogelijkheid om de frequentie op lijn 124 te verhogen, zal worden onderzocht en er zullen maatregelen worden genomen op korte termijn, zonder te wachten op eventuele nieuwe infrastructuur.

Een belangrijk hoofdstuk van het GEN-project zal korte-termijnmaatregelen bevatten die erop gericht zijn de infrastructuur, het rollend materieel en het personeel optimaal te gebruiken. De eerste maatregelen zullen worden bestudeerd bij de herziening van het N.M.B.S.-vervoersplan. De herziening is overeengekomen in het tweede aanhangsel bij het beheerscontract.

Er zal worden onderzocht of er nieuwe infrastructuur nodig is, waarbij ernaar wordt gestreefd de bestaande infrastructuur optimaal te gebruiken en nieuwe infrastructuur te beperken tot wat nodig is voor het GEN en voor de andere treinen die Brussel bedienen.

Het lijkt me aangewezen om een studiebureau een globale studie te laten uitvoeren over de vervoerscapaciteit van het spoorwegnet en dit bureau te laten onderzoeken of de bestaande infrastructuur aangepast is aan de toekomstige treindienst. De Brusselse Hoofdstedelijke Raad heeft hier trouwens onlangs in een resolutie op aangedrongen. Ik zal die studie laten aanvatten in het kader van het samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat en het Brussels Gewest.

Volgens dezelfde logica zal ook worden onderzocht welke mogelijkheden worden geboden door een derde spoor, inhaalsporen, het seinstelsel, de procedures bij aankomst en vertrek van de treinen. Er zal ook rekening worden gehouden met de dynamische kenmerken van aangepast modern rollend materieel.

Ik bevestig dat tot op heden nog geen enkele studie werd uitgevoerd.

De regering heeft de N.M.B.S. wel gevraagd om zo snel mogelijk de dossiers voor te bereiden voor het bekomen van de bouwvergunningen voor het op vier sporen brengen van lijn 124 tot in Nijvel. Het gaat om werken die nodig zijn als de lijn wordt verbreed. Deze vraag betekent echter niet dat het ook nodig is de lijn of gedeelten ervan op vier sporen te brengen.

Tussen Nijvel en Moensberg zullen meer treinen rijden dan tussen Moensberg en Brussel-Zuid. De capaciteit hoeft dus niet overal dezelfde te zijn.

Ook elementen die moeilijk in geld kunnen worden uitgedrukt - zoals eerbied voor het patrimonium en het leefmilieu - zullen meespelen bij het nemen van de beslissingen.

Ten gronde wijkt mijn standpunt niet af van de logica die werd gevolgd bij de GEN-werken, met name dat de behoefte aan infrastructuur wordt bepaald door het aanbod, d.w.z. de treindienst. De eerste aanwijzingen waarover ik beschik, bevestigen geenszins de noodzaak om het baanvak Ukkel-Brussel-Zuid op vier sporen te brengen.

Het GEN moet ook een vervoersmiddel zijn binnen de stad. Er moeten stopplaatsen bijkomen, onder andere bij Diesdelle in Ukkel, zoals opgenomen in het tweede aanhangsel bij het beheerscontract.

In het tienjaren-investeringsplan, dat tegen de herfst klaar moet zijn om vanaf januari 2001 te kunnen worden uitgevoerd, zullen infrastructuurwerken voor de GEN worden opgenomen.

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Ik dank de minister voor dit bijzonder interessante antwoord waaruit een globale benadering van het dossier blijkt. De verbetering op korte termijn van de verbindingen op deze lijn, waarop maar één trein per uur rijdt, is positief. De bestaande infrastructuur maakt een frequentie van drie treinen per uur mogelijk. Dit komt tegemoet aan de wens van de reizigers en vergt geen nieuwe infrastructuur. Alleen moeten we nog precies te weten komen wat wordt bedoeld met de uitdrukking "op korte termijn", want de gebruikers worden ongeduldig.

Twee beslissingen zorgen trouwens voor onrust. Eerst en vooral de beslissing van de interministeriële conferentie voor de infrastructuur van 30 maart 1999 en vervolgens de regeringsbeslissing van 12 februari 2000 die de eerste beslissing bevestigt. Onzekerheid moet zo snel als mogelijk uit de wereld worden geholpen. Ik hoop dat de resultaten van de studies spoedig zullen worden medegedeeld, hetzij in plenaire vergadering, hetzij in commissie, en dat de verhoging van de frequentie werkelijkheid wordt.

- Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de tewerkstelling van vrouwen bij de brandweer» (nr. 2-165)

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Slechts ongeveer één procent van de tewerkgestelden bij de brandweer, zijn vrouwen. Daarvoor zijn er belangrijke redenen, onder meer de zware fysieke taken die met deze job gepaard gaan, het moeizaam integreren van vrouwen in de mannencultuur, de vraag naar typische mannelijke diploma's zoals mechanica en elektronica, de vrij recente openstelling van die job voor vrouwen, de moeilijke combinatie met een sociaal- en gezinsleven.

De Raad voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen heeft bij alle brandweerkorpsen een enquête gehouden over de aanwezigheid van vrouwen binnen hun diensten. Dat heeft een vrij interessant beeld gegeven van de aanwezigheid van vrouwen bij de brandweer en van de moeilijkheden die zij er ondervinden.

Op basis van deze peiling heeft de raad, op zeven april jongstleden, een advies uitgebracht over de ondervertegenwoordiging van vrouwen bij de brandweerkorpsen. Ik heb deze enquête gebruikt als basis voor mijn vraag om uitleg, omdat ik geen weet heb van ander onderzoek in verband met deze problematiek. De enquête werd naar 250 Belgische brandweerkorpsen gestuurd; 130 korpsoversten, dus meer dan vijftig procent, hebben geantwoord.

Uit de enquête blijkt ook dat op een totaal van 16.342 brandweerlui er slechts 154 vrouwen zijn, dus één procent. Een ander belangrijk gegeven is dat amper één brandweerkorps op twee, vrouwen tewerkstelt. In de helft van de brandweerkorpsen zijn tot op vandaag dus geen vrouwen tewerkgesteld. Deze cijfers inspireren mij om de minister een aantal vragen te stellen.

Uit de hierboven aangehaalde cijfers blijkt dat de aanwezigheid van vrouwen bij de brandweer nog lang geen vanzelfsprekendheid is, om het eufimistisch uit te drukken. Vanuit het oogpunt dat de brandweer, als openbare dienst, de weerspiegeling moet zijn van de samenleving in haar geheel, moeten dringend concrete maatregelen worden genomen teneinde op alle niveaus en in alle diensten een evenwichtige aanwezigheid van vrouwen te bekomen. Het is helemaal niet mijn bedoeling om te pleiten voor een fifty-fifty-verhouding. Mensen moet de kans worden gegeven om het beroep uit te oefenen dat ze graag en goed kunnen uitoefenen. Uit de grote ondervertegenwoordiging blijkt dat er drempels bestaan voor vrouwen. Dit kan niet meer in de éénentwintigste eeuw. Graag vernam ik de mening van de minister over de stelling dat openbare diensten tot op zekere hoogte een weerspiegeling van de samenleving moeten zijn. Zou een grotere vertegenwoordiging van vrouwen bij de brandweer ook niet de kwaliteit van de dienstverlening ten goede komen? De politiediensten staan een heel stuk verder met de aanwerving van vrouwen, hoewel daar ook nog grote inspanningen moeten worden geleverd. Uit hun ervaring blijkt alleszins dat een evenwichtiger verhouding tussen vrouwen en mannen, een positieve invloed heeft op de kwaliteit van de dienstverlening en op de sfeer binnen het korps.

Hoe verklaart de minister het geringe aantal vrouwen bij de brandweerdiensten? Beschikt de minister over studiemateriaal dat wij niet kennen?

Welke beleidsmaatregelen zal hij nemen om hierin verandering te brengen?

Denkt de minister niet dat de proeven inzake lichamelijke geschiktheid aangepast moeten worden voor vrouwen? Niet dat de proeven anders moeten zijn voor vrouwen dan voor mannen: de aanwervingsproeven moeten sekseneutraal worden gemaakt. Dat is enkele jaren geleden gebeurd bij de politiediensten, waar de fysieke proeven werden aangepast opdat ze niet discriminerend zouden zijn voor het ene of het andere geslacht.

Uit de studie blijkt dat de stagecommissies bijna uitsluitend zijn samengesteld uit mannen. In slechts 14 van de 103 stagecommissies vindt men één of meerdere vrouwen terug. In 89 commissies is dus geen enkele vrouw aanwezig. Dit beantwoordt niet meer aan de realiteit.

Acht de minister het niet aangewezen dat voor de samenstelling van deze commissies de tweederderegel, waarbij ten hoogste 2/3 van de leden van organen van hetzelfde geslacht mogen zijn, zou worden toegepast? Voor andere niveaus is de regering deze regel genegen, er kan dus geen probleem rijzen.

Zal de minister maatregelen nemen om het gezins- en beroepsleven van het brandweerpersoneel beter op elkaar af te stemmen?

Dit is toch een prioriteit in onze moderne samenleving.

Welke mogelijkheden bestaan nu reeds om deeltijds te werken, ouderschapsverlof of loopbaanonderbreking te nemen?

Ik vermoed dat deze rechten bij de brandweer onvoldoende gewaarborgd zijn. Een en ander stemt niet overeen met de moderne tewerkstellingscultuur voor zowel vrouwen als mannen.

Op de vraag of er binnen het korps een reglementering werd opgesteld om het personeel te beschermen tegen ongewenste intimiteiten op het werk, antwoordden 108 korpsen op de 130 dat dit niet het geval was. Dat valt ten zeerste te betreuren, te meer daar de openbare diensten een voorbeeldrol hebben te vervullen op dat vlak. De kaderwet kwam reeds jaren geleden tot stand. Het zou goed zijn dat zij ook wordt toegepast bij de brandweer en de gemeentepolitie.

Uit de studie blijkt ook dat slechts 29% van de brandweerkazernes, 28 op 130, zijn uitgerust met afzonderlijke voorzieningen als verkleedruimtes, toiletten en douches, voor vrouwelijk personeel. Dit is een flagrante overtreding van het ARAB. Hoe wil men nu bij de brandweer vrouwen aanwerven wanneer zij niet over de aangepaste infrastructuur kunnen beschikken?

Welke maatregelen zal de minister nemen om dit te corrigeren?

Ik kijk met spanning uit naar de toelichting bij de beleidsintenties van de minister.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik ben er voorstander van dat vrouwen worden aangemoedigd om bij de brandweer in dienst te treden, voor zover zij dat zelf willen en over de nodige bekwaamheid beschikken, rekening houdend met de risico's van het beroep.

Kenmerkend voor het optreden van de brandweerdiensten is snelheid en die vereist permanente en onmiddellijke beschikbaarheid.

Een brandweerman verricht traditioneel ook zeer zware arbeid. Dank zij de ontwikkeling van de technologie wordt een gedeelte van het zware werk door modern materiaal overgenomen, maar toch blijft de fysieke belasting zeer zwaar. De reglementaire individuele beschermkledij en ademhalingsapparatuur weegt tussen 20 en 25 kilo. De brandweerlieden zijn verplicht die uitrusting te dragen gedurende de hele interventie. Ook het gebruikte materiaal is zwaar; sommige delen van het gereedschap moeten zelfs door twee personen gehanteerd worden.

Het doel van de lichamelijke proeven die deel uitmaken van de aanwervingsprocedure, is niet de kandidaten af te schrikken, maar wel mensen te selecteren die dit zware werk aankunnen zonder hun eigen gezondheid en veiligheid in gevaar te brengen.

Dit wil nog niet zeggen dat die proeven in hun huidige vorm niet vatbaar zouden zijn voor kritiek. Ook de - overwegend mannelijke- brandweerlieden bepleiten een herziening ervan naargelang van de opdracht en de leeftijd. Ik denk dat een wetenschappelijke studie hierover aangewezen is.

Wat de rekrutering door de gemeenteraden betreft, is het zo dat vrouwen daar gelukkig beter in vertegenwoordigd zijn dan bij de brandweerkorpsen zelf.

De stagecommissies die de prestaties van de stagiairs moeten beoordelen zijn vanzelfsprekend samengesteld uit leden van de brandweerdiensten. Als daar geen vrouwen deel van uitmaken, kunnen ze dus ook niet in de commissie zitten en daar kan ik met een circulaire niets aan veranderen. Beroepsbrandweerlieden zijn gemeenteambtenaren en hebben dus alle voordelen die dit statuut biedt. De meesten onder hen werken in een continu-stelsel, d.w.z. 24 uur werken gevolgd door 48 uur rust. Het klopt dat zeer weinig brandweerlieden loopbaanonderbreking of familiaal verlof nemen of deeltijds werken. De toepassing van die maatregelen zou de kostprijs van de brandweerdiensten aanzienlijk verhogen, al was het maar doordat bijkomend personeel moet worden aangeworven.

Elke brandweerman, zowel een beroepsbrandweerman als een vrijwilliger, moet over zijn eigen beschermkledij beschikken. Die uitrusting kost algauw 100.000 frank.

Bovendien moet elke brandweerman opgeleid worden. De evaluatie van die opleiding is moeilijker zodat ik niet over gedetailleerde cijfers beschik. Wat ik met deze voorbeelden wil aantonen, is het prijskaartje van sommige voorstellen.

Voldoende praktijkervaring is ook een wezenlijke voorwaarde voor de kwaliteit van de dienstverlening. Daarom komt de mogelijkheid om deeltijds te werken weinig voor in de brandweerdiensten.

Inzake ongewenste intimiteiten heb ik van één geval kennis gekregen. De slachtoffers waren allen mannen. De geldende wetgeving legt het opstellen van een intern reglement op. Daarin moeten de rechten en plichten van eenieder en een tuchtreglement zijn opgenomen. De gemeenten moeten hiervoor de nodige maatregelen treffen.

U heeft gelijk wat de sanitaire installaties in de kazernes betreft. Ik zal zien wat ik hieraan kan veranderen binnen de grenzen van mijn bevoegdheden.

Tot slot wil ik nog zeggen dat de opdrachten van een moderne brandweerdienst veel uitgebreider zijn dan alleen het blussen van branden. Preventie en het beheer van de dienst zelf zijn van steeds groter belang. In die domeinen zijn er wellicht meer taken die door vrouwen kunnen worden ingevuld. Ik het kader van de hervorming van de civiele veiligheid zal ik bijzondere aandacht besteden aan de rekrutering van vrouwen bij de brandweerdiensten.

Niet alle mannen en vrouwen beschikken over de vereiste mentale en fysieke eigenschappen om brandweerman te worden. Bij de organisatie van de dienst en bij de aanwerving van het personeel moeten twee prioriteiten voor ogen gehouden worden: de veiligheid van de bevolking en die van het interventieteam. Wij moeten ons laten leiden door het principe dat de veiligheid in geen geval in gevaar mag worden gebracht door een gebrek aan fysieke paraatheid van een lid van het team, weze het een man of een vrouw.

Als u meer details wenst over de ongewenste intimiteiten waarvan een groep mannelijke brandweerlieden het slachtoffer is geweest, kan ik u die bezorgen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). -Het verheugt mij de minister te horen bevestigen dat hij geen vooroordelen heeft tegen de aanwezigheid van vrouwen in de brandweerkorpsen, maar daaraan twijfel ik niet.

Ik deel zijn mening dat een moderne brandweerdienst een diversiteit aan talenten vereist, waardoor de vrouwen in de toekomst meer kansen kunnen krijgen..

Ik noteer dat de minister zich engageert om, in het kader van de hervorming van de civiele bescherming, specifiek aandacht te besteden aan een grotere aanwerving van en gelijke kansen voor vrouwen bij de brandweer. Ik pleit er voor die beleidsintenties te concretiseren in een genderbeleidsnota. De minister weet dat er een belangrijke senaatsdelegatie naar New York is geweest voor de Peking+5-conferentie van de Verenigde Naties. Vice-eerste minister Onkelinx heeft ons medegedeeld dat de regering zich engageert om een mainstreamingsbeleid te voeren. Dat betekent dat de minister in zijn eigen departement systematisch meer aandacht zal moeten hebben voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen.

In de mainstreaming gendernota van Binnenlandse Zaken kan gerust een hoofdstuk worden besteed aan een grotere aanwezigheid van vrouwen bij de brandweer.

Wat betreft de fysieke proeven is er bij de politie een grote know-how opgebouwd. Ik ben ervan overtuigd dat die ook voor de brandweer kan worden gebruikt om zowel vrouwen als mannen tegemoet te komen. Het is correct dat mannen meer fysieke kracht hebben dan vrouwen, maar het is statistisch bewezen dat vrouwen veel soepeler zijn dan mannen. Dat heeft zijn belang in het geheel van de brandweeroperaties. Bovendien, en gelukkig, wordt het gebruikte materiaal steeds lichter.

Ik wil nog een bedenking maken bij de aanwezigheid van vrouwen in de stagecommissies. Het is waar dat vrouwen niet vertegenwoordigd zijn bij het deskundig personeel dat specifiek over brandweeraangelegenheden kan oordelen. Als er in die commissies naar een zekere diversiteit wordt gestreefd, kunnen er aanvullende competenties voor vrouwen worden gevonden. Dat kan in de commissies een heel nieuwe sfeer creëren, een andere cultuur invoeren en de kwaliteit ervan verhogen.

Ik wil even blijven stilstaan bij het aspect gezin en arbeid. De minister legt terecht de nadruk op de nood aan beschikbaarheid van het personeel wanneer het over veiligheid gaat. Ik vestig er toch even de aandacht op dat hetzelfde geldt voor ziekenhuizen, voor de dienst 100, voor de dringende opvang in ziekenhuizen, enzovoort, en dat vrouwelijke artsen en verpleegsters in die diensten zeer sterk vertegenwoordigd zijn. Zij slagen er wel in hun beroep met hun gezin te combineren, precies omdat er in de organisatie van het werk aan dat aspect aandacht wordt besteed. Diezelfde cultuur kan bij de brandweer perfect worden ingevoerd, maar dan moet de wil er zijn om rekening te houden met de familiale toestand van eenieder. Ik weet wel dat dit geld zal kosten, maar ik vind dit geen geldig bezwaar. We gaan immers naar een samenleving waarin we bereid moeten zijn om een prijs te betalen voor de harmonie tussen gezins- en beroepsactiviteiten. Wanneer die prijs niet op de werkvloer wordt betaald, moet hij in het gezin worden betaald, want er is altijd iemand die betaalt voor de combinatie gezin en arbeid. In de emancipatorische visie op de arbeidsmarkt is het normaal dat die kost voor een deel solidair door de hele samenleving wordt gedragen.

Tot slot pleit ik voor een mentaliteitsverandering in het algemeen. Een grotere aanwezigheid van vrouwen kan de brandweerdiensten alleen maar ten goede komen, maar ik heb begrepen dat de minister hiervoor open staat en ik kijk uit naar zijn concrete voorstellen dienaangaande.

- Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Frans Lozie aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de regeling voor de veiligheidscontracten vanaf 2001» (nr. 2-159)

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Tijdens de vorige legislatuur werd er door de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Johan Vande Lanotte via de veiligheidscontracten heel wat geld ter beschikking gesteld van de gemeenten om preventie- en laagdrempelige hulpverlening in de drugsproblematiek uit te bouwen. Niettegenstaande hierbij heel wat verdienstelijk werk werd geleverd, lijden een aantal van deze projecten sterk onder het statuut van de medewerkers. Vaak gaat het om projecten waarbij het personeel jaarlijks een contractverlenging moet krijgen. Dat is bijzonder nadelig voor de continuïteit van het project, maar ook voor de kwaliteit van het personeel zelf. De huidige krapte op de arbeidsmarkt leidt ertoe dat heel wat goed personeel naar ander, meer zeker werk solliciteert. Zeker in de laagdrempelige drugshulpverleningssector, die zo dicht mogelijk bij de doelgroep zit, is ervaring noodzakelijk. Wanneer de betrokken mensen niet lang genoeg in dat werk kunnen blijven, is dat nadelig voor de kwaliteit van het werk.

Het drugsplan van de nieuwe regering zal pas in het najaar klaar zijn. Dat is te laat om nog invloed te hebben op de begrotingsbesprekingen voor 2001 die binnenkort beginnen. In het raam van de nieuwe filosofie in het drugbeleid zou het logisch zijn dat een deel van de middelen die hiervoor via de veiligheidscontracten van Binnenlandse Zaken werden ter beschikking gesteld, overgeheveld worden naar de begroting Volksgezondheid, het departement dat nu het drugsbeleid coördineert. Maar voor deze operatie moet er eveneens worden gewacht op het nieuwe geïntegreerd drugsplan. Het is pas met dit plan dat men weet welke middelen naar waar moeten gaan.

Is de minister bereid om zijn budget voor de veiligheidscontracten uit het verleden op te delen in een politioneel deel enerzijds en een deel hulpverlening en preventie anderzijds, waarbij dit laatste deel kan worden doorgespeeld naar andere departementen? Voor mij mag het totale budget zodanig stijgen dat het deel Binnenlandse Zaken niet hoeft te verminderen. Het aspect hulpverlening en preventie hoort in elk geval meer thuis bij volksgezondheid en het zou goed zijn dat dit ook zo zou gebeuren in de begroting.

Is de minister bereid op zeer korte termijn voor de lopende contracten de continuïteit voor het jaar 2001 te waarborgen zodat de uittocht uit de sector kan worden beperkt en de beperkte maar zeer nuttige ervaring die thans op het terrein ontstaat, behouden kan blijven? Een signaal van de regering hierover is dringend noodzakelijk. De hoofdbedoeling is dat de mensen die nu in onzekere statuten zitten, een signaal krijgen van de federale overheid dat ze er volgend jaar kunnen voortwerken en kunnen stoppen met zoeken naar ander werk.

Kan de minister mij meedelen welke middelen de voorbije jaren via het Globaal Plan Drugs vanuit de federale overheid werden ter beschikking gesteld en hoeveel daarvan via de begroting Binnenlandse Zaken en hoeveel via het RIZIV en de RIZIV-conventies ging? Daar bestaat op het terrein geen duidelijkheid over omdat dat erg versnipperd is. Kan de minister daarover meer duidelijkheid geven?

(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)

De heer Paul Galand (ECOLO). - Als huisarts heb ik een jarenlange praktijkervaring in volksbuurten als Schaarbeek en ook als lid van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad heb ik deze problematiek van nabij gevolgd.

Vooral voor de drugsverslaafden is het belangrijk dat er een duidelijk onderscheid bestaat tussen de preventie uit veiligheidsoverwegingen en de medico-sociale preventie.

Voor mensen met een gebrekkige persoonlijkheidsstructuur, onvoldoende inzicht in de verschillende domeinen van hun leefwereld, een te vaag normbesef en een ontoereikend maatschappelijk bewustzijn is de onduidelijke structuur van de preventie een bijkomend alibi waarachter zij zich verschuilen om hun problemen niet aan te pakken.

Ook voor de medico-sociale werkers zelf is het van groot belang te weten wie de verantwoordelijkheid draagt voor welk soort preventie. Dit betekent niet dat er geen overleg kan zijn. Ik wil er alleen op wijzen dat een duidelijk onderscheid de doeltreffendheid van de verschillende preventieve acties en van eventueel overleg en samenwerking bevordert. Ik zeg niet dat de preventie uit veiligheidsoverwegingen minder belangrijk zou zijn dan de medico-sociale preventie.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Vooreerst wil ik de heer Galand geruststellen. Er mag geen verwarring bestaan tussen enerzijds de interventies van de politie en de politiepreventie en anderzijds de medico-sociale of socio-culturele preventie. Zij vullen elkaar aan. We moeten er alleen op letten dat coherent wordt opgetreden.

Zowat 3000 contractuelen doen aan dit soort preventie. We moeten ervoor zorgen dat zij over de nodige bekwaamheid beschikken en zich aan een deontologische gedragscode houden, maar er is zeker geen verwarring.

Mijn antwoord aan de heer Lozie is dat de filosofie van het federaal drugsbeleidsplan er niet in bestaat alle budgettaire middelen voor de preventie van drugsverslaving samen te brengen onder de minister voor de Volksgezondheid, maar wel een gecoördineerd en geïntegreerd beleid af te spreken onder de betrokken ministers zodat dit onrustwekkend fenomeen op doeltreffende wijze kan worden aangepakt.

Als minister van Binnenlandse zaken belast met het veiligheids- en preventiebeleid zal ik binnen de grenzen van mijn begroting uitvoering moeten geven aan een reeks initiatieven en prioriteiten die door de regering werden vastgelegd.

Meer bepaald met betrekking tot de bestaande drugspreventieprojecten in de verschillende veiligheids- en preventiecontracten wil ik u geruststellen. Het ligt helemaal niet in mijn bedoeling dit luik te schrappen. Het is mijns inziens van fundamenteel belang en het wordt op behoorlijke wijze uitgevoerd.

Uit de evaluatie, die ik binnenkort aan de regering zal voorleggen, blijkt dat sommige drugspreventieprojecten kwalitatief moeten worden bijgestuurd. Die verbeteringen zullen worden uiteengezet in een globale evaluatie, die aan alle gemeenten zal worden bezorgd, en in een handleiding die tot doel heeft de verschillende begrippen en methodologische stappen bij de uitvoering van geïntegreerde preventie- en veiligheidsprojecten te verduidelijken.

Over het algemeen scoren de drugspreventieprojecten goed. Ons doel is ze nog te verbeteren.

Het federaal drugsbeleidsplan is nog niet klaar. Ik kan dan ook niet zeggen over hoeveel middelen ik voor de uitvoering ervan zal kunnen beschikken. Er is geen reden om die middelen te verminderen en als de regering zou beslissen om mij meer middelen te geven, zal ik daar uiteraard blij mee zijn.

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Aan het belangrijkste doel van mijn vraag is vandaag voor een stuk tegemoetgekomen, vooral voor de mensen op het terrein die in onzekerheid leven en wellicht nog niet wisten dat de minister wat op het terrein gebeurt als kwalitatief goed bestempelt. De minister engageert zich er ook toe terzake niets te schrappen en inspanningen te doen om de kwaliteit nog te verbeteren. Als het van hem afhangt kan deze hulpverlening op dezelfde aandacht blijven rekenen. Dit is op dit ogenblik een vrij belangrijk signaal voor de sector.

- Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de verwijderingen van de Roma-zigeuners» (nr. 2-168)

Mevrouw Erika Thijs (CVP). - Het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft in april besloten over te gaan tot een verwijderingsmaatregel tegen uitgeprocedeerde Slovaakse en Bulgaarse Roma die zich zonder geldige verblijfsdocumenten in België bevinden. In theorie zouden de eerste verwijderingen van Roma die in Gent verblijven, plaatsvinden op 19 juni 2000.

Een eerste collectieve repatriëring vond plaats in oktober 1999. Een aantal gezaghebbende organisaties toont in rapporten nochtans aan dat Roma frequent slachtoffer zijn van mensenrechtenschendingen en verregaande discriminaties. Bovendien is het duidelijk dat de garanties op het vlak van huisvesting en sociale begeleiding, die werden beloofd bij de vorige verwijderingsoperatie gericht tegen de Slovaakse Roma in oktober 1999, geenszins werden gerealiseerd.

Wordt met het oog op het humanitair karakter van de verwijderingen wel genoeg rekening gehouden met een aantal sociale gevolgen van de verwijderingsmaatregel voor de betrokkenen? Welke garanties zijn er voor de betrokkenen in Slovakije na hun terugkeer met het oog op de erkenning van in België geboren kinderen, de toegang tot het onderwijs van kinderen die in België school hebben gelopen, en meer in het algemeen, op het vlak van het respect van de mensenrechten in de Slovaakse maatschappij?

Zou het niet beter zijn eerst de sociale opvang van de gerepatrieerden van oktober 1999 te controleren en te evalueren en indien nodig aanvullende maatregelen te nemen, alvorens tot nieuwe verwijderingen over te gaan?

De heer Georges Dallemagne (PSC). - Negen maanden na de betwistbare en betwiste uitwijzing van 74 Slovaakse zigeuners heeft de regering beslist tot een nieuwe golf van uitwijzingen van uit Slovakije en Bulgarije afkomstige zigeuners. Het zou nu om 800 tot 1500 personen gaan.

De zigeuners lijken het mikpunt te zijn van het uitwijzingsbeleid van de regering. Men loopt daardoor het risico die mensen te brandmerken en de afkeer van een deel van onze bevolking aan te wakkeren. Het heeft trouwens iets choquerends een groep aan te pakken die kwetsbaar is omdat hij geïsoleerd is, geen bescherming en steun geniet en met de vinger wordt gewezen, zelfs al zijn bepaalde verenigingen voor hen opgekomen. Het is ook choquerend mensen terug te sturen naar hun land, terwijl men weet dat ze er worden gediscrimineerd. Alle humanitaire verenigingen zijn het daarover eens en ik zelf kan dat getuigen. Zij worden gediscrimineerd inzake sociale hulp, werkgelegenheid en onderwijs. Zij zitten in getto's en worden aangevallen door extreem-rechts, de ordestrijdkrachten en verbaal zelfs door sommige lokale politici. Kortom, zij zijn ongewenst in hun land en worden zelfs aangemoedigd naar het Westen te emigreren. Al heeft de Dienst Vreemdelingenzaken Slovakije en Bulgarije niet opgenomen in de lijst van landen waarheen men niet uitwijst, toch zijn de Roma-zigeuners er slachtoffer van discriminatie. België kan de zigeuners niet terugsturen naar hun land zonder er zeker van te zijn dat ze er zo goed mogelijk worden opgevangen en zonder er bij de overheden van die landen op aan te dringen het lot van de zigeunerbevolking te verbeteren.

Welke concrete maatregelen heeft de regering genomen sinds de eerste uitwijzingen in oktober 1999? De regering ging toen de verbintenis aan om de reïntegratie van de zigeuners op te volgen en inspanningen te doen voor de verbetering van hun levensvoorwaarden. De minister van Binnenlandse Zaken kondigde onlangs in de senaatscommissie aan dat in Bratislava een bureau zou worden geopend om de Roma-bevolking te helpen. Wat zal de rol van dat bureau zijn? Ik hoop dat het zich niet zal beperken tot het onthaal van uitgewezen personen, maar zal samenwerken met de lokale autoriteiten om de sociale en economische situatie van de Roma-bevolking te verbeteren en om discriminaties en xenofobie te voorkomen. Overweegt de regering steun aan projecten zoals die in Kosovo werden opgezet en waarnaar minister Michel verwees naar aanleiding van de interpellatie van de heer Hordies op 11 mei laatsleden. Het betreft projecten voor onderwijs, gezondheidszorg en huisvesting. De zigeuners zijn wellicht het enige echte paneuropese volk dat problemen en discriminaties kent in alle Europese landen, zeker in Centraal-Europa, maar ook in ons land. Het is een bijzonder volk door zijn levenswijze en zijn cultuur, door zijn aanwezigheid in bijna alle Europese landen en zijn niet altijd gemakkelijke relaties met andere volkeren. Ik pleit voor bijzondere maatregelen voor de bescherming en het rondreizen van dit volk, voor een eigen statuut en voor maatregelen op Europees niveau om de ontplooiing van die mensen te vergemakkelijken, voor de strijd tegen de xenofobie waarvan zij het slachtoffer zijn en voor de verbetering van hun levensvoorwaarden, hun onderwijs en de toegang tot de gezondheidszorg. Wat is uw houding ter zake? Bestaat er aandacht voor deze voorstellen op Europees niveau?

Mevrouw Meryem Kaçar (AGALEV). - Ik sluit mij aan bij de vorige sprekers. Ook wij vinden dat aandacht moet gaan naar het humanitaire.

Bij de keuze van de personen die moeten worden verwijderd, zijn blijkbaar ook personen opgenomen die bij de Raad van State een vernietigingsberoep hebben aangetekend tegen een beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen. Normalerwijze werken dergelijke vernietigingsberoepen bij de Raad van State opschortend, wegens het ernstig en niet te herstellen nadeel, maar voor dergelijke zaken is dit niet het geval. Dat blijkt uit arresten van de afgelopen tien jaar. Voordien was dit wel zo.

Toch achten wij het wenselijk dat personen die een vernietigingsberoep bij de Raad van State hangende hebben, niet worden opgenomen in de lijst van personen die moeten worden uitgewezen.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - In België geschieden de verwijderingen overeenkomstig de wet en, inzonderheid, de rechtspraak van de Raad van State. De wet wordt op uniforme wijze toegepast, ongeacht de nationaliteit of de herkomst van de uitgewezen personen. De Slovaakse bevolking wordt hierbij geenszins gestigmatiseerd. Ik lig niet aan de basis van die beslissing. De plaatselijke overheden hebben zelf de aandacht van mijn diensten gevestigd op de aanwezigheid van een groot aantal illegalen in Gent en in Tienen. Ik heb gevraagd over te gaan tot vrijwillige repatriëringen. Dankzij de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) was dit een succes: honderden personen zijn vrijwillig vertrokken. Van de ongeveer negenhonderd betrokkenen blijven er nog maar 120 over, mijn diensten proberen hen ook te overtuigen.

De beslissing tot verwijdering wordt door de regering niet willekeurig genomen. De verwijdering steunt louter op beslissingen die door het Commissariaat-Generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen worden genomen na individueel onderzoek van elk afzonderlijk geval. De uitgewezen personen beantwoorden niet aan de bepalingen van het Verdrag van Genève en ook niet aan artikel 3.

We moeten proberen iets te doen aan de redenen voor de migratie. Daarom steunt de regering financieel het programma van de IOM voor de terugkeer naar en bijstand in Slovakije.

Vandaag nog heb ik, ter gelegenheid van de ondertekening van een samenwerkingsakkoord met de Slovaakse regering, de minister op zijn plichten en op onze bezorgdheid gewezen. Zijn antwoord was duidelijk: hij verbindt zich ertoe deze personen in goede omstandigheden te ontvangen en hun levensomstandigheden te verbeteren.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken is vertegenwoordigd in een werkgroep die belast is met de begeleiding van uitgewezen personen. De Belgische regering neemt deel aan het programma van de IOM dat de vluchtelingen bijstand verleent om terug te keren naar hun land van herkomst. De staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking financiert een project dat steun verleent aan de Roma's en zigeuners van Kosovo in de streek van Belgrado. Ik zou graag hebben dat hij dat ook elders doet, en zal hem zeker op de hoogte brengen van de wensen van de heer Dallemagne daaromtrent.

Het minderhedenbeleid van de kandidaat-lidstaten is volgens de criteria van Kopenhagen één van de toetsstenen voor hun toetreding tot de Europese Unie. Dat heb ik vanochtend nog tegen de vertegenwoordiger van de Slovaakse regering gezegd.

België neemt ook deel aan een werkgroep van de Europese Unie die zich bezighoudt met het probleem van de Roma-minderheid in Centraal- en Oost-Europa. Het probleem wordt ook gevolgd door de OVSE en de Raad van Europa. Ook Europese PHARE-programma's schenken er aandacht aan.

In oktober organiseert de OVSE wellicht een conferentie waar op Europees niveau een eerste politiek-culturele dialoog met de Roma-gemeenschap zal worden aangevat.

Dit probleem heeft blijkbaar meer te maken met de mentaliteit dan met de wil van de lokale overheden. Die proberen aan de verwachtingen van de Unie te voldoen en dit probleem met respect voor de rechten van de mens en van de minderheden op te lossen. Ik geloof dat we ze daarbij ook concreet moeten helpen.

Mevrouw Erika Thijs (CVP). - Ik dank de minister voor zijn antwoord, maar wil toch bondig repliceren.

Hij vraagt de lokale gemeenschappen welke groepen eventueel voor uitwijzing in aanmerking kunnen komen. Ik vraag me af of nog andere groepen zullen worden uitgewezen. In het najaar ging het om de Roma-zigeuners. Zullen nog andere groepen in de nabije toekomst worden uitgewezen?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Wij moeten dat doen, niet omdat het om groepen gaat, maar om personen die hier illegaal verblijven. Zo zijn onlangs nog personen uitgewezen naar Albanië.

Ik herhaal dat personen die hier illegaal verblijven, moeten worden uitgewezen, ongeacht of ze hier alleen verblijven of in groep en op bepaalde plaatsen.

- Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de resolutie van de IAO over de dwangarbeid in Birma (Myanmar)» (nr. 2-171)

De voorzitter. - De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.

De heer Georges Dallemagne (PSC). - De Internationale Arbeidsorganisatie heeft op 14 juni een resolutie aangenomen die al haar leden aanbeveelt hun relaties met Myanmar te herzien als dat land tegen 30 november 2000 de dwangarbeid niet heeft uitgeroeid.

Daarmee wordt Myanmar verplicht de overeenkomst nummer 29 betreffende dwangarbeid toe te passen. Birma had die in 1955 geratificeerd, maar past ze duidelijk niet toe.

Deze resolutie is zonder voorgaande omdat ze steunt op artikel 33 van de Grondwet van de IAO. De procedure waarin artikel 33 voorziet, mag maar worden toegepast voor een land dat binnen de voorgeschreven termijn geen gevolg geeft aan de aanbevelingen van een onderzoekscommissie, die maar mag worden opgericht in het geval van ernstige en voortdurende schendingen van de internationale arbeidsnormen.

Steunend op een onderzoekscommissie van 1998, heeft de Internationale Arbeidsconferentie van de IAO zich met een zeer ruime meerderheid voor deze resolutie uitgesproken. De onderzoekscommissie kwam tot het besluit dat de verplichting om dwangarbeid af te schaffen in Myanmar zowel in de nationale wetgeving als in de praktijk op algemene en systematische wijze met de voeten wordt getreden. De onderzoekscommissie had de regering van Myanmar gevraagd erop toe te zien dat de overheden, en inzonderheid de militairen, geen dwangarbeid meer zouden opleggen en dat zonodig sancties zouden worden getroffen.

In een brief van 27 mei 2000 verklaarde de minister van Arbeid van Myanmar dat hij de nodige maatregelen heeft genomen en blijft nemen opdat dwangarbeid in zijn land niet meer zou voorkomen.

Volgens de Conferentie bevat de brief van de minister bemoedigende elementen, maar is er totnogtoe in de praktijk niets veranderd.

Krachtens de door de IAO op 14 juni aangenomen resolutie, treedt op 30 november 2000 een reeks maatregelen in werking, behalve indien de raad van bestuur vóór die datum merkt dat de voornemens van de minister van Arbeid van Birma zijn omgezet in voldoende concrete en gedetailleerde administratieve, regerings- en wetgevende maatregelen, die aantonen dat de aanbevelingen van de onderzoekscommissie worden nageleefd.

De resolutie bepaalt ook dat de kwestie van de dwangarbeid in Birma geregeld op de agenda van de Conferentie zal staan, tot blijkt dat Myanmar zijn verplichtingen nakomt.

De zaak-Birma kwam in de Senaat onlangs aan bod toen een voorstel van resolutie werd goedgekeurd. De IAO-resolutie biedt onze regering de gelegenheid zich nog meer te doen gelden in dat dossier.

Welke concrete gevolgen zal de Belgische regering aan deze IAO-resolutie geven?

Zal ook de Belgische regering TotalFina vragen zich uit Birma terug te trekken of openlijk druk uit te oefenen op de junta voor het herstel van de democratie en de dialoog met Aung San Suu Kyi?

Wat heeft de Belgische regering ondernomen om uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Birma-resolutie die de Senaat op 25 mei goedkeurde?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik ben mij bewust van de situatie in Birma en de rapporten van de Internationale Arbeidsorganisatie zijn verpletterend. Ook de Vijftien hebben in een resolutie de dwangarbeid in Birma veroordeeld. Samen met mijn collega's van de Europese Unie heb ik het gehad over handelssancties tegen de Birmaanse junta. De Vijftien hebben echter nog geen consensus bereikt, wat essentieel is om soortgelijke maatregelen te nemen.

Ik ben op de hoogte van de stellingname van de Britse regering. Voor alle duidelijkheid wil ik er echter op wijzen dat Londen de petroleummaatschappij "Premier Oil" gevraagd heeft de onderhandelingen met het militaire regime van Rangoon stop te zetten. "Premier Oil" bevond zich dus nog in het stadium van de onderhandelingen.

Voor TotalFina is de situatie verschillend. Die groep is er al gevestigd. In 1992 heeft Total één miljard dollar geïnvesteerd in de bouw van een gaspijpleiding. Petrofina was daar toen niet bij betrokken.

Ik heb de huidige directie van het Frans-Belgische olieconsortium gewezen op mijn ongerustheid en op mijn afkeuring van een handelsbeleid, dat geen rekening houdt met de meest elementaire democratische regels.

Ik heb het daarover ook gehad met mijn Franse collega.

Met betrekking tot de door de Senaat aangenomen resolutie kan de regering geen immobilisme worden verweten. U vraagt ons bij de Birmaanse regering aan te dringen op een driepartijenoverleg met de National league for democracy en met de vertegenwoordigers van de etnische minderheden. Enkele weken geleden is de dialoog, op het niveau van de ministers, tussen Birma-Myanmar en Europa afgebroken. Sedert 1996 is er geen topontmoeting meer geweest tussen de Europese Unie en de Asean omdat sommige Staten weigeren aan de tafel te gaan zitten met de Birmaanse junta.

België heeft altijd gepleit voor de hervatting van die dialoog op ministerieel niveau, omdat de Europeanen anders geen officiële kanalen meer hebben om hun standpunt mede te delen aan de junta, om ze aan te sporen tot onderhandelingen met de oppositie, of om de zaak van de politieke gevangenen, van de sluiting van de universiteiten of van de toegang van de speciale VN-rapporteur voor Birma aan te kaarten. Het Belgische standpunt is uiteindelijk door de andere Europese Staten overgenomen. In de tweede helft van dit jaar zal in Azië een topontmoeting plaatshebben tussen de ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie en de Asean. Plaats en datum moeten nog worden bepaald. België zal daar zeker zijn standpunt over de noodzakelijke dialoog tussen de verschillende partijen mededelen.

U vraagt ons ook bij de Europese Raad van Ministers aan te dringen op nieuwe sancties tegen het Birmaanse regime. De Vijftien zijn het ermee eens om die sancties strenger te maken. Er zijn drie soorten sancties. Ten eerste, een exportverbod voor politiematerieel en voor uitrusting die kan dienen voor repressie. Ten tweede, een uitbreiding van de lijst van personen aan wie geen visum voor het buitenland mag worden uitgereikt, tot de militairen en hun familie. Een uitzondering kan worden toegestaan, bijvoorbeeld als ministeriële vergaderingen tussen de Asean en de Unie plaatshebben in Europa. Ten derde, de bevriezing van de tegoeden in het buitenland van de personen die voorkomen op de lijst van personen aan wie geen visum mag worden uitgereikt.

De Vijftien willen de humanitaire hulp verhogen op voorwaarde dat gecontroleerd wordt of deze wel terechtkomt bij de bestemmelingen.

U vraagt ons ook de contacten met de Birmaanse oppositie te bevorderen. Ik heb op 13 april laatstleden de Birmaanse eerste-minister in ballingschap ontmoet. Ik heb hem gezegd dat de Belgische regering hem steunt.

De heer Georges Dallemagne (PSC). - Ik meen begrepen te hebben dat België de IAO-resolutie alleen wil toepassen als de Vijftien daaromtrent overeenstemming bereiken. Niettemin hebben wij deze historische resolutie goedgekeurd. Er zou een probleem rijzen als de lidstaten van de Europese Unie tegen de IAO ingaan. De IAO vraagt immers uitdrukkelijk geen handelsrelaties met Birma te onderhouden.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Om zulke maatregelen te nemen is een consensus onontbeerlijk.

De heer Georges Dallemagne (PSC). - Er zou dus een probleem rijzen omdat er binnen de Europese Unie geen consensus bestaat over de uitvoering van een aanbeveling die ons land heeft goedgekeurd. Dat vind ik jammer.

Ik besef ook dat TotalFina niet zal worden gevraagd af te zien van handelsactiviteiten in Birma. Nochtans is bewezen dat TotalFina voor een bouwwerf een beroep deed op dwangarbeid. Het bedrijf verklaart dat zijn activiteiten in Birma niet winstgevend zijn, wat andere bronnen betwisten. Het is dan ook moeilijk te begrijpen waarom het zijn activiteiten, die gekoppeld zijn aan dwangarbeid of aan een belangrijke militaire aanwezigheid, voortzet.

Ik begrijp ook niet waarom de Britse regering er goed aan doet om Premier Oil die uitdrukkelijke aanbeveling te geven, terwijl wij niets tegen TotalFina ondernemen.

- Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Johan Malcorps aan de eerste minister over «de uitvoering door België van de in het Kyoto-protocol aangegane verbintenissen» (nr. 2-169)

De voorzitter. - De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling, antwoordt namens de heer Guy Verhofstadt, eerste minister.

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - In het raam van het Kyotoprotocol moet ons land de uitstoot van broeikasgassen tegen 2010 met maar liefst 7,5% verminderen. Dit is een zware opgave, vooral omdat een sporadisch ingrijpen op welbepaalde bronnen niet zal volstaan. Een reductie van de uitstoot van CO2 en van andere broeikasgassen is maar mogelijk als structureel wordt ingegrepen op economie, fiscaliteit en sectoren zoals transport, landbouw, energie en industrie. Dat dit geen eenvoudige opdracht is, bleek ten overvloede uit het feit dat het vorige klimaatsplan van 1994 een totaal fiasco is geworden. De toen overeengekomen vermindering van 5% ten opzichte van 1990 werd hoegenaamd niet gehaald. Integendeel, volgens het Federaal Rapport Duurzame Ontwikkeling stoten we in 2000 10% meer CO2 uit dan in 1990.

In het ontwerp van Federaal Plan Duurzame Ontwikkeling wordt terzake verwezen naar een nieuw nationaal Belgisch klimaatsplan, dat een samenhangend nationaal beleid moet bevatten met operationele doelstellingen per sector en per bevoegdheidsniveau. Het plan moet opgemaakt worden in overleg met alle betrokkenen én met de gewesten. Het gaat immers om een "nationaal" plan, niet enkel om een "federaal" plan. Volgens het ontwerp van federaal plan zal het nieuwe klimaatsplan klaar zijn tegen midden 2000. Ik vermoed echter dat we deze deadline niet zullen halen, tenzij de staatssecretaris zodadelijk het tegendeel aantoont.

In de praktijk blijkt dat aan dit nieuwe Nationale Plan inzake Klimaatswijziging slechts gewerkt wordt door één enkele ambtenaar op de federale diensten van leefmilieu en dat niet eens voltijds, maar deeltijds. Van een ernstige coördinatie over de departementsgrenzen heen is geen sprake. Er wordt wel veel vergaderd, maar dat betekent niet automatisch hetzelfde als coördineren. Niet alleen de opmaak van ons eigen klimaatsplan, ook de opvolging van de hele reeks internationale onderhandelingen inzake klimaat, blijkt een probleem van formaat te zijn. De Interdepartementele Commissie voor Duurzame Ontwikkeling sprak in haar ontwerp van federaal plan terzake duidelijke taal: er zijn zowel meer personeel en middelen nodig, als meer coördinatie. Ik zal niet het hele voorstel overlopen, want ik veronderstel dat de staatssecretaris het wel gelezen heeft.

Ik had mijn vraag gericht tot de eerste minister, omdat dit een zaak van de hele regering is. We moeten de Kyotodoelstellingen even ernstig nemen als destijds de Maastrichtnorm. De hele regering en de eerste minister moeten zich garant stellen en ervoor zorgen dat voldoende personeel en middelen ter beschikking worden gesteld om deze doelstellingen te kunnen halen. In de meeste Europese landen is inderdaad het inzicht gegroeid dat de nationale klimaatsplannen een staatszaak van eerste orde zijn en dat de regeringsleider zelf verantwoordelijk is voor de opmaak van een geloofwaardig actieplan en voor de coördinatie van de onderhandelingen terzake. De manier waarop we een klimaatsplan gestalte geven is niet alleen beslissend voor onze doelstellingen inzake energie en milieu, maar zelfs voor de manier waarop we onze economie, competitiviteit en bedrijfsleven organiseren. De Franse premier Jospin bijvoorbeeld heeft dit goed begrepen. Hij nam persoonlijk de verantwoordelijkheid op zich voor de goede gang van zaken in een al in 1998 opgerichte interministeriële commissie rond het broeikaseffect. In januari van dit jaar pakte hij uit met het Nieuwe Franse Klimaatsplan met een honderdtal concrete maatregelen per sector en duidelijke stappen om tegen het jaar 2010 te komen tot een koolstoftaks van 500 Franse frank per ton. Frankrijk is dus ruim op tijd klaar om zowel tijdens het Portugese voorzitterschap als nadien tijdens zijn eigen voorzitterschap van de EU mee te kunnen sturen. Ook in andere landen zien we eenzelfde tendens. Er wordt hard gewerkt en de regeringsleiders en de hele regering nemen de zaak in handen.

Waar blijft België? In vergelijking met de inspanningen die België zich getroost heeft om op het vlak van de Maastrichtnorm de beste leerling van de klas te worden, zijn de inspanningen die we nu doen om de Kyotonorm te halen, teleurstellend. Hoe staat het met de uitvoering van het regeerakkoord inzake de invoering van een energieheffing bijvoorbeeld? Ik weet dat er afspraken zijn gemaakt dat hiervoor tijdens het Belgisch voorzitterschap van de Europese Unie zal worden geijverd. Het is belangrijk dat dit alles ook wordt voorbereid en dat we het nodige doen om in het Europese kader en nadien nationaal of met enkele buurlanden samen die belangrijke maatregelen ook effectief te nemen. Ook de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling heeft er in zijn laatste advies met de sociale partners op gewezen dat we zonder CO2-taks de doelstellingen van Kyoto niet kunnen halen.

Als we inzake milieu, duurzame ontwikkeling in het algemeen en klimaatbeleid meer in het bijzonder, in het najaar van volgend jaar tijdens het Belgisch voorzitterschap van de Europese Unie echt met enig gezag willen spreken, dan is het dringend nodig dat we iets doen om het "goede voorbeeld" te geven. Als we na het Zweeds voorzitterschap van de EU geen modderfiguur willen slagen, moeten we ons dringend herpakken. Zweden heeft nu al zijn prioriteitenprogramma inzake Europees klimaats- en milieubeleid bekendgemaakt. Zoals het nu loopt ziet het ernaar uit dat we ook half 2002, op de "Rio plus 10 conferentie", tien jaar dus na de belangrijke Conferentie van Rio van 1992, ootmoedig het hoofd zullen moeten buigen.

Wanneer zal het Klimaatplan klaar zijn? Daarna moeten we immers nog beginnen met de uitvoering van het plan en dat is de moeilijkste hindernis.

Hoeveel mensen en middelen worden er nu ingezet voor de opmaak en nadien voor de realisatie van een nieuw Nationaal Klimaatplan? Zijn er plannen om het aantal mensen en middelen te verhogen? Wat is de huidige planning voor de realisatie van het Nieuwe Nationaal Klimaatplan? Wanneer zal het klaar zijn? Komt er een sterkere ondersteuning en een betere coördinatie van de klimaatonderhandelingen op internationaal vlak, met aandacht voor een voortdurende terugkoppeling naar de coördinatiestructuren, maar ook naar de regering, de bevoegde adviesraden en de bevolking? Ook een terugkoppeling naar de gewesten is, rekening houdend met hun bevoegdheid terzake, van belang. In welke mate zal de eerste minister ook persoonlijk de opmaak van het Klimaatplan en de Klimaatonderhandelingen opvolgen?

De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling. - Momenteel wordt bij het departement Leefmilieu, zowel voor de opmaak van het nieuwe nationale klimaatsplan als voor de internationale onderhandelingen, anderhalve persoon ingezet. Voor de atmosferische problematiek is er een globaal bedrag van 8 miljoen frank per jaar uitgetrokken. Het ontwerp van federaal plan inzake duurzame ontwikkeling voorziet, zowel op het departement Leefmilieu als op het departement Economie, Bestuur Energie telkens in twee personen voor deze materie en op het departement Ontwikkelingssamenwerking is één persoon met die materie belast.

Het federaal gedeelte van het nieuwe nationale klimaatsplan is in voorbereiding. Het overleg met de gewesten zal doorgaan in de herfst van dit jaar. We wensen het klimaatsplan ten laatste tegen midden 2001 klaar te hebben, aangezien we dan enerzijds het voorzitterschap van de Europese Unie waarnemen en anderzijds hierover moeten rapporteren aan het secretariaat van het Klimaatsverdrag.

Het verhogen van de ondersteuning, zoals onder punt 1 gegeven, zal een positief effect hebben op de ondersteuning en coördinatie van de klimaatsonderhandelingen op internationaal niveau. De eerste minister zal ervoor zorgen dat de terugkoppeling gebeurt onder de noemer van het nog op te richten samenwerkingsakkoord ter ondersteuning van het Klimaatsplan, zoals voorgesteld in het ontwerp van federaal plan inzake duurzame ontwikkeling.

Uiteraard hecht de premier groot belang aan de opmaak van het Klimaatsplan en zal hij de onderhandelingen op de voet volgen. Daartoe is overigens op zijn kabinet een specialist aangeworven belast met die materie. Dit laat hem toe de evolutie van dit dossier van nabij te volgen.

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Ik moet toegeven dat ik een beetje te pessimistisch ben geweest, aangezien niet een halve maar anderhalve persoon bezig is met de opvolging van de klimaatsverandering. Dat is dus liefst drie keer meer. Het gaat dus de goede kant op.

In alle ernst, dit is veel te weinig, ook als we rekening houden met de enkele mensen op andere departementen en met een speciaal iemand op het kabinet van de eerste minister. Ik wijs erop dat de mate waarin we het klimaatsplan gestalte geven en we de Kyotodoelstelling van een 7,5% reductie van de uitstoot van broeikasgassen halen, beslissend is voor de verdere ontwikkeling van heel onze economie. De manier waarop we daar nu aan werken is totaal onvoldoende en compleet amateuristisch.

Het kan ook niet dat we pas half 2001 klaar zouden zijn met ons klimaatsplan. Natuurlijk ligt daar een grote verantwoordelijkheid bij de vorige regering, maar aan de andere kant zien we ook dat de meeste ons omringende landen daar al mee rond zijn. In Groot-Brittannië is men al bezig met een groot openbaar onderzoek van het klimaatsplan en wordt de bevolking daar al over geraadpleegd. Bijkomende reden waarom half 2001 veel te laat is, is dat onze verantwoordelijkheden als volgend Europees voorzitter groeien en de onderhandelingen in de Troïka begin volgend jaar al van start gaan. Het regeerakkoord zegt dat de Belgische regering echt werk willen maken van duurzame ontwikkeling, van de invoering van een CO2- en een energietaks op Europees niveau in 2002, van een klimaatsplan en van de realisatie van de doelstellingen van Kyoto. Het feit dat we met deze uitdagingen vandaag nog nergens staan, ondergraaft compleet onze mogelijkheden om met enige geloofwaardigheid op Europees niveau voor die doelstellingen te pleiten. Daarbij komt dat België het voorzitterschap overneemt van Zweden, waardoor we nog meer met rode kaken zullen komen te staan.

- Het incident is gesloten.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergaderingen vinden plaats op donderdag 6 juli 2000 om 10, om 15 en om 19uur.

(De vergadering wordt gesloten om 19.40 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de heren Santkin, Geens en Ceder, met opdracht in het buitenland, de heren Malmendier et Monfils, in het buitenland, de heer Wille, wegens andere plichten, mevrouw van Kessel, om gezondheidsredenen.

- Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming nr. 2

Aanwezig: 57
Voor: 18
Tegen: 38
Onthoudingen: 1


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Mia De Schamphelaere, Clotilde Nyssens, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen.


Tegen

Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Didier Ramoudt, Jan Remans, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille, Alain Zenner.


Onthoudingen

Sabine de Bethune.

Stemming nr. 3

Aanwezig: 57
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 1


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner.


Tegen

N.


Onthoudingen

Sabine de Bethune.

Stemming nr. 4

Aanwezig: 57
Voor: 9
Tegen: 43
Onthoudingen: 5


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Georges Dallemagne, Clotilde Nyssens, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Magdeleine Willame-Boonen.


Tegen

Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, Louis Tobback, Joris Van Hauthem, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Paul Wille, Alain Zenner.


Onthoudingen

Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne.

Stemming nr. 5

Aanwezig: 57
Voor: 38
Tegen: 10
Onthoudingen: 9


Voor

Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Didier Ramoudt, Jan Remans, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille, Alain Zenner.


Tegen

Ludwig Caluwé, Frank Creyelman, Mia De Schamphelaere, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.


Onthoudingen

Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Clotilde Nyssens, René Thissen, Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Magdeleine Willame-Boonen.

Stemming nr. 6

Aanwezig: 57
Voor: 20
Tegen: 29
Onthoudingen: 8


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Marcel Cheron, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Mia De Schamphelaere, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Marc Hordies, Jacky Morael, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Magdeleine Willame-Boonen.


Tegen

Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Philippe Moureaux, Didier Ramoudt, Jan Remans, Louis Siquet, Martine Taelman, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille, Alain Zenner.


Onthoudingen

Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Paul Galand, Michiel Maertens, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Louis Tobback, Wim Verreycken.

Stemming nr. 7

Aanwezig: 57
Voor: 32
Tegen: 17
Onthoudingen: 8


Voor

Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Jacinta De Roeck, Jacques Devolder, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, Louis Siquet, Martine Taelman, Chris Vandenbroeke, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Paul Wille, Alain Zenner.


Tegen

Michel Barbeaux, Marcel Cheron, Georges Dallemagne, Mia De Schamphelaere, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Paul Galand, Marc Hordies, Jacky Morael, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Erika Thijs, René Thissen, Louis Tobback, Luc Van den Brande, Patrik Vankrunkelsven, Magdeleine Willame-Boonen.


Onthoudingen

Ludwig Caluwé, Sabine de Bethune, Alain Destexhe, Michiel Maertens, Philippe Moureaux, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem.

Stemming nr. 8

Aanwezig: 56
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 1


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Clotilde Nyssens, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner.


Tegen

N.


Onthoudingen

Sabine de Bethune.

Stemming nr. 9

Aanwezig: 54
Voor: 10
Tegen: 35
Onthoudingen: 9


Voor

Ludwig Caluwé, Frank Creyelman, Mia De Schamphelaere, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.


Tegen

Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Paul Galand, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Jan Remans, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille, Alain Zenner.


Onthoudingen

Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Clotilde Nyssens, René Thissen, Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Magdeleine Willame-Boonen.

Stemming nr. 10

Aanwezig: 54
Voor: 38
Tegen: 0
Onthoudingen: 16


Voor

Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Paul Galand, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Jan Remans, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille, Alain Zenner.


Tegen

N.


Onthoudingen

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Clotilde Nyssens, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen.

Stemming nr. 11

Aanwezig: 53
Voor: 39
Tegen: 13
Onthoudingen: 1


Voor

Michel Barbeaux, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Paul Galand, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Clotilde Nyssens, Jan Remans, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Alain Zenner.


Tegen

Ludwig Caluwé, Frank Creyelman, Mia De Schamphelaere, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken.


Onthoudingen

Sabine de Bethune.

Indiening van voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel betreffende het medisch zorgcontract en de rechten van de patiënt (van mevrouw Ingrid van Kessel; St. 2-486/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 66 van de provinciewet en tot invoeging van een artikel 242bis in de nieuwe gemeentewet, inzake het beleidsprogramma (van de heer Paul Wille c.s.; St. 2-490/1).

Wetsvoorstel tot aanvulling, wat het klachtrecht van de patiënt betreft, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 (van mevrouw Ingrid van Kessel; St. 2-492/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 5 en 6 van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten (van de heer Chokri Mahassine; St. 2-493/1).

Wetsvoorstel tot instelling van een betaalde borstvoedingspauze (van mevrouw Sabine de Bethune; St. 2-495/1).

Wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 54bis in de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten (van de heer Philippe Monfils; St. 2-496/1).

Wetsvoorstel houdende instelling van een Hoog Comité voor de sport (van de heer Philippe Monfils; St. 2-497/1).

Wetsvoorstel tot oprichting van een Instituut voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen (van mevrouw Sabine de Bethune; St. 2-498/1).

- Deze voorstellen zullen worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.

- Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.

Voorstellen van resolutie

Voostel van resolutie over Cyprus (van de heren Philippe Monfils en Louis Siquet; St. 2-494/1).

Voorstel van resolutie betreffende de oprichting van een commissie ter evaluatie van de koninklijke prerogatieven (van de heer Vincent Van Quickenborne c.s.; St. 2-500/1).

- Deze voorstellen zullen worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.

- Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstel

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van het Strafwetboek, wat de mishandeling van bejaarden betreft (van de heer Olivier de Clippele; St. 2-440/1).

- Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Voorstel van resolutie

Voorstel van resolutie over verkeersveiligheid op de weg van en naar de school (van de heer Johan Malcorps en mevrouw Meryem Kaçar; St. 2-450/1).

- Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Verzending van een wetsvoorstel naar een andere commissie

Aan de Senaat wordt voorgesteld het wetsvoorstel tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, wat de benoeming van de staatsraden betreft (St. 2-368/1), te verzenden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Dit wetsvoorstel werd eerder verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

van Mevrouw Erika THIJS aan de Minister van Landsverdediging over «het militair hospitaal in Neder-over-Heembeek» (nr. 2-170)

- Deze vraag wordt naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging verzonden.

van de heer Vincent VAN QUICKENBORNE aan de Minister van Landbouw en Middenstand over «het statuut van geregulariseerde personen die activiteiten als zelfstandige ontplooien» (nr. 2-174)

van Mevrouw Sabine de BETHUNE aan de Minister van Binnenlandse Zaken over «de aandacht voor gelijke kansen van vrouwen en mannen bij de hervorming van de politiediensten» (nr. 2-175)

van de heer Vincent VAN QUICKENBORNE aan de Eerste Minister en aan de Minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen over «de vermindering van de administratieve lasten» (nr. 2-176)

van de heer Vincent VAN QUICKENBORNE aan de Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over «de oriëntatienota over de elektronische handel» (nr. 2-177)

van Mevrouw Nathalie de T' SERCLAES aan de Minister van Sociale Zaken en Pensioenen en aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de georganiseerde opsporing van borstkanker en de financiering ervan» (nr. 2-178)

van de heer Philippe MOUREAUX aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over «de mogelijkheid tot het beroep dat België bij het Europees Hof voor de rechten van de mens dient in te stellen wegens strijdigheid van het Echelon-programma met de beginselen van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens» (nr. 2-179)

van de heer Vincent VAN QUICKENBORNE aan de Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over «de afschaffing van het bonus-malussysteem en het verdwijnen van de automatische vaste tariefsprongen» (nr. 2-180)

van de heer Michiel MAERTENS aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over «de afwezigheid van een juridische grondslag voor de grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale collectiviteiten en autoriteiten in het kader van Interreg III» (nr. 2-181)

van de heer Michiel MAERTENS aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over «de Belgische houding t.o.v. de Democratische Volksrepubliek van Noord-Korea» (nr. 2-182)

van Mevrouw Myriam VANLERBERGHE aan de Minister van Sociale Zaken en Pensioenen en aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de borstkankerscreening in België» (nr. 2-183)

van de heer Michiel MAERTENS aan de Minister van Justitie en aan de Minister van Financiën over «de nieuwe illegale wapentrafieken via de luchthaven van Oostende» (nr. 2-184)

van Mevrouw Jacinta DE ROECK aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «het georganiseerd screenen naar borstkanker in België» (nr. 2-185)

van de heer Frans LOZIE aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie over «de naweeën van de ABOS-problemen voor hen die de problematiek aankaartten» (nr. 2-186)

van Mevrouw Anne-Marie LIZIN aan de Minister van Binnenlandse Zaken en aan de Staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling over «de veiligheid in de kerncentrale van Tihange I» (nr. 2-187)

van Mevrouw Sabine de BETHUNE aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over «de doodstraf in de Verenigde Staten» (nr. 2-189)

van Mevrouw Sabine de BETHUNE aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en aan de Minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «de systematische opsporing van borstkanker» (nr. 2-190)

van de heer Paul GALAND aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en aan de Minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «de problemen rond de strijd tegen borstkanker en meer bepaald de opsporing ervan» (nr. 2-191)

van Mevrouw Magdeleine WILLAME-BOONEN aan de Minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «de problematiek van de opsporing van borstkanker» (nr. 2-192)

van de heer René THISSEN aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken en aan de Minister van Binnenlandse Zaken over «de situatie van de Kosovaarse vluchtelingen» (nr. 2-193)

van de heer René THISSEN aan de Minister van Justitie over «het koninklijk besluit inzake DNA-analyse dat zou moeten genomen worden» (nr. 2-194)

- Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden .

Non-Evocaties

Bij boodschappen van 27 en 29 juni 2000 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de koninklijke bekrachtiging, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen :

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 22 juli 1985 betreffende de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie (St. 2-466/1).

Wetsontwerp betreffende de tenuitvoerlegging van het avenant, ondertekend te Brussel op 8 februari 1999, bij de overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, ondertekend te Brussel op 10 maart 1964 (St. 2-487/1).

- Voor kennisgeving aangenomen

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 22 juni 2000 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen :

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van de grenzen tussen de stad Waregem en de gemeente Wielsbeke (St. 2-488/1).

- Het wetsontwerp werd ontvangen op 23 juni 2000; de uiterste datum voor evocatie is maandag 10 juli 2000.

- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 22 juni 2000.

Wetsontwerp tot wijziging van sommige wetten inzake de verkiezing van de provincie-, gemeente- en districtsraden en raden voor maatschappelijk welzijn, wat de verkiezingsuitgaven betreft (St. 2-489/1).

- Het ontwerp werd ontvangen op 23 juni 2000; de uiterste datum voor evocatie is maandag 10 juli 2000.

- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 22 juni 2000.

Artikel 80 van de Grondwet

Wetsontwerp betreffende de tenuitvoerlegging van het avenant, ondertekend te Brussel op 8 februari 1999, bij de overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, ondertekend te Brussel op 10 maart 1964 (St. 2-487/1).

- Het wetsontwerp werd ontvangen op 23 juni 2000; de uiterste datum voor evocatie is woensdag 28 juni 2000.

- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 22 juni 2000.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van :

- het arrest nr. 75/2000, uitgesproken op 21 juni 2000, inzake de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 23, §1, 3°, 28, 49 en 53, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door het Hof van Beroep te Luik (rolnummer 1618);

- het arrest nr. 76/2000, uitgesproken op 21 juni 2000, inzake het beroep tot vernietiging van artikel 103 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 14 juli 1998 betreffende het onderwijs IX, ingesteld door de Ministerraad (rolnummer 1633);

- het arrest nr. 77/2000, uitgesproken op 21 juni 2000, inzake de prejudiciële vragen over artikel 6 van de wet van 2 juni 1998 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 waarbij aan bepaalde veroordeelden en aan de gefailleerden verbod wordt opgelegd bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen en waarbij aan de rechtbanken van koophandel de bevoegdheid wordt toegekend dergelijk verbod uit te spreken en over artikel 3 van voormeld koninklijk besluit, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Bergen, de Correctionele Rechtbank te Brugge en de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (rolnummers 1641, 1663 en 1713 : samengevoegde zaken);

- het arrest nr. 78/2000, uitgesproken op 21 juni 2000, inzake de prejudiciële vragen betreffende artikel 87, §§2 en 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988, gesteld door de Raad van State (rolnummers 1657, 1658, 1659 en 1660 : samengevoegde zaken);

- het arrest nr. 79/2000, uitgesproken op 21 juni 2000, inzake de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 192, 195, 196, 197, 199 en 200 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, gesteld door de vrederechter van het kanton Torhout (rolnummer 1666);

- het arrest nr. 80/2000, uitgesproken op 21 juni 2000, inzake de prejudiciële vragen over artikel 42, §1, van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 april 1997 dat bekrachtigd werd bij wet van 12 december 1997, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Kortrijk en de Arbeidsrechtbank te Dendermonde (rolnummers 1688 en 1810 : samengevoegde zaken);

- het arrest nr. 81/2000, uitgesproken op 21 juni 2000, inzake het beroep tot vernietiging van de wet van 18 december 1998 tot regeling van de gelijktijdige of kort opeenvolgende verkiezingen voor de federale Wetgevende Kamers, het Europees Parlement en de Gewest- en Gemeenschapsraden en van de wet van 18 december 1998 tot organisatie van de geautomatiseerde stemopneming door middel van een systeem voor optische lezing en tot wijziging van de wet van 11 april 1994 tot organisatie van de geautomatiseerde stemming, ingesteld door L. Michel en anderen (rolnummer 1707).

- Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van :

- de prejudiciële vraag over de artikelen 141, 146 en 156 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gesteld door de Commissie van Beroep ingesteld bij de dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV (rolnummer 1975);

- de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 101 en 103 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen en artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gesteld door het Arbeidshof te Brussel (rolnummer 1947);

- de prejudiciële vraag betreffende artikel 370, §5, junctis de artikelen 346, eerste lid, en 368, §3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Gent (rolnummer 1970);

- de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 2, 1°, e), en 23 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde en/of artikel 26 van de wet van 16 april 1963 betreffende de sociale reclassering van de mindervaliden, gesteld door het Arbeidsrechtbank te Bergen (rolnummer 1949);

- de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 278 tot 292 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1964, gesteld door het Hof van Cassatie (rolnummer 1916).

- Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van :

- de beroepen tot vernietiging van :

ingesteld door de voorzitter van het Vlaams Parlement en de Vlaamse Regering (rolnummers 1971 en 1972 : samengevoegde zaken).

- Voor kennisgeving aangenomen.