3-52

3-52

Belgische Senaat

3-52

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 22 APRIL 2004 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Overlijden van een eresenator

Aanwijzing van deskundigen door de Senaat voor de aanstaande verkiezingen

Verzoekschriften

Inoverwegingneming van voorstellen

Regeling van de werkzaamheden

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer Jean-Marie Dedecker aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «het inwinnen en verwerken van gegevens van persoonlijke aard met betrekking tot personen, op grond van een redelijk vermoeden van strafbare feiten die worden of zouden worden gepleegd inzake seksueel misbruik van minderjarigen» (nr. 3-209)

Vraag om uitleg van mevrouw Nathalie de T' Serclaes aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het Nationaal Actieplan Kinderen en de nationale commissie voor de rechten van het kind» (nr. 3-215)

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de eerste minister over «de Nationale Plantentuin van Meise» (nr. 3-219)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Financiën over «de meest recente vertragingen van de werken aan het Berlaymontgebouw» (nr. 3-221)

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de specifieke problemen in het gerechtelijk arrondissement Eupen» (nr. 3-210)

Wetsontwerp betreffende de onvatbaarheid voor beslag en de onoverdraagbaarheid van de bedragen waarvan sprake is in de artikelen 1409, 1409bis en 1410 van het Gerechtelijk Wetboek wanneer die bedragen op een zichtrekening gecrediteerd zijn (Stuk 3-586) (Tweede behandeling)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde, de daaromtrent gevoerde actie en de dubbele kandidaatstelling voor het Vlaams Parlement en het Europees Parlement» (nr. 3-217)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «het ontbreken van brandstatistieken in ons land» (nr. 3-220)

Regeling van de werkzaamheden

Stemmingen

Vraag om uitleg van de heer Jacques Germeaux aan de minister van Leefmilieu, Consumentenzaken en Duurzame Ontwikkeling over «de risico's van het gebruik van ioniserende branddetectoren» (nr. 3-211)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «het koninklijk besluit houdende toekenning van een subsidie aan de vzw Vereniging van Belgische Steden en Gemeenten (VBSG) voor de uitvoering van het programma Gemeentelijke Internationale Samenwerking» (nr. 3-214)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «het ontslag van de gedelegeerd bestuurder van de BTC» (nr. 3-227)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap over «de verlenging van het adoptieverlof» (nr. 3-213)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de zeer ongelijke risico's om te sterven in de verschillende Belgische ziekenhuizen» (nr. 3-216)

Vraag om uitleg van de heer Didier Ramoudt aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de tarieven voor keuringsrechten voor verse vis en diepvriesproducten verschuldigd aan het Instituut voor Veterinaire Keuring (IVK)» (nr. 3-208)

Vraag om uitleg van mevrouw Amina Derbaki Sbaï aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de controles op Belgische burgers in de Verenigde Staten» (nr. 3-222)

Vraag om uitleg van mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «het regeringsbeleid met betrekking tot het lot van Ingrid Betancourt» (nr. 3-224)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de ratificatie van het facultatief protocol inzake kinderprostitutie, -handel en -pornografie bij het Verdrag inzake de rechten van het kind» (nr. 3-212)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)

Overlijden van een eresenator

De voorzitter. - De Senaat heeft met groot leedwezen kennis gekregen van het overlijden van juffrouw Lucienne Gillet, eresenator en gewezen provinciaal senator voor Henegouwen en gewezen senator voor het arrondissement Charleroi-Thuin.

Uw voorzitter heeft het rouwbeklag van de Vergadering aan de familie van ons betreurd gewezen medelid betuigd.

Aanwijzing van deskundigen door de Senaat voor de aanstaande verkiezingen

De voorzitter. - Artikel 5bis van de wet van 11 april 1994 tot organisatie van de geautomatiseerde stemming, regelt de aanwijzing van de deskundigen belast met de controle op het gebruik en de werking van de geautomatiseerde stemmings- en stemopnemingssystemen bij de parlementsverkiezingen, de verkiezingen voor de gewest- en gemeenschapsraden, en voor het Europees Parlement, alsook bij de verkiezingen voor de provincie-, gemeente-, districts- en OCMW-raden.

De Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat en de Brusselse Hoofdstedelijke Raad kunnen elk twee effectieve deskundigen en twee plaatsvervangers aanwijzen.

De minister van Binnenlandse Zaken heeft de Senaat verzocht deskundigen aan te wijzen, onder meer in het vooruitzicht van de volgende verkiezingen voor het Europees Parlement en de gemeenschaps- en gewestraden.

Het Bureau stelt voor dat de Senaat de volgende ambtenaren als deskundigen aanwijst:

Verzoekschriften

Bij brief van 30 maart 2004 heeft mevrouw Caroline Persoons, voorzitster van de Raad van de Franse Gemeenschapscommissie aan de Senaat overgezonden, een resolutie van de Raad met het oog op het opnieuw bevestigen van de onvergankelijke band tussen de Franstaligen van Brussel en de Franstaligen van de rand.

Bij brief van 13 april 2004 heeft de heer J. Pierre, burgemeester van Sainte-Ode aan de Senaat overgezonden een motie met het verzoek te ijveren voor de bevrijding van mevrouw Ingrid Betancourt.

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Regeling van de werkzaamheden

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Zou het mogelijk zijn de tekst over de financiering van antidemocratische partijen, die in februari in de Kamer werd goedgekeurd, snel op de agenda van de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden te plaatsen? De actualiteit toont aan dat we hiermee niet mogen talmen.

De voorzitter. - Deze zaak werd vanmiddag op het Bureau besproken. De voorzitter van de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden zal op de hoogte worden gebracht van de wens van het Bureau en van uzelf.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik ga daar inhoudelijk niet op in omdat ik niet weet of de beslissing al dan niet definitief is. Zelf heb ik de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden ook schriftelijk gevraagd mijn wetsvoorstel voor de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde te agenderen. Ik heb niet graag dat twee maten worden gehanteerd voor de urgentie van onderwerpen, namelijk dat als Franstaligen de hoogdringendheid vragen, die wordt toegekend, maar de splitsing van het kiesarrondissement als niet actueel wordt bestempeld. Ik vraag dan ook dat mijn voorstel op hetzelfde ogenblik wordt geagendeerd.

De voorzitter. - Ik ben ervan overtuigd dat de leden van uw fractie hetzelfde zullen vragen in de commissie Binnenlandse Zaken.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Nathalie de T' Serclaes aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de ontbinding van stichtingen» (nr. 3-283)

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - Volgens artikel 39 van de wet op de vzw's en de stichtingen kan de rechtbank de ontbinding van een stichting uitspreken, niet alleen - zoals vroeger - op verzoek van het openbaar ministerie, maar ook op verzoek van een stichter, van een van zijn rechthebbenden of van een of meer bestuurders. Het woord `verzoek' schijnt een probleem te zijn. Sommigen menen immers dat de vraag moet gebeuren in de vorm van de dagvaarding.

Vragen alle bestuurders de ontbinding van de stichting, dan lijkt het onredelijk deze weg te volgen. Wie moet dan immers worden gedagvaard? De stichting moet als het ware zichzelf dagvaarden via haar eigen bestuurders. Zonder dan nog te spreken van de kosten die hiermee gepaard gaan.

Artikel 29 van de wet van 27 juni 1921, zoals vervangen door de wet van 2 mei 2002, bepaalt dat de rechtbank van eerste aanleg de stichting kan ontbinden `op verzoek' van een of meer bestuurders. Mag men hieruit afleiden dat een vraag tot ontbinding die wordt ingediend door verschillende of door alle bestuurders ontvankelijk is als ze bij de griffie van de rechtbank wordt ingediend in de vorm van een verzoekschrift en niet via een dagvaarding?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Het woord `verzoek' heeft hier de gewone betekenis en niet die van het Gerechtelijk Wetboek. Het woord `verzoek' moet hier dus als `vraag' worden begrepen.

Conform het gemene recht worden rechtsvorderingen in principe ingesteld bij dagvaarding krachtens artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek. Wanneer dit wetboek het verzoek in strikt juridische zin als rechtsmiddel toestaat, zegt het ook uitdrukkelijk dat de vordering moet of kan worden ingeleid bij verzoekschrift, waarvan het in voorkomend geval de inhoud en de vorm nader bepaalt. Dat is hier niet het geval. Als voorbeeld kunnen we verwijzen naar artikel 672 dat van toepassing is op verzoeken om rechtsbijstand en naar artikel 1149 betreffende de verzegeling.

Mevrouw de T' Serclaes stelt dat de stichting in zekere zin zichzelf moet dagvaarden. De stichting bezit echter de rechtspersoonlijkheid. In het bedoelde geval zouden de bestuurders dus een andere persoon dagvaarden, ook al zullen zij naar alle waarschijnlijkheid zelf de dagvaarding ontvangen.

Bij een verzoekschrift op tegenspraak zou het niet anders zijn. In dat geval zijn de vermeldingen die het verzoekschrift en de dagvaarding moeten bevatten immers gelijkaardig. Het essentiële verschil is dat het verzoekschrift wordt bezorgd door De Post, de dagvaarding door een gerechtsdeurwaarder.

Mondelinge vraag van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de vernieuwing van de Moslimexecutieve» (nr. 3-284)

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik wens de kwestie van de Moslimexecutieve opnieuw aan te kaarten, hoewel de minister daarover al in de Kamer werd geïnterpelleerd. Deze kwestie blijft immers voor onrust zorgen binnen de moslimgemeenschap.

Het koninklijk besluit dat de leden van de huidige Moslimexecutieve erkent, zal op 31 mei ophouden van kracht te zijn. Het lijkt moeilijk om vóór deze datum verkiezingen te organiseren. Welk tijdschema heeft de minister voor ogen? Is het geschil over de volledige of gedeeltelijke verkiezing van de Moslimexecutieve bijgelegd? Oorspronkelijk moest de constituerende vergadering overgaan tot gedeeltelijke verkiezingen. Gaat het die richting uit?

De rol en de beslissingsbevoegdheden van de minister zijn beperkt, want de godsdienst wordt geacht zijn eigen constituerende vergadering samen te stellen. De minister heeft verschillende gesprekken gehad met vertegenwoordigers van de moslimgemeenschap om tot een oplossing te komen. Met wie en waar hadden deze gesprekken plaats? Leden van de moslimgemeenschap vragen ons met wie de minister heeft gesproken. Was het met de hele gemeenschap? De moslimgemeenschap is niet homogeen en het is moeilijk personen te vinden die representatief zijn.

Tot slot is er het probleem van de financiering. Leden van de Moslimexecutieve klagen dat ze niet voldoende werkingsmiddelen hebben gekregen. Hoe ver staat het met de toekenning van de schijven die aan de Moslimexecutieve werden beloofd, zowel voor de organisatie van de aanstaande verkiezingen als voor de gewone werking?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Dit is een heel delicate aangelegenheid. Ik ben immers partij in een debat dat het heilige principe van de scheiding tussen kerk en staat moet respecteren. Met het oog op de organisatie van de beruchte verkiezingen werd eerst een dialoog aangegaan met de eigenlijke Moslimexecutieve. Ik heb talrijke en langdurige gesprekken gevoerd om het standpunt van de constituante met betrekking tot die verkiezing te kennen. Ik had ook gesprekken met organisaties die me wensten te ontmoeten, namelijk de Vereniging van Moskeeën en de grote Turkse organisaties van België. Deze gesprekken worden nog voortgezet.

Mijn enige wens is de moslimgemeenschap van België een sterke en gerespecteerde vertegenwoordiging te geven met dezelfde legitimiteit als de andere godsdiensten in België. Tijdens de gesprekken kwamen echter tegenstellingen binnen de moslimgemeenschap aan het licht, die de zaken niet vergemakkelijken. De Moslimexecutieve wenst dat een derde van de constituante opnieuw wordt gekozen. Er is echter geen intern reglement met objectieve criteria om te bepalen welk derde ontslag zal nemen. Alle andere organisaties die ik, op hun verzoek, heb ontmoet, wensen dat de volledige executieve opnieuw wordt verkozen.

In de huidige stand van zaken en bij gebrek aan juridische criteria om te bepalen welk deel van de Executieve moet worden vervangen, zou het verkieslijk zijn dat de constituante via algemene verkiezingen volledig wordt vervangen. Dit is in het belang van zowel de veiligheid als de legitimiteit van de Moslimexecutieve. Vóór het Paasreces heb ik trouwens een schrijven in die zin aan de Executieve gericht. De komende dagen zal er opnieuw contact worden opgenomen. Nadien zal in mijn houding definitief bepalen. De verkiezingen zouden eind mei moeten plaatshebben.

Er werd driehonderdduizend euro uitgetrokken voor de verkiezingen. Voor de werkingsmiddelen heb ik alle nodige documenten getekend. Deze stukken volgen de administratieve weg. Het probleem moet dus de eerstvolgende dagen opgelost zijn.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - De vice-eerste minister is voorstander van de verkiezing van een volledig nieuwe constituante, maar hoe zit het juridisch? Zal de Moslimexecutieve beslissen of er een gedeeltelijke dan wel een algemene verkiezing plaatsvindt?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Er is juridische onzekerheid aangaande de interpretatie van het verkiezingsproces. Bij het begin van deze legislatuur, toen het mandaat van de Moslimexecutieve met een jaar werd verlengd, werd met de voorzitter overeengekomen dat men naar een volledige vernieuwing moest gaan.

Mondelinge vraag van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het chronisch gebrek aan middelen, de logge aanwervingsprocedure en de slechte betaling van het personeel van de Staatsveiligheid» (nr. 3-287)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Uit een vergelijkende VUB-studie over de werking en de kostprijs van de civiele diensten in België, Nederland en Denemarken blijkt dat de Belgische overheid veel minder financiële middelen ter beschikking stelt van de Staatsveiligheid dan andere landen voor hun inlichtingendiensten. Zo berekende professor Matthijs dat de kosten per personeelslid bij de Belgische Staatsveiligheid 68.237 euro per jaar bedragen tegenover 83.731 bij onze noorderburen. Natuurlijk zijn er verschillen in de fiscale en sociaalrechtelijke systemen, toch is er een verschil.

Ook het personeelsbeleid wordt op de korrel genomen. Professor Matthijs stelt: "De aanwerving via het federale selectiebureau Selor is loodzwaar en zeer ambtelijk. Vorig jaar kwamen maar liefst 6.500 kandidaten naar de Heizel voor de preselecties voor een job bij de Staatsveiligheid". De vraag is hoever de procedure is gevorderd want ze vergt zeer veel tijd. Dergelijke examens zijn evenmin gefixeerd op de gewenste profielen. Eind 2003 werkten 439 mensen bij de Staatsveiligheid tegenover 377 in 1998.

De onderzoekers schuiven als oplossing `meer autonomie' naar voren. "Onze Staatsveiligheid moet voor alles een hoop papierwerk doorsturen naar de federale overheidsdienst Justitie. Dat is een ouderwetse structuur, die je in geen enkel ander land terugvindt," stelt Matthijs vast. Hij pleit voor een aparte staatsdienst met een onafhankelijk beheer, maar onder toezicht van het Rekenhof en het Comité I.

De bijzondere Ministerraad over veiligheid en justitie heeft beslist de dossiers van de Staatsveiligheid `later' te behandelen. Gezien de dreigende internationale veiligheidstoestand zou ik graag weten welke dringende maatregelen de minister zal nemen om deze toestand te verhelpen.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Tijdens de ministerraad van 30 en 31 maart jongstleden werd beslist dat de vraag over de middelen van de Veiligheid van de Staat niet ter sprake zou komen. Het is de bedoeling om het Interministerieel Comité inlichtingen en veiligheid bijeen te roepen, teneinde de problemen met betrekking tot de Veiligheid van de Staat samen te onderzoeken. Tijdens de begrotingscontrole van deze maand heb ik niettemin gewenst dat men in de notificatie van beraadslaging van de ministerraad van 5 april 2004 expliciet zou vermelden dat "tijdens de opmaak van de begroting voor 2005, het gebrek aan middelen voor de Veiligheid van de Staat om haar opdrachten correct uit te voeren zal worden onderzocht".

Meerdere projecten zullen het waarschijnlijk noodzakelijk maken dat men bijkomende budgettaire middelen vrijmaakt. Ik denk onder meer aan een aanpassing van het geldelijk statuut van de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat, een eventuele versterking van het kader van de dienst die buitenlandse personaliteiten beschermt, de inwerkingstelling van de toekomstige wet op de telefoontap, een verbetering van de beveiliging van de internationale communicatie van de Veiligheid van de Staat en de inwerkingstelling van de toekomstige wet over de veiligheidsverificaties.

Ik verzet mij niet tegen het verlichten van de aanwervingsprocedures van het personeel, op voorwaarde dat de kwaliteitscriteria voor deze vorm van aanwerving behouden blijven. Verder zal er ook moeten worden nagedacht over het toekennen van meer autonomie aan de Veiligheid van de Staat met betrekking tot het administratief beheer van het personeel ervan, bijvoorbeeld door het installeren van een cel voor het beheer van de human resources en van het materieel.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de vice-eerste minister in die zin dat de talrijke goede intenties die ze verwoord door velen worden onderschreven. Die moeten evenwel dringend worden uitgevoerd, vooral omdat het dossier van de Staatsveiligheid sinds 2002 in een urgente fase is getreden. Ik stel voor om in de opvolgingscommissie met de vice-eerste minister over de studie, waarvan ik in de pers uitsluitend een weerslag heb gegeven, eens te discussiëren.

