5-16

5-16

Belgische Senaat

5-16

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 24 MAART 2011 - OCHTENDVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Voorstel van resolutie betreffende de noodzaak van een plan van aanpak bij asbestbranden (van mevrouw Cindy Franssen c.s.; Stuk 5-215)

Debat over de toestand in LibiŽ

Berichten van verhindering


Voorzitter: de heer Danny Pieters

(De vergadering wordt geopend om 10.20 uur.)

Voorstel van resolutie betreffende de noodzaak van een plan van aanpak bij asbestbranden (van mevrouw Cindy Franssen c.s.; Stuk 5-215)

Bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden, zie stuk 5-215/4.)

De voorzitter. - Mevrouw Faes verwijst naar haar schriftelijk verslag.

Mevrouw Cindy Franssen (CD&V). - Met dit voorstel van resolutie vragen we een plan van aanpak bij asbestbranden. BelgiŽ beschikt vandaag niet over een begeleidingsscenario voor asbestbranden. Omdat in ons land tal van niveaus betrokken partij zijn bij een asbestbrand zijn een goede uitwerking en afstemming van operationele procedures nochtans een must.

De vraag naar een aangepast begeleidingsscenario voor asbestbranden werd actueel na een hevige brand in een meubelopslagplaats in Tienen waarbij asbestvezels vrijkwamen. Het inademen van losse asbestvezels kan leiden tot een groter risico op ontstekingen in de longen en op longkanker.

Wanneer er bij branden asbest vrijkomt, is het van groot belang dat onmiddellijk na het blussen kan begonnen worden aan de opruiming. Op dit moment is er in BelgiŽ echter nog geen specifiek begeleidingsscenario voor asbestbranden voorhanden. Aangezien verschillende ministers op verschillende beleidsniveaus medeverantwoordelijk zijn, is een goede coŲrdinatie noodzakelijk. Ik heb het dan over de samenwerking tussen de brandweer, de politie, de gemeenten, de provincie, de milieu-inspecties, de arbeidsinspecties, de verzekeringsmaatschappijen, de asbestdeskundigen en asbestsaneerders.

Daarom vragen we om, naar analogie met Nederland waar reeds een `Plan van Aanpak Asbestbrand' bestaat, ook in ons land een asbestplan te laten uitwerken door het Federaal Kenniscentrum voor de Civiele Veiligheid. Het Kenniscentrum wil een referentiecentrum voor operationele aangelegenheden zijn. Daarmee is het Kenniscentrum de aangewezen instantie om een concreet begeleidingsscenario voor asbestbranden op te stellen.

We vragen de regering dus om het Federaal Kenniscentrum voor de Civiele Veiligheid te belasten met de uitwerking van een duidelijk begeleidingsscenario voor asbestbranden. Dat plan moet alle aspecten van asbestbranden omvatten, gaande van de preventie tot de opruiming van het afval. De regering wordt bovendien gevraagd om hierover het nodige overleg te organiseren en te voorzien in een samenwerking tussen de verschillende verantwoordelijken uit de federale en de gewestelijke regeringen.

Tijdens de besprekingen in de commissie voor Binnenlandse Zaken werd erop gewezen dat hulpverlening en de afhandeling ervan in de praktijk vaak een grensoverschrijdend karakter hebben. Dat geldt in het bijzonder in steden en gemeenten die dicht bij de landsgrens liggen. Er werd daarop een amendement toegevoegd aan de tekst waarin gevraagd wordt dat het Kenniscentrum hiermee rekening houdt bij het opstellen van het plan van aanpak voor asbestbranden.

Het geamendeerde voorstel van resolutie werd op dinsdag 15 maart 2011 unaniem goedgekeurd in de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

-De bespreking is gesloten.

-De stemming over het voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.

Debat over de toestand in LibiŽ

De voorzitter. - We danken de ministers van Buitenlandse zaken en van Defensie voor hun aanwezigheid in de Senaat voor ons debat over de toestand in LibiŽ. Elke fractie beschikt over een spreektijd van zes minuten, die door een of twee personen kan worden opgenomen.

De heer Piet De Bruyn (N-VA). - Reeds vijf nachten op rij is LibiŽ het toneel van luchtbombardementen om uitvoering te geven aan resolutie 1973 van de VN-Veiligheidsraad. Ons land steunt deze resolutie en verleent medewerking aan de uitvoering ervan. Mijn partij heeft al eerder laten weten deze actieve betrokkenheid te steunen. Niet omdat we graag ten oorlog trekken, zoals een Vlaamse editorialist meende te moeten beweren, maar omdat het onze overtuiging is dat de Libische bevolking het recht heeft om beschermd te worden tegen haar leider, die er niet voor terugdeinst om massaal dood en vernieling te zaaien onder zijn eigen bevolking.

Ik verwijs naar de Britse premier David Cameron die het militair ingrijpen noodzakelijk, legaal en rechtvaardig noemt. Onze fractie en mijn partij menen dat hij gelijk heeft.

Resolutie 1973 is een logisch gevolg van Resolutie 1970 die in alle duidelijkheid het onmiddellijke einde eiste van het geweld aangewend tegen de eigen burgerbevolking en die ook besloot de zaak LibiŽ door te verwijzen naar het Internationaal Strafhof in Den Haag. Ook deze resolutie blijft voor ons onverkort van kracht.

Zowat alle berichten maken duidelijk dat de no-flyzone vandaag een feit is. Kadhafi heeft geen operationele luchtmacht meer die hij als effectief oorlogsinstrument kan inzetten. Dat is zonder twijfel een eerste en belangrijke stap die gedaan moest worden. Dat er vandaag niet meer duidelijkheid is over het verdere concrete doel van de operatie, verontrust mij. Daarom hoorde ik graag van de regering wat haar standpunt is en hoe zij reageert op de uitspraken van de Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken, Hillary Clinton, die in een tv-interview verklaarde dat deze militaire interventie een kwestie is van dagen en niet van weken. Zij voegde eraan toe dat er vanuit de omgeving van Kadhafi contacten worden gelegd met hun internationaal netwerk om een uitweg te zoeken. Kan de regering dit bevestigen? Hoe reŽel acht zij de kans dat dit scenario verder wordt ontwikkeld?

Ik stel vast dat er vandaag nog geen volledige duidelijkheid is over de politieke structuur waarbinnen de militaire interventie opereert. Nochtans is dit niet onbelangrijk. Resolutie 1973 legitimeert het militaire optreden van vandaag, maar dat impliceert ook een duidelijk akkoord tussen de verschillende actoren over de aansturing en politieke follow-up van deze interventie. Ik roep de regering dan ook op om onze actieve betrokkenheid niet te beperken tot de militaire operaties, maar om evenzeer haar verantwoordelijkheid op te nemen in het debat over het einddoel van deze operatie en over de structuur waarbinnen deze operatie verder moet verlopen.

In elke oorlog vallen slachtoffers. Naast de directe slachtoffers van militair geweld, zijn er ook de vluchtelingen die als gevolg van dit geweld op de dool zijn. Ook zij verdienen onze aandacht. We hebben al initiatieven genomen. Ik roep de regering op deze initiatieven voort te zetten en waar mogelijk op te drijven.

De heer Karl Vanlouwe (N-VA). - De huidige democratiseringsbeweging, ook wel de Arabische lente genoemd, heeft sinds december een gebied in de greep dat loopt van de Atlantische tot de Indische Oceaan. Het blijft onrustig in heel wat landen. Vandaag nog las ik dat in Egypte beslissingen genomen worden door de overgangsregering waardoor stakingen en demonstraties verboden worden. In Jemen, Bahrein en SyriŽ wordt geschoten op de bevolking.

Om de straatprotesten in Bahrein onder controle te krijgen, heeft het regime van koning Al Khalifa sinds vorige week steun gekregen van troepen van Saudi-ArabiŽ en de Verenigde Arabische Emiraten. Deze treden op onder de vlag van de Cooperation Council for the Arab States of the Gulf en moeten in Bahrein de veiligheid bewaren op belangrijke plaatsen zoals olie- en gasinstallaties en financiŽle instellingen. Het gaat om 1000 Saudi's en 500 soldaten uit de Emiraten. Tot nog toe zijn er een tiental doden gevallen. Ik wijs erop dat de Fifth Fleet van de Verenigde Staten in Bahrein gevestigd is.

In SyriŽ begint men nu ook tal van overheidsgebouwen in brand te steken, zoals het gerechtsgebouw en het hoofdkwartier van de regerende Baathpartij in de stad Daraa. Ook hier nemen de straatprotesten toe en zijn er tientallen doden gevallen.

In Jemen bevindt president Ali Abdullah Saleh zich in steeds nauwere schoentjes nadat een reeks ambassadeurs, ministers en generaals hem de rug hebben toegekeerd na de bloedige onderdrukking van de straatprotesten waar 50 betogers werden neergeschoten.

President Saleh weigerde aanvankelijk om op te stappen. Later maakte hij bekend dat hij tegen het einde van het jaar zou opstappen. Gisteren heb ik vernomen dat hij overweegt om onmiddellijk op te stappen. Niemand weet echter waartoe de protesten kunnen leiden.

Een blik op de landenkaart van Noord-Afrika en het Midden-Oosten leert ons dat in de hele regio, van Marokko tot Jemen, momenteel protesten aan de gang zijn. Slechts in TunesiŽ en Egypte zijn de heersende regimes opzijgezet.

Wat is het standpunt van de Belgische regering tegenover die protestgolf? Volgt Buitenlandse Zaken die evolutie? Werkt het hierbij samen met andere landen?

Welke rol speelt de Europese diplomatieke dienst van mevrouw Ashton? Jammer genoeg spreekt Europa niet uit ťťn mond en horen we mevrouw Ashton bijzonder weinig.

Ons land steunt momenteel de militaire ingreep in LibiŽ. Twee Arabische landen die deze operatie politieke steun verlenen, Saudi-ArabiŽ en de Verenigde Arabische Emiraten, hebben op dit ogenblik troepen in Bahrein om daar het straatprotest te onderdrukken. Hoe rijmt de regering die tegenstrijdigheid?

