3-106

3-106

Belgische Senaat

3-106

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 14 APRIL 2005 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Herdenking paus Johannes Paulus II

In memoriam prins Rainier III van Monaco

Overlijden van een oud-senator

Terugzending naar de commissie

Verzoekschriften

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer Jean-Marie Cheffert aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «het Europees Ruimtevaartprogramma en het Belgisch ruimtevaartbeleid» (nr. 3-680)

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer Frank Creyelman aan de minister van Mobiliteit over «het wegtransport van gevaarlijke goederen» (nr. 3-722)

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen, en met de Bijlagen A, B, C, D, E en F, gedaan te Stockholm op 22 mei 2001 (Stuk 3-1019)

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 53, §6, en 54bis van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en tot invoeging in die wet van een artikel 54ter en een artikel 66bis (Stuk 3-1074)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het einde van het mandaat van de korpschefs» (nr. 3-731)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «het ontbreken van betrouwbare criminaliteitsstatistieken in ons land» (nr. 3-723)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Mobiliteit over «het aantal vervalste rijbewijzen in ons land» (nr. 3-725)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de gerechtelijke navordering van de RSZ-bijdragen» (nr. 3-736)

Vraag om uitleg van de heer Frank Creyelman aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de lichte plofkoffers» (nr. 3-721)

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Stemmingen

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de erkenningsprocedure bij een algemene ramp» (nr. 3-739)

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de kostenverdeling van de brandweerkorpsen» (nr. 3-741)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de situatie in Togo» (nr. 3-735)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Werk over «de houding van België binnen de Europese Unie ten aanzien van Myanmar» (nr. 3-743)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de situatie in Darfur en het mogelijk optreden van België en de EU» (nr. 3-742)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de vice-eerste minister en minister van Financiën en aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de Dienst voor Alimentatievorderingen» (nr. 3-726)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Landsverdediging over «de programma's voor militair partnerschap» (nr. 3-737)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de benoemingsprocedure bij de federale wetenschappelijke instellingen» (nr. 3-729)

Vraag om uitleg van mevrouw Christel Geerts aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de uitvoering van het Nationaal actieplan partnergeweld» (nr. 3-720)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de bespreking van het jaarlijkse verslag van de regering over de opvolging van de Wereldvrouwenconferentie in Peking in 1995» (nr. 3-733)

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «het stookoliefonds» (nr. 3-740)

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de aansluiting van de OCMW's op de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid» (nr. 3-738)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin

(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)

Herdenking paus Johannes Paulus II

De voorzitter (voor de staande vergadering). - Vorige vrijdag is voor het eerst in de geschiedenis der mensheid een indrukwekkende menigte naar Rome getrokken om afscheid te nemen van het hoofd van een weliswaar kleine Staat zonder enige wereldlijke macht, maar waarvan een zeer krachtige boodschap uitgaat.

Op 16 oktober 1978 werd de Poolse kardinaal Karol Wojtyla tot paus verkozen. Hij koos de naam van Johannes Paulus II.

Sinds het ontstaan van de katholieke kerk ging het om de eerste Slavische paus uit een land dat toen achter het zogenaamde `IJzeren Gordijn' lag. Zoals zijn landgenoten had ook hij geleden onder het juk van de Nazi's en vervolgens onder de verdrukking door de communisten. Zijn werk in de steengroeven en in de fabriek van Solvay was naar eigen zeggen de beste leerschool voor het leven. Hij was een veelzijdig mens: dichter en denker van formaat maar ook sportief en uitgesproken dynamisch.

Op zijn talloze reizen krijgt hij de kans kennis te maken met de leiders van bijna de hele wereld en brengt hij vaak een geestdriftige en enthousiaste menigte op de been. Hij zet de naties aan tot zelfbewustzijn en wijst hen op hun wereldwijde roeping.

Reeds in 1981 gaat hij gebukt onder de pijnlijke gevolgen van een aanslag, die hem bijna het leven kost. Vanaf 1992 hopen de fysieke moeilijkheden zich op, maar zijn stalen moreel en zijn geestesvermogen blijven onaangetast.

Aan zijn inspanningen voor de vrede liggen, volgens zijn eigen verklaring, principes als `het sacrale karakter van de menselijke persoon, de kracht van het recht, het gewicht van dialoog en onderhandelingen en naleving van de internationale verdragen' ten gronde.

Een dergelijk optreden heeft sporen nagelaten in de wereldgeschiedenis. Michail Gorbatsjov, voormalig president van de USSR, heeft dat met zoveel woorden verklaard in een interview met het dagblad La Stampa in 1992: `Thans kan men zonder omwegen verklaren dat niets wat in Oost-Europa de jongste jaren is gebeurd mogelijk zou zijn geweest zonder de aanwezigheid van deze Paus, zonder de belangrijke zelfs politieke rol die hij op het internationale niveau heeft weten te spelen. Men gaat thans over van twee blokken naar twee longen die noodzakelijk zijn voor de toekomst van de Kerk en van de wereld.'

Op zijn manier heeft Johannes Paulus II bijgedragen aan de eenmaking van Europa door de toetreding van de landen van Centraal- en Oost-Europa.

Johannes Paulus II had bijzondere banden met ons land. Tijdens zijn studies gedurende twee jaar in Rome, verbleef hij in het Belgisch College waar hij diepgaande vriendschappen heeft aangeknoopt. Bij zijn twee bezoeken aan ons land richt hij zich tot de Belgen in onze landstalen. Hij stond erop om vóór elk van zijn reizen de taal van het land te leren.

Sedert het ontstaan van de katholieke kerk draagt de paus eveneens de eretitel van `Pontifex Maximus'. Volgens de etymologie betekent dat `bruggenbouwer'. Dat is Johannes Paulus II in zeer belangrijke mate geweest; hij heeft bruggen gebouwd tussen mensen, tussen volkeren, tussen massa's jongeren, tussen politici, tussen Oost en West en ook tussen de godsdiensten. Zoals hij in 1995 op het spreekgestoelte van de Verenigde Naties verklaarde, was het zijn droom dat eenieder zich ervan bewust zou worden te behoren tot een `familie van naties'.

Met inachtneming van de verschillende filosofische opvattingen en uiteenlopende meningen in onze Assemblee brengt de Belgische Senaat hulde aan de nagedachtenis van een uitzonderlijk Herder.

Uit naam van onze Assemblee heb ik het rouwregister ondertekend op de Apostolische Nuntiatuur. Op de uitvaartplechtigheid in Rome was ook een afvaardiging van de Senaat aanwezig naast de officiële Belgische delegatie.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Toen Karol Wojtyla paus werd, gaf hij de katholieke kerk een nieuwe impuls, onder meer door onvermoeid de hele wereld rond te reizen. Zelf afkomstig uit Polen speelde hij bovendien een niet te onderschatten rol in de val van de Sovjet-Unie en van de communistische regimes in het voormalige Oostblok. Hoewel niet iedereen het eens is met sommige van zijn standpunten, zal niemand ontkennen dat paus Johannes Paulus II een belangrijk stempel heeft gedrukt op de geschiedenis van de tweede helft van de twintigste eeuw. De regering biedt haar medeleven aan allen die hem dierbaar waren.

(De vergadering neemt een minuut stilte in acht.)

In memoriam prins Rainier III van Monaco

De voorzitter (voor de staande vergadering). - Ik dank de vertegenwoordigers van het Vorstendom Monaco voor hun aanwezigheid.

Korte tijd na het overlijden van Johannes Paulus II is nog een andere kleine Staat wees geworden: het Vorstendom Monaco verloor degene die 55 jaar lang zijn Soeverein was.

Uit de deelnemingsbetuigingen uit de hele wereld blijkt dat Monaco een moedig en geacht man verliest.

De dertigste prins van het oudste regerende vorstenhuis van Europa was van het slag van de eerste prins van Monaco, Francesco Grimaldi, die zich in 1297, vermomd als monnik, meester maakte van de burcht die de Italianen toen in handen hadden. Met dezelfde stoutmoedigheid als zijn illustere voorvader heeft hij de zee uitgedaagd, die hij 34 hectare ontnam. De Staat heeft thans een oppervlakte van 234 hectare, dankzij die verovering op de Middellandse Zee, waar de Fontvieille-wijk is ontstaan.

Prins Rainier is er inderdaad in geslaagd het Monegaskische landschap een metamorfose te doen ondergaan, wat hem de bijnaam `prins-bouwheer' heeft bezorgd.

Zowel te land als ter zee heeft hij heel wat kunnen verwezenlijken op het gebied van de ruimtelijke ordening: hij heeft zelfs een ondergronds spoorwegnet laten bouwen.

Op 18 mei 1963 werd na harde onderhandelingen met generaal de Gaulle, een overeenkomst tussen Frankrijk en Monaco ondertekend die, op enkele wijzigingen na, nog steeds de betrekkingen tussen beide landen regelt.

De toetreding van Monaco tot de VN in 1993 en tot de Raad van Europa in 2004 hebben ongetwijfeld het statuut van soevereine Staat versterkt, dat op 14 september 1641 werd toegekend door het Verdrag van Péronne en waarin Lodewijk XIII bekrachtigt dat de prins `vrij en soeverein is in Monaco'.

Als modelmanager heeft de `boss', zoals de Monegasken hem graag noemen, de toekomst veilig kunnen stellen door een wet te laten goedkeuren die, bij ontstentenis van rechtstreekse erfgenamen, aan de kinderen van prinses Caroline de waardigheid van prins verleent.

Aan zijn zoon, erfprins Albert, en aan het huis van Monaco betuig ik nogmaals mijn oprechte deelneming uit naam van alle senatoren, van de Belgische bevolking en uit eigen naam.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Zijne hoogheid prins Rainier III was een opmerkelijk staatshoofd en een door iedereen zeer gewaardeerde persoonlijkheid. Hij heeft op beslissende wijze bijgedragen aan de transformatie van het prinsdom de voorbije decennia. Mede dankzij hem is het prinsdom een juweel geworden.

Uit naam van de regering en van het Belgische volk, wil ik onze innige deelneming betuigen aan zijn familie en aan het volk van Monaco.

(De vergadering neemt een minuut stilte in acht.)

Overlijden van een oud-senator

De voorzitter. - De Senaat heeft met groot leedwezen kennis gekregen van het overlijden van de heer Fernand Herman, gewezen minister en gewezen provinciaal senator voor Brabant.

Uw voorzitter heeft het rouwbeklag van de vergadering aan de familie van ons betreurd gewezen medelid betuigd.

Terugzending naar de commissie

De voorzitter. - Op 9 maart jongstleden heeft de Commissie voor de Sociale Aangelegenheden een verslag aangenomen met betrekking tot de problematiek van de doping in de sport, en een aantal aanbevelingen voor het beleid op dit vlak gedaan. (Stuk 3-366/1 tot 4)

Het verslag van de commissie werd goedgekeurd op 23 maart jongstleden.

In het licht van de tussenkomsten tijdens een colloquium over deze materie, dat vorige dinsdag plaatsvond, wenst de commissie haar verslag en de aanbevelingen te evalueren.

Het Bureau stelt daarom voor dit dossier terug te zenden naar de commissie. (Instemming)

Verzoekschriften

De voorzitter. - Bij brieven van 5 en 6 april 2005 hebben de heer R. L. Beeken, burgemeester van Tielt-Winge, en de heer L. Van Roost, burgemeester van Zemst, aan de Senaat overgezonden, twee moties met betrekking tot de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde en het gerechtelijk arrondissement Brussel.

Bij brief van 5 april 2005 heeft de heer Roland De Bodt, aan de Senaat overgezonden een verzoekschrift met betrekking tot de ratificatie door België van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en de Slotakte, gedaan te Rome op 29 oktober 2004.

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het syndicaal statuut van de griffiers» (nr. 3-656)

De voorzitter. - De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Naar verluidt worden volgende week onderhandelingen aangevat met vertegenwoordigers van de griffiers met het oog op een reorganisatie van het beroep.

Sedert enige tijd geven de griffiers van de rechtbanken blijk van hun ongenoegen. Ze hebben al zonder licht of geblinddoekt gewerkt om te protesteren tegen de manier waarop ze door de gerechtelijke instanties worden behandeld.

Ik heb een dubbele vraag met betrekking tot de legitimiteit van de gelegde contacten.

De klassieke syndicale organisaties van het griffiepersoneel worden uitgenodigd voor de onderhandelingen, maar zij vragen zich af of ze wel representatief zijn voor de griffiers en de secretarissen van de parketten die niet het statuut van griffiepersoneel hebben, dat vergelijkbaar is met dat van de ambtenaren.

De griffiers en secretarissen van de parketten stellen zich ook, en terecht, vragen over de waarde van mogelijke beslissingen met betrekking tot de evolutie van hun loopbaan als zij bij die onderhandelingen niet vertegenwoordigd zijn.

Ik wil graag de mening vernemen van de minister van Justitie over de representativiteit van de organisaties die zij heeft uitgenodigd en, meer algemeen, over de aard van de onderhandelingen die volgende week beginnen.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees u het antwoord voor van minister Onkelinx.

"Mijn kabinet en mijn administratie voeren inderdaad, in het kader van het sociaal overleg, besprekingen over de hervorming van de loopbanen van de personeelsleden van de rechtbanken die geen magistraat zijn.

Het klopt dat de griffiers niet onderworpen zijn aan het syndicaal statuut van de wet van 1974, maar sedert mijn aantreden heb ik gepoogd relaties aan te knopen met vertegenwoordigers van de griffies. Dank zij dat officieus overleg heb ik kennis gekregen van de noden, de moeilijkheden en de eisen van de mensen van de gerechtelijke praktijk. In dat kader heb ik ook vertegenwoordigers ontmoet van de vereniging CENEGER, een ernstige en actieve gesprekspartner.

De representativiteit van de verschillende categorieën personeelsleden van hoven en rechtbanken is een complexe en delicate aangelegenheid. Ik zal de nodige tijd nemen om tot een aangepaste en redelijke oplossing te komen die voor de betrokkenen aanvaardbaar is."

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Dit is een diplomatisch antwoord dat het doel van mijn vraag omzeilt. Het probleem van de representativiteit van de uitgenodigde organisaties bij gebrek aan een statuut voor de griffiers en de secretarissen van de parketten wordt erkend en er wordt verwezen naar enige representativiteit van CENEGER, een vereniging die nochtans niet de ambitie heeft het gehele personeel te vertegenwoordigen. De onzekerheid over de representatieve vertegenwoordiging en vooral over de maatregelen die zullen worden besproken zonder dat de voornaamste betrokkenen daarbij aanwezig zijn, blijft dus bestaan. De loopbaan van die griffiers zou overgaan van rang A naar rang B. Men zou griffier kunnen worden zonder een examen af te leggen, terwijl er nu een procedure met objectieve criteria moet worden gevolgd. Het antwoord van de minister neemt de terechte onzekerheid van de betrokkenen, die een belangrijke rol vervullen in de gerechtelijke organisatie, niet weg.

Ik hoop dat de minister zich zal inspannen om bij de aanvang van de onderhandelingen een oplossing te vinden om te vermijden dat die tot resultaten leiden die nadelig zijn voor de betrokkenen.

Mondelinge vraag van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «DNA-onderzoek via het internet» (nr. 3-654)

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Deze week werden we opgeschrikt door het bericht dat we via het internet een DNA-onderzoek kunnen laten uitvoeren om te weten te komen of we een erfelijke aandoening hebben. Heel veel mensen vrezen zo een aandoening en willen graag uitsluitsel krijgen via het internet. Een vader zou via die weg te weten kunnen komen of een kind al dan niet van hem is. Het DNA-onderzoek is echter nog niet ver genoeg gevorderd om kant en klare pakketjes af te leveren. Het internetaanbod speelt in op de gevoeligheden van de mensen. De prijs voor die tests is net zo hoog dat ze ernstig genoeg lijken, maar niet hoog genoeg om het niet te proberen. Professor Cassiman zegt dat de tests niet kunnen en dat die praktijk moet worden stopgezet.

Heeft de minister wetgevende initiatieven of andere maatregelen genomen om dit soort misbruiken onmiddellijk te doen stoppen?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De vraag van mevrouw De Roeck is uitgebreid en raakt vele ethische domeinen waarvoor ook ik aandacht heb. Vele aspecten van de handel via het internet worden geregeld door Europese regels.

Voor de reclameaanbiedingen moet een onderscheid worden gemaakt op basis van de herkomst; binnen of buiten de Europese Unie. Indien de verstrekkers binnen de Europese Unie gevestigd zijn, gelden de rechtsregels van het land van herkomst. Er bestaan evenwel afwijkingen op dat principe, meer bepaald wanneer een verstrekker aan de oorsprong ligt van echte problemen inzake volksgezondheid in België. Op grond van de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, kan de directeur-generaal van de directie Controle en Bemiddeling van de FOD Economie vanuit België de toegang beletten tot sites die het algemeen belang in België ernstig schaden. Die wet betreft de omzetting in Belgisch recht van Europese richtlijn 2000/31/EG van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel in de interne markt.

Er bestaan dus regels om deze materie minstens op Europees niveau in goede banen te leiden.

Vele aanbiedingen zijn echter afkomstig van verstrekkers gevestigd in landen buiten Europa waar soms een mildere wetgeving geldt.

Buiten het kader van de Europese Unie bestaat er ook een administratieve samenwerking tussen de bevoegde overheden. Er kan een tussenkomst van de overheden van het land van herkomst worden gevraagd. Op 21 en 22 februari jongstleden hebben de internationale schoonmaakdagen of sweep days plaatsgehad. De sweep days worden ieder jaar georganiseerd door de overheden van meer dan dertig landen die lid zijn van het International Consumer Protection and Enforcement Network (ICPEN).

De vraag is complex. Ze raakt immers zowel de informatiemaatschappij als essentiële ethische vragen die elk een specifieke benadering vergen.

Mondelinge vraag van de heer Wouter Beke aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de afgifte van geneesmiddelen door de apothekers» (nr. 3-653)

De heer Wouter Beke (CD&V). - Gisteren is in de Kamer de `gezondheidswet' goedgekeurd. In de Senaat is dat vanochtend ook in de commissie gebeurd. Op het ogenblik dat het parlement deze besprekingen voert, vernemen we in de pers dat de minister koninklijke besluiten voorbereidt met betrekking tot het voorschrijven op stofnaam en dat hij streng zal laten controleren of de apothekers wel het goedkoopste middel afleveren.

We betreuren dat we dat via de pers moeten vernemen en dat niets daarvan werd opgenomen in de gezondheidswet. Dat had niet mogen ontbreken in het hoofdstuk over de geneesmiddelen aangezien het voorschrijven op stofnaam een maatregel is die sterk ingrijpt op het voorschrijfgedrag.

Het klopt dat er voor voorschrijven op stofnaam geen wettelijke basis nodig is; er is namelijk reeds de programmawet van 30 december 2003 met de uitvoeringsbesluiten. Er moeten echter heel wat flankerende responsabiliseringsmaatregelen genomen worden. Het voorschrijven op stofnaam verschuift immers alleen de verantwoordelijkheid van de huisarts naar de apotheker. Voor een aantal van die flankerende maatregelen is wel nog een wettelijke basis nodig en we betreuren dat de gezondheidswet daartoe niet als basis genomen is.

Graag had ik van de minister meer uitleg over de door hem aangekondigde flankerende maatregelen. Hoe zal hij de apothekers ertoe bewegen om het goedkoopste geneesmiddel af te leveren en niet het geneesmiddel te kiezen dat hen, rekening houdend met hun persoonlijke financiële situatie, het meest opbrengt?

Heel wat patiënten laten zich leiden door de vorm en de kleur van hun geneesmiddelen. Met een voorschrift op stofnaam weten patiënten niet vooraf welke vorm en kleur hun geneesmiddelen zullen hebben. Dat kan bij sommige patiënten onzekerheid teweegbrengen. Hoe zal de minister dat voorkomen?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Bij de voorbereiding van het besluit betreffende het voorschrift onder molecule- of stofnaam werd ook een specifieke controlemaatregel afgesproken. Die bestaat erin binnen de gegevensstroom van Farmanet de voorschriften te identificeren die voorschriften op stofnaam, VOS, kunnen zijn. Op basis van de verplichte identificatie van de VOS kan zeer nauwkeurig worden nagegaan wat de apothekers hebben afgeleverd.

Het besluit waarin het voorschrift op stofnaam wordt toegestaan, werd op 14 maart 2005 in het Verzekeringscomité besproken. Het bepaalt dat de apotheker `de voor de patiënt meest aangewezen specialiteit moet kiezen en dat dit impliceert dat zowel financiële parameters als continuïteit en kwaliteit van de zorg in overweging worden genomen.'

Natuurlijk moeten de onmiddellijke beschikbaarheid in de apotheek en het behoud van hetzelfde merk voor een reeds gestarte behandeling primeren op een verschil in de kosten, dat bovendien soms zeer beperkt is.

De regels en de controlemiddelen liggen dus duidelijk vast.

Als we het systeem van de VOS met succes willen opstarten, kunnen we momenteel niet veel verder gaan. Het zou ook niet van veel vertrouwen in de apothekers getuigen mochten we nu reeds maatregelen nemen tegen een eventueel fout gedrag, nog vóór de nieuwe voorschriftwijze in werking is getreden.

Het VOS-systeem is inderdaad een instrument om besparingen te realiseren, maar zeker in een eerste periode zal enkel dit middel niet volstaan om besparingen te realiseren. Het systeem is in de begroting 2005 ingeschreven zonder dat een concreet bedrag aan besparingen werd vastgelegd.

Voorschrijven op stofnaam in plaats van op merknaam vergt in de eerste plaats een mentaliteitswijziging. Hiertoe moet aan de arts de waarborg worden geboden dat de apotheker het geneesmiddel zal verstrekken `dat voor de patiënt het meest is aangewezen'. De huidige controlemaatregel garandeert dit volgens mij het beste.

Ook in de begroting 2004 werden enkele maatregelen opgenomen om het overleg tussen artsen en apothekers te waarborgen.

Mondelinge vraag van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de financiering van het sociaal akkoord voor de verzorgingssector» (nr. 3-655)

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Vorige maand behaalde de federale regering ogenschijnlijk een succes toen ze met de vakbonden van de verzorgingssector een akkoord bereikte om een einde te maken aan de `witte woede'.

De grote afwezigen bij die onderhandelingen waren de werkgevers. Die beseffen langzaamaan welke gevolgen dat akkoord voor hen zou kunnen hebben. De Vereniging van Openbare Verzorgingsinstellingen, de VOV, dreigt nu de uitvoering van het akkoord te blokkeren. Hiermee zou de oplossing voor de witte woede op de helling komen te staan. De VOV, en in het bijzonder de OCMW's, vrezen immers dat de middelen ontbreken om het akkoord te financieren en dat uiteindelijk de lokale besturen en de patiënten zullen opdraaien voor de meerkosten van het akkoord. Het is inderdaad nog niet duidelijk waar de nodige 78 miljoen euro zullen worden gehaald. De minister heeft aangegeven dat 55 miljoen euro moet worden gezocht binnen het RIZIV-budget, dat nu reeds een tekort van 513 miljoen euro heeft. Over de overige 23 miljoen euro is nog helemaal niets gezegd.

Kan de minister precies aangeven hoe het akkoord, met een minimaal geraamde kostprijs van 78 miljoen euro, zal worden gefinancierd?

Zullen de werkgevers de kans krijgen om in het bevoegde paritaire comité te onderhandelen over alle praktische uitvoeringsbepalingen? Het gaat immers niet alleen om financiële middelen maar ook om praktische problemen, zoals de werkroosters, de vakantieperiodes, de vrije dagen vanaf een bepaalde leeftijd enzovoort.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De bewering dat zich in de ziekteverzekering in 2005 opnieuw een tekort van 513 miljoen euro zou voordoen, steunt op geen enkel objectief gegeven en is totaal uit de lucht gegrepen.

Via een strikte begrotingsmonitoring en de bepalingen van de gezondheidswet zal de naleving van de groeinorm van 4,5 procent worden gewaarborgd.

De groeinorm heeft niet alleen betrekking op de uitgavengroei bij ongewijzigd beleid, maar moet tevens instaan voor het dekken van nieuwe behoeften.

De uitgavengroei die het gevolg is van de toenemende vraag naar zorg, moet uiteraard ook rekening houden met de behoefte aan bijkomend personeel met een passende bezoldiging. Door een gedeelte van de financiering buiten de groeinorm te plaatsen, heeft de regering een extra inspanning geleverd. Ik betreur het dan ook dat het VOV dit belangrijke engagement van de regering miskent.

De werkzaamheden in verband met het sluiten van een sociaal akkoord met de vakbonden en de werkgevers van de publieke sector worden in de komende weken voortgezet.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Ik vind de laatste zin van de minister bijzonder merkwaardig. Het akkoord is dus blijkbaar nog niet helemaal afgerond.

Mijn tweede opmerking betreft de waarborg dat de werkgevers, waarmee ik de OCMW's, de steden en gemeenten bedoel, in geen geval de meerkosten of een gedeelte ervan zullen moeten betalen. Iedereen weet dat de financiële druk op de gemeenten de jongste jaren is toegenomen. De afspraken die na de witte woede met de verzorgingssector werden gemaakt, mogen niet ten laste komen van de begrotingen van de steden en gemeenten. Het VOV vraagt dat de federale regering die garantie geeft.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - We zullen later nog de gelegenheid hebben om dat te bespreken.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Ik leid hieruit af dat die garantie er nog niet is.

Mondelinge vraag van mevrouw Sfia Bouarfa aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de positie van België tegenover de Amerikaanse resolutie tegen Cuba die werd ingediend bij de Commissie voor de Mensenrechten van de UNO» (nr. 3-648)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken.

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Sedert 1 maart is de VN-commissie voor de rechten van de mens bijeen. Naar verluidt dienden de VS maandag een ontwerp van resolutie in die de republiek Cuba veroordeelt voor schendingen van de mensenrechten.

De Europese Unie zou beslist hebben om die resolutie te steunen.

België maakt momenteel geen deel uit van de mensenrechtencommissie van de VN, maar kan wel ontwerpen van resoluties indienen, steunen of medeondertekenen.

Zowel de EU als ons land hebben onlangs opnieuw betrekkingen aangeknoopt met Cuba. De Belgische minister van Buitenlandse zaken die destijds meermaals ter plaatse is geweest, is nu Europees commissaris.

Wat is het standpunt van de Belgische regering in deze aangelegenheid?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Eerst wil ik mevrouw Bouarfa geruststellen over het initiatief van de VS in de VN- commissie voor de rechten van de mens.

De VS hebben inderdaad een resolutie ingediend over de mensenrechten in Cuba, maar in de vrij korte tekst wordt Cuba niet veroordeeld wegens schending van mensenrechten. In de resolutie wordt enkel herhaald dat de Hoge VN-Commissaris voor de rechten van de mens een vertegenwoordiger heeft aangeduid die de toestand inzake mensenrechten in Cuba moet volgen. Hij wordt ook gevraagd een verslag in te dienen dat tijdens de volgende zitting van de Commissie voor de rechten van de mens in 2006 kan worden besproken.

België heeft zoals de andere EU-partners de resolutie mede ondersteund omdat ze aansluit bij het belang dat de EU hecht aan de toestand inzake mensenrechten in Cuba en de Cubaanse politieke overheid aanmoedigt om terzake vooruitgang te boeken.

Tijdens het bezoek van een belangrijke Cubaanse delegatie aan ons land en aan andere EU-lidstaten hebben vertegenwoordigers van de Cubaanse en van verschillende Europese regeringen uitgebreid gedebatteerd over de mogelijkheid van een meer ontspannen relatie tussen Cuba en de EU en de Cubanen gewezen op het belang van verdere democratisering en dialoog met de minderheden als ze meer aansluiting willen vinden bij de EU. Dat was naar mijn mening een zeer belangrijke stap.

Ook Europees Commissaris Michel is onlangs nog naar Cuba gereisd om de banden tussen de EU en Cuba aan te halen. Ik hoop dat onze Cubaanse vrienden in de goede richting voortwerken en dat in het verslag volgend jaar een positieve evolutie ter zake kan worden opgetekend.

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Ik vind de standpunten die door de VS worden ingenomen verbazend, aangezien ze zelf, met name in Cuba, mensenrechten schenden. Na veertig jaar embargo is het geen eenvoudige opdracht armoede en uitsluiting te bestrijden, en dan spreek in nog niet van de terreur, in het bijzonder vanuit de VS.

Aan de resolutie zijn geen sancties gekoppeld, maar ze beschadigt wel het imago van een land dat al belangrijke inspanningen heeft geleverd, met name inzake mensenrechten en tegelijk zich moet beschermen tegen Cubanen die vanuit het buitenland opereren, meer bepaald vanuit Florida.

Cuba onderhoudt intense handelsrelaties met het Vlaamse, het Waalse en het Brusselse gewest. Ik heb meermaals deelgenomen aan officiële missies. We moeten onze belangen in dat land vrijwaren.

Mondelinge vraag van mevrouw Joëlle Kapompolé aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de reorganisatie van de brandweerdiensten» (nr. 3-649)

Mondelinge vraag van de heer Yves Buysse aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «het rapport van de commissie-Paulus» (nr. 3-650)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS). - Ik heb in de pers vernomen dat de begeleidingscommissie die zich buigt over de gasramp in Ghislenghien al enkele conclusies heeft geformuleerd.

Hulpdiensten zouden volgens de commissie binnen de twaalf minuten op de plaats van het onheil moeten zijn en voor het gehele grondgebied moet een maximale interventiemogelijkheid worden gecreëerd.

Ik begrijp niet goed wat dat kan bijbrengen in een situatie zoals die welke geleid heeft tot de oprichting van de commissie. De brandweerdienst van Ath ligt op 10,1 kilometer van de werf van Diamant Boart die in 9 minuten bereikbaar is, en was vrij snel ter plaatse.

Het gaat hier wellicht om een tussentijds verslag, maar ik vind dat rekening moet worden gehouden met andere elementen om de werking van de civiele bescherming te verbeteren.

Staat de commissie onder het toezicht van de minister? Hoe is ze samengesteld? Hoe gaat ze tewerk? Wat zegt het verslag van de commissie over verouderd materiaal?

De heer Yves Buysse (VL. BELANG). - Zoals de vorige spreker terecht heeft vermeld, lekten begin deze week conclusies uit van het rapport van de commissie-Paulus.

De krantenkop sprak boekdelen. Voortaan zou de aanrijtijd van alle korpsen nog maximum twaalf minuten mogen bedragen. Uit navraag blijkt dat dit niet revolutionair is voor de beroepskorpsen, maar wel voor korpsen die vooral door vrijwilligers worden bemand.

Een herstructurering in grotere zonale verbanden kan wel soelaas brengen, maar de budgettaire kant zal een ander paar mouwen zijn.

Wanneer verwacht de vice-eerste minister de resultaten van de risicoanalyse die de universiteiten hebben uitgevoerd? Wanneer verwacht hij een antwoord van de gouverneurs met betrekking tot de uitwerking van de interzonale verbanden in hun provincie?

Wanneer kan de brandweerhervorming in praktijk worden gebracht?

In de perslekken liet men zich niet uit over de opleiding, noch over het personeelsstatuut. Worden in het rapport van de commissie aanbevelingen gedaan met betrekking tot de opleiding, die thans niet als accuraat wordt beschouwd? Ligt het in de bedoeling een soort eenheidsstatuut uit te werken, waarbij de bestaande grote verschillen onder meer op het vlak van bezoldiging, worden weggewerkt? Het wordt hoog tijd dat het loon van de brandweerman in verhouding staat tot de gevaren die hij loopt en de verantwoordelijkheden van zijn functie.

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - De regering heeft in het kader van de begroting 2005 en van de programmawet al een aantal maatregelen genomen met betrekking tot de veiligheid van de burgers: verhoging van het budget met 15%, aanzienlijke verhoging van de middelen voor investering en opleiding; heroprichting van het Fonds voor hergebruik van het gemeentelijke aandeel; verhoging van de fiscale drempel; reglementering van de aansprakelijkheid; vergoeding voor morele en fysieke schade.

Een consortium van universiteiten is volop bezig met een risicoanalyse. De begeleidingscommissie, die wordt voorgezeten door de Antwerpse provinciegouverneur Paulus en bestaat uit vertegenwoordigers van de brandweerdiensten en van de steden en gemeenten, werkt voorstellen uit over de organisatie, de financiering en het statuut.

De commissie-Paulus wordt voorgezeten door de gouverneur van de provincie Antwerpen, met als ondervoorzitter de heer Flahaut, bestendig afgevaardigde van Waals-Brabant. Verder zijn zowel de federaties van de brandweerkorpsen als de Vereniging van Steden en Gemeenten vertegenwoordigd. De steden en gemeenten werden ab initio bij deze hervorming betrokken om te vermijden dat we, zoals bij de politiehervorming, achteraf geconfronteerd worden met de kritiek dat ze onvoldoende werden geconsulteerd.

De commissie-Paulus heeft een eerste tussentijds verslag klaar en de gouverneur van Antwerpen is dat vorige week maandag bij mij komen toelichten. Het verslag moet in de commissie wel nog worden afgerond. Het concentreert zich vooral op het organisatiemodel. Dit model respecteert de gemeentelijke autonomie. Dat wil ik toch benadrukken, want in de pers werd op een bepaald ogenblik het omgekeerde beweerd. De gemeentelijke autonomie wordt dus wel degelijk gerespecteerd.

Het model vertrekt van een basiszorg via een netwerk van hulpposten. Daarbij komt een hulpverleningszone, minimum één per provincie, voor de hulp die de basiszorg overstijgt. Die zone wordt bestuurd door een raad bestaande uit burgemeesters en een college, min of meer vergelijkbaar met wat er bij de politie bestaat. Ten slotte staat het derde, federale niveau in voor normering en regelgeving.

Het uitgangspunt moet zijn dat de burger recht heeft op de snelste en meest adequate hulp. Daarom vermeldt het eerste rapport als streefcijfer 12 minuten, maar het spreekt vanzelf dat de risicoanalyse die door de universiteiten wordt voorbereid, ter zake een meer wetenschappelijke onderbouw voor onze definitieve keuze moet geven.

In tegenstelling tot wat sommigen denken, heeft de commissie haar werkzaamheden nog helemaal niet beëindigd. Thema's als statuut en financiering van de hele hulpverlening - brandweer én dringende medische hulpverlening - moeten er nu aan bod komen. Wie betaalt wat, wat dragen gemeenten en steden bij, wat brengen het federale niveau en de privé-sector in? Ik heb inderdaad ook de provinciegouverneurs aangeschreven met de vraag samen met mij na te gaan wat in hun provincie de ideale omvang van zo'n zone is. Dat is historisch verschillend gegroeid, naar gelang van de provincie. Vanuit Oost-Vlaanderen bereiken me geruchten dat de brandweerzones het best zouden samenvallen met de politiezones. In andere provincies gaat dat veel moeilijker. De commissie-Paulus moet dan ook rekening houden met het huiswerk van de gouverneurs.

Vandaag hebben we politiezones, brandweerzones en zones voor dringende medische hulpverlening, elk met een verschillende omvang. Het is beter op termijn en na een overgangsfase, deze drie zones met elkaar te integreren om te komen tot veiligheidszones.

Tot slot kom ik nog even bij de timing. Ik heb de gouverneur van Antwerpen gevraagd zijn rapport tegen het zomerreces af te ronden. In het verleden heb ik ook al in de commissie voor de Binnenlandse Zaken van de Senaat duidelijk gemaakt dat de risicoanalyse van de universiteiten in principe klaar moet zijn tegen eind september. Het advies over de territoriale indeling verwacht ik van de gouverneurs tegen 15 juni. Vanaf september kunnen we op basis van al dat materiaal een voorontwerp van wet uitwerken, dat ik tegen het einde van het jaar aan de Ministerraad hoop voor te leggen.

Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS). - Ik dank de minister voor zijn duidelijk antwoord en ik ben zeer blij te vernemen dat men de principes van gemeentelijke autonomie niet helemaal overboord gooit. Uit de persberichten had ik begrepen dat men moest overstappen op een supragemeentelijke autonomie.

Bij de ramp in Ghislenghien werden meteen al vier brandweerdiensten ter plaatse gestuurd. Ik denk zelfs dat de civiele bescherming van Bergen er rechtstreeks is heengegaan. De logica van de zone was er dus.

Aangezien het om een tussentijds verslag gaat, kan een en ander wellicht nog worden bijgeschaafd. Ik hoop dat dit zal gebeuren wat het aspect communicatie betreft. In het communiqué van Belga stond immers dat het terugschroeven van de gemeentelijke autonomie kon leiden tot een verbetering van de interventiemogelijkheid met 10% en dat ook de snelheid met 10% zou toenemen. Op basis van welke vergelijking? Voor zover ik weet is de interventiemogelijkheid op het ogenblik toch al 100%. De cijfers moeten beter worden toegelicht.

De heer Yves Buysse (VL. BELANG). - Ik kan me heel goed terugvinden in de zienswijze van de minister. Ik hoop alleen maar dat hij blijft doorwerken aan de realisatie van de belofte die hij deed bij zijn aantreden als minister van Binnenlandse Zaken, toen hij verklaarde dat hij van deze hervorming een prioriteit in zijn beleid wilde maken.

Mondelinge vraag van de heer Luc Willems aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de vertraging in de aanmaak en de verzending van de elektronische identiteitskaarten» (nr. 3-652)

De heer Luc Willems (VLD). - Het project van elektronische identiteitskaarten heeft op wereldvlak heel wat bijval geoogst. Zelfs een van de grootste informaticagoeroes kwam de regering hiervoor feliciteren.

In de praktijk kennen de steden en gemeenten, ondanks zekere inspanningen van de regering om het project goed te laten verlopen, toch een grote achterstand in het uitreiken van deze identiteitskaarten. De privé-firma Zetes, die zich met de aanmaak en de levering bezighoudt, slaagt er blijkbaar niet in om de eerder opgelopen achterstand weg te werken. De minister heeft daarom al een aantal maatregelen moeten nemen, maar desondanks hoor ik in mijn eigen stad dat tweederden van de aangevraagde identiteitskaarten gewoon niet kunnen worden geleverd. Ook worden de codes om de kaarten te activeren, pas laat toegestuurd. Dit komt ook door het feit dat er op een dag plots wel 800 identiteitskaarten worden geleverd en er 's anderendaags een groot aantal burgers zich naar het stadhuis begeven, waar ze dan natuurlijk niet allemaal kunnen worden geholpen.

Welke afspraken zijn er precies gemaakt met de leverancier Zetes, die de problemen heeft veroorzaakt?

Hoe groot is de achterstand op dit moment?

Tegen wanneer kan een normale leveringstermijn worden gehaald?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Op 23 maart van dit jaar was de achterstand in de aanmaak en het verzenden van elektronische identiteitskaarten ten gevolge van het incident van 16 februari bij de firma Zetes, volledig weggewerkt. Sinds die datum heeft zich geen abnormale vertraging meer voorgedaan. Dat heeft mijn administratie kunnen constateren. Uiteraard zijn er, zoals bij elke implementatie van een dergelijk operatie een aantal kinderziektes, maar grosso modo loopt alles zoals gepland.

De elektronische identiteitskaarten worden nu twee tot vier weken na de aanvraag afgeleverd in de gemeenten. De PIN- en PUK-codes worden uiterlijk twee dagen na de aflevering van de kaarten in de gemeenten per post naar de burgers verstuurd. Uitzonderlijke vertragingen kunnen zich nog voordoen, maar dan gaat het om individuele gevallen, die we zo snel mogelijk aanpakken.

Na de incidenten van 16 februari van dit jaar heeft de firma Zetes de verbeteringen aangebracht waartoe we haar hadden aangemaand. Mijn administratie heeft ook een externe audit gevraagd over het productieproces bij Zetes. Het verslag daarvan verwacht ik in de loop van de komende weken.

De heer Luc Willems (VLD). - De bevoegde diensten van mijn stad signaleren me nochtans dat er na de incidenten van 16 februari en na de nieuwe maatregelen niet veel is veranderd. Er is nog altijd een grote achterstand: tweederden van de identiteitskaarten worden niet binnen de normale tijd afgeleverd. Bovendien verloopt de communicatie met Zetes heel moeilijk en is er geen beterschap inzake leveringen. Aan de andere kant verheugt het me dat de minister zich met dit probleem inlaat. Hopelijk brengt het verslag van de audit meer duidelijkheid.

Mondelinge vraag van de heer Pierre Chevalier aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de omzetting van de richtlijn 2002/58/EG betreffende privacy en elektronische communicatie» (nr. 3-647)

De heer Pierre Chevalier (VLD). - Richtlijn 2002/58/EG is een onderdeel van het zogenaamde `telecompakket', dat het nieuwe wetgevende kader vormt voor de sector van de elektronische communicatie. In deze richtlijn, die een oudere richtlijn vervangt, worden enkele min of meer gevoelige thema's behandeld, zoals het bewaren van verkeersgegevens door de lidstaten om redenen van politietoezicht, de verzending van ongevraagde berichten, het gebruik van `spionagesoftware', de zogenaamde `cookies' en de opname van persoonsgegevens in openbare abonneelijsten.

De krant De Standaard schreef op 22 maart 2005 dat er een sterke groei is van computeraanvallen die gepaard gaat met een bedreiging van vertrouwelijke informatie, onder andere door `phishing', een methode om wachtwoorden, nummers van kredietkaarten en andere financiële informatie te achterhalen via nabootsing van bekende websites of via meldingen tot herbevestiging of aanpassing van persoonlijke gegevens via het internet. Benevens phishing is er nog het spamprobleem. Het artikel meldde dat spam meer dan 60 procent van het totale e-mailverkeer uitmaakt.

De richtlijn 2002/58/EG verplicht lidstaten om via hun nationale wetgeving het vertrouwelijke karakter van de communicatie via openbare elektronische communicatienetwerken te garanderen. Op 23 maart 2005 werd het wetsontwerp betreffende de elektronische communicatie in de commissie Infrastructuur, Verkeer en Overheidsbedrijven goedgekeurd. Er was echter reeds een deelaspect van de vernoemde richtlijn omgezet in intern recht, namelijk het toesturen van reclame via e-mail. Dat werd geregeld via de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij en door het koninklijk besluit van 4 april 2003 tot reglementering van het verzenden van reclame per elektronische post.

Er werd een werkgroep `Spamsquad' opgericht die zich specifiek bezighoudt met de opsporing van spam. Mijn vragen gaan daarover.

Hoe functioneert Spamsquad? Wat doen ze? Wie is verantwoordelijk voor de controle? Hoe worden de leden verkozen? Worden er rapporten opgesteld? Werkt Spamsquad samen met andere privé-entiteiten? Werkt deze groepering mee aan de omzetting van de richtlijnen aangaande het `telecompakket'? Is er overleg tussen Spamsquad en ASTA? Bestaat de idee van Spamsquad ook in andere lidstaten van de EU? Is een samenwerking op Europees niveau niet noodzakelijk om echt constructief op te treden, zij het dan maar om het opt-in-principe ook te doen gelden op andere niveaus? Nu geldt het principe alleen voor elektronische reclameberichten van commerciële aard.

De wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij bepaalt in artikel 26 dat overtredingen worden gestraft. Op 4 april 2003 nam de regering een ministerieel besluit tot aanwijzing van de ambtenaren die belast zijn met het opsporen en het vaststellen, op het terrein, van inbreuken op de wet. Zijn die ambtenaren reeds aan het werk? Hoe werden ze geselecteerd?

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - In de verschillende vragen onderscheid ik twee onderdelen. De heer Chevalier wenst eerst meer informatie omtrent Spamsquad en vervolgens wil hij weten hoe ver het staat met het opsporen van inbreuken op de wet betreffende de juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij.

Spamsquad is een informele werkgroep die tot doel heeft gemeenschappelijke oplossingen uit te werken om spam of ongewenste e-mail actief te bestrijden. Die werkgroep speelt bijgevolg geen enkele rol bij de totstandkoming van het wetsontwerp betreffende de elektronische communicatie, dat inmiddels werd goedgekeurd door de Kamercommissie voor de infrastructuur en waarover de Kamer normalerwijze volgende donderdag zal stemmen. De werkgroep bestaat uit vertegenwoordigers van de politieke overheden, de administratie, de politiediensten, rechtsgeleerden en belangengroepen. Hij belegt informele vergaderingen op regelmatige basis. De vraag naar formele controle is mijns inziens niet echt aan de orde, aangezien het een informeel initiatief betreft en Spamsquad enkel de mogelijkheid heeft om voor eigen naam en rekening voorstellen te doen en projecten op te zetten.

De werkgroep stelt eerst en vooral vast dat de internetgebruikers gebrekkig zijn voorgelicht over de middelen die er bestaan om zich tegen spam te beschermen. De bestaande informatie is bovendien onverstaanbaar voor de gemiddelde gebruiker. Spamsquad heeft die bestaande informatie dan ook in vier eenvoudige regels gegoten die voor iedereen begrijpelijk en rechtstreeks toepasbaar zijn. Ik ga met de heer Chevalier akkoord dat in dezen een samenwerking op internationaal niveau en met andere organisaties nodig is. Spamsquad bekijkt momenteel welke mogelijkheden er in dit verband bestaan.

Bij mijn weten bestaat er geen enkel soortgelijk initiatief in de andere EU lidstaten. België zou dus een voortrekkersrol kunnen spelen.

Ik kan de heer Chevalier ook verzekeren dat de ambtenaren reeds zijn aangesteld. Het betreft ambtenaren van de dienst `Controle en Bemiddeling' van de FOD Economie. Zij zijn reeds aan het werk. Er werd de voorkeur aan gegeven om alle ambtenaren van de dienst `Controle en Bemiddeling' bevoegd te maken om controles en vaststellingen te doen. Binnen de desbetreffende dienst is er evenwel een taakverdeling afgesproken. Concreet oefenen hoofdzakelijk vier ambtenaren die bevoegdheid uit.

De heer Pierre Chevalier (VLD). - Ik dank de minister voor zijn volledig antwoord. Hij heeft terecht beklemtoond dat België in deze een voortrekkersrol kan spelen. Ik zou er dan ook op aandringen dat hij die problematiek aankaart bij zijn Europese collega's. De Europese Commissie, de Europese Raad en het Europees Parlement hechten zeer veel belang aan die materie.

Als de spamplaag niet doortastend wordt aangepakt, dan vrees ik dat het elektronisch verkeer volledig zal worden verstikt. De Standaard maakt melding van 60% spam. Zonder maatregelen kan dat oplopen tot 80 of 90%. Het is dus belangrijk dat wij de expertise die we hebben opgebouwd ter beschikking stellen van de andere lidstaten.

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Ik zal een schrijven richten aan Europees commissaris Reding en haar verzoeken deze kwestie op de agenda van de volgende Raad te plaatsen.

Vraag om uitleg van de heer Jean-Marie Cheffert aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «het Europees Ruimtevaartprogramma en het Belgisch ruimtevaartbeleid» (nr. 3-680)

De heer Jean-Marie Cheffert (MR). - België investeert al meer dan dertig jaar in onderzoek en deelname aan grote Europese ruimtevaartprojecten. Onze industrie neemt op dat domein, door haar deelname aan de ESA, trouwens een belangrijke plaats in.

Voortaan zal niet alleen de ESA en haar leden, maar ook de Europese Unie een hoofdrol spelen in de ruimtevaart, want nog in de loop van dit jaar moet een Europees ruimtevaartprogramma rond zijn.

Graag had ik daarover enkele verduidelijkingen gekregen. U hebt op 16 december jongstleden in de werkgroep Ruimtevaart verklaard dat u een groot voorstander bent van de toepassing van het principe van le juste retour in Europa. België had het in de laatste Europese Interparlementaire Ruimtevaartconferentie moeilijk om dat uitgangspunt te doen erkennen als grondbeginsel van het Europese industriële ruimtevaartbeleid.

Hoe kunnen we dit voor onze ruimtevaartindustrie vitale beginsel in overeenstemming brengen met dat van de vrije concurrentie dat in de Europese Unie wordt toegepast, en hoe kunnen we het handhaven?

Kunt u meer bijzonderheden verstrekken over de verschillende financieringsbronnen van het programma en de principes die op de verschillende soorten bijdragen van toepassing zullen zijn?

Om de positie van onze industrie in de programma's voor draagraketten, navigatie, telecommunicatie, aardobservatie en commerciële toepassingen te handhaven, moet de regering haar huidige financiële bijdrage aan de ESA op hetzelfde niveau voortzetten. Bovendien kunnen we onze benijdenswaardige positie inzake technologische en wetenschappelijke programma's zoals PRODEX en ARTES maar behouden door meer financiële steun te verlenen.

Om de door Europa vastgelegde doelstellingen te steunen wil de sector de uitgaven met 3,4% per jaar verhogen, volgens scenario B van het witboek van de Commissie. Wat denkt u over een dergelijk scenario? Is het met de huidige budgettaire vereisten uitvoerbaar?

De vertegenwoordigers van de Belgische ruimtevaartindustrie stuurden u op 16 februari 2005 een brief waarin ze u aanspoorden tot meer overleg met de regio's. U hebt daar positief op gereageerd. Welke initiatieven hebt u al genomen om het overleg en de samenwerking met de deelgebieden te bevorderen?

Ook voor het onderwijs en de opleiding van jongeren op het gebied van ruimtevaart moet samenwerking tussen de verschillende beleidsniveaus tot stand worden gebracht. U zei dat contact moest worden opgenomen met de ministers van Onderwijs om hen te overtuigen van de noodzaak van een betere universitaire samenwerking en van uitwisseling van jonge afgestudeerden. Hebt u daaraan al kunnen werken? Wat is de stand van zaken vandaag?

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - De heer Cheffert stelt mij pertinente vragen over een reeks belangrijke evoluties in de ruimtevaartactiviteit van België en Europa. Mijn antwoorden daarop zijn een eerste bijdrage tot het debat, maar we zullen hierop ongetwijfeld nog terugkomen.

Ik heb met betrekking tot het principe van le juste retour met genoegen akte genomen van de resolutie van de zesde Europese Interparlementaire Ruimtevaartconferentie waarin de ESA niet alleen verzocht wordt het principe te handhaven, maar waarin ook de Europese Commissie wordt opgeroepen om te onderzoeken welke nieuwe industriële beleidsprincipes kunnen worden toegepast voor de financiering van de ruimtevaartactiviteiten van de Unie. Er komt dus één en ander in beweging.

Het principe van de geografische retour wordt gewaarborgd door het ESA-verdrag, maar bestaat niet in de Unie wegens de vrije concurrentie. Het lijkt mij voor de hele Europese ruimtevaartsector, en voor België in het bijzonder, bijgevolg noodzakelijk dat de beslissingsorganen van de Europese Unie de specificiteit van deze sector erkennen.

Ik heb er in de eerste Space Council voor gepleit dat Europa zich toespitst op de aspecten die te maken hebben met het industriële beleid dat in het kader van het Europese ruimtevaartprogramma zal worden gevoerd. Dat beleid moet rekening houden met de bijdrage van alle Staten, ook van de kleinste, en met het specifieke karakter van hun ruimtevaartindustrie.

Einde 2005, begin 2006 zal duidelijk worden of de uitgaven voor de ruimtevaart kunnen worden verhoogd. Het debat daarover is nog niet begonnen.

We baseren ons op dit ogenblik op het volgende schema:

Aangezien de toekomstige Europese begroting geen transversale begrotingslijn voor de ruimtevaart bevat, vestig ik mijn hoop op het zevende Kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling, het programma `TEN' of Trans-European Networks van de DG Transport en op het Competitiveness and Innovation framework Programme (CIP).

België zal zijn huidige financiële bijdrage bevestigen aan de ESA.

Ik erken, wat de dialoog met de deelstaten betreft, dat de bevoegdheid van de federale overheid voor de deelname van ons land aan de internationale ruimtevaartsamenwerking moet worden verrijkt met significante samenwerkingsakkoorden met de deelstaten. We moeten zorgen voor voldoende wetenschappers, ingenieurs en gekwalificeerde technici op het gebied van de ruimtevaart. We moeten de verschillende overheden in het land ook de mogelijkheid bieden om hun noden inzake sectoraal beleid kenbaar te maken.

In antwoord op de vragen over het onderwijs en de opleiding van jongeren kan ik u meedelen dat Europa in Lissabon een plan opgesteld heeft om tegen 2010 over de meest concurrerende kenniseconomie te kunnen beschikken. Daarvoor zijn 700.000 nieuwe wetenschappers nodig. Bedrijfsleiders uit de sector bevestigen mij dat de ontwikkelingen in de ruimtevaart de vraag naar ingenieurs, wetenschappers en technici in België constant zal doen stijgen. Als minister bevoegd voor wetenschapsbeleid kan ik de verschillende initiatieven van de gemeenschappen alleen maar toejuichen. De federale overheid zou al die initiatieven perfect kunnen coördineren. Ik heb daartoe al een brief geschreven naar de Vlaamse minister van Onderwijs, maar heb van hem nog geen reactie gekregen.

Ik kan u verzekeren dat ik alles in het werk zal stellen om vooruitgang te boeken.

De heer Jean-Marie Cheffert (MR). - Ik dank u voor uw heldere antwoord.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Nele Jansegers aan de vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven over «de structurele problemen inzake de personeelsinzet bij De Post» (nr. 3-651)

De voorzitter. - De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit, antwoordt namens de heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven.

Mevrouw Nele Jansegers (VL. BELANG). - We vernemen dat De Post kampt met een reeks structurele problemen inzake de inzet van het personeel. Zo zou het onmogelijk zijn om, inspelend op tijdelijke noden, personeel voor korte tijd in te zetten in een andere zone dan hun vaste standplaats. Dat zou tot gevolg hebben dat in sommige zones op bepaalde dagen te veel personeel aanwezig is, terwijl er in aangrenzende zones te weinig personeel is, maar dat het personeel niet tijdelijk van de ene zone naar de andere kan worden overgeplaatst. Zo vernamen we dat er in de week na Pasen problemen waren met de postbezorging in Linden, een deelgemeente van Lubbeek. De bewoners kregen een hele week geen post omdat een aantal personeelsleden niet beschikbaar was en er niemand was om ze te vervangen.

Is het correct dat het personeel niet tijdelijk getransfereerd kan worden naar een aangrenzende zone om daar bestaande noden te lenigen?

Is het voorval in Linden, dat waarschijnlijk geen eenmalig feit is, niet het bewijs dat er één en ander schort aan het personeelsbeleid van De Post?

Hoe vaak viel het tijdens het voorbije jaar voor dat bepaalde gemeenten of wijken geen post ontvingen bij gebrek aan personeel?

Gaat het in dergelijke situaties om ziekte van personeelsleden, om een slechte vakantieregeling van de dienst of om nog andere redenen en waarom kunnen dergelijke problemen niet soepel worden opgevangen?

Waar kunnen bewoners terecht met hun vragen over het niet ontvangen van hun post?

Op welke manier heeft De Post zich verontschuldigd bij de inwoners van Lubbeek die meer dan een week geen post ontvingen, en welke reden hebben ze hiervoor opgegeven?

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - De Post past, ten eerste, personeelstransfers tussen aangrenzende zones toe als zich personeelsonevenwichten voordoen. Die transfers kunnen echter moeilijk uitgevoerd worden voor acute problemen omdat medewerkers die van één zone naar een ander worden overgeplaatst, moeten worden opgeleid en een specifieke kennis over de rondes moeten opdoen.

De Post zorgt ervoor dat in een zone 127 mensen per 100 jobs beschikbaar zijn. Door die `operationele dekkingscoëfficiënt' van 127 kunnen de vakantiedagen worden toegekend, de afwezigheden van de deeltijds werkenden worden opgevangen en kan het hoofd worden geboden aan een realistische graad van afwezigheid wegens ziekte.

We beschikken niet over nauwkeurige cijfers, maar algemeen kan worden gesteld dat het gaat om zeer uitzonderlijke situaties, die het gevolg zijn van een acute en onvoorspelbare stijging van het aantal afwezigheden, bijvoorbeeld bij een heersende griepepidemie. Die onvoorziene afwezigheden verstoren in hoge mate de werkverdeling in een kantoor, vooral in kleinere kantoren.

De bewoners kunnen met hun vragen steeds terecht bij hun postkantoor. De Post werkt momenteel aan de oprichting van een centrale klantendienst met één centraal oproepnummer.

Het postkantoor van Lubbeek werd gevraagd om de verontschuldigingen van De Post aan te bieden aan de inwoners van de betrokken straten, mocht dat nog niet zijn gebeurd.

Mondelinge vraag van mevrouw Isabelle Durant aan de minister van Mobiliteit over «de toepassing van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel over de voorlopige stopzetting van het gebruik van de landingsbaan 02» (nr. 3-657)

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Waar men in de processie van Echternach twee stappen vooruit gaat en een achteruit, gaat de regering alleen nog stappen achteruit.

Punt 4 van de `kern' van gisterenavond ging over de wijzigingen die moeten worden aangebracht aan het spreidingsplan van de nachtvluchten ten gevolge van het recente vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg van Brussel. Dat vonnis is zeer duidelijk over de voorlopige stopzetting van het gebruik van baan 02 voor de landingen en de vermindering van de windnormen. Op 27 april wordt het vonnis uitvoerbaar met dwangsommen.

De regering zwijgt in alle talen: ze reageert niet op de voorstellen van de gewesten die een poging hebben gedaan om hypothesen te formuleren hoewel dat niet hun taak is, noch op de aanbevelingen van de bemiddelingsdienst en ze houdt geen rekening met de kaarten van de bevolkingsdichtheid die onlangs werden gepubliceerd. Elke wijziging heeft invloed op de publicatie van de AIP en wordt pas uitvoerbaar na 40 dagen.

Er heerst ook grote stilte rond het verslag van de bemiddelaars van de luchthaven. Ik ben blij dat het in de pers is verschenen, maar men had het aan het Parlement moeten overmaken, zoals dat voor de verslagen van bemiddelaars van alle andere openbare ondernemingen het geval is.

Ik kreeg graag van de minister antwoord op volgende vragen:

Welke maatregelen heeft de regering gisterenavond in de `kern' genomen in verband met de wijzigingen die moeten worden aangebracht aan het spreidingsplan? Zal de regering bij de begrotingscontrole voorstellen om de dwangsommen in de begroting op te nemen?

Is de regering van plan het volledige verslag van de bemiddelaar ter beschikking te stellen van het publiek en van het Parlement?

Heeft de regering rekening gehouden met de gevraagde toename van het aantal vluchten? Die toename is mogelijk door de slechte exploitatievergunning die BIAC werd toegekend bij de afsplitsing van de delen van de Staat aan de maatschappij Macquarie Airports. Heeft de regering rekening gehouden met de bijkomende en nieuwe vragen van die belangrijke aandeelhouder, die de teugels heeft overgenomen in de luchthaven?

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - Ik wil eerst enkele zaken rechtzetten.

Mevrouw Durant heeft het over een eigenaardige processie van de regering. Ik geef steeds de voorrang aan samenwerking met mijn collega's. We hebben niet graag dat een minister cavalier seul speelt.

Verder blijft mevrouw Durant verwijzen naar het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg terwijl de regering zich baseert op het arrest van het hof van beroep van Brussel, dat voortaan van toepassing is. In dwangsommen zijn voorzien vanaf 27 april.

De termijn bedraagt bijgevolg tien dagen in plaats van veertig. Als ik dwangsommen wil vermijden, moet ik dus uiterlijk maandag een bevel geven of een beslissing nemen.

De regering heeft gisterenavond beslist door te werken en zich voor de uitvoering van het arrest door technici te laten bijstaan. Het is gemakkelijk te zeggen dat er geen landingen meer mogen gebeuren op baan 02, maar het is ingewikkeld om dat in de praktijk om te zetten omdat dat ook gevolgen heeft voor de andere banen. De regering wil de moeilijkheden en de geluidshinder beperken, niet alleen voor de inwoners van de Oostrand, maar ook voor de andere inwoners in de rand van Brussel.

We beschikken slechts over een ontwerp van verslag van de bemiddelaars. Ik heb dat enkele weken geleden kunnen inkijken en inderdaad vastgesteld dat er melding wordt gemaakt van 41.000 klachten. Op mijn vraag aan de bemiddelaars over hoeveel klagers het gaat, konden ze niet onmiddellijk antwoorden. Ze hebben om een antwoordtermijn verzocht. Op het eerste gezicht denken ze dat het om tweehonderd tot duizend klagers gaat. Ongeveer 17.000 klachten gaan uit van zeven personen. We moeten dus opletten met het cijfer van 41.000 klachten. Het zou wel eens om slechts duizend klagers kunnen gaan.

Ik heb hen ook gevraagd of ze konden zeggen waar die klagers precies wonen. Dat is van belang voor de in overwegingneming van de klachten en om na te gaan of ze het gevolg zijn van het spreidingsplan.

Een derde vraag aan de bemiddelaars was of ze het onderscheid konden maken tussen, enerzijds, e-mails en actiebrieven en, anderzijds, echte klachten. Het grote probleem van de bemiddelaars is dat ze er niet in slagen de echte klachten eruit te halen.

Een vierde vraag ging over wat er gaat gebeuren met de plannen van BIAC of eerder met de plannen van de nieuwe aandeelhouder van BIAC. Ik doe al de nodige om het spreidingsplan te verfijnen met in achtneming, in de eerste plaats, van de vonnissen en arresten. Ik breng dus wijzigingen aan wanneer een rechtbank daarom verzoekt, maar dat gebeurt steeds in overleg met mijn collega's in de regering.

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Mijnheer de minister, de talrijke rechterlijke uitspraken in dezen scheppen verwarring. Uw opmerking was terecht. Ik heb me vergist. Gelieve mij daarvoor te verontschuldigen.

Dat deze regering enkel werkt op basis van rechterlijke uitspraken is echter niet normaal. Op die manier zijn het de rechters die de vluchtroutes bepalen.

De minister zegt dat het makkelijk is het vonnis toe te passen; er moet dus elders worden geland. De vliegtuigen moeten inderdaad ergens landen. Dat weet men echter al meer dan een jaar. Dat plan was voorlopig en zou geëvalueerd worden.

In verband met het werk van de bemiddelaar zegt de minister dat het aantal betrokken personen belangrijk is en niet zozeer het aantal klachten. Wil de minister dezelfde oefening maken in termen van bevolkingsdichtheid en van aantal inwoners in de zones die zouden worden overvlogen na de rechtzetting van het plan, alvorens een beslissing te nemen? Als rekening houden met het aantal betrokken personen de enige goede manier van werken is, moet de bevolkingsdichtheid aan de basis liggen van de keuze van de trajecten.

Wat het onderscheid tussen een e-mail en een klacht betreft, wil ik eraan herinneren dat de minister zelf heeft voorgesteld een onafhankelijk controleorgaan op te richten dat de klachten zou ontvangen. Twee jaar later staan we nergens. Dat kan de minister enkel zichzelf en zijn collega's in de regering verwijten.

Indien een onafhankelijk controleorgaan was opgericht, zouden we nu beschikken over procedures en klachten die in de vereiste vorm geformuleerd zijn en op gepaste wijze kunnen worden behandeld.

Vraag om uitleg van de heer Frank Creyelman aan de minister van Mobiliteit over «het wegtransport van gevaarlijke goederen» (nr. 3-722)

De heer Frank Creyelman (VL. BELANG). - De voorbije weken waren bij een aantal verkeersongevallen vrachtwagens betrokken met een lading die onder de ADR-reglementering valt. De spectaculaire ongevallen aan de afrit Lillo op de R2 en op de Kennedy-rotonde te Oostende tijdens het weekeinde van 12-13 maart jongstleden, zorgden voor heel wat commotie.

De krant De Morgen berichtte dat volgens de FOD Mobiliteit en Vervoer 22 procent van de gecontroleerde vrachtwagens slecht geladen zijn. Door een slechte stuwing kunnen ladingen verschuiven. Dat maakt van de ondeskundig geladen vrachtwagens gevaarlijke deelnemers aan de verkeersstroom. Het is verontrustend dat een vijfde van de ADR-transporten potentieel een ongeval kan veroorzaken. De oorzaak zou liggen bij de bedrijven die - volgens dezelfde bron - steeds minder investeren in veiligheid wegens de steeds sterkere concurrentie.

Volgens de cijfers van de FOD Mobiliteit en Vervoer waren er in 2004 weliswaar minder vrachtwagens die niet in orde waren met de vervoersdocumenten, maar dat had nauwelijks een weerslag op de uitrusting van de vrachtwagens. Volgens de FOD bekommeren al te veel veiligheidsadviseurs zich enkel om de papieren op het bureau en niet om de veiligheid op het terrein.

Nochtans ontbreekt het niet aan een behoorlijk reglementair kader, zeker wat het ADR-vervoer betreft. Zo zijn er bepalingen van kracht inzake de opleiding van de bestuurders en van veiligheidsadviseurs. De FOD stelt voor 2005 verdere aanvullingen en wijzigingen in de regelgeving in het vooruitzicht.

Aangezien die verontrustende cijfers plaatselijke overheden er misschien toe kunnen aanzetten ADR-transporten te bemoeilijken, kreeg ik graag een antwoord op de volgende vragen.

Is de minister van mening dat de veiligheidsadviseurs voldoende actief zijn op het terrein?

Overweegt hij campagnes met de betrokken sector om de bewustwording rond professionele laad- en loswerkzaamheden te laten toenemen?

Kan een bestuurder die een lading toevertrouwd kreeg waarvan de verschillende elementen niet behoorlijk zijn vastgezet, weigeren die te vervoeren? Welke middelen heeft de bestuurder om verbeteringen te eisen?

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - Twee weken geleden heeft de heer Hugo Vandenberghe ongeveer dezelfde vragen gesteld over de feiten waarnaar de heer Creyelman verwijst. Gelet op het gevoelige karakter van deze materie verwijs ik uitdrukkelijk naar het antwoord dat ik op 24 maart aan de heer Vandenberghe heb gegeven.

De heer Frank Creyelman (VL. BELANG). - Eerlijk gezegd meen ik recht te hebben op een antwoord want ik heb mijn vraag al twee weken geleden ingediend.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Wij noteren dat de minister niet meer zal antwoorden op vragen die voordien ooit door andere senatoren zijn gesteld.

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - Behalve wanneer mijn opvattingen ter zake zijn veranderd, heb ik het recht te verwijzen naar een vorig antwoord.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen, en met de Bijlagen A, B, C, D, E en F, gedaan te Stockholm op 22 mei 2001 (Stuk 3-1019)

Algemene bespreking

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT), rapporteur. - Dit verdrag beoogt een bescherming te bieden tegen persistente organische stoffen die een gevaar betekenen voor mens en milieu. Het gaat onder meer over DDT, dat we allemaal kennen. Het grootste deel van de verplichtingen die uit dit verdrag voortvloeien, werden reeds lang in Belgisch en Europees recht omgezet. De meeste voorgestelde maatregelen zijn bovendien gewestbevoegdheden.

Het verdrag is nu, na de vijftigste ratificatie, bijna één jaar in werking.

Op vraag van een commissielid werd uitdrukkelijk gezegd dat het verdrag belangrijker is voor de ontwikkelingslanden dan voor ons land. Voor ons is het immers reeds omgezet in nationaal of Europees recht.

Het ontwerp werd unaniem door de elf aanwezige leden goedgekeurd.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-1019/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 53, §6, en 54bis van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en tot invoeging in die wet van een artikel 54ter en een artikel 66bis (Stuk 3-1074)

Algemene bespreking

Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT), rapporteur. - Dit ontwerp gaat over het aanpassen van de taalexamens aan de functionele noden van de griffies van de rechtbanken, meer bepaald aan die van de Brusselse rechtbanken. Het is een bicameraal ontwerp, dat eerst in de Kamer werd ingediend en er op 3 maart 2005 werd goedgekeurd. In de Senaatscommissie voor de Justitie werd de bespreking op 23 maart aangevat.

In haar inleidende uiteenzetting legde de minister uit dat dit ontwerp de uitvoering is van één van de verbintenissen van de vorige regering, te weten protocol 249, gesloten met de representatieve vakbonden, over de modernisering van het beleid inzake het personeel van de griffies en de parketten. De vakbonden hadden een adequatie gevraagd tussen het examen en de graad die de betrokken ambtenaar bekleedt of wenst te bekleden via examens die op verschillende niveaus worden georganiseerd. Het stelsel dat voorgesteld wordt is geïnspireerd op het bestaande stelsel voor de leden van de magistratuur.

Momenteel wordt een grondige taalkennis vereist van de griffiers en het administratief personeel van de griffies. Dat creëert problemen en een zeer oncomfortabele situatie, zeker in het Brusselse, waar zowel het Frans als het Nederlands moet worden beheerst. Het gevolg is een tekort aan kandidaten die voldoen aan de taalkundige vereisten om te kunnen worden benoemd. Daardoor ontbreken ook de menselijke middelen om de goede werking van de rechtbanken te waarborgen.

Een ander nadelig fenomeen is dat het contractuele personeel dat niet aan de taalvoorwaarden voor benoeming voldoet, in de laagste loonschalen terechtkomt. Wanneer dit personeel statutair benoemd wil worden, kan het enkel kiezen voor een andere jurisdictie, waar de talenkennis niet vereist is.

De wijziging geldt enkel voor het administratief personeel van de griffies en parketten. Voor de hoofdgriffiers, griffiers en adjunct-griffiers blijft de vereiste van de grondige kennis van de andere taal behouden.

Het examen voor de opstellers en bedienden wordt aangepast aan het `light' examen voor de doctors en licentiaten in de rechten, dat de passieve schriftelijke kennis en de passieve en actieve mondelinge kennis test van de andere taal dan die van het studiegetuigschrift. Een andere vernieuwing is dat de organisatie van het examen, zoals dat voor de magistraten, toevertrouwd wordt aan SELOR.

In de Kamer werden twee amendementen goedgekeurd. Het amendement van de regering regelt de situatie in Eupen, omdat daar de Duitse taal een grote rol speelt. Het tweede amendement voert een overgangsmaatregel in voor personen die reeds houder zijn van een taalbrevet uitgereikt door SELOR.

De minister staat gunstig tegenover een revalorisatie van de huidige taalpremie, maar de onderhandelingen daarover zijn nog steeds bezig.

Het belang van het wetsontwerp is dus dat het de jurisdictie in het Brusselse zo efficiënt mogelijk tracht te laten verlopen.

Tijdens de algemene bespreking stelden collega Willems en anderen vragen over het aantal deelnemers aan het examen en over de slaagpercentages. De minister somde enkele cijfers op.

Mevrouw Nyssens merkte op dat de taalproblemen zich zowel aan Nederlandstalige zijde als aan Franstalige zijde voordoen. Ze vroeg wat het toepassingsgebied is van het ontwerp. Het betreft, zoals daarnet al gezegd, enkel het administratief personeel van de griffies en de parketten.

Een amendement op artikel 2 van de heer Collas verwees naar de situatie in Eupen en pleitte voor eenzelfde regeling voor de secretarissen en andere personeelsleden van het parket van de procureur des Konings. Hij diende ook een amendement in dezelfde zin in op artikel 4.

De heer Vandenberghe diende een amendement in waarin werd voorgesteld om de wet ten laatste zes maanden na publicatie in het Belgisch Staatsblad in werking te laten treden. De minister antwoordde dat de inwerkingtreding samenhangt met het uitvoeringsbesluit inzake het taalexamen.

Het wetsontwerp in zijn geheel werd aangenomen met acht stemmen voor bij één onthouding.

De heer Jurgen Ceder (VL. BELANG). - Omdat het administratief personeel van de Brusselse griffies tweetalig moet zijn, komt het er in de praktijk op neer dat 70% van de statutaire personeelsleden van de griffies Vlamingen zijn. Er zijn nu eenmaal meer Vlamingen tweetalig dan Franstaligen. Dat heeft nog altijd deels te maken met een zekere onwil in het zuiden van het land om de andere landstaal te leren en ook deels met het gebrekkige taalonderwijs dat daar wordt gegeven. Een oplossing had er in dit geval bijvoorbeeld in kunnen bestaan om verplicht en doorgedreven taalonderwijs te geven aan de contractuele personeelsleden die nu in de Brusselse griffies zijn aangeworven. In plaats daarvan wordt ervoor gekozen om de lat lager te leggen via de invoering van een soort light-taalexamen, omdat dit een Franstalige eis is. Al in 2002 eiste het FDF bij monde van de heer Maingain dat er meer Franstaligen zouden worden aangeworven bij de Brusselse griffies. Daarom is dit, ondanks een aantal andere elementen, voor ons een communautair dossier, net zoals de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde. We weten wat het lot daarvan is: wanneer de Vlamingen een eis stellen, komen er lange onderhandelingen, moet er pasmunt worden betaald. Wanneer de Franstaligen een eis stellen, ik denk aan de Francorchamps-exceptie, aan de defederalisering van de wapenexportlicenties of het vreemdelingenstemrecht, wordt die eis steeds eenzijdig gerealiseerd. Met dit dossier gebeurt dat alweer, terwijl de Vlamingen er perfect hadden kunnen voor kiezen het toe te voegen aan de onderhandelingen die nu aan de gang zijn over Brussel-Halle-Vilvoorde. Onze fractie zal om die redenen tegen stemmen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik stel voor dat we mijn voorstel tot splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde eerst behandelen, waarna we het lot van de griffie en de organisatie van het griffiepersoneel kunnen bespreken. De CD&V-fractie heeft zich onthouden in commissie omdat ze het niet opportuun vinden nu wijzigingen aan te brengen, terwijl we weten dat het gerechtelijk arrondissement Brussel moet worden gereorganiseerd en de problematiek op dat ogenblik in een ruimer verband kan worden besproken.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - De rapporteur heeft bijzonder uitvoerig verslag uitgebracht.

Dit dossier vloeit voort uit een syndicaal akkoord. De vraag kwam van het terrein, in Brussel. De Franstaligen en Nederlandstaligen wachten op dit ontwerp om de Brusselse rechtbanken volledig te laten functioneren.

Zonder dit ontwerp ziet de situatie eruit zoals ze beschreven is in het verslag. Als we naar het aantal statutaire en contractuele personeelsleden kijken, zien we wat de moeilijkheden zijn. Ten gevolge van de huidige bepalingen blijven veel mensen contractueel. Zodra ze elders voor een examen slagen, gaan ze uit Brussel weg.

Ik heb geen belangstelling voor al die symbolische eisen, maar voor de mensen. De belangen van de mensen in Brussel werden door de Franstaligen en de Nederlandstaligen van Brussel duidelijk omschreven.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Het ontwerp situeert zich in de context van de gehele afbraak van de tweetaligheid van het gerechtelijk apparaat in Brussel. Ik weet wel dat aan griffiebedienden geen strengere tweetaligheidsvereisten kunnen worden opgelegd dan aan magistraten.

Eerst werden toegevoegde rechters aangesteld die niet aan de taalvereisten moesten voldoen. Vervolgens werden de taalvereisten voor de magistraten zelf versoepeld. Nu volgen de griffies.

De minister heeft deels gelijk als ze zegt dat iedereen vragende partij is. Vermits een groot deel van het griffiepersoneel Vlaams en dus tweetalig is, moeten zij ook de meeste dossiers behandelen. Natuurlijk zijn zij vragende partij om van de overlast af te geraken. Het argument van de gerechtelijke achterstand vind ik al te gortig.

Ik ben het eens met collega Vandenberghe dat, nu wordt nagedacht over de splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel, deze zaak beter kan worden uitgesteld. Dat de minister dit voorstelt als een eis van sommigen, zonder de context ervan weer te geven, is intellectueel oneerlijk.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Wat intellectuele eerlijkheid betreft, hoef ik van extreem rechts geen lessen te krijgen. Wat hier is gezegd, is volkomen bespottelijk.

Ik heb volstrekt geen plannen om het gerechtelijk arrondissement te splitsen.

De Franstalige en Nederlandstalige advocaten van dit arrondissement zijn het eens over een reorganisatie. Die houdt heel wat anders in dan de splitsing die wordt gevraagd door sommigen die met iets anders bezig zijn dan met de efficiëntie van de justitie in Brussel.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - De minister doet nu toch een belangrijke bekentenis. Ze zegt dat ze geen splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel wenst, in tegenstelling tot `quelques-uns', sommigen dus. Nochtans is de splitsing opgenomen in het Vlaams regeerakkoord en werd het door een meerderheid in het Vlaams Parlement goedgekeurd als principe, niet alleen sinds de verkiezingen van 2004, maar ook al sinds de verkiezingen van 1999. Toen was de heer Dewael minister-president.

De minister moet de vraag tot splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel niet afdoen als een fantasma van enkelingen van l'extrême droite. Neen, deze eis wordt gedragen door het hele Vlaams Parlement.

De heer Hugo Coveliers (Onafhankelijke). - Ik vind het niet correct dat minister Onkelinx stelt dat ze geen lessen te ontvangen heeft van extreem-rechts. Als minister moet ze ook luisteren naar wat de extremisten zeggen. Ik tracht ook te luisteren naar wat extreem-links zegt. Dat lukt vrij aardig, want meestal kan ik hun argumentatie makkelijk ontkrachten.

Ook klopt het niet dat `de advocaten' niet akkoord zouden gaan met een splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde. Er is een duidelijk verschil in de standpunten van de Nederlandse Orde van Advocaten bij de Balie te Brussel enerzijds en de Orde van Vlaamse Balies, de OVB, anderzijds.

Ik ben van mening dat een splitsing vanuit technisch en organisatorisch standpunt een goede zaak is. Het probleem van de tweetaligheid kan dan immers worden beperkt tot een kleiner gebied. Er komt dan een ééntalig gebied bij, waarvan bewezen is dat het vlotter werkt dan een tweetalig gebied.

Sommige van de argumenten van de minister over de tekst ten gronde zijn weliswaar juist, maar ze mag haar zaak, waarvoor goede argumenten voorhanden zijn, niet met foute argumenten verdedigen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Mijn wetsvoorstel voor een functionele splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde heeft in de eerste plaats de goede werking van de rechtbank als doelstelling.

De Nederlandse Orde van Advocaten bij de Balie te Brussel heeft terzake een duidelijk standpunt ingenomen.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-1515/6.)

-De artikelen 1 tot 6 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het einde van het mandaat van de korpschefs» (nr. 3-731)

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Enkele jaren geleden werd bij Justitie een systeem van mandaten van korpschef ingevoerd voor een periode van zeven jaar. Die periode loopt ten einde.

In uw algemene beleidsnota van november jongstleden had u het over de oprichting van een werkgroep die, in overleg met de gerechtelijke instanties, voorstellen zou formuleren met betrekking tot het systeem van mandaten, bedoeld voor uw kabinet.

Welk lot wacht de korpschefs op het einde van deze eerste periode? Kunnen ze opnieuw verkozen worden? Welke voorwaarden moeten worden vervuld? Waar gaan ze naartoe als ze niet verkozen worden? Gaat er niet te veel bekwaamheid verloren als ze door andere personen worden vervangen? Moeten deze korpschefs geen aangepaste opleiding krijgen? Hoe kan de ervaring van die eerste korpschefs op het einde van het mandaat optimaal worden geëvalueerd?

De werkgroep moest op eind 2004 een rapport bezorgen, waarop we ons zouden kunnen baseren voor concrete voorstellen voor de vernieuwing van de mandaten in 2007. Het zou gaan om ongeveer honderd korpschefs.

Hebt u het rapport van de werkgroep gekregen en indien ja, welke conclusies staan erin?

Hebt u al voorstellen of concrete bepalingen uitgewerkt om die hernieuwings- of vervangingsoperatie in de beste omstandigheden te doen verlopen, in het belang van het gerechtelijke apparaat en de rechtzoekenden?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - De werkgroep heeft vorige maand een analyse afgerond van het statuut van de korpschefs en de hernieuwing van hun mandaat. De rapporten zijn in de maak. Als ik ze gelezen heb, zal ik mijn standpunt bepalen en het akkoord van de Ministerraad vragen over de conclusies die ik zal trekken. Ik kan me daar nu dus nog niet over uitspreken, maar ik ben ervan overtuigd dat we dit op een serene wijze zullen kunnen oplossen. We voorzien immers in de hernieuwing van talrijke mandaten, maar de huidige situatie laat dat niet toe. De voorstellen van de werkgroep zouden ons daarin moeten helpen.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ik begrijp dat we niet dieper op deze kwestie kunnen ingaan omdat er geen rapporten zijn. De vice-eerste minister zal ons ongetwijfeld op de hoogte brengen van de concrete voorstellen die ze op basis daarvan zal uitwerken. Ik zal haar opnieuw ondervragen, mocht ze dat niet doen.

(De vergadering wordt geschorst om 17.10 uur. Ze wordt hervat om 17.30 uur.)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «het ontbreken van betrouwbare criminaliteitsstatistieken in ons land» (nr. 3-723)

De voorzitter. - De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt namens de heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Volgens de politiewetenschappers Ponsaers en Bruggeman zijn de criminaliteitscijfers in ons land onbetrouwbaar en is het dan ook zinloos en onverantwoord criminaliteitscijfers bekend te maken. De wetenschappers stellen vast dat België tussen 1994 en 2000 wel over degelijke criminaliteitsstatistieken beschikte, maar deze knowhow is door de politiehervorming verloren gegaan. De verantwoordelijkheid daarvoor zou volgens hen vooral bij de politie liggen. In 2001 werd een nieuw registratiesysteem ingevoerd, niet op 1 januari, zoals gebruikelijk, maar in het midden van het jaar. Bovendien werd het oude systeem onmiddellijk opgedoekt, wat controle of terugval op het oude systeem onmogelijk maakte. Bijgevolg zijn de misdaadcijfers voor de jaren 2001, 2002 en 2003 verloren gegaan. Pas in 2006 zouden we terug, met enige voorzichtigheid, kunnen spreken over een daling of een stijging van misdaadfenomenen.

De politiewetenschappers vragen zich af hoe de regering een geloofwaardig veiligheidsplan voor de jaren 2005-2008 kan opmaken waarin ze de prioriteiten voor het opsporingsbeleid vastlegt, zonder over betrouwbare cijfergegevens te beschikken. Ook over de ophelderingsgraad van de misdrijven heerst de grootste onduidelijkheid.

Tenslotte betreuren de auteurs het dat er geen enkele inspanning wordt gedaan om de activiteitsgraad van de politie te meten.

Welke conclusies trekt de vice-eerste minister uit het onderzoek van deze politiewetenschappers? Op welke basis zal een degelijk en betrouwbaar veiligheidsplan kunnen worden opgesteld, aangezien de politiestatistieken onbetrouwbaar zijn? Wanneer zullen er opnieuw betrouwbare en accurate criminaliteitsstatistieken worden gepubliceerd?

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Ik lees het antwoord van de vice-eerste minister.

Op 24 maart heb ik hier al uitvoerig gereageerd op het artikel van de professoren Ponsaers en Bruggeman in Panopticon over de politiële statistieken.

Uit de uitleg van de federale politie besluit ik dat het helemaal niet zo erg gesteld is met de registrering van criminaliteitsgegevens in de nationale gegevensbank, integendeel. De door de geïntegreerde politie geregistreerde criminaliteitsgegevens zijn nog nooit zo volledig geweest als nu. Vroeger gebeurde dit immers afzonderlijk door de lokale politie en de rijkswacht.

Sinds 2002 werd gestart met het werken op een geïntegreerde manier. De gegevensverwerking verloopt steeds beter, omdat een kwaliteitscontrole wordt uitgevoerd. Voorts bestaat er ook een permanente controle om dubbeltellingen te vermijden. Tot slot worden overal nog steeds dezelfde bronnen en dezelfde criteria aangewend. Zo werken alle politiezones vandaag met hetzelfde registratiesysteem, dat bovendien werd geautomatiseerd, wat heel wat voordelen met zich brengt. Niet alleen is er geen bijkomende werklast voor de zones, maar daarenboven dient dit systeem als controle op de kwaliteit en de volledigheid van de Algemene Nationale Gegevensbank.

Het systeem is ook constant blijven tellen. Er werd voor gezorgd dat er geen gegevens verloren zijn gegaan. Bij de politiehervorming werd de stroom van de gegevensinzameling voor statistische doeleinden dus op geen enkel ogenblik onderbroken.

Hieruit blijkt dat de premisse dat de criminaliteitstatistieken onbetrouwbaar zouden zijn, niet correct is. Het opstellen van goed onderbouwde veiligheidsplannen komt dus niet in het gedrang.

Voor statistische conclusies moet men uiteraard over cijfers kunnen beschikken die een voldoende lange periode bestrijken. Algemeen wordt aanvaard dat een periode van 5 jaar hiervoor volstaat. Vandaag kunnen de jaren 2000 tot en met 2003 al met elkaar worden vergeleken. Binnenkort komt 2004 erbij. Vorig jaar heb ik, samen met de verantwoordelijke van de federale politie, in de kamercommissie voor de Binnenlandse Zaken duidelijk beklemtoond dat, aangezien de geïntegreerde inzameling pas enkele jaren loopt, we tot 2006, 2007 zullen moeten wachten om betrouwbare vergelijkingen te kunnen maken.

De federale politie heeft nooit beweerd dat de ANG volledig is, maar jaar na jaar worden stappen in de goede richting gedaan. Voor het jaar 2003 beschikken we over 98,4% van alle gegevens.

We moeten bereiken dat de zones veel sneller hun gegevens aan het federale niveau doorgeven. Zonder zonegegevens kunnen er uiteraard geen volledige federale bestanden worden opgesteld. De zones moeten zich de discipline opleggen om steeds sneller gegevens door te zenden.

De cijfers voor 2003 werden op een heel genuanceerde manier gepresenteerd. Steeds wordt er beklemtoond dat het hier gaat om de door de politie geregistreerde criminaliteit. We moeten hierbij met vele factoren rekening houden, zoals de aangiftebereidheid van de burger, de politieactie, de registratie door de politie, en niet het minst de effectief gepleegde criminaliteit.

Toch komt uit de cijfers van 2003 één tendens duidelijk naar voren, en die wordt ook bevestigd door de cijfers van het eerste semester van 2004, namelijk dat een prioriteitsgerichte aanpak van bepaalde criminele fenomenen door de politie op termijn zijn vruchten afwerpt.

De cijfers zullen verder steeds sneller kunnen worden bekendgemaakt. Terwijl we in de voorbije jaren telkens het jaareinde moesten afwachten vooraleer de cijfers van het vorige jaar konden worden bekendgemaakt, kon nu al een eerste betrouwbare presentatie worden gegeven van de cijfers van het eerste semester 2004.

We werken nu aan een betrouwbaar systeem dat ons moet helpen om over ongeveer twee jaar de nodige beleidsconclusies te kunnen trekken.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Aangezien ik de liefde van minister De Decker voor statistieken goed ken, zal ik deze statistische discussie hier niet verder voeren. Bij gelegenheid kom ik er wel op terug in aanwezigheid van de minister van Binnenlandse Zaken zelf.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Mobiliteit over «het aantal vervalste rijbewijzen in ons land» (nr. 3-725)

De voorzitter. - De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking antwoordt namens de heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Uit cijfers van de dienst CDBV, die zich met vervalsingen bezighoudt, blijkt dat de politie vorig jaar 9.840 verdachte rijbewijzen heeft gecontroleerd en 1.213 vervalste rijbewijzen in beslag heeft genomen. Twaalf procent van de gecontroleerde verdachte rijbewijzen waren met andere woorden vals. De vervalsers blijken bovendien een voorkeur te hebben voor buitenlandse rijbewijzen.

Een Franse wetenschapper berekende dat er zeker 2,7 miljoen valse Franse rijbewijzen in omloop zijn. Van die vervalste rijbewijzen zou eenderde gebruikt worden om een auto te mogen besturen. De rest zou dienen als `bewijsstuk' bij bedrog of voor het verkrijgen van andere identiteitsbewijzen.

Is er een merkelijke stijging waar te nemen van het aantal vervalste rijbewijzen?

Welke maatregelen wil de minister nemen om het vervalsen van rijbewijzen te bemoeilijken?

Acht de minister het raadzaam specifieke controles te organiseren naar de echtheid van de rijbewijzen?

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - De Centrale Dienst voor de Bestrijding van Valsheden (CDBV) van de Federale Politie heeft in 2004 9.840 rijbewijzen gecontroleerd. Het gaat vooral om niet-Europese rijbewijzen die bij de gemeentelijke administraties worden ingediend in ruil voor een Belgisch rijbewijs. Hoewel het aantal gecontroleerde rijbewijzen met 13,5% is gedaald, is het aantal vervalsingen met ongeveer 39% toegenomen: van 872 in 2003 tot 1.213 in 2004.

In 2003 werden er 101 Belgische rijbewijzen onderschept, in 2004 waren er dat 200. Meestal gaat het om blanco documenten die uit onze administraties werden gestolen en illegaal werden geïndividualiseerd om dikwijls in een ander land ter omruiling te worden aangeboden.

De andere vragen betreffen materies waarvoor mijn collega voor Mobiliteit bevoegd is. Ik geef de heer Vandenberghe de elementen van antwoord die de minister mij heeft bezorgd.

De Europese Unie heeft voorschriften uitgevaardigd voor het nieuwe Europese rijbewijs, dat de vorm van een bankkaart van polymeer zou moeten krijgen. Ook het gebruik van een chip wordt overwogen.

De ontwikkeling van een dergelijke kaart door België zal het aantal diefstallen en vervalsingen ongetwijfeld doen dalen. Een dergelijk rijbewijs moet immers gecentraliseerd worden gemaakt, waardoor geavanceerde beveiligingselementen geïmplementeerd kunnen worden. Dit systeem werd enkele jaren geleden al met succes ingevoerd voor de identiteitskaarten.

Voor de controle van de Belgische rijbewijzen geeft de CDBV opleidingen aan het gemeentepersoneel over de herkenning van valse documenten. De omzendbrief OOP 17 omschrijft de procedure voor het omruilen van buitenlandse rijbewijzen tegen een Belgisch rijbewijs. Hoewel de CDBV enkel een tweedelijnscontrole dient uit te voeren, stellen wij vast dat deze dienst naar schatting 90% van de rijbewijzen controleert die bij de gemeenten worden ingediend.

Om dergelijke expertises te kunnen uitvoeren, beschikt deze dienst echter niet over alle vergelijkingsmodellen om met zekerheid uitsluitsel te kunnen bieden, hoewel reeds tal van vragen om documentatie tot de betrokken landen werden gericht. Bij gebrek aan vergelijkingsmodellen of bij twijfel omtrent de echtheid van het document, wordt het voordeel van de twijfel altijd aan de aanvrager gegund en wordt hem het Belgische document uitgereikt. Bovendien heeft deze dienst al de aandacht gevestigd op de redelijke twijfels omtrent de intrinsieke waarde van het voorgelegde buitenlandse rijbewijs.

Het is algemeen bekend dat sommige landen rijbewijzen gewoon tegen betaling uitreiken zonder dat een theoretisch of praktisch examen hoeft te worden afgelegd.

De betrokken departementen houden natuurlijk rekening met deze vaststellingen van deskundigen in het federale verkeersveiligheidsbeleid. De situatie wordt onderzocht om verbeteringen voor te stellen, zowel op het gebied van de strijd tegen vervalsingen als op het gebied van de waarborgen voor de rijvaardigheid van houders van buitenlandse rijbewijzen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Uit het antwoord blijkt dat er nog problemen zijn die zullen moeten worden opgelost via de internationale samenwerking.

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de gerechtelijke navordering van de RSZ-bijdragen» (nr. 3-736)

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - De inning van achterstallige sociale bijdragen verloopt niet zoals het hoort. Dat staat te lezen in een verslag over de gerechtelijke navordering van de RSZ-bijdragen dat het Rekenhof in juni 2004 publiceerde. Daarin werd de procedure van de gerechtelijke navordering onderzocht die de RSZ gebruikt om de bijdragen in te vorderen die bijdrageplichtige werkgevers niet volgens de reglementaire termijnen en voorwaarden hebben betaald. De audit had tot doel de doeltreffendheid en de doelmatigheid van dat proces te evalueren en indien mogelijk de resultaten ervan te beoordelen.

De audit heeft belangrijke tekortkomingen in de beheersinformatie en leemtes in de bestuursovereenkomst aan het licht gebracht. Het Rekenhof is `van oordeel dat de huidige stand van de bestuursovereenkomst en de opvolging ervan, althans wat de procedure van gerechtelijke navordering betreft, het niet mogelijk maken te stellen dat de RSZ haar activiteiten voldoende beheerst en evenmin een gegronde opinie te vormen over de graad van doeltreffendheid en doelmatigheid van de procedure van gerechtelijke navordering'.

Verder heeft het onderzoek aangetoond dat het beheer van de dossiers aanzienlijk kan worden verbeterd. Een behoorlijk aantal procedures blijft gedurende meerdere jaren openstaan, hoewel er in 80% van de gevallen een gerechtelijke uitspraak is binnen drie maanden nadat de zaak aan een advocaat is toevertrouwd. Zo staan ruim 47.500 procedures, of 1 op 5 dossiers, meer dan 10 jaar open. Een exact cijfer van de gemiste inkomsten kan het Rekenhof niet geven, aangezien de verkregen informatie van onvoldoende kwaliteit is.

Daarnaast heeft het Rekenhof vastgesteld dat het dwangbevel, dat de RSZ ervan vrijstelt zich tot de rechtbanken te richten, niet gebruikt wordt, hoewel de procedure in de wet is opgenomen. Er zijn nochtans argumenten die pleiten voor een gericht gebruik ervan. In zijn repliek op de audit opteert de RSZ voor een akkoord vóór vonnis als alternatief voor het dwangbevel. Op die manier zou de Rijksdienst de mogelijkheid krijgen om aan zijn debiteurs onder bepaalde voorwaarden betalingsfaciliteiten te verlenen.

In het verslag formuleert het Rekenhof een aantal aanbevelingen, met als voornaamste oogmerk de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de gerechtelijke navordering door de RSZ te verbeteren. Zo moeten de doelstellingen van de bestuursovereenkomst kwalitatief worden verbeterd. Ook het beheersinformatiesysteem dient te worden aangepast zodat het effectief een beheersinstrument zou worden dat het hele proces kan bestrijken. Dat vereist volgens het Rekenhof absoluut het ontwikkelen en erkennen van de functie van business analyst. De uitvoering van de verschillende aanbevelingen is geïntegreerd in een actieplan.

Hoe verklaart de minister het grote aantal procedures die gedurende meerdere jaren blijven openstaan?

Wat heeft de RSZ intussen al ondernomen om de zwakke punten die het Rekenhof aan het licht bracht, weg te werken? Welke maatregelen volgen er in de toekomst?

Welke stappen zal de minister nemen om de doelstellingen van de bestuursovereenkomst aan te passen aan de aanbevelingen uit het verslag van het Rekenhof? Binnen welke termijn zal dat gebeuren?

Is er intussen een business analyst aangeworven om de aanpassing van het beheersinformatiesysteem te coördineren?

Wat is de mening van de minister over het gebruik van het dwangbevel? Zal de minister op vraag van de RSZ de wetgeving aanpassen om een akkoord vóór vonnis mogelijk te maken?

Beschikt de RSZ intussen over correcte data die het mogelijk maken om de gemiste inkomsten veroorzaakt door het gebrekkig beheer van de dossiers, te berekenen? Indien dat het geval is, welk bedrag vertegenwoordigen die gemiste inkomsten in 2003 en 2004?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De audit van het Rekenhof gebeurde in overleg met de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en met zijn volledige medewerking. De Rijksdienst heeft immers permanent oog voor de verbetering van zijn procedures zonder de dagelijkse opvolging van de dossiers uit het oog te verliezen.

Het Rekenhof heeft niet vastgesteld dat de diensten die belast zijn met de invordering van achterstallige bijdragen, slecht werken, noch dat de Rijksdienst inkomsten zou mislopen.

Het Rekenhof heeft enkel vastgesteld dat een aantal zwakke punten de doeltreffendheid van de procedures bedreigen. Hieruit kan evenmin met zekerheid worden afgeleid dat de zwakke punten de resultaten van de gerechtelijke navordering beïnvloeden.

In elk geval trekt de Rijksdienst de nodige lessen uit de audit. Zo werd het aantal juristen die nodig zijn voor de goede werking, verhoogd.

De medewerkers die betrokken zijn bij de gerechtelijke invorderingen werd gevraagd om met de vaststellingen van het Rekenhof rekening te houden en geleidelijk de tekortkomingen in materies waarvoor ze bevoegd zijn, weg te werken. Het ontwerp van bestuursovereenkomst voor de periode 2006-2009 zal eveneens rekening houden met die vaststellingen. De navorderingsdiensten werken momenteel een systeem uit waarmee de externe medewerkers zoals de advocaten en de deurwaarders beter kunnen worden opgevolgd en geëvalueerd. Er wordt ook een softwaresysteem ontwikkeld waarmee de betrokken diensten en hun directies in staat zullen zijn de navorderingsprocessen beter te controleren en de risico's ervan te beheersen. Het mag niet uit het oog worden verloren dat het succes van de gerechtelijke invordering sterk afhangt van tal van externe factoren waarop de navorderingsdiensten van de RSZ geen vat hebben. Dat is het geval bij een gefailleerde onvermogende schuldenaar of bij een onvermogende schuldenaar die een beroep doet op een collectieve schuldenbemiddeling; dat is ook het geval bij een rechtspersoon die in vereffening is gesteld of die een gerechtelijk akkoord heeft bekomen.

In die gevallen kan de RSZ de gedwongen invordering van zijn schuldvorderingen immers niet voortzetten; ofwel staat de wet het niet toe, ofwel zijn de invorderingsmogelijkheden voorlopig of definitief onbestaande; ofwel zijn de invorderingskosten buitensporig groot in vergelijking met het in te vorderen bedrag.

Wanneer een schuldenaar een beroep doet op de procedure van collectieve schuldbemiddeling of een gerechtelijk akkoord aanvraagt, dient de RSZ de gedwongen invordering te staken voor de duur van de procedure.

Voorts betwisten een aantal schuldenaars hun schulden principieel, wat kan leiden tot zeer lange procedures voor de arbeidsrechtbanken.

In het licht van de vermelde externe factoren kan derhalve niet worden besloten dat het grote aantal openstaande procedures en mogelijk gemiste inkomsten te wijten zijn aan de gerechtelijke navorderingsdiensten die zich te weinig zouden inzetten. De invordering van ten minste een gedeelte van die schulden is twijfelachtig en de exacte opbrengst ervan kan niet bij voorbaat worden bepaald.

Anderzijds worden openstaande schulden waarvan definitief is vastgesteld dat ze niet invorderbaar zijn, voortaan ook effectief als oninbaar afgeboekt.

De functie van business analyst werd inmiddels erkend en opgenomen in het recentste personeelsplan van de RSZ. De potentiële kandidaten hebben een nauwkeurige functieomschrijving gekregen. Na de geplande interviews zal de meest geschikte kandidaat worden gekozen.

De betrokken diensten van de RSZ hebben de mogelijkheid tot toepassing van de techniek van het dwangbevel onderzocht. Hieruit is gebleken dat de toepassing van het dwangbevel die een specifieke praktische organisatie en een performant informaticacircuit vergt, alsook een wijziging van het standpunt van het beheerscomité van de RSZ, niet noodzakelijk een verbetering van de resultaten tot gevolg zou hebben.

De RSZ is van oordeel dat wel moet worden onderzocht of het noodzakelijk is een uitvoerbare titel voor te leggen voor alle verschuldigde achterstallen. Het rapport van het Rekenhof pleit voor een alternatief, namelijk dat de RSZ de mogelijkheid moet hebben om zijn debiteurs onder bepaalde voorwaarden betalingsfaciliteiten te verlenen zonder uitvoerbare titel. Na de nodige wetswijzigingen en de administratieve uitwerking ervan zou die mogelijkheid op middellange termijn kunnen worden geconcretiseerd.

Voor die minnelijke fase, ook de `derde weg' genoemd, werd een tekst voorbereid die door de regering zal moeten worden goedgekeurd. Hij wordt thans besproken door mijn medewerkers en die van mijn collega's en zou in de komende weken moeten kunnen worden voorgelegd.

De filosofie van deze tekst bestaat erin de RSZ en de schuldenaar ertoe aan te sporen een vergelijk te vinden voor de spreiding van de terugbetaling van de verschuldigde en niet-betwistbare bedragen, met dien verstande dat een dwangbevel zou moeten worden opgelegd indien de schuldenaar het akkoord niet naleeft.

Voor de cijfers voor 2003 en 2004 verwijs ik naar de jaarverslagen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid waarin alle details zullen worden opgenomen over inkomsten en uitgaven, dus ook de bedragen die via de gedwongen invordering werden geïnd.

Zoals vermeld, staat het helemaal niet vast dat het beheer van de navorderingsdossiers disfuncties vertoont of dat er sprake is van gemiste inkomsten.

De Rijksdienst probeert voor de bedragen die hem verschuldigd zijn een uitvoerbare titel te bekomen die, in geval van niet-betaling, zo snel mogelijk wordt uitgevoerd, tenzij uit de feiten blijkt dat de debiteur - al dan niet tijdelijk - onvermogend is.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Ik heb helemaal niet beweerd dat de dienst slecht functioneert. Ik verwees alleen naar het Rekenhof dat stelt dat hij niet in staat is de doeltreffendheid en doelmatigheid van de gerechtelijke invordering te onderzoeken omdat er gegevens ontbreken waarmee de dienst nauwkeurig kan bepalen of er al dan niet schade is geleden omdat bedragen niet correct en tijdig werden ingevorderd.

Er is dus een probleem van beheersinformatie, maar ik stel met genoegen vast dat men tegemoet komt aan de aanbevelingen van het Rekenhof. Er wordt een business analyst in dienst genomen en de software is aangepast. Ik stel ook vast dat de suggestie van de RSZ voor de afwezigheid van een dwangbevel, namelijk de mogelijkheid om afbetalingsafspraken te maken, in wetteksten zal worden omgezet. Dat bewijst dat er werk wordt gemaakt van de aanbevelingen van het Rekenhof.

Vraag om uitleg van de heer Frank Creyelman aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de lichte plofkoffers» (nr. 3-721)

De voorzitter. - De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt namens de heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken.

De heer Frank Creyelman (VL. BELANG). - Meer dan twee jaar geleden kondigde de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, de heer Duquesne, de lichte plofkoffer aan die het zelfstandigen mogelijk zou maken hun geld op een veilige en relatief goedkope manier naar de bank te brengen.

Tussen aankondiging en uitvoering ligt blijkbaar nogal wat verschil. Eerst werd de datum waarop de lichte plofkoffer op de markt zou komen, uitgesteld tot begin 2004. Toen de minister in die periode opnieuw naar de stand van zaken werd gevraagd, gaf hij te kennen dat twee prototypes van neutralisatiesystemen werden getest om te controleren of ze wel aan de veiligheidsvoorwaarden voldeden. Ongeveer een half jaar later, in juni 2004, verklaarde hij dat er de voorbije maanden belangrijke stappen waren gedaan om van de kleine plofkoffer een gebruiksvriendelijk product te maken, maar van een concrete invoering was nog steeds geen sprake. Op dat ogenblik bevonden twee producten, één van Zwitserse en één van Britse makelij, zich in de laatste testfase.

Op de bijzondere ministerraad over veiligheid en justitie van 30 en 31 maart 2004 werd op aandringen van UNIZO, het Liberaal Verbond voor Zelfstandigen en het Neutraal Syndicaat voor Zelfstandigen beslist om het organisatorisch kader met betrekking tot deze aangelegenheid, vastgelegd bij koninklijk besluit van 7 april 2003 en bij CAO van 8 mei 2003, grondig te herzien. Begin juni werden de gesprekken met de vakbonden gestart. Nu, opnieuw een jaar later, is de lichte plofkoffer er nog steeds niet.

Klopt het dat het koninklijk besluit ter zake nog steeds niet werd gewijzigd, zoals nochtans beloofd op de superministerraad over veiligheid en justitie? Zo neen, waaraan is dat te wijten?

Werd de CAO inmiddels herzien en, zo neen, waarom niet?

Werd tot op heden al een type van lichte plofkoffer gehomologeerd? Zo ja, welk type? Zo neen, wat is hiervoor de reden?

Wanneer denkt de minister dat de lichte plofkoffers eindelijk op de markt zullen zijn? Welke bijkomende problemen dienen daarvoor nog uit de weg te worden geruimd?

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - In het najaar van 2004 heeft het kabinet van Binnenlandse Zaken met ieder van de betrokkenen uit de sector afzonderlijk een onderhoud gehad. Uit die gesprekken is gebleken dat een geschikte oplossing die zowel tegemoetkomt aan de marktbehoeften als aan de eisen van de sector van het waardetransport, niet eenvoudig is. Dat komt onder meer omdat het transport met lichte plofkoffer bij CAO onderworpen wordt aan veiligheidsmaatregelen waarin de wet op de private veiligheid niet voorziet. Om zulke situaties in de toekomst te voorkomen, werd de minister onder wiens bevoegdheid de paritaire comités vallen, gevraagd op het CAO-overleg niet meer te onderhandelen over veiligheidsmaatregelen die moeten worden geregeld in uitvoering van de wet op de private veiligheid.

De problematiek maakt deel uit van een geheel van maatregelen die zullen leiden tot een algemene herziening van de regelgeving inzake waardetransport. De belangrijkste maatregel heeft betrekking op de veralgemening van het gebruik van neutralisatiesystemen bij het detailvervoer van geldbiljetten. De besprekingen daarover zijn aan de gang.

Ondertussen heeft de minister van Binnenlandse Zaken twee types lichte plofkoffer goedgekeurd. Het betreft een koffer van een Zwitserse producent en een van een Zweedse producent. Beide zijn uitgerust met een gleuf waarin biljetten verpakt in een enveloppe kunnen worden gedeponeerd.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp houdende de omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn 2001/29/EG van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (Stuk 3-1073) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - We stemmen eerst over amendement 13 van mevrouw Durant.

Stemming 1

Aanwezig: 57
Voor: 2
Tegen: 46
Onthoudingen: 9

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 14 van mevrouw Durant.

Stemming 2

Aanwezig: 58
Voor: 4
Tegen: 47
Onthoudingen: 7

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 15 van mevrouw Durant.

Stemming 3

Aanwezig: 58
Voor: 3
Tegen: 39
Onthoudingen: 16

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 16 van mevrouw Durant.

Stemming 4

Aanwezig: 56
Voor: 4
Tegen: 45
Onthoudingen: 7

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 17 van mevrouw Durant.

Stemming 5

Aanwezig: 57
Voor: 3
Tegen: 47
Onthoudingen: 7

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 18 van mevrouw Durant.

Stemming 6

Aanwezig: 57
Voor: 3
Tegen: 45
Onthoudingen: 9

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 1 van de heer Steverlynck.

Stemming 7

Aanwezig: 56
Voor: 19
Tegen: 37
Onthoudingen: 0

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 2 van de heer Steverlynck.

Stemming 8

Aanwezig: 57
Voor: 17
Tegen: 38
Onthoudingen: 2

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 19 van mevrouw Durant.

Stemming 9

Aanwezig: 56
Voor: 2
Tegen: 40
Onthoudingen: 14

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 20 van mevrouw Durant.

Stemming 10

Aanwezig: 58
Voor: 2
Tegen: 40
Onthoudingen: 16

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 21 van mevrouw Durant.

Stemming 11

Aanwezig: 55
Voor: 2
Tegen: 39
Onthoudingen: 14

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 22 van mevrouw Durant.

Stemming 12

Aanwezig: 57
Voor: 2
Tegen: 39
Onthoudingen: 16

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 7 van de heer Brotcorne.

Stemming 13

Aanwezig: 57
Voor: 13
Tegen: 44
Onthoudingen: 0

-Het amendement is niet aangenomen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor amendement 8 van de heer Brotcorne. Het amendement is dus niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 23 van mevrouw Durant.

Stemming 14

Aanwezig: 59
Voor: 4
Tegen: 39
Onthoudingen: 16

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 117 van de heer Brotcorne.

Stemming 15

Aanwezig: 58
Voor: 20
Tegen: 38
Onthoudingen: 0

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming 16

Aanwezig: 59
Voor: 38
Tegen: 21
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 28 maart 1984 op de uitvindingsoctrooien, wat betreft de octrooieerbaarheid van biotechnologische uitvindingen (Stuk 3-1088) (Evocatieprocedure)

Stemming 17

Aanwezig: 59
Voor: 55
Tegen: 2
Onthoudingen: 2

-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen, en met de Bijlagen A, B, C, D, E en F, gedaan te Stockholm op 22 mei 2001 (Stuk 3-1019)

Stemming 18

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 53, §6, en 54bis van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en tot invoeging in die wet van een artikel 54ter en een artikel 66bis (Stuk 3-1074)

Stemming 19

Aanwezig: 59
Voor: 43
Tegen: 7
Onthoudingen: 9

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 21 april 2005

's morgens om 10 uur

1. Voorstel tot herziening van artikel 142, eerste lid, van de Grondwet (van mevrouw Anne-Marie Lizin c.s.); Stuk 3-1052/1 tot 3.

2. Voorstel tot wijziging van de terminologie van de Grondwet (van mevrouw Anne-Marie Lizin c.s.); Stuk 3-1053/1 tot 3.

3. Evocatieprocedure
Wetsontwerp betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid; Stuk 3-1122/1 tot 3. (Pro memorie)

's namiddags om 15 uur

1. Inoverwegingneming van voorstellen.

2. Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

3. Hervatting van de agenda van de ochtendvergadering.

4. Evocatieprocedure
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor de onwerkzame voorlopige hechtenis, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van sommige bepalingen van het Wetboek van strafvordering; Stuk 3-1100/1 tot 3. (Pro memorie)

5. Art. 81, derde lid, en art. 79, eerste lid, van de Grondwet
Wetsontwerp betreffende de follow-up van het optreden van de regering op het stuk van de Millenniumdoelstellingen inzake ontwikkeling; Stuk 3-579/6 en 7. (Pro memorie)

6. Wetsontwerp houdende instemming met de volgende Internationale Akten:
1º Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake het gebruik van informatica op douanegebied, gedaan te Brussel op 26 juli 1995;

2º Akkoord betreffende de voorlopige toepassing tussen een aantal lidstaten van de Europese Unie van de op basis van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie opgestelde Overeenkomst inzake het gebruik van informatica op douanegebied, gedaan te Brussel op 26 juli 1995;

3º Protocol opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst inzake het gebruik van informatica op douanegebied, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996;

4º Protocol opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende het toepassingsgebied van het witwassen van opbrengsten in de Overeenkomst inzake het gebruik van informatica op douanegebied, alsmede betreffende de opneming van het registratienummer van het vervoermiddel in de Overeenkomst, en Verklaringen, gedaan te Brussel op 12 maart 1999; Stuk 3-1030/1 en 2.

7. Wetsontwerp houdende instemming met de volgende Internationale Akten:
1º Kaderovereenkomst voor een multilateraal Milieuprogramma op het vlak van kernenergie in de Russische Federatie;

2º Protocol betreffende de rechtsvorderingen, de rechtsplegingen en de schadevergoeding bij de Kaderovereenkomst voor een multilateraal Milieuprogramma op het vlak van kernenergie in de Russische Federatie,

gedaan te Stockholm op 21 mei 2003; Stuk 3-1047/1 en 2.

8. Voorstel van resolutie betreffende het beleid inzake non-proliferatie en nucleaire ontwapening (van de heer Patrik Vankrunkelsven c.s.); Stuk 3-985/1 tot 4.

Vanaf 18 uur:

a) Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

b) Naamstemmingen over de afgehandelde grondwetsbepalingen (Stemming met de meerderheid bepaald in artikel 195, laatste lid, van de Grondwet).

9. Vragen om uitleg:

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Stemmingen

Moties ingediend tot besluit van de vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de onrust bij de studenten kinesitherapie» (nr. 3-711), gesteld in plenaire vergadering op 24 maart 2005

De voorzitter. - We stemmen over de gewone motie, die voorrang heeft.

Stemming 20

Aanwezig: 59
Voor: 37
Tegen: 21
Onthoudingen: 1

-De gewone motie is aangenomen.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Ik heb mij onthouden omdat de ingediende motie nogal breed is en de regering uitnodigt haar beleid ten opzichte van de kinesitherapeuten te wijzigen en tegemoet te komen aan de verantwoorde eisen van die beroepsgroep. De heer Vandenberghe, die jurist is, zal moeten toegeven dat dit een zeer ruime vraag is. Dat alleen al is een reden om zijn motie niet goed te keuren. Dat neemt niet weg dat mijn vraag een bezorgdheid over de studenten inhield en dat wij dus ook niet zomaar kunnen overgaan tot de orde van de dag. Zij staan voor heel wat onzekerheid, met name door het aangekondigde koninklijk besluit dat de selectie zal organiseren van de kinesitherapeuten die een nomenclatuurnummer krijgen binnen het RIZIV. De VLD is het met de minister eens dat de in het verleden aangegane engagementen moeten worden nagekomen en dat het examen zo snel mogelijk moet kunnen worden georganiseerd. Onze zorg is vooral dat de studenten, die in juni afstuderen, volgens het antwoord van de minister tot in december zouden moeten wachten voor zij aan de slag kunnen gaan. Het is sociaal niet aanvaardbaar mensen te dwingen om vijf à zes maanden in de werkloosheid te blijven of op kosten van hun ouders of hun familie te leven. De minister is het met mij zeker eens dat wij daarvoor een oplossing moeten proberen te zoeken. Er zijn twee mogelijkheden. Ofwel probeert men de selectieproef veel vroeger te organiseren zodat die aansluit bij het examen aan de universiteit, ofwel probeert men - en dat is mij vandaag bevestigd - een tijdelijke nomenclatuurnummer toe te kennen. Om die redenen heb ik mij onthouden.

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de erkenningsprocedure bij een algemene ramp» (nr. 3-739)

De voorzitter. - De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt namens de heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Als in een gemeente schade werd veroorzaakt door slechte weersomstandigheden, kan de burgemeester via de gouverneur een erkenningsprocedure opstarten om deze te laten erkennen als algemene ramp, waarvoor de normen zijn opgenomen in de ministeriële rondzendbrief van 30 november 2001.

De aanvragen voor schadevergoeding moeten worden ingediend bij de gouverneur uiterlijk op de laatste dag van de derde maand volgend op de maand waarin het koninklijk besluit dat het noodweer als algemene ramp erkent is verschenen in het Belgisch Staatsblad.

De procedure staat beschreven in het koninklijk besluit van 18 augustus 1976. De dienst Rampenschade staat als onderdeel van de dienst Rampenplanning in voor de behandeling van de dossiers.

Er is echter een probleem met betrekking tot de periode tussen de ramp enerzijds en de erkenning anderzijds. Deze periode is erg lang. Om dit te schetsen verwijs ik naar de ramp van 30 april en 1 mei 2004 met hagelbuien, waarvan de Ministerraad onlangs heeft beslist om de feiten te erkennen als ramp. Het koninklijk besluit daarover is echter nog niet gepubliceerd. Vanaf de publicatie hebben de getroffenen de mogelijkheid om een dossier in te dienen gedurende drie maanden, te beginnen met de maand volgend op de maand van de publicatie. Voordat de deskundigen van de gouverneur vaststellingen kunnen of mogen doen, is een jaar gepasseerd. Dit maakt dat normaliter geen vaststellingen de visu meer kunnen gebeuren. Bewijzen van schade moeten worden gebaseerd op vaak onduidelijke foto's of gebrekkige verslagen. De FOD Binnenlandse Zaken, die de dossiers van de gouverneur controleert, trekt de bewijsvoering van de getroffenen dan ook vaak terecht in twijfel. Het is triest dat de getroffenen geen vergoeding voor geleden schade kunnen ontvangen omdat de overheid zolang talmde met de erkenning. Dat is geen bewijs van behoorlijk bestuur.

Kan de minister van Binnenlandse Zaken de erkenningsprocedure niet sneller laten verlopen om rechtsonzekerheid bij de slachtoffers van toekomstige rampen te voorkomen?

De geschiedenis bewijst alleszins dat het ook anders kan. De ramp van 13, 14 en 15 september 1998 werd door de regering Dehaene erkend bij besluit van 18 september 1998 en gepubliceerd op 19 september 1998.

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Vooraleer de hevige regenval van 30 april en 1 mei 2004 als algemene ramp kon worden erkend, dienden de diensten van de minister van Binnenlandse zaken na te gaan of aan de in de omzendbrief van 30 november 2001 vooropgestelde criteria werd voldaan: de materiële schade moest omvangrijk zijn en het schadefeit moest een uitzonderlijk karakter hebben.

Alhoewel op basis van de door de provinciegouverneurs verstrekte informatie vlug kon worden besloten dat aan het financieel criterium was voldaan, was er heel wat onderzoek in samenspraak met het KMI nodig omtrent de territoriale uitgestrektheid van de ramp. Niet alle door de provinciegouverneurs opgegeven gemeenten waren immers sterk geteisterd.

Het KMI bleef bovendien in eerste instantie zeer voorzichtig in zijn advies inzake de raming van de neerslaghoeveelheden.

Pas dit jaar kon het administratief onderzoek van het dossier worden afgesloten met een gunstig advies van de minister van Begroting en van de Ministerraad.

Het erkenningsbesluit zal eerstdaags worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Vanzelfsprekend kan in bepaalde gevallen, wanneer alle gegevens duidelijk en overtuigend zijn, de erkenningsprocedure veel sneller verlopen, zoals in het verleden reeds bewezen werd.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Ik hoop inderdaad dat de regering en de minister sneller werk zullen maken van de erkenningsprocedure omdat het voor de slachtoffers zeer vervelend is een jaar na de feiten nog te moeten discussiëren over de vraag of er al dan niet een vochtvlek is geweest. Daar heeft niemand baat bij. In het verleden is bewezen dat het sneller kan.

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de kostenverdeling van de brandweerkorpsen» (nr. 3-741)

De voorzitter. - De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking antwoordt namens de heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Naar verluidt zet een auditoraatsverslag van de Raad van State de financiering op de helling van de kostenverdeling van de brandweerkorpsen tussen de gemeenten, zoals bepaald in het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 tot vaststelling van de normen voor het behalen van de forfaitaire en jaarlijkse bijdragen bedoeld in artikel 10 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming.

De gouverneur zou niet over de rechtsgrond beschikken om de bijdrage vast te stellen, rekening houdende met de regionale en lokale verschillen. Het ministerieel besluit terzake zou te vaag zijn. De normen zijn onvoldoende duidelijk en concreet omschreven.

Is de minister hiervan op de hoogte?

Hoe zal dit probleem aangepakt worden?

Wat zijn de gevolgen voor het verleden?

Denkt de minister een nieuwe regeling te kunnen uitwerken en zo ja op welke basis?

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - De minister van Binnenlandse zaken is op de hoogte van het auditoraatsverslag over de kostenverdeling van de brandweerkorpsen. In elk geval moet een uitspraak van de Raad van State worden afgewacht voor een definitieve regeling kan worden bepaald. Ondertussen heeft de minister zijn administratie gevraagd een oplossing voor te bereiden die zeker een aanpassing van de reglementering zal inhouden.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Het antwoord is nogal vaag. De minister zegt dat hij waarschijnlijk wel een oplossing zal vinden. Ik had graag geweten wat de contouren van die oplossing zijn. Ik ben er vooral bezorgd over dat er geen oplossing komt voor wat zich in het verleden voordeed. Voor de betrokken gemeenten is dat nochtans belangrijk.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de situatie in Togo» (nr. 3-735)

De voorzitter. - de heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt namens de heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Op 22 april a.s. worden er in Togo presidentsverkiezingen georganiseerd. De situatie in Togo is explosief. Er bestaat een reëel gevaar dat bij vervalsingen van de verkiezingen en het herstel van de oude orde rellen zullen uitbreken met kans op een burgeroorlog.

De internationale gemeenschap heeft een rol te spelen. Het sturen van waarnemers is essentieel voor een monitoring van het democratische proces van de verkiezingen. De Verenigde Naties hebben hun bezorgdheid geuit over de situatie en hopen op een vreedzame oplossing. Ook de Europese Unie veroordeelde de staatsgreep en riep op om de grondwet te respecteren.

De vraag rijst in welke mate de internationale gemeenschap, de Europese Unie en de lidstaten waarnemers zullen sturen om de verkiezingen in Togo te observeren. Noch de Europese Commissie, noch het Europees Parlement zouden waarnemers sturen. Verschillende Europese lidstaten, waaronder Duitsland, en de Verenigde Staten daarentegen wel.

Wat is het standpunt van België ten aanzien van de situatie in Togo? Zal België waarnemers sturen? Welk standpunt neemt België in binnen de Europese Raad inzake de situatie in Togo en het sturen van waarnemers? Worden er op Europees niveau maatregelen genomen inzake conflictpreventie om te vermijden dat er een conflicthaard zou ontstaan na de verkiezingen?

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - De Belgische regering volgt nauwlettend de situatie in Togo, met name hoe deze zich verder ontwikkelt tegen de achtergrond van de onlusten die na het overlijden van President Eyadéma op 5 februari 2005 zijn ontstaan. Ons land heeft geen diplomatieke vertegenwoordiging in Togo en alles wat verband houdt met mensenrechten en goed bestuur wordt dan ook vooral via de Europese Unie gevolgd.

Het aftreden van Faure Gnassingbé op 25 februari was voor België het sein voor de geleidelijke terugkeer naar een grondwettelijke orde die de weg vrijmaakt voor vrije en transparante presidentsverkiezingen. Deze verkiezingdatum is vastgesteld op 24 april 2005. De verkiezingscampagne loopt van 8 tot 22 april.

De huidige in de Europese Unie geldende procedures voor verkiezingswaarnemingen maken dat geen waarnemingsmissie kan worden gestuurd. België overweegt evenmin om zelf waarnemers te sturen.

De EU beseft hoe belangrijk de rol van de internationale waarnemers is en zal in nauwe samenwerking met de ECOWAS en het UNPD dit opzet blijven steunen. De Europese Commissie heeft in het vooruitzicht van de bemiddelingstaak van ECOWAS 238.000 euro uitgetrokken voor de waarnemingsmissie van deze regionale organisatie (200.000 euro voor de waarnemers van de ECOWAS en 38.000 euro voor verkiezingsdeskundigen), zonder evenwel gebonden te zijn door de analyse van de resultaten. Alles bijeen wil de ECOWAS 75 waarnemers sturen. Voorts zou de Conseil permanent de la francophonie op 8 april beslissen over het sturen van een waarnemingsmissie.

België dringt er tevens op aan dat de verbintenissen die de Togolese regering in het raam van het overleg uit hoofde van artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou is aangegaan, worden nagekomen. Zo moet met name een nationale politieke dialoog worden gevoerd teneinde een voor alle partijen aanvaardbaar verkiezingskader voor de presidents- en parlementsverkiezingen uit te werken.

We moeten de inspanningen van de ECOWAS en de Afrikaanse Unie om een geslaagde overgang te bewerkstelligen en het houden van vrije en transparante verkiezingen te vergemakkelijken, blijven steunen. Het is de bedoeling dat de Europese Unie op de vooravond van de verkiezingen in een verklaring herinnert aan de noodzaak dat de nodige democratische voorwaarden voor de verkiezingen aanwezig zijn.

Minister De Gucht heeft tijdens zijn recente gesprekken met de president van Nigeria Obasanjo, die voorzitter is van de Afrikaanse Unie, gewag gemaakt van zijn bekommernis over de situatie in Togo. Ook heeft hij zijn waardering geuit voor de inspanningen die werden geleverd om voor de crisis een oplossing te vinden die beantwoordt aan democratische normen.

De EU-werkgroepen volgen de situatie in Togo op de voet. Ze laten zich hierbij leiden door de gegevens en analyses van de missiehoofden in Lomé. België zal de meest recente ontwikkelingen in Togo uiteraard van nabij blijven volgen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik dring erop aan dat België ook effectief waarnemers stuurt. De verkiezingen zijn immers van cruciaal belang voor Togo.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Werk over «de houding van België binnen de Europese Unie ten aanzien van Myanmar» (nr. 3-743)

De voorzitter. - De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt namens de heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Het probleem van de verplichte tewerkstelling in Birma/Myanmar sleept al jaren aan. Vermoed wordt dat ongeveer 800.000 Birmanen, vooral armen en etnische minderheden, op die manier al jarenlang het slachtoffer zijn van mensenrechtenschendingen. Het Birmese leger is de grootste boosdoener. Het wordt er zelfs van verdacht minderjarigen onder dwang te rekruteren. Bij weigering krijgen de slachtoffers boetes opgelegd of worden ze geslagen, gemarteld of zelfs vermoord.

Daarom ging de Internationale Arbeidsorganisatie in 2000 over tot een in haar geschiedenis uitzonderlijke maatregel: de jaarlijkse conferentie van de IAO nam een resolutie aan waarin ze aan alle regeringen, bedrijven en vakbonden vraagt hun betrekkingen met Birma te herzien om niet bij te dragen tot het probleem van verplichte tewerkstelling.

In maart 2005 heeft de IAO deze resolutie opnieuw bevestigd en verklaard dat de wait-and-see-houding van sommige lidstaten niet langer houdbaar is. De IAO roept de lidstaten op hun positie over het opleggen van economische sancties te herzien. Tevens besliste de IAO dat het militaire regime van Birma drie maanden krijgt om zijn engagement in de strijd tegen de verplichte tewerkstelling duidelijk te tonen. De IAO dreigt met sancties tegen Birma als het tegen juni nog geen beterschap toont.

De Verenigde Staten verbieden al sinds 1997 elke nieuwe investering in Birma en hebben sinds 2003 alle commerciële betrekkingen bevroren. De Europese Unie neemt een gematigder houding aan en gaat uit van het concept dat economische ontwikkeling automatisch bijdraagt tot meer democratie. Vreemd, aangezien de legitieme democratische vertegenwoordigers van Birma, de National League for Democracy, NLD, de internationale gemeenschap al jaren oproepen niet langer in het land te investeren. Meer nog, de NLD, maar ook internationale humanitaire organisaties en NGO's pleiten voor economische sancties tegen strategische sectoren, zoals de olie-, gas-, en houtsector, gecombineerd met diplomatieke initiatieven voor een VN-interventie.

Op de Europese Ministerraad in april 2005 zal de Europese Unie een nieuw standpunt innemen. België moet ter zake een strengere houding aannemen. Dat is tenminste mijn overtuiging en die van vele anderen. De Europese Unie zou beschikken over een lijst van bedrijven waarmee geen handel mag worden gedreven, maar bedrijven uit strategische sectoren, zoals olie, gas en hout, zouden er niet op voorkomen.

Welke houding zal België aannemen op de Europese Ministerraad? Wat is het standpunt van de minister omtrent de problematiek van de verplichte tewerkstelling in Birma? Steunt hij de eis van de democratische partij van Birma?

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - De verlenging van de restrictieve maatregelen tegen Birma/Myanmar verdeelt de Raad. In september 2004 is onder politieke druk en om de ASEM-Top te Hanoi niet te hypothekeren, besloten de sancties te verharden. De weigering van visa aan leden van het regime en de bevriezing van hun tegoeden werden uitgebreid tot alle militairen vanaf de rang van brigadegeneraal. Ook is er een verbod ingesteld tegen buitenlandse investeringen in Birmese staatsbedrijven. De ambassadeurs van de EU te Yangon hebben intussen een bijkomende lijst opgesteld van 55 bedrijven die onder de sancties vallen.

De werkgroep COASI van de Raad is op 31 maart 2005 tot de conclusie gekomen dat het standpunt van de Unie wel vernieuwd, maar niet verstrakt moet worden. Zo zou het visaverbod niet uitgebreid moeten worden tot minderjarigen. Ook kwam het lot van de hierboven vermelde 55 bedrijven ter discussie. Sommige lidstaten wensten de lijst van bedrijven niet uit te breiden, andere, waaronder België, wel.

Gezien de huidige verdeeldheid zal de aangelegenheid wellicht naar het Comité van de permanente vertegenwoordigers (Coreper) worden doorverwezen. De werkgroep COASI is tevens overeengekomen de dialoog met Yangon open te houden en de coördinatie met de ASEAN over de kwestie Birma te verbeteren.

Mevrouw de Bethune weet ongetwijfeld dat binnen de EU sinds geruime tijd een debat aan de gang is over de efficiëntie van economische sancties en over de mogelijke negatieve gevolgen ervan voor de lokale bevolking. Ze heeft zonder twijfel ook al vernomen dat landen als India en China hun economische aanwezigheid in Myanmar om diverse redenen aan het versterken zijn, waardoor het effect van economische sancties door de Westerse landen meer dan geneutraliseerd wordt. Niettemin zal ik op de Europese ministerraad pleiten voor hardere sancties tegen staatsbedrijven in dat land.

De recente 292ste bijeenkomst van de beheerraad van de IAO is over de kwestie Myanmar tot een tweeledig besluit gekomen: hij wil de bestaande sancties `herbekijken' en hij eist van Myanmar een concrete vooruitgang tussen nu en de IAO-conferentie van juni dit jaar. Hoewel de IAO zelf zegt dat hiermee een einde komt aan de afwachtende houding van de voorbije jaren, komt deze beslissing neer op alweer een nieuw uitstel voor Myanmar.

De beheerraad heeft na een moeizame discussie beslist dat de resolutie over Myanmar van 2000 `gerevitaliseerd' dient te worden. Op basis van deze resolutie had een aantal landen economische sancties en andere maatregelen getroffen, die echter in 2001 door bijna alle landen opgeschort werden, daar Myanmar op dat moment enige wil tot samenwerking met de IAO leek te vertonen.

De situatie is thans zo geëvolueerd dat een afwachtende houding geen zin meer heeft. Vanaf nu zal de IAO aan alle betrokken actoren vragen om op geregelde tijdstippen verslag uit te brengen van de sancties of andere maatregelen die werden uitgevaardigd, of desgevallend waarom zulks niet is gebeurd. In feite wil de IAO dus een inventariseringsproces starten van de sancties tegen Myanmar, een proces dat hopelijk tegen juni al resultaten kan opleveren.

Tegelijkertijd wil de beheerraad op enkele concrete punten vooruitgang zien langs Birmaanse zijde. Zo moet er een begin gemaakt worden met de implementatie van de aide-mémoire die werd opgesteld door het very High-Level Team (vHLT), van de bepalingen in verband met de bewegingsvrijheid en de versterking van het IAO-verbindingskantoor. De beheerraad vraagt verder ook de vrijlating van de syndicalist Shwe Mahn.

Tijdens de IAO-conferentie van juni 2005 kan dan de vooruitgang inzake deze maatregelen concreet getoetst worden aan de wil tot samenwerking die Myanmar tijdens de komende maanden aan de dag zal leggen.

Myanmar heeft dus weer een trimester uitstel gekregen, onder andere omdat de meeste delegaties als de dood waren voor het kortwieken van de verbindingsofficier indien Myanmar het genomen besluit als een sanctie zou interpreteren.

Uiteindelijk lijkt de houding van de IAO en haar leden Myanmar niet te raken zolang het zich gesteund voelt door China en in mindere mate door India en de ASEAN. In die zin zijn de verklaring van Japan op de beheerraad en de uitlatingen van Maleisië aan de pers hoopgevend te noemen. Feit is alleszins dat de soft sanctions van de IAO in een dergelijk klimaat weinig resultaat kunnen opleveren. De druk op Myanmar zal uit de regio - ASEAN, Japan - zelf moeten komen en tegelijkertijd moet de hele problematiek in een breder mensenrechtelijk en politiek kader worden aangepakt.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik ben blij dat de minister van Buitenlandse Zaken ervan overtuigd is dat België in de Europese Ministerraad voor strengere sancties tegen Birma moet pleiten. De gelaten houding van de Europese Unie heeft in de voorbije jaren geen resultaat opgeleverd. We moeten dus wel kiezen voor een hardere lijn, zoals de Verenigde Staten dat reeds enkele jaren doen. Ik moedig de minister aan om namens België op Europees niveau een harde lijn te bepleiten en er veel diplomatieke acties rond te voeren.

Er is natuurlijk het probleem van de diplomatieke relaties in de regio en in Azië. Ook dat moet zowel door de Europese Unie als door België aan de orde worden gesteld in de betrekkingen met landen zoals Japan en andere.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de situatie in Darfur en het mogelijk optreden van België en de EU» (nr. 3-742)

De voorzitter. - de heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt namens de heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Volgens een recent onderzoek van de Britse parlementaire commissie voor internationale ontwikkeling heeft het aanslepende conflict in de Soedanese regio Darfur al zeker aan 300.000 mensen het leven gekost. Darfur wordt al twee jaar geteisterd door geweld tussen rebellen en het regeringsleger, dat het vuile werk laat opknappen door Arabische Janjaweed-milities en hen logistiek steunt.

Bijna twee miljoen mensen zijn in hun eigen land of in het buurland Tsjaad op de vlucht. Volgens de VN vielen al 170 00 doden.

Op 11 en 12 april vond in Oslo een donorconferentie plaats voor Soedan. Op 9 januari werd een vredesakkoord ondertekend dat een einde maakt aan de 21-jarige burgeroorlog in Zuid-Soedan. De deelnemers aan deze conferentie hebben 4,5 miljard dollar beloofd voor de periode 2005-2007 om het zuiden van Soedan er bovenop te helpen. De Verenigde Staten stellen wel voorwaarden: het beloofde bedrag zal enkel worden vrijgemaakt indien het regime in Khartoem ook het bloedige conflict in Darfur beëindigt. Het zal ook afhangen van de opstelling van Soedan tegenover de vredesakkoorden van januari tussen het regime en de opstandelingen in het zuiden. De Europese Commissie zegde 765 miljoen euro toe. Volgens mijn informatie draagt België 1 miljoen euro bij. België is partij bij het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof en dient op basis van dit statuut en krachtens VN-Veiligheidsraadresolutie 1593 van maart 2005 zijn medewerking te verlenen aan het optimaal functioneren van het Internationaal Strafhof. Dit houdt in dat België moet bijdragen in de financiële kosten en het verdachten moet overdragen.

VN-Veiligheidsraadresolutie 1556 van 2004 bepaalt dat geen enkel land mag toelaten dat wapens worden geleverd aan de strijdende partijen in Soedan.

VN-Veiligheidsraadresolutie 1590 van 2005 voorziet in de oprichting van UNMIS, United Nations Mission in the Sudan, met een mandaat dat vooral gericht is op het zuiden van Soedan, maar dat ook een rol zal spelen in de situatie in Darfur. De missie zal bestaan uit maximaal 10.000 militairen en 715 politieagenten. Kan België deze missie logistiek, financieel en eventueel met personeel bijstaan?

VN-Veiligheidsraadresolutie 1591 van 2005 voorziet in sancties tegen individuen die zich schuldig hebben gemaakt aan schendingen van de mensenrechten. Deze sancties bestaan in het ontzeggen van de toegang tot een ander land en het bevriezen van fondsen. België kan naast deze sancties ook andere vreedzame maatregelen nemen tegen Soedan, aangezien de misdaden die daar worden begaan kunnen worden gekwalificeerd als schendingen van normen van de internationale gemeenschap.

De EU is als dusdanig geen partij bij het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof, en draagt niet bij in de kosten van het Hof. De EU kan wel de vervolging van misdadigers uit Darfur financieel steunen door vrijwillige donaties. De EU kan tevens militair, politioneel, financieel of logistiek bijdragen aan UNMIS, in vergelijking met operatie Artemis in de DRC. Ook kan de EU de reeds bestaande missie van de Afrikaanse Unie in Soedan mee ondersteunen. Deze missie van de Afrikaanse Unie is essentieel en in zekere zin ook hoopgevend, maar heeft een grote nood aan versterking en steun vanuit de internationale gemeenschap.

Wat is het huidige bedrag dat de minister jaarlijks inschrijft voor het Internationaal Strafhof sedert zijn oprichting op 1 juli 2002? Op welke begrotingspost wordt dat bedrag ingeschreven? Heeft de minister al een zicht op de extra kosten die het aanhangig maken bij het Internationaal Strafhof van de zaak in Soedan met zich zal meebrengen? Hoe zal België gevolg geven aan resolutie 1556? Hoe zal België gevolg geven aan resolutie 1590? Zal België bijdragen aan UNMIS? Steunt de minister dit voorstel? Zal België andere maatregelen nemen tegen Soedan? Ik denk bijvoorbeeld aan sancties die ons land kan nemen ten gevolge van de schendingen van de mensenrechten.

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - De minister van Buitenlandse Zaken geeft het volgende overzicht van de bijdragen waarin België sinds de oprichting van het Internationaal Strafhof jaarlijks voorziet: voor 2002: 180.326 euro; voor 2003: 518.650 euro; voor 2004: 1.229.759 euro; voor 2005: 1.504.133 euro. Die bedragen zijn ingeschreven op budgetlijn 11350749.

De eventuele meerkost die het aanhangig maken bij het Internationaal Strafhof met zich zou brengen, is voorlopig niet in te schatten, omdat het onderzoek naar de ontvankelijkheid ervan nog loopt.

De EU vaardigde reeds in 1994 een wapenembargo uit tegen Soedan en op 9 januari 2004 werd dat embargo zelfs nog versterkt. Een nieuwe aanpassing van het bestaande EU-wapenembargo tegen Soedan bleek niet nodig, nadat de VN-Veiligheidsraad op 30 juli 2004 resolutie 1556 had aangenomen. België zal uiteraard zijn internationale verplichtingen in dit verband strikt naleven.

Ons land heeft de goedkeuring van resolutie 1590 in verband met de oprichting van UNMIS toegejuicht. Over de vraag of België zal bijdragen tot UNMIS dient eerst te worden overlegd met defensieminister Flahaut, maar het valt niet bij voorbaat uit te sluiten dat een beperkt aantal militaire waarnemers hieraan zullen deelnemen. België heeft ingestemd met een bijdrage van 500.000 Euro voor logistieke ondersteuning van AMIS II in Darfur.

België steunt VN-Veiligheidsraadresolutie 1591 met betrekking tot sancties tegen individuen ten volle.

Over de vraag of er nog andere maatregelen tegen Soedan moeten worden genomen, wordt op regelmatige basis met de EU-partners overleg gepleegd. Het standpunt van de Belgische regering is inderdaad dat wie zich aan misdaden schuldig heeft gemaakt, voor zijn verantwoordelijkheid moet worden geplaatst.

Ons land is er principieel voorstander van dat de EU in de toekomst financieel kan bijdragen tot het Internationaal Strafhof. In de EU kwam deze mogelijkheid reeds aan bod, maar een beslissing hieromtrent is nog niet in zicht. Daarnaast kan de EU inderdaad haar steun verlenen aan vredesmissies in Soedan. Ik wijs er overigens op dat de EU sedert de zomer van vorig jaar de Afrikaanse Unie in Soedan effectief steunt en inmiddels onder andere via het mechanisme van de Afrikaanse Vredesfaciliteit een bedrag van 92 miljoen euro heeft bijgedragen. De EU zal zeker ook op gepaste wijze inspelen op de oprichting van UNMIS, maar het is nog te vroeg om hierover concrete uitspraken te doen. De minister kan alvast garanderen dat sinds zijn aantreden als minister van Buitenlandse Zaken de kwestie Soedan iedere keer prominent op de agenda van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen werd geplaatst en dat er bij die gelegenheid telkens conclusies van de Raad werden aangenomen.

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de vice-eerste minister en minister van Financiën en aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de Dienst voor Alimentatievorderingen» (nr. 3-726)

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). Sinds begin 2005 is men eindelijk begonnen met de invordering van achterstallige alimentatiegelden. De eerste conclusies kunnen al worden getrokken.

In veel dossiers, vooral de dossiers die van de OCMW's komen, heeft de onderhoudsplichtige een inkomen dat niet belastbaar is. Vaak gaat het om mensen die leven van een sociale uitkering of om zelfstandigen. Dat maakt dat het voor de ambtenaren onmogelijk is om alimentatiegeld terug te vorderen op lonen of financiële extra's. Bovendien mag de Dienst voor Alimentatievorderingen (DAVO) maar beperkt terugvorderen. De onderhoudsplichtige moet altijd een loon overhouden dat overeenstemt met het leefloon. Dat is niet meer dan normaal en daarom is de tussenkomst van de DAVO te verkiezen boven die van een advocaat of deurwaarder. Het gevolg is wel dat er bijzonder weinig ruimte is om terug te vorderen. Terugvordering op het vakantiegeld zal niet voor dit jaar zijn omdat de DAVO te traag werkt. De computersystemen van de overheidsdiensten Financiën en Maatschappelijke Integratie zijn niet compatibel. Bovendien moet de aanvraag van documenten of gegevens bij de FOD Sociale Zekerheid altijd via Brussel gebeuren. De dienst kan immers niet rechtstreeks gegevens opvragen aan de RVA en de RSZ.

Er zit ook een paradox in het feit dat de DAVO wel mag terugvorderen, maar geen voorschotten kan uitbetalen. Als men moet wachten op de eigen inkomsten uit de nieuwe dossiers, dan zal de dienst nooit voorschotten kunnen betalen. Er zijn gewoon te weinig nieuwe dossiers en te weinig mensen die hun achterstallen effectief betalen. Men moet er van uitgaan dat slechts een fractie van de niet-betaalde alimentatiegelden kan worden teruggevorderd omdat de meerderheid van de onderhoudsplichtigen niet betaalt als gevolg van een benarde toestand.

Zal men kunnen terugvorderen op de vakantiegelden die weldra worden uitbetaald? Wat is het percentage dossiers die bij de DAVO zijn ingediend, waarvoor er effectief kan worden teruggevorderd?

Heeft het overleg tussen de minister van Financiën en de minister van Maatschappelijke Integratie geleid tot een oplossing voor het incompatibiliteitsprobleem van de computersystemen?

Zal de DAVO toegang krijgen tot de Kruispuntbank Sociale Zekerheid?

Zal de DAVO bevoegd worden voor de voorschotten? Bestaat hierover een akkoord in de regering?

Waar kunnen mensen met klachten over de DAVO terecht? Bestaat daarvoor een soort ombudsdienst?

In de DAVO is er nood aan juristen met ervaring in huwelijks- en scheidingsrecht. Zal en kan de minister terzake iets doen?

De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën. - De Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie is een socialezekerheidsinstelling waarmee de DAVO al in een vroeg stadium contact heeft gehad. In juli 2004 had er al een eerste vergadering plaats om de procedures betreffende de beslaglegging te harmoniseren.

Meer concreet kan ik bevestigen dat er voor ongeveer 600 dossiers bij de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie informatie werd ingewonnen.

Niet al die dossiers kunnen leiden tot een beslaglegging bij de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie. Er moet immers eerst een dwangbevel betekend worden, wat het inschakelen van een gerechtsdeurwaarder impliceert. Het vakantiegeld moet ook hoger zijn dan de kosten van die gerechtsdeurwaarder. De kosten-batenanalyse maakt deel uit van het solvabiliteitsonderzoek dat wordt verricht alvorens tot gedwongen uitvoering over te gaan. Bovendien moet ook nog rekening worden gehouden met het deel van het loon waarop geen beslag kan worden gelegd. Voor de DAVO betekent dat concreet een bedrag dat gelijk is aan het leefloon waarop de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken.

In tegenstelling tot vroeger maken de OCMW's thans maandelijks hun kostenstaten over met het oog op de terugbetaling door de Federale Overheid van de door hen toegekende voorschotten.

Na controle door de POD Maatschappelijke Integratie zal deze de gegevens overmaken aan de DAVO per papieren drager en per CD. De CD zal het de DAVO gemakkelijker maken om de gegevens in zijn bestand op te nemen zodat de betalingsberichten kunnen worden verstuurd.

Het gebruik van een CD bij de overdracht van de gegevens is een pragmatische oplossing die met het oog op de hoogdringendheid en het algemeen belang gerechtvaardigd is. Het is in elk geval maar een tijdelijke oplossing.

Ik herhaal wat ik reeds zo vaak heb gezegd: ik ben bereid om in de commissie een debat te voeren over de toekenning van voorschotten. Ik zal in het raam van de begrotingscontrole een voorstel doen. Een bedrag van 10 tot 200 miljoen euro kan daarvoor worden uitgetrokken, afhankelijk van het gestelde doel: de voortzetting van de taak van de OCMW's of de integrale toepassing van de eerste wet, namelijk een systeem van voorschotten voor iedereen.

Bij eventuele klachten kunnen de klanten in de eerste plaats uiteraard terecht bij hun dossierbeheerder. Als ze niet tevreden zijn met het geboden antwoord, kunnen ze contact nemen met de centrale dienst van de DAVO op het adres: North Galaxy, Koning Albert II-laan 33, bus 50 te 1030 Brussel. Ze kunnen zich tevens richten tot de centrale dienst van de FOD Financiën of tot de ombudsman van het parlement.

De DAVO heeft geen behoefte aan juristen die gespecialiseerd zijn in het huwelijks- en scheidingsrecht. De DAVO zorgt voor de correcte uitvoering van de gerechtelijke uitspraken en authentieke akten waarin het onderhoudsgeld wordt vastgelegd.

Een elementaire kennis van het personen- en familierecht moet volstaan om te kunnen antwoorden op de meeste vragen van de klanten. De DAVO is immers geen dienst die bedoeld is om raad te geven op dit vlak. Dat is de taak van de advocaten en notarissen.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Ik dank de minister want ik kan uit zijn antwoord opmaken dat hij zich met het dossier bezighoudt.

Ik ben het ermee eens dat het niet efficiënt zou zijn om de taak van de ombudsdiensten te versnipperen, maar de klanten moeten wel zo snel mogelijk naar de juiste dienst worden verwezen.

Er werd mij gemeld dat er een tekort zou zijn aan juristen voor huwelijks- en scheidingsrecht. Ik zal mijn informatie checken en eventueel een bijkomende schriftelijke vraag stellen.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Landsverdediging over «de programma's voor militair partnerschap» (nr. 3-737)

De voorzitter. - De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt namens de heer André Flahaut, minister van Landsverdediging.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - De minister van Landsverdediging heeft `programma's voor militair partnerschap' opgezet samen met enkele Afrikaanse staten, meer bepaald met Burundi, Benin, Rwanda en de DRC. Wat is het doel van dit partnerschap? Is het de bedoeling militairen op te leiden en geïntegreerde brigades op te richten omwille van de interne conflicten in deze landen? Hoeveel Belgische militairen werden hiervoor precies ter plaatse gestuurd? Hoeveel kosten die programma's?

Ik wens ook precies te weten wat het partnerschap met Rwanda inhoudt, gezien onze akkoorden met de DRC en de belangrijke rol die Rwanda in het interne conflict in de DRC heeft gespeeld en nog altijd speelt.

Tijdens een recent bezoek aan Congo zou de minister van Landsverdediging de driepartijenovereenkomst evalueren tussen België, DRC, Zuid-Afrika, die hij in december 2004 samen met zijn Congolese en Zuid-Afrikaanse ambtsgenoten ondertekende. Wat is het resultaat van die evaluatie? Draagt België de kosten voor de Zuid-Afrikaanse militairen in Kamina? Is dat normaal? Kan het resultaat van de evaluatie nader worden gepreciseerd?

Vice-president Azarias Ruberwa betreurde dat er te weinig middelen gaan naar de integratie van het leger, hoewel die een essentiële voorwaarde is voor de organisatie van de verkiezingen in de DRC. Hij vreest dat Congo de vijftien geïntegreerde brigades, die nodig zijn voor de ordehandhaving en de veiligheid van het land op de vooravond van de verkiezingen, niet op de been zal kunnen brengen. Wat denkt de minister hierover?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Ik lees het antwoord van de heer Flahaut voor.

De programma's van militair partnerschap (PMP) hebben tot doel bij te dragen tot de stabilisering van Centraal Afrika en dit via een bilaterale en multilaterale samenwerking met de landen van de regio van de Grote Meren. Naast de programma's van militair partnerschap met de Democratische Republiek Congo, Rwanda en Burundi zijn er nog andere bilaterale samenwerkingsprogramma's die programma's van militair partnerschap worden genoemd. Dit is het geval voor onze bilaterale samenwerking met Benin en Zuid-Afrika.

Het partnerschap en de voornoemde bilaterale samenwerking hebben voornamelijk betrekking op academische opleidingen en stages in België en het buitenland; deelname aan oefeningen inzake vredeshandhaving in België en in het buitenland; uitwisseling van verbindingsofficieren; opleiding van eenheden in het buitenland; doorlichting van sommige staven; evaluatie van eenheden die in België werden opgeleid; schenking van overtollig materieel; bijstand en geniewerken in de betreffende landen; programma's van humanitaire hulpverlening.

De begrotingsvooruitzichten 2005 hebben betrekking op de volgende posten: academische opleidingen, waarvoor 957.160 euro werd gebudgetteerd waarvan 475.000 euro betaald wordt door de FOD Buitenlandse Zaken; voor de stages en opleidingen in de eenheden in België werd in 144.000 euro voorzien; voor de verschillende activiteiten en opleidingen die werden opgestart of nog moeten worden opgestart door het stafdepartement Operaties en Training in het buitenland, werd 17 miljoen ingeschreven.

Het PMP met de DRC is het enige waarvoor we op dit ogenblik ter plaatse permanent vijf militairen hebben. Het aantal Belgische militairen dat tijdelijk wordt ingezet, hangt telkens af van de omvang van de opleiding, de oefening of de training waartoe werd beslist in gemeenschappelijk overleg met onze Afrikaanse partners.

De driepartijenovereenkomst tussen België, Zuid-Afrika en de DRC die op 13 december 2004 in Kinshasa werd ondertekend, is een historisch akkoord waarbij twee landen, een lid van de Europese Unie en een lid van de Southern African Development Community (SADC), zich ertoe verbinden een ander Afrikaans land bij te staan. Elke partij verbindt zich ertoe die formule in de supranationale organisaties te promoten: België in de EU, Zuid-Afrika in de SADC en de DRC in het geheel van de internationale gemeenschap.

De huidige overeenkomst definieert de voorwaarden en modaliteiten van de Belgische en Zuid-Afrikaanse steun aan opleidingsactiviteiten met het oog op een nationaal, geïntegreerd en geherstructureerd leger van de DRC.

Elke partner heeft zich ertoe verbonden zijn deel van de kosten die voortvloeien uit de toepassing van de overeenkomst en de uitvoering van door de staten vastgelegde opdrachten, op zich te nemen.

De evaluatie van de driepartijenovereenkomst tijdens mijn recent bezoek aan de DRC en meer bepaald aan Kamina op 29 maart, samen met mijn Zuid-Afrikaanse en Congolese collega's, leidde tot een gemeenschappelijke persmededeling op een persconferentie in Kinshasa op 31 maart. Hieruit blijkt dat de drie ministers van Landsverdediging zich verheugen over wat reeds werd bereikt en op dit ogenblik nog altijd wordt gerealiseerd. Ze hernieuwden hun verbintenissen in het kader van de overeenkomst en beslisten de uitvoering ervan tot het einde voort te zetten. De drie ministers drukten de wens uit dat andere landen van de EU en de SADC zouden toetreden teneinde het proces van legerintegratie en het Nationaal Programma van Ontwapening, Demobilisatie en Herintegratie te ondersteunen.

Voor de hervorming van het nieuwe Congolese leger is het nodig dat andere landen en internationale organisaties bij de zaak worden betrokken om in alle openheid met alle partners te kunnen samenwerken.

De integratie van de Congolese strijdkrachten vóór de verkiezingen is prioritair. Menselijke en materiële steun voor planning en uitvoering zijn daarvoor van primordiaal belang.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ik dank de minister voor het omstandige antwoord. Ik kreeg echter geen antwoord op mijn vraag over Rwanda. Ik zal de bevoegde minister daarover zo nodig opnieuw interpelleren.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de benoemingsprocedure bij de federale wetenschappelijke instellingen» (nr. 3-729)

De heer Christian Brotcorne (CDH). - In de pers verscheen onlangs het bericht dat de benoemingsprocedure is afgerond van de tien directeurs van de federale wetenschappelijke instellingen zoals de grote musea, het Koninklijk Observatorium, de Koninklijke Bibliotheek en het Rijksarchief. Sommige instellingen hebben sinds vele maanden geen benoemd directeur meer.

Ingevolge een aantal juridische hinderpalen, waarvan de nietigverklaring van de hele procedure door de Raad van State de belangrijkste is, wachten de federale wetenschappelijke instellingen sedert twee jaar op de benoeming van hun nieuwe directeurs.

Hoewel het koninklijk besluit van 13 december 2004 de selectieprocedure wijzigde, verneem ik dat betwistingen inzake de benoeming van de tien nieuwe directeurs opnieuw tot een beroep bij de Raad van State aanleiding zou kunnen geven, waardoor hun aanstelling opnieuw vertraging dreigt op te lopen.

Naar verluidt zou de beoordeling van een groot aantal kandidaten van wie de kandidatuur bij de vorige procedure werd aanvaard, bij de nieuwe selectieprocedure zijn gewijzigd. Zo zou een A een B of C zijn geworden; een B een C; een C een B en een B een A.

Kan de minister bevestigen dat kandidaten die een A hadden gekregen, nu een B of een C krijgen, en dat kandidaten die een B hadden gekregen, nu een A krijgen?

Zo ja, om welke redenen krijgt eenzelfde kandidaat na de tweede selectieprocedure die, veronderstel ik, op dezelfde criteria steunde, een andere beoordeling tenzij de wijze van selecteren of de samenstelling van de selectiecommissie werd gewijzigd? Werd bij voorbeeld het profiel van de externe experts gewijzigd? Zo ja, waarom en in welke zin?

Kan de minister me voor elke vacante directeursfunctie en per taalrol meedelen welke beoordeling elke kandidaat heeft behaald na elke selectieprocedure?

Bij de benoeming van de tien directeurs zal rekening moeten worden gehouden met het taalevenwicht. Welke criteria worden in acht genomen bij de aanstelling van de tien directeurs? Primeren de intrinsieke kwaliteiten van de kandidaten of hun taalrol? Werden specifieke maatregelen genomen om de objectiviteit bij de huidige selectie te waarborgen? Zo ja, welke? Zo neen, waarom niet?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Drie kandidaten hadden eerst een beoordeling A gekregen (zeer geschikt) en kregen nu een beoordeling B (geschikt).

Een kandidaat die eerst een A kreeg, haalde later de beoordeling C (minder geschikt).

Het verschil in evaluatie heeft te maken met de wijziging van de selectieprocedure ingevolge het arrest-Dewaide van de Raad van State. De oude procedure werd namelijk nietig verklaard en we werden verzocht opnieuw te beginnen.

Het arrest van de Raad van State had kritiek op de oude procedure omwille van het feit dat de titels en verdiensten van alle kandidaten, Franstalige en Nederlandstalige, voor dezelfde functie niet werden vergeleken.

In de nieuwe procedure worden alle kandidaten gehoord en geëvalueerd door dezelfde selectiecommissie. Dit belangrijke verschil kan aanleiding geven tot andere evaluaties. In de oude procedure werden de Franstalige kandidaten met elkaar vergeleken en de Nederlandstaligen eveneens. In de nieuwe procedure worden alle kandidaten met elkaar vergeleken.

De selectiecommissie is samengesteld overeenkomstig het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 gewijzigd door het koninklijk besluit van 15 juni 2004. Ze bestaat uit vier soorten leden: experts in human resources, experts in management, technische experts en ambtenaren. Binnen elk van die groepen is er taalpariteit.

Uiteraard houdt het profiel van de experts rekening met de bekwaamheidsvereisten voor elke functie. Zowel in de oude als in de nieuwe procedure werden de bekwaamheidsvereisten voor de functie geëvalueerd.

SELOR stelt alles in het werk om bij elke selectie de objectiviteit van de procedures te waarborgen.

De Raad van State heeft de oude procedure nietig verklaard omdat de Franstalige en Nederlandstalige kandidaten anders werden geëvalueerd. We zijn aan dit bezwaar tegemoetgekomen.

De benoeming van de directeurs-generaal van de wetenschappelijke instellingen valt niet onder mijn bevoegdheid, maar onder die van de minister van Wetenschapsbeleid, Marc Verwilghen, die u daarover dus kan ondervragen.

Vraag om uitleg van mevrouw Christel Geerts aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de uitvoering van het Nationaal actieplan partnergeweld» (nr. 3-720)

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Het nieuw Nationaal actieplan partnergeweld 2004-2007 kent een cruciale rol toe aan het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen. Ter uitvoering van dit plan zullen bijzondere inspanningen worden geleverd voor de coördinatie van de verschillende acties en het uitwisselen van informatie.

Het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen kreeg de opdracht om een interdepartementale werkgroep en een werkgroep van experts samen te stellen die, naast de coördinatie en de uitwisseling van informatie, de concrete uitwerking van al die acties zullen volgen.

Het Instituut zou ook een werkgroep moeten oprichten met vertegenwoordigers van alle media om hun rol in de strijd tegen geweld te benadrukken. Aan de werkgroep zou gevraagd worden een gedragscode voor de media op te stellen aangaande de berichtgeving over geweld op vrouwen en de beeldvorming over vrouwen.

Is er al een interdepartementale werkgroep voor de follow-up van het nationaal actieplan? Worden tussentijdse evaluaties in het vooruitzicht gesteld? Is er een werkgroep van experts samengesteld? Hoe werd die werkgroep samengesteld? Worden tussentijdse evaluaties in het vooruitzicht gesteld? Is de werkgroep met de mediavertegenwoordigers reeds van start gegaan? Is er reeds een gedragscode of een aanzet tot zo'n code? Het Instituut heeft als opdracht om over diverse topics statistieken te verzamelen. Is er een overzicht van de topics waarvoor deze opdracht reeds werd uitgevoerd?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Een coördinatie van de verschillende administraties die actief zijn in de strijd tegen het partnergeweld is essentieel om de effectiviteit van de uitvoering van het nationaal actieplan zo optimaal mogelijk te waarborgen.

Sinds de uitvoering van het eerste nationaal actieplan werd er een interdepartementale werkgroep samengesteld. Deze werkgroep heeft zeer actief gewerkt aan de evaluatie van het nationaal actieplan 2001-2003 en aan het opstellen van het ontwerp van het nationaal actieplan 2004-2007.

De werkgroep werd in juni en oktober 2004 al samengeroepen voor de uitvoering van het nationaal actieplan 2004-2007. Hij zal de uitvoering van het nationaal actieplan volgen. Indien nodig zal hij worden uitgebreid met vertegenwoordigers van de diensten van de verschillende FOD's die betrokken zijn bij de concrete uitvoering van de acties vermeld in het nationaal actieplan. Op de eerstvolgende vergadering wordt aan de interdepartementale werkgroep een eerste stand van zaken over die acties gevraagd.

In 2006 wordt de eerste grote tussentijdse evaluatie gepland. Bij die evaluatie zal zowel de interdepartementale werkgroep als de werkgroep van experts nauw worden betrokken.

Het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen heeft al in 2003 een eerste werkgroep van experts samengesteld. Deze werkgroep heeft zeer actief samengewerkt voor de evaluatie van het nationaal actieplan 2001-2003 en het opstellen van het ontwerp van het nationaal actieplan 2004-2007.

Ik ben volop bezig de samenstelling van die werkgroep te verfijnen en, waar nodig, aan te vullen. De werkgroep zal eerstdaags worden samengeroepen met het oog op een interministeriële conferentie over gelijke kansen voor mannen en vrouwen, die plaatsheeft in juni en onder meer betrekking zal hebben op partnergeweld.

In de werkgroep van experts zitten alle lokale contactpersonen of terreindeskundigen die het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen gedurende zijn jarenlange werkzaamheden rond het thema, heeft kunnen verzamelen. Alle doelgroepen zijn erin vertegenwoordigd: politie, justitie, hulpverlening, geneeskundigen, OCMW's en verenigingen.

De acties rond de pers zullen tegen eind 2005 operatief zijn. Ook daarover wil ik vooraf overleg plegen met de gemeenschappen in het kader van de interministeriële conferentie rond gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Ondertussen werden de provinciale coördinatoren wel aangespoord om in al hun acties samen te werken met de lokale pers. Verschillende provincies zijn daar reeds concreet op ingegaan. Ik heb de coördinatoren persoonlijk ontmoet en ben zeer verheugd over hun dynamisme en over de kwaliteit en de diversiteit van hun activiteiten.

Ik nodig de vertegenwoordigers van de pers eerstdaags uit om hen aan te sporen een gedragscode op te stellen.

Het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen ontwikkelt een methodiek om de bestaande statistieken met betrekking tot de gelijkheid van vrouwen en mannen te inventariseren, te verbeteren en te verspreiden. Nog dit jaar zal een brochure met de reeds bestaande relevante Belgische statistieken worden uitgebracht.

In 2005 wordt met betrekking tot partnergeweld concreet aandacht besteed aan het verzamelen van de statistieken bij de politiediensten en bij de parketten. Hierbij zal het Instituut de bevoegde departementen aansporen hun actie zoals vermeld in het nationaal actieplan te concretiseren.

Ook zal het Instituut in 2005 een aanzet geven om de bevoegde departementen aan te sporen het instrument ter registratie van partnergeweld in de medische sector en in die van de hulpverlening in de praktijk te implementeren. Dit onderwerp zal ook een aandachtspunt zijn op de interministeriële conferentie.

Uit een recente studie uitgevoerd door de UCL en het Limburgs Universitair Centrum in verband met de registratie van partnergeweld met het oog op het achterhalen van verdoken gegevens terzake, zal ik samen met mijn bevoegde collega's de nodige conclusies trekken.

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Ik dank de minister voor zijn concreet en punctueel antwoord op mijn diverse vragen. Ik ben blij dat er zoveel in de pijplijn zit, maar er is nog veel werk aan de winkel. Ik ben ervan overtuigd dat verschillende collega's in de Senaat dat actief wensen te volgen.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de bespreking van het jaarlijkse verslag van de regering over de opvolging van de Wereldvrouwenconferentie in Peking in 1995» (nr. 3-733)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - De wet van 6 maart 1996 over controle op de toepassing van de resoluties van de Wereldvrouwenconferentie die van 4 tot 14 september 1995 in Peking heeft plaatsgehad, verplicht de regering ertoe jaarlijks een verslag op te stellen over het gelijkekansenbeleid en dat aan het Parlement ter bespreking voor te leggen.

Op 9 oktober 2002 besprak de Senaat het verslag van de regering over haar gelijkekansenbeleid in 2001. Sedertdien is er geen verslag meer voorgelegd. Op 12 februari 2004 ondervroeg ik de toenmalige minister van Gelijke kansen, mevrouw Arena, over het uitblijven van dat verslag. Ze antwoordde me toen: `Ik heb het genoegen de Senaat mee te delen dat de beslissing is genomen om voor de periode 2002-2003 een dubbel verslag aan het Parlement voor te stellen. Dat zal voor het zomerreces worden ingediend.' We zijn nu april 2005 en er is nog steeds geen verslag. Het zal dus een driedubbel verslag worden.

Hoever staat het met het rapport 2002-2003-2004? Wanneer zal het bij het Parlement worden ingediend? Wat is de reden voor de vertraging?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Zoals mijn voorgangster mevrouw Arena al mededeelde, werd er besloten om voor de periode 2002-2003 een tweejarenverslag op te maken. Dat verslag werd goedgekeurd op de ministerraad van 14 juli 2004. Mits enkele vormelijke aanpassingen mocht het verslag bij het Parlement worden ingediend.

Inmiddels werden de aanpassingen aangebracht en zijn de verslagen gedrukt zodat wij de definitieve versie van dat tweejarenverslag ter beschikking kunnen stellen van het Parlement. Dat is inmiddels gebeurd. Voor 2004-2005 zal er een nieuw tweejarenverslag worden opgesteld.

In het raam van de follow-up van de 49ste sessie van de CSW te New York wil ik onderzoeken hoe de verslaggeving in de toekomst kan worden geoptimaliseerd. Ik ben het eens met mevrouw de Bethune dat de verslaggeving op het ogenblik niet optimaal is.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik ben verheugd te vernemen dat het verslag 2002-2003 eindelijk bij het Parlement werd ingediend. De minister belooft nu een volgend verslag 2004-2005. Hij anticipeert aldus op een mogelijke amendering van de wet waardoor het jaarverslag zou worden vervangen door een tweejarenverslag. Op het ogenblik is hij echter verplicht een jaarverslag voor te leggen en zou het verslag 2004 al bij het Parlement moeten zijn ingediend.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Mevrouw de Bethune heeft gelijk.

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «het stookoliefonds» (nr. 3-740)

De heer Wouter Beke (CD&V). - De prijzen van stookolie gaan weer ferm de hoogte in. De consument betaalt reeds meer dan een 0,50 euro per liter. De regering heeft in een koninklijk besluit van 20 oktober 2004 bepaald dat verbruikers met een laag inkomen een toelage kunnen krijgen voor leveringen van stookolie tussen 1 september en 31 maart.

De regering heeft aangekondigd alternatieven te zoeken om verdere prijsstijgingen te vermijden. Mijn vraag heeft echter betrekking op een zeer specifieke doelgroep.

Overweegt de minister om de nogal arbitraire periode van 1 september tot 31 maart te verlengen? In de praktijk schommelde de prijs van stookolie tijdens die periode rond de 0,40 euro. Pas na 31 maart is de prijs gestegen boven 0,45 euro per liter. Ik heb alvast zelf een wetsvoorstel ingediend om die beperking in tijd te schrappen. Na 31 maart hebben mensen nog nood aan verwarming en warm water.

Hoeveel mensen hebben uiteindelijk via het OCMW gebruik gemaakt van dit systeem? Eigen navraag bij mijn lokaal OCMW leerde me dat het om weinig aanvragen ging.

Hoeveel euro werd er in totaal aan mensen vergoed en hoeveel euro werd er aan de OCMW's uitgekeerd?

Hoeveel inkomsten uit de BTW heeft de overheid ontvangen door de verkoop van stookolie tijdens de periode van 1 september 2004 en 31 maart 2005? Is de minister bereid om de extra inkomsten uit de BTW in dit fonds te storten zodat de extra heffing voor de gewone gebruiker kan wegvallen?

Is de minister bereid om het systeem aan te passen door een vork in te stellen? Nu treedt het systeem pas in werking wanneer de drempel van 0,45 euro per liter wordt bereikt en treedt het uit werking wanneer de prijs onder de 0,45 euro per liter daalt. Dit leidt in de praktijk tot hallucinante situaties waarbij mensen een bestelling doen als de prijs 0,45 euro per liter bedraagt, terwijl de prijs bij de levering is gedaald tot 0,44 euro per liter, waardoor ze niet langer in aanmerking komen voor een toelage.

Wij stellen voor om de `uitwerkingtreding' pas te laten ingaan wanneer de prijs daalt onder het niveau van 0,40 euro per liter. Zo is het systeem niet alleen langer in werking, maar bovendien ook gemakkelijker voor de gebruikers. In het verleden gebeurde het al te vaak dat door schommelingen rond de 0.45 euro per liter men nu eens wel en dan weer niet een toelage kon krijgen.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Naar aanleiding van de prijsstijging van de olieproducten besliste de regering sociale maatregelen te nemen ten gunste van de gezinnen met een laag inkomen die huisbrandolie moeten bestellen. Tussen 1 januari en 1 oktober 2004 was de prijs van de huisbrandolie immers met 60% gestegen. De heer Beke noemt het hallucinant dat bepaalde mensen van het systeem geen gebruik konden maken, maar zonder systeem was het helemaal hallucinant geweest. We moeten ook de voordelen ervan zien.

De prijsstijging had tot gevolg dat vooral de armste gezinnen de bestelling van huisbrandolie zo lang mogelijk uitstelden in de hoop op een prijsdaling. Om de gezinnen met een laag inkomen de mogelijkheid te bieden de nodige huisbrandolie aan te kopen, besliste de regering om voor de winter van 2004 een dringende en voorlopige maatregel goed te keuren. Sinds 1 januari 2005 is deze maatregel permanent dankzij de oprichting van een sociaal stookoliefonds.

Het fonds werkt volgens het volgende principe. Telkens wanneer de prijs van de huisbrandolie stijgt boven de drempel van 45 eurocent, wordt het sociale stookoliefonds geactiveerd. De toelage moet de stijging net compenseren om een vervlakkend effect te verkrijgen.

Op het einde van deze eerste verwarmingsperiode, de winter van 2004-2005, kan ik vaststellen dat de maatregel zijn doel heeft bereikt. Tussen 1 oktober 2004 en einde maart 2005 konden de betrokken huisgezinnen gedurende 49 dagen een aanvraag tot verwarmingstoelage indienen, namelijk in de periode eind september tot begin november, enkele dagen begin december en opnieuw in maart.

Het sociale stookoliefonds vormt aldus een structureel interventiemechanisme dat een antwoord biedt op een sporadische stijging van de prijzen van huisbrandolie, die onderworpen zijn aan de regels van een - veel te sterk - fluctuerende markt. Daarom heeft de regering gekozen voor financiële hulp die verbonden is met de gefactureerde prijs van huisbrandolie gedurende een bepaalde interventieperiode en niet voor het toekennen van sociale hulp aan iedereen met betalingsmoeilijkheden.

De verwarmingsperiode liep ten einde op 31 maart 2005. De OCMW's moeten hun onkostenstaten en hun boekhoudkundige gegevens in verband met de toekenning van de verwarmingstoelagen ten laatste tegen 30 juni doorsturen. Ik beschik dus nog niet over precieze en volledige gegevens over het aantal toelagen dat deze winter 2004-2005 werd toegekend. Ik heb mijn administratie echter verzocht wel een eerste schatting te maken van het aantal toelagen en van het totale bedrag van de uitgaven. Ik zal daarover beschikken in de loop van de volgende week.

De doelstelling van het sociale stookoliefonds moet op lange termijn worden geëvalueerd. Tijdens de eerste verwarmingsperiode moesten we voorzichtig zijn, want het was ook het eerste jaar dat het fonds werd gestijfd. De financiële middelen van het fonds zijn nu toereikend om een uitbreiding van het doelpubliek te overwegen. Het lijkt me dus belangrijk om, in overleg met minister Verwilghen, een reeks verbeteringen aan het bestaande systeem voor te stellen. Momenteel voeren we met zijn kabinet een discussie over de verschillende aanpassingsmodaliteiten van het sociale stookoliefonds. Van zodra deze zijn afgerond, zullen we samen, in de daaropvolgende weken, een project voor de aanpassingen van het fonds voor de volgende winter aan de Ministerraad voorleggen. Daarin zullen zeker de drempel, het aantal rechthebbenden en de verwarmingsperiode aan bod komen, maar details kan ik u uiteraard nog niet geven.

Voor de specifieke vraag over de middelen inzake de BTW-inning verzoek ik de heer Beke zich te wenden tot mijn collega Didier Reynders die ter zake bevoegd is.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Ik dank de minister voor zijn belofte dat hij de opdracht zal geven voor een evaluatie en dat hij een aantal aanpassingen zal voorstellen. Ik hoop dat hij daarbij rekening zal houden met de voorstellen van de CD&V-fractie, zowel wat de verwarmingsperiode als wat de financiering van het fonds betreft. De grond van de zaak is immers dat de gewone verbruiker tweemaal betaalt: eenmaal de gewone prijs en een tweede maal de extra heffing voor het fonds. De overheid incasseert intussen meer inkomsten door de hoge olieprijs. Het is dan ook niet meer dan billijk dat de overheid die extra inkomsten minstens gedeeltelijk in dat stookoliefonds stort. Dat zijn niet eens meerkosten, de overheid loopt daarmee alleen extra inkomsten mis. Bovendien mildert dat de prijsstijging voor de gewone gebruiker.

Ik kijk alleszins uit naar de voorstellen die de minister wil doen en naar de mate waarin hij rekening zal houden met de voorstellen die de CD&V-fractie vanuit de oppositie heeft gedaan.

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de aansluiting van de OCMW's op de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid» (nr. 3-738)

De heer Wouter Beke (CD&V). - Tegen 1 januari 2006 moeten alle OCMW's aangesloten zijn op de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. In een omzendbrief van 1 februari 2005 zegt de minister dat deze aansluiting tal van voordelen heeft voor de OCMW's, onder meer de beperkte kans op administratieve vergissingen; de administratieve vereenvoudiging van de aangifte; het nagaan van de rechten op uitkeringen door één of meerdere instellingen van de sociale zekerheid alvorens zelf een recht op maatschappelijke integratie toe te kennen; de vermindering van het aantal verstuurde papieren attesten; het inlezen van de SIS-kaarten; de snellere terugbetaling van allerhande voorschotten die toegekend zijn door het OCMW enzovoort.

Cruciaal is natuurlijk de beveiliging van het hele systeem. Hier knelt het schoentje. De OCMW's moeten voldoen aan een groot aantal veiligheidsnormen. Vele OCMW's zijn echter nog niet klaar met die normen. Ze kunnen hiervoor in principe steun krijgen bij de security helpdesk van de Programmatorische Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie die ook voor de opleidingen zorgt. Deze veiligheidscel moet de OCMW's concreet ondersteunen bij de veiligheidsaspecten van hun integratie in de KSZ. Tal van OCMW's hebben de nodige maatregelen echter nog niet genomen. Vooral de kleinere OCMW's waar weinig informatica-knowhow aanwezig is, aarzelen om zich aan te sluiten bij de KSZ of zich te laten helpen door de veiligheidscel. Ze zijn niet echt bereid om het nodige te doen voor een voor hen onbekende materie.

Het is dus zeker nodig om ook deze OCMW's over de brug te helpen. Hoe zal de minister dit aanpakken? Er moet zeker voor worden gezorgd dat deze OCMW's zich niet laten verleiden door privé-firma's die allerlei voorstellen doen betreffende de veiligheidsaspecten, maar die de hen eigenlijk alleen op kosten willen jagen.

Bijkomend probleem is dat de softwarepakketten, of ze nu van de overheid of van privé-firma's komen, niet volledig zijn, omdat de elektronische aangifte van het leefloon pas praktisch is uitgewerkt. De wetswijziging in verband met het leefloon als gevolg van het arrest van het Arbitragehof van 14 januari 2004 is wel in werking vanaf 1 januari 2005, maar de praktische uitwerking is slechts sinds april bekend. De software moet eerst nog worden ontwikkeld en vervolgens worden getest bij de OCMW's. Daarna moet er nog in de nodige opleiding worden voorzien. Kan de minister garanderen dat dit allemaal nog vóór 1 januari 2006 kan worden gerealiseerd?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Tijdig klaar zijn is inderdaad een hele uitdaging.

Allereerst wil ik de heer Beke geruststellen. Volgens de recentste statistieken van SmalS-MvM, die dateren van maart 2005, zijn er van de 589 OCMW's 464 aangesloten op het netwerk van de Kruispuntbank en aanvaard in de testfase. Negenenveertig OCMW's hebben het netwerk in gebruik genomen en werken al actief met het netwerk.

Het statistische verslag dat in maart 2005 door de helpdesk veiligheid werd uitgevoerd, toont aan dat alle 308 Vlaamse OCMW's, 262 Waalse OCMW's en 19 Brusselse OCMW's hebben deelgenomen aan een of zelfs twee opleidingssessies die werden georganiseerd door de helpdesk.

Een veiligheidskit met alle nodige instructies om de naleving van de veiligheidsnormen te waarborgen, wordt sinds enkele dagen ter beschikking gesteld van alle OCMW's. De kit zal worden voorgesteld tijdens provinciale informatiesessies die van start zijn gegaan op maandag 12 april 2005 en die zullen worden afgesloten op het einde van deze maand.

De helpdesk heeft in nauw overleg met de federaties van OCMW's, aan de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid een aantal versoepelingen van de minimale veiligheidsnormen voorgesteld, wegens het specifieke karakter van de OCMW's of hun kleine omvang. Die versoepelingen hebben vooral betrekking op de verlenging van de termijnen die gerespecteerd dienen te worden voor de inwerkingtreding van de normen en moeten nog worden goedgekeurd door het Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid.

Daarnaast werd ook voorzien in faciliteiten voor de aanstelling van de veiligheidsconsulenten, zoals bijvoorbeeld de mogelijkheid voor de intercommunales om de functie van veiligheidsconsulent uit te oefenen of de toelating van OCMW-groeperingen en de aanstelling van een consulent per cluster.

Voor de kleine OCMW's ten slotte heb ik, om een dure investering in een aansluiting op het netwerk van de KSZ te vermijden ervoor geopteerd om het ontwerp te financieren van een webtoepassing die gratis ter beschikking zal worden gesteld van de centra die dat wensen. Dit is een interessant alternatief voor de kleinere centra.

Die toepassing was reeds beschikbaar, maar een verbeterde versie die overeenstemt met de functionaliteit van de software die wordt voorgesteld door de softwarebedrijven, zal worden afgerond tegen juni 2005. Daarvoor is slechts een computer vereist met een internetverbinding via een beveiligd netwerk zoals Publilink of VERA.

Dezelfde functionaliteit wordt geboden als in de software die de softwarehuizen verkopen en bovendien worden de veiligheidsnormen geïntegreerd waarin is voorzien door het koninklijk besluit van 12 augustus 1993 houdende de organisatie van de informatieveiligheid bij de instellingen van de sociale zekerheid, wat de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn betreft.

De verplichte datum voor de aansluiting op het netwerk werd bepaald op basis van een unaniem advies dat werd uitgebracht door de stuurgroep van de aansluiting van de OCMW's op de KSZ, waarin de federaties van OCMW's zijn vertegenwoordigd. De wijzigingen aangebracht in de wetgeving ingevolge het arrest van het Arbitragehof betreffende de categorieën van begunstigden, waren vooraf gekend.

Maandelijks komt een comité samen waarin de verschillende softwarehuizen, de POD Maatschappelijke Integratie, de KSZ, de drie vertegenwoordigers van de Verenigingen van OCMW's, SmalS-MvM en mijn kabinet vertegenwoordigd zijn om de stand van zaken en de evolutie van de activiteiten van de softwarefirma's te bekijken. Alle firma's hebben er zich op de bijeenkomst van het comité in maart toe verbonden de aanpassing van hun software te voltooien tegen 15 april. Sommige firma's laten hun klanten geleidelijk aan het netwerk in gebruik nemen per groep van 5 tot 6 OCMW's om de aansluiting gelijkmatig over het jaar te spreiden.

Verder wordt gepland om via een rondzendbrief in de testfase en in de fase waarin het netwerk in gebruik wordt genomen, de aansluiting te organiseren per blok van OCMW's om het einde van het jaar 2005 niet te overbelasten.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Ik dank de minister voor zijn uitvoerig antwoord. Ik hoop dat hij zijn ambities kan waarmaken zodat alles tegen 1 januari 2006 is afgerond.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergaderingen vinden plaats donderdag 21 april om 10 uur en om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 20 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Van dermeersch, om gezondheidsredenen, de dames de T' Serclaes en Hermans, de heren Schouppe en Wille, wegens andere plichten, de heer Van den Brande, in het buitenland, de heer Delpérée, om persoonlijke redenen..

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 57
Voor: 2
Tegen: 46
Onthoudingen: 9

Voor

Marcel Cheron, Isabelle Durant.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Marc Van Peel, Luc Willems, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Stemming 2

Aanwezig: 58
Voor: 4
Tegen: 47
Onthoudingen: 7

Voor

Christian Brotcorne, Marcel Cheron, Isabelle Durant, Clotilde Nyssens.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Marc Van Peel, Luc Willems, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Nele Jansegers, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Stemming 3

Aanwezig: 58
Voor: 3
Tegen: 39
Onthoudingen: 16

Voor

Marcel Cheron, Isabelle Durant, François Roelants du Vivier.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Francis Detraux, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Stemming 4

Aanwezig: 56
Voor: 4
Tegen: 45
Onthoudingen: 7

Voor

Christian Brotcorne, Marcel Cheron, Clotilde Nyssens, François Roelants du Vivier.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Marc Van Peel, Luc Willems, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Nele Jansegers, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Stemming 5

Aanwezig: 57
Voor: 3
Tegen: 47
Onthoudingen: 7

Voor

Marcel Cheron, Isabelle Durant, François Roelants du Vivier.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Marc Van Peel, Luc Willems, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Nele Jansegers, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Stemming 6

Aanwezig: 57
Voor: 3
Tegen: 45
Onthoudingen: 9

Voor

Marcel Cheron, Isabelle Durant, François Roelants du Vivier.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Marc Van Peel, Luc Willems, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Stemming 7

Aanwezig: 56
Voor: 19
Tegen: 37
Onthoudingen: 0

Voor

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Jacques Brotchi, Marcel Cheron, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-François Istasse, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Olga Zrihen.

Stemming 8

Aanwezig: 57
Voor: 17
Tegen: 38
Onthoudingen: 2

Voor

Wouter Beke, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nele Jansegers, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Marcel Cheron, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Christian Brotcorne, Clotilde Nyssens.

Stemming 9

Aanwezig: 56
Voor: 2
Tegen: 40
Onthoudingen: 14

Voor

Marcel Cheron, Isabelle Durant.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Francis Detraux, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Wouter Beke, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Nele Jansegers, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Stemming 10

Aanwezig: 58
Voor: 2
Tegen: 40
Onthoudingen: 16

Voor

Marcel Cheron, Isabelle Durant.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Francis Detraux, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Stemming 11

Aanwezig: 55
Voor: 2
Tegen: 39
Onthoudingen: 14

Voor

Marcel Cheron, Isabelle Durant.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Francis Detraux, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Wouter Beke, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Nele Jansegers, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Stemming 12

Aanwezig: 57
Voor: 2
Tegen: 39
Onthoudingen: 16

Voor

Marcel Cheron, Isabelle Durant.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Francis Detraux, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Stemming 13

Aanwezig: 57
Voor: 13
Tegen: 44
Onthoudingen: 0

Voor

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Marcel Cheron, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Isabelle Durant, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Marc Van Peel.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-François Istasse, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Luc Willems, Olga Zrihen.

Stemming 14

Aanwezig: 59
Voor: 4
Tegen: 39
Onthoudingen: 16

Voor

Marcel Cheron, Michel Delacroix, Francis Detraux, Isabelle Durant.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Stemming 15

Aanwezig: 58
Voor: 20
Tegen: 38
Onthoudingen: 0

Voor

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Olga Zrihen.

Stemming 16

Aanwezig: 59
Voor: 38
Tegen: 21
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Olga Zrihen.

Tegen

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Stemming 17

Aanwezig: 59
Voor: 55
Tegen: 2
Onthoudingen: 2

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-François Istasse, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Olga Zrihen.

Tegen

Marcel Cheron, Isabelle Durant.

Onthoudingen

Christian Brotcorne, Clotilde Nyssens.

Stemming 18

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-François Istasse, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Olga Zrihen.

Stemming 19

Aanwezig: 59
Voor: 43
Tegen: 7
Onthoudingen: 9

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Marcel Cheron, Pierre Chevalier, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Francis Detraux, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Olga Zrihen.

Tegen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Nele Jansegers, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Onthoudingen

Wouter Beke, Berni Collas, Hugo Coveliers, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Marc Van Peel.

Stemming 20

Aanwezig: 59
Voor: 37
Tegen: 21
Onthoudingen: 1

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Olga Zrihen.

Tegen

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Onthoudingen

Annemie Van de Casteele.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 53, §4, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en tot invoeging van een artikel 54quater in dezelfde wet (van de heer Berni Collas; Stuk 3-1111/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel betreffende het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking en tot wijziging van de artikelen 104 en 110 van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 (van mevrouw Clotilde Nyssens c.s.; Stuk 3-1108/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van sommige bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Gerechtelijk Wetboek teneinde het echtscheidingsrecht te hervormen en echtscheiding op grond van duurzame ontwrichting in te stellen (van mevrouw Clotilde Nyssens; Stuk 3-1116/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 6 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten, om registraties inzake orgaandonatie op de elektronische identiteitskaart op te nemen (van mevrouw Erika Thijs; Stuk 3-1117/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Evocaties

De Senaat heeft bij boodschappen van 13 en 14 april 2005 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten (Stuk 3-1112/1);

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsontwerp betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid (Stuk 3-1122/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 24 maart 2005 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van de gevonniste personen en van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Stuk 3-1113/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 25 maart 2005; de uiterste datum voor evocatie is maandag 25 april 2005.

Wetsontwerp tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het tijdig indienen van de beleidsnota's bij de Kamer van volksvertegenwoordigers (Stuk 3-1115/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 25 maart 2005; de uiterste datum voor evocatie is maandag 25 april 2005.

Artikel 80 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 20 juli 1979 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde bijdragen, rechten, belastingen en andere maatregelen, in uitvoering van de Richtlijn 2004/79/EG van de Commissie van 4 maart 2004 (Stuk 3-1114/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 25 maart 2005; de uiterste datum voor evocatie is maandag 18 april 2005.

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsontwerp betreffende de follow-up van het optreden van de regering op het stuk van de Millenniumdoelstellingen inzake ontwikkeling (van mevrouw Anne-Marie Lizin c.s.; Stuk 3-579/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 25 maart 2005; de onderzoekstermijn, die overeenkomstig artikel 79, eerste lid, van de Grondwet 15 dagen bedraagt, verstrijkt op maandag 25 april 2005.

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Kennisgeving

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende Internationale Akten:

1º Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, gedaan te Brussel op 29 mei 2000;

2º Protocol vastgesteld door de Raad overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, gedaan te Luxemburg op 16 oktober 2001 (Stuk 3-852/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 24 maart 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, de faillissementswet van 8 augustus 1997 en het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, strekkende tot een rechtvaardiger fiscale behandeling van de schuldeisers in het kader van een gerechtelijk akkoord of faillissement (van de heer Jan Steverlynck; Stuk 3-882/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 24 maart 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Indiening van wetsontwerpen

De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:

Wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 30 april 2004 tussen de Federale Staat, de Gewesten en de Gemeenschappen betreffende de actieve begeleiding en opvolging van werklozen (Stuk 3-1118/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende Internationale Akten:

1º Scheldeverdrag;

2º Maasverdrag,

gedaan te Gent op 3 december 2002 (Stuk 3-1120/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol opgesteld op basis van artikel 43, lid 1, van de Overeenkomst tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europol-Overeenkomst), tot wijziging van die Overeenkomst, gedaan te Brussel op 27 november 2003 (Stuk 3-1121/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken

Bij brief van 31 maart 2005 heeft de voorzitter van de Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken ressorterende onder het Hof van Beroep te Brussel overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor het jaar 2004 van de Algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken ressorterende onder het Hof van Beroep van Brussel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 22 maart 2005.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Arbeidsauditoraten

Bij brief van 17 maart 2005 heeft de arbeidsauditeur te Bergen overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Arbeidsauditoraat te Bergen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 16 maart 2005.

Bij brief van 18 maart 2005 heeft de arbeidsauditeur te Oudenaarde overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Arbeidsauditoraat te Oudenaarde, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 16 maart 2005.

Bij brief van 21 maart 2005 heeft de arbeidsauditeur te Brugge overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Arbeidsauditoraat te Brugge.

Bij brief van 24 maart 2005 heeft de arbeidsauditeur te Mechelen overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Arbeidsauditoraat te Mechelen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 23 maart 2005.

Bij brief van 24 maart 2005 heeft de arbeidsauditeur te Verviers overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Arbeidsauditoraat te Verviers, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 16 maart 2005.

Bij brief van 29 maart 2005 heeft de arbeidsauditeur te Hoei overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Arbeidsauditoraat te Hoei, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 25 maart 2005.

Bij brief van 30 maart 2005 heeft de arbeidsauditeur te Gent overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Arbeidsauditoraat te Gent, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 24 februari 2005.

Bij brief van 30 maart 2005 heeft de arbeidsauditeur te Nijvel overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Arbeidsauditoraat te Nijvel, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 23 maart 2005.

Bij brief van 30 maart 2005 heeft de arbeidsauditeur te Dendermonde overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Arbeidsauditoraat te Dendermonde, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 28 februari 2005.

Bij brief van 31 maart 2005 heeft de arbeidsauditeur te Luik overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Arbeidsauditoraat te Luik.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Hoge Raad voor de Justitie

Bij brief van 25 maart 2005, heeft de voorzitter van de Hoge Raad voor de Justitie, overeenkomstig de artikelen 259bis-12, §1, en 259bis-18 van het Gerechtelijk Wetboek, aan de Senaat overgezonden:

goedgekeurd tijdens de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie van 23 maart 2005.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Parketten

Bij brief van 23 maart 2005 heeft de Procureur des Konings te Luik overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Parket van de Procureur des Konings te Luik, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 22 maart 2005.

Bij brief van 24 maart 2005 heeft de Procureur des Konings te Ieper overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Parket van de Procureur des Konings te Ieper, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 15 maart 2005.

Bij brief van 25 maart 2005 heeft de Procureur des Konings te Antwerpen overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, de werkingsverslagen 2003 en 2004 van het Parket van de Procureur des Konings te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 24 maart 2005.

Bij brief van 25 maart 2005 heeft de Procureur des Konings te Brugge overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Parket van de Procureur des Konings te Brugge, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 24 maart 2005.

Bij brief van 25 maart 2005 heeft de Procureur des Konings te Eupen overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Parket van de Procureur des Konings te Eupen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 25 maart 2005.

Bij brief van 25 maart 2005 heeft de Procureur des Konings te Turnhout overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Parket van de Procureur des Konings te Turnhout, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 24 maart 2005.

Bij brief van 29 maart 2005 heeft de Procureur des Konings te Namen overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Parket van de Procureur des Konings te Namen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 23 maart 2005.

Bij brief van 30 mart 2005 heeft de Procureur des Konings te Mechelen overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Parket van de Procureur des Konings te Mechelen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 14 maart 2005.

Bij brief van 30 maart 2005 heeft de Procureur des Konings te Nijvel overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Parket van de Procureur des Konings te Nijvel, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 17 maart 2005.

Bij brief van 30 maart 2005 heeft de Procureur des Konings te Tongeren overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Parket van de Procureur des Konings te Tongeren, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 14 maart 2005.

Bij brief van 31 maart 2005 heeft de Procureur des Konings te Oudenaarde overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Parket van de Procureur des Konings te Oudenaarde, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 31 maart 2005.

Bij brief van 31 maart 2005 heeft de Procureur des Konings te Kortrijk overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Parket van de Procureur des Konings te Kortrijk, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 23 maart 2005.

Bij brief van 31 maart 2005 heeft de Procureur des Konings te Gent overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Parket van de Procureur des Konings te Gent, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 24 maart 2005.

Bij brief van 7 april 2005 heeft de Procureur des Konings te Leuven overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Parket van de Procureur des Konings te Leuven, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 22 maart 2005.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Rechtbanken van koophandel

Bij brief van 22 maart 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Marche-en-Famenne overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2004 van de Rechtbank van koophandel te Marche-en-Famenne, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 21 maart 2005.

Bij brief van 23 maart 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Leuven overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2004 van de Rechtbank van koophandel te Leuven, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 11 maart 2005.

Bij brief van 24 maart 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Kortrijk overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2004 van de Rechtbank van koophandel te Kortrijk, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 18 maart 2005.

Bij brief van 24 maart 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Namen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2004 van de Rechtbank van koophandel te Namen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 22 maart 2005.

Bij brief van 25 maart 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Antwerpen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2004 van de Rechtbank van koophandel te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 22 maart 2005.

Bij brief van 29 maart 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Dinant overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2004 van de Rechtbank van koophandel te Dinant, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 22 maart 2005.

Bij brief van 29 maart 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Gent overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2004 van de Rechtbank van koophandel te Gent, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 23 maart 2005.

Bij brief van 29 maart 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Mechelen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2004 van de Rechtbank van koophandel te Mechelen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 24 maart 2005.

Bij brief van 30 maart 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Doornik overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2004 van de Rechtbank van koophandel te Doornik, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 8 maart 2005.

Bij brief van 31 maart 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Brugge overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2004 van de Rechtbank van koophandel te Brugge, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 18 maart 2005.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Rechtbanken van eerste aanleg

Bij brief van 17 maart 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 17 maart 2005.

Bij brief van 21 maart 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 17 maart 2005.

Bij brief van 22 maart 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Veurne overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Rechtbank van eerste aanleg te Veurne, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 17 maart 2005.

Bij brief van 23 maart 2005 heeft de hoofdgriffier van de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor het kalenderjaar 2004 van de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 21 maart 2005.

Bij brief van 23 maart 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 21 maart 2005.

Bij brief van 23 maart 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Luik overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 21 maart 2005.

Bij brief van 23 maart 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Ieper overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Rechtbank van eerste aanleg te Ieper, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 17 maart 2005.

Bij brief van 24 maart 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Eupen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Rechtbank van eerste aanleg te Eupen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 14 maart 2005.

Bij brief van 24 maart 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 22 maart 2005.

Bij brief van 29 maart 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 24 maart 2005.

Bij brief van 29 maart 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 22 maart 2005.

Bij brief van 30 maart 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Arbeidsrechtbanken

Bij brief van 21 maart 2005 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Gent overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2003 van de Arbeidsrechtbank te Gent, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 11 maart 2005.

Bij brief van 22 maart 2005 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Charleroi overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Arbeidsrechtbank te Charleroi, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 10 maart 2005.

Bij brief van 23 maart 2005 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 21 maart 2005.

Bij brief van 23 maart 2005 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Nijvel overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Arbeidsrechtbank te Nijvel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 17 maart 2005.

Bij brief van 25 maart 2005 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Mechelen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Arbeidsrechtbank te Mechelen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 23 maart 2005.

Bij brief van 29 maart 2005 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Turnhout overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Arbeidsrechtbank te Turnhout, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 23 maart 2005.

Bij brief van 30 maart 2005 heeft de voorzitster van de Arbeidsrechtbank te Hoei overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Arbeidsrechtbank te Hoei, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 24 maart 2004.

Bij brief van 31 maart 2005 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brussel overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Arbeidsrechtbank te Brussel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 22 maart 2005.

Bij brief van 31 maart 2005 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Bergen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Arbeidsrechtbank te Bergen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 22 maart 2005.

Bij brief van 7 april 2005 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbanken te Aarlen, Marche-en-Famenne en Neufchâteau overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Arbeidsrechtbanken te Aarlen, Marche-en-Famenne en Neufchâteau, goedgekeurd tijdens hun algemene vergadering van 17 februari 2005.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Vaste nationale cultuurpactcommissie

Bij brief van 22 maart 2005, heeft de voorzitter van de Vaste Nationale Cultuurpactcommissie, overeenkomstig artikel 26 van de wet van 16 juli 1973 waarbij de bescherming van de ideologische en filosofische strekkingen gewaarborgd wordt, aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag van de Commissie voor het jaar 2004.

-Verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Verdrag inzake de rechten van het kind

Bij brief van 6 april 2005 heeft de vice-eerste minister en minister van Justitie, aan de Senaat overgezonden, overeenkomstig artikel 2 van de wet van 4 september 2002 tot instelling van een jaarlijkse rapportage over de toepassing van het Verdrag inzake de rechten van het kind, het jaarlijks federaal verslag over de toepassing van het Verdrag inzake de rechten van het kind.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen

Bij brief van 30 maart 2005, heeft de Secretaris-generaal van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, overeenkomstig artikel 12 van de wet van 16 december 2002 houdende oprichting van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, aan de Senaat overgezonden, het activiteitenverslag voor 2004.

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Handelspraktijken en bescherming van de consument

Bij brief van 7 april 2005 heeft de minister van Werk, overeenkomstig artikel 101, vierde lid, van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag 2004 over de werking van de waarschuwingsprocedure.

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Europees Parlement

Bij brief van 5 april 2005 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:

aangenomen tijdens de vergaderperiode van 21 tot 24 februari 2005.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging en naar het Federaal Adviescomité voor Europese Aangelegenheden.