De voorzitter. - We zullen de vice-eerste minister uitnodigen op een volgende vergadering van de opvolgingscommissie.

Vraag om uitleg van de heer Jean-Marie Dedecker aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «het inwinnen en verwerken van gegevens van persoonlijke aard met betrekking tot personen, op grond van een redelijk vermoeden van strafbare feiten die worden of zouden worden gepleegd inzake seksueel misbruik van minderjarigen» (nr. 3-209)

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Bij de dienst mensenhandel van de DJP bestaat er nogal wrevel omdat het in ons land in tegenstelling tot andere landen, in het kader van proactieve gerechtelijke onderzoeken onmogelijk is persoonsgegevens te verwerken die het seksuele gedrag van personen betreffen van wie een vermoeden bestaat dat ze zich schuldig maken of zouden kunnen maken aan seksuele misdrijven. Dat is verwonderlijk. Het lijkt me evident dat de dienst mensenhandel in het kader van het proactief onderzoek de verzamelde gegevens gestructureerd zou kunnen opslaan.

Dat er een belangrijk spanningsveld bestaat tussen de noodzaak van het voeren van proactief onderzoek en het recht op privacy is genoegzaam geweten. In een democratische rechtsstaat wordt aan het recht op privacy terecht bijzonder belang gehecht, overeenkomstig artikel 8 EVRM.

Naar aanleiding van de discussie over de wet van 6 januari 2003 betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden werd in het Wetboek van Strafvordering een artikel 47ter ingevoegd. De eerste paragraaf daarvan bepaalt onder meer dat de minister van Justitie voor het voeren van een onderzoek en het verwerken van de gegevens in het kader van de bijzondere opsporingsmethoden de politiediensten moet aanwijzen. Destijds bestempelde collega Hugo Coveliers dat nog als een teken van wantrouwen tegenover de politiediensten en het openbaar ministerie. Ik vermoed dat het probleem op dat punt moet worden gezocht.

Met deze vraag om uitleg wil ik de minister dan ook graag een interpretatie vragen. Wat moet in artikel 6 van de privacywet worden verstaan onder `het seksuele leven'? De interpretatie is belangrijk als het gaat over het verwerken van persoonsgegevens die `het seksuele leven' betreffen. Tal van gegevens uit het leven van een persoon kunnen onder bepaalde voorwaarden worden verwerkt, maar voor de seksuele kant van het leven gelden bijzondere beschermingsregels, wat in wezen normaal is.

Waarschijnlijk krijg ik als antwoord dat de gegevens van vermeende pedoseksuele personen nog niet konden worden verwerkt, omdat de minister de politiediensten die daarvoor in aanmerking komen, nog niet heeft aangewezen. Indien dat zo is, dan vraag ik me af waarom. De privacywetgeving biedt zeer grote garanties tegen het misbruiken van persoonlijke gegevens en werd overigens nog in 1998 grondig gewijzigd. In 1992 werd daarenboven nog een algemene waakhond aangesteld, namelijk de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, belast met het toezicht op de juiste toepassing van de beschikkingen van de wet.

Ook in de specifieke discussie over de bescherming van persoonsgegevens bij werkzaamheden van politiediensten en meer bepaald bij daden van proactieve recherche, lijken alle wettelijke waarborgen aanwezig. De Commissie vindt het normaal dat in het huidig wettelijk kader gegevens door politiediensten worden verwerkt, ook in het kader van proactieve recherche. Door de wet van 7 december 1998 werden in de wet op het politieambt bepalingen opgenomen die het informatiebeheer regelen in het kader van de opdrachten van de politiediensten. Er kunnen ook bijzondere gegevensbanken worden opgericht overeenkomstig artikel 44/7, derde lid, van de wet op het politieambt.

Op advies van de commissie werd een tweede lid toegevoegd aan artikel 44/1, dat luidt: "Bij het vervullen van hun opdrachten van gerechtelijke en van bestuurlijke politie kunnen de politiediensten op de wijze bepaald door de Koning, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de persoonsgegevens verzamelen en verwerken bedoeld in artikel 6 van de wet van 8 december 1992...".

Onder de wettelijke opdrachten van de politiediensten, meer bepaald de gerechtelijke politie, valt ook "het opsporen van misdrijven en het verzamelen van bewijzen ervan". Voor de proactieve onderzoeken naar pedoseksuelen moeten er bijgevolg ook voldoende mogelijkheden zijn om persoonsgegevens te verwerken en daar wringt het schoentje.

Bovendien krijgen niet-politionele diensten sinds de herziening van 11 december 1998 belangrijke mogelijkheden om met persoonsgegevens om te gaan die het seksueel leven betreffen en waarbij het seksueel gedrag kan worden omschreven als een misdrijf. Na de belofte van toenmalig eerste minister Jean-Luc Dehaene werd het Europees Centrum voor Verdwenen Kinderen opgericht, dat nu bekend staat als Child Focus. Tijdens de parlementaire bespreking werd erop gewezen dat het niet de bedoeling is dat Child Focus zich in de plaats zou zetten van gerechtelijke en politionele overheden, terwijl men wist dat deze organisatie toch persoonsgegevens zou moeten registreren en verwerken, ook van verdachten. Impliciet werd dus gezegd dat de politiediensten dat kunnen.

Inmiddels werden ook interne garanties ingebouwd tegen onwettige verwerking van persoonsgegevens. Op grond van artikel 16 van de privacywet worden aan de verantwoordelijken van de verwerking verschillende verplichtingen opgelegd. De inlichtingen en gegevens worden ingewonnen en verwerkt onder het gezag van de minister van Binnenlandse Zaken voor de opdrachten van bestuurlijke politie en onder het gezag van de minister van Justitie voor de opdrachten van gerechtelijke politie. Het controleorgaan dient een centraal register bij te houden van alle bijzondere gegevensbanken om de risico's die voortvloeien uit de proliferatie van het aantal gegevensverwerkingen en van informatiestromen, zoveel mogelijk te voorkomen. Het controleorgaan werd inmiddels opgericht en is nu actief. Aangezien aan alle wettelijke vereisten is voldaan, moeten de politiediensten hun wettelijke opdrachten kunnen vervullen.

Ik wil dus ook graag weten waarom de minister van Justitie nog geen aanwijzing heeft gedaan. Ik wens duidelijkheid over het begrip `seksueel leven', zoals bepaald in artikel 6 van de privacywet. Ik vind het belangrijk te weten of de verwerking van persoonsgegevens van vermeende pedoseksuelen moet worden begrepen als verwerking van gevoelige gegevens, zoals wordt bedoeld in artikel 6, dan wel van gerechtelijke gegevens, zoals bedoeld in artikel 8 van de privacywet.

Tijdens de parlementaire discussie in 1992 werd erop gewezen dat de in artikel 6 vermelde gevoelige gegevens een bijzondere bescherming dienden te genieten omdat er objectief voor discriminatie kan worden gevreesd, waarbij één van die gegevens het `seksuele leven' van personen betreft. Men vreesde terecht dat de verwerking van gegevens over hetero- en homoseksuele geaardheid in een databank tot discriminatie kan leiden.

Graag kreeg ik een antwoord op volgende vragen. Klopt het dat het vooralsnog onmogelijk is om databanken op te richten waarin persoonsgegevens worden opgenomen die betrekking hebben op pedoseksueel gedrag van betrokkenen? Wat zijn de bezwaren en zijn die gegrond? Zo ja, vinden de vice-eerste ministers dat de diensten, gespecialiseerd in het onderzoek naar misdrijven die de seksuele uitbuiting van kinderen betreffen, voldoende gewapend zijn om hun taken naar behoren uit te oefenen? Zo niet, waarom werden dergelijke gegevensbanken dan nog niet opgericht?

Zullen de vice-eerste ministers optreden opdat die databanken zo snel mogelijk kunnen worden ingericht? Hoe interpreteren de vice-eerste ministers het begrip `seksueel leven' zoals omschreven in artikel 6 van de privacywet? Wordt met dat begrip meer bedoeld dan het loutere geslachtsonderscheid tussen mannen en vrouwen? Zijn gegevens over het pedoseksueel gedrag van een betrokkene, gevoelige gegevens of gerechtelijke gegevens, of beide?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Conform de artikelen 44/1 en 44/4 van de wet op het politieambt wordt de informatie over verdachten van misdrijven geregistreerd in de algemene nationale gegevensbank. De verdachten van gelijkaardige feiten worden geregistreerd op basis van de processen-verbaal die te hunner laste worden opgesteld. Net zoals voor de andere vormen van criminaliteit, wordt de informatie die niet concreet is, eveneens geregistreerd op basis van informatierapporten. Dat gebeurt momenteel in arrondissementele databanken en op federaal niveau bij de algemene directie van de gerechtelijke politie. Die databanken zullen binnenkort worden vervangen door een registratie in de algemene nationale gegevensbank. Er zijn dus geen bezwaren voor het oprichten van een dergelijke databank. Ze bestaat reeds.

In het verdrag nr. 108 van de Raad van Europa, omgezet in de wet van 8 december 1992, en in de richtlijn 95/46/EG van de Europese Unie, eveneens omgezet in voormelde wet en gewijzigd bij wet van 11 december 1998, is het begrip `seksuele relaties' niet nader omschreven. In die teksten is er veeleer sprake van `seksuele relaties' in het algemeen. Bijgevolg is de bescherming die zij bieden niet beperkt tot de loutere vraag of de betrokken persoon een man of een vrouw is.

In de internationale teksten en in de Belgische wetgeving is wel omschreven welke gegevens gevoelige gegevens zijn, maar er is niet voorzien in een hiërarchie van gevoelige gegevens. Ik raad de heer Dedecker aan zijn vragen over de interpretatie van de wet van 8 december 1992 te richten aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, die daarvoor bevoegd is. Die Commissie ressorteert trouwens onder de bevoegdheid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - In tegenstelling tot wat de minister zegt en tot recente berichten die door de procureur zijn bevestigd, geldt er vandaag nog altijd een verbod om pro-actief gegevens over pedofielen in een databank op te slaan. Dat is zeer verwonderlijk. Een betrouwbare bron vertelt me dat het daarentegen wel toegelaten is de namen van dopingzondaars op het internet te zetten. Van tegenstrijdigheid gesproken!

Vraag om uitleg van mevrouw Nathalie de T' Serclaes aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het Nationaal Actieplan Kinderen en de nationale commissie voor de rechten van het kind» (nr. 3-215)

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - Na de buitengewone VN-zitting van mei 2002 over de kinderen heeft de Belgische regering er zich toe verbonden om, in het verlengde van de goedkeuring van het mondiaal actieplan, tegen eind 2003 een nationaal actieplan kinderen uit te werken. De Senaat organiseerde trouwens in 2002 een debriefing waar de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken er zich effectief toe verbond een dergelijk plan op te stellen. Volgens de wet van 4 september 2002, die er kwam op initiatief van de Senaat, moet de regering elk jaar aan de federale Kamers een verslag voorleggen over de toepassing van het Verdrag inzake de rechten van het kind.

In dat kader heeft de interministeriële conferentie kind en jeugd van 25 november 2002 de minister van Justitie ermee belast één werkgroep op te richten die alle vragen aangaande het opstellen van verslagen uitgaande van de VN en van België zou behandelen. De eerste vergaderingen van die werkgroep grepen plaats op 25 september, 17 november en 4 december 2003. Ik ondervroeg de minister daarover reeds vorig jaar.

Om redenen van efficiëntie werden twee deelgroepen opgericht. De ene bestaat uit leden van de federale overheid en de andere uit leden van de federale overheid en van de gemeenschappen en de gewesten. Er werd ook beslist één enkel nationaal actieplan uit te werken dat betrekking heeft op alle verslagaanvragen.

Tijdens de vergadering van 20 november 2003 verklaarde de minister dat in een eerste fase de verschillende ministeriële departementen hun prioriteiten moesten kenbaar maken. In een tweede fase zouden die prioriteiten worden geanalyseerd. Hoe ver staat het nu met de uitwerking van het nationaal actieplan? Zal dat weldra worden afgerond?

Tijdens dezelfde vergadering bevestigde de minister, in antwoord op een vraag van mevrouw de Bethune, dat de Nationale Commissie Rechten van het Kind spoedig zou worden opgericht. Dat is nog niet gebeurd. De VN hebben dat trouwens aangeklaagd. Na overleg met de Vlaamse Gemeenschap zouden de hinderpalen, met name van budgettaire aard, die de oprichting van die commissie verhinderden, uit de weg zijn geruimd. Kan de minister dit toelichten? Zal de commissie worden opgericht en, zo ja, binnen welke termijn?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Het actieplan zal weldra worden afgerond. Zowel de Algemene Vergadering van de VN, naar aanleiding van de top over de rechten van het kind te New York in mei 2002, als het Comité voor de rechten van het kind hebben België gevraagd een nationaal actieplan voor kinderen op te stellen.

Ik heb daarvoor een werkgroep opgericht. Die wordt gestuurd door de FOD Justitie. Er werden twee deelgroepen gevormd. De eerste, op federaal niveau, is ermee belast het federale deel van het plan alsook het federale jaarverslag over de toepassing van het Verdrag inzake de rechten van het kind op te maken. De tweede brengt de leden van het federale niveau en van de gemeenschappen en de gewesten samen en zorgt voor de coördinatie tussen de verschillende beleidsniveaus.

Momenteel werden alle initiatieven opgenomen in een document met als titel "Ontwerp van nationaal actieplan voor kinderen". Dit document zal nu voor opmerkingen en commentaar worden voorgelegd aan de civiele maatschappij. Een rondetafel daarover is gepland op 6 mei.

Nadien zal de werkgroep de conclusies van die rondetafel analyseren en het actieplan afronden. Het plan zal ter informatie aan de interministeriële conferentie en voor goedkeuring aan de verschillende regeringen worden voorgelegd. Het is de bedoeling om daarmee tegen eind juni klaar te zijn.

Ik hoop dat het samenwerkingsakkoord tussen de Staat en de gemeenschappen en de gewesten over de Nationale Commissie Rechten van het Kind in de komende dagen kan worden afgesloten. Ik heb mijn administratie gevraagd na te gaan of het mogelijk is deze commissie binnen de FOD Justitie te installeren. Dat zou het werk en de betrekkingen tussen beide vergemakkelijken.

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - Het verheugt me dat het dossier opschiet en dat een rondetafel met de civiele maatschappij is gepland. Ik hoop dat de laatste fase voor de oprichting van de Nationale Commissie snel kan worden afgerond. Ik wens dat België tegen eind juni zijn verslag en zijn Nationale Commissie heeft. Ik ben blij dat deze commissie haar plaats kan vinden binnen de FOD Justitie. Ik hoop dat de Senaat over al deze punten zo snel mogelijk kan worden ingelicht. Wij hebben deze problematiek tijdens de vorige zittingsperiode immers van nabij gevolgd.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Jean-Marie Dedecker aan de minister van Landsverdediging over «het beroep dat werd ingesteld door de Staat tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel in de zaak van het luchtvaartongeval waarbij een Mirage-5 en een burgertoestel betrokken waren op 25 juni 1986» (nr. 3-282)

De voorzitter. - De heer Didier Reynders, minister van Financiën, antwoordt namens de heer André Flahaut, minister van Landsverdediging.

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Op 25 juni 1986 ramde een Mirage-5 van de Belgische luchtmacht boven Visé een burgervliegtuigje van een kleine luchtvaartmaatschappij uit Hasselt. De militaire piloot kon zich met zijn schietstoel redden. De drie inzittenden van het burgervliegtuig waren kansloos en overleden. Achttien jaar na de feiten heeft de rechtbank eindelijk een uitspraak gedaan. De Luchtmacht heeft nu beslist in beroep te zullen gaan tegen het vonnis, ondanks onderlinge afspraken tussen de advocaten.

Deze procedure komt voor de nabestaanden uiteraard zeer hard aan. Zij hebben niet alleen 18 jaar moeten wachten op een uitspraak, maar zij riskeren nu nog jaren te moeten wachten op een uitspraak in beroep. Dit is een typisch staaltje van onmenselijke gerechtelijke `Kafka'.

Om welke reden legt de Staat zich niet neer bij het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg in Brussel? Lijkt het de minister niet logisch - gezien de evolutie in de rechtspraak sinds het Flandria-arrest van 1920 - dat de uiteindelijke beslissing in dezelfde lijn zal liggen als de uitspraak in eerste aanleg? Is de minister van mening dat bevelhebbers zijn vrijgesteld van het in acht nemen van het voorzichtigheids- en zorgvuldigheidsprincipe bij het plannen en laten uitvoeren van militaire opdrachten?

Is het volgens de minister evident dat gevaarlijke militaire opdrachten op dergelijke lage hoogte worden gehouden in gebieden waarvan het geweten is dat burgertoestellen er gebruik maken van het luchtruim, zonder de burgers te verwittigen van de risico's? Hebben dergelijke oefeningen in dezelfde omstandigheden ook vandaag nog plaats?

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - De beslissing van de rechter is onaanvaardbaar omdat met deze jurisprudentie de training van piloten tijdens vluchten in een ongecontroleerd luchtruim in het gedrang komt. Deze oefeningen zijn onontbeerlijk om de operationaliteit van Luchtmacht te garanderen en dus op optimale wijze de nationale en internationale verplichtingen na te komen.

Defensie is zich bewust van de noodzaak aan regels voor het verzekeren van de luchtveiligheid en heeft daarvoor de nodige maatregelen getroffen. De voorzichtigheids- en zorgvuldigheidsregels zijn zelfs strenger dan die toegepast in de burgerluchtvaart.

Het tragische ongeval waarvan sprake vond plaats in het vrije luchtruim, in internationale afspraken gedefinieerd als het luchtruim van klasse G. Het luchtverkeer in het luchtruim van klasse G wordt niet gecontroleerd door de luchtverkeersleidingsdiensten, voornamelijk omdat de technische beperkingen van radar en radiouitrusting dat niet mogelijk maken; in dergelijk luchtruim ligt de verantwoordelijkheid voor het vermijden van botsingen bij de piloten. Militaire oefeningen in het luchtruim van klasse G hebben vandaag nog steeds plaats, maar zijn, gezien de afbouw van het aantal gevechtsvliegtuigen, minder frequent dan ten tijde van het ongeval. Het luchtruim van klasse G is in België beduidend kleiner dan in de ons omringende landen.

Beroep aantekenen impliceert soms nieuwe termijnen en voor de slachtoffers ligt dat dan moeilijk. Om de nadelen hiervan op menselijk en sociaal vlak zo veel mogelijk te beperken heb ik de juridische diensten van mijn departement verzocht om de vraag in beroep te beperken tot het enige twistpunt. Zodoende kan de gerechtelijke procedure in de kortst mogelijke termijn worden afgewerkt. Ten slotte zullen mijn diensten onderzoeken of het mogelijk is om op specifieke sociale gronden voorschotten toe te kennen.

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - De laatste zin van het antwoord klinkt bijzonder interessant.

Mondelinge vraag van mevrouw Christiane Vienne aan de minister van Financiën over «de bezorging van de individuele fiches nr. 281 aan de belastingplichtigen met Staatsinkomsten» (nr. 3-285)

Mevrouw Christiane Vienne (PS). - Op het einde van het jaar moeten de schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing een fiche in tweevoud invullen voor al wie een inkomen ontvangt. Het model van die fiche wordt door de minister of zijn afgevaardigde vastgelegd. Bovendien moet al wie bedrijfsvoorheffing verschuldigd is, elk jaar vóór 1 maart van het jaar volgend op het jaar waarop de documenten betrekking hebben, aan al wie een inkomen ontvangt een kopie bezorgen van de ingevulde individuele fiche.

Al wie een inkomen ontvangt, heeft deze fiche nodig om zijn aangifte voor de inkomensbelasting in te vullen. Ook de Staat moet deze verplichtingen nakomen. Als die fiches te laat worden bezorgd, komt de aangifte voor de inkomensbelasting binnen de wettelijk vastgestelde termijnen in het gedrang en moeten die termijnen noodzakelijkerwijze worden verlengd.

De termijnen voor de inkohiering daarentegen worden nooit gewijzigd, zodat een aanzienlijke werkoverlast ontstaat voor de ambtenaren van de fiscus. Voor de goede werking van de fiscale administratie is het dan ook primordiaal dat de individuele fiches tijdig worden afgeleverd door alle schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing.

Kan de minister bevestigen dat de Staat die verplichting vóór 1 maart is nagekomen voor al wie van hem een inkomen ontvangt?

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Wij trachten altijd de termijnen te eerbiedigen. Er moet evenwel rekening worden gehouden met de termijn voor het indienen van de aangiften. Dit jaar gaan wij opnieuw het systeem TAX-on-web toepassen en de elektronische aangifte toelaten. Wij hebben overigens al aangekondigd dat de belastingplichtigen hun aangifte tot einde juli zullen kunnen indienen.

De belastingadministratie wijst erop dat alle werkgevers - bedrijfsleiders, privé-vennootschappen, verenigingen, firma's en instellingen enerzijds, openbare besturen en openbare instellingen anderzijds, en over het algemeen alle schuldenaars van inkomsten die onderworpen zijn aan de bedrijfsvoorheffing - de individuele fiches betreffende bezoldigingen en andere inkomens die aan de bedrijfsvoorheffing zijn onderwerpen en die in de loop van het jaar 2003 werden betaald of toegekend, ten laatste op 30 april 2004 moeten bezorgen aan de rechthebbenden.

De schuldenaars van inkomens die moeite hebben om deze termijn te halen, kunnen een verlenging aanvragen. Alle fiches 281.11 (pensioenen) werden in de loop van de maand april aan de gepensioneerden bezorgd. De termijn werd dus nageleefd. Voor wie in Frankrijk verblijft en daar belasting verschuldigd is, werden de fiches manueel opgesteld in de loop van de maand maart, aangezien betrokkenen hun belastingaangifte einde maart moeten indienen.

Aangezien heel wat gepensioneerden een duplicaat vragen, worden de fiscale fiches zo vroeg mogelijk opgesteld en wordt er begonnen met de pensioenen.

De verzending van de fiches 281.10 (bezoldigingen) is gepland voor de tweede helft van de maand mei. De Belgotax-gegevens op basis waarvan zij worden opgesteld, zijn tegen half mei beschikbaar en zodra die gegevens zijn ingevoerd, worden de fiches onmiddellijk verzonden.

Dat zal gebeuren in de tweede helft van mei zodat iedereen zijn belastingaangifte tijdig kan invullen.

Mevrouw Christiane Vienne (PS). - Mijn vraag had betrekking op de ambtenaren van de Staat. Bevestigt de minister dat de termijnen zullen worden nagekomen?

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Ik bevestig dat de fiches in de tweede helft van mei naar de ambtenaren zullen worden gestuurd.

Mevrouw Christiane Vienne (PS). - Dan wordt de termijn van 1 maart dus niet gerespecteerd.

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - De normale datum is 30 april. Wij hebben de termijn voor het indienen van de belastingaangifte verlengd tot 31 juli, omdat de gegevens van Belgotax slechts tegen half mei beschikbaar zijn. De fiches zullen gedurende de tweede helft van mei worden verzonden, zodat de ambtenaren voldoende tijd hebben om hun aangifte tegen eind juli in te dienen.

Mevrouw Christiane Vienne (PS). - Zullen de ambtenaren van de fiscus eveneens een bijkomende termijn krijgen voor de inkohiering? Zal dat uitstel een weerslag hebben op de betalingstermijn?

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Juli en augustus zijn niet de maanden van de massieve inkohiering. (Men glimlacht)

De verlenging van de termijn voor het indienen van de aangiften tot einde juli heeft nooit problemen opgeleverd. In vorige jaren werd zelfs een langer uitstel overwogen. Wij trachten vooral de elektronische aangifte aan te moedigen, want die vereenvoudigt het hele proces. Dat rechtvaardigt overigens het uitstel.

Vorig jaar werd het systeem TAX-on-web voor de eerste keer toegepast. Wij hebben 57.000 elektronische aangiften ontvangen en 100.000 aanvragen om toegang te krijgen tot het systeem. Ik hoop dat dit aantal dit jaar sterk stijgt. Zolang het uitstel niet tot na eind augustus duurt, rijzen er geen enorme problemen met de verwerking van de aangiften.

Mondelinge vraag van de heer Philippe Mahoux aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de Europese richtlijn over de octrooieerbaarheid van software» (nr. 3-286)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Het voorstel van richtlijn stelt de voorstanders van de interoperabiliteit van informaticasystemen tegenover bepaalde industriëlen die hun programma's als uitvindingen willen beschermen om hun investeringen ten gelde te maken. De ministers van de Unie hebben geprobeerd het Ierse Voorzitterschap de taak toe te vertrouwen een consensus te vinden over de tekst die reeds door het parlement was aangenomen. Na maanden discussie moesten de Ieren het voorstel jammer genoeg terug naar af sturen.

Talrijke studies tonen aan dat op het gebied van computerprogramma's octrooien een remmend effect hebben op vernieuwing. Ze leiden tot hogere prijzen voor de consument en tot een sfeer van rechtsonzekerheid die een nadelige invloed heeft op de creatie van softwarebedrijven. Bovendien werden onlangs, onder andere in bepaalde regionale assemblees, wetteksten ingediend met als doel het gebruik van vrije software in openbare diensten te bevorderen.

Europa wordt zich ervan bewust dat het via de ontwikkeling van vrije software op technologisch vlak onafhankelijker kan worden. Met de octrooieerbaarheid van software loopt het echter het risico zijn beleid inzake innovatie en concurrentievermogen in het gedrang te brengen. Welk standpunt zal België terzake innemen tijdens de komende vergadering van ministers van de Unie op 17 mei? Zal in dit standpunt rekening worden gehouden met de initiatieven van de verschillende regionale assemblees?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - De regering heeft het probleem van de octrooieerbaarheid van software in november jongstleden besproken. Na discussies in het Europees Parlement werd beslist dat de Raad het dossier opnieuw zou behandelen. Het toenmalige Belgische standpunt was door de diensten van de minister voorbereid en goedgekeurd door de ministerraad. Het voorstel van richtlijn werd van de agenda voor de Raad Concurrentievermogen gehaald en toevertrouwd aan een technische werkgroep, die zich er momenteel over buigt.

Als het Ierse Voorzitterschap dit punt toch op de agenda van de Raad Concurrentievermogen van 17 en 18 mei behoudt, dan zal de Belgische regering waarschijnlijk terugvallen op het standpunt dat ze in november heeft vastgelegd. Daarom breng ik dat even in herinnering.

De Belgische regering bevestigde dat het voorstel van richtlijn een bescherming via een octrooi mogelijk moet maken van de vernieuwingen die in een computer zijn verwerkt. Die bescherming mag zich echter niet uitstrekken tot de software op zich. Er moet een duidelijke band zijn met de technische omgeving, in overeenstemming met de jurisprudentie van het Europees Octrooibureau. De Belgische regering vroeg uitdrukkelijk rekening te houden met de amendementen van het Europees Parlement inzake de begrippen technische omgeving. Zo stelde het dat de octrooieerbaarheid niet kan gelden voor software die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking heeft op de uitwisseling, de opslag of het automatisch beheer van gegevens. Ten slotte vroeg de Belgische regering uitdrukkelijk de amendementen van het Europees Parlement te bestuderen.

De minister volgt de discussies in de werkgroep op de voet en ze zal de heer Mahoux meedelen welk standpunt België wil innemen op de Raad van ministers in mei.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Het zou interessant zijn dat het regeringsstandpunt ook aan het parlement wordt meegedeeld. Dit probleem is belangrijk genoeg om ook het parlement erover te laten debatteren.

Aangezien het parlement zich waarschijnlijk niet rechtstreeks in deze aangelegenheid zal kunnen mengen, is het niet uitgesloten dat we de minister zullen vragen dit standpunt in de commissie te komen toelichten. Het gaat immers om het standpunt dat de regering zal innemen op de Raad van ministers die zal worden gehouden aan het einde van het Ierse Voorzitterschap.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de eerste minister over «de Nationale Plantentuin van Meise» (nr. 3-219)

De voorzitter. - De heer Didier Reynders, minister van Financiën, antwoordt namens de heer Guy Verhofstadt, eerste minister.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Vier jaar geleden sloot de regering Verhofstadt I het Hermesakkoord, waardoor onder meer de Plantentuin van Meise aan de Vlaamse overheid werd overgedragen. Het Hermesakkoord werd later overgenomen in het Lambermontakkoord en geregeld in een bijzondere wet van 13 juli 2001. U herinnert zich ongetwijfeld de heroïsche discussies die we daarover in de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden hebben gevoerd.

Op het ogenblik dat de tekst werd goedgekeurd was er absoluut geen duidelijkheid. In die wet wordt de daadwerkelijke overheveling van de Plantentuin immers afhankelijk gemaakt van een samenwerkingsakkoord tussen de Vlaamse en de Franse Gemeenschap. Ik heb mij daar altijd tegen verzet omdat dit betekent dat een bevoegdheid, die met een bijzondere meerderheid, namelijk een tweederde meerderheid en een meerderheid in beide taalgroepen, moet worden uitgeoefend gewoon naar twee executieven wordt gedelegeerd.

Ik heb nooit gedacht dat het zo ver zou komen, maar sinds 21 maart 2001 ligt er een ontwerpakkoord te wachten op de handtekening van de twee ministers-presidenten. Volgens het ontwerp zou de Plantentuin worden overgedragen aan de Vlaamse Gemeenschap met uitzondering van de wetenschappelijke verzameling, het herbarium en de bibliotheek. Die zouden eigendom blijven van de federale overheid, maar aan de Vlaamse overheid in bruikleen worden gegeven. De Franse Gemeenschap zou, evenwel voor eigen rekening, in Meise enkele wetenschappers mogen tewerkstellen.

Het onvermijdelijke is natuurlijk gebeurd. Ik heb tijdens de discussies nochtans geanticipeerd op de functie van de heer Van Quickenborne en gewezen op het zeer hoge Kafkagehalte van de tekst. Ik zal over enkele weken een bloemlezing geven van alle kafkaiaanse teksten die de regering heeft laten goedkeuren. Denk aan de programmawetten, gewijzigde programmawetten en zelfs de publicatie in het Belgisch Staatsblad van niet bestaande wetten. Sedert we een minister hebben om de administratie te vereenvoudigen, is er alom verwarring.

Wegens interpretatieverschillen tussen de Vlaamse Regering en de Franse Gemeenschapsregering over onder meer het aantal Franstaligen dat in Meise mag blijven werken en de eigendom van de boeken die na de overdracht worden aangekocht, zit alles reeds 4 jaar muurvast. Ondertussen werd het ministerie van Middenstand en Landbouw, waaronder de Plantentuin officieel ressorteert, op 1 januari 2002 ontbonden. Daardoor is de logistieke ondersteuning weggevallen. Sinds dit jaar krijgt de Plantentuin wel administratieve ondersteuning van de minister van Wetenschapsbeleid. De Plantentuin kampt ook met personeelsgebrek.

Na het Hermesakkoord heeft de Regie der Gebouwen bovendien de investeringen in de Plantentuin gestaakt. Kleine, dringende zaken worden nog wel afgewerkt, maar noodzakelijke, grote werken blijven uit.

Graag had ik van de eerste minister het volgende vernomen. Acht de eerste minister de tijd niet gekomen om overleg te plegen met de regionale overheden om een oplossing te zoeken voor de Plantentuin van Meise? Welke maatregelen zullen op korte termijn worden genomen om de noodzakelijke investeringen in de Plantentuin mogelijk te maken en aldus de verwaarlozing van sommige delen van de Plantentuin tegen te gaan?

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Sinds het tot stand komen van het Lambermontakkoord hebben we geprobeerd tussen de gemeenschappen een samenwerkingsakkoord tot stand te brengen met betrekking tot het beheer van de Plantentuin. Daarin zijn we tot nu toe niet geslaagd. De werkgroep die zich ermee bezighoudt, moet vóór begin mei een voorstel indienen. Op mijn vraag werd het dossier op de agenda geplaatst van de vergadering van 21 april 2004 van het Overlegcomité federale regering-gemeenschaps- en gewestregeringen.

De federale regering zal 1,5 miljoen euro prefinancieren om de Regie der Gebouwen toe te laten de dringendste werken in 2004 uit te voeren op basis van een lijst, op te maken in overleg met de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse Gemeenschap zal het geld terugbetalen als de overdracht van het domein is geregeld. Ik heb de Regie der Gebouwen al verzocht de overdracht te regelen op basis van een nieuw koninklijk besluit. De overdracht moet, indien mogelijk, vóór het einde van 2004 plaatsvinden.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik noteer dat de federale overheid een prefinanciering zal doen voor de meest dringende werken. De Belgische staat is immers aansprakelijk voor de eventuele instorting van het gebouw. Ik verwijs naar de discussies van 2001 over de bepalingen met betrekking tot de Plantentuin van Meise en over de opmerking van de Raad van State dat de regeling ter zake niets betekent en niet werkbaar is. Ik stel vast dat de feiten mij gelijk geven. Ik weet niet hoe lang de toestand nog zal aanslepen. We zullen nog even geduld oefenen en het dossier blijven volgen.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Financiën over «de meest recente vertragingen van de werken aan het Berlaymontgebouw» (nr. 3-221)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Vanaf 1 april 2004 betaalt de Belgische staat elke maand een dwangsom van 220.000 euro aan de Europese Commissie wegens het niet tijdig opleveren van het Berlaymontgebouw.

De Belgische staat verkocht begin 1991 het gebouw aan de Europese Commissie, maar moest instaan voor de renovatie.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Welke minister was er toen bevoegd voor die materie?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - U kunt mij niet beschuldigen van negationisme want ik geef de geschiedenis van het dossier van bij het begin. In tegenstelling tot de leden van de meerderheid beschik ik niet over een selectief geheugen. Ik geef evenmin een partijdige of eenzijdige voorstelling van de zaken. Ik ga terug tot het begin.

Het gebouw staat leeg sinds 1991. Er zijn heel wat verwikkelingen opgetreden, maar het werk diende normaal einde 1999 klaar te zijn. Dat gebeurde niet. Op 23 oktober 2002 werd het gebouw verkocht aan de Europese Commissie voor 553 miljoen euro.

De levering van het gebouw was gepland op 31 december 2003, wat het algemene deel betreft, een tweede zone tegen 31 maart 2004 en het geheel tegen 30 juni 2004. De verkoop gebeurde onder verschillende voorwaarden met vermelding van dwangsommen. Aangezien die afspraken niet werden nagekomen, betaalt de Belgische Staat 220.000 euro per maand voor de achterstand. Vanaf juli komt daar nog eens 442.000 euro bij. Het gaat echter niet om boetes die uit de staatskas naar de Europese Commissie vloeien. Wel wordt de aankoopprijs van het gebouw met 220.000 euro per maand verlaagd.

Bovendien moet België de Commissie ook gratis gebouwen ter beschikking blijven stellen ter vervanging van het Berlaymontgebouw. Vanaf 1991 werd hiervoor 20 miljoen euro per jaar betaald, ofschoon de reële kostprijs 35 miljoen euro zou bedragen. Europa heeft met andere woorden een `subsidie' toegekend van 15 miljoen euro per jaar. Volgens een afspraak tussen de vice-voorzitter van de Commissie en de vorige minister van Overheidsbedrijven zou die huursubsidie van 15 miljoen euro dit jaar eveneens wegvallen.

In de plenaire vergadering van 6 november 2003 stelde ik een vraag om uitleg over de werken aan het Berlaymontgebouw, gelet op de dwangsommen die dreigden te worden toegepast. De minister antwoordde toen het volgende:

"Gezien de Europese Commissie voor het gebouw 552.879.207 euro betaalt, kan het aandeel van de Belgische Staat geraamd worden op 117.120.793 euro. Bij dit bedrag dienen nog de intercalaire intresten voor de financiering tijdens de uitvoering van de werken te worden gevoegd. Ermee rekening houdend dat de kredietlijn loopt tot 30 juni 2004, waarna de terugbetaling van de financiering moet gebeuren, kan het bedrag van de intercalaire intresten thans geraamd worden op 37.467.582 euro.

De task force zal een aangepaste timing opstellen voor de terbeschikkingstelling van het gebouw en zijn onderdelen."

Waar is die task force? Hoe staat het Berlaymontgebouw ervoor? Hoever staat het met de uitvoering van het Berlaymontcontract? Wanneer wordt de effectieve levering van het gebouw en de verschillende onderdelen verwacht? Welke timing werd binnen de task force afgesproken? Hoeveel bedraagt de meerkost van de vertraging voor de Belgische Staat?

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Dat dossier ressorteert onder mijn bevoegdheid sinds juli 2003. De naam van de vennootschap is Berlaymont 2000. Er is misschien een vertraging opgetreden, maar ik probeer een goede oplossing te vinden samen met de Europese Commissie.

Vanochtend heb ik samen met de heer Kinnock, ondervoorzitter van de Europese Commissie, het gebouw bezocht. Ik heb kunnen vaststellen dat de werken op de verschillende verdiepingen van het basisgebouw beëindigd zijn. Er zijn ook reeds een aantal bureaus ingericht, die het mogelijk moeten maken zich een idee te vormen van de toekomstige werkomgeving van de Commissarissen. Wij hebben onze vergadering kunnen houden in één van de conferentiezalen van het gebouw. Alle uitrusting was daarvoor aanwezig.

De Europese Commissie is thans bezig met het testprogramma. Gezien de omvang van de werken en de oppervlakte van het gebouw is dit een enorme opdracht. Daarom werd de Europese Commissie op voorhand reeds betrokken bij de technische proeven en de oplevering van de werken die Berlaymont 2000 zelf heeft uitgevoerd.

De werkzaamheden die nog in uitvoering zijn, betreffen in hoofdzaak de Commissiezaal, zone F en omgeving, en de Official Function Room op de dertiende verdieping. Het grootste gedeelte van die werkzaamheden is beëindigd en de laatste afwerking is momenteel in uitvoering. De nodige tests inzake veiligheid en het functioneren van de multimedia volgen daarna.

Voor het volledige complex wordt vastgehouden aan de geplande einddatum van 30 juni 2004. Het is mogelijk dat er na die datum nog enkele algemene proeven plaatsvinden. In elk geval zal de Commissie op de door haar gestelde datum van 1 november 2004 het gebouw kunnen betrekken.

De meerkost als gevolg van de huurkosten die verband houden met de vertraging van het project, wordt op 7,5 miljoen euro geraamd. In de begroting 2004 van de Regie der Gebouwen werden daarvoor de nodige kredieten ingeschreven.

Na onderhandelingen tussen de Europese Commissie, de Belgische Staat en de NV Berlaymont 2000 werd het Berlaymontgebouw tegen de forfaitaire prijs van 552.879.207 euro verkocht aan de Europese Commissie, die het bedrag over 27 jaar zal terugbetalen. Er werd overeengekomen dat een bedrag van 221.000 euro per maand zal worden afgetrokken voor de laattijdige uitvoering, vanaf de eerste betaling van de 27 geplande annuïteiten die de Commissie voor de aankoop van het Berlaymontgebouw moet terugbetalen. We proberen elke maand te vergaderen met de Commissie om er zeker van te zijn dat het nieuwe commissiegebouw, met alle faciliteiten, in november beschikbaar zal zijn.

Na de oplevering van het gebouw in november zal ik het Rekenhof of een andere instantie een volledig onderzoek vragen. Dat is immers normaal voor werken waarbij zich zo een belangrijke vertraging heeft voorgedaan. Nu moet ik mij in eerste instantie richten op de overdracht van het gebouw aan de Commissie.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Er loopt een strafonderzoek in verband met dit dossier. Er schijnt immers ooit een dossier van de Europese fraudebestrijdingsdienst in verband met Berlaymont aan de gerechtelijke instanties te Brussel zijn overhandigd. We zullen zien wat daarvan de uitkomst is. Ik heb vorig jaar ook een vraag gesteld over het instellen van vorderingen in aansprakelijkheid. De gehele zaak werd immers ook vertraagd door allerhande rechtsprocedures en betwistingen. Ik vraag mij dus af of de Belgische Staat, met het oog op de verjaring en andere aspecten, niet nu reeds ten bewarende titel vorderingen in aansprakelijkheid moet inleiden.

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Ik heb vorig jaar het initiatief genomen om elke maand te vergaderen met de Europese Commissie, zodat we enkele waarborgen op papier hebben om alle rechten van de Staat te vrijwaren. De eerste doelstelling is een einde te maken aan dit verhaal ten laatste tegen november, misschien vroeger. Gezien de omstandigheden denk ik dat het, na bijna vijftien jaar, normaal is dat een onderzoek gevraagd wordt aan het Rekenhof of aan een andere instantie.

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de specifieke problemen in het gerechtelijk arrondissement Eupen» (nr. 3-210)

De heer Berni Collas (MR). - Am 5. Februar hatte ich die Gelegenheit Sie, Frau Minister, zur Unterbesetzung und zu den Unzulänglichkeiten im Gerichtsbezirk Eupen zu befragen.

Ich habe damals angekündigt, die Problematik und das Themenfeld Gerichtsbezirk Eupen weiter zu beleuchten und auf weitere Unzulänglichkeiten hinzuweisen.

Op 5 februari heb ik de minister reeds een vraag om uitleg gesteld over het personeelsgebrek en de tekortkomingen in het gerechtelijk arrondissement Eupen.

Ik heb toen aangekondigd dat ik later nog op andere tekortkomingen in hetzelfde verband zou wijzen.

Mevrouw de minister, ik zou uw aandacht willen vestigen op enkele bijzondere problemen in het gerechtelijk arrondissement Eupen.

Sinds de hervorming van het statuut van de griffiers en van de parketsecretarissen verloopt de rekrutering moeilijker.

De griffie van de rechtbank van eerste aanleg dreigt in de nabije toekomst één griffier te verliezen en er zou snel een selectieproef voor contractuele kandidaten moeten worden georganiseerd. Dat kan ter plaatse gebeuren. De FOD heeft zijn goedkeuring al verleend maar wacht nog op het akkoord van de minister.

Verder is er het probleem van de commissie voor de voorwaardelijke invrijheidstelling die krachtens de wet in het Duits moet kunnen vergaderen. De Duitstalige plaatsvervangende voorzitters en de leden van het parket zijn aangesteld. Assessoren die het Duits machtig zijn of secretarissen werden daarentegen nooit in dienst genomen. De commissie heeft nooit in het Duits vergaderd, wat mijns inziens een vorm van discriminatie is.

Bovendien is er het probleem van het Justitiehuis. De personeelsformatie van justitieassistenten is volledig bezet, maar er is nog steeds geen bediende of directeur die Duits kent. Het ambt wordt dus nog steeds ad interim uitgeoefend door de directeur van Verviers. Het zou nuttig zijn een selectieproef te organiseren en het ambt vacant te verklaren.

Is er de jongste tijd enige vooruitgang gemaakt in deze drie dossiers? Zo ja, welke? Zo neen, wat is de minister van plan?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Ik ben op de hoogte van de problemen in het gerechtelijk arrondissement Eupen. Wij doen echt ons best om er pragmatische oplossingen voor te vinden.

Voor de rechtbanken te Eupen heb ik ermee ingestemd dat de plaatselijke gerechtelijke overheden op hun niveau selectieproeven organiseren voor de indienstneming van Duitstalig administratief personeel. Ik hoop dat er snel geschikte kandidaten kunnen worden gevonden.

Het probleem van de commissie voor de voorwaardelijke invrijheidstelling is complexer. Thans wordt een beroep gedaan op tolken, maar ik erken dat die oplossing geen volledige voldoening schenkt. Ik heb mijn departement opnieuw gevraagd te onderzoeken of er een andere kortetermijnoplossing bestaat.

Voor het Justitiehuis is er een akkoord over de indienstneming van laureaten niveau A uit de wervingsreserves van de Duitstalige Gemeenschap. De inspecteur van Financiën van het departement heeft zopas het plan voor de aanwervingen goedgekeurd. Zodoende zouden wij op korte termijn tot de indienstnemingen kunnen overgaan.

De heer Collas ziet dus dat wij naar pragmatische oplossingen zoeken in samenwerking met de plaatselijke gerechtelijke overheden.

De heer Berni Collas (MR). - Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord.

Ik stel deze vragen niet om u lastig te vallen. U zult begrijpen dat de goede werking van de justitie in het arrondissement Eupen mij als senator van de Duitstalige Gemeenschap zeer na aan het hart ligt.

Wetsontwerp betreffende de onvatbaarheid voor beslag en de onoverdraagbaarheid van de bedragen waarvan sprake is in de artikelen 1409, 1409bis en 1410 van het Gerechtelijk Wetboek wanneer die bedragen op een zichtrekening gecrediteerd zijn (Stuk 3-586) (Tweede behandeling)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Mevrouw Vienne verwijst naar haar schriftelijk verslag.

De heer Francis Poty (PS). - Geef aan Caesar, wat aan Caesar toekomt, en aan de Senaat wat de Senaat toekomt. Een jaar geleden werd hier een wetsvoorstel ingediend, ondertekend door Philippe Mahoux et Francis Poty. Het werd besproken in commissie, verbeterd tijdens lange discussies en eenparig goedgekeurd.

Het doel werd bereikt. Het ontwerp beoogt de beschermingsregels voor de bedragen die onvatbaar zijn voor beslag en onoverdraagbaar zoals bepaald in het Gerechtelijk Wetboek uit te breiden wanneer die bedragen gecrediteerd zijn op een zichtrekening. Het betreft meer bepaald inkomens uit een arbeidsovereenkomst, vervangingsinkomens, sommige alimentatiegelden en sociale uitkeringen zoals kindergeld en invaliditeitsuitkeringen. In de artikelen 1409 en 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek worden die inkomens beschouwd als niet vatbaar voor beslag. Nochtans schrokken de banken er niet voor terug om op onwettige wijze beslag te leggen op dat geld, wat zelfs de Staat niet kon. Die toestand moest dus worden rechtgetrokken.

Het Gerechtelijk Wetboek biedt geen volmaakte bescherming. De bescherming verdwijnt zodra de zogenaamde beschermde inkomens op een zichtrekening worden gestort.

Het mechanisme van de schuldvernieuwing brengt met zich mee dat die inkomens van aard veranderen zodat de bank ze kan gebruiken om schulden van de rekeninghouder aan te zuiveren. Zodra de beschermde bedragen op een zichtrekening worden gecrediteerd, worden ze immers met de niet-beschermde inkomens vermengd.

Dit wetsontwerp strekt ertoe om schuldenaars van beschermde inkomens te verplichten een specifieke code toe te kennen aan elke storting van een dergelijk inkomen, zodat het kan worden geïdentificeerd en dus beschermd.

Het gaat om een belangrijke sociale doorbraak. Dat vonden onze collega's in de commissie en in de vergadering. Het voorstel werd vorig jaar in de Senaat eenparig goedgekeurd.

In de Kamer werd de tekst wat bijgeschaafd en kreeg hij zelfs nieuwe ouders. Dat verwondert mij. Maar dossier kwam terug naar de Senaat en dus naar zijn echte ouders.

Ik wil alle collega's danken die zowel vorig jaar als dit jaar aan de besprekingen in de commissie en in de plenaire vergadering hebben deelgenomen en die het voorstel hebben verbeterd. Iedereen heeft begrepen dat het erop aankwam zwakke mensen te beschermen tegen misbruiken van de banken.

Ik twijfel er niet aan dat wij de tekst net als vorig jaar eenparig zullen goedkeuren.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden, zie stuk 3-586/4.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde, de daaromtrent gevoerde actie en de dubbele kandidaatstelling voor het Vlaams Parlement en het Europees Parlement» (nr. 3-217)

De voorzitter. - de heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens de heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Voor de ontbinding van de federale kamers enkele maanden geleden, bij de discussie over de zelfbedieningswetgeving waarbij de kieswetgeving werd aangepast aan de paarse maatstaven, heb ik gezegd dat men met de constructie voor Vlaams-Brabant en Brussel-Hoofdstad de doos van Pandora opende, zonder te weten waar men zou uitkomen. Niet alleen was die regeling ongrondwettig, zoals het Arbitragehof vaststelde in een schorsingsarrest en in het vernietigingsarrest van 26 mei 2003, maar het kon worden verwacht dat het probleem zich vrijwel onmiddellijk opnieuw zou stellen bij de Europese verkiezingen. De actualiteit bewijst dat dit ook uitkomt.

Het arrest van 26 mei 2003 bepaalt dat er tegen de volgende federale verkiezingen een andere oplossing moet uitgewerkt worden. Dat heeft natuurlijk opnieuw de politieke gevoeligheid voor het probleem in het algemeen verhoogd, wat blijkt uit de acties die gevoerd worden door een aantal burgemeesters. Men probeert ze nu schrik aan te jagen door het openen van een strafonderzoek. Ze hoeven echt niet bang te zijn, want het is duidelijk dat wat ze doen een politiek misdrijf is. Na de hele discussie over het Vlaams Blok is het duidelijk dat de actie van de burgemeesters in de echte zin van het woord een politiek misdrijf is. Als ze door het parket worden vervolgd, moeten ze allen verschijnen voor het Hof van Assisen van Vlaams-Brabant te Leuven. Ik wacht met spanning op de dag waarop de Kamer van Inbeschuldigingstelling de betrokken burgemeesters zal verwijzen naar het Hof van Assisen te Leuven om dit proces te voeren. De jury zal dan oordelen over de zaak. Ik ben dus vrij sceptisch over het oplossen van politieke problemen met gerechtelijke middelen. Het is de verantwoordelijkheid van de regering om een oplossing te vinden en niet die van de procureur des Konings of van een onderzoeksrechter.

De ratio van het arrest van het Arbitragehof is dat er ongetwijfeld een discriminatie bestaat ten nadele van de Nederlandstalige kandidaten voor het Europees Parlement, die in Vlaanderen in competitie moeten treden met Franstalige kandidaten, terwijl het omgekeerde niet bestaat. De Vlaamse kandidaten kunnen geen campagne voeren in het arrondissement Nijvel, of in Marche-en-Famenne. De Franstaligen voeren campagne in de Franstalige Gemeenschap, in Brussel-Hoofdstad en als toemaatje krijgen ze Halle-Vilvoorde, een eentalig Nederlandstalig gebied, erbij. De Nederlandstaligen krijgen die mogelijkheid niet, dat is een duidelijke discriminatie die dient opgelost te worden.

Het probleem dat al zovele jaren bestaat, wordt dus niet opgelost, met alle moeilijkheden van dien. De eenstemmige verklaringen van de partijleiders op zondag worden enkele dagen later tegengesproken door het stemgedrag in de kamercommissie.

Bovendien stemt men in het Vlaams parlement anders dan in het federaal parlement. Die politieke elasticiteit is zeer uitzonderlijk, hoewel me dat van paars geenszins verbaast.

De regering zou wel drastisch moeten optreden in verband met de dubbele kandidaatstelling voor functies waarvan de uitoefening onverenigbaar is. Er kan geen twijfel over bestaan dat dit ongrondwettelijk is omdat in een democratie de kiezer het effect van zijn stem dient te kennen. Men kan niet stemmen voor A, terwijl het resultaat B is. Kandidaten voor zowel het Vlaams en Europees parlement beslissen na de verkiezingen waar ze gaan zetelen of zelfs of ze wel zetelen. Volgens het Arbitragehof is dat democratisch bedrog.

Vorige zomer had ik in interviews met grote staatslieden gelezen dat de dubbele kandidaatstelling niet meer aanvaardbaar was.

Daarenboven had het Arbitragehof gezegd dat de dubbele kandidaatstelling op een tweede punt ongrondwettelijk is omdat ze discriminerend is. Kandidaten die op een dubbele lijst staan, worden bevoordeeld tegenover kandidaten die maar op één lijst staan. Er is dus een dubbele ongrondwettelijkheid.

In een opiniebijdrage in De Standaard van 14 april 2004 had de UA-politicoloog Bursens het over huppelgedrag. Wat we nu meemaken is de infantilisering, de carnavalisering van de Belgische politiek. Ik vind dit onaanvaardbaar.

De dubbele kandidaatstelling is in strijd met het arrest van het Arbitragehof en met de Grondwet zodat juridische procedures onvermijdelijk worden. De electorale voorbereidingen zullen erdoor worden verstoord. Er zullen allerlei waarnemers naar ons land komen om te zien hoe verkiezingen met huppelgedrag hier verlopen.

Ik zou bij de regering dan ook willen aandringen toch eens naar de Grondwet te kijken en het arrest van het Arbitragehof te lezen. Moet de regering, die dagelijks zo verontwaardigd over democratie spreekt, de arresten die de dubbele kandidaatstelling als ongrondwettelijk bestempelen dan niet volgen? Waarom leeft de regering een jaar later deze regeling niet na?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - De heer Vandenberghe weet dat een regering een regeerakkoord ten uitvoer legt. Welnu, het regeerakkoord maakt geen melding van de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde. Wel heeft de regering afgesproken om na de verkiezingen van 13 juni 2004 een forum met de Gewesten en Gemeenschappen op te starten waarop ook dit dossier zal worden besproken.

Het Arbitragehof geeft ons trouwens de tijd tot de volgende federale verkiezingen, die normaliter in 2007 zullen plaatsvinden, om het probleem op te lossen. Reeds in januari 2003 heeft de minister van Binnenlandse Zaken, die toen nog minister-president was, gezegd dat het hem niet aangewezen leek om in een pre-electorale sfeer - waarin we ons vandaag bevinden - communautaire onderhandelingen op te starten. Hij heeft toen opgeroepen om deze gesprekken pas na de verkiezingen voor het Vlaams Parlement op te starten.

De minister wil nogmaals beklemtonen dat hij persoonlijk voorstander is van een splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde. Tegelijkertijd moet hij ook garant staan voor het ordentelijke verloop van de verkiezingen. Samen met de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant en de voorzitter van het hoofdbureau van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde, aan wie door de kieswet ook taken in verband met de kiesprocedure zijn opgedragen, zal de minister ervoor zorgen dat alle wettelijke mogelijkheden worden aangewend om een normaal verloop van de verkiezingen te garanderen. Het recht om deel te nemen aan verkiezingen is immers een van de meest fundamentele grondrechten in een democratische staat.

Met huppelgedrag verwijst de heer Vandenberghe waarschijnlijk naar de praktijk die bij politici van veel partijen bestaat om van mandaat en van assemblee te veranderen en om op meerdere lijsten op te komen. In de Kamercommissie van Binnenlandse Zaken worden momenteel enkele wetsvoorstellen inzake de dubbele kandidatuurstelling besproken. Het Parlement krijgt derhalve de gelegenheid zich erover uit te spreken.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Laat me toe even te glimlachen. De staatsecretaris beweert dat in een periode vóór de verkiezingen geen kieswetten mogen worden gewijzigd. Blijkbaar bestaan er twee soorten fatsoensnormen. Regels die geacht worden voordelig te zijn voor de meerderheid mogen wel in een pre-electorale periode worden gewijzigd, andere objectieve normen niet.

We zullen de bespreking in het Parlement afwachten.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «het ontbreken van brandstatistieken in ons land» (nr. 3-220)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens de heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Telkens wanneer een brand moet worden geblust, wordt hiervan een verslag opgemaakt met gegevens over de slachtoffers, het type gebouw, brandoorzaak en dergelijke die nodig zijn om de oorsprong en de gevolgen van de brand te vast te leggen. De brandweerkorpsen rapporteren deze gegevens aan de FOD Binnenlandse Zaken.

In het land waar we Kafka bestrijden, ging de ambtenaar bevoegd voor het verwerken van deze verslagen in 1993 met pensioen. Elf jaar later werd hij nog steeds niet vervangen, zodat de brandstatistieken in het land van Magritte sindsdien niet meer werden bijgewerkt. De statistieken kunnen dus ook niet worden gebruikt om kwaliteitsnormen uit te werken met het oog op een doeltreffend brandveiligheidsbeleid. Bovendien kunnen de Belgische gegevens niet meer worden vergeleken met buitenlandse cijfers, zodat ons land op Europese vergaderingen een belabberd figuur slaat.

Volgens de FOD Binnenlandse Zaken wordt er gewerkt aan een informaticasysteem om de verslagen van alle korpsen uniform te maken, maar volgens de voorzitter van Beprobel, de vereniging van beroepsbrandweerofficieren in België, staat hiervan momenteel nog geen letter op papier. Uniformiteit is nochtans noodzakelijk voor betrouwbare statistieken.

Bovendien zouden de verslagen in feite vaak `lottoverslagen' zijn, omdat dikwijls wordt gegist naar de brandoorzaak. Vaak wordt vermeld dat de oorzaak onbekend is of te wijten aan een sigaret of een kortsluiting, stereotiepe oorzaken die worden opgegeven omdat men de echte oorzaak niet kent of gezocht heeft.

Is het informaticasysteem om de verslagen van alle korpsen uniform te verwerken reeds voorhanden? Zo ja, wanneer zal dit systeem operationeel worden?

Werd de sector betrokken bij het uitwerken van dit nieuwe systeem?

Op welke manier zal het nieuwe systeem ter beschikking worden gesteld van de brandweerkorpsen?

Welke maatregelen zullen worden genomen opdat de brandweerlui de oorzaak van een brand nauwgezetter kunnen bepalen? Zullen opleidingen in deze zin worden gegeven?

Geeft het niet bijhouden van deze statistieken geen aanleiding tot criminele brandstichtingen, daar de oorzaak van de brand niet of nauwelijks gecontroleerd wordt? Vergeten we niet dat brand een zware deficitaire post is voor verzekeringsinstellingen, die vermoeden dat heel wat branden een criminele oorsprong hebben. Het bijhouden en verfijnen van deze statistieken is voor deze instellingen dan ook geen bijkomende last.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Op het ogenblik wordt een programma ontwikkeld door de Algemene Directie van de Civiele Veiligheid om de gegevens te verwerken die verzameld zijn bij de diverse brandweerkorpsen inzake personeel, materieel en interventies. Dat programma zal in de loop van de volgende maanden operationeel worden.

Via het Raadgevend Comité voor de brandweer werd de sector betrokken bij het ontwerp van de vragenlijst waarmee de statistiekgegevens worden verzameld.

De resultaten van de gegevensverwerking zullen op papier ter beschikking van de brandweerkorpsen worden gesteld en zullen ook op de website van de Civiele Bescherming worden geplaatst.

De brandweer heeft als eerste taak branden te blussen en aan brandvoorkoming te doen. Het opsporen van de oorzaak behoort niet tot het takenpakket dat is vastgelegd in het koninklijk besluit van 7 april 2003, maar een nauwgezetter aanduiding van de oorzaak van de brand in het interventieverslag heeft ongetwijfeld belang.

Volgens de laatste gegevens waarover de minister beschikt, wordt bij 33% van de interventies naar aanleiding van brand als reden `onbekend of andere' vermeld.

In de opleidingen van de brandweerdiensten, waarvoor sinds vorig jaar een nieuwe structuur is opgezet, zal aandacht worden besteed aan een nauwkeuriger rapportering van het brandweeroptreden, onder meer van de vermoedelijke brandoorzaak.

De interventieverslagen die door elke brandweerdienst na elke brand worden opgesteld hebben precies tot doel na te gaan wat de oorzaak van de brand was en of het al dan niet om criminele brandstichting ging. In het laatste geval worden de nodige stappen bij de politionele overheden gedaan.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de minister voor zijn antwoord en zal later op de zaak terugkomen.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Woensdag 28 april 2004 om 14.30 uur

1. Wetsvoorstel houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht (van mevrouw Jeannine Leduc c.s.); Stuk 3-27/1 tot 8.

2. Wetsvoorstel betreffende de follow-up van het optreden van de regering op het stuk van de Millenniumdoelstellingen inzake ontwikkeling (van mevrouw Anne-Marie Lizin c.s.); Stuk 3-579/1 tot 4.

3. Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over "het Nationaal Actieplan inzake de rechten van het kind" (nr. 3-231)

4. Voorstel tot herziening van artikel 67 van de Grondwet; Stuk 3-639/1 (Pro memorie)

Donderdag 29 april 2004

a) 's ochtends om 10 uur

1. a) Evocatieprocedure
Wetsontwerp inzake experimenten op de menselijke persoon; Stuk 3-585/1 tot 5.

b) Wetsvoorstel betreffende het medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (van de heer Ludwig Caluwé c.s.); Stuk 3-270/1 en 2. (Pro memorie)

2. Wetsontwerp tot wijziging van artikel 140 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; Stuk 3-611/1 en 2.

3. Vragen om uitleg:

b) 's namiddags om 15 uur

1. Inoverwegingneming van voorstellen.

2. Mondelinge vragen.

Om 16.45 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

3. Eedaflegging van de heer Luc Blondeel, nieuwe griffier.

4. Huldebetoon aan de heer Willy Henrard, secretaris-generaal, aftredend griffier.

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp betreffende de onvatbaarheid voor beslag en de onoverdraagbaarheid van de bedragen waarvan sprake is in de artikelen 1409, 1409bis en 1410 van het Gerechtelijk Wetboek wanneer die bedragen op een zichtrekening gecrediteerd zijn (Stuk 3-586) (Tweede behandeling)

Stemming 1

Aanwezig: 45
Voor: 45
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het werd opnieuw geamendeerd en zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Vraag om uitleg van de heer Jacques Germeaux aan de minister van Leefmilieu, Consumentenzaken en Duurzame Ontwikkeling over «de risico's van het gebruik van ioniserende branddetectoren» (nr. 3-211)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens mevrouw Freya Van den Bossche, minister van Leefmilieu, Consumentenzaken en Duurzame Ontwikkeling.

De heer Jacques Germeaux (VLD). - De Belg dumpt jaarlijks duizenden ioniserende rookdetectoren, waarvan de radioactieve bestanddelen later via de afvalverbranding in de lucht terechtkomen. In de meeste huishoudens komen deze toestellen immers vroeg of laat in de vuilnisbak terecht. Bij brand komen brandweerlui bovendien vaak als eersten in contact met deze radioactieve gassen.

De gevolgen voor mens en milieu zijn zo dramatisch dat de verkoop van deze toestellen in onze buurlanden werd verboden. Het advies van de Hoge Gezondheidsraad stelt dat het gebruik ervan niet langer gerechtvaardigd is gezien de valabele alternatieven van optische rookmelders. In het Vlaams Parlement werd reeds een voorstel van decreet ingediend houdende de verplichting tot het plaatsen van optische rookdetectoren in nieuw te bouwen woongelegenheden. In de huidige Belgische wetgeving en de bestaande Europese richtlijnen zitten nog heel wat hiaten om een sluitende wetgeving betreffende verwijdering, definities, toepassingsgebied, en zo meer mogelijk te maken.

Hoever staat het met de studie die de minister zou laten uitvoeren inzake het verbod op verkoop?

Welke wetgevende initiatieven zal de minister nemen om de risico's van het gebruik van deze detectoren te vermijden?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Op basis van de aanbeveling uit 1977 van het Agentschap voor Kernenergie, NEA, van de OESO, die vandaag nog steeds onverkort geldig is, en die gevolgd werd door de Belgische veiligheidsautoriteiten, bevoegd voor stralingsbescherming, kon de commercialisering van de ionisatierookmelders voor aanwending in de huishoudelijke sector zonder beperkingen worden toegestaan wanneer de toestellen conceptueel voldeden aan enkele voorwaarden inzake uitwendige stralingsafgifte en radioactieve inhoud.

Ze was gebaseerd op wetenschappelijke risicoanalyses voor de volksgezondheid en op scenario's die rekening hielden met de verspreiding van de aanwezige radioactieve stoffen in het leefmilieu via de toen gangbare huisvuilverwerking. Bij verbranding, bijvoorbeeld in een huisvuilverbrandingsinstallatie, is de fractie van de radioactiviteit die in de rookgassen terecht komt, uiterst gering. Het allergrootste deel van deze radioactiviteit vindt men terug in de verbrandingsresidu's. Ook voor de brandweer is er geen enkel risico.

Het gaat hier om uiterst nuttige toestellen, die bijdragen tot een meer veilige woonomgeving. Rookmelders waarschuwen tegen een veel groter gevaar dat de bevolking bedreigt namelijk het risico van brand in woningen, waarbij soms doden en verminkte personen te betreuren zijn.

Er kan echter niet worden ontkend dat het afvalstoffenbeleid de voorbije 25 jaar sterk is geëvolueerd, zowel wat betreft de radioactieve als de niet-radioactieve afvalstoffen, onder meer door het aanmoedigen van de recyclage van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, zoals rookmelders.

Op vraag van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC) heeft de Hoge Gezondheidsraad op 13 juni 2003 een advies over de ionische branddetectoren uitgebracht. De Raad heeft voor de toestellen gebruikt in de huishoudelijke omgeving een uitdovingsbeleid en een selectieve inzameling van de reeds in omloop gebrachte toestellen aanbevolen. Er is ook een gelijkaardige heroverweging in andere Europese lidstaten, bijvoorbeeld Nederland.

Het advies van de Hoge Gezondheidsraad wordt nu door het FANC verwerkt in de omzetting van de Europese richtlijn 2002/96/EG van 27 januari 2003 betreffende Afgedankte Elektrische en Elektronische Apparatuur, waar onder meer de bezorgdheid voor de recyclage van materialen met radioactieve verontreinigingen tot uiting komt. Indien bij de ten uitvoerlegging wijzigingen nodig zouden zijn aan het koninklijk besluit tot vaststelling van het Algemeen Reglement voor de Bescherming tegen ioniserende straling, zal ik als bevoegde minister de nodige initiatieven nemen om deze aan de ministerraad voor te leggen.

Een essentieel element dat het vandaag mogelijk maakt over te gaan tot een bijsturing van het beleid inzake de commercialisering van ionisatie rookmelders, is het op de markt komen van een type rookmelder, zoals de optische, die geen radioactieve stoffen bevat, met ten minste even goede prestaties als de ionische en tegen een redelijke prijs.

Er is dus geen enkele reden om de ionische detectoren nu plots uit de woonomgeving te bannen.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «het koninklijk besluit houdende toekenning van een subsidie aan de vzw Vereniging van Belgische Steden en Gemeenten (VBSG) voor de uitvoering van het programma Gemeentelijke Internationale Samenwerking» (nr. 3-214)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens de heer Marc Verwilghen, minister van Ontwikkelingssamenwerking.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Sinds 2001 bestaat het programma voor Gemeentelijke Internationale Samenwerking. Jaarlijks wordt er een koninklijk besluit opgesteld dat de jaarlijkse basisallocatie vastlegt die aan de VBSG voor dit project wordt toegewezen en dat de voorwaarden en de omkadering bepaalt. Tot op heden is er voor zover ik heb vernomen geen KB voor het jaar 2004. Deze situatie zorgt voor rechtsonzekerheid bij de steden en gemeenten inzake middelen en voorwaarden.

De steden en gemeenten moeten jaarlijks een aanvraag indienen. In de praktijk betekent dit dat ze elk jaar opnieuw in de onzekerheid vertoeven of hun project/programma zal worden goedgekeurd. Ontwikkelingssamenwerking is het laatste decennium geëvolueerd van ad hoc-projecten en -programma's tot een geïntegreerd, structureel en langetermijnbeleid. De huidige regeling voorziet niet in structurele en langetermijnperspectieven. Steden en gemeenten verkeren telkens opnieuw in de onzekerheid of zij hun gemeentelijke internationale samenwerking zullen kunnen financieren. Wil men echt het verschil maken in het Zuiden dan zijn projecten op middellange termijn minstens noodzakelijk.

De subsidie wordt toegekend aan de vzw Vereniging van Belgische Steden en Gemeenten. Het is op zijn minst merkwaardig aangezien andere programma's inzake indirecte bilaterale samenwerking verlopen via de federale structuren zoals NGO's en universiteiten. Vraag is of de gewestelijke verenigingen voor steden en gemeenten geen betere partners zijn voor het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking en DGOS, aangezien zij nu al het programma uitvoeren. Daarbij zijn er grote regionale verschillen. Uit onderzoek van de VBSG met de titel Global Village. Gemeenten, partners in ontwikkeling, 2000 blijkt dat steden en gemeenten in Vlaanderen veel actiever zijn en in een verdere beleidsfase zitten dan de andere gewesten. Het is daarom nuttig om per gewest afzonderlijke convenanten af te sluiten aangepast aan de regionale verschillen.

Wanneer precies plant de regering de publicatie van het koninklijk besluit aangaande de Gemeentelijke Internationale Samenwerking voor 2004?

Is er in het nieuwe KB sprake van middellangetermijnprogramma's die de gemeenten meer zekerheid en structurele samenwerkingskansen bieden?

Wat is de visie van de minister omtrent de gemeentelijke internationale samenwerking?

Waarom werd een samenwerking aangegaan met de VBSG en niet met de gewestelijke verenigingen van steden en gemeenten of met allemaal samen, hoewel de minister toch weet dat tussen hen een sterke onderlinge samenwerking bestaat?

Plant de minister in het KB van 2004 een samenwerking met de gewestelijke verenigingen van steden?

Het belangrijkste is uiteraard de publicatie van het KB van 2004. Hoe kunnen onze gemeenten immers ooit op een duurzame manier een samenwerking met het zuiden uitbouwen en hoe kunnen we meer gemeenten hiertoe aanzetten, als ze op dit ogenblik, bijna in de maand mei van 2004, nog altijd geen zicht hebben op hoeveel geld er zit in de enveloppe voor de intergemeentelijke samenwerking, laat staan wanneer dat geld zal vrijkomen en of er eventueel nieuwe voorwaarden aan zullen worden verbonden? Op het terrein heerst een totale onzekerheid over de subsidiëring en de omkadering vanwege het federale beleid. Nochtans schreeuwt de bevoegde minister dezer dagen overal van de daken dat hij zijn uiterste best doet om de internationale samenwerking een stap vooruit te laten zetten. We zouden daarover liefst een globaal debat voeren, maar vandaag kunnen we het beleid van de minister enkel toetsen aan dit concreet punt.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Het finale dossier voor 2004 werd bij de administratie ingediend op 16 april 2004. De normale procedure van analyse die uitmondt in de ondertekening van een KB duurt ongeveer vier weken. We kunnen er dus vanuit gaan dat het KB wordt getekend tegen 15 mei aanstaande.

Het te nemen KB dekt eigenlijk de periode van één jaar, met name van 1 januari 2004 tot 31 december 2004. Die periode kan niet worden overschreden daar het om een jaarprogramma gaat. De beleidscel van de minister van Ontwikkelingssamenwerking overweegt wel om vanaf 2005 te werken met meerjaarlijkse programma's. Dat zal de duurzaamheid van de programma's en de efficiëntie van de ingezette middelen bevorderen.

De versterking van het institutionele niveau in de landen van het zuiden is een prioriteit van de Belgische federale samenwerking. De Verenigingen van steden en gemeenten zijn belangrijke partners die kunnen bijdragen tot een verbetering van het institutionele gemeentelijke niveau van onze partners in het zuiden om op die manier bij te dragen tot een betere dienstverlening aan hun bevolking en dit binnen hun eigen specifieke domeinen.

Het is de Belgische Vereniging van Steden en Gemeenten die in 2000 aanstuurde op een internationale actie, gecoördineerd door het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking. Daar het de politiek is van de regering - om evidente administratieve redenen - om het aantal Belgische partners beperkt te houden, heeft de minister er de voorkeur aan gegeven om de VBSG als enig aanspreekpunt te behouden. Zodoende heeft de VBSG in 2000 een eerste actieplan ingediend waarin zij de operationele uitvoering van de geselecteerde programma's toebedeelt aan de regionale verenigingen. Voor de minister vervult deze vereniging dus de rol van koepelorganisatie wat de zaken administratief aanzienlijk vergemakkelijkt.

De samenwerking met de regionale entiteiten wordt niet expliciet behandeld in het KB. Het KB verwijst naar één enkele partner die verantwoordelijk is voor de goede aanwending van de ter beschikking gestelde fondsen. Zoals hoger reeds vermeld, wordt de rol van de regionale entiteiten duidelijk vastgelegd via het actieplan. Het actieplan onderstreept overigens ook duidelijk de synergieën die werden ontwikkeld tussen de verschillende acties die door de diverse regionale entiteiten worden voorgesteld.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Het is positief dat er een datum voor het KB in het verschiet wordt gesteld. Dat KB komt echter hopeloos te laat. Het uitblijven van het KB is geen teken van goed bestuur.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «het ontslag van de gedelegeerd bestuurder van de BTC» (nr. 3-227)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens de heer Marc Verwilghen, minister van Ontwikkelingssamenwerking.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - In december 1998 werd reeds een duidelijk profiel voor de functie van gedelegeerd bestuurder bij de Belgische Technische Coöperatie (BTC) uitgetekend. Toch slaagt de regering er niet in om de juiste persoon in dienst te nemen: in vijf jaar tijd wordt er nu al op zoek gegaan naar de vierde topman. CD&V heeft reeds tijdens de vorige legislatuur haar twijfels geuit over de gevolgde procedure.

De politisering en vooral de ijverige speurtocht naar een bekende manager uit de privé-sector hebben ertoe geleid dat de regering iemand wenste aan te trekken die geen kennis van het beleidsdomein heeft. Hoewel de regering reeds negatieve ervaringen had met de heer Dalcq, die eveneens uit de privé-sector kwam en die verweten werd onvoldoende voeling te hebben met de geplogenheden en gevoeligheden van een overheidsinstelling, maakte de vorige regering dezelfde fout bij de aanstelling van een nieuwe gedelegeerde bestuurder. Meer nog, de eerder opgestarte selectie- en aanstellingsprocedure werd afgebroken ondanks het feit dat de overblijvende kandidaten voldeden aan de profielbeschrijving.

Via een nieuwe profielbeschrijving zocht de vorige regering opnieuw naar een manager uit de privé-sector. Het is dan ook schrijnend om via de pers te vernemen dat de huidige ontslagnemende gedelegeerd bestuurder, de heer Poelaert, om dezelfde redenen, met name onvoldoende voeling met een overheidsinstelling, de laan wordt uitgestuurd. Dit is niet echt een voorbeeld van behoorlijk bestuur!

Is het correct dat de raad van bestuur van de BTC een positief advies heeft gegeven met betrekking tot uw verzoek om de heer Poelaert, gedelegeerd bestuurder van de BTC, te ontslaan? Zo ja, wat is de formele reden van het ontslag? Is het juist dat de minister de beslissing al aan de ministerraad heeft voorgelegd, zoals werd vermeld in de media? Welke procedure zal de minister volgen voor de aanstelling van een nieuwe gedelegeerd bestuurder? Zal het een open procedure zijn? Welke profielomschrijving zal de minister bij de aanstelling hanteren? Kreeg de vorige manager een ontslagvergoeding van 75.000 euro? Welk bedrag wordt uitgetrokken voor de huidige ontslagnemende gedelegeerde bestuurder? In welke begroting worden deze ontslagpremies ingeschreven?

(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Namens de minister van Ontwikkelingssamenwerking kan volgend antwoord verstrekken. Het is inderdaad zo dat de Raad van Bestuur van BTC een gemotiveerd positief advies gegeven heeft betreffende het ontslag van de heer Poelaert op maandag 5 april laatsleden. Dit gebeurde met eenparigheid van stemmen op een op donderdag 1 en maandag 5 april voortgezette Raad van Bestuur. De formele redenen van het ontslag zijn veelzijdig en kunnen niet in twee zinnen worden samengevat. Het KB tot revocatie zal de motivatie bevatten. Dat KB wordt eerstdaags gepubliceerd. Op basis van die beslissing van de Raad van Bestuur werd op maandag 5 april de revocatie van de heer Poelaert bij een in ministerraad overlegd KB genomen.

De Raad van Bestuur van BTC, in samenspraak met de politieke voogdij, met name de minister van Ontwikkelingssamenwerking, heeft beslist dat de selectieprocedure zal worden opgestart via Selor en niet via een headhunter. De selectieprocedure zal voldoen aan alle criteria van transparantie zowel als van professionaliteit. Het ligt voor de hand dat de minister bij de profielomschrijving die hij aan Selor zal overzenden, rekening zal houden met de lessen die hij kan trekken uit het verleden, met name inzake het profiel Poelaert-Dalcq. In concreto is de minister het in grote lijnen eens met de inleiding van de vraag. Hij zal overigens het profiel vastleggen in nauwe samenspraak met de Raad van Bestuur van BTC.

De Raad van Bestuur van BTC onderhandelt momenteel over de uitstapmodaliteiten van de heer Poelaert. Het is de naamloze vennootschap BTC die een managementovereenkomst heeft gesloten met de heer Poelaert. Het komt dan ook aan de Raad van Bestuur toe om een einde te stellen aan die managementovereenkomst op basis van de revocatie waartoe de Ministerraad heeft besloten. Tot daar het antwoord van de minister.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Wij zullen nauwgezet toezien op de selectie- en aanstellingsprocedure van een nieuwe gedelegeerde bestuurder. Als de vorige regering de vooropgezette procedure had geëerbiedigd en de eerst gerangschikte laureaat had aangesteld, dan zou men vandaag niet zijn beland in zo'n dramatische situatie voor het leiderschap van de instelling.

Wij zullen dus nauwgezet toezien op zowel de lopende ontslagprocedure, de profielbeschrijving voor de nieuwe functie, als op de aanstelling en vooral de selectie van het nieuwe leiderschap. De politieke inmenging in de topbenoemingen bij BTC van de jongste vier à vijf jaar heeft de goede werking van de instelling zelf in het gedrang gebracht. Ik hoop dat alle betrokkenen zich vandaag bewust zijn van de ernst van de situatie.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap over «de verlenging van het adoptieverlof» (nr. 3-213)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - De regering kwam tijdens de top van 20 maart in Raversijde tot een consensus over een aantal maatregelen betreffende de leefkwaliteit. Een van de maatregelen is de verlenging van het adoptieverlof van 10 dagen tot 1 maand.

Omdat de regering veel zaken belooft, maar weinig concretiseert, had ik van de staatssecretaris graag een antwoord gekregen op de volgende vragen. Kan zij deze informatie bevestigen? Wanneer zal het voorstel in het Parlement worden ingediend? Wanneer wil ze de maatregel in werking laten treden? Zal dit verlof gelden voor alle werknemers in alle sectoren, dus ook voor de ambtenaren? Komt er ook een regeling voor zelfstandige adoptieouders, bijvoorbeeld een betaalbare vervangingsregeling?

Mevrouw Isabelle Simonis, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik heb inderdaad tijdens de ministerraad van Oostende de verlenging van het adoptieverlof verdedigd. Een ruime meerderheid van de leden van de werkgroep Verloven van de Staten-Generaal van het Gezin was voorstander van deze maatregel.

Het voorziene budget komt overeen met een verlenging van het adoptieverlof met twintig dagen. Dat brengt dit verlof op een totaal van dertig dagen.

Wat de praktische uitwerking betreft, wordt nog overleg gepleegd, met name met mijn collega Van Brempt.

Met het oog op de coherentie ben ik voorstander van de invoering van het systeem dat bestaat in de overheidssector. Het verlof bedraagt daar zes weken bij de adoptie van een kind jonger dan drie jaar en vier weken voor een kind ouder dan drie jaar. Die periodes worden verdubbeld wanneer het kind gehandicapt is.

Het is nog te vroeg om te zeggen dat dit systeem zal worden ingevoerd.

De maatregel wil het bestaande adoptieverlof uitbreiden. Er komen geen wijzigingen inzake de personen die in aanmerking komen. Het zijn dus de loontrekkenden en gelijkgestelden, die recht hebben op vergoedingen, die een dergelijk verlof kunnen krijgen.

Voor de zelfstandigen zal ik binnenkort contact opnemen met minister Laruelle om na te gaan of er voor de zelfstandigen een regeling inzake adoptieverlof kan worden uitgewerkt.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Het verheugt mij dat de staatssecretaris die maatregel verdedigt en ik dank haar voor de toelichting bij de inhoud ervan. Zal de uitgave waarover ze spreekt worden ingeschreven in de begroting 2004 of in die van 2005? Met andere woorden, in welk jaar zal de maatregel van kracht worden?

Mevrouw Isabelle Simonis, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De maatregel zal in werking treden zodra het overleg over de praktische toepassing ervan zal beëindigd zijn. Hij zal dus worden opgenomen in de begroting van 2004 of, wat realistischer is, in de begroting van 2005.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de zeer ongelijke risico's om te sterven in de verschillende Belgische ziekenhuizen» (nr. 3-216)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Uit een recent onderzoek van het Centrum voor Ziekenhuis- en Verplegingswetenschap van de K.U.Leuven blijkt dat patiënten in sommige ziekenhuizen veel meer kans lopen te sterven dan andere.

Professor Vleugels onderzocht 123 verschillende ziekenhuizen en verklaart daarbij voor een raadsel te staan, daar er geen eenduidige lijn uit de vaststellingen blijkt. De resultaten zijn te wisselvallig om van `goede' en `slechte' ziekenhuizen te kunnen spreken.

Hij onderstreept wel dat de Belgische ziekenhuizen dringend aan kwaliteitszorg moeten werken. De kans op complicaties en zelfs overlijden hangt nog te veel af van toevallige omstandigheden.

Kent de minister de inhoud van die studie? Welke conclusies worden eruit getrokken? Hoe kan de uitwerking van de kwaliteitszorg in de ziekenhuizen dringend worden verbeterd?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Professor Vleugels heeft zelf verklaard dat de studie nog niet is afgerond. We hebben hem uitgenodigd om ze te komen toelichten in mijn kabinet. Hij had ons beloofd de reeds beschikbare gegevens te bezorgen, maar ik heb ze nog niet ontvangen.

Zolang ik de studie niet heb kunnen inkijken, kan ik geen conclusies trekken. Ik wil evenwel opmerken dat het geen studie betrof die als specifiek doel had de kwaliteit in de ziekenhuizen te bestuderen. Professor Vleugels baseert zich voor zijn conclusies op MKG-gegevens die hem in het kader van een andere studieopdracht waren toevertrouwd. De vraag rijst of de gegevens voldoende details bevatten om een effectieve vergelijking tussen ziekenhuizen te maken inzake mortaliteit voor zogenaamde egale pathologieën. Een correcte evaluatie van de globale kwaliteit van de zorg in een ziekenhuis kan niet worden gemeten door mortaliteit als enige indicator te hanteren.

Op de vraag hoe de kwaliteitszorg in ziekenhuizen kan worden verbeterd, wil ik opmerken dat er momenteel geen elementen voorhanden zijn om te kunnen beweren dat de kwaliteitszorg in onze ziekenhuizen onvoldoende is en dus moet worden verbeterd. Dat neemt uiteraard niet weg dat we voortdurend moeten streven naar een maximale zorgkwaliteit. In dat verband werden er meerdere initiatieven genomen, waaronder het project `risicomanagement' in ziekenhuizen. Tevens participeert België in een internationaal project van de WGO, gericht op het identificeren van de optimale indicatoren voor het meten van de zorgkwaliteit in de ziekenhuizen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het persartikel over het verschil in de sterftecijfers in de ziekenhuizen is opzienbarend en geeft aanleiding tot een spontane ongerustheid bij de burgers.

De minister verklaart thans dat het slechts om een ontwerpstudie gaat. Ik mag erop wijzen dat gelet op de impact op de publieke opinie, men heel voorzichtig moet zijn bij het presenteren van conclusies van studies.

Uit de cijfers van genoemde studie blijkt immers dat bij eenzelfde operatie in het ene ziekenhuis 80% van de patiënten sterft en in het andere 10%. Dat is een spectaculair verschil. Als ik de minister hoor, is er wat te snel geconcludeerd en moeten we kijken naar de inhoud. Dat zal ik zeker doen. De voorzieningen in de verschillende ziekenhuizen moeten in ieder geval aan een verder kwaliteitsonderzoek worden onderworpen.

Vraag om uitleg van de heer Didier Ramoudt aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de tarieven voor keuringsrechten voor verse vis en diepvriesproducten verschuldigd aan het Instituut voor Veterinaire Keuring (IVK)» (nr. 3-208)

De heer Didier Ramoudt (VLD). - De haven van Zeebrugge is geschikt om schepen te ontvangen met een diepgang tot 12 m. Oostende is meer geschikt voor short sea shipping, voor schepen dus met een diepgang tot 6 m. Beide havens doen grote inspanningen voor hun economische ontwikkeling. Toch missen deze havens op dit ogenblik trafieken van verse en diepvriesvis en reeds bewerkte diepvriesproducten, zoals champignons, omdat de keuringskosten in vergelijking met Nederland te duur zijn.

Deze trafieken gaan nu meestal richting Vlissingen. Het gaat zelfs zover dat schepen in Zeebrugge binnenlopen, hun andere goederen lossen en dan doorvaren naar Vlissingen om daar de producten die veterinair moeten worden gekeurd, te lossen. Dat is, inclusief het vervoer met vrachtwagen terug naar België, goedkoper dan de producten in België in te klaren.

Dat zet niet alleen een rem op de economische groei van de bedoelde havens, maar heeft ook een invloed op de werkgelegenheid. Het laden en lossen van dergelijke schepen is immers een intensieve bezigheid. Per 100.000 ton zijn er 9.000 mandagen nodig voor transport, 10.000 mandagen voor overslag en 6.000 mandagen voor actieve verdeling. Op jaarbasis komt dit neer op 84 arbeidsplaatsen of op 250 man per 100.000 ton.

In het geval van Oostende kan er bovendien een synergie komen met de luchthaven.

Een vergelijking tussen de keuringstarieven in België en Nederland leert ons het volgende. In België is er een retributie te betalen aan het Instituut voor Veterinaire Keuring. Het minimumrecht bedraagt 38,80 euro op normale werkuren en 77,60 euro buiten de normale werkuren of in het weekend, of minimum 6.063 kilo of 0,0064 euro per kilo.

In Nederland wordt er een retributie betaald aan de Voedsel- en Warenautoriteit. Het minimumrecht bedraagt 54,66 euro en er is een maximumrecht van 420,56 euro, of minimum 6.073 kg of 0,0090 euro per kilo.

In afwijking van de EG-richtlijn 97/78 is het maximumrecht voor schepen geladen met visserijproducten als volgt vastgesteld: 600 euro tot 500 ton, 1.200 euro tot 1.000 ton, 2.400 euro tot 2.000 ton en 3.600 euro tot 3.000 ton.

(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)

Aan de hand van deze tarieven levert dat volgende simulaties voor de vistransporten op. Voor een schip van 500 ton bedragen de rechten 3.200 euro in België en maar 600 euro in Nederland. Het verschil ten nadele van België bedraagt dus 2.600 euro. Voor een lading van 2.000 ton bedragen de rechten in België 12.800 euro, in Nederland 2.400 euro. Dat is dus een verschil van 10.400 euro. Voor 3.000 ton bedraagt het verschil 15.600 euro en het neemt geleidelijk toe.

De simulaties voor de containers geven hetzelfde resultaat. Dat wijst er dus op dat het verschil in tarievenregeling tussen België en Nederland concurrentievervalsend werkt voor onze zeehavens. Op termijn zullen dan ook alle schepen de goederen die een veterinaire keuring moeten ondergaan, in Nederland gaan lossen.

Op het ogenblik lopen er tussen de havens van Oostende en Noorwegen onderhandelingen over een contract van 500.000 ton. Als we dat vergelijken met de cijfers die ik zojuist heb aangehaald, is het duidelijk dat het over veel geld en werkgelegenheid gaat. Per vracht van 3.200 ton zouden de kosten 16.880 euro bedragen. Voor de volledige lading van 500.000 ton zou het nadeel voor onze zeehavens miljoenen bedragen.

Wat is het standpunt van de minister dienaangaande?

Is er sprake van concurrentievervalsing door de verschillende keuringsrechten in België en Nederland?

Wat is de oorsprong van dat verschil?

Welke middelen heeft de minister ter beschikking en welke maatregelen kan hij nemen om de concurrentiepositie van de Belgische havens op dat gebied te verstevigen?

Binnen welke termijn kunnen eventueel maatregelen worden genomen, gelet op de aan de gang zijnde onderhandelingen? Ik heb zojuist vernomen dat die onderhandelingen de eerste week van mei zullen worden afgerond. Er zijn maar twee mogelijkheden: Vlissingen of Oostende.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Uit uw vraag leid ik af dat de gemaakte simulatie enkel betrekking heeft op de keuringskosten bij de invoer van vis uit derde landen in de grensinspectieposten.

Met betrekking tot de simulaties voor de volumes van 20 tot 100 ton ben ik het eens met de door de heer Ramoudt vermelde bedragen. Wat de simulatie voor volumes van 500 tot 3.000 ton betreft, stel ik vast dat geen rekening werd gehouden met de vermindering die van toepassing is voor volumes boven 100 ton.

Daarenboven werd ook geen onderscheid gemaakt tussen vis die enkel werd gestript en andere vis.

Voor het gedeelte boven de 100 ton wordt het basiskeurrecht van 0,0053 euro per kg immers verminderd tot 0,0016 euro voor vis die geen andere behandeling heeft ondergaan dan het strippen en tot 0,0032 euro voor andere vis. Naast dit bedrag is tevens een recht verschuldigd ter financiering van de algemene kosten van het voedselagentschap. Dit recht is vestgesteld op 20% van het verschuldigde keurrecht.

De door mijn diensten uitgevoerde simulatie waarbij rekening werd gehouden met voormelde vermindering, resulteert in de volgende bedragen.

Voor vis die geen andere behandeling heeft ondergaan dan strippen: tarief 0,0016 euro; voor een volume van 500 ton 1.404 euro en voor een volume van 3.200 ton 6.588 euro.

Voor andere vis: tarief 0,0032 euro; voor een volume van 500 ton 2.172 euro en voor een volume van 3.200 ton 12.540 euro.

Ik vestig er evenwel de aandacht op dat de cijfers van tabel 1, die de heer Ramoudt heeft gegeven, een vertekend beeld geven van de realiteit.

Conform de Europese regelgeving moet een keurrecht worden aangerekend per zending waarvoor een gezondheidscertificaat werd uitgereikt. In de regel wordt per container, die ongeveer 20 tot 25 ton kan bevatten, een gezondheidscertificaat afgegeven. Het keurrecht zal dan ook meestal berekend worden op hoeveelheden tot 20 à 25 ton. Zendingen van meer dan 100 ton op één gezondheidscertificaat vormen dan ook de grote uitzondering.

De berekeningen gebaseerd op hoeveelheden van 500 à 3000 ton zijn dan ook niet realistisch. Dat blijkt trouwens uit de berekeningen opgenomen in tabel 2.

Voor volumes van 20 tot 100 ton zijn de verschillen tussen België en Nederland eerder gering. Dat is zeker het geval voor de meest voorkomende hoeveelheden van 20 ton.

Wat specifiek de onderhandelingen betreft om Noorse vistrafieken naar Oostende te halen, kan de financieringsregeling geen enkel beletsel vormen. Noorwegen wordt op het vlak van de veterinaire controles immers gelijkgeschakeld met de lidstaten van de Europese Unie. Dat heeft voor gevolg dat zendingen vis van Noorse oorsprong niet beschouwd worden als afkomstig vanuit een derde land en bijgevolg in Noorwegen moeten worden gekeurd. Bij aankomst in Oostende zijn voor die zendingen geen keurrechten meer verschuldigd.

Indien er dan nog verschillen bestaan tussen België en Nederland, houden die verband met de specifieke kenmerken van de Belgische financieringsregeling.

Bij de hervorming van de financiering van de keuring die vervat is in het koninklijk besluit van 28 september 1999 werden de rechten, op uitdrukkelijk verzoek van de onderscheiden sectoren, zoveel mogelijk afgestemd op de reële kost van de keuring per bedrijfssector en per bedrijf.

Daarbij werd er rekening mee gehouden dat het Instituut voor Veterinaire Keuring niet kan rekenen op financiële middelen uit de schatkist en bijgevolg volledig zelfbedruipend moet zijn.

Daarenboven is op vraag van de sectoren de onderlinge solidariteit tot een minimum beperkt.

Ten slotte wordt de keuring in België uitsluitend door dierenartsen verricht, hetgeen eveneens zijn invloed heeft op de kostprijs van de keuring. Die factoren hebben ertoe geleid dat voor bepaalde sectoren het bedrag van het keurrecht hoger kan liggen dan in sommige andere lidstaten van de Europese Unie.

Momenteel wordt een algemene financieringsregeling voor het voedselagentschap uitgewerkt. Waar nodig kan de huidige financieringsregeling voor vis worden bijgestuurd.

De heer Didier Ramoudt (VLD). - Ik noteer dat op de vis die uit Noorwegen wordt ingevoerd, geen keurrechten meer worden geheven. Het gaat wel om diepvriesvis en ik weet niet of in dat geval keuring verplicht is. We moeten nagaan of Noorwegen keurt. Mogelijk gaat het om doorvoer en in dat geval moeten in Oostende wel keurrechten worden betaald.

De argumentatie van de minister in verband met het verschil in keuringsrechten tussen Nederland en België steunt op het feit dat we een betere keuring zouden hebben. In dat geval stel ik vast dat de Europese regeling niet werkt. Nederland dat een minder goede kwaliteitskeuring heeft, kan dan zonder problemen vis invoeren in België. Dat komt de volksgezondheid niet ten goede.

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, ondervoorzitter.)

Vraag om uitleg van mevrouw Amina Derbaki Sbaï aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de controles op Belgische burgers in de Verenigde Staten» (nr. 3-222)

De voorzitter. - Mevrouw Frédérique Ries, staatssecretaris voor Europese Zaken en Buitenlandse Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.

Mevrouw Amina Derbaki Sbaï (Onafhankelijke). - Enkele maanden geleden hebben de VS het US-VISIT programma ingevoerd, waarbij systematisch digitale vingerafdrukken en foto's worden genomen van elke persoon die het Amerikaans grondgebied wil betreden.

Belgen met een nieuwe reispas zijn hiervan vrijgesteld. De VS hebben aangekondigd dat die vrijstelling vanaf 30 september zal worden opgeheven omdat onze reispassen niet zijn uitgerust met biometrische kentekens.

Die beslissing heeft ernstige gevolgen voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de burgerlijke vrijheden. Of België nu wordt vrijgesteld van die verplichting of niet, het zou fel moeten protesteren tegen dit programma dat neerkomt op een systematische registratie van onze medeburgers.

In België kunnen vingerafdrukken alleen bij een aanhouding worden genomen. De VS zouden dus over een gegevensbank met digitale vingerafdrukken van Belgen beschikken, en de Belgische Staat niet. Het is bovendien onaanvaardbaar dat de Belgische burgers als criminelen worden behandeld terwijl ze als toerist bijdragen aan de plaatselijke economische ontwikkeling.

Sinds het programma in werking is getreden werden al ongeveer 5 miljoen personen geregistreerd en is nog geen enkele `terrorist' aangehouden, wat nochtans het hoofddoel van het programma is. Daarentegen zitten de gegevens over onze medeburgers in een gegevensbank en hebben we geen garanties over hoe ze worden gebruikt.

Het trauma van 11 september heeft vrij spel gegeven aan alle extremen en dit programma is er een van. De Amerikaanse bevolking is bereid een beetje vrijheid in te ruilen voor een illusie van veiligheid. Wie denkt immers dat terroristische groepen nog niet het gebruik van valse documenten en valse vingerafdrukken hebben ontdekt?

De Verenigde Staten beslissen soeverein over de bescherming van hun grondgebied. Maar als bondgenoten mogen wij erop wijzen dat deze methoden aanstootgevend en waarschijnlijk ook ondoeltreffend zijn. Ze trekken ons vermogen om onze grenzen te beveiligen in twijfel: onze diensten doen immers vóór het vertrek controles in de luchthavens.

Heeft de minister van de Amerikaanse overheden de verzekering gekregen dat de gegevens vertrouwelijk zullen worden behandeld en uitsluitend zullen worden gebruikt door federale overheden en niet door privé-diensten? Uit budgettaire overwegingen besteedt het Pentagon immers steeds meer diensten aan privé-firma's uit.

Zullen de Belgische overheden binnen het kader van de gemeenschappelijke strijd tegen het terrorisme toegang hebben tot de informatie over onze landgenoten?

Mevrouw Frédérique Ries, staatssecretaris voor Europese Zaken en Buitenlandse Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Vanaf 30 september 2004 zullen alle buitenlanders die naar de VS reizen hun digitale vingerafdrukken moeten laten registreren wanneer ze de grens overschrijden.

België is momenteel een van de zevenentwintig landen die een visumvrijstelling genieten. Landgenoten die beschikken over het nieuwste model van reispas, met een mogelijkheid tot optische lezing, hebben geen visum nodig; Belgen met een oude reispas en onderdanen van landen die niet op de genoemde landenlijst staan, moeten bij het Amerikaanse consulaat een visum aanvragen en hun digitale vingerafdrukken laten registreren.

Hoe het ook zij, de biometrische gegevens die de Amerikaanse overheden inzamelen, worden bijeengebracht in een gegevensbank waartoe enkel de agenten bevoegd voor law enforcement toegang hebben. België heeft van de Amerikaanse overheden de verzekering gekregen dat de maatregelen van het US-VISIT programma volstrekt in overeenstemming zijn met de wetgeving inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Uit een navraag van Buitenlandse Zaken bij de Amerikaanse ambassade in Brussel blijkt dat de gegevens enkel zullen kunnen worden geraadpleegd door gerechtigde immigratieambtenaren van het Homeland Security Department. Dit moet nog door de Amerikaanse overheid worden bevestigd.

Volgens onze informatie zouden de Belgische overheden geen automatische toegang hebben tot die informatie. Het is echter altijd mogelijk om binnen het kader van een gerechtelijk onderzoek informatie of medewerking te vragen onder de voorwaarden van het akkoord van 1988 inzake gerechtelijke samenwerking.

Vraag om uitleg van mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «het regeringsbeleid met betrekking tot het lot van Ingrid Betancourt» (nr. 3-224)

De voorzitter. - Mevrouw Frédérique Ries, staatssecretaris voor Europese Zaken en Buitenlandse Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.

Mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton (MR). - Senator Ingrid Betancourt, kandidaat van de Groenen bij de presidentsverkiezingen in Colombia van 26 mei 2002, en haar campagnedirectrice, mevrouw Clara Rojas, worden sinds 23 februari 2002 gegijzeld door de gewapende revolutionaire strijdkrachten van Colombia, de FARC.

Deze ontvoering en gevangenhouding roepen grote emoties op in ons land en in de internationale gemeenschap. Helaas is het lot van mevrouw Betancourt geen alleenstaand geval in Colombia. De toestand van alle gegijzelden is meer dan alarmerend.

Hoe ver staat het met een eventuele bemiddeling van de Colombiaanse kerk voor de bevrijding van de gegijzelden? Beschikt de minister over recente informatie over de evolutie van de situatie?

Mevrouw Frédérique Ries, staatssecretaris voor Europese Zaken en Buitenlandse Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Wij hebben uiteraard veel aandacht voor de ontwikkelingen na de ontvoering in februari 2002 van mevrouw Ingrid Betancourt, Senator in Colombia en gewezen presidentskandidate van de Groenen, en haar campagnedirectrice, mevrouw Clara Rojas, die worden vastgehouden door de FARC.

Wij zijn tevens bezorgd over het lot van de talloze mensen die worden vastgehouden door onwettige gewapende groepen in Colombia.

Zoals u weet vormen de ontvoeringen van politici, politiemensen en militairen een belangrijke inkomstenbron voor de FARC. Zij hebben tevens tot doel druk op de regering uit te oefenen om de door de regering gevangen gehouden guerrillaleden vrij te krijgen.

België en de internationale gemeenschap hebben die ontvoeringen unaniem veroordeeld. De EU heeft niet opgehouden de onmiddellijke vrijlating te eisen van alle gegijzelden die nog door de verschillende onwettige gewapende bewegingen en groepen in Colombia worden vastgehouden.

Wij zijn bereid om het sluiten van een akkoord tussen de Colombiaanse regering en de FARC over de ruil van gegijzelden tegen gevangen guerrillastrijders te vergemakkelijken.

Mevrouw Betancourt zelf heeft zich echter in een in september 2003 uitgezonden video-opname krachtig verzet tegen een dergelijke oplossing, die zij beschouwt als een mislukking.

Met de hulp van de Colombiaanse kerk en de secretaris-generaal van de VN werden nochtans onderhandelingen gevoerd om tot een dergelijke oplossing te komen. Die discussies hebben evenwel tot niets geleid. Zij stuiten op de wil van de FARC om deze humanitaire onderhandelingen te gebruiken om politieke voordelen te verkrijgen, zoals een gedemilitariseerde zone en het opstarten van een vredesproces op hun voorwaarden. Er is bovendien een fundamenteel meningsverschil over het lot van de guerrillastrijders die zouden vrijkomen.

Een andere aanpak is mogelijk, maar de bevrijding van de gegijzelden kan niet worden gegarandeerd. Een gewapende interventie is zo goed als uitgesloten, rekening houdend met de moeilijkheden die een dergelijke operatie in dat berggebied zou moeten overwinnen. De FARC zou er niet voor terugdeinzen de gegijzelden te executeren, zoals meermaals werd aangekondigd.

Tijdens zijn verkiezingscampagne heeft de huidige Colombiaanse president Álvaro Uribe zich geprofileerd als een voorstander van de harde lijn. Hij heeft echter verzoenende verklaringen afgelegd. Daarin spiegelt hij een eventuele internationale bemiddeling tussen de regering en de oppositiebewegingen voor op voorwaarde dat de rebellen tekenen van goede wil geven.

De EU en België steunen president Uribe in zijn poging te komen tot nieuwe vredesonderhandelingen en in het bijzonder het vinden van een oplossing voor het dramatisch probleem van de gegijzelden.

Wij benadrukken dat blijkbaar alles in het werk wordt gesteld voor de vrijlating van Ingrid Betancourt. Wij steunen vanzelfsprekend de inspanningen van president Uribe om het staatsgezag en de vrede, de veiligheid en de voorwaarden voor een normale democratie te herstellen.

België zal alles doen om de internationale gemeenschap te mobiliseren om het Colombiaanse volk te bevrijden van het geweld van een conflict waarin de ontvoeringen - die van Ingrid Betancourt is waarschijnlijk de meest symbolische - één van de wreedste aspecten vormen.

Mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton (MR). - In ben zeer tevreden over het antwoord van de staatssecretaris, waarvoor ik haar dank.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de ratificatie van het facultatief protocol inzake kinderprostitutie, -handel en -pornografie bij het Verdrag inzake de rechten van het kind» (nr. 3-212)

De voorzitter. - Mevrouw Frédérique Ries, staatssecretaris voor Europese Zaken en Buitenlandse Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Op 25 mei 2000 namen de Verenigde Naties het aanvullend protocol over kinderprostitutie, -handel en -pornografie bij het VN-kinderrechtenverdrag aan. Het protocol werd door België ondertekend en staat open voor ratificatie.

Het protocol regelt de strengere bestrijding van seksueel kindermisbruik voor commerciële doeleinden. De landen die dit protocol ondertekenen, beloven daarmee werk te maken van strengere strafwetten met inbegrip van extra-territorialiteit.

Het protocol trad in werking op 18 januari 2002. Tot nu toe werd het nog niet goedgekeurd op federaal niveau; het Vlaams Parlement heeft het wel goedgekeurd via het decreet van 7 februari 2003 (Belgisch Staatsblad 24 februari 2003).

Het is jammer dat het federale parlement dit protocol nog altijd niet heeft goedgekeurd, te meer daar België een voortrekkersrol heeft in de bestrijding van de seksuele uitbuiting van kinderen. Het zou bijgevolg bijzonder nuttig zijn dat de tekst zo snel mogelijk zou worden aangenomen.

Waarom is dit protocol nog altijd niet ter ratificatie neergelegd in het Parlement? Wat staat een eventuele goedkeuring in de weg? Ik weet niet hoe het met de andere deelstaten zit, maar het Vlaams Parlement heeft het protocol reeds in februari 2003 goedgekeurd.

Ik hoop dat de staatsecretaris antwoordt dat het eerstdaags zal worden ingediend zodat het nog voor het zomerreces kan worden geratificeerd.

Mevrouw Frédérique Ries, staatssecretaris voor Europese Zaken en Buitenlandse Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Het facultatief protocol inzake kinderprostitutie, kinderhandel en kinderpornografie bij het Verdrag inzake de rechten van het kind werd goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 25 mei 2000. Het werd door België ondertekend op 6 september 2000 en het is op 18 januari 2002 in werking getreden.

Het protocol wordt op intern vlak beschouwd als een juridisch instrument met gemengd karakter waarvan de bepalingen onder de bevoegdheid vallen van de Federale staat, de Gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.

Conform de grondwettelijke regels is de instemming van de deelstaten vereist vóór de ratificatie van het protocol. Op dit ogenblik zijn we nog niet zo ver.

Het protocol wordt door de werkgroep `Gemengde verdragen' - een adviesorgaan van de interministeriële conferentie Buitenlands Beleid - als prioritair beschouwd. Het Comité voor de Rechten van het Kind te Genève heeft België trouwens aangespoord om snel tot ratificatie over te gaan, en dit naar aanleiding van de bespreking van een Belgisch verslag over de toepassing van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

Op het federale niveau valt dit dossier onder de bevoegdheid van de minister van Justitie. De ministerraad heeft op 10 oktober 2003 een voorstel van wetsontwerp ter ratificatie van het protocol goedgekeurd en dit vervolgens voor advies voorgelegd aan de Raad van State.

De federale overheidsdienst Justitie is momenteel belast met het amenderen van de memorie van toelichting en van het wetsontwerp zelf, teneinde rekening te houden met de commentaren van de Raad van State.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik dank de staatssecretaris voor haar antwoord en moedig haar aan er spoed achter te zetten, gelet op de betekenis van de problematiek.

Ik vind het jammer dat België niet bij de eerste reeks landen is die dit hebben geratificeerd, omdat dit nu eenmaal een belangrijke signaalfunctie heeft. Ik moedig haar dus aan hier zo spoedig mogelijk werk van te maken.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats woensdag 28 april 2004 om 14.30 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 18.20 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Pehlivan en de heren Destexhe, Devolder en Van Duppen, in het buitenland, de heer Noreilde, om familiale redenen, mevrouw Defraigne en de heer Delacroix, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 45
Voor: 45
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Stefaan De Clerck, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Antoine Duquesne, Pierre Galand, Christel Geerts, Caroline Gennez, Jacques Germeaux, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Jeannine Leduc, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Francis Poty, Didier Ramoudt, Etienne Schouppe, René Thissen, Jacques Timmermans, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Marc Van Peel, Christiane Vienne, Paul Wille, Alain Zenner.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 21bis in de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale Kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen, om de overheidsfinanciering van de individuele campagnes in te stellen (van mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton; Stuk 3-613/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot uitbreiding van de bevoegdheden van de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State en tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 13 januari 1973 (van de heer René Thissen c.s.; Stuk 3-622/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met het oog op het instellen van het opschortend gevolg van het gerechtelijk verhaal ingeleid tegen de beslissingen van de gewestelijk directeurs van de RVA (van de heren Michel Delacroix en Francis Detraux; Stuk 3-612/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met betrekking tot het fiscale statuut van de parlementsleden (van mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton; Stuk 3-614/1).

Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met het oog op de invoering van een opvoedersvergoeding voor en de toekenning van een sociaal statuut aan de thuiswerkende ouder (van mevrouw Anke Van dermeersch c.s.; Stuk 3-616/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel houdende instelling van een gezinseffectenrapport (van mevrouw Anke Van dermeersch c.s.; Stuk 3-617/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot opheffing van artikel 107 van de bij het koninklijk besluit van 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en houdende afschaffing van het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten (van mevrouw Anke Van dermeersch c.s.; Stuk 3-618/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot uitbreiding van het recht op ouderschapsverlof, palliatief verlof en zorgverlof en tot verhoging van de onderbrekingsuitkering in geval van ouderschapsverlof, palliatief verlof en zorgverlof (van mevrouw Anke Van dermeersch c.s.; Stuk 3-619/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 27 en 29 van de hypotheekwet van 16 december 1851, met het oog op het creëren van een voorrecht voor de verenigingen van mede-eigenaars (van mevrouw Clotilde Nyssens c.s.; Stuk 3-620/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 29 juli 1934 waarbij de private milities verboden worden, tot verbod van de organisaties van privé-personen die tot doel hebben de instanties die wettelijk belast zijn met het toezicht op de politiediensten, te vervangen of in hun plaats te treden (van de heer Christian Brotcorne c.s.; Stuk 3-621/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 4 van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen (van de heer Jean-Marie Dedecker; Stuk 3-624/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel houdende wijziging van sommige bepalingen inzake studentenarbeid (van de heer Stefaan Noreilde; Stuk 3-630/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot instelling van een ethisch register en tot het opleggen van een verbod overheidsopdrachten te krijgen voor natuurlijke personen en rechtspersonen die de wet van 30 juli 1981 hebben overtreden (van mevrouw Amina Derbaki Sbaï en de heer Jean Cornil; Stuk 3-636/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van verscheidene bepalingen teneinde het recht op huisvesting beter te waarborgen (van de heer Jean Cornil; Stuk 3-637/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Voorstellen van bijzondere wet

Artikel 77 van de Grondwet

Voorstel van bijzondere wet tot definitieve vastlegging van de grens tussen Vlaanderen en Wallonië en tot afschaffing van de faciliteiten in de taalgrensgemeenten (van de heer Frank Vanhecke c.s.; Stuk 3-615/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Voorstel van bijzondere wet houdende reorganisatie van het Hoog Comité van toezicht en tot opname ervan in het Rekenhof (van de heer René Thissen c.s.; Stuk 3-623/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Voorstellen van resolutie

Voorstel van resolutie betreffende het factureren van telefoondiensten en het informeren van de verbruikers (van mevrouw Isabelle Durant en de heer Michel Guilbert; Stuk 3-625/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie tot erkenning van een gewaarborgde minimale basismobiliteit (van de heren Didier Ramoudt en Paul Wille; Stuk 3-633/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie betreffende de scheidingsmuur tussen Israël en de Palestijnse gebieden in Cisjordanië (van mevrouw Marie-José Laloy c.s.; Stuk 3-640/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Voorstel van resolutie betreffende de escalatie van de Israëlisch-Palestijnse kwestie (van de heer Jean-Marie Dedecker; Stuk 3-641/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Voorstel van resolutie strekkende tot het herstellen van de internationale rechtsorde en de eerbiediging van de mensenrechten in het Midden-Oosten (van mevrouw Anne-Marie Lizin c.s.; Stuk 3-642/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Samenstelling van commissies

Met toepassing van artikel 21-4, tweede zin, van het Reglement werden de volgende wijzigingen in de samenstelling van bepaalde commissies aangebracht:

Bijzondere commissie "Globalisering":

Commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden:

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Evocatie

De Senaat heeft bij boodschap van 21 april 2004 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:

Wetsontwerp tot wijziging van het Kieswetboek met het oog op het waarborgen van het kiesrecht van mensen met een beperkte mobiliteit (Stuk 3-604/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 1 april 2004 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsontwerp tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de CBFA, van de wet van ... betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles en tot wijziging van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten (Stuk 3-610/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 140 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (Stuk 3-611/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 194ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreffende de tax shelter-regeling ten gunste van de audiovisuele productie (Stuk 3-607/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 2 april 2004; de uiterste datum voor evocatie is maandag 3 mei 2004.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 28 december 1983 betreffende het verstrekken van sterke dranken en betreffende het vergunningsrecht (Stuk 3-608/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 2 april 2004; de uiterste datum voor evocatie is maandag 3 mei 2004.

Artikel 80 van de Grondwet

Wetsontwerp tot aanpassing van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 op het vlak van het pensioensparen (Stuk 3-605/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 2 april 2004; de uiterste datum voor evocatie is vrijdag 23 april 2004.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 53 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 op het vlak van de restaurantkosten (Stuk 3-606/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 2 april 2004; de uiterste datum voor evocatie is vrijdag 23 april 2004.

Wetsontwerp betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles (Stuk 3-609/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 2 april 2004; de uiterste datum voor evocatie is vrijdag 23 april 2004.

Kennisgeving

Wetsontwerp houdende instemming met de Europees-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds, en met de Slotakte, gedaan te Luxemburg op 17 juni 2002 (Stuk 3-403/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 1 april 2004 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp tot aanpassing van verschillende kieswetten aan de verlaging van de verkiesbaarheidsleeftijd voor de Gewest- en Gemeenschapsraden (Stuk 3-564/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 1 april 2004 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Indiening van wetsontwerpen

De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K. 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douane-administraties, en met de Bijlage, gedaan te Brussel op 18 december 1997 (Stuk 3-626/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende internationale akten:

1º het Zesde Protocol ter aanvulling van de Stichtingsakte van de Wereldpostvereniging;

2º het Algemeen Reglement van de Wereldpostvereniging;

3º de Wereldpostconventie en het Slotprotocol, en

4º de Overeenkomst betreffende de uitbetalingsdiensten van De Post,

gedaan te Peking op 15 september 1999 (Stuk 3-627/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met het Aanvullend Protocol nr. 7 bij de Herziene Rijnvaartakte, ondertekend te Straatsburg op 27 november 2002 (Stuk 3-628/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Letland betreffende de politiesamenwerking, ondertekend te Brussel op 16 oktober 2001 (Stuk 3-643/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Franse Republiek betreffende de grensoverschrijdende samenwerking in politie- en douanezaken, ondertekend te Doornik op 5 maart 2001, en met de Uitwisseling van brieven ter aanvulling van de Overeenkomst, gedaan te Parijs en Brussel op 10 juni 2002 (Stuk 3-644/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Estland betreffende de politiesamenwerking, ondertekend te Talinn op 11 juni 2001 (Stuk 3-645/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Antwoorden van de regering op een resolutie van de Senaat

Bij brief van 25 maart 2004 heeft de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken aan de Senaat overgezonden, zijn antwoord op de resolutie betreffende de Akkoorden van Genève (stuk Senaat 3-384/4).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Hof van Beroep

Bij brief van 8 april 2004 heeft de eerste voorzitter van het Hof van Beroep te Bergen, overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het activiteitenverslag 2003 van het Hof van Beroep te Bergen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 26 maart 2004.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Hof van Cassatie

Bij brief van 7 april 2004 heeft de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, overeenkomstig artikel 340, §3, van het Gerechtelijk wetboek aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag 2003 II van het Hof van Cassatie.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Parket

Bij brief van 29 maart 2004 heeft de Procureur des Konings te Eupen overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van het Parket van de Procureur des Konings te Eupen.

Bij brief van 30 maart 2004 heeft de Procureur des Konings te Luik overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van het Parket van de Procureur des Konings te Luik, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 25 maart 2004.

Bij brief van 31 maart 2004 heeft de Procureur des Konings te Marche-en-Famenne overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van het Parket van de Procureur des Konings te Marche-en-Famenne, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 30 maart 2004.

Bij brief van 2 april 2004 heeft de Procureur des Konings te Mechelen overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van het Parket van de Procureur des Konings te Mechelen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 29 maart 2004.

Bij brief van 5 april 2004 heeft de Procureur des Konings te Dinant overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van het Parket van de Procureur des Konings te Dinant, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 1 maart 2004.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Rechtbank van eerste aanleg

Bij brief van 29 maart 2004 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 25 maart 2004.

Bij brief van 29 maart 2004 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 25 maart 2004.

Bij brief van 30 maart 2004 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Luik overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 19 maart 2004.

Bij brief van 31 maart 2004 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Eupen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van de Rechtbank van eerste aanleg te Eupen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 29 maart 2004.

Bij brief van 31 maart 2004 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 29 maart 2004.

Bij brief van 31 maart 2004 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van de Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 30 maart 2004.

Bij brief van 31 maart 2004 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 20 februari 2004.

Bij brief van 5 april 2004 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 30 maart 2004.

Bij brief van 13 april 2004 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Doornik overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van de Rechtbank van eerste aanleg te Doornik, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 8 april 2004.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken

Bij brief van 2 april 2004 heeft de voorzitter van Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken ressorterende onder het Hof van Beroep te Bergen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor het gerechtelijk jaar 2002-2003 en het werkingsverslag voor het kalenderjaar 2003 van de Algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken ressorterende onder het Hof van Beroep van Bergen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergaderingen van 14 november 2003 en 19 maart 2004.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Arbeidsauditoraat

Bij brief van 29 maart 2004 heeft de arbeidsauditeur te Verviers overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van het Arbeidsauditoraat te Verviers, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 25 maart 2004.

Bij brief van 30 maart 2004 heeft de arbeidsauditeur te Luik overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van het Arbeidsauditoraat te Luik, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 9 maart 2004.

Bij brief van 1 april 2004 heeft de arbeidsauditeur te Gent overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van het Arbeidsauditoraat te Gent, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 24 maart 2004.

Bij brief van 1 april 2004 heeft de arbeidsauditeur te Hoei overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van het Arbeidsauditoraat te Hoei, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 31 maart 2004.

Bij brief van 7 april 2004 heeft de arbeidsauditeur te Namen en te Dinant overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van het Arbeidsauditoraat te Namen en te Dinant, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 23 februari 2004.

Bij brief van 8 april 2004 heeft de arbeidsauditeur te Bergen overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van het Arbeidsauditoraat te Bergen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 26 maart 2004.

Bij brief van 9 april 2004 heeft de arbeidsauditeur te Turnhout overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van het Arbeidsauditoraat te Turnhout.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Arbeidsrechtbank

Bij brief van 30 maart 2004 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Charleroi overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van de Arbeidsrechtbank te Charleroi, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 18 maart 2004.

Bij brief van 30 maart 2004 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Bergen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van de Arbeidsrechtbank te Bergen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 22 maart 2004.

Bij brief van 30 maart 2004 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Tongeren overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van de Arbeidsrechtbank te Tongeren, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 26 maart 2004.

Bij brief van 1 april 2004 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbanken te Namen en te Dinant overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van de Arbeidsrechtbanken te Namen en te Dinant, goedgekeurd tijdens hun algemene vergadering van 25 februari 2004.

Bij brief van 1 april 2004 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Nijvel overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van de Arbeidsrechtbank te Nijvel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 30 maart 2004.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Rechtbank van koophandel

Bij brief van 25 februari 2004 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Antwerpen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2003 van de Rechtbank van koophandel te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 8 januari 2004.

Bij brief van 25 maart 2004 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Mechelen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2003 van de Rechtbank van koophandel te Mechelen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 22 maart 2004.

Bij brief van 29 maart 2004 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Brussel overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2003 van de Rechtbank van koophandel te Brussel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 15 maart 2004.

Bij brief van 1 april 2004 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Brussel overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2003 van de Rechtbank van koophandel te Brussel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 15 maart 2004.

Bij brief van 1 april 2004 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Hasselt overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2003 van de Rechtbank van koophandel te Hasselt, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 24 maart 2004.

Bij brief van 6 april 2004 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Dinant overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2003 van de Rechtbank van koophandel te Dinant, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 23 maart 2004.

Bij brief van 6 april 2004 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Marche-en-Famenne overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2003 van de Rechtbank van koophandel te Marche-en-Famenne, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 15 maart 2004.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Kansspelcommissie

Bij brief van 1 april 2004 heeft de voorzitter van de Kansspelcommissie, overeenkomstig artikel 16 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag 2003 van de Kansspelcommissie.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Interdepartementale Commissie duurzame ontwikkeling

Bij brief van 5 april 2004 heeft de voorzitter van de Interdepartementale Commissie duurzame ontwikkeling, overeenkomstig artikel 19 van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling, aan de Senaat overgezonden, het rapport 2003 van de Interdepartementale Commissie duurzame ontwikkeling, en de rapporten 2003 van de leden van de Interdepartementale Commissie duurzame ontwikkeling.

De verslagen van de Interdepartementale Commissie duurzame ontwikkeling en van de leden van de Interdepartementale Commissie duurzame ontwikkeling kunnen ook geraadpleegd worden op de volgende webpagina: http://www.icdo.fgov.be.

-Neergelegd ter Griffie.

Economische Overheidsbedrijven - NMBS

Bij brief van 2 april 2004 heeft de ombudsman bij de NMBS, overeenkomstig artikel 46 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag 2003 van de ombudsman bij de NMBS.

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Europees Parlement

Bij brief van 7 april 2004 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:

aangenomen tijdens de vergaderperiode van 8 tot 11 maart 2004.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging en naar het Federaal Adviescomité voor Europese Aangelegenheden.