Welke diplomatieke akkoorden en verdragen heeft ons land met Bahrein, SyriŽ en Jemen, landen waar volksopstanden op bloedige wijze worden onderdrukt?

De commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging zal binnenkort de bespreking aanvatten over een allesomvattend standpunt met betrekking tot het democratiseringsproces in Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik wil enkele concrete vragen stellen over de positie van ons land. Ik hoop daarop precieze antwoorden te krijgen, ook al is de toestand internationaal nogal wazig.

Vooreerst vraag ik me af hoe de VN-resoluties 1970 en 1973 dienen te worden geÔnterpreteerd. De eerste gaat over het embargo. Tegen wie is dat gericht? Resolutie 1973 heeft betrekking op het luchtruim en voorziet in een humanitaire missie die beoogt mensenlevens te redden en ontoelaatbare bloedbaden in LibiŽ te voorkomen. Wat vindt de regering van die resolutie? Voor ons was de legitimiteit en de wettigheid van de interventie afhankelijk van de goedkeuring van een resolutie door de Verenigde Naties en dus van de inhoud van die resolutie, de hele inhoud en niets dan de inhoud.

Dan kom ik tot het commando, waarover we van alles en nog wat horen. Ik heb gehoord dat de eerste minister verklaarde verheugd te zijn over het Franse initiatief, maar het is moeilijk te achterhalen wie verantwoordelijk is voor de operatie. Verschillende landen stellen verschillende eisen. Frankrijk wil de leiding nemen, terwijl de Verenigde Staten dat momenteel blijkbaar vooral niet willen doen.

BelgiŽ heeft drie voorwaarden gesteld: een VN-mandaat, een legitieme vraag vanuit LibiŽ, en de deelname van de Arabische Liga. Hoe schat de minister van Buitenlandse zaken de deelname in van de Arabische Liga, of van landen die er deel van uitmaken? Er hebben verschillende vergaderingen plaatsgehad van de Europese ministers van Buitenlandse zaken. Waarover werd er gepraat? Wat is het resultaat van die besprekingen? Naar verluidt zullen er nog meer vergaderingen volgen. Wat is de positie van de Europese Unie? En van de verschillende lidstaten? Die lijken nogal uiteenlopend. Heren ministers, welke informatie hebt u over de toestand ter plaatse? Hoeveel burgerslachtoffers zijn er? Dat is immers het punt dat ten grondslag ligt aan de VN-resolutie. Hoe wordt er bij de huidige operaties voor gezorgd dat er geen burgerslachtoffers vallen?

Heren ministers, we hebben weinig precieze informatie over al deze gebeurtenissen. Ik wil u ook vragen om aandacht te hebben voor wat er daarna moet gebeuren. Hoe wordt er politiek gereageerd na de interventie? De parlementaire opvolgingscommissie houdt zich bezig met het militaire aspect van de operaties en van de veiligheid ervan. Hoe ziet de regering de politieke follow-up gebeuren door het parlement en op het terrein? Hoe zal de beŽindiging van deze interventie worden georganiseerd?

Wat mij aan het denken heeft gezet, zijn de boodschappen uitgestuurd door de Amerikaanse minister van Buitenlandse zaken over de acties van Kadhafigetrouwen die overal waar hij op zijn netwerken kan terugvallen, over onderhandelingsmogelijkheden zouden praten. Hebt u daar precieze informatie over? We hebben gisteren een parlementaire delegatie ontvangen van de Russische Federatie. De voorzitter ervan is overtuigd dat de enige mogelijkheid een onderhandelde oplossing is, wat helemaal niet overeenstemt met het Belgische standpunt. Niettemin denk ik dat de Belgische interventie in LibiŽ noodzakelijk is omdat ze een humanitair doel dient, namelijk levens te redden. Ik vraag u dus met aandrang om de informatie die ons duidelijk kan maken hoe doeltreffend deze interventie is en ik wil u daarvoor alvast bedanken.

De heer Armand De Decker (MR). - Heren ministers, het is duidelijk dat de steun van het parlement voor deze operatie in LibiŽ unaniem is. Deze interventie is volstrekt gerechtvaardigd, vooral nu bekend werd dat de troepen van Kadhafi het ziekenhuis van Misratah hebben vernietigd. Grotere gruwelijkheden kan men zich moeilijk indenken.

Ik betreur evenwel dat aan de publieke opinie niet beter wordt uitgelegd welke de juridische grondslag is van deze interventie. Op lange termijn is dat gevaarlijk omdat duurzame steun van de publieke opinie nodig is voor deze internationale interventie.

De juridische grondslag is het feit dat een staatshoofd alle inwoners van zijn land moet beschermen. Die verplichting is na de genocide in Rwanda in het VN-recht opgenomen. Als ze niet wordt nagekomen, moet de internationale gemeenschap gebruik maken van het recht van inmenging waarin de VN voorzien.

Ik ben het eens met de heer Mahoux en de sprekers van deze morgen: de stilte in Europa is oorverdovend. Ofschoon er een EU-ministerie van Buitenlandse zaken in de maak is, is het stilzwijgen van de Hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken van de EU oorverdovend. Het is nogal verontrustend vast te stellen dat de Europese Unie op dit vlak gewoon niet lijkt te bestaan. De Europese militaire bevoegdheden van de WEU werden overgedragen aan de EU, net zoals de diplomatieke bevoegdheden. Zoals de heer Verhofstadt het treffend formuleerde in het Europees parlement, moeten we bijgevolg artikel 34 van het Verdrag van Lissabon toepassen, dat voorziet in onverwijld overleg tussen de EU-lidstaten met het oog op het vastleggen van een gemeenschappelijk beleid van de Europese Unie. Zulk een gemeenschappelijk EU-beleid ten aanzien van de Arabische Lente lijkt mij absoluut noodzakelijk. Even noodzakelijk lijkt het mij dat dit beleid ook kan rekenen op een Europese interparlementaire begeleiding.

We zijn getuige van de terugkeer van de intergouvernementele methode, samen met een zeker nationalisme en zonder enige Europese coŲrdinatie. Dat is te betreuren.

Dit betekent dat een en ander moet worden opgevolgd in de assemblee van de WEU die eind juni ontbonden wordt en dat er een nieuwe vorm van parlementaire controle moet worden geschapen. De voorzitters van Kamer en Senaat zullen dit overigens moeten toelichten op de conferentie van parlementsvoorzitters.

Het laatste thema dat ik binnen dit korte tijdsbestek wil aansnijden, is het militaire aspect.

De Verenigde Staten schijnen op de achtergrond te willen blijven en het commando over de operaties door de NAVO te laten overnemen. Ik denk dat het een grote vergissing zou zijn om die operaties onder NAVO-vlag te voeren. Het zou politiek veel wenselijker zijn dat de Europese Unie de Arabische lente en de volksopstanden tegen tirannen en dictators zou steunen. Militair is dat mogelijk door gebruik te maken van de politieke en militaire instanties van de EU in het kader van Berlijn Plus, namelijk een Europese structuur die ondersteund wordt door de NAVO. Om zich te blijven verzekeren van internationale steun is een operatie onder NAVO-vlag niet de meest populaire oplossing.

De heer Richard Miller (MR). - Ik zal niet alles herhalen wat al gezegd is en waar ik het mee eens ben, maar ik wil het hebben over de ontwikkelingen op lange termijn. We moeten immers nadenken over wat de gevolgen kunnen zijn van de huidige, dringende problemen, zowel voor de betrokken bevolking als voor ons, Europeanen. Deze golf van protest zal immers leiden tot een nieuwe relatie tussen het Westen en de landen ten zuiden van de Middellandse zee.

De kaarten worden opnieuw geschud voor wat de politieke, economische en culturele betrekkingen tussen de noordelijke en de zuidelijke oevers van de Middellandse zee betreft. Er kan een nieuw Euro-mediterraan samenwerkingsmodel ontstaan.

Onze verantwoordelijkheid bestaat erin de Arabische volksopstanden te begeleiden en alle kansen van slagen te bieden. BelgiŽ draagt hiertoe al bij door deel te nemen aan de militaire operatie en ik wens dat ons land ook politiek zou bijdragen aan het formuleren van Europese voorstellen.

Met de Europese Unie hadden we een partnerschap voor democratie voorgesteld, het zogenaamde Barcelonaproces. Dat proces is mislukt, zowel wat de doelstellingen als de middelen betreft. Gaan we de voorwaardelijke clausules, die gekoppeld zijn aan de verdieping van de politieke dialoog, herschrijven? Gaan we nieuwe thema's opleggen voor onze discussies? Gaan we onze eisen aanscherpen, bijvoorbeeld wat de individuele vrijheden betreft? Welke kwalitatieve sprong zullen we maken in onze relaties met Egypte en TunesiŽ wanneer aan die landen een geprivilegieerd statuut wordt toegekend voor hun betrekkingen met de EU?

Daar er zich misschien een nieuw geopolitiek gegeven zal aftekenen, wil ik twee punten naar voren schuiven.

Vooreerst betreur is dat mevrouw Ashton geruisloos van het toneel is verdwenen bij alle pogingen om de vredesonderhandelingen aan te zwengelen tussen IsraŽl en Palestina. Met de huidige gebeurtenissen moet ook rekening gehouden worden bij het zoeken naar een oplossing voor het IsraŽlisch-Palestijns conflict.

Voorts vraag ik me af wat u denkt van de versterkte rol van Turkije in dat deel van de wereld. Denkt u niet dat het tijd is om het Europees nabuurschapsbeleid fundamenteel te herzien, in een andere geest dan die van de administratieve reglementeringen? Ik pleit niet voor een herziening van de lidmaatschapscriteria van Kopenhagen, noch voor een versnelling van de toetredingsprocedures.

De heer Rik Torfs (CD&V). - Ik ben ervan overtuigd dat de humanitaire catastrofe in Benghazi moest leiden tot een dringend optreden van de internationale gemeenschap. Daardoor waren duidelijk omschreven taken op alle terreinen van bij de aanvang allicht niet mogelijk. Alleszins is het goed dat werd opgetreden want de instelling van een no-flyzone zou geen zin meer hebben gehad eens Benghazi zou zijn ingenomen door het leger van Kadhafi.

Ik zal geen geopolitieke beschouwingen maken, maar me beperken tot acht vragen die evenwel niet alle een antwoord behoeven, mede omdat levenservaring leert dat vragen die geen antwoord kennen de mooiste zijn.

Al vrij snel bleek dat resolutie 1973 van de Veiligheidsraad aanleiding is tot interpretatieverschillen. De instelling van een no-flyzone heeft tot doel burgers te beschermen, maar kan tegelijk niet verhinderen dat ook burgers worden gebombardeerd. Dat soort contradictie, en dat heeft ook de Arabische Liga opgemerkt, is allicht niet te vermijden. De vraag is hoe om te gaan met zo een contradictie.

Ook militair-strategisch is resolutie 1973 enigszins dubbelzinnig. De no-flyzone betekent immers niet automatisch dat burgers die in een stad in gevaar zijn, worden beschermd. Met andere woorden, het middel is niet honderd procent geschikt. Dan is de vraag hoe voorzichtig men moet zijn bij het betrachten van de voorzichtigheid en het uitstippelen van een militair-strategische politiek.

Een andere vraag heeft betrekking op het einddoel van de operatie. Wat met de zogeheten regime change? Is die noodzakelijk of is het belangrijkste doel dat de humanitaire opdracht wordt vervuld? Het is wellicht niet zo simpel om LibiŽ van Kadhafi te ontdoen met alleen maar een no-flyzone. In het verleden bleven mensen als Saddam Hussein en Slobodan Milošević nog aan de macht, zelfs nadat alle doelen waren gebombardeerd. Het is best mogelijk dat Kadhafi tot die categorie mensen behoort.

Ook over de centrale commandostructuur van de coalitie bestaat onduidelijkheid. Zeker is wel dat de Verenigde Staten niet de leider willen blijven van de coalitie. Om allerlei geostrategische en electorale redenen willen ze immers niet in een uitzichtloos conflict worden betrokken.

Quid met de Europese Unie? Hoe dapper is Europa? Soms denk ik dat in Europa verkiezingen belangrijker zijn dan visie. In Duitsland bijvoorbeeld is er terughoudendheid om deel te nemen aan de coalitie ingevolge deelstaatverkiezingen en in Frankrijk vormen verkiezingen misschien wel de reden om wel op te treden, nadat het land zich aanvankelijk nogal wankelmoedig toonde tegenover de gebeurtenissen in Egypte en TunesiŽ.

Ik hoop evenwel dat Europa uitgaat van de noodzaak aan een humanitaire missie, en niet van een tactisch steekspel waarbij verkiezingen centraal staan. Dat zou immers getuigen van een vorm van decadentie. Een continent met een visie daarentegen kan een eigen lijn uitstippelen. Het mag niet zo zijn dat het `wederom duidelijk wordt dat Europa in crisissituaties weinig voorstelt', zoals een Duits krantencommentator zei. Hopelijk geeft Europa blijk van visie.

Wat met de Afrikaanse en Arabische landen? Natuurlijk zijn die landen af en toe wat terughoudend. Ze hebben ook zelf met volksopstanden af te rekenen. Wat met de houding van de nieuwe spelers zoals China en India en van de oude speler met vernieuwde krachten Rusland? Hoe gaan we met hun standpunt om?

Wat is de kwaliteit van de oppositie in LibiŽ? Ook dat is een probleem. Op het ogenblik is de vroegere minister van Justitie Mustafa Abdul Jalil de grote leider. Hoewel in sommige landen ministers eerbare lieden zijn, is dat in LibiŽ niet per definitie het geval. Kunnen we wel geloven in een leiderschap dat voortkomt uit een systeem dat 40 jaar lang autoritair is geweest? Ik denk dan terug aan de tijden van Ion Iliescu, die als opvolger van Ceauşescu ook uit het systeem kwam, in Moskou had gestudeerd en ook wel wist hoe hij met tegenstanders van het regime moest afrekenen. Kunnen we voldoende vertrouwen hebben in de oppositie. Biedt ze voldoende garanties?

Wat met de post-conflictperiode? LibiŽ is een moeilijk land: 40 jaar dictatuur, opgebouwd rond stammen. Het mag geen nieuw SomaliŽ worden.

Dat brengt me bij de volgende conclusie. Voor CD&V is het zeer belangrijk dat de drie voorwaarden voor de interventie - een legitieme vraag vanuit LibiŽ, de participatie van de Arabische Liga en een mandaat van de VN - vervuld zijn. Het is echter ook van groot belang dat het humanitaire aspect centraal staat en dat we uiteraard aanwezig blijven, dat we de zaken opvolgen en LibiŽ niet in de steek laten na een kort of lang militair ingrijpen.

Mevrouw GŁler Turan (sp.a). - Om te beginnen benadruk ik dat mijn partij en ik tevreden zijn met de procedure die wordt gevolgd voor de deelname van BelgiŽ aan de operatie in LibiŽ. De bevoegde commissies konden snel over de beslissing van de regering debatteren. Gisteren was er een speciale bijeenkomst van de Commissie voor de opvolging van buitenlandse missies en vandaag staat het punt op de agenda van de plenaire vergadering. Die betrokkenheid en steun van het parlement zijn essentieel om een noodzakelijk draagvlak te creŽren. Ik hoop dan ook dat deze manier van werken in de toekomst zal worden voortgezet.

Dan kom ik bij de interventie zelf. Bij fundamentele schendingen van de mensenrechten kan de internationale gemeenschap niet werkloos langs de zijlijn blijven staan. Wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan en alle andere mogelijkheden zijn uitgeput, kan een militair ingrijpen noodzakelijk zijn om een einde te maken aan de mensenrechtenschendingen. Dat is duidelijk het geval in LibiŽ. Vandaar dat ook mijn partij deze operatie steunt. Geweld moet echter altijd de laatste optie zijn en moet met de grootste voorzichtigheid worden gebruikt, in een duidelijk kader, met een duidelijk mandaat en een duidelijk doel. Op dat punt zijn er volgens mij op het moment nog een aantal risico's.

Een eerste risico ligt in VN-resolutie 1973 zelf. In de debatten deze week verklaarden de ministers dat de uiteindelijke doelstelling van de resolutie wel zeer duidelijk is. In het plenaire debat in de Kamer van afgelopen maandag bevestigde minister Vanackere echter ook dat resolutie 1973 wel degelijk elastisch is. Ze bevat wat men een `constructieve ambiguÔteit' noemt. De verschillende interpretaties die ik de voorbije dagen heb gehoord, bevestigen dat. De ene zegt dat er wel degelijk een machtiging in staat om Kadhafi `te pakken'. Volgens sommige juristen kunnen in `bepaalde' situaties misschien toch grondtroepen worden ingezet, ook al wordt dat op het eerste gezicht duidelijk uitgesloten.

Momenteel bevinden we ons in de eerste fase van de interventie. Wat na Kadhafi? In de VN-resolutie wordt inderdaad niet uitdrukkelijk verwezen naar een regimewissel als doelstelling, maar ik verwijs naar de operationele doelstelling 2 in de VN-resolutie. Uiteraard is de vraag van de Libische bevolking absoluut te onderschrijven als globale doelstelling, maar nogmaals, ook de invulling ervan is zeer rekbaar. Hoe zal dit geÔnterpreteerd worden wanneer het conflict verder evolueert?

De grenzen van het huidige militaire engagement mogen in geen geval worden verlegd. Ik pleit voor een zeer strikte interpretatie van de VN-resolutie. Onze militaire bijdrage moet zich beperken tot de bescherming van burgers, niet meer en niet minder. De internationale gemeenschap moet zeer voorzichtig en doordacht handelen in een eventueel post-Kadhafitijdperk. We mogen in geen geval een regimewissel opleggen, of een westers model van democratie opdringen. De evolutie in de tussenkomsten van de internationale gemeenschap in andere conflicten toont aan hoe flinterdun de grens tussen het militaire optreden en de nation-building soms wordt. Deze fout mogen we niet nogmaals maken. Grondtroepen zijn voor ons in alle omstandigheden uitgesloten. Tot op heden wordt dit zeer uitdrukkelijk onderschreven door de Belgische regering. Maar nogmaals, ook hierover horen we, zowel in binnen- als buitenland verschillende interpretaties. Laat ons te allen prijzen vermijden dat de constructieve ambiguÔteit op termijn omslaat in een destructieve ambiguÔteit.

Op dit moment is er ook nog een tweede risico, met name het gebrek aan een eenduidige commandostructuur. Wij opereren met onze F-16's onder een gezamenlijk commando vanuit het Duitse Ramstein, samen met de VS, de Britten en Frankrijk. Ik ben geen militair specialist, maar ben toch van oordeel dat een operatie in ťťn luchtruim best geleid wordt door ťťn commando. Ik weet dat een eventuele verduidelijking niet van ons land afhangt, maar ik hoop dat snel duidelijkheid komt en dat we weten waar, wanneer en hoe er wordt opgetreden. Graag had ik van de ministers vernomen hoe ze dit concreet zien evolueren?

Ten slotte, nog een laatste woord over onze eigen capaciteit. De Directeur-Generaal Communicatie van Defensie stelde dat we met tien F-16's effectief in operatie aan het plafond zitten. Hij voegt eraan toe dat we dit zonder problemen aankunnen, maar slechts voor een beperkte periode, hooguit twee maanden. Het kabinet van minister De Crem wimpelde dit enigszins af en benadrukte dat de operatie in LibiŽ van onbeperkte duur blijft. Graag had ik van de minister wat meer duiding gekregen bij deze tegengestelde communicaties.

Mevrouw Nele Lijnen (Open Vld). - `In de politiek, en zeker in de internationale politiek, bestaat er niet zoiets als eeuwige bondgenoten of nooit aflatende vijanden. Wat er wel bestaat, zijn belangen, overtuigingen en principes, bijvoorbeeld over mensenrechten, universele mensenrechten waarvan het verdomd onze plicht is ze te handhaven.

Collega's, daarover gaat het vandaag in LibiŽ. Over mensen en hun rechten, over de bescherming van onschuldige Libische burgers, over de strijd tegen een staatshoofd die er niet voor terugschrikt om tanks, vliegtuigen en helikopters af te sturen op zijn eigen mensen. Over mannen, vrouwen en kinderen, van wie Kadhafi vorige week donderdag liet weten dat hij ze uit hun wijken, straten en huizen zou halen om ze terecht te stellen. Over mensen, ook vandaag nog in Misratah, waar volgens onafhankelijke bronnen de troepen van Kadhafi een absolute verwoesting en afslachting aan het aanrichten zijn; over een stad die hij volledig ten gronde richt.

Waarom? Omdat zij het dictaat van Kadhafi en zijn familie beu zijn, omdat zij een beter leven willen, omdat zij willen wat wij hier elke dag als vanzelfsprekend beschouwen. Zij willen democratie. In de internationale politiek bestaat er niet zoiets als eeuwige bondgenoten of nooit aflatende vijanden.'

Zo sprak mijn collega Gwendolyn Rutten deze week in de Kamer. (Uitroepen van de ministers De Crem en Vanackere)

Geen nood, mijnheer De Crem, ik maak mijn punt.

Dat legitimeert de militaire operaties die het respect voor resolutie 1973 van de VN-Veiligheidsraad moeten helpen afdwingen. De voorwaarden waaraan een Belgische deelname werd gekoppeld, konden op brede parlementaire steun rekenen. Er moest een legitieme vraag zijn vanuit LibiŽ, de Arabische Liga moest zich akkoord verklaren en er moest een duidelijk VN-mandaat zijn.

Aan deze voorwaarden is voldaan. Om humanitaire redenen en in uitvoering van het responsibility to protect-principe was deelname van BelgiŽ aan de operaties gewenst. We kunnen de Libische bevolking niet aan haar lot overlaten, nu ze door een losgeslagen regime met de uitroeiing wordt bedreigd, enkel en alleen omdat ze democratie heeft geŽist. Gezien de ernst van de situatie op het terrein, was het een goede zaak dat er snel werd ingegrepen, zodra de VN-resolutie eenmaal een feit was.

Men heeft veel gespeculeerd over mogelijke interne politieke beweegredenen van landen die deel uitmaken van de coalitie. Feit blijft dat een humanitaire catastrofe in en rond Benghazi dreigde en dat die zonder de militaire operaties wellicht intussen had plaatsgevonden.

In deze situatie was het onvermijdelijk dat er de eerste dagen wat disparaat werd opgetreden, weliswaar strikt binnen de reikwijdte van resolutie 1973. Nu is het tijd voor de consolidatie van de internationale steun voor de operaties, voor duidelijkheid over het commando en voor het voorbereiden van het post-Kadhafitijdperk, dat hopelijk niet te lang op zich zal laten wachten.

Er rijzen natuurlijk ook heel wat vragen. Wat is de positie van de Belgische regering inzake een centraal commando onder NAVO-vlag? Wat zijn de obstakels? Heeft BelgiŽ een vraag ontvangen van Frankrijk om via de minister van Buitenlandse Zaken te zetelen in een comitť van staten die aan de coalition of the willing deelnemen, dat de Franse minister Juppť naar verluidt wil oprichten? Wordt de Belgische participatie aan operatie Odyssey Dawn afhankelijk gemaakt van het al dan niet opnemen van het commando door de NAVO? Wat is het uiteindelijke doel van de operatie volgens de Belgische regering?

Volgens minister De Crem mogen de Belgische F-16's die momenteel gestationeerd zijn in het Griekse Araxos optreden om de Libische luchtverdediging uit te schakelen teneinde het vliegverbod op te leggen. Bestaan er daarnaast andere opdrachten waarvoor Belgische vliegtuigen zullen worden ingezet? Nemen Belgische militairen deel aan de AWACS-operaties in het kader van Odyssey Dawn? Om operationele redenen lijkt het misschien raadzaam de vliegbasis van het relatief afgelegen Araxos te verleggen naar het nabije SiciliŽ.

Worden Belgische Special Forces ingezet om de Belgische F-16's naar hun doelwitten te leiden? Wie staat in voor eventuele Search and Rescue Operaties (SAR), indien de vliegtuigen in moeilijkheden raken?

Welke precieze rol zal de Belgische mijnenveger Narcis toebedeeld krijgen naast de NAVO operatie Active Endeavour en het waken over het wapenembargo? En welk tijdsschema wordt gevolgd?

De Belgische luchtmacht heeft deze week met klem aangetoond dat ze over een nuttige en snel inzetbare capaciteit beschikt. Ons land toonde zich op het internationale toneel als een valuable en reliable partner. Immers, alle in de lucht en ter zee ingezette Belgische militairen namen deel aan operaties in het kader van de NAVO. Sinds vorig weekend zijn ze evenwel in een oorlogssituatie verwikkeld. Het is dan ook uiterst belangrijk dat de achtergebleven familieleden van de betrokken militairen voldoende informatie en, waar nodig, bijstand en steun krijgen bij alle soorten eventualiteiten.

Maar ook moeten we rekening houden met een humane aanpak van het detachement dat nu ter plaatse is en de detachementen die zullen volgen. Zo zijn er bijvoorbeeld piloten die twee weken geleden nog actief waren in Afghanistan en zich nu klaarmaken voor de missie in LibiŽ. Voor hen en hun thuisfront is het dus van belang om in de mate van het mogelijke een duidelijke omlijning te geven over de duur van hun inzet, gegeven de huidige omstandigheden. Maar ook heeft de Belgische deelname aan Operatie Odyssey Dawn een invloed op de inzet van de Luchtcomponent in het kader van ISAF in Afghanistan.

Het is onze plicht om ook na te denken wat we zullen doen met het post-Kadhafitijdperk.

Ik denk daarbij zeer concreet aan de rol die de Libische vrouwen moeten spelen in de transitie en de consolidatie ervan. In een artikel uit de New York Times, getiteld `Seksestrijd barst los in Egypte' werden slogans geciteerd als `Weg met vrouwen!' en `Ga terug naar huis!' Dat schreeuwden woedende mannen tegen honderden vrouwen die op het Tahrirplein in Egypte protesteerden tegen seksuele intimidatie en voor gelijke rechten. Verschillende media tekenden de reacties van de boze mannen op. De demonstratie eindigde in geweld: mannen raakten onderling slaags, raakten slaags met de vrouwen en joegen hen van het plein af.

Het protest van de vrouwen was er precies op gericht om de nieuwe machthebbers eraan te herinneren dat vrouwen ook achttien dagen lang vochten voor meer democratie. Het was de bedoeling vreedzaam samen te komen en een gelijkwaardige positie in de samenleving op te eisen. Dat mislukte. Deze mannen maakten in woord en daad duidelijk dat de belangen van de helft van de bevolking niet meetellen.

Dat mogen we niet aanvaarden, niet in Egypte, niet in LibiŽ en niet in de hele Euromediterrane zone. In het Adviescomitť gelijke kansen buigen we ons de komende weken dan ook over deze problematiek, maar ik verwacht van onze regering - naast militaire actie - ook een duidelijk plan van aanpak over het post-Kadhafitijdperk met bijzondere aandacht voor de positie van de vrouw. Dit mag geen Iran of Afghanistan bis worden.

En tot slot moeten we ons voorbereiden op een migratiebeweging die mogelijk vanuit LibiŽ op gang zal komen richting de EU. In dat kader is het noodzakelijk dat er Europese afspraken gemaakt worden om de druk, veroorzaakt door een migratiebeweging, te verdelen over de lidstaten. Onze regering kan initiatieven nemen om de opvang van vluchtelingen in de buurlanden van LibiŽ of de regio te ondersteunen en zo de migratiedruk naar Europa te ondervangen.

We hebben deze week moed getoond en we zijn ten strijde getrokken voor de universele rechten van de mens. Laten we deze moed ook tonen op politiek vlak nadat onze militaire troepen weer huiswaarts keren. Ook daar ligt de verantwoordelijkheid van het Westen; ook daar moeten wij durven opkomen voor de rechten van elke vrouw, elk kind, elke man.

De heer Jurgen Ceder (VB). - We zijn nogal laat met dit debat. Sommige senatoren zijn terecht verontwaardigd omdat Kamer en regering onze instelling vorige week enigszins buitenspel hebben gezet, terwijl er redenen zijn om te stellen dat de Senaat, tenminste wat internationale betrekkingen betreft, een zekere voorrang heeft op de Kamer. We hebben dat ook een beetje aan onszelf te danken: vorige week vond in de Kamer een levendig debat over LibiŽ plaats, terwijl de Senaat met vakantie was. Ik heb daar in het Bureau mijn ongenoegen over geuit, want - en ik verwijt dat de voorzitter niet - het was te laat om toen nog een debat te organiseren. We moeten dus niet met stenen gooien naar de Kamer.

Onze fractie gaat principieel akkoord met deze operatie. Het Westen heeft al te vaak stilgezeten. Er werd al verwezen naar Srebrenica en Rwanda. We hebben op dat vlak helaas een oudere traditie: het Westen zat ook al stil ten tijde van de Praagse lente, de Hongaarse opstand enzovoort.

Ik verwijs naar mijn betoog indertijd, toen ik de minister van Buitenlandse Zaken ondervroeg over de steun van BelgiŽ aan LibiŽ, en Kadhafi, bij hun kandidatuur voor de Mensenrechtenraad. We zien hoe het kan verkeren. Enkele maanden geleden gaf ons land nog steun aan LibiŽ om in de Mensenrechtenraad te zetelen, en nu bombarderen we LibiŽ in naam van de Mensenrechten.

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen. - Mijnheer Ceder, u komt voor de vierde, vijfde of zelfs zesde keer met dezelfde opgewarmde kost en u houdt geen rekening met de antwoorden die in het verleden telkens opnieuw zijn gegeven. Bij de stemming over het lidmaatschap van LibiŽ in mei vorig jaar hebben 155 landen van de wereld, ook de landen die wij cruciaal achten om vandaag de legitimiteit van de operatie te kunnen onderbouwen, zoals de Arabische landen en de landen van de Afrikaanse Unie, voor de toetreding van LibiŽ tot de Mensenrechtenraad gestemd. Het betrof wat we in het jargon een clean slate noemen, waarbij er vier kandidaten zijn voor vier plaatsen. BelgiŽ heeft er inderdaad niet voor gekozen cavalier seul te spelen en tegen te stemmen. Door telkens opnieuw op een poujadistische en gepersonaliseerde manier te blijven zeggen dat ik LibiŽ gesteund heb, doet u geen eer aan het intellectuele debat. Als u minstens de eerlijkheid zou hebben om te zeggen dat heel de wereld in de spiegel moet kijken en moet nadenken over stemmingen zoals deze, waarbij landen in de Mensenrechtenraad worden opgenomen zonder er absoluut zeker van te zijn dat ze tot de club van de good guys behoren, dan zou ik naar uw argument luisteren en erop ingaan. Wanneer u echter telkens opnieuw zegt dat dit een keuze van BelgiŽ betrof en u blijkbaar geniet van de zogenaamde contradictie, kan ik niet anders dan te zeggen dat ik dat poujadisme beu ben.

De heer Jurgen Ceder (VB). - Mijnheer de minister, ik begrijp dat u kwaad bent. In uw plaats zou ik ook ongelukkig zijn. De feiten zijn evenwel wat ze zijn. Dat heel veel andere landen op dezelfde manier gereageerd hebben, is geen excuus. Hadden we te maken gehad met iemand die geen vliegtuig had laten ontploffen boven Lockerbie, die geen dissidenten had laten vermoorden in Europa, die geen bloed aan zijn handen had in eigen land, dan zou u zich kunnen verschuilen achter onwetendheid en was uw excuus gerechtvaardigd. Maar ik laat mij niet wijsmaken dat het onduidelijk was hoe Kadhafi zou reageren in geval van een volksopstand. Kon daar enige twijfel over bestaan? We hebben hem bovendien ook nog wapens geleverd.

Ook met het Cuba van Castro onderhouden we relaties. Kunnen er misverstanden bestaan over de manier waarop het regime zal reageren wanneer ook daar het volk in opstand komt? Trekt de minister met andere woorden conclusies uit het verleden over de wijze waarop we met dergelijke regimes moeten omgaan? Ik vrees van niet. Meer nog, indien Kadhafi er toch in slaagt om aan de macht te blijven, is het binnen vijf of tien jaar weer business as usual. Zo is het altijd al geweest.

De operatie in LibiŽ heeft dus de principiŽle steun van onze fractie, want we moeten de burgers uiteraard beschermen. Toch hebben we een aantal vragen. We zullen de colonnes van de regering bestoken, wanneer ze koers zetten naar de steden die in handen zijn van de rebellen. Ik veronderstel dat we, omgekeerd, geen colonnes van de rebellen zullen bombarderen, wanneer die op weg zijn naar Tripoli. We kiezen met andere woorden duidelijk partij in deze burgeroorlog. Wat is echter de exitstrategie? Hoe lang gaan we met de operatie door? Tot de rebellen gewonnen hebben? Wat zal de regering doen als dat maanden of jaren zal duren?

De heer Jacky Morael (Ecolo). - Bij de stemming in de Kamer hebben Ecolo en Groen!, zich achter de idee geschaard dat een internationale interventie in LibiŽ dringend was om humanitaire redenen, gezien de aanval op Benghazi. Dergelijke beslissingen zijn niet gemakkelijk, vooral niet voor partijen die een lange pacifistische traditie en cultuur hebben. Het neerslaan van de ontluikende democratie in LibiŽ dreigde overigens ook gevolgen te hebben in heel het Arabische gebied en in het Midden-Oosten.

Bovendien hadden de Nationale Overgangsraad en de Arabische Liga om een interventie gevraagd, wat zelden voorkomt.

Vanaf het ogenblik dat de eerste resolutie van de Verenigde Naties, resolutie 1970, Kadhafi in de ban had gedaan door te eisen dat hij voor het Internationale Strafhof moet worden gebracht, is de Nationale Overgangsraad de facto de legitieme autoriteit in LibiŽ, wat niet hetzelfde is als een legitieme regering, maar heel wat meer dan een eenvoudige gesprekspartner. Om die redenen hebben wij de uitvoering van de resolutie van de Veiligheidsraad gesteund.

Alle groepen van de civiele maatschappij nemen deel aan de revolutie: jongeren, vrouwen, oppositie. Het gaat niet om een putsch in de zin dat enkele oppositieleden de wapens zouden hebben opgenomen om een dictator omver te werpen; we staan voor een belangrijke sociale en maatschappelijke dynamiek die voluit moet worden begeleid, geobserveerd en ondersteund.

Begin vorige week communiceerde de regering nogal vaag over de doelstellingen van de internationale missie. De minister van Landsverdediging verklaarde zelfs dat de interventie tot doel had kolonel Kadhafi omver te werpen. In tegenstelling tot anderen heb ik als lid van Ecolo nooit enige sympathie gehad voor kolonel Kadhafi, maar in de VN-resolutie is geen sprake van omverwerping. De regering en de eerste minister hebben dat gelukkig rechtgezet, want de boodschap dreigde heel slecht ontvangen te worden door de Arabische bevolking ter plaatse en bij ons. Wij gaven de indruk dat de Westerse landen verder wilden gaan dan de missie in de resolutie van de Veiligheidsraad. We kunnen ons alleen maar verheugen over die rechtzetting.

We mogen de zaken echter niet eenzijdig bekijken. We moeten ook stilstaan bij enkele belangrijke punten die uit het debat naar voren komen. Er zullen ernstige vragen rijzen over de VN. Slechts weinigen geloofden dat resolutie 1973 zou worden goedgekeurd. Een Chinees of een Russisch veto lag meer in de lijn der verwachtingen.

Wie het internationaal recht respecteert, respecteert ook de resoluties van de Veiligheidsraad. We zijn ternauwernood ontsnapt aan een beslissing die desastreus had kunnen zijn en die opnieuw vragen doet rijzen over de representativiteit en de werking van de VN-instanties en in het bijzonder van de Veiligheidsraad.

Een andere vraag betreft het Internationaal Strafhof. Het is paradoxaal dat sommige landen, onder meer de Verenigde Staten, de aanhouding van kolonel Kadhafi ter sprake brachten, terwijl ze het Statuut van Rome dat de basis vormde voor de oprichting van het Internationaal Strafhof, niet hebben ondertekend.

Deze opmerking wijst op het probleem van de zogenaamd democratische landen die om redenen van buitenlands beleid hebben geweigerd het Statuut van Rome te ondertekenen.

Ik was overigens geschokt door de houding van sommige partijen en mandatarissen die zich snel hebben bekeerd tot overtuigde anti-kadhafisten, na gedurende jaren of zelfs decennia het regime welwillend te hebben bejegend omdat het hun partijen financierde of immigranten opsloot. Toen het tij keerde, vonden sommigen de tijd gekomen om hun mening te herzien.

Ik roep de regering op het parlement snel in te lichten over de instructies die aan onze troepen worden gegeven. Gezien onze vragen over de draagwijdte van het mandaat en de belangrijke opdracht die aan onze troepen is toevertrouwd, vragen we de regering ons de rules of engagement uiteen te zetten in de commissies voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging van Kamer en Senaat, met gesloten deuren. Die vraag lijkt me redelijk, gerechtvaardigd en onontbeerlijk.

Mevrouw Vanessa Matz (cdH). - Omdat Kadhafi had beslist af te rekenen met de opstandelingen en massaal geweld te gebruiken tegen zijn eigen bevolking, had de internationale gemeenschap geen andere keuze dan in te grijpen op grond van de `verantwoordelijkheid tot bescherming', die overeenstemt met de verplichting tot bijstand aan personen in gevaar in ons strafrecht.

Op de VN-Wereldtop van september 2005 hebben de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten van de VN eenparig een document goedgekeurd dat de `verantwoordelijkheid tot bescherming' van de internationale gemeenschap, in het bijzonder de Veiligheidsraad, duidelijk formuleert, als een staat niet in staat of niet bereid is zijn bevolking te beschermen tegen zeer zware misdaden: genocide, oorlogsmisdaden, etnische zuivering en misdaden tegen de menselijkheid. Elke staat heeft de plicht zijn bevolking te beschermen tegen die misdaden, maar het is de internationale gemeenschap, in het kader van de VN, die de subsidiaire verantwoordelijkheid tot bescherming heeft.

In het buitenlands beleid is voorzichtigheid geboden en een toevlucht tot geweld is altijd een slechte oplossing.

Wij zijn ons allemaal bewust van de complexiteit van het Libische dossier: de verdeeldheid van het land, de oliebelangen, het risico op een burgeroorlog aangewakkerd door buitenlandse belangen, de mogelijke besmetting van andere landen in de regio. Door dat alles beseffen wij dat we op onze hoede moeten zijn voor de militaire, politieke en economische gevolgen van een gewapende interventie op korte en middellange termijn. Voorzichtigheid mag echter geen alibi zijn voor lafheid. Welk krediet zou Europa in de wereld nog hebben als het alleen zou optreden bij nulrisico en met een gewaarborgd succes? Hoe zouden we onze kinderen kunnen vertellen over `Dat nooit meer!' als we in onze achtertuin dulden dat een dictator zijn volk verplettert onder het vuur van zijn tanks en bommenwerpers, en we nalaten onze eigen militaire middelen in te zetten?

Waarom moeten we in Europa over strijdmachten beschikken als we ze niet inzetten in dergelijke extreme situaties die zich vlakbij ons voordoen? Het was de morele autoriteit en de strategische geloofwaardigheid van Europa die maandag in Benghazi op het spel stond. We moesten wel optreden.

Resolutie 1973 van de Verenigde Naties gaf ons het recht en maakte het tot onze plicht. We vragen niettemin meer uitleg over de rules of engagement en de leiding van de operatie. Onze deelname kadert in de strikte eerbieding van resolutie 1973: de burgers beschermen, een staakt-het-vuren en de volledige stopzetting van het gebruik van geweld en van alle aanvallen op de burgerbevolking.

De situaties in de verschillende Arabische landen zijn niet vergelijkbaar, maar we zijn ons ervan bewust dat we een historisch en beloftevol moment beleven, op gang gebracht door het overlijden op 4 januari van de jonge Tunesische fruitverkoper Mohamed Bouazizi, achttien dagen na zijn zelfverbranding, waardoor hij de eerste martelaar werd van de Arabische Lente. We zullen ons als Europese Unie moeten inzetten voor de landen van de regio die door hervormingen de weg van de ontwikkeling en de democratie willen opgaan. Om de Arabische regimes te hervormen zal het echter niet volstaan de financiŽle steun van Europa te vervangen door een democratie die met geweld wordt opgelegd, zoals George Bush geprobeerd heeft in Irak. We moeten selectief zijn, de verandering van binnenuit in het oog houden, maar de regering steunen die als eerste een nieuwe weg wenst in te slaan. Het humanitaire gedeelte van onze actie moet worden voorbereid door de internationale organisaties te steunen die de Libische bevolking en de aangrenzende staten bijstaan.

CdH is fier te zien dat onze militairen bij deze actie zijn betrokken, samen met hun kameraden van andere nationaliteiten. Zij zijn de bewerkers van recht en vrede. Zij moeten weten dat we hen en hun gezinnen in hun opdracht volgen, met ontroering, vertrouwen en hoop.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Ik denk dat we niet vaak meemaken dat zich, in eigen land of elders in de wereld, gebeurtenissen voordoen waarvan we onmiddellijk weten dat ze de geschiedenisboeken zullen halen. De democratisering die in de Arabische wereld aan de gang is, zal absoluut de geschiedenisboeken halen. Het is dan ook belangrijk dat de internationale gemeenschap terdege nagaat hoe dat proces kan worden begeleid. Wat zich in LibiŽ afspeelt of zich al voltrokken heeft, mag ons niet koud laten. Het is onze absolute plicht de burgers daar te beschermen. Er moet een einde worden gemaakt aan het lijden van de burgerbevolking en de volksopstand moet alle kansen krijgen. Groen! en Ecolo steunen de resolutie die in de Kamer werd goedgekeurd en het optreden van onze regering, maar dit kan geen blanco cheque zijn. De operatie moet verstandig worden aangepakt. Er moet zoveel mogelijk worden voorkomen dat er burgerslachtoffers vallen. Daarom zijn een aantal voorwaarden voor ons optreden ontzettend belangrijk. In de eerste plaats moet de operatie blijvend kunnen rekenen op de steun van de Arabische landen en van de oppositie in LibiŽ. Bovendien diende de VN een duidelijk mandaat te geven.

Ik heb sommigen horen zeggen dat we te traag in actie zijn gekomen. Het diplomatieke proces dat het militaire ingrijpen is voorafgegaan, was echter absoluut noodzakelijk, omdat het precies geleid heeft tot de medewerking van de Arabische Liga en een duidelijk mandaat van de VN. Die diplomatieke molen moest draaien om nadien snel en oordeelkundig te kunnen ingrijpen.

De ecologisten menen wel dat de minister soms duidelijker moet zeggen wat zijn diplomatieke idee is en welk proces volgens BelgiŽ moet worden doorlopen.

Plots moest snel worden ingegrepen, want op een bepaald ogenblik was het maar een kwestie van uren voordat de troepen van Kadhafi Benghazi zouden innemen, met tal van slachtoffers als gevolg. Het gebruik van geweld, ook door Europese landen, is echter nooit vanzelfsprekend, ook al is iedereen zeer terecht verontwaardigd over de houding van Kadhafi.

Velen hebben al gezegd dat we moeten stilstaan bij de exacte doelstelling van het ingrijpen, die zeer gedetailleerd moet worden beschreven, niet alleen om het succes te kunnen afmeten, maar ook om te weten waar onze opdracht stopt.

We moeten erover waken dat het geen bezetting wordt. Het mag ook geen economische kolonisering worden. We weten allemaal dat de oliebelangen in die regio zeer groot zijn. Dat mogen onze drijfveren niet zijn. Het gaat ons om het respecteren van mensenrechten. We willen mensen beschermen en dat moet onze enige doelstelling zijn.

Er moet ook goed gecommuniceerd worden over de operatie, over de duur ervan en over de risico's.

Ik sluit mij aan bij de vraag van andere sprekers over wat er gaat gebeuren wanneer deze interventie ten einde is. Stel dat Kadhafi toch nog overgaat tot een onmiddellijk staakt-het-vuren, wat is dan onze reactie? Wat gebeurt er na de interventie? Wat is de status van het transitieregime? Niet alleen in LibiŽ, maar ook in de rest van de Arabische wereld rijst de vraag wat er komt na de huidige gebeurtenissen. Ook wat Egypte bijvoorbeeld betreft, moeten we stilstaan bij de vraag hoe we de democratische krachten kunnen ondersteunen. Wat we nu aan het doen zijn, eindigt niet bij het omverwerpen van een regime. Er moet een echte democratie geÔnstalleerd worden.

Tot slot wil ik ervoor waarschuwen dat onze reactie geen selectieve verontwaardiging mag worden. We zijn terecht ontzettend verontwaardigd over wat er in LibiŽ gebeurt, maar er zijn nog heel wat andere plekken in de wereld waar zich vreselijke toestanden afspelen. In SyriŽ is er geschoten op betogers. De VN-ambassadeur van Jemen heeft ontslag genomen wegens de gebeurtenissen in zijn land. Saoedi-ArabiŽ stuurt tanks naar Bahrein om de democratische volksopstand te onderdrukken. We moeten ook verontwaardigd zijn over de wantoestanden in al die andere landen en het wordt tijd om eens fundamenteel stil te staan bij wat ons buitenlands beleid na deze gebeurtenissen zal zijn. We kunnen deze dictators niet meer dulden. Ook al denken we er zelf beter van te kunnen worden, mogen we daar niet meer mee omgaan. Als mensenrechten op zeer grote schaal geschonden worden, kunnen we als internationale gemeenschap niet aan de zijlijn blijven staan. We moeten ingrijpen, waar en wanneer nodig om overal ter wereld burgerbevolkingen te beschermen.

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen. - Ik wil alvast de senatoren danken voor het uiteenzetten van hun standpunten. Straks kan mijn collega De Crem dieper ingaan op de vragen en opmerkingen die geformuleerd zijn over de defensieproblematiek.

Als minister van Buitenlandse zaken wil ik onderstrepen dat dit soort van debat meer dan ooit in het parlement dient te worden gevoerd. Ik zeg dit zeer nadrukkelijk, niet alleen in de context van de huidige situatie van lopende zaken waarin de regering zich bevindt, maar ook in het licht van het belang van de zaken die we hier bespreken. A fortiori lijkt het me evident dat een regering van lopende zaken ervoor zorgt dat ze een sterke parlementaire steun heeft voor datgene waartoe het land zich engageert. Maar ik vind dat dit soort onderwerpen in alle omstandigheden moet kunnen rekenen op een brede maatschappelijke ondersteuning.

Ik zal ingaan op een aantal cruciale vragen. Eťn van de vraagstukken waarvoor we heldere antwoorden moeten trachten te formuleren, is de vraag over het einddoel. Er bestaan minder misverstanden dan men soms wil doen geloven. Dat sommigen in de Kamer het woord `elasticiteit van de resolutie' gebruiken, heeft veel te maken met keuzes om misverstanden of interpretatieverschillen te laten bestaan. Er mag geen misverstand zijn. De internationale gemeenschap, de Verenigde Naties, de Europese Unie, BelgiŽ, hebben er geen misverstand over laten bestaan dat er einde dient te komen aan het regime van Kadhafi. Dat is een duidelijke thesis die al op verschillende manieren tot uitdrukking is gebracht via verklaringen en de beslissing om Kadhafi en zijn omgeving voor het Internationaal Strafhof te brengen. De stelling dat een transitie noodzakelijk is, werd in alle duidelijkheid politiek geformuleerd. De internationale gemeenschap heeft het over het einddoel, namelijk de vervanging van het regime van Kadhafi door een democratisch gelegitimeerd regime. Haar statements en verklaringen laten aan duidelijkheid niets te wensen over.

Is dat het einddoel van resolutie 1973 die het over militaire middelen heeft? Neen, natuurlijk niet. Resolutie 1973 gaat over de inzet van militaire middelen, naast het embargo, naast het voor het Strafhof brengen, naast een aantal plechtige en duidelijke verklaringen. De resolutie heeft tot doel een einde te stellen aan het conflict, het bloedvergieten en het doden van onschuldige burgers. In resolutie 1973 staat niet dat er een nieuw regime moet komen.

Het antwoord op de vraag over het einddoel heeft bijgevolg alles te maken met de soort vraag die wordt gesteld. Op de vraag naar de bedoeling van resolutie 1973 is het duidelijke antwoord het stoppen van het bloedvergieten. Vele collega's hebben terecht gewezen op de noodzaak om tijdig in te grijpen voor de burgers van Benghazi. Resolutie 1973 geeft geen legitimering om met militaire middelen de andere doelstellingen te realiseren waarover de internationale gemeenschap geen grote onduidelijkheid heeft laten bestaan. Wij wensen democratie, wij wensen dat de rule of law in LibiŽ wordt geÔnstalleerd. Dat zal inderdaad geen kwestie van dagen zijn, maar een opdracht die de internationale gemeenschap nog lang zal bezig houden.

We moeten dus ook denken aan de toekomst, en ons afvragen in hoeverre we in staat zijn een partnerschap te vormen tussen de landen ten noorden en ten zuiden van de Middellandse Zee. Dat is een uitdaging die de internationale gemeenschap gedurende een lange periode zal moeten aangaan.

BelgiŽ moet solidair zijn en deelnemen aan de militaire actie maar moet zich ook onderscheiden op politiek en diplomatiek vlak. Dat is een inspanning van lange adem, gebaseerd op een holistische benadering. In dat verband stem ik in met de uitspraken van de heer Miller, die zich afvroeg of we de kans niet moeten aangrijpen om het conflict tussen IsraŽl en de Palestijnen op te lossen. Ik volg ook de heer Vanlouwe, die zei dat het niet enkel om LibiŽ gaat, maar om een Arabische Lente. We zullen daarbij een standpunt moeten innemen.

Mevrouw Piryns waarschuwt voor selectieve verontwaardiging. Selectieve verontwaardiging is inderdaad absoluut onaanvaardbaar. Het bloedvergieten op de ene plaats is niet minder of meer belangrijk dan het bloedvergieten op een andere plaats. Als de internationale gemeenschap echter ook F-16's inzet, dan gaat dat verder dan verontwaardiging. In het geval van BelgiŽ heeft dat ook te maken met een aantal voorwaarden die soms wel en soms niet zijn gerealiseerd. BelgiŽ heeft van bij de aanvang aangegeven dat een internationaal militair optreden in LibiŽ geconditioneerd wordt door een drietal voorwaarden, waarbij de deelname van de landen van de Arabische Liga uitdrukkelijk naar voren werd geschoven.

Dat is eerder een politiek dan een moreel criterium. Het behoedt ons wel voor foute keuzes. Acties, zeker militaire acties, tegen de wil en het aanvoelen van de Arabische wereld in, zouden voor de vrede in het Midden-Oosten gevolgen kunnen hebben die vanuit het oogpunt van de internationale gemeenschap en BelgiŽ zeker ongewenst zijn. Er moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt. De keuze om op ťťn plaats in te grijpen en op een andere niet, is niet altijd ingegeven door selectieve verontwaardiging. Ook de legitimiteit en de duurzaamheid van het engagement en de internationale solidariteit bepalen die keuze.

De drie voorwaarden die BelgiŽ heeft gesteld, blijven ons engagement bepalen. De deelname van de Arabische Liga en de Afrikaanse Unie - op zijn minst voor wat de beslissing betreft - blijft ťťn van de sleutelpunten van onze aanwezigheid en van onze diplomatie.

Aan mevrouw Piryns kan ik zeggen dat die diplomatie resultaten oplevert. Volgende dinsdag zal ik BelgiŽ in Londen vertegenwoordigen op een vergadering gewijd aan de evolutie van de situatie in LibiŽ. Die vergadering zal meer inhouden dan die in Parijs, in het bijzonder dankzij de intensieve contacten die ik met mijn Engelse collega had. Ik heb hem gezegd dat het enerzijds noodzakelijk is die dťmarche in aanwezigheid van de Afrikaanse Unie en de Arabische Liga voort te zetten en anderzijds de vertegenwoordigers van de NAVO er meer bij te betrekken.

Toch nog een opmerking over de zogenaamde elasticiteit van de resolutie en over de inzet van grondtroepen. Ik heb het gevoel dat het misverstand soms in stand wordt gehouden. In de resolutie staat dat bezettingstroepen uitgesloten zijn. De internationale gemeenschap wil immers geen tweede Irak. In de resolutie staat echter niet dat de inzet van grondtroepen - boots on the ground - onmogelijk is. Dat is geen politieke interpretatie, maar eenvoudigweg de tekst van de resolutie.

Het is voor de eerste minister, de minister van Buitenlandse Zaken, de minister van Landsverdediging en de voltallige Belgische regering echter bijzonder duidelijk dat BelgiŽ geen grondtroepen zal sturen. Het is echter niet omdat we iets niet zullen doen dat het krachtens de resolutie onmogelijk is. Omgekeerd zijn we evenmin verplicht iets te doen omdat het in een resolutie staat.

Ook als politici hebben we de opdracht om misverstanden in de publieke opinie te voorkomen. Het is kristalhelder: de resolutie laat zaken toe die BelgiŽ niet zal doen. Dat gebeurt wel vaker. Je mag op de snelweg 120 kilometer per uur rijden, maar je mag ook de ecologische keuze maken om het bij 100 km per uur te houden. Het voornemen van de Belgische regering is duidelijk: BelgiŽ zal niet deelnemen aan acties met grondtroepen. We mogen echter niet beweren dat de resolutie een dergelijke inzet verbiedt.

Verschillende collega's hebben onderstreept dat voor dat soort operaties een brede steun van de internationale gemeenschap vereist is. Ik ben het daar volledig mee eens. In de eerste plaats moeten de Arabische Liga en de Afrikaanse Unie de aan de gang zijnde acties blijven steunen, wat het geval is. De uitspraken van de heer Amr Moussa enkele dagen geleden konden misschien een andere indruk wekken, maar de heer Moussa heeft zelf zijn uitspraken rechtgezet. Hij heeft ondubbelzinnig verklaard dat hij volledig instemt met de resolutie.

Ik heb de betrokken ambassades de opdracht gegeven het nodige diplomatieke werk te doen om ervoor te zorgen dat we op de steun van de Arabische en Afrikaanse partners kunnen blijven rekenen.

Op militair vlak hebben ondertussen Qatar, de Emiraten en Koeweit, en gisteren ook Turkije, militaire middelen aangekondigd.

De snelheid waarmee diende te worden ingegrepen, is inderdaad een verklaring voor de reden waarom voor sommige vragen nog geen oplossing was gevonden. Nog vůůr het nemen van de beslissing werd ze echter al bekritiseerd en werd gevraagd om eerst na te denken. In een opiniestuk heeft een belangrijke Belgische politicus die in het Europees Parlement momenteel een grote verantwoordelijkheid draagt nochtans geschreven: `Er is geen tijd om te overwegen. Wij moeten nu handelen.' Het is dan ook paradoxaal dat na het handelen wordt gevraagd of de beslissing wel goed werd overwogen. Altijd is er tijd om te overwegen, want handelen zonder overwegen dwingt steeds tot correcties.

Bepaalde diplomatieke problemen, onder meer binnen de NAVO, zijn net het gevolg van het snelle handelen. Wie weet is dat wel de prijs die we moeten betalen om de burgers van Benghazi te beschermen. Men mag zich dan echter niet verbaasd tonen als er bij de commandostructuur in de eerste dagen inderdaad nog onopgeloste vragen waren.

BelgiŽ en de regering zijn duidelijk voorstander van een bevelvoering door de NAVO. De terminologie is belangrijk: het betreft geen NAVO-bevelvoering maar een bevelvoering die gebruik maakt van de capaciteit van de NAVO om dat soort operaties te organiseren, zonder onder die vlag te opereren. Dat onderscheid is zeer belangrijk om zeker te kunnen zijn van de solidariteit van de Arabische wereld, wat volgens ons onontbeerlijk is.

Het voordeel ligt in het feit dat de regels en de instrumenten duidelijk en welbekend zijn. De NAVO voert sinds 22 maart het bevel over het maritiem embargo. Er zijn besprekingen aan de gang over de bevelvoering betreffende de andere delen van resolutie 1973, namelijk de no-flyzone en de bescherming van de burgers.

Sta me toe een korte update te geven van de politiek-diplomatieke actie die de militaire campagne begeleidt. De NAVO heeft de operatie ter afdwinging van het embargo opgestart. De planning inzake de afdwinging van de no-flyzone is vergevorderd, maar niet afgerond. In de internationale gemeenschap is trouwens meer eensgezindheid over een grotere rol voor de NAVO inzake commando en infrastructuur, zonder dat dit een NAVO-operatie as such wordt. Ik bevestig dat het standpunt van BelgiŽ de beste kansen heeft om internationale instemming te krijgen.

Volgende dinsdag zal ik, zoals vermeld, ons land vertegenwoordigen op een vergadering in aanwezigheid van de Arabische en de betrokken Afrikaanse landen om te overleggen over het verder moet.

Geregeld hoor ik kritiek op mevrouw Ashton of, minder gepersonaliseerd, op de Europese Unie.

De heer De Decker sprak over de oorverdovende stilte van Europa.

De analyse is juist. In de Veiligheidsraad hebben drie Europese landen - Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Portugal - voor de resolutie gestemd en ťťn land, Duitsland, heeft zich onthouden. Kunnen we Ashton daarvan de schuld geven? Ik denk van niet. Ondanks onze frustratie en irritatie is de Europese Unie als zodanig vandaag niet vertegenwoordigd in de Veiligheidsraad. Ons land is overigens voorstander van die vertegenwoordiging, maar de soevereiniteit van de staten en het individuele beleid van de lidstaten komen dan natuurlijk in het gedrang. Niet al mijn Europese collega's zijn het daarmee eens.

Ik kan alleen maar vaststellen dat Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk vandaag een uiteenlopende visie hebben. Mevrouw Ashton kan daar evenmin iets veranderen. Het verschil in visie is eerder te wijten aan het ontbreken van de wil van de lidstaten om te streven naar een consensus alvorens een standpunt in te nemen.

Nu we het over de Veiligheidsraad hebben, wil ik kort ingaan op een opmerking die weinigen hebben gemaakt. Alleen de heer Torfs heb ik horen spreken over Rusland, China, India en BraziliŽ, vier landen die zich, net als Duitsland, hebben onthouden en die, als we uitgaan van het principe `one man, one vote' een groot deel van de wereld vertegenwoordigen. Ik ben voorzichtig met deze uitspraak, want ik wil niet beweren dat elke Chinees akkoord gaat met het stemgedrag van zijn vertegenwoordiger. In tal van gesprekken, ook in de Senaat, zeggen we echter dat BraziliŽ en India voor ons democratieŽn zijn waarmee we meer rekening moeten houden, waarmee we meer engagementen en contacten moeten aangaan. Ook deze landen vonden echter dat er geen grond was voor een militair ingrijpen. Dat mogen we niet uit het oog verliezen wanneer we het over het legitimiteitsvraagstuk hebben, over de vraag of en wanneer de wereld geŽngageerd is.

Ik ben lang genoeg aan het woord geweest en ik sluit af. Nog vandaag zal in New York een bijeenkomst van de Veiligheidsraad worden georganiseerd.

De secretaris-generaal van de Verenigde Naties en zijn speciale gezant, de heer Al-Khatib zullen verslag uitbrengen over hun recente reis in de regio. De heer Ban Ki-moon zal er bovendien zijn eerste verslag over de inwerkingtreding van het vliegverbod boven de zone krachtens resolutie 1973 uiteenzetten. Morgen zal de Europese Raad het standpunt van de Europese Unie ten gunste van de inwerkingtreding van die resolutie bevestigen. Het betreft meer in het bijzonder strengere sancties en een verbintenis op humanitair vlak, versterkt met een eventuele toevlucht tot militaire middelen.

Ik wil een laatste opmerking maken over de Nationale Transitieraad.

De houding van BelgiŽ ligt voor de hand: in overleg met de andere Europese collega's hebben we in de besluiten die unaniem zijn goedgekeurd, verklaard dat de Nationale Transitieraad een aanvaardbare politieke gesprekspartner is. In tegenstelling tot Frankrijk hebben we de Nationale Transitieraad evenwel niet erkend als de legitieme vertegenwoordiger van het Libische volk. Is dat daarom een motie van wantrouwen tegen de Nationale Transitieraad? Niet noodzakelijk. Het is gewoon uit voorzichtigheid dat we stellen dat het niet volstaat tegen Kadhafi te zijn om als enige legitieme vertegenwoordiger van het Libische volk te worden erkend. We moeten overigens aandacht hebben voor wat de Nationale Transitieraad op 22 maart heeft medegedeeld in de Veiligheidsraad en waarbij hij beloofde een democratische staat op te richten gebaseerd op de rule of law, respect voor de mensenrechten, gelijkheid tussen mannen en vrouwen, pluralisme en religieuze tolerantie. Die houding is het resultaat van een denkwijze die ik ook heb verdedigd. Alvorens zich te kunnen opwerpen als vertegenwoordiger van het Libische volk moet de Nationale Transitieraad nog andere voorwaarden vervullen. Ik denk dat de Raad dat beseft en we volgen de evolutie.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Ik bedank de collega van Buitenlandse Zaken voor zijn bijzonder interessante uiteenzetting en zal niet in herhaling vallen. Ik wil alleen nog kort stilstaan bij resolutie 1973.

Deze resolutie machtigt staten of regionale organisaties om alle noodzakelijke middelen, all necessary measures, te gebruiken ter bescherming van de burgerbevolking, met uitzondering van een buitenlandse bezettingsmacht, a foreign occupation force. Verder geeft de resolutie nog de machtiging voor de instelling van een no-flyzone en voor het afdwingen van een wapenembargo.

BelgiŽ heeft dus snel beslist zich te engageren in elke coalitie - bij voorkeur via de NAVO - die als doel heeft de drie belangrijkste hoofdlijnen van resolutie 1973 te doen naleven, namelijk de burgerbevolking tegen elke rechtstreekse bedreiging van de troepen van kolonel Kadhafi beschermen, een no-flyzone boven LibiŽ opleggen en een wapenembargo opleggen.

Om die taak uit te voeren zet BelgiŽ de middelen in die op mijn voorstel en na goedkeuring van de regering ter beschikking werden gesteld aan de NAVO in het kader van de NATO Response Force, de NRF. Op 24 december 2010 heeft de Ministerraad nota genomen van onze planning en van de verschillende bijdragen. In het eerste semester van 2011 hebben we al de volgende maritieme en luchtcapaciteiten ter beschikking gesteld: de mijnenjager Narcis, die sinds gisteravond onder NAVO-commando valt, en zes F-16's.

Bovenop de capaciteit van de NRF, doet de NAVO een beroep op zijn permanente eenheden, zoals de AWACS- vliegtuigen, die worden ingezet om het luchtruim te controleren. De Belgische bijdrage is permanent en telt gemiddeld vier militairen. Die middelen worden momenteel ingezet in het kader van de operatie Active Endeavour, die door de Noord-Atlantische Raad werd goedgekeurd op 26 oktober 2001 na de terroristische aanslagen van september 2001. Active Endeavour dat afhangt van artikel V van het Verdrag van Washington, kadert in de antiterreurmissie van de NAVO in de regio van de Middellandse Zee.

Op 3 maart 2011 had de Ministerraad zijn akkoord gegeven voor de deelname van de Narcis aan de operatie Active Endeavour binnen de Standing NATO Mine Countermeasures Group 1 (SNMCMG1). De Narcis bevindt zich dus in de betrokken regio.

De opdracht inzake het wapenembargo bestaat uit het monitoren, het rapporteren en, indien nodig, het binnen het gegeven mandaat verhinderen van illegaal wapentransport. Om die opdracht te kunnen uitvoeren kunnen zowel de Narcis als de F-16's worden ingezet. De taken die de Belgische mijnenjager binnen het gegeven mandaat kan uitvoeren zijn: het bewaken van een deel van de operatiezone, het rapporteren van alle verdachte bewegingen in deze zone en het samenwerken met de erkende nationale actoren voor de uitvoering van het gegeven mandaat.

De Narcis zal dus een ondersteunende rol toebedeeld krijgen. Het eigenlijke afdwingen van een embargo zal door een ander type van schepen worden gewaarborgd.

Naast het vliegverbod kunnen de Belgische F-16's ook het wapenembargo afdwingen. Zowel de Narcis als de F-16's zullen daarbij de rules of engagement van de NAVO naleven.

Na overleg heeft de Ministerraad zich aangesloten bij de standpunten van de NAVO. Die gaat op dit moment voort met de planning van een eventuele NAVO-operatie met het oog op het opleggen van een no-flyzone. In afwachting van die operatie maakt BelgiŽ deel uit van een coalition of the willing om die no-flyzone af te dwingen. Er worden zes F-16's ter beschikking gesteld die werden gebruikt voor oefenvluchten in Araxos, in Griekenland.

De operationele inzet van de F-16's wordt gecoŲrdineerd door een VS-generaal van de Headquarters Allied Air Command Ramstein, in Duitsland, die over nationale cellen beschikt. Zo is de Belgische nationale cel samengesteld uit een brigadegeneraal, generaal Cosijn, een Red Card Holder, en een juridisch adviseur van LEGAD.

De F-16's zullen gefaseerd ingezet worden. Eerst in lucht-luchtoperaties vanuit de huidige stationeringbasis in Araxos, vervolgens ook voor lucht-grondoperaties en air-surface operations.

Wat de inzetregels betreft, werken de F-16's volgens de NAVO-regels die in de mogelijkheid voorzien in gewapende interventie na positieve identificatie en indien nodig na waarschuwingssignalen.

Wat de bescherming van de burgerbevolking betreft, werkt BelgiŽ voorlopig uitsluitend binnen het kader van de coalition of the willing. Het is vanzelfsprekend dat ook hier ernaar gestreefd wordt om zo snel als mogelijk die operatie binnen het kader van een NAVO-operatie te laten verlopen.

De F-16's die de bescherming van de burgerbevolking zullen moeten helpen verzekeren, opereren bijgevolg onder dezelfde structuur in Ramstein met de Belgische cel.

In dat kader passen de F-16 's de specifieke rules of engagement van de NAVO en een specifieke regel voor de bescherming van de burgerbevolking toe.

De Arabische landen die momenteel aan de operaties deelnemen zijn Qatar, met vier Mirage- gevechtsvliegtuigen en een vrachtvliegtuig, en de Verenigde Arabische Emiraten. JordaniŽ en Marokko moeten hun deelname nog bevestigen.

Onze F-16's die vanuit het Griekse Araxos opereren, hebben inderdaad als opdracht het opleggen van het vliegverbod, maar eveneens de bescherming van de bevolking en het waken over het wapenembargo. De keuze van de vliegbasis van Araxos maakt deel uit van een grondige analyse binnen de Defensiestaf.

Naast de NRF middelen, de Narcis, doet de NAVO ook beroep op haar permanente eenheden, zoals de AWACS-toestellen, die ingezet kunnen worden om het luchtruim te controleren. De Belgische bijdrage hiervoor is vier militairen op continue basis.

Verder wordt de uitvoering van Search and Rescue-operaties door de coalitie gecoŲrdineerd. Er is ook geen inzet van de Belgische Special Forces.

De Narcis patrouilleert in het centrale gedeelte van de Middellandse Zee en heeft de opdracht bij te dragen aan de vorming van een relevant beeld van de operatiezone, de zogenaamde situation awareness, met betrekking tot de Libische kust en dit momenteel in het kader van de operatie Active Endeavour. Sinds gisterenmiddag, 23 maart, draagt het schip bij aan de operatie Unified Protector, die als doel heeft het wapenembargo tegen LibiŽ te implementeren.

De Belgische deelname aan de operaties van de coalitie en aan het wapenembargo onder het bevel van de NAVO is initieel voorzien voor een periode van drie maanden. De kostprijs van onze deelname wordt geschat op 12,14 miljoen euro bruto en 10,75 miljoen euro netto.

De operatie in LibiŽ heeft voor Defensie geen invloed op de inzet van onze F-16's in Afghanistan, met zestig F-16's kunnen beide opdrachten perfect gezamenlijk worden uitgevoerd.

Zoals bij alle andere operaties wordt er steun en, in voorkomend geval, bijstand gegeven aan de achtergebleven familieleden en vrienden van de betrokken militairen.

Ik dank de senatoren voor hun aandacht en suggesties en voor hun steun aan de operatie. In de Kamer en in de Senaat doen de commissies belast met de opvolging van de militaire operaties hun werk.

De heer Piet De Bruyