3-57

3-57

Belgische Senaat

3-57

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 13 MEI 2004 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en aan de staatssecretaris voor Europese Zaken en Buitenlandse Zaken over ęde aandacht voor kinderrechten op de agenda van het Iers Europees voorzitterschapĽ (nr. 3-238)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over ęhet Belgisch beleid inzake het gebruik van kinderen als soldatenĽ (nr. 3-252)

Mondelinge vragen

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk BelgiŽ en de Speciale Administratieve Regio Hong Kong van de Volksrepubliek China tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en met het Protocol, ondertekend te Hong Kong op 10 december 2003 (Stuk 3-660)

Vraag om uitleg van mevrouw Nathalie de T' Serclaes aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over ęhet statuut van de assessoren in de commissies voor de voorwaardelijke invrijheidsstellingĽ (nr. 3-257)

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over ęde inkomsten van personen onder elektronisch toezichtĽ (nr. 3-246)

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 478 van het Gerechtelijk Wetboek (van de heer Hugo Coveliers, Stuk 3-308)

Vraag om advies aan de Hoge Raad voor de Justitie

Regeling van de werkzaamheden

Stemming

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van FinanciŽn over ęde termijn voor de behandeling van een bezwaar tegen een belastingaanslagĽ (nr. 3-249)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van FinanciŽn en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over ęde toepassing van de regels inzake intracommunautaire handel door KMO's binnen de nieuwe lidstaten van de Europese UnieĽ (nr. 3-250)

Vraag om uitleg van de heer Etienne Schouppe aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over ęde invulling van de universele dienstverlening in ons landĽ (nr. 3-259)

Vraag om uitleg van de heer Didier Ramoudt aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over ęde installatie van taxameters in taxi'sĽ (nr. 3-228)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde controle van het voedsel tijdens evenementenĽ (nr. 3-251)

Vraag om uitleg van de heer Michel Guilbert aan de minister van Mobiliteit en Sociale Economie over ęde verkeersveiligheid en de federale commissie voor de verkeersveiligheidĽ (nr. 3-248)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Mobiliteit en Sociale Economie over ęhet parkeren van artsen en ambulanciers bij een noodgevalĽ (nr. 3-258)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vůůr het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over ęhet totale gebrek aan coherentie tussen de staatsveiligheid, de militaire veiligheid en de federale politie bij de bestrijding van het terrorismeĽ (nr. 3-315)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Zoals vroeger bij de verschillende politiediensten, woedt er vandaag een echte oorlog tussen de staatsveiligheid, de militaire veiligheid en de federale politie in de bestrijding van het terrorisme.

Het blijkt dat de militaire veiligheid veeleer op de Amerikaanse lijn zit en de staatsveiligheid op de Franse. Diep wantrouwen kenmerkt de relatie tussen die diensten zodat er geen of onvoldoende informatiedoorstroming plaatsvindt en van enige coherente aanpak geen sprake is.

De samenwerkingsprotocollen werden trouwens door de administrateur-generaal van de staatsveiligheid opgezegd. De minister zou daarop aan de administrateur-generaal het bevel gegeven hebben de samenwerking te herstellen.

De malaise duurt echter voort. Bij de cel antiterrorisme van de federale politie van Brussel vielen onlangs twee zelfmoorden te betreuren, waarvan de redenen niet duidelijk zijn.

Welke dringende maatregelen neemt de minister om een adequaat veiligheidsbeleid tegen het terrorisme te verzekeren?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Het werk dat BelgiŽ op het vlak van terrorismebestrijding verricht, wordt door senator Vandenberghe jammer genoeg veel te somber voorgesteld. Zijn reactie is uiteraard gebaseerd op de uitlatingen van de heer Vandoren, voorzitter van het Comitť P. Het kan natuurlijk altijd beter.

Sedert enkele maanden wordt de actie van alle betrokken diensten door het parket-generaal gecoŲrdineerd. Die diensten komen elke maandag samen in het parket-generaal om informatie uit te wisselen over de lopende dossiers. Diverse samenwerkingsprotocollen tussen die diensten worden overigens binnenkort afgerond. Op 6 mei jongstleden was er een werkvergadering met de Staatsveiligheid en op 26 mei vindt een werkvergadering plaats met de ADIV.

Naast die gerechtelijke coŲrdinatie is er ook nog de maandelijkse vergadering van het College voor inlichting en veiligheid, waaraan de door de heer Vandenberghe genoemde diensten eveneens deelnemen.

De regering heeft op de superministerraad politie-justitie voor de bestrijding van het terrorisme meerdere concrete maatregelen genomen.

Allereerst vermeld ik een versterking van de Antiterroristische Gemengde Groep door alle partnerdiensten, zowel van de federale politie als van de Staatsveiligheid en van de ADIV.

Ten tweede komt er - voor een deel reeds in 2004 - een versterking van de GDA van Brussel, Antwerpen, Luik en Charleroi, zowel inzake personeel als inzake materiŽle middelen.

Ten derde vermeld ik de versterking van de centrale cel terrorisme van de federale politie door het zogenaamde Terroprogramma.

Net als de leden van het Comitť P, wens ik dat de verantwoordelijken van het federaal parket hun oordeel kunnen meedelen en de conclusies van hun jaarverslag over terrorisme kunnen voorleggen.

Tot slot wil ik de opmerking over het overlijden van twee leden van de federale politie nuanceren. Die twee personen waren lid van de GDA van Brussel, maar maakten geen deel uit van de cel terrorismebestrijding. Het politiewerk is niet eenvoudig. Die twee zelfmoorden hebben me geraakt, maar de heer Vandenberghe mag toch niet alles door elkaar halen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Mag ik de minister doen opmerken dat mijn vraag gebaseerd is op publieke verklaringen, al dan niet terecht.

Uit het geheel van haar antwoord concludeer ik dat er tot op heden nog altijd geen protocol tot samenwerking bestaat tussen de verschillende veiligheidsdiensten. Dat is een ernstig tekort, gezien het bedreigende karakter van het terrorisme, ook in ons land. In Antwerpen werd onlangs bij de opening van een tunnel gewag gemaakt van een aanslag. Berichten daarover verschenen ook in de pers. Indien die juist zijn, moeten we concluderen dat het plan voor de aanslag maar aan het licht is gekomen dankzij de aandacht van de diensten die belast zijn met de bestrijding van het terrorisme.

Dit gezegd zijnde, blijft het een feit dat de dreiging van het terrorisme in Europa jammer genoeg niet afneemt, maar toeneemt. Daarom dring ik er opnieuw op aan dat de samenwerking op het terrein tussen de veiligheidsdiensten mogelijk wordt gemaakt.

De bespreking van de jaarverslagen van het federaal parket zal ons de gelegenheid bieden dieper in te gaan op de problematiek.

Mondelinge vraag van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over ęde moslimexecutieve van BelgiŽĽ (nr. 3-316)

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik kom terug op de vernieuwing van de moslimexecutieve van BelgiŽ.

Gisteren heeft de moslimexecutieve de kandidaten en de gekozenen tijdens een vergadering een overzicht gegeven van haar activiteiten en hen ingelicht over de spanningen rond haar vernieuwing. De regering zou hebben beslist deze verkiezingen uit te stellen tot in de herfst.

De ontmoeting bleek interessant, vruchtbaar, maar ook delicaat. De spanningen waren merkbaar. We hebben bij de verschillende moslimgemeenschappen bitterheid en een algemene malaise vastgesteld. De vergadering heeft lang geduurd en er werden duidelijke vragen gesteld.

De hele procedure, met alle stadia die de islamitische eredienst van 1974 tot op heden heeft doorlopen, werd in herinnering gebracht. De huidige ploeg heeft de indruk dat de regering tabula rasa wil maken met de op dit ogenblik geldende regeling. Ze zou niet betrokken zijn geweest bij de beslissing algemene verkiezingen te organiseren en heeft de indruk niet meer erkend te zijn als de enige door de islamitische godsdienst wettelijk erkende gesprekspartner van de minister van Justitie.

De minister moet de voorzitter en de leden van de executieve dus dringend ontmoeten. Zelf hoop ik dat de moslimgemeenschappen vertrouwen zullen stellen in de toekomstige executieve en dat de komende verkiezingen zullen verlopen in overeenstemming met de grondwettelijke principes en de wetten en teksten die deze materie regelen. De spelregels mogen niet worden gewijzigd op de vooravond van de verkiezingen.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Ik dank mevrouw Nyssens voor de kiesheid waarmee ze deze moeilijke kwestie behandelt.

De Belgische regering heeft als enige zorg dat de islam uiteindelijk op voet van gelijkheid met alle andere godsdiensten erkend en gesubsidieerd wordt. Enkele maanden geleden had de moslimgemeenschap zelf ons gevraagd tussenbeide te komen omwille van de beroering die was ontstaan. Er waren problemen in de vergadering, de voorzitter was ontslagen en de executieve had ontslag genomen.

We hebben dan twee senatoren, mevrouw KaÁar en de heer Moureaux, gevraagd te bemiddelen. In hun rapporten hebben ze gewezen op een aantal problemen, meer bepaald in verband met de vertegenwoordiging van de vrouwen en de wens van de Nederlandstalige en Turkse gemeenschap om beter vertegenwoordigd te zijn.

We zijn dus tussenbeide gekomen op verzoek van de moslimgemeenschap, die we in dit dossier hebben gesteund. De kwestie werd besproken in het kader van een dialoog tussen de executieve en de vertegenwoordigers van de vergadering.

Aangezien de regering nog geen beslissing heeft genomen, gaan de gesprekken door. Ik neem straks deel aan een vergadering met de executieve. Ik hoop dat we samen oplossingen zullen vinden, niet alleen voor de organisatie van de verkiezingen, maar ook om te vermijden dat we opnieuw in de situatie van 2002 en 2003 verzeilen. We willen een sterke en algemeen erkende moslimexecutieve, zoals dat het geval is voor de andere erediensten.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik hoor dat de regering nog geen beslissing heeft genomen, wat niet overeenstemt met de informatie waarover ik beschik.

Ik heb een concrete vraag. Het mandaat van de executieve loopt af op 31 mei. Wie zal de werkzaamheden van de executieve na die datum voorzetten?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Alles zal in het werk worden gesteld om de continuÔteit van de openbare diensverlening te verzekeren.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik vestig de aandacht van de minister op het feit dat meerdere verantwoordelijken op 31 mei ontslag zullen nemen of genomen hebben. Het gaat dus om een probleem van mensen. De voorzitter, die de minister straks zal ontmoeten, zal haar dat uitleggen.

De representativiteit van dit orgaan, waarvan de oprichting jaren heeft aangesleept, moet worden behouden. Deze instelling mag het vertrouwen van de talrijke moslimgemeenschappen in dit land niet verliezen.

Mondelinge vraag van mevrouw Fatma Pehlivan aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over ęde uitvoering van een resolutie over het culturele erfgoed van FamagustaĽ (nr. 3-303)

Mevrouw Fatma Pehlivan (SP.A-SPIRIT). - Enkele weken geleden sprak een meerderheid van de bevolking van Noord-Cyprus zich uit voor de hereniging met het Griekse deel van hun eiland. In brede kringen en ook door EU- en VN-vertegenwoordigers is bij die gelegenheid gezegd dat de Turks-Cypriotische gemeenschap het verdient uit haar politieke en economische isolement te worden gehaald. Vandaar dat ik de minister wil herinneren aan een resolutie over het culturele erfgoed van Famagusta. In die resolutie, die op 30 mei 2002 door de Senaatscommissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging werd aanvaard, wordt aan de regering gevraagd het probleem van het culturele erfgoed van Famagusta te agenderen op internationale fora en alle initiatieven te steunen die kunnen bijdragen tot het behoud van het culturele patrimonium van Cyprus.

Welke stappen heeft de Belgische regering in dat verband gedaan? Mocht het zo zijn dat die stappen niet tot een toereikende oplossing hebben geleid, meent de minister dan niet dat de tijd nu rijp is om die kwestie opnieuw te agenderen en de bedreiging voor het zeer rijke patrimonium van Famagusta af te wenden?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Mijn commentaar ten tijde van de bespreking van het voorstel van resolutie geldt nog steeds: de UNESCO mag pas optreden indien alle betrokken actoren ermee hebben ingestemd. Aangezien er geen globale regeling voor de verdeling van Cyprus bestaat en de stad Famagusta in het door de internationale gemeenschap niet erkende deel van het eiland ligt, kan Famagusta voorlopig geen UNESCO-steun krijgen.

Nadat de Cyprioten van het noorden hun bereidheid hadden te kennen gegeven om het plan van de VN-secretaris-generaal te ondersteunen, heeft de EU-raad Algemene Zaken van 26 april 2004 voorgesteld een einde te maken aan het isolement van dat deel van Cyprus; de Raad moedigt een verbetering van de contacten tussen beide gemeenschappen aan.

Het vraagstuk dat senator Pehlivan opwerpt, is ongetwijfeld een domein waarin de toenadering tussen beide gemeenschappen kan worden bevorderd. Ik zal niet nalaten dat aspect te vermelden in de komende contacten, zowel met de Commissie als met de Cypriotische beleidsvoerders.

Een algemene regeling van de Cypriotische kwestie zal trouwens niet alleen het behoud van het culturele erfgoed van Famagusta ten goede komen, maar de ontplooiing van de culturele identiteit van Šlle inwoners van het eiland.

Mevrouw Fatma Pehlivan (SP.A-SPIRIT). - In 2002 was de situatie heel anders dan nu. Toen was het enkel mogelijk om de gemeenschappen dichter bij elkaar te brengen op het vlak van het culturele erfgoed. Ik hoop dat BelgiŽ als voorbeeld zal fungeren om beide bevolkingsgroepen van Cyprus dichter bij elkaar te brengen.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Er is een belangrijk probleem: om politieke redenen kunnen we nog steeds het Turkse deel van Cyprus niet erkennen. Tijdens de laatste algemene raad waarop BelgiŽ aanwezig was, werden de Grieks-Cypriotische beleidsvoerders zwaar aangevallen door de andere Europese ministers van Buitenlandse Zaken. Immers, het resultaat van het referendum was eigenlijk ook de conclusie van het pleidooi van de leiders van het land om neen te stemmen.

We hebben aldus besloten dat het geld dat voorhanden was om de hereniging te steunen, prioritair bestemd is voor het Turkse deel van Cyprus. Daartoe zoeken we een technisch systeem dat het principe van het niet erkennen van Turks-Cyprus eerbiedigt. In de komende weken en maanden kunnen we een evolutie verwachten op dat punt. Ik beloof de senator dat ik dat punt aandachtig verder zal blijven volgen. Ik zal, waar mogelijk, de nodige initiatieven nemen.

Mondelinge vraag van mevrouw Isabelle Durant aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over ęde inbreuken op de conventies over het verbod en het gebruik van antipersoonsmijnenĽ (nr. 3-307)

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Een recent rapport van Netwerk Vlaanderen over de betrokkenheid van banken in de wapenindustrie doet het debat over ethische investeringen weer oplaaien.

Twee weken geleden ondervroeg ik minister Reynders. Binnen zijn bevoegdheid en op mijn voorstel heeft hij in de Senaatscommissie een werkgroep opgericht om opnieuw over die ethische vragen te discussiŽren.

Voor andere vragen is de vice-eerste minister bevoegd. Plegen de banken die in ons land beveks verkopen die in antipersoonsmijnen investeren, geen inbreuk op het verdrag van Oslo van september 1977 dat het gebruik, de opslag, de productie en de overdracht van die mijnen verbiedt? Artikel 1 van dat verdrag, waarvoor BelgiŽ trouwens sterk heeft geijverd, laat er geen twijfel over bestaan dat wij de verplichting hebben om op te treden.

Aangezien ons land geen wetgeving heeft aangaande de verkoop van beveks die in dergelijke productie investeren, kan het in overtreding zijn. In Noorwegen, waar dat probleem eveneens rees, is een officiŽle commissie tot dezelfde conclusies gekomen. Daar ging het wel om financiŽle middelen van de Staat. Ik kan echter niet uitsluiten dat parastatalen of overheidsondernemingen geen beveks in hun bezit hebben die investeren in bedrijven die antipersoonsmijnen of andere `vuile' wapens produceren.

Los van de vraag of ons land het verdrag naleeft, is het belangrijk dat het een initiatief neemt tegen deze praktijken. De eerste Review Conference van dit verdrag zal plaatshebben van 29 november tot 23 december van dit jaar. Een voorbereidende vergadering vond plaats op 13 februari. Dat is een goede gelegenheid om het dossier aan te pakken.

Meent de minister dat ons land het verdrag inzake antipersoonsmijnen nakomt indien Belgische banken beveks verkopen die investeren in de productie van mijnen?

Indien Staatsinstellingen dergelijke beveks in hun portefeuille zouden hebben, overtreedt ons land dan het betrokken verdrag, zoals een officiŽle Noorse commissie meent?

Zal ons land tijdens de voorbereidende vergadering van eind juni of tijdens de Review Conference einde dit jaar voorstellen financiŽle transfers en steun af te snijden naar bedrijven die antipersoonsmijnen produceren in landen die niet tot het verdrag toetreden en doorgaan met die productie?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - BelgiŽ behoort tot de kleine groep Staten die, samen met een groot aantal NGO's, een voortrekkersrol hebben gespeeld in de strijd tegen de antipersoonsmijnen. Dat gebeurt nog steeds. Dankzij een brede nationale consensus werd BelgiŽ in maart 1995 het eerste land ter wereld met een wetgeving op een totaal verbod van antipersoonsmijnen. Die wet bestond dus reeds vůůr het verdrag dat deze mijnen verbiedt. U zult zich trouwens herinneren dat mijn voorganger, de heer Derycke, de positieve evolutie van dat dossier sterk heeft aangemoedigd.

BelgiŽ blijft zijn rol spelen bij het bevorderen van de veralgemeende toepassing van dat verdrag. Die politieke keuze werd nog eens uitdrukkelijk opgenomen in de nota die de regering in juli 2003 aan het federale Parlement voorlegde. De veralgemening van het verdrag wordt zowel kwantitatief als kwalitatief bevorderd. In die context wil ik de initiatieven van mijn collega van FinanciŽn plaatsen. Hij stelde voor de informatie en transparantie te versterken. Hij stelde ook een ontmoeting met de sector voor om binnen de instellingen zelf de ontwikkeling van een gedragscode aan te moedigen. Ik ben het met collega Reynders eens dat een debat op Europees niveau of in een nog breder kader opportuun zou zijn, onder meer omdat de in BelgiŽ op de markt gebrachte beveks niet noodzakelijk worden verkocht door ICB's naar Belgisch recht.

Ik zal het wetsvoorstel dat u aankondigde, aandachtig lezen.

De vergadering van 28 en 29 juni ter voorbereiding van de conferentie over de toepassing van het verdrag inzake het verbod van antipersoonsmijnen van november 2004 zal vooral de gelegenheid bieden een overzicht te maken van de grote politieke thema's van het verdrag en van de organisatorische aspecten van de conferentie.

Deze voorbereidende vergadering wordt voorafgegaan door een tussentijdse bijeenkomst waarop de lidstaten informatie uitwisselen en de toepassing van het verdrag in al zijn aspecten bespreken. Evenals in het verleden zal BelgiŽ daaraan actief deelnemen. Dat geeft BelgiŽ de kans de door ons land genomen initiatieven, ook die van de minister van FinanciŽn en andere instanties, aan de deelnemers mede te delen. De bevoegde diensten van de FOD Buitenlandse Zaken zullen de ontwikkeling van dit dossier met grote aandacht blijven volgen.

Ik vestig ten slotte de aandacht op een persbericht van de Global Landmine Monitor Researchers' Meeting in Sarajevo van 3 tot 5 mei. Daarin is sprake van positieve signalen vanwege de banken om maatregelen te treffen tegen investeringen in het domein van antipersoonsmijnen.

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Ik trek de voortrekkersrol die BelgiŽ speelt uiteraard niet in twijfel. Precies daarom wil ik weten of de minister meent dat BelgiŽ mogelijk het verdrag overtreedt.

Ik neem akte van het antwoord over de initiatieven, ook die van minister Reynders, waarover wij in de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden zullen debatteren. Inzake de voorbereiding van de conferentie van einde dit jaar blijf ik met vragen zitten. De minister sprak over een gedachtewisseling. Het lijkt me nodig te praten over de naleving van het verdrag en vooral over de te nemen maatregelen, ook op Europees en internationaal niveau. Een Noorse commissie is overigens tot hetzelfde besluit gekomen.

Ik zal dit dossier aandachtig volgen, zeker na de voorbereidende vergadering om te weten of deze kan uitmonden in nieuwe initiatieven en of andere landen, die ook een voortrekkersrol spelen, de initiatieven van BelgiŽ ondersteunen.

Mondelinge vraag van mevrouw Amina Derbaki SbaÔ aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over ęde raamovereenkomst over de bescherming van de nationale minderhedenĽ (nr. 3-309)

Mevrouw Amina Derbaki SbaÔ (Onafhankelijke). - In juli 2001 heeft BelgiŽ de raamovereenkomst over de bescherming van de nationale minderheden ondertekend. In september 2002 heeft de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa het verslag-Nabholz-Haidegger goedgekeurd. De ratificatie van die overeenkomst hangt af van de definitie van het begrip minderheden, een taak die was toevertrouwd aan de interministeriŽle conferentie voor buitenlands beleid, de ICBB. In mei 2003 hebben de Franstalige experts van die conferentie hun conclusies ingediend.

Nu, bijna drie jaar na de ondertekening van die overeenkomst, is nog geen datum voor ratificatie aangekondigd. De huidige herrie in de Brusselse rand herinnert ons eraan dat een erkenning van de minderheden in ons land niet overbodig zou zijn.

Ik vraag u niet de verschillende rapporten, aanbevelingen en interventies in verband met dit onderwerp op te sommen.

Ik vraag eenvoudig: hoe staat het met het ratificatieproces en wat is de reden voor de vertraging?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik heb de tekst van de raamovereenkomst in juli 2001 in Straatsburg ondertekend namens BelgiŽ en zijn gemeenschappen en gewesten. In de interministeriŽle conferentie voor buitenlands beleid was overeengekomen dat een groep experts een rapport zou uitbrengen over de definitie van de minderheden. Die groep heeft in juli 2003 een volledig en gedocumenteerd rapport ingediend over zijn werkzaamheden.

Enerzijds is er een gemeenschappelijk rapport van de Franstaligen en de Duitstaligen, anderzijds werd een rapport ingediend door de Nederlandstaligen. Samen met de voorzitter van de groep experts, heb ik beide rapporten voorgesteld aan de interministeriŽle conferentie voor buitenlands beleid, die er akte van heeft genomen. De conferentie heeft sedertdien niet meer vergaderd, het vervolg van die zaak wordt op de agenda van een volgende vergadering geplaatst.

De minister van Buitenlandse Zaken kan geen verdrag ratificeren zolang niet alle betrokken assemblees hun instemming hebben betuigd. Op politiek vlak moet nog een lange weg worden afgelegd vooraleer elk deelgebied aanvaardt die instemming te betuigen.

Ik volg aandachtig de evolutie van dit dossier. In dergelijke dossiers wordt echter zelden zo kort vůůr de verkiezingen vooruitgang geboekt.

Mevrouw Amina Derbaki SbaÔ (Onafhankelijke). - Ik dank de minister voor zijn antwoord, waarvan ik de inhoud al kende. Zoals hij zegt, zijn de conclusies aan de verschillende assemblees voorgelegd en op het niveau van de gewesten zijn al beslissingen genomen. Ik vraag mij echter af of deze zaak in het noorden van het land voor meer problemen zorgt dan in het zuiden en of het niet mogelijk is een consensus te vinden. Daarover ging mijn vraag, maar daarop heb ik geen antwoord gekregen.

Mondelinge vraag van de heer Jean-Marie Dedecker aan de minister van Landsverdediging over ęhet gebruik van marine-infrastructuur voor risicovolle duikactiviteiten door een vereniging uit NijvelĽ (nr. 3-313)

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Het leger voert sinds enige jaren een PR-offensief en ik juich dat toe.

Tegenwoordig kunnen burgers gebruik maken van legerinfrastructuur om bepaalde dromen waar te maken. Ze kunnen klimmen in Marche-les-Dames of duikles nemen bij de marine. Bij hun aanvraag dient dan wel een motivatie te worden gevoegd waaruit het belang voor het leger blijkt.

Via mijn contacten in het sportmilieu aan de kust vernam ik dat de Cyana-duikclub uit Nijvel de toestemming heeft gekregen om op 12 mei op de mijnenveger M924 Primula met de marine mee te trainen, te varen en te duiken, onder meer naar wrakken. Mijn inziens houdt dat een extra risico in bij de beoefening van die sport.

Kan de minister aantonen dat het doel, namelijk verstevigen van de band Defensie-natie, hier wordt bereikt? De marine organiseert rondvaarten en andere bezoeken op uitnodiging van bepaalde steden of instellingen van openbaar nut die feestvieren, maar doet dat nooit voor privť-clubs. De Cyana-duikclub is nochtans een privť-club.

Hoe worden de bijdragen betaald die aan burgers en verenigingen worden gevraagd om gebruik te kunnen maken van legerinfrastructuur? Welke bijdrage werd in dit concrete geval gevraagd?

Om genoemde mijnenveger een dag in te zetten moeten er 33 bemanningsleden worden gemobiliseerd en 7000 euro aan wedden worden uitbetaald. Werden die kosten de club aangerekend? Wegen de materiŽle voordelen op tegen de onvermijdelijke kosten voor Defensie?

Worden de nodige voorzieningen getroffen om passend te kunnen optreden als er een ongeval gebeurt? Het duiken naar wrakken in de Noordzee is een bijzonder riskante onderneming. Voldoen de duikers aan de medische vereisten? Is er aan boord een decompressiekamer en een hyperbarist? Hoe zit het met de verzekering van de deelnemers?

Ik zou vooral graag vernemen of dergelijke activiteiten ook openstaan voor andere duikverenigingen. Hoe heeft de vereniging in kwestie het belang voor defensie gemotiveerd?

De heer Andrť Flahaut, minister van Landsverdediging. - Het departement Landsverdediging stelt zich open op naar de buitenwereld. Zo hebben we meermaals beslist sport- en andere infrastructuur, materieel en personeel ter beschikking te stellen van de burgerbevolking. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat het leger, wanneer het zijn personeel, infrastructuur en materieel niet gebruikt voor militaire operaties of de voorbereiding daarvan, dat personeel, materieel en die infrastructuur uit solidariteitsoverwegingen zoveel mogelijk ter beschikking moeten stellen van de burgermaatschappij, in ons land of daarbuiten. Daarom wordt humanitair materieel meegenomen als er nog plaatst rest in de laadruimte van een vliegtuig. Daarom vervoeren wij personeel van andere departementen of van niet-gouvernementele organisaties. Daarom werden overal in BelgiŽ met sportclubs uit alle disciplines een indrukwekkend aantal overeenkomsten gesloten om het gebruik van die infrastructuur mogelijk te maken.

Voor elk dossier waarbij er een band is tussen het leger en de natie, of het leger en de jeugd, wordt een aanvraag ingediend. Die aanvraag wordt behandeld door de administratie, die adviezen krijgt van de hiŽrarchie, en belandt op mijn bureau. Ik stem ermee in of ik weiger. Over het algemeen volg ik echter de gunstige adviezen van de hiŽrarchie.

Wat dit bijzondere geval betreft, wordt helemaal geen speciaal schip gebruikt voor de genoemde activiteit. Die activiteit past in het programma van de operaties. Daarom heeft de commandant Operaties en Training een gunstig advies uitgebracht. De schepen moeten immers varen, anders zou de bemanning de voordelen van haar opleiding verliezen. Als de duikers bijvoorbeeld niet af en toe kunnen duiken op zee, verliezen ze hun ervaring. De bewuste opdracht was dus opgenomen in het programma en heeft geen extra kosten teweeggebracht voor het departement Landsverdediging. Er waren nog plaatsen vrij aan boord, er kon dus gunstig worden geantwoord op een aanvraag van een professionele zwemclub. Ze hebben zelfs niet kunnen duiken omdat het weer het niet toeliet. Ze hebben hun consumpties aan boord betaald. Er waren veiligheidsmaatregelen getroffen ingeval er zou worden gedoken, zoals het gebruik van een decompressiekamer en de aanwezigheid van een arts, maar die maatregelen gelden ook voor al het militaire personeel als er gedoken wordt.

Om zo volledig en correct mogelijk te antwoorden, beschik ik over het antwoord op een parlementaire vraag met betrekking tot de sponsoring van alle clubs door het departement Landsverdediging. In alle sportdisciplines bestaat er sponsoring in de vorm van uitrusting die gedurende drie jaar wordt aangeboden. Ik beschik ook over het antwoord op de parlementaire vraag betreffende alle concessies die op alle Belgische militaire domeinen verleend worden aan sportclubs. Ik heb ook het reglement meegebracht met betrekking tot de topsporters binnen het departement Landsverdediging. Cťdric Taymans, die thans de laatste proeven aflegt om naar de Olympische Spelen te kunnen gaan, is geÔnteresseerd in dit statuut van topsporter in mijn departement.

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Mijnheer de minister, u mag een aanvraag van mijn duikclub verwachten.

Mondelinge vraag van de heer Jean-FranÁois Istasse aan de minister van FinanciŽn over ęde nadelige gevolgen van het Belgisch-Duitse akkoord waarbij de dubbele belasting wordt uitgeslotenĽ (nr. 3-308)

De voorzitter. - De heer Hervť Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de FinanciŽn en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn, antwoordt namens de heer Didier Reynders, minister van FinanciŽn.

De heer Jean-FranÁois Istasse (PS). - Een Belgisch-Duits akkoord dat op 1 januari 2004 in werking trad, sluit de dubbele belasting van grensarbeiders uit. Het gaat om enkele duizenden mensen. De grensarbeiders zullen belast worden in het land waar ze hun beroepsactiviteit uitoefenen en dus niet meer, zoals voorheen, in het land waar ze wonen. We hebben hier lang op gewacht en verheugen ons erover.

Dit akkoord heeft jammer genoeg nadelige gevolgen. Vele werknemers-gezinshoofden worden in Duitsland beschouwd als alleenstaanden zonder kinderen ten laste. Hierdoor wordt heel wat meer roerende voorheffing ingehouden en vermindert het netto-inkomen. Deze wurgende en foute belasting kan niet langer. Als de werknemer niets zegt, krijgt hij het meest ongunstige belastingregime.

Het toppunt van de gebrekkige harmonisatie wordt bereikt in het geval van een kind ten laste met een handicap. Als deze handicap in BelgiŽ wordt erkend, moet deze ook in Duitsland erkend worden - wat niet automatisch gebeurt - en omgekeerd.

Sommigen stellen voor een Belgisch-Duits fonds op te richten dat kan worden aangesproken in bepaalde dringende en sociaal dramatische gevallen.

Beschikt de minister over een praktische oplossing voor de problemen waarmee talrijke gezinnen aan weerszij van de Belgisch-Duitse grens kampen?

De heer Hervť Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de FinanciŽn en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - De heer Istasse biedt me de kans eraan te herinneren dat de grensarbeiders die in BelgiŽ wonen, al sinds twintig jaar de afschaffing vragen van het geldende belastingregime. De grote meerderheid van de grensarbeiders die in BelgiŽ wonen en in Duitsland werken zijn zeer tevreden over het nieuwe belastingregime en betalen in de meeste gevallen minder belastingen in Duitsland dan in BelgiŽ.

De aanvullende overeenkomst voorziet overigens in een vermindering van de Duitse belasting met 8 procent. Dit nieuwe stelsel stemt overeen met datgene wat al in de sociale zekerheid wordt toegepast. De harmonisering van de stelsels verhoogt de rechtszekerheid van de betrokken belastingplichtigen.

Wat de grensarbeiders betreft waarvan het inkomen zal verminderen ingevolge de wijziging van het stelsel, kunnen de minister van FinanciŽn en ikzelf de heer Istasse geruststellen. Na onderzoek is gebleken dat het niet gaat om een groot aantal gezinnen, maar om enkele afzonderlijke gevallen. Het probleem is niettemin niet ontsnapt aan de aandacht van de commissie grensarbeiders; het rapport dat de commissie in oktober 2003 bij het parlement indiende, bevat een specifieke aanbeveling in verband met de onbedoeld nadelige gevolgen voor het inkomen van een klein aantal grensarbeiders.

Belgische grensarbeiders kunnen onder bepaalde voorwaarden als Duitse inwoners worden belast, onder meer als 90 procent van hun totale inkomsten in een bepaald jaar belastbaar is in Duitsland. Om van dit gunstige regime te kunnen genieten moet jaarlijks een attest worden ingevuld en aan de Duitse werkgever worden overhandigd.

Om de betrokken personen beter te kunnen informeren, hebben we binnen onze administratie een callcenter opgericht dat gratis informatie verstrekt over de wijzigingen.

We hebben daarover op 13 januari 2004 een gedetailleerde mededeling gepubliceerd die ook beschikbaar is op de website van de FOD FinanciŽn. Ik zal de heer Istasse een kopie geven.

De definitie van `gehandicapt kind' valt onder de bevoegdheid van mijn collega van Sociale Zaken en Volksgezondheid, maar de definities in Duitsland en BelgiŽ moeten ook worden vergeleken.

Ook voor dit probleem kan de gratis telefoonlijn, zowel vooraf als op het ogenblik dat het probleem zich voordoet, een oplossing bieden.

De meeste betrokken Belgen zijn echter tevreden over de tekst die eind vorig jaar werd goedgekeurd en begin dit jaar in werking trad.

De heer Jean-FranÁois Istasse (PS). - Ik twijfel niet aan de goede bedoelingen van de minister, maar ik denk niet dat het gaat om slechts enkele afzonderlijke gevallen. Over hoeveel gevallen gaat het precies? Het zou wellicht nuttig zijn na te gaan of er geen andere gevallen zijn.

Het callcenter is zeker een goed initiatief. Wellicht kan de minister ons het nummer meedelen. Een callcenter kan nuttige informatie verstrekken, maar kan spijtig genoeg niet de praktische problemen oplossen die uit deze overeenkomst voortvloeien. Ik meen dat we het erover eens zijn dat, ook al zou zich maar ťťn geval met een gehandicapt kind voordoen, het de moeite zou lonen het te regelen.

De heer Hervť Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de FinanciŽn en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - Het nummer van het callcenter is 0800 90 220.

Ik sta helemaal achter de sociale en fiscale benadering van de heer Istasse. Ik weet niet precies over hoeveel gevallen het gaat; ik zal het mijn diensten vragen en de informatie doorgeven.

Ik ben het ermee eens dat bepaalde personen hun probleem niet melden en dat informatie nodig is. Ik hoop met de heer Istasse te kunnen samenwerken aan deze fiscale en sociale benadering.

Mondelinge vraag van mevrouw Isabelle Durant aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen en aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over ęhet opzetten van een telefoonlijn om illegale vreemdelingen te Antwerpen te verklikkenĽ (nr. 3-314)

Mondelinge vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over ęde kliklijnĽ (nr. 3-317)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Ik heb met afschuw en verbazing in De Morgen en Het Laatste Nieuws van 12 mei kennis genomen van het initiatief van het Vlaams Blok om een telefoonlijn te installeren waarmee particulieren illegalen en zwartwerkers kunnen aangeven. Die inlichtingen zouden aan de Antwerpse politie en aan de schepen voor integrale veiligheidszorg, Dirk Grootjans, worden doorgegeven.

Deze walgelijke en afschuwelijke praktijk brengt ons terug tot de tijd van de Tweede Wereldoorlog toen joodse mensen en families aan de nazibezetter werden verklikt.

Deze verklikking beoogt vandaag enkel buitenlanders die hier geen regelmatig verblijfsstatuut hebben of een niet aangegeven werk verrichten. De bedoelingen van de initiatiefnemer, Philippe Van der Sande, zoals vermeld in De Morgen, zijn zeer duidelijk: "we moeten voorzichtig zijn; het is niet de bedoeling zwartwerkers van `ons volk' aan te geven". Het betreft dus een praktijk die tot haat en discriminatie tegen vreemdelingen wil aanzetten.

Hoe zal de minister, los van de klachten die waarschijnlijk bij het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding zullen worden ingediend, op deze praktijk reageren? Heeft het Centrum hiervoor reeds een bijzondere opdracht?

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Gisteren werd in de pers bekendgemaakt dat het Vlaams Blok in Antwerpen een `kliklijn' start waarop personen die vermoedens hebben over plaatsen waar illegale personen verblijven, wonen of werken hun verhaal kwijt kunnen.

Was de minister op de hoogte van het initiatief? Heeft ze preventieve maatregelen genomen om dat initiatief eventueel tegen te houden?

Bestaat er een wettelijke basis voor het initiatief? Is een dergelijke kliklijn niet strijdig met artikel 21 van de wet op het politieambt, artikel 1 van de wet op de private milities en met de wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer? Ik ben de mening toegedaan dat die drie wetten worden overtreden.

Zal de minister haar positief injunctierecht aanwenden met het oog op een gerechtelijk onderzoek naar mogelijke strafbare feiten?

Kan de minister toelichting geven bij haar concrete beleid op justitieel vlak en de maatregelen met betrekking tot de naleving van de bepalingen van de Vreemdelingenwet?

Mevrouw Marie Arena, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Het voorstel dat het Vlaams Blok sinds begin deze week doet, is compleet weerzinwekkend. Het bevestigt het misprijzen van het Blok voor de fundamentele principes van de rechtsstaat.

De oproep tot verklikking is walgelijk. Het stuit de grote meerderheid van onze burgers, zowel in het noorden als in het zuiden van het land, tegen de borst. De democratie kan dergelijke praktijken niet dulden. Zij herinneren ons aan de donkerste uren van onze geschiedenis, zoals het registreren van joden, het merken van bevolkingsgroepen die moesten worden gedeporteerd, de publieke oproepen tot haat en antisemitisme.

Het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding heeft het dossier reeds tot zich getrokken en heeft het advies van de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer gevraagd.

Zoals De Tijd schreef, wil het Vlaams Blok zich in de plaats stellen van de politie en het gerecht. De wetgeving is terzake duidelijk. Het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de procureur des Konings moet toezien op de wettelijkheid van de bewijsmiddelen en op het toelaatbare karakter waarmee die werden verzameld.

Artikel 1 van de wet van 29 juli 1934 op het verbod van de privť-milities bepaalt dat elke privť-militie of elke andere organisatie van privť-personen waarvan het oogmerk is geweld te gebruiken of het leger of de politie te vervangen, zich met deze actie in te laten of in hun plaats op te treden, verboden is.

Artikel 21 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt bepaalt dat de politiediensten toezien op de naleving van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

Artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, ingevoegd door de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geÔntegreerde politiedienst, bepaalt dat de politiediensten geen persoonsgegevens kunnen inwinnen en verwerken, tenzij dit gebeurt overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer. In artikel 8 van deze wet staat dat verwerking van persoonsgegevens inzake verdenkingen volledig verboden is.

Dergelijke ontsporingen zijn dus totaal onaanvaardbaar. Het initiatief van het Blok daagt het Staatsgezag, en in het bijzonder de politie, uit. Het is een oproep tot haat jegens alle buitenlanders. Dat is voor het Blok gebruikelijk en het werd daarvoor trouwens veroordeeld. Het is een beroep op weerzinwekkende methodes, totalitaire landen waardig.

Het Vlaams Blok is zich van dat alles volledig bewust. Het probeert daarmee gewoon goedkope publiciteit te krijgen ten koste van die personen.

De boodschap van de regering is duidelijk: zij verwerpt ten sterkste elke actie en elk beleid die leiden naar een samenleving waarin iedereen zijn buur wantrouwt en de vreemdeling misprijst. (Applaus)

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Ik dank de minister voor haar geruststellende woorden, waaraan ik en alle aanwezigen hier overigens niet twijfelden.

Inzake de onwettigheid verwees de minister naar verschillende artikelen en refereerde zij aan de privť-milities en het Wetboek voor Strafvordering. Wij moeten duidelijke taal spreken, maar tevens aandacht hebben voor de door het Blok gehanteerde strategieŽn die een politieke reactie uitlokken.

De minister gaf de reactie van de regering weer, maar velen willen ook een reactie van het Parlement. Welke strategieŽn kunnen wij volgen, hetzij via het Centrum, hetzij via de regering?

Mevrouw Marie Arena, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Zoals ik zei, heeft het Centrum de zaak reeds tot zich getrokken zodra het ervan op de hoogte werd gebracht, zonder daartoe door welke politieke partij dan ook te zijn aangezet. Het Centrum kan in volle onafhankelijkheid alle vereiste juridische acties ondernemen. Het bewijs daarvoor is dat, dankzij het Centrum, het Hof van Beroep van Gent twee weken geleden een arrest heeft geveld over de vzw's rond het Vlaams Blok. Het Centrum is bevoegd om in rechte op te treden en de wet tegen discriminatie en de oproepen tot haat te doen naleven. Via het Centrum kan het doel worden bereikt.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - De CD&V deelt de verontwaardiging van de minister. De aangehaalde feiten zijn niet alleen onaanvaardbaar en onwettig, maar ook strafbaar.

De minister verklaart dat het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor racismebestrijding de nodige stappen zal doen, maar ze heeft niet geantwoord op mijn vraag of ze haar positief injunctierecht zal aanwenden en een gerechtelijk onderzoek zal bevelen. Ze is immers niet verplicht via het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding te handelen, mochten de feiten zich in de praktijk effectief voordoen. Ze kan de wet ook gewoon rechtstreeks toepassen.

Mevrouw Marie Arena, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Ik bevestig dat die acties wettelijk niet toegelaten en strafbaar zijn. Door het Centrum, dat in rechte kan optreden, kunnen zij worden vervolgd. Momenteel is het niet nodig dat de minister van Justitie haar injunctierecht gebruikt. Wij hebben vertrouwen in het Centrum om de wet te doen naleven. Dat heeft reeds tot resultaten geleid.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en aan de staatssecretaris voor Europese Zaken en Buitenlandse Zaken over ęde aandacht voor kinderrechten op de agenda van het Iers Europees voorzitterschapĽ (nr. 3-238)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Op 1 januari 2004 nam Ierland het voorzitterschap van de Europese Unie over van ItaliŽ. De Ieren lieten weten dat een Europees jeugdbeleid een belangrijke prioriteit wordt tijdens hun voorzitterschap. Zo organiseerde Ierland begin maart een Jeugdconferentie, waaraan ministers, jongeren en NGO's deelnamen.

Het Ierse voorzitterschap wil ook de discussie voortzetten over het nieuwe Jeugdprogramma voor Europa. Een van de kernpunten in dat debat is de verruiming van de leeftijdsgrenzen. Tot op heden is het Jeugdprogramma van de Europese Unie gericht op jongeren vanaf de leeftijd van 15 jaar. Intens lobbywerk streeft naar een verlaging van deze leeftijd naar 12 jaar.

Op 22 april heeft het Ierse voorzitterschap een bijeenkomst gehouden van de Permanente Intergouvernementele groep L'Europe de l'Enfance, een informele bijeenkomst van Europese ministers of hooggeplaatste verantwoordelijken op het vlak van het nationale kinderbeleid. Tot nu toe is in het parlement niet veel aandacht aan deze materie besteed.

Welke prioriteiten en aandachtspunten inzake kinderrechten werden er opgenomen in de agenda van het Ierse Europese voorzitterschap? Voor welke van deze aandachtspunten, doelstellingen of strategieŽn engageert BelgiŽ zich in het bijzonder tijdens het Ierse Europese voorzitterschap? Welke aandachtspunten met betrekking tot kinderrechten zijn mede door BelgiŽ op de agenda geplaatst?

Door wie werd BelgiŽ vertegenwoordigd op de Jeugdconferentie? Wat was het resultaat ervan? Hoe zullen de afspraken worden opgevolgd?

Wat houdt de verruiming van de leeftijdsgrenzen van het Jeugdprogramma Europa in? Wat is het standpunt van BelgiŽ dienaangaande?

Wie was de afgevaardigde voor BelgiŽ op L'Europe de l'Enfance van 22 april? Welke punten stonden op de agenda? Wat was het resultaat voor Europa en ons land?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - In de eerste plaats wens ik te benadrukken dat het Jeugd- en Kinderwelzijnsbeleid op intern vlak tot de exclusieve bevoegdheid van de gemeenschappen behoort. Krachtens een samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat en de gemeenschappen en de gewesten wordt BelgiŽ op de Raad van de Europese Unie `Jeugd' uitsluitend door de gemeenschappen, elk om de beurt, vertegenwoordigd.

Het samenwerkingsakkoord bepaalt dat de Directie-generaal Europese Zaken en CoŲrdinatie van de FOD Buitenlandse Zaken instaat voor de coŲrdinatie met het oog op het bepalen van het Belgische standpunt tijdens de formele zittingen van de verschillende raadsformaties. Dat is niet het geval voor informele vergaderingen zoals de vergaderingen waarnaar in de vraag wordt verwezen. Mijn departement was dus niet betrokken bij de voorbereiding van die vergaderingen. Ik kan u evenwel meedelen dat het Ierse voorzitterschap inzake jeugdwerking voorrang wenst te verlenen aan de EU White Paper on Youth, waarin wordt getracht een nieuw samenwerkingskader in dit domein te ontwikkelen. De Belgische delegatie heeft in dit verband gepleit voor een betere communicatie en coŲrdinatie van de initiatieven die werden genomen op het vlak van de betrokkenheid van jongeren, de lokale participatie, de informatie, de erkenning van het niet formeel leren en de autonomie.

Op 4 maart jongstleden vond er een Jeugdconferentie plaats. Er werd een consultatieronde gehouden met jongeren afkomstig uit de nationale jeugdraden. Voor BelgiŽ waren jongeren van beide gemeenschappen aanwezig. Tevens vond er een informele raad plaats waarop BelgiŽ werd vertegenwoordigd door een delegatie samengesteld uit afgevaardigden van de drie gemeenschappen. Het resultaat van een informele conferentie valt moeilijk te meten. De bedoeling was vooral om de belangrijkste common objectives van de jeugdsector en van de Europese Commissie op elkaar af te stemmen.

Wat de verruiming van de leeftijdsgrenzen in het raam van het Jeugdprogramma Europa betreft, kan ik u meedelen dat het Jeugdprogramma Europa op dit ogenblik toegankelijk is voor jongeren van 15 tot 25 jaar. Thans wordt nagegaan of die leeftijdsbepaling adequaat is.

Volgens BelgiŽ moet worden onderzocht of de leeftijdsgrens voor de groepsuitwisselingen niet moet worden verlaagd tot 13 jaar en die voor de European Voluntary Service niet moet worden verhoogd tot 30 jaar.

De permanente intergouvernementele groep `L'Europe de l'Enfance' is op 22 april bijeengekomen. Het betrof een informele vergadering. BelgiŽ werd er vertegenwoordigd door een afgevaardigde van het kabinet van de minister van Kinderwelzijn van de Franse Gemeenschap. De voornaamste onderwerpen tijdens deze bijeenkomst hadden betrekking op een bredere integratie van het kinderwelzijnsbeleid in alle beleidsdomeinen van de Unie, met name inzake gerechtelijke procedures, en de werking van een netwerk van observatoria inzake kinderwelzijn.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over ęhet Belgisch beleid inzake het gebruik van kinderen als soldatenĽ (nr. 3-252)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Een extreme vorm van uitbuiting en mishandeling in gewapende conflicten is de rekrutering van kinderen als soldaten en hun rechtstreekse of onrechtstreekse participatie aan de gevechten. Het gaat vandaag om naar schatting 300.000 kinderen.

In de voorbije jaren groeide de verontwaardiging van de publieke opinie ten aanzien van het fenomeen. Verscheidene landen namen wetgevende initiatieven om het gebruik van kindsoldaten in te dijken. Demobilisatie- en reÔntegratieprogramma's voor voormalige kindsoldaten werden opgezet, vaak gesteund met internationale ontwikkelingsbudgetten. Op diplomatiek niveau kwam regelgeving tot stand, onder andere het aanvullende protocol over kinderen in gewapende conflicten bij het VN-Kinderrechtenverdrag.

BelgiŽ ratificeerde het protocol op 6 mei 2002. Krachtens het protocol is BelgiŽ ertoe gehouden om twee jaar na de ratificatie, op 6 mei 2004 dus, een rapport over te maken aan het VN-Comitť voor de Rechten van het Kind in GenŤve. Daarin moet ons land aangeven welke maatregelen het heeft genomen om de bepalingen van het protocol te implementeren.

Door de Belgische NGO's werd in april 2004 een parallel rapport, de Belgische coalitie tegen het gebruik van kindsoldaten, opgesteld. De coalitie vermeldt daarin dat BelgiŽ nog meer zou kunnen doen om het probleem van de kindsoldaten in te dijken. Ze bundelt haar aanbevelingen aan de regering in hoofdstukken rond wapenhandel, ontwikkelingssamenwerking en buitenlands beleid. Dit NGO-rapport werd al publiek gemaakt en ook overgemaakt aan het VN-Comitť in GenŤve en aan de gewest- en federale ministers.

Is ons land aan zijn verplichtingen tegemoetgekomen? Hebben wij het verslag bij het VN-Comitť ingediend? Wat zijn de krachtlijnen ervan?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Het facultatieve protocol bij het Verdrag inzake de rechten van het kind over de betrokkenheid van kinderen in gewapende conflicten, aangenomen in New York op 25 mei 2000, werd door BelgiŽ ondertekend op 6 september 2000. De wet houdende instemming met het protocol werd bekrachtigd op 29 april 2002 en de akte van bekrachtiging werd neergelegd op 6 mei 2002. Het protocol is voor BelgiŽ in werking getreden op 6 juli 2002. Artikel 8 van het protocol bepaalt dat uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding de betrokken Staat aan het Comitť voor de rechten van het kind een verslag dient te overhandigen met de door hem genomen maatregelen die uitvoering geven aan de bepalingen van het protocol. Het verslag dat BelgiŽ moet indienen, wordt voorbereid door de interministeriŽle commissie voor humanitair recht, een permanent adviesorgaan van de federale regering dat bijdraagt tot het scheppen van de omstandigheden die voor de naleving van de internationale verplichtingen op het gebied van het internationaal humanitair recht nodig zijn. In het rapport worden de verklaringen opgenomen die BelgiŽ heeft geformuleerd bij de bekrachtiging van het protocol. Vervolgens wordt uiteengezet hoe het nationaal recht in overeenstemming wordt gebracht met de bepalingen van het protocol. Het gaat hierbij vooral om de wetswijzigingen die nodig zijn of moeten worden bevorderd om te voldoen aan de verplichtingen vervat in de artikelen 1 tot 4 van het protocol over de leeftijdsgrens. Het rapport zal eveneens een gedeelte bevatten over de operationele aspecten van BelgiŽ bij de bestrijding van het inzetten van kinderen in gewapende conflicten. De problematiek van de kindsoldaten is een belangrijk thema in het kader van ons Afrikabeleid en voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking. De strategie en de steun van Buitenlandse Zaken via de begroting conflictpreventie en van Ontwikkelingssamenwerking worden in het verslag toegelicht. De interministeriŽle commissie voor humanitair recht zal het verslag goedkeuren tijdens de plenaire vergadering van 8 juni eerstkomend, waarna het door de minister van Buitenlandse Zaken kan worden overgezonden aan het Comitť voor de rechten van het kind.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - De vice-eerste minister is dus op tijd met zijn rapport, dat tot 8 juni kan worden ingediend. We kijken ernaar uit. Ik heb de voorzitter van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging van de Senaat, mevrouw Lizin, een brief geschreven met de vraag om in de commissie een gedachtewisseling te houden over dat rapport, zodat we het meer in detail kunnen bespreken en eventueel een hoorzitting kunnen organiseren met de coalitie van NGO's tegen kindsoldaten. Ik hoop dat we binnenkort de tijd zullen hebben om deze discussie samen te voeren.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Mobiliteit en Sociale Economie over ęde tewerkstelling van de ervaringsdeskundigen in de armoede en de sociale uitsluitingĽ (nr. 3-310)

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Op dinsdag 30 maart vatte de minister in de commissie voor de Sociale Zaken drie maatregelen samen die aanvaard werden op de superministerraad in Raversijde. Een ervan was de verdere inschakeling in de loop van 2004, van ervaringsdeskundigen in de armoede in de instellingen en federale overheidsdiensten en federale overheidsbedrijven in de loop van 2004. Later zouden ze ook in privť-ondernemingen en op andere beleidsniveaus moeten worden ingeschakeld.

De opleiding ervaringsdeskundige in de armoede en de sociale uitsluiting is een opleiding type A2, die gelijkgesteld is aan een opleiding jeugd- en gehandicaptenzorg. De opleiding is er enkel voor generatiearmen, mensen die sinds hun jeugd in armoede leven en dat altijd zo gekend hebben omdat hun ouders ook arm waren. De opleiding leert deze mensen hun ervaring met armoede te gebruiken om het beleid bij te staan, om als tolk op te treden voor armen, om instellingen te adviseren over de manier waarop ze armoede moeten aanpakken en benaderen. De opleiding omvat theorie maar vooral veel praktijklessen.

Op 1 februari 2003 ontvingen de eerste 20 afgestudeerden hun diploma van ervaringsdeskundige. Thans staan in Vlaanderen opnieuw 27 studenten klaar om in juni hun weg te zoeken in de sociale arbeidsmarkt. Hun rol kan cruciaal zijn om regio's met een hoge werkloosheidsgraad, zoals de provincie Limburg, een duw in de rug te geven.

De inschakeling van ervaringsdeskundigen is een constructief en nobel initiatief en is uniek in Europa. We juichen het initiatief toe, maar beseffen dat het toekennen van het diploma slechts een eerste, zij het belangrijke, stap is in hun ontplooiing. Ze hebben vooral behoefte aan werk en om werk te vinden is enige begeleiding noodzakelijk.

1. Welke begeleidings- en evaluatiemaatregelen heeft de minister gepland om de inschakeling van afgestudeerde ervaringsdeskundigen binnen een overheidsdienst of -instelling vlot te laten verlopen?

2. De minister pleit voor een duidelijke functieomschrijving en omkadering, in samenwerking met staatssecretaris Arena. Welke timing houdt hij hierbij aan? Moet de opdracht van de ervaringsdeskundige naar zijn mening ook voorzien in een systematische terugkoppeling naar de mensen die in armoede leven?

3. Welk tewerkstellingsbeleid is voor dit pilootproject uitgewerkt?

Met andere woorden, neemt de minister sturende maatregelen om hun tewerkstelling vooral te promoten in regio's en sectoren waar de werkloosheid aanzienlijk is, zoals in Limburg? Daar is tot op heden slechts ťťn ervaringsdeskundige aan de slag.

Hoe moedigt de minister bepaalde overheidsdiensten actief aan om ervaringsdeskundigen in dienst te nemen? Elf personen studeren binnenkort af in Limburg, maar slechts ťťn heeft concreet zicht op werk. De minister voorziet rond sociale economie ook in ondersteuning van andere proefprojecten en innoverende experimenten. Wat is reeds gepland en hoever staat het project?

De heer Bert Anciaux, minister van Mobiliteit en Sociale Economie. - Tijdens de Ministerraad van 20 en 21 maart jongstleden heb ik het voorstel op tafel gelegd om ervaringsdeskundigen in de armoede en sociale uitsluiting op te nemen in de dagdagelijkse werking van de federale overheidsdiensten, federale instellingen en bij de federale overheidsbedrijven. Dit plan werd enthousiast door de regering goedgekeurd.

Ik ben blij met de steun van senator De Roeck.

Het klopt dat de eerste ervaringsdeskundigen in armoede vorig jaar zijn afgestudeerd en sindsdien voortreffelijk werk leveren. Eind juni studeert een tweede groep met 27 studenten af.

Het inzetten van ervaringsdeskundigen in federale overheidsdiensten, federale instellingen en federale overheidsbedrijven zal zonder twijfel een belangrijke meerwaarde bieden voor de doelgroep, namelijk de armen zelf, maar ook voor de dagelijkse werking van de overheid, voor de klantvriendelijkheid, de toegankelijkheid en voor betere communicatie en begrip.

Voor het welslagen van het project is het belangrijk dat de ervaringsdeskundigen vanaf de start van hun federale opdracht, een duidelijke taakomschrijving en de juiste omkadering krijgen. Ook regelmatig overleg en feedback tussen de ervaringsdeskundigen op de verschillende FOD's en POD's is hierbij noodzakelijk. Hiervoor moet nog een werkwijze worden uitgewerkt.

Het initiatief om ervaringsdeskundigen in dienst te nemen werk ik verder uit samen met mijn collega Arena, bevoegd voor maatschappelijke integratie, armoedebestrijding en ambtenarenzaken. Onze beide kabinetten en onze beide administraties hebben hiervoor reeds de eerste stappen gedaan.

De verdere timing moet nog worden opgesteld. Uiteraard zal er sprake zijn van een systematische terugkoppeling. Deze systematiek moet nog worden uitgewerkt.

Bij de inzet van ervaringsdeskundigen zal ik er persoonlijk op toezien dat zij hun rol terdege kunnen invullen, waarbij ze de voeling met het werkveld niet mogen verliezen.

Net als senator De Roeck ben ik bezorgd over de situatie in de provincie Limburg. Ik wil er wel op wijzen dat de ervaringsdeskundigen in eerste instantie zullen worden ingezet in federale overheidsdiensten. Ze zullen het algemene federale beleid mee ondersteunen. Wat de verdere uitbreiding betreft, zal wel degelijk rekening worden gehouden met de specifieke behoeften en noden, die samen met de regio's zullen worden bekeken in het kader van het samenwerkingsakkoord.

Om de FOD's, POD's, de overheidsdiensten en overheidsbedrijven aan te moedigen ervaringsdeskundigen bij hun werking te betrekken, zal binnenkort een overleg met deze diensten worden opgestart.

Voor de andere proefprojecten en innoverende experimenten in de sociale economie, zal een impulsfonds worden gecreŽerd. De budgettaire middelen hiervoor werden vrijgemaakt en momenteel wordt de laatste hand gelegd aan de modaliteiten.

Dit project is een wereldprimeur. Ik wil dan ook dat het alle slaagkansen krijgt. Het project moet permanent worden begeleid, tijdig worden geŽvalueerd en indien nodig worden bijgestuurd.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - De minister zegt terecht dat de reeds afgestudeerde en tewerkgestelde ervaringsdeskundigen voortreffelijk werk presteren. Ik hoop dat hun werk zal worden geŽvalueerd. Meer bepaald moet worden nagegaan hoe ze hun tijd verdelen tussen beleid en contacten met het werkveld. De ervaringsdeskundigen zelf willen 20 procent van hun werk aan beleid besteden en 80 procent aan contact met de armen. Persoonlijk vind ik dat niet erg realistisch. Er moet worden gestreefd naar een meer evenwichtige verhouding.

Het verheugt me dat de minister dit initiatief heeft genomen. De eerste ervaringsdeskundigen zijn al 4,5 jaar afgestudeerd. Ik vind het bijzonder spijtig dat in Vlaanderen zo weinig teruggekoppeld wordt naar de minister van Onderwijs die nu al plannen had kunnen maken om ook de centra voor leerlingenbegeleiding erbij te betrekken.

Ik verneem dat de minister contact zal opnemen met de Vlaamse gemeenschap met het oog op een samenwerkingsakkoord. Op die manier kunnen ervaringsdeskundigen ingeschakeld worden in onderwijs, buurtwerk en ook federaal in justitie.

Ik hoop dat de doorstroming naar de gewesten, de provincies, de steden en gemeenten zeer snel kan gebeuren. Hoewel de minister niet rechtstreeks bevoegd is, kan hij toch de nodige stimulansen geven.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk BelgiŽ en de Speciale Administratieve Regio Hong Kong van de Volksrepubliek China tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en met het Protocol, ondertekend te Hong Kong op 10 december 2003 (Stuk 3-660)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Roelants du Vivier verwijst naar zijn verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-660/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Vraag om uitleg van mevrouw Nathalie de T' Serclaes aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over ęhet statuut van de assessoren in de commissies voor de voorwaardelijke invrijheidsstellingĽ (nr. 3-257)

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - De wetten op de voorwaardelijke invrijheidsstelling en op de werking van de commissies voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling, die tot stand kwamen ingevolge de oprichting van een strafuitvoeringsrechtbank, zijn inmiddels vijf jaar van toepassing. Thans moeten we onze ervaringen op dat vlak evalueren.

De vorige minister van Justitie heeft de VUB gevraagd een studie uit te voeren over het aantal veroordeelden dat de gevangenis verlaat. In die studie zou de toepassing van de voorlopige en de voorwaardelijke invrijheidsstelling worden geŽvalueerd. Uit het eerste deel van de studie blijkt dat drie vierde van de gevangenen na het uitzitten van hun straf de gevangenis verlaten. Van het overige kwart zouden er vier gevallen zijn van voorlopige invrijheidsstelling - geregeld door ministeriŽle rondzendbrieven - en ťťn enkele voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Beschikt u over de resultaten van dit onderzoek? Zal het worden voortgezet? Is het nog steeds actueel? Zullen alle aspecten van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidsstelling worden onderzocht?

Het statuut van de huidige en toekomstige assessoren van de op te richten strafuitvoeringsrechtbanken is zorgwekkend.

De Ministerraad van 31 maart 2004 keurde de kadernota goed betreffende de oprichting van de strafuitvoeringsrechtbanken. In dat verband wil u voorzien in een multidisciplinair samengesteld rechtscollege naar het model van de lekenrechters, met in de eerste plaats een magistraat met ten minste tien jaar ervaring, en twee assessoren die eveneens tien jaar ervaring kunnen bewijzen.

In tegenstelling tot wat in het rapport van de commissie-Holsters wordt gevraagd, zal er met het oog op de benoeming van de assessoren een pool worden samengesteld van mensen uit de non-profitsector die geen enkele band hebben met het ministerie van Justitie. Op die manier zou er een kennisuitwisseling kunnen plaatsvinden tussen de praktijk op het terrein en het gerechtelijk werk. Men kan zich dan evenwel afvragen waarom er mensen worden aangesteld die geen band hebben met het ministerie van Justitie en weinig vertrouwd zijn met het gevangeniswezen. We beschikken immers over assessoren die al vijf jaar werken in de commissies voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling en die ervaring hebben opgedaan in de gevangenissen en bij het sociaal begeleidingswerk.

De bezorgdheid over de onafhankelijkheid van de toekomstige assessoren tegenover het ministerie van Justitie en meer in het bijzonder tegenover het directoraat-generaal Uitvoering van straffen en Maatregelen lijkt die oplossing te rechtvaardigen, maar waarom kan er niet worden voorzien in een specifiek statuut voor de huidige assessoren? Ze beschikken immers over de nodige ervaring om hun taak in de toekomstige strafuitvoeringsrechtbank naar behoren uit te voeren.

Het statuut van de leden van de commissies voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling en hun onafhankelijkheid tegenover het directoraat-generaal Uitvoering van straffen en Maatregelen werd overigens herhaaldelijk besproken binnen het platform dat is samengesteld uit de voorzitters van de commissies voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling en de directeurs-generaal van de gerechtelijke organisatie en van de strafinrichtingen.

Bovendien zouden de toekomstige assessoren hun functie slechts ťťn dag per week uitoefenen.

Waarom kan dat niet voltijds gebeuren, zoals thans het geval is voor de commissies voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling en zoals wordt aanbevolen in het rapport-Holsters?

Een commissie voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling heeft in overdreven mate een beroep gedaan op plaatsvervangers, maar dat betekent niet dat dit systeem op de helling moet worden gezet, want over het algemeen functioneert het goed.

De assessoren maken zich zorgen over hun huidige mandaat en over de mogelijkheid om de verworven ervaring in de commissies voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling te benutten als ze niet in de toekomstige strafuitvoeringsrechtbanken worden opgenomen.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - We zullen dit onderwerp verder uitdiepen bij de bespreking van het wetsontwerp tot oprichting van een strafuitvoeringsrechtbank. Ik zal me thans beperken tot een algemene toelichting.

De VUB heeft in opdracht van de vorige minister van Justitie een onderzoek uitgevoerd over de voorlopige invrijheidsstelling. Onlangs heb ik het eindverslag van dat onderzoek ontvangen. De cijfers die u aanhaalt, stemmen niet overeen met de gegevens waarover ik beschik. De resultaten van het onderzoek van de VUB vallen buiten het bestek van uw vraag, maar ik zal u enkele elementen meedelen.

In 2000 bleef 7% van de veroordeelden aangehouden tot ze hun straf volledig hadden uitgezeten, 63% werd voorlopig in vrijheid gesteld en 12% werd voorwaardelijk in vrijheid gesteld.

Op 1 januari 2004 werd het tweede deel van het onderzoek opgestart, dat betrekking heeft op de toepassing van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Er zal onderzoek worden verricht naar de procedure en de wijze waarop ter zake beslissingen worden genomen, onder meer inzake de verschillende aspecten van de wet van 5 maart 1998.

Er kan niet worden beweerd dat het statuut van de toekomstige assessoren van de strafuitvoeringsrechtbank zorgwekkend is. De informatie die u aanhaalt, is gedeeltelijk juist, maar ze moet worden genuanceerd.

De kadernota die eind maart 2004 door de ministerraad werd goedgekeurd, bepaalt dat de toekomstige strafuitvoeringsrechtbank een multidisciplinair rechtscollege zal zijn. De beroepsrechter zal worden bijgestaan door twee assessoren, van wie de ene gespecialiseerd is in sociale integratie en de andere in strafrechtelijke en penitentiaire zaken. Het gekozen model is gebaseerd op de werking van de handelsrechtbanken en de arbeidsrechtbanken. De assessoren zullen inderdaad niet voltijds worden ingeschakeld. Het is de bedoeling dat ze de ervaring van hun oorspronkelijke beroepsbezigheid benutten bij hun gerechtelijk werk.

U weet zeer goed hoeveel belang de Belgische bevolking hecht aan de bijdrage van de burger aan de werking van de justitie.

Ik denk niet dat deze optie ertoe zal leiden dat de toekomstige strafuitvoeringsrechtbanken het zullen moeten stellen zonder de hulp van mensen die ervaring en kennis hebben op het vlak van strafrechtelijke materies en sociale integratie. Dat is een eenzijdige visie op het beroepsmilieu.

De onafhankelijkheid van de strafuitvoeringsrechtbank moet worden verzekerd omdat ze zich onder meer moet uitspreken over beroepen tegen beslissingen van de gevangenisadministratie. Hoe kan in een rechtsstaat, die is gebaseerd op het principe van de onafhankelijkheid der machten, dezelfde persoon tegelijkertijd een beslissing nemen en die beslissing in twijfel trekken?

Teneinde de ervaring van de huidige assessoren niet verloren te laten gaan ingeval ze niet zouden worden betrokken bij de werking van de toekomstige strafuitvoeringsrechtbanken, zal ik de overgang van het model van de commissie voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling naar dat van de strafuitvoeringsrechtbank aandachtig volgen.

Voor het overige tracht ik zoveel mogelijk op te lossen door middel van dialoog. Wij hebben de voorzitters van de commissies voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling al ontvangen. We zijn bereid ook de assessoren van deze commissies te ontvangen indien er problemen zouden zijn.

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - Ik hoop dat we de studie zullen kunnen inzien waaruit blijkt dat 63% van de mensen vrijkomt op basis van de voorlopige invrijheidsstelling en slechts 12% op basis van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Aangezien de tekst van het kaderontwerp nog niet werd voorgesteld, is het moeilijk met kennis van zaken te praten. De strafuitvoeringsrechtbanken moeten zich ook uitspreken over de voorlopige invrijheidsstelling, die vandaag de grootste groep uitmaakt. Als men zich louter aan de wet op de voorwaardelijke invrijheidsstelling zou houden, zou slechts een klein aantal gevangenen vrijkomen.

Het huidige systeem van voorwaardelijke invrijheidsstelling heeft ertoe geleid dat de assessoren die deel uitmaken van de administratie - wat overigens een probleem inzake hun onafhankelijkheid oplevert - een zeer goede kennis hebben van het raderwerk van het systeem en dus ook van de gevaren van de voorlopige of voorwaardelijke invrijheidsstelling. Ze hebben ervaring met het vereiste profiel. In het ontwerp dat aan het Parlement zal worden voorgelegd, moet rekening worden gehouden met die overdracht van ervaring opdat de toekomstige assessoren voldoende op de hoogte zijn van het raderwerk van de gevangenisadministratie, van het openbaar ministerie en van alle instanties die hun advies moeten geven over de invrijheidsstellingen, en er met kennis van zaken kan worden beslist. Voor de ambtenaren die als assessoren willen blijven fungeren, kan er misschien een speciaal statuut worden uitgewerkt. Ik veronderstel dat dit punt bij de besprekingen aan bod zal komen.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Jan Van Duppen aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęhet geneesmiddelenbeleidĽ (nr. 3-311)

De heer Jan Van Duppen (SP.A-SPIRIT). - In 2000 heeft de voorganger van minister Demotte beslist om geneesmiddelen die meer dan vijftien jaar op de markt zijn, in prijs te verlagen. Daardoor zou het RIZIV-budget voor gezondheidszorg aanzienlijk verminderen en zou er geld vrijkomen om belangrijke en goede innovaties sneller op te nemen in de terugbetaalbare geneesmiddelen.

Intussen zijn we vier jaar verder en lijkt dat scenario allesbehalve succesvol. De farmaceutische sector probeert steeds actiever dure innovaties aan de artsen op te dringen om op die manier goedkope en goede generische geneesmiddelen te verdringen.

Minister Frank Vandenbroucke stelde deze week in de pers dat het een bureaucratische benadering was om binnen de farmaceutische sector de vrije concurrentie op prijsverhoudingen te laten spelen en hij hoopt dat de overheid rechtstreeks zal kunnen inwerken op het voorschrijfgedrag van de artsen om de nefaste evolutie te keren.

Artsen zijn echter geen onpartijdige goedbetaalde magistraten die in eer en geweten oordelen over wat goed is voor hun patiŽnten en de maatschappij waarin ze leven. De ziekteverzekering is gedurende vele jaren gebruikt als een vorm van tomeloze financiering voor de megawinsten van de farmaceutische en medisch-technologische industrie.

Van alle nieuwe medicijnen die de voorbije dertig jaar werden ontwikkeld, is de overgrote meerderheid reeds vergeten of afgevoerd. Ze hebben vooral niets bijgedragen tot de volksgezondheid, laat staan de individuele gezondheid van zieke mensen. Integendeel, veel bijwerkingen en resistenties bij massaal en onoordeelkundig gebruik veroorzaken soms nieuwe aandoeningen waarvoor weer nieuwe medicijnen soelaas moeten bieden.

Universiteitsprofessoren waarschuwen terecht voor al te makkelijk voorschrijven van de nieuwste antibiotica, maar ziekenhuizen - ook academische - sluiten akkoorden met farmaceutische firma's die deze medicijnen goedkoop leveren, met het gevolg dat ze zo gemakkelijker op de markt komen.

De nieuwste, zeer dure bloeddrukpillen worden vanuit de derde- en tweedelijnsziekenhuizen gestart, terwijl uit wereldwijde onderzoeken blijkt dat de beste bloeddrukpillen al dertig jaar en meer op de markt zijn en bovendien heel goedkoop zijn. Een huisarts die dat wil duidelijk maken aan de patiŽnt die met een nieuwe en dure pil van de specialist komt, moet al een stevige reputatie hebben.

De werkelijke kostprijs van medicijnen bedraagt doorgaans slechts een paar procent van de echte prijs. Reclametechnieken, zelfs op angst gebaseerde marketing tot en met omkoping en chantage met arbeidsplaatsen, wegen zeer zwaar door op het budget, maar toch boeken die firma's nog steeds enorme winsten.

De gratis doosjes pillen die firma's bezorgen zijn uitsluitend bedoeld om de naam van hun product in de voorschrijfpen van de arts te krijgen.

Binnen de huisartsenfora klinkt steeds duidelijker de vraag naar een transparanter geneesmiddelenbeleid waarbij artsen op stofnaam voorschrijven en de afgeleverde producten in contingenten onderhandeld en besteld worden door de overheid die ze via de apotheken laat afleveren. Apotheken worden op die manier niet meer opgezadeld met enorme stockproblemen. Ze krijgen weer tijd en geld om op maat verpakte en kundig klaargemaakte producten af te leveren. Het systeem bestaat vooral in Angelsaksische landen en het werkt daar tot eenieders tevredenheid. Het is vooral goed voor het budget van Volksgezondheid.

Kan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid zich vinden in het voorstel om voor te schrijven op stofnaam en om te onderhandelen over de geneesmiddelencontingenten binnen de ziekteverzekering?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik kan me terugvinden in het voorstel van de heer Van Duppen. Het voorstel om voorschriften op stofnamen toe te laten werd al eerder in detail uitgewerkt en in de ministerraad van Oostende goedgekeurd, waar ik de nota met betrekking tot het rationeel voorschrijven van geneesmiddelen heb voorgesteld. Die nota bevestigt dat voorschrijven op stofnamen mogelijk moet worden gemaakt om het gebruik van minder dure of generische geneesmiddelen aan te moedigen.

Om het voorschrijven op stofnaam mogelijk te maken werden reeds diverse stappen gedaan. De programmawet van december 2003 legt daartoe de wettelijke basis.

Inmiddels heb ik ook al overleg gepleegd met de actoren op het terrein, waaronder de ziekenfondsen en de geneesheren, om het uitvoeren van de maatregel samen te bepalen.

Het idee om bepaalde geneesmiddelen gecentraliseerd aan te kopen werd eveneens met bepaalde partners besproken. De resultaten die in Nieuw-Zeeland op die manier werden bekomen zijn verleidelijk. Over die uitstekende denkrichting wil ik dan ook graag verder nadenken.

De heer Jan Van Duppen (SP.A-SPIRIT). - Ik had nog graag geweten wanneer het voorschrijven op stofnamen praktisch mogelijk zal zijn.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik durf geen precieze datum voorop te stellen, maar ik hoop begin volgend jaar.

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over ęde inkomsten van personen onder elektronisch toezichtĽ (nr. 3-246)

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Door de overbevolking in de gevangenissen worden steeds meer gedetineerden onder elektronisch toezicht geplaatst. Die gedetineerden kunnen geen aanspraak maken op het leefloon en vallen dus ten laste van het ministerie van Justitie. Om onder elektronisch toezicht te kunnen staan, moeten de gedetineerden een verblijfplaats hebben en in afwachting van een meer geavanceerd systeem, ook over een vaste telefoonaansluiting beschikken. In principe moeten ze ook in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

De FOD Justitie kent een financiŽle tegemoetkoming toe aan gedetineerden met een klein vermogen. De vergoeding bedraagt 522 euro per maand voor een alleenstaande en 373,50 euro voor een samenwonende. De tegemoetkoming is minder dan het leefloon dat de absolute minimumgrens is om menswaardig te kunnen leven.

Graag kreeg ik van de vice-eerste minister een antwoord op volgende vragen.

Heeft de minister de intentie de vergoeding voor de gedetineerden onder elektronisch toezicht op te trekken tot het leefloon? Zo ja, wie zal dat betalen? Komt de financiŽle tegemoetkoming volledig ten laste van de lokale besturen indien de OCMW's het bedrag moeten bijpassen?

De OCMW's weten niet wanneer een gedetineerde onder elektronisch toezicht wordt geplaatst en recht heeft op een financiŽle tegemoetkoming. Alleen wanneer de gedetineerde dat zelf vrijwillig meedeelt, is het OCMW op de hoogte.

Voorziet de vice-eerste minister in coŲrdinatie en communicatie tussen het Nationaal Centrum Elektronisch Toezicht en de OCMW's? Zo ja, hoe zal dat werken?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Mevrouw Thijs heeft gelijk. Gedetineerden die onder elektronisch toezicht staan, hebben inderdaad geen recht op het leefloon. Artikel 39 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie bepaalt inderdaad dat "de betaling van het leefloon wordt opgeschort tijdens de periode waarin een persoon wordt geplaatst, ten laste van de overheid, in een instelling van om het even welke aard, in uitvoering van een gerechtelijke beslissing en tijdens de periode waarin een persoon een vrijheidsstraf ondergaat en ingeschreven blijft op de rol van een strafinrichting". Dat artikel wordt ook toegepast voor de gedetineerden onder elektronisch toezicht voor zover ze ingeschreven blijven op de rol van de strafinrichting en dus verder worden beschouwd als zijnde gedetineerd.

Rekening houdend met deze situatie, kent de FOD Justitie aan die gedetineerden die niet over inkomsten beschikken, een forfaitaire vergoeding toe die dicht bij het leefloon ligt. Het is inderdaad niet normaal dat gedetineerden tijdens hun detentie door de administratie van de strafinrichtingen ten laste worden genomen, maar dat ze over geen enkele bron van inkomsten beschikken wanneer ze onder elektronisch toezicht staan.

Zoals gezegd hebben de personen die onder elektronisch toezicht staan momenteel geen recht op het leefloon. De OCMW's bieden hen dan ook geen hulp. De huidige reglementering maakt het in elk geval mogelijk eventuele fraude die wordt gepleegd door personen die ten onrechte vergoedingen ontvangen, te bestraffen.

Wat de toekomst betreft, ligt het dossier op de tafel van de minister van Maatschappelijke Integratie.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - De minister zegt dat het inkomen van gedetineerden onder elektronisch toezicht iets lager ligt dan het leefloon. We weten allemaal dat gedetineerden het heel moeilijk hebben om werk te vinden. Thuiswerk is in onze maatschappij nog altijd niet ingeburgerd. Een alleenstaande kan van 522 euro per maand geen huis meer huren. Zelfs een kleine studio kost al te veel. Er is dus wel degelijk een probleem. Als we meer mensen onder elektronisch toezicht willen plaatsen, dan moeten we ook aandacht hebben voor de financiŽle kant van de zaak. Ik ben blij te horen dat het dossier ter tafel ligt en hoop dan ook dat er binnenkort een oplossing wordt gevonden.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 478 van het Gerechtelijk Wetboek (van de heer Hugo Coveliers, Stuk 3-308)

Voorstel tot terugzending

De heer Philippe Mahoux (PS). - Verschillende amendementen werden ingediend en daarom lijkt het me redelijk het wetsvoorstel terug te zenden naar de commissie.

-Tot terugzending wordt besloten.

Vraag om advies aan de Hoge Raad voor de Justitie

De voorzitter. - Bij brief van 13 mei 2004 heeft de voorzitter van de commissie voor de Justitie de wens uitgedrukt het advies in te winnen van de Hoge Raad voor de Justitie over het wetsvoorstel van mevrouw de T' Serclaes c.s. tot wijziging van de artikelen 648, 652, 654, 655 en 656 van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op de invoering van een vereenvoudigde onttrekking van de zaak aan de rechter die gedurende meer dan zes maanden verzuimt de zaak die hij in beraad heeft genomen, te berechten (Stuk 3-663/1).

Ik stel u voor dat de Senaat zijn instemming betuigt met dit verzoek. (Instemming)

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor de week van 24 mei 2004 deze agenda voor:

Woensdag 26 mei 2004 om 14.30 uur

Ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd door de bijzondere wetten van 16 juli 1993 en 13 juli 2001; Stuk 3-659/1 tot 4.

Vragen om uitleg.

Donderdag 27 mei 2004

's ochtends om 10 uur

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst met het oog op de bescherming van de kandidaten en de leden van de paritaire overlegorganen (van de heer Luc Willems c.s.); Stuk 3-435/1 tot 4.

Voorstel van resolutie over het federale beleid om de juridische situatie van Marokkaanse en Belgo-Marokkaanse meisjes en vrouwen in BelgiŽ te verbeteren (van mevrouw Jacinta De Roeck c.s.); Stuk 3-316/1 en 2. (Pro memorie)

Vragen om uitleg.

's namiddags om 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Mondelinge vragen.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag nr. 130 betreffende de geneeskundige verzorging en de uitkeringen bij ziekte, en met de Bijlage, aangenomen te GenŤve op 25 juni 1969; Stuk 3-582/1 en 2.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K. 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties, en met de Bijlage, gedaan te Brussel op 18 december 1997; Stuk 3-626/1 en 2.

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende internationale akten:
1ļ het Zesde Protocol ter aanvulling van de Stichtingsakte van de Wereldpostvereniging;
2ļ het Algemeen Reglement van de Wereldpostvereniging;
3ļ de Wereldpostconventie en het Slotprotocol, en
4ļ de Overeenkomst betreffende de uitbetalingsdiensten van De Post,
gedaan te Peking op 15 september 1999; Stuk 3-627/1 en 2. (Pro memorie)

Wetsontwerp houdende instemming met het Aanvullend Protocol nr. 7 bij de Herziene Rijnvaartakte, ondertekend te Straatsburg op 27 november 2002; Stuk 3-628/1 en 2. (Pro memorie)

Evocatieprocedure
Wetsontwerp betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles; Stuk 3-609/1. (Pro memorie)

Om 17 uur:

Geheime stemming over de benoeming van 22 leden niet-magistraten van de Hoge Raad voor de Justitie; Stuk 3-629/1.

Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Naamstemming over het ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd door de bijzondere wetten van 16 juli 1993 en 13 juli 2001; Stuk 3-659/1 (Stemming met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet).

Vragen om uitleg.

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Stemming

(De naamlijst wordt in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk BelgiŽ en de Speciale Administratieve Regio Hong Kong van de Volksrepubliek China tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en met het Protocol, ondertekend te Hong Kong op 10 december 2003 (Stuk 3-660)

Stemming 1

Aanwezig: 55
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van FinanciŽn over ęde termijn voor de behandeling van een bezwaar tegen een belastingaanslagĽ (nr. 3-249)

De voorzitter. - De heer Hervť Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de FinanciŽn en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn, antwoordt namens de heer Didier Reynders, minister van FinanciŽn.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Volgens berichten en verklaringen van het Rekenhof in de pers de wettelijke termijn van zes tot negen maanden om uitsluitsel te krijgen over een bezwaar tegen een belastingaanslag in bijna twee op de drie gevallen overschreden. Het Rekenhof merkt op dat deze termijnen vaak onhaalbaar lijken door de complexiteit van de dossiers. Een pervers effect van deze achterstand in het behandelen van fiscale dossiers zijn de gederfde inkomsten voor de schatkist. Een correcte en tijdige inning van belastinggelden is volgens mij nochtans is een prioriteit voor de minister van FinanciŽn.

Hoeveel bezwaarschriften van vůůr 1999 zijn er nog hangende en hoeveel onbehandelde bezwaardossiers liggen er vandaag nog te wachten?

Hoeveel bezwaarschriften worden er jaarlijks ingediend en hoeveel daarvan worden niet behandeld binnen de termijn van zes tot negen maanden?

Wat is de totale som van achterstallige belastinggelden die resulteren uit het niet tijdig behandelen van deze dossiers?

Welke maatregelen zal de minister nemen om op korte termijn deze achterstanden weg te werken en welke maatregelen kunnen preventief genomen worden om coherenter te taxeren en aldus bezwaarschriften te vermijden?

De heer Hervť Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de FinanciŽn en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - De krantenartikelen die op 4 mei 2004 in Het Volk en Het Laatste Nieuws verschenen zijn inzake de achterstand bij de behandeling van bezwaarschriften dienen te worden gerelativeerd. In een artikel van De Standaard van 6 mei 2004 wordt gesteld dat dankzij de hervorming van de fiscale procedure het grote aantal bezwaarschriften spectaculair is gedaald en dat sedert 2000 mťťr bezwaarschriften worden afgehandeld dan er nieuwe bijkomen.

Op 31 december 2003 moesten nog 6.418 van de bezwaarschriften worden behandeld die in 2000 en de daaraan voorafgaande jaren werden ingediend.

In 2000 werden 52.714 bezwaarschriften ingediend, in 2001 45.575, in 2002 38.750 en in 2003 38.389, in totaal dus 175.428.

Op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van de fiscale geschillen waren 100.424 bezwaarschriften nog niet afgehandeld. Samen met de bezwaarschriften die van 2000 tot en met 2003 werden ingediend, is dat dus een totaal van 275.852 bezwaarschriften.

Op 31 december 2003 bleven er nog 26.693 over, waarvan er 18.202 niet binnen de termijn van zes maanden waren behandeld. Hiervan konden er 5.126 om diverse redenen niet worden afgehandeld, bijvoorbeeld omdat gewacht werd op een vonnis of op bewijsstukken inzake gefailleerde klanten.

Het arrest 132/88 van 9 december 1998 van het Arbitragehof inzake "vergoedingen wegens blijvende arbeidsongeschiktheid ingevolge arbeidsongeval of beroepsziekte" heeft aanleiding gegeven tot 75.000 bezwaarschriften die niet in onze statistieken werden opgenomen. Daarnaast gaf het aanleiding tot 200.000 ontheffingen van ambtswege. Al die dossiers werden in de loop van 2002 prioritair afgehandeld.

Het is niet mogelijk het bedrag aan belastingen vast te stellen dat overeenstemt met de niet binnen de termijn van zes maanden behandelde bezwaarschriften. Voor elk ingediend bezwaarschrift wordt een onbetwistbaar verschuldigd gedeelte vastgesteld. De invordering van dat bedrag kan normaal verlopen.

Er werden verschillende maatregelen genomen.

Om te komen tot het responsabiliseren van de ambtenaren en tot een betere taxatie worden de bezwaarschriften behandeld door de dienst die aan de basis ligt van het geschil, uiteraard met naleving van de regels inzake onpartijdigheid. Bovendien zal bij een blijvend geschil vůůr taxatie het advies van een pre-geschillendienst worden gevraagd. Deze maatregelen zullen tot minder bezwaarschriften leiden.

Binnen de administratie van de AOIF wordt ook van start gegaan met een workflow `Geschillen', waardoor een geschil kan worden behandeld via een elektronisch dossier. Hierdoor zal een betere behandeling van de administratieve en gerechtelijke geschillen bij de Directe Belastingen, de BTW en de Bijzondere Belastinginspectie mogelijk worden.

Door het elektronisch dossier zal de informatie ook sneller beschikbaar zijn. De dienstverlening aan de belastingplichtigen en de ondernemingen zal verbeteren en de ambtenaren zullen gemakkelijker kunnen werken. Het wordt eenvoudiger om beslissingen te nemen en de snelle uitwisseling van de elektronische informatie zal de achterstand merkbaar verminderen.

Doordat er een overzicht is van beslissingen die in gelijkaardige geschillen werden genomen, zal er een grotere coherentie ontstaan. Het wordt mogelijk opzoekingen te doen in alle beslissingen, conclusies, vonnissen en arresten over hetzelfde onderwerp.

Eenvormige documenten zullen het beeld van een coherente manier van werken bij de belastingplichtigen en ondernemingen nog versterken.

We zullen de komende dagen een wetsontwerp indienen om de beroepstermijn van drie tot zes maanden te verlengen. Dat is een voorstel van enkele parlementsleden, vooral van de VLD. Naast de materiŽle vergissing zullen we ook de duidelijke vergissing invoeren, wat logischerwijze het werk zal vereenvoudigen en het aantal nutteloze bezwaarschriften zal doen afnemen.

Het voorontwerp van wet wordt de komende dagen voorgelegd aan de ministerraad, het wetsontwerp zal daarna bij het parlement worden ingediend.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het uitgebreide antwoord van de staatssecretaris geeft een goed beeld van de problemen waarmee de administratie te maken krijgt.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van FinanciŽn en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over ęde toepassing van de regels inzake intracommunautaire handel door KMO's binnen de nieuwe lidstaten van de Europese UnieĽ (nr. 3-250)

De voorzitter. - De heer Marc Verwilghen, minister van Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Uit een UNIZO-studie blijkt dat de Vlaamse KMO's zich zorgen maken over de toepassing van de bestaande Europese regelgeving in de nieuwe EU-landen.

Ongetwijfeld doen de nieuwkomers grote inspanningen om hun wetgeving aan te passen, maar vele KMO's maken zich grote zorgen over de toepassing van de regels voor de intracommunautaire handel, namelijk de facturatie exclusief BTW bij levering aan BTW-plichtige klanten in de nieuwe lidstaten. Er is met name onzekerheid over de controle van de BTW-nummers van hun zakenpartners.

Hoe kunnen onze Belgische bedrijven de BTW-nummers van hun nieuwe zakenpartners in Centraal-Europa nakijken met voldoende rechtszekerheid?

Kunnen zij daartoe reeds gebruik maken van de Europese databank VIES?

Wanneer worden alle BTW-gegevens uit de nieuwe landen beschikbaar?

Welke maatregelen is de minister van plan te nemen om de problemen van de bedrijven en meer in het bijzonder van de Vlaamse KMO's in dit verband te verminderen?

De heer Marc Verwilghen, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Collega Moerman heeft me volgend antwoord bezorgd.

Ondernemingen die intracommunautaire leveringen of diensten verrichten met bedrijven die in een andere lidstaat van de Europese Unie zijn gevestigd, beschikken over de mogelijkheid om bij de Centrale BTW-eenheid voor internationale administratieve samenwerking of CLO de geldigheid van het BTW-nummer van hun klant te controleren via verschillende telefoonnummers, waar ze in de drie landstalen de door hen gevraagde informatie kunnen krijgen. Het CLO haalt zijn informatie uit de Europese gegevensbank VIES of VAT Information Exchange System. Daarnaast bestaat de mogelijkheid alle BTW-nummers van alle lidstaten via de website van de Europese Unie te controleren. Het adres van de website is www.europa.eu.int/comm/taxation_customs/vies/nl/vieshome.htm. In tegenstelling tot de raadpleging via het CLO kan men op site alleen de geldigheid controleren van het BTW-nummer dat door de klant werd meegedeeld maar niet of het wel aan die klant is toegekend.

De nieuwe lidstaten van de Europese Unie maken nu reeds deel uit van het VIES-systeem: ze hebben daar toegang toe en kunnen daar zelf ook gegevens inbrengen.

Alles is in het werk gesteld opdat vanaf 1 mei 2004, datum van uitbreiding van de Europese Unie met tien nieuwe lidstaten, de BTW-nummers van ondernemingen afkomstig uit deze lidstaten eveneens bij het CLO en op de website van de Europese Unie zouden kunnen gecontroleerd worden. Het spreekt natuurlijk voor zich dat elke lidstaat verantwoordelijk is voor de gegevens die hij aan de gegevensbank VIES heeft doorgegeven.

In sommige nieuwe lidstaten die nog geen BTW-nummer aan al hun ondernemingen hebben toegekend, bestaan er evenwel nog moeilijkheden. Bij wijze van overgangsmaatregel heeft de minister van FinanciŽn daarom in een persmededeling van 30 april 2004 gesteld dat Belgische leveranciers desondanks intracommunautair mogen leveren met vrijstelling van de BTW aan belastingplichtigen van ťťn van de tien nieuwe lidstaten die nog niet over een geldig BTW-nummer beschikken mits aan een aantal voorwaarden is voldaan.

Zo moet er tussen de leverancier en zijn BTW-plichtige klant reeds een handelsrelatie bestaan of moet de klant aantonen dat hij in zijn eigen lidstaat wel degelijk BTW-plichtig is. Daarenboven moet de klant het bewijs leveren dat hij stappen heeft gezet om een BTW-nummer te verkrijgen.

Uiterlijk op 20 juli 2004 - dit is het ogenblik waarop de leverancier zijn intracommunautaire kwartaalopgave voor het tweede kwartaal 2004 moet indienen - moet de Belgische BTW-plichtige in het bezit zijn van het buitenlandse BTW-nummer van zijn klant.

Indien deze voorwaarden niet zijn vervuld, blijft de leverancier verantwoordelijk voor de betaling van de Belgische BTW. Het spreekt voor zich dat deze BTW aan de leverancier teruggegeven kan worden wanneer de klant met terugwerkende kracht tot 1 mei 2004, een BTW-nummer heeft verkregen en de vrijstelling van de BTW kan bewezen worden.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het is duidelijk dat de minister zelfstandige ondernemers oproept om bijzonder waakzaam te zijn, aangezien de BTW-reglementering bijzonder fraudegevoelig is. In de pers werd trouwens vanmorgen nog gewag gemaakt van een BTW-carrousel in Charleroi van twintig miljoen euro. Het is belangrijk dat beroepsorganisaties de informatie van de regering goed doornemen en dat ze hun zakenrelaties met partners uit de nieuw toegetreden landen zorgvuldig organiseren.

Vraag om uitleg van de heer Etienne Schouppe aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over ęde invulling van de universele dienstverlening in ons landĽ (nr. 3-259)

De voorzitter. - De heer Marc Verwilghen, minister van Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt namens mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid.

De heer Etienne Schouppe (CD&V). - Uit een analyse van tien jaar interne markt in de Europese Unie is gebleken dat de vrijmaking van een reeks belangrijke markten voor goederen en diensten in Europa er door de bank genomen voor heeft gezorgd dat consumenten een betere kwaliteit van goederen en diensten krijgen tegen gemiddeld lagere prijzen. De vrijmaking, die al in vele markten een feit is, zou ook gezorgd hebben voor 2,5 miljoen banen sinds 1992 en een grotere economische groei.

In de Europese Unie is de vrijmaking van de markten in mindere of meerdere mate gepaard gegaan met het opzetten van een regelgevend kader voor de vrijwaring van het algemeen belang. Meestal gaat het dan om bepalingen die de lidstaten de mogelijkheid geven in te grijpen in het marktgebeuren teneinde bepaalde belangrijk geachte goederen of diensten aan de bevolking tegen bepaalde voorwaarden aan te bieden. Hierbij is vaak sprake van een beschikbaarheid voor de gehele bevolking tegen prijzen die beneden de marktprijs liggen. We noemen dat een universele dienst tegen kostprijs met een financiering of cofinanciering door de overheid.

Op het ogenblik is in Europa een debat aan de gang rond de invulling van de universele dienstverlening. De Europese Commissie nam het initiatief met een groenboek over diensten van algemeen belang, dat al in het najaar 2003 door het Europees Parlement werd besproken.

Het lijkt me raadzaam dat ook in ons land een breed debat op gang wordt gebracht rond de invulling van deze diensten van algemeen belang, zowel in het algemeen als in de diverse sectoren. De vele vragen die op dit punt door de Europese Commissie zijn opgeworpen, moeten een antwoord krijgen dat steunt op een ruime consensus binnen de samenleving.

Dit is des te meer prioritair omdat in het kader van de Doha-agenda op dit ogenblik de onderhandelingen rond een verdere vrijmaking van de mondiale dienstenmarkten - de GATS - voortlopen en in 2005 hun beslag zouden moeten krijgen.

Ik heb een hele reeks vragen over de diverse vrijgemaakte markten.

Wat is de reŽle prijsevolutie op de gas- en elektriciteitsmarkt sinds die markten in ons land gedeeltelijk vrijgemaakt werden? Waarom heeft de vrijmaking niet geleid tot de verwachte prijsverlagingen voor de consument?

Welke visie heeft de regering op de concrete invulling van de universele dienstverlening in de energiemarkten voor de toekomst?

Kort na haar aantreden heeft de regering ervoor geopteerd de huishoudelijke stookolie zwaarder te belasten, om de consument ertoe aan te zetten over te schakelen op gas. In dit verband werden door vooraanstaande politici uitspraken gedaan omtrent een versnelde uitbouw van het distributienetwerk voor gas.

Hoeveel procent van de Belgische gezinnen heeft op dit ogenblik toegang tot het gasnetwerk? Is er sprake van een versnelde uitbouw sinds de fiscale maatregelen? Moet er geen regeling voor universele dienstverlening komen nu de regering een strategische keuze voor aardgas heeft gemaakt?

Wat is de reŽle prijsevolutie op de markt van de vaste telecommunicatie - zowel residentieel, als voor de bedrijven - sinds de vrijmaking?

Hoe verliep de reŽle prijsevolutie op de mobiele markt sinds de openstelling van de markt?

Wat is de reŽle prijsevolutie op de internetmarkt, zowel voor de klassieke inbelverbindingen als voor het breedbandsegment?

Wat is de dekkingsgraad van de breedbandconnecties - zowel residentieel als voor de bedrijven - in de diverse regio's? Voor de toekomst is dat een erg belangrijke markt. Is de regering van plan om voor de komende jaren afspraken te maken over een vorm van universele dienstverlening voor de nieuwe, ultraperformante, breedbandnetwerken, zoals bijvoorbeeld de VDSL van Belgacom?

Overweegt de regering een regeling inzake universele dienstverlening voor het mobiele netwerk? Wat zal die regeling inhouden?

Houdt de regering vast aan het financieringsmechanisme van het Fonds voor universele dienstverlening? Wanneer zal dit fonds eindelijk operationeel worden? Het volstaat niet dat aan te kondigen; het moet ook worden verwezenlijkt.

Wat is de penetratiegraad van het PC-bezit in ons land? Hoe verhoudt de toestand in ons land zich tot die in de andere Europese landen?

Hoe verloopt de reŽle prijsevolutie op de markt van de kabeldistributie?

Wat is de reŽle prijsevolutie in de vrijgemaakte segmenten van de postmarkt?

Welke visie heeft de regering aangaande de universele dienstverlening in de postmarkt voor de komende jaren?

Hoe verliep de voorbije tien jaar de reŽle prijsevolutie op de markt van de watervoorziening?

Heeft de regering reeds een standpunt ingenomen over de verschillende vragen die worden opgeworpen in het groenboek van de Europese Unie. Wat zijn de krachtlijnen hiervan? Is de regering voorstander van een algemeen regelgevend kader voor universele dienstverlening?

De heer Marc Verwilghen, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Het antwoord van minister Moerman is vrij uitgebreid, gelet op de verschillende onderdelen van de vragen. Soms wordt erin verwezen naar grafieken die het antwoord moeten ondersteunen. Ik zal straks de betrokken documenten overhandigen. Ik lees het antwoord voor dat begint met de invulling van de universele dienstverlening in ons land.

Alvorens in te gaan op het antwoord op die vraag, wil ik de heer Schouppe attenderen op de volgende elementen. Ten eerste heeft de vrijmaking van de markt in feite geleid tot een grotere transparantie van de prijzen. De toegenomen transparantie blijkt uit het feit dat we duidelijk zicht krijgen op de diverse componenten van de prijs: productie, transmissie, distributie, en heffingen en toeslagen. In de niet-vrijgemaakte markt was het niet mogelijk een dergelijk onderscheid te maken. Dit impliceert dat het niet eenvoudig is om zonder meer een overzicht te geven van de prijsevolutie. In de niet-vrijgemaakte markt was er alleen een zogenaamde `all-in'-prijs en kon men niet uitmaken welk deel van de prijs was bestemd voor de productie en welk deel voor het transport van elektriciteit of gas.

Ten tweede moet erop worden gewezen dat het reglementaire kader in BelgiŽ bepaalt dat de tarieven voor transport en distributie worden gereglementeerd. Kort gezegd, komt het hierop neer dat de federale regulator, de CREG, de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas, de tarieven voor transport en distributie van zowel elektriciteit als gas controleert en goedkeurt.

Dat brengt me bij het antwoord op de vraag. Tot op heden werd bij mijn weten voor de Belgische verbruikers nog geen systematische studie uitgevoerd naar de reŽle prijsevolutie in de vrijgemaakte Belgische gas- en elektriciteitsmarkt. Ik heb de CREG een hele tijd geleden, namelijk op 10 december 2003, een studie gevraagd over de evolutie van de diverse componenten van de elektriciteitsprijs. De resultaten van die studie zullen een gedetailleerd antwoord kunnen geven op de vraag.

Dit neemt niet weg dat reeds een aantal gegevens beschikbaar zijn. Zo heeft de CREG afgelopen jaar een studie gemaakt over de evolutie van de elektriciteitsprijs voor de eindafnemers van 1999 tot 2002. Uit die studie kunnen twee zaken worden afgeleid. De eerste conclusie luidt dat voor de in aanmerking komende klanten een daling van de prijzen is vastgesteld in de periode 1999-2000. Nadien zijn de prijzen gestegen. De CREG wijt deze stijging in belangrijke mate aan de evolutie van de brandstofprijzen op de internationale markten, de zogenaamde Nc-parameter. De CREG heeft vastgesteld dat die Nc-parameter in de bestudeerde periode een aantal fluctuaties vertoonde waardoor hij in december 2002 wel 16,5% hoger lag dan in januari 1999. De evolutie van de Nc-parameter hangt volgens de CREG samen met de evolutie van de gasprijs die in 1999 een zeer laag peil bereikte, maar dan tegen 2001 meer dan verdubbelde. In feite blijkt hieruit de gevolgen van de evolutie van de brandstofprijzen op de internationale markten op de prijzen van de Belgische verbruikers.

Een tweede conclusie die door de CREG in de studie wordt getrokken, is de stijging van diverse belastingen en toeslagen. Zo verwijst de CREG naar de openbare dienstverplichtingen op het federale niveau en naar de verplichtingen op het Vlaamse niveau inzake rationeel energiegebruik en de groenestroomcertificaten. De CREG concludeert dat de impact van de openbare dienstverplichtingen stijgt.

Andere gegevens werden recent gepubliceerd en hebben betrekking op een ander deel van de totale prijs, namelijk de transport- en distributienettarieven.

Voor wat betreft de transport- en distributienettarieven in de elektriciteitsmarkt blijkt uit het recent gepubliceerde Jaarverslag 2003 van de CREG dat in de periode 1999-2003 een duidelijke daling is vast te stellen in de transmissienettarieven voor elektriciteit. De CREG bewijst dit aan de hand van de evolutie van de jaarlijkse kosten van twee typeklanten die rechtstreeks op het transmissienet van Elia zijn aangesloten. Voor de twee typeklanten zijn de jaarlijkse kosten teruggelopen van respectievelijk 237.000 euro in 2001 tot 166.000 euro in 2003 en van 449.000 euro in 2001 tot 308.000 euro in 2003.

Ook in de tarieven van de elektriciteitsdistributie kan een dalende trend worden vastgesteld. Uit het zonet aangehaalde jaarverslag blijkt dat de controle van de CREG op de distributienettarieven ertoe heeft geleid dat 19% van de distributiekosten werden verworpen.

Het jaarverslag van de CREG maakt ook melding van een algemene daling van de transporttarieven voor aardgas tussen 6 en 29%.

Specifiek wat de residentiŽle verbruiker betreft, blijkt uit het rapport van de Vlaamse Regulator - de VREG - van 4 februari 2004 met betrekking tot de situatie van de elektriciteitsprijzen voor particulieren in januari 2004 dat het voordeel van een huisgezin om van leverancier te veranderen, tussen 35 en 86 euro per jaar schommelt.

Dat is slechts een eerste aanzet. Verscheidene categorieŽn van verbruikers blijken immers nog niet te kunnen profiteren van de voordelen van de vrijmaking van de markt. Om die reden is er onlangs een vergadering geweest over hun prijzenbeleid. Electrabel werd gevraagd de prijsdalingen toe te passen voor al zijn klanten.

Electrabel stelt momenteel aan zijn klanten een nieuw prijsbeleid in het vooruitzicht dat voor sommige categorieŽn verbruikers goedkoper zou uitvallen. Toch blijft het een feit dat, hoe kleiner de klant, hoe meer hij betaalt. Een dergelijke politiek van ongelijke prijzen door een onderneming met een duidelijke machtspositie roept vragen op met betrekking tot het bestaan van echte concurrentie.

Het beleid moet zijn verantwoordelijkheid nemen. Ik ben dan ook vastbesloten dit te doen door de wettelijke middelen waarover ik beschik, in dit dossier aan te wenden. Dat betekent dat ik de maximumprijs zal laten dalen voor klanten die nog geen vrije keuze hebben, de zogenaamde captieve klanten in Brussel en WalloniŽ. Voorts zullen er mededingingsrechtelijke procedures worden ingesteld indien zou blijken dat Electrabel misbruik maakt van zijn machtspositie in het vrijgemaakte deel van de markt.

Overeenkomstig de elektriciteitsrichtlijn en de gasrichtlijn van 26 juni 2003 wordt onder universele dienstverlening verstaan: het recht op levering van elektriciteit en gas van een bepaalde kwaliteit tegen redelijke, eenvoudige en duidelijk vergelijkbare en doorzichtige prijzen.

Een analyse van deze definitie toont aan dat op basis van het huidige reglementaire kader de Belgische elektriciteits- en gasverbruikers reeds kunnen profiteren van deze universele dienstverlening. Op grond van artikel 21 van de elektriciteitswet kunnen aan de producenten, tussenpersonen, leveranciers en netbeheerder openbaredienstverplichtingen worden opgelegd, inzonderheid inzake regelmaat en kwaliteit van elektriciteitsleveringen en inzake bevoorrading van afnemers die niet in aanmerking komen voor prijsberekeningen. Deze bepaling is uitgevoerd door het koninklijk besluit van 11 oktober 2002 met betrekking tot de openbaredienstverplichtingen in de elektriciteitsmarkt. Dit koninklijk besluit legt onder meer aan producenten, tussenpersonen en netbeheerder openbaredienstverplichtingen op inzake de regelmaat en de kwaliteit van elektriciteitsleveringen. Deze verplichtingen hebben bijvoorbeeld betrekking op het toegelaten niveau van storingen op het net veroorzaakt door aansluitingsinstallaties en op het leveren van elektriciteit aan een spanning die aan welbepaalde technische eisen voldoet.

Een analoge bepaling is ingeschreven in artikel 15, 11ļ van de gaswet. Op grond van deze bepaling kunnen aan de houders van een vervoersvergunning openbaredienstverplichtingen worden opgelegd inzake economisch verantwoorde investeringen. Daarnaast kunnen aan de houders van een leveringsvergunning openbaredienstverplichtingen worden opgelegd inzake regelmaat en kwaliteit van leveringen van aardgas en inzake bevoorrading van distributieondernemingen en van andere afnemers.

Deze openbaredienstverplichtingen worden gefinancierd via een heffing of een toeslag op het transmissienettarief. In BelgiŽ zijn reeds heel wat openbaredienstverplichtingen van kracht. De verplichtingen hebben zeker hun nut, maar ze hebben ook een prijskaartje. Het is dan ook de vraag of ze nog dienen te worden uitgebreid.

Volgens de cijfers van het jaarverslag 2003 van FIGAS, het Verbond der Gasnijverheid, zijn ongeveer 75% van de Belgische gezinnen aan het aardgasnet gehuisvest. Bovendien blijkt uit het document Feiten en Tendensen 2003 van FIGAS dat in 2003 2100 kilometer distributieleidingen werden aangelegd en dat de uitbreiding van de distributienetten zal worden voortgezet om bijkomende particulieren en bedrijven met aardgas te kunnen bevoorraden.

In dat verband wil ik erop wijzen dat de uitbreiding van het distributienet van aardgas een bevoegdheid is van de gewestelijke overheden.

Voor het antwoord op de eerste vraag over de vaste telecommunicatie verwijs ik naar de grafieken in bijlage 1. Uit de prijsevolutie voor de nationale gesprekken blijkt dat BelgiŽ gemiddeld beter scoort dan de Verenigde Staten en Japan en boven het Europese gemiddelde ligt.

Ten gevolge van de Belgacom-uniformering van de tarieven voor nationale gesprekken betalen de Belgen gemiddeld iets meer voor lokale gesprekken dan burgers in de ons omringende landen. Voor de interzonale en internationale gesprekken is de Belg beter af dan zijn buren. In BelgiŽ is de concurrentie nog steeds het felst op interzonale en internationale telefonie.

Wat vraag 2B betreft, behoort BelgiŽ tot de categorie waarin de meest landen zich bevinden, namelijk die van 60 tot 80 euro per maand.

De kosten die gepaard gaan met een inbeltoegang tot het Internet zijn over een aantal jaren licht duurder geworden, terwijl de kosten voor een breedbandtoegang gestaag afnemen, met uitzondering van de operator Telenet die zijn tarieven heeft opgetrokken. Uiteraard zijn niet alle producten en diensten met mekaar vergelijkbaar.

Op basis van de gegevens van Telenet en Belgacom blijkt dat 98% van de Belgische huisgezinnen een breedbandaansluiting kan krijgen. Belgacom zegt echter een aantal aansluitingen om technische redenen niet te kunnen verwezenlijken. Alle transmissielijnen kampen met verlies. Hoe groter de afstand, hoe meer verlies op het signaal. Telenet vraagt in uitzonderlijke gevallen een bijdrage van de klant of van de gemeente om een moeilijke aansluiting te verwezenlijken. Het opnemen van nieuwe, in ontwikkeling zijnde technologieŽn en dito markten in universele dienstverlening, in de zin van het aanduiden van een operator die aan iedereen die erom vraagt een aansluiting aanbiedt tegen een zogenaamd betaalbaar tarief, wat nefast zal zijn voor de concurrentie en voor de verdere ontwikkeling van de met elkaar concurrerende technologieŽn, is uiteindelijk op het conto van de consument. Ik onderzoek wel, in het licht van de evaluatie die de commissie zal houden tegen 2005, hoe de universele dienstverlening van de nabije toekomst moet worden ingevuld. Daarbij gaat mijn aandacht in het bijzonder naar mobiele telefonie en toegang tot het Internet.

In het voorontwerp van wet dat op 7 mei door de ministerraad werd goedgekeurd, is voorzien dat alle operatoren verplicht worden een sociaal tarief aan te bieden aan de klanten die daar recht op hebben. Dit houdt in dat ook mobiele operatoren een sociaal tarief moeten aanbieden. Dat tarief bestaat uit een korting en is bij mobiele telefonie nominaal gelijk aan de korting die de klant zou krijgen indien hij op een vaste lijn aanspraak zou maken. Het betreft een korting van 6,20 euro per maand op het abonnement en van 6,20 euro per twee maanden op de verbruikskosten.

Wat vraag 2F betreft, kan het Fonds pas worden geactiveerd wanneer de rationaliseringen die in de nieuwe wet worden voorzien, worden geÔmplementeerd.

Het was de bedoeling de PC-penetratie eind 2001 op 45% van de huisgezinnen te brengen. Uit een studie blijkt dat die penetratie in 2002 reeds 55% en in 2003 63% bedroeg. Deze cijfers worden door de telecomsector tegengesproken. Die beweert dat er eind 2003 slechts een penetratie van 55% was. Conclusie is in elk geval dat een gebrek aan PC-penetratie momenteel niet noodzakelijk ťťn van de sterkst remmende factoren is en dat onze aandacht ook moet gaan naar andere mogelijke factoren.

Het jaarabonnement teledistributie kende een evolutie. Ze bedroeg nog 100 in 1996. Ze bedraagt 118,66 in 2004.

Ik kom tot de vragen over de postmarkt. De prioritaire post is de laatste tien jaar gestegen met 25%. Voor de non-prior is een achteruitgang merkbaar. Voor de intracommunautaire post is het tarief de laatste tien jaar gestegen met 50%, terwijl het tarief voor de niet-intracommunautaire post is gedaald met 10%. De tarieven voor de zwaardere gewichtscategorieŽn tussen 50 en 350 gram zijn in dezelfde periode meer dan verdubbeld.

De tarieven voor de niet-prioritaire grensoverschrijdende post, voorheen drukwerk, zijn de jongste tien jaar gestegen met ongeveer 50% voor de laagste gewichtscategorie en voor zwaardere gewichtscategorieŽn zijn ze meer dan verdubbeld.

Voor de pakjes zijn de prijzen de jongste tien jaar met gemiddeld 60% gestegen. Voor de spoedbestellingen, bijvoorbeeld de kwaliteitsgarantie D+1, zijn de tarieven gestegen met minder dan 10%.

De standaardtarieven voor prioritaire brieven zijn dus gestegen met ongeveer 25% terwijl de prijsstijgingen voor de niet-prioritaire brieven hoger zijn: het product is echter niet volledig vergelijkbaar meer, namelijk non-prior versus drukwerk.

De standaardtarieven voor intercommunautaire grensoverschrijdende post zijn in de laagste gewichtscategorie verhoogd met 50% en verdubbeld in de hogere gewichtscategorieŽn.

De regering houdt bij de ontwikkeling van haar visie in het bijzonder rekening met de voortdurende opmars van de telecommunicatie, onder meer de steeds hogere penetratie van mobiele telefonie, SMS, elektronische berichten en wenskaarten en binnenkort de telecommunicatie waarbij zowel stilstaande als bewegende beelden zullen worden doorgestuurd. Dat zal een bijzondere impact hebben op de brievenpost.

Inzake telecommunicatie streeft de regering naar een zo breed mogelijke universele dienstverlening opdat BelgiŽ goed voorbereid zijn visie kan voorstellen aan Europa.

Wat de watervoorziening betreft heb ik een reeks cijfers, die telkens gemeten werden aan de hand van het indexcijfer watertarieven. In 1994 bedroeg dat nog 145,69, in 1997 188,06. Dan is er een aanpassing gebeurd en is er een nieuw basistarief gekomen. Dat is van 104,58 in 1998 gestegen tot 147,19 in 2004. Ik zal u daarvan de grafieken bezorgen.

Door de beslissing van de ministerraad van 5 mei jongstleden om de telecomrichtlijn om te zetten in Belgisch recht werd uitvoering gegeven aan de bepaling van het regeerakkoord. Die bepaling stelt dat in de sector van de telecommunicatie een universele dienstverlening geherdefinieerd en gegarandeerd zal worden die de technische vooruitgang volgt en beantwoordt aan de noden van de burger.

Dit was een vrij uitgebreid antwoord, maar het was ook een vrij uitgebreide vraag. Ik zal u dan ook de verschillende bijlagen waarnaar wordt verwezen, samen met het antwoord op de vraag bezorgen.

De heer Etienne Schouppe (CD&V). - Ik dank de minister voor dit omstandige antwoord.

Er zijn twee punten die ik nog nader moet bekijken en waarvan het antwoord mij de wenkbrauwen deed fronsen. Het eerste gaat over het feit dat de operatoren in BelgiŽ zeggen dat wat de breedband betreft, een dekkingsgraad van 98% mogelijk is. Ik woon nochtans niet in the middle of nowhere, maar ik heb toch problemen gehad om een ADSL-aansluiting te krijgen bij Belgacom.

Over de verhouding van het PC-bezit bij ons in vergelijking met de andere Europese landen heb ik geen antwoord gekregen. In de vele vragen kan dat misschien uit het oog verloren zijn. Ik zal het antwoord bekijken. Ik zou immers willen weten in welke mate het e-government en de elektronische uitwisseling van de gegevens tussen het bestuur van het land en de bestuurden kan worden doorgevoerd.

Vraag om uitleg van de heer Didier Ramoudt aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over ęde installatie van taxameters in taxi'sĽ (nr. 3-228)

De voorzitter. - De heer Marc Verwilghen, minister van Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt namens mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid.

De heer Didier Ramoudt (VLD). - Het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder (Belgisch Staatsblad van 19 september 2003) bepaalt de voorwaarden volgens welke taxi's dienen te worden ingericht tegen 1 juni 2004.

Op 16 maart 2004 stelde ik hieromtrent een vraag om uitleg aan de heer Gilbert Bossuyt, Vlaams minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie. Het decreet en meer bepaald de artikelen 19 tot 31 van hoofdstuk II, afdeling 2, onderafdeling 1, schrijven een verschillende normering voor met betrekking tot de installatie van taxameters in taxi's, hetgeen uiteraard aanleiding geeft tot heel wat onduidelijkheid binnen de sector.

Vlaanderen legt normen op die strijdig zijn met de federale en Europese regels voor de taxameters. De federale dienst Metrologie zou geen modellen kunnen homologeren die voldoen aan de Vlaamse normen. Bestaande ondernemingen stellen de installatie van nieuwe taxameters uit en beginnende ondernemers weten niet volgens welke regels ze hun bedrijf moeten uitbouwen.

Taxiondernemingen hebben twee mogelijkheden: de Vlaamse regelgeving volgen en bijgevolg de federale regels overtreden of de federale reglementering naleven en hierbij het Vlaamse besluit negeren.

De deadline van 1 juni 2004 komt steeds dichterbij. De ervaring met de euro leert ons dat de overschakeling en de aanpassing van de toestellen niet noodzakelijk van een leien dakje zullen lopen. Er zou dus dringend werk gemaakt moeten worden van de installatie van de taxameters.

Het antwoord van minister Bossuyt bracht echter geen duidelijkheid over de concrete problemen van de sector. Ik bespaar u de commentaar die gegeven werd aan het adres van de minister van Economie. De federale dienst Metrologie weigert de toestellen te homologeren, aangezien deze in strijd zijn met de federale regelgeving.

Er bestaat duidelijk onenigheid tussen beide niveaus over de bevoegdheidsverdeling aangaande taxameters, maximumtarieven, enz.

Wat is de stand van zaken in het dossier betreffende de homologatie van de taxameters? Binnen welke termijn zullen taxiondernemingen zekerheid krijgen over wat hen te doen staat om zich in orde te stellen? Zal de dienst Metrologie overgaan tot homologatie van taxameters die in overeenstemming zijn met het besluit van de Vlaamse regering?

Indien niet, hoe dienen de bestaande ondernemingen, evenals de startende ondernemingen, zich intussen te organiseren?

De heer Marc Verwilghen, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - De Belgische Staat, meer bepaald het departement Economische Zaken, heeft op 18 november 2003 een verzoek tot nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2002 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder ingesteld bij de Raad van State. Daarenboven werden Vlaams minister van Mobiliteit Gilbert Bossuyt en federaal minister van Economie Fientje Moerman op 9 april 2004 door de taxisector in kortgeding gedagvaard teneinde voormeld besluit te schorsen op grond van de bevoegdheid van beide ministers in het taxidossier.

In afwachting van een uitspraak door die rechtscolleges kan de dienst Metrologie vandaag geen homologatie toestaan op basis van de criteria van het Vlaamse besluit, dat op 1 juni 2004 in werking zou moeten treden.

Vandaag is de bestaande taxiwetgeving nog altijd van toepassing. De uitspraak van de rechtscolleges zal bepalend zijn voor de vraag of de dienst Metrologie al dan niet zal overgaan tot homologatie van taxameters die in overeenstemming zijn met het besluit van de Vlaamse regering. Zolang het Vlaams besluit nog niet in werking is getreden en in afwachting van de rechterlijke uitspraken kan de Vlaamse regering taxibedrijven niet verplichten om een taxameter aan te schaffen die voldoet aan de criteria van het besluit van 18 juli 2003. Dit besluit voorziet onder andere in het gebruik van digitale taxameters die gelinkt kunnen worden aan een printer.

Op basis van de huidige federale wetgeving kan de dienst Metrologie digitale taxameters louter ijken naar analogie met de twee tarieven die nu in mechanische taxameters worden toegepast. Het betreft meer bepaald een door Economische Zaken bepaald maximumtarief binnen de perimeter en een maximumtarief buiten de perimeter. Of de dienst Metrologie vanaf 1 juni 2004 digitale taxameters zal ijken naar analogie met meerdere tarieven, hangt af van de uitspraken over de bevoegdheidsverdeling in de verschillende hangende procedures.

De heer Didier Ramoudt (VLD). - De taxiondernemers zullen niet veel geholpen zijn met het antwoord: ze moeten de uitspraak van de rechtbank afwachten. Inmiddels gaat veel tijd verloren. De technische aanpassing van alle taxi's neemt al gauw ťťn jaar in beslag.

De wetgever heeft de zaken duidelijk niet goed aangepakt. Ik begrijp dat er verschillen zijn tussen de twee niveaus. De taxichauffeurs willen echter een duidelijke boodschap: ofwel wordt de uitvoering van het decreet met minstens een jaar uitgesteld, ofwel moeten ze de uitspraak van de rechtbank afwachten.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde controle van het voedsel tijdens evenementenĽ (nr. 3-251)

De voorzitter. - Mevrouw Isabelle Simonis, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Uit een onderzoek van de consumentenorganisatie Test-Aankoop blijkt dat meer dan driekwart van de producten die tijdens evenementen verkocht wordt door ambulante handelaars of tijdelijke eetstandjes, maar ook producten die in snackbars en winkels worden verkocht, niet bewaard worden op de wettelijk voorgeschreven temperatuur. Met de ontelbare zomerfestivals in het verschiet, lijkt het mij noodzakelijk die zaken strenger te controleren zodat festivalgangers met een gerust gemoed een hapje kunnen eten.

Hoe worden de controles van ambulante, tijdelijke eetstandjes en snackbars georganiseerd? Gebeuren die controles systematisch? Hoe zal de minister, rekening houdend met de slechte resultaten aangegeven door Test-Aankoop, die controles deze zomer te laten gebeuren?

Mevrouw Isabelle Simonis, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) controleert zowel de exposanten op de openbare markten als de eetstandjes op evenementen. Het Agentschap is zich er dus van bewust dat bepaalde ambulante handelaars de voorschriften inzake hygiŽne en temperatuur niet naleven. Ook in andere takken van de distributiesector zijn er tekortkomingen.

Het FAVV kan niet aanwezig zijn op al die evenementen en is trouwens ook niet altijd op de hoogte van de organisatie ervan. Daarom wordt de voorkeur gegeven aan de belangrijkste festivals en stadsfeesten, omdat die meer bezoekers aantrekken. Bij de controles van dat soort ambulante praktijken wordt nagegaan of de voedingswaren correct worden verwerkt, opgeslagen en uitgestald. Er wordt aandacht geschonken aan de naleving van de voorschriften inzake temperatuur, persoonlijke hygiŽne en hygiŽne van het gebruikte materieel. Als tekortkomingen worden vastgesteld, neemt het FAVV gepaste maatregelen.

In de zomer zal bijzondere aandacht gaan naar de naleving van de voorschriften inzake temperatuur in de verschillende verkooppunten voor voedingsmiddelen. Gelet op het risico wordt ook de ambulante handelaar gecontroleerd.

Daarnaast zal het FAVV tussen 1 juni en eind september ook specifieke acties op touw zetten. De gemeenten zal informatie worden gevraagd over de geprogrammeerde en toegestane manifestaties, zodat de controleurs specifieke controles kunnen verrichten. Ten slotte zullen de controles toegespitst worden op de horecazaken op toeristische plaatsen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het antwoord van de minister staat bol van goede intenties. De weg naar de hel is echter geplaveid met goede voornemens. Het antwoord bevat weinig overtuigende gegevens. Ik reken erop dat de minister de nodige maatregelen zal nemen in de zomer en hij ermee rekening houdt dat twee op de drie producten volgens Test-Aankoop niet voldoen. Het is beter te voorkomen dan te genezen. We zullen met aandacht toezien of de minister zijn intenties ook uitvoert.

Vraag om uitleg van de heer Michel Guilbert aan de minister van Mobiliteit en Sociale Economie over ęde verkeersveiligheid en de federale commissie voor de verkeersveiligheidĽ (nr. 3-248)

De heer Michel Guilbert (ECOLO). - Na de Staten-Generaal voor de Verkeersveiligheid werd de Federale Commissie voor de Verkeersveiligheid opgericht in de schoot van de Federale Openbare Dienst Mobiliteit en Vervoer. Deze Commissie heeft als opdracht de becijferde doelstellingen te bepalen die inzake verkeersveiligheid tijdens een gegeven periode moeten worden bereikt, maatregelen voor te stellen om die vooropgestelde doelstellingen te bereiken, de becijferde indicatoren te bepalen, en de nodige middelen te bepalen om die maatregelen uit te werken en die doelstellingen te bereiken.

De commissie is eveneens belast met de voortdurende evaluatie van de evolutie van die indicatoren en heeft een adviesbevoegdheid op het vlak van de bevordering van de verkeersveiligheid en bijstand aan slachtoffers van verkeersongevallen. Het koninklijk besluit van 26 juni 2002 bepaalt dat de commissie jaarlijks een syntheseverslag van haar werkzaamheden en aanbevelingen overmaakt aan het Interministerieel Comitť voor Verkeersveiligheid.

Kan de minister mij mededelen hoe vaak deze commissie samenkomt en hoever ze staat met haar werkzaamheden sinds haar oprichting? Hoeveel keer heeft de minister advies gevraagd aan deze commissie? Kan een eerste verslag worden ingekeken?

In juni 2002 bestond de doelstelling in een vermindering van het aantal verkeersdoden met 33% tegen 2006 en met de helft tegen 2010. Onlangs heeft het NIS de cijfers voor 2002 gepubliceerd. Daaruit blijkt gelukkig een daling van het aantal verkeersdoden met 12%. Hopelijk zal deze tendens ook blijken uit de cijfers van 2003. Er zouden trouwens vlugger betrouwbare cijfers beschikbaar moeten zijn zodat we beter weten waar we staan en we het verkeersbeleid gerichter kunnen bijsturen.

Als we de cijfers van 2002 bekijken, lijken we in ieder geval op de goede weg te zijn. Er moet tezelfdertijd worden gewerkt aan preventie, controle en repressie. Dat gebeurt trouwens in samenwerking met alle betrokken partijen: de verenigingen van verkeersslachtoffers, de politiediensten, het BIVV, Justitie, de verantwoordelijken voor de wegeninfrastructuur en de automobilistenverenigingen.

Het aantal verkeersdoden bij de voetgangers en de fietsers daalt, maar er is een stijging van het aantal doden bij de bromfietsers en motorrijders. De oorzaken daarvan moeten worden onderzocht en er moet worden gezocht naar middelen om dit te verhelpen.

Hoewel de cijfers een dalende trend vertonen, blijft BelgiŽ met 12,8 doden per 100.000 inwoners jammer genoeg boven het Europese gemiddelde van 10,3.

Tijdens een ontmoeting van Zweedse en Belgische experts in maart van dit jaar verklaarde de minister dat hij, in navolging van Zweden, in BelgiŽ de `nuldoelstelling' wil laten invoeren. Heeft de Commissie voor de Verkeersveiligheid reeds nagedacht over de eventuele omzetting van Zweedse maatregelen op het vlak van verkeersveiligheid en over de aanbevelingen van de Europese Commissie, meer bepaald over de versterking van de controles en de intensivering van bewustmakingscampagnes, over de verbetering van de voertuigen of over nieuwe technologieŽn zoals het alcoholslot?

De heer Bert Anciaux, minister van Mobiliteit en Sociale Economie. - De federale commissie voor de verkeersveiligheid heeft haar eerste vergadering gehouden op 4 oktober 2002. Sindsdien hebben drie vergadering plaatsgevonden. Een volgende vergadering zal plaatsvinden op 17 mei. Naast de plenaire vergaderingen zijn er regelmatig bijeenkomsten van de verschillende werkgroepen om de dossiers samen te stellen voor toekomstige aanbevelingen.

Over sommige dossiers en hun follow-up wordt uitgebreid gedebatteerd. Het gaat om de follow-up van de dossiers `Snelheid' en `Alcohol' en de dossiers `Gordel' en `Strafbeleid'. Een werkgroep `deontologische code' op het vlak van publiciteit zou binnenkort van start gaan.

Op mijn vraag onderzoekt de werkgroep `strafbeleid' de punten waarvoor technische wijzigingen van de wet betreffende de politie over het wegverkeer nodig is. De commissie moet eveneens een advies uitbrengen over verschillende ontwerpen in verband met de motorrijders.

Van elke vergadering wordt een proces-verbaal opgemaakt dat op eenvoudig verzoek kan worden verkregen bij de Federale Commissie, BIVV, Haachtsesteenweg 1405, te 1130 Brussel. De dossiers die werden afgewerkt door de Staten-Generaal voor de Verkeersveiligheid kunnen worden geconsulteerd op de website van het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid.

De belangrijkste indicator is het aantal overledenen binnen de 30 dagen. De doelstelling is een vermindering met 33% in 2006 en met 50% in 2010 ten opzichte van het gemiddeld aantal doden in 1998, 1999 en 2000. De doelstelling zal worden geŽvalueerd zodra de statistieken over de jaren 2003 tot 2006 beschikbaar zijn. Intussen heeft het Nationaal Instituut voor de Statistiek het aantal verkeersdoden binnen de 30 dagen voor het jaar 2002 gepubliceerd. Dat cijfer vertoonde een daling van 12%.

Op de Staten-Generaal voor de Verkeersveiligheid werden een aantal indicatoren gedefinieerd die verband houden met de houding en het gedrag van de weggebruikers betreffende overdreven of onaangepaste snelheid, het rijden onder invloed of het dragen van de veiligheidsgordel. De doelstelling voor 2004 is dat 63% van de bestuurders en 65% van de passagiers vooraan de veiligheidsgordel draagt. Het BIVV werkt momenteel aan een maatstaf om de attitude te meten teneinde die doelstelling te evalueren. De eerste resultaten over de andere indicatoren in verband met houding en gedrag zullen besproken worden in de Federale Commissie op 17 mei. Als gevolg van de aanbevelingen van de commissie stelt het BIVV een reeks indicatoren op in verband met de politiecontrole en de vervolging.

De `nuldoelstelling' die werd uitgewerkt in Zweden heeft als streefdoel dat er geen doden of zwaar gewonden meer zijn in het wegverkeer. Concreet betekent het dat alle betrokken actoren deelnemen een gemeenschappelijke actie om die doelstelling te bereiken. Heel wat Zweedse maatregelen hebben een equivalent in BelgiŽ. Zo wordt door het nieuwe verkeersreglement het aantal botsingen tussen zwakke weggebruikers en automobilisten verminderd, bijvoorbeeld op een landweg of een uitritconstructie. Er zijn ook regels met als doel de gevolgen van botsingen te verminderen, meer bepaald in de zones 30 in de omgeving van scholen of in vakantiezones.

De wegbeheerders leveren belangrijke inspanningen om specifieke ruimtes aan te leggen voor elke categorie weggebruiker. Sinds 1991 beveelt het BIVV de wegbeheerders aan om een variabel snelheidsbeleid te voeren. In elke straat wordt een snelheidsbeperking ingevoerd die afgestemd is op haar functie. De aanleg van een straat moet aan haar functie worden aangepast. Dat moet resulteren in volkomen veilige straten.

De commissie buigt zich ook over de aanbevelingen van de Europese Gemeenschap. Sommige aanbevelingen zijn al uitgevoerd en van andere is de uitvoering nakend. Ik denk bijvoorbeeld aan de plaatsing van nieuwe onbemande camera's en aan de uitbreiding van de procedure van onmiddellijke inning bij zware overtreding.

Elk jaar worden verschillende campagnes gelanceerd in verband met het dragen van de veiligheidsgordel, de snelheid of de nieuwe wetgeving. Er wordt eveneens onderzoek verricht en er worden experimenten uitgevoerd in verband met nieuwe technologieŽn zoals Intelligent Speed Adaptation in Gent en binnenkort het project alcoholslot.

De heer Michel Guilbert (ECOLO). - Ik ben blij dat de commissie werkt. Zo blijft de dynamiek die op gang gebracht door de Staten-Generaal voor de verkeersveiligheid levendig. Dat de actoren samen rond de tafel gaan zitten, biedt de mogelijkheid afstand te nemen en te ontsnappen aan de druk van sommige lobby's. De belangenvereniging van de automobilisten doet de laatste tijd vrij vinnige uitspraken en dat zal er in de komende weken niet op verbeteren.

We moeten de belangstelling van de gewesten voor deze problematiek blijven opwekken. Als gemeenschapssenator heb ik vastgesteld dat de follow-up van de staten-generaal in het Waalse gewest verre van verzekerd is.

Ik ben eveneens van mening dat de weginfrastructuur moet volgen. De aangepaste snelheid moet in overeenstemming worden gebracht met de aangepaste weginfrastructuur. Ik zal dat onderwerp blijven volgen.

Ik pleit voor bewustmakingscampagnes voor de leeftijdsgroep die het meest wordt getroffen door ongevallen, vooral tijdens het weekeinde. Preventiecampagnes moeten zich meer tot die groep richten.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Mobiliteit en Sociale Economie over ęhet parkeren van artsen en ambulanciers bij een noodgevalĽ (nr. 3-258)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Via de pers heb ik vernomen dat de minister voor geneesheren, huisartsen en ambulanciers bij een noodgeval geen uitzondering op de parkeervoorschriften wil maken. Artsen en ambulanciers op dringend huisbezoek naar aanleiding van een spoedgeval zullen worden beboet als zij niet reglementair parkeren. Dat betekent dat hulpverleners moeten zoeken naar een reglementaire parkeerplaats en zo uiterst kostbare tijd verliezen.

Een strikte toepassing van de parkeerwetgeving in dezen betekent dus dat men een verkeerswet laat primeren op de mogelijkheid om snel en adequaat hulp te bieden aan mensen in nood. Dat is net alsof een ladderwagen van de brandweer niet meer op de stoep mag parkeren om mensen uit een woningbrand te redden of alsof een ziekenwagen met een hartpatiŽnt aan boord plots voor elk rood licht moet stoppen.

De minister gaat met die overdreven regelzucht voorbij aan de kern van de zaak: namelijk dat het recht er is voor de mensen en niet omgekeerd. Blijft de minister bij zijn standpunt of is hij bereid de maatregel aan te passen voor dringende hulpverlening? Hoeveel artsen of ambulanciers werden in 2003 en 2004 beboet bij fout parkeren naar aanleiding van een spoedgeval? Volgens het kabinet van de minister zijn geen feiten bekend van artsen of ambulanciers die werden beboet, terwijl de artsenverenigingen van hun leden vernemen dat zij wel regelmatig worden beboet.

De heer Bert Anciaux, minister van Mobiliteit en Sociale Economie. - Het lijkt me niet wenselijk uitzonderingen op de parkeervoorschriften te maken. Iedere bestuurder die zijn voertuig op de openbare weg achterlaat, moet de dwingende bepalingen inzake het parkeren van zijn voertuig op de openbare weg, alsmede de bijzondere verbodsbepalingen in verband met die regelgeving, naleven.

Natuurlijk zijn er toestanden, namelijk noodgevallen waarbij mensenlevens op het spel staan of goederen moeten worden beschermd, waarin zo dringend moet worden opgetreden dat het optreden primeert op de inachtneming van de voorschriften. Ik beschik niet over gegevens over het aantal boetes, maar ik ben ervan overtuigd dat er geen spectaculaire toename is.

Wie in noodgevallen wordt bekeurd - en dat komt zelden voor - kan altijd weigeren de boete te betalen en kan de gebruikelijke rechtsmiddelen ter verdediging aanwenden. Er bestaan in de strafwetgeving gronden van rechtvaardiging en verschoning zoals `morele dwang'. Die dwang kan als grond van rechtvaardiging worden aanvaard wanneer de vrije wil van de dader is uitgeschakeld of wanneer hij tegenover een groot en dreigend gevaar op geen andere wijze de belangen kon vrijwaren die hij moest of mocht behartigen.

Hieruit mag echter niet worden geconcludeerd dat elk spoedgeval voor die grond van rechtvaardiging in aanmerking komt. Onder meer het betaalparkeren en het parkeren met beperkte parkeertijd worden niet meer strafrechtelijk beteugeld. Die materie wordt administratief beheerd en hangt dus van de gemeente af.

Toch wil ik ook in dit dossier komen tot een snelle oplossing. Daarom zal ik de eerstvolgende weken een werkgroep samenroepen die met de Unie der Belgische ambulancediensten en alle andere betrokkenen zal bijeenkomen om de problematiek in een ruimer kader te plaatsen. Er zijn geen cijfers beschikbaar, en zeker niet voor 2003 en 2004. We hebben ons wel voorgenomen vernieuwing te brengen in het verzamelen van de gegevens omdat dat nog altijd mank loopt. De heer Vandenberghe moet weten dat het voorbeeld dat hij aanhaalt in de praktijk niet wordt beboet.

In de parkeerwetgeving zelf uitzonderingen opnemen is evenwel geen oplossing. Voor concrete noodgevallen zie ik wel twee mogelijke oplossingen die ik momenteel onderzoek. Zo zouden via het college van procureurs-generaal of de parketten afspraken kunnen worden gemaakt met de Orde van Geneesheren over specifieke maatregelen voor huisartsen op ronde. Ik wil daar vandaag niets meer over zeggen, omdat er nog geen concrete resultaten zijn geboekt.

Voorts laat ik ook onderzoeken of op bepaalde plaatsen geen bord kan worden geplaatst dat artsen, personeel van het Wit-Gele Kruis en andere verzorgers parkeermogelijkheid verschaft. Het is evenwel onmogelijk in alle straten van een gemeente een plaats voor artsen en verzorgers te reserveren. Het kan ook niet de bedoeling zijn ze een vrijgeleide te geven. Het is niet omdat men verpleegster of huisarts is dat men de regels aan zijn laars mag lappen.

Er moet een evenwicht worden nagestreefd. Uitzonderingen op de parkeervoorschriften lijken me niet de aangewezen weg. De wet kan niet toelaten dat een ambulancewagen door het rode licht rijdt. De berichten in de pers waren bijzonder ongenuanceerd. Jammer genoeg heb ik nog geen pasklaar antwoord. Ik ben evenwel volop bezig met het zoeken van een oplossing.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ten eerste vind ik de verkeerswet gebrekkig. Een wet die niet flexibel kan worden toegepast, is een slechte wet. De verkeerswet is veel te radicaal en vele weggebruikers zien dat ook in. In de verkeerswet zelf moeten de bijzondere omstandigheden worden aangegeven die maken dat ze niet rechtlijnig wordt toegepast, zoals vandaag het geval is.

Ten tweede weten we allemaal waar er problemen zijn. Ik nodig de minister uit door Antwerpen te trekken samen met een huisarts die wordt opgeroepen om een huisbezoek af te leggen. In Antwerpen hebben we niet alleen de problemen van de grootstad, maar ook die van de openbare werken. Hoe moet een huisarts bij zijn patiŽnten komen en waar moet hij dan parkeren? Op alle centrale assen is werk in uitvoering. Dat wil zeggen: omleidingen en geen parkeermogelijkheden. Natuurlijk kan men zeggen: ga te voet of neem de fiets. Dat is gezond en artsen moeten het voorbeeld geven. Maar artsen, ook huisartsen, moeten ook instrumenten bij zich hebben om aan bepaalde situaties onmiddellijk het hoofd te kunnen bieden. Ze kunnen niet altijd vooraf weten hoe ernstig de zaak is waarvoor ze worden opgeroepen.

Trouwens, niet alleen geneesheren hebben dit probleem. Ook gerechtsdeurwaarders kampen ermee. Trek maar eens enkele dagen op met een gerechtsdeurwaarder die in Brussel moet betekenen. Hij kan niet zeggen dat hij een bepaalde wijk niet aandoet. En dan hebben we het nog niet over het uitvoeren van een vonnis. Er zijn gerechtsdeurwaarders die een chauffeur hebben aangeworven om hun beroep te kunnen uitoefenen, omdat ze in Brussel niet meer kunnen parkeren.

We moeten het probleem dus verder onderzoeken - en de minister heeft al een voorzet gegeven - maar ook in de verkeerswet moeten de uitzonderingen worden gepreciseerd. Sommigen hebben immers een mechanische visie op het recht: het proces-verbaal is er, de boete moet worden betaald en als dat niet gebeurt, volgt de aanmaning. De boete moet ook betaald worden voor men bezwaar kan aantekenen. Men kan de vervolging slechts ontwijken door te betalen. Ik vind dat we deze mensen niet mogen verplichten een proces te voeren om aan te tonen dat bepaalde objectieve omstandigheden ten grondslag lagen aan hun overtreding. Ik vind dat de verkeerswet op bepaalde punten veel te radicaal is en dat ze te weinig acht slaat op de uitlaatkleppen die we in het gemeenrecht wel vinden.

De heer Bert Anciaux, minister van Mobiliteit en Sociale Economie. - Ik heb heel veel begrip voor bepaalde bekommeringen van de heer Vandenberghe, maar het is een beetje te eenvoudig om dť verkeerswet met alle zonden van IsraŽl te beladen. Dť verkeerswet gaat daar niet over. De verkeerswet deelt bepaalde overtredingen in een andere categorie in. Niet meer dan dat.

Vandaag hebben we het over het verkeersreglement. Dit reglement bestaat al een eeuwigheid en blijkbaar zijn mijn illustere en minder illustere voorgangers er nooit in geslaagd een verkeersreglement aan te passen aan de individuele behoeften van elk beroep. Dat kun je dus niet via het verkeersreglement regelen. Het moet anders en ik sta open voor alle suggesties. Ik heb er zelf twee gedaan en laat er twee onderzoeken, namelijk een oplossing via de parketten en via de wegbeheerder. Als u me zegt hoe we in de verkeersreglementering een bepaling die juridisch zuiver is - want ze mag niet leiden tot rechtsonzekerheid - kunnen opnemen, dan ben ik bereid daarop in te gaan.

Ik ben graag bereid in te gaan op een suggestie om deze problematiek via een bepaling in de verkeerswet op te vangen. Momenteel is volgens mijn administratie en volgens de juristen met wie ik werk, via de verkeerswetgeving geen oplossing mogelijk. Het moet immers nog controleerbaar zijn.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik heb onmiddellijk een oplossing. De wederrechtelijkheid van de overtreding wordt opgeheven wanneer er bijzondere omstandigheden zijn die dit verantwoorden. Regelgeving als een keukenwetgeving is slechte wetgeving. Men moet werken met algemene beginselen en concretiseren. De opbouw van de stadsomgeving en van de parkeermogelijkheden is de afgelopen jaren helemaal veranderd. De ruimtelijke infrastructuur wordt totaal anders, maar de verkeerswetgeving wordt uitgewerkt voor de oude infrastructuur. De vraag van de heer Guilbert over de mobiliteit in Brussel is hallucinant. Als ik in Brussel ben, zie ik geen mobiliteit meer want ik sta nagenoeg altijd stil. Als men alle dagen van Leuven naar Brussel moet....

De heer Bert Anciaux, minister van Mobiliteit en Sociale Economie. - Men kan ook het openbaar vervoer nemen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik zal u eens zeggen hoeveel tijd ik nodig heb om met het openbaar vervoer vanuit Rotselaar het Parlement te bereiken. Een parlementslid heeft nog heel wat andere verplichtingen. Ik kan niet de hele dag van bus naar tram en trein hollen. Men neemt eenzijdige maatregelen. De toegang tot Brussel is enorm bezwaard voor de mensen die van Leuven komen.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats woensdag 26 mei 2004 om 14.30 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 18.40 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de dames Crombť-Berton en Defraigne, de heren Collas, Coveliers, De Clerck, Duquesne en Istasse, wegens andere plichten, de heer Verreycken, om familiale redenen.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemming

Stemming 1

Aanwezig: 55
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Pierre Chevalier, Jean Cornil, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Michel Delacroix, Amina Derbaki SbaÔ, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Pierre Galand, Christel Geerts, Caroline Gennez, Jacques Germeaux, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Patrick Hostekint, Jean-FranÁois Istasse, Marie-Josť Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Didier Ramoudt, FranÁois Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Erika Thijs, Jacques Timmermans, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Jan Van Duppen, Joris Van Hauthem, Frank Vanhecke, Patrik Vankrunkelsven, Marc Van Peel, Christiane Vienne, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots, Alain Zenner.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging, wat de arbeidsrechtbanken van Brugge en Namen-Dinant betreft, van de wet van 7 juli 1969 tot vaststelling van de personeelsformatie van de arbeidshoven en -rechtbanken (van de heer Ludwig Vandenhove; Stuk 3-672/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 21, 5ļ, van het Wetboek van inkomstenbelasting 1992, teneinde de berekening van aangroei- en getrouwheidspremies verbonden aan spaarrekeningen transparanter te maken (van de heer Francis Poty en mevrouw Christiane Vienne; Stuk 3-669/1).

-Verzonden naar de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 14 van de wet van 31 december 1851 betreffende de consulaten en de consulaire rechtsmacht (van de heer Alain Destexhe; Stuk 3-674/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot oprichting van een Orde van apothekers (van mevrouw Annemie Van de Casteele c.s.; Stuk 3-675/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot aanvulling van de wet van 11 april 1962 die de doortocht en het verblijf in BelgiŽ toelaat van de troepen van de met BelgiŽ door het Noord-Atlantisch Verdrag verbonden landen (van de heren Lionel Vandenberghe en Patrik Vankrunkelsven; Stuk 3-677/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Voorstellen van resolutie

Voorstel van resolutie betreffende de situatie in TunesiŽ (van mevrouw Christiane Vienne en de heer Philippe Mahoux; Stuk 3-673/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Voorstel van resolutie betreffende de kosteloosheid van de handelingen die de RVA werkzoekenden kan opleggen in het kader van het regeringsbeleid inzake de activering van het zoekgedrag (van mevrouw Christiane Vienne en de heer Jean Cornil; Stuk 3-678/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Evocatie

De Senaat heeft bij boodschap van 13 mei 2004 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:

Wetsontwerp tot toekenning aan de journalisten van het recht om hun informatiebronnen te verzwijgen (Stuk 3-670/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 6 mei 2004 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 77 van de Grondwet

Herziening van het opschrift van titel III, hoofdstuk IV, afdeling I, onderafdeling I, van de Grondwet (Stuk 3-671/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp tot toekenning aan de journalisten van het recht om hun informatiebronnen te verzwijgen (Stuk 3-670/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 7 mei 2004; de uiterste datum voor evocatie is maandag 24 mei 2004.

Kennisgeving

Wetsontwerp houdende instemming met de herziene tekst van het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten, en met de Bijlage, aangenomen te Rome op 17 november 1997 tijdens de 29ste zitting van de Conferentie van de FAO (Stuk 3-246/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 mei 2004 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol van 1996 bij het Verdrag van 1972 inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afvalstoffen, en met de Bijlagen 1, 2 en 3, gedaan te Londen op 7 november 1996 (Stuk 3-247/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 mei 2004 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag inzake de internationale samenwerking en de bescherming van kinderen op het gebied van de interlandelijke adoptie, gedaan te Den Haag op 29 mei 1993 (Stuk 3-259/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 mei 2004 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk BelgiŽ en de Regering van Canada tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en met het Protocol, ondertekend te Ottawa op 23 mei 2002 (Stuk 3-339/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 mei 2004 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Wijziging van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, aangenomen te Montreal op 17 september 1997 (Stuk 3-352/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 mei 2004 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Regeringen van het Koninkrijk BelgiŽ, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek KroatiŽ betreffende de overname van onregelmatig binnengekomen of verblijvende personen, en met de Aanhangsels I en II, gedaan te Zagreb op 11 juni 1999 (Stuk 3-380/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 mei 2004 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk BelgiŽ en de Republiek AlbaniŽ tot het vermijden van dubbele belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting, ondertekend te Brussel op 14 november 2002 (Stuk 3-421/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 mei 2004 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk BelgiŽ en de Regering van AustraliŽ inzake de regeling van `werkvakanties', en met de Uitwisseling van brieven, ondertekend te Canberra op 20 november 2002 (Stuk 3-467/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 mei 2004 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk BelgiŽ en de Regering van Nieuw-Zeeland inzake de regeling van werkvakanties, ondertekend te Brussel op 23 april 2003 (Stuk 3-468/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 mei 2004 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Benin inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend te Brussel op 18 mei 2001 (Stuk 3-483/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 mei 2004 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst ter regeling van de activiteiten van Staten op de maan en andere hemellichamen, gedaan te New York op 18 december 1979 (Stuk 3-486/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 mei 2004 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol van 1997 tot wijziging van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978, en met de Bijlage, gedaan te Londen op 26 september 1997 (Stuk 3-487/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 mei 2004 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag nr. 181 betreffende de particuliere bureaus voor arbeidsbemiddeling, aangenomen te GenŤve op 19 juni 1997 (Stuk 3-491/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 mei 2004 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk BelgiŽ en de Republiek ArmeniŽ tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en met het Protocol, ondertekend te Brussel op 7 juni 2001 (Stuk 3-505/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 mei 2004 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Europese Conventie met betrekking tot het Landschap, gedaan te Firenze op 20 oktober 2000 (Stuk 3-506/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 mei 2004 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Besluit van de vertegenwoordigers van de Regeringen der Lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de voorrechten en immuniteiten die aan het Instituut voor veiligheidsstudies en het Satellietcentrum van de Europese Unie, alsmede aan hun organen en de leden van hun personeel worden verleend, gedaan te Brussel op 15 oktober 2001 (Stuk 3-521/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 mei 2004 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag inzake merkenrecht en het Uitvoeringsreglement, gedaan te GenŤve op 27 oktober 1994 (Stuk 3-526/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 mei 2004 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk BelgiŽ en de Regering van de Republiek AlbaniŽ betreffende de overname van onregelmatig verblijvende personen (Overnameakkoord), en met het Uitvoeringsprotocol, ondertekend te Tirana op 17 april 2001 (Stuk 3-548/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 mei 2004 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Europees Verdrag inzake cinematografische coproductie, en met de Bijlagen I en II, gedaan te Straatsburg op 2 oktober 1992 (Stuk 3-562/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 mei 2004 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Indiening van wetsontwerpen

De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:

Wetsontwerp betreffende de toetreding van BelgiŽ:

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie inzake de bestrijding van het tabaksgebruik, aangenomen te GenŤve op 21 mei 2003 (Stuk 3-681/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Mededeling van koninklijke besluiten

Bij brief van 3 mei 2004 heeft de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid aan de Senaat overgezonden, voor de publicatie in het Belgisch Staatsblad, overeenkomstig artikel 3bis, ß1, 2de en 3de lid, van de gecoŲrdineerde wetten op de Raad van State, het verslag aan de Koning, het advies van de Raad van State, het ontwerp van besluit voor advies voorgelegd aan de Raad van State en het koninklijk besluit tot wijziging van de wet tot bescherming van de economische mededinging, gecoŲrdineerd op 1 juli 1999.

-Verzonden naar de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - PrejudiciŽle vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen en het Hof van Beroep te Brussel (rolnummers 2940, 2954 en 2989; samengevoegde zaken).

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken

Bij brief van 5 mei 2004 heeft de voorzitter van Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken ressorterende onder het Hof van Beroep te Brussel overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor het jaar 2003 van de Algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken ressorterende onder het Hof van Beroep van Brussel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 30 april 2004.

Bij brief van 5 mei 2004 heeft de voorzitter van Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken ressorterende onder het Hof van Beroep te Gent overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2003 van de Algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken ressorterende onder het Hof van Beroep te Gent, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 23 april 2004.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Hof van Beroep

Bij brief van 30 april 2004 heeft de eerste voorzitter van het Hof van Beroep te Gent, overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het activiteitenverslag 2004 (kalenderjaar 2003) van het Hof van Beroep te Gent, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 28 april 2004.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Parket-generaal

Bij brief van 7 mei 2004 heeft de Procureur-generaal te Antwerpen overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van het Parket-generaal te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 26 april 2004.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Rechtbank van koophandel

Bij brief van 30 april 2004 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Bergen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2003 van de Rechtbank van koophandel te Bergen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 12 februari 2004.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Vaste nationale cultuurpactcommissie

Bij brief van 7 mei 2004, hebben de voorzitters van de Vaste Nationale Cultuurpactcommissie, overeenkomstig artikel 26 van de wet van 16 juli 1973 waarbij de bescherming van de ideologische en filosofische strekkingen gewaarborgd wordt, aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag van de Commissie voor het jaar 2003.

-Verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Raad voor de Mededinging

Bij brief van 29 april 2004 heeft de voorzitter van de Raad voor de Mededinging, overeenkomstig artikel 19, ß5, van de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging, aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag 2002 van de Raad voor de Mededinging over de toepassing van deze wet.

-Verzonden naar de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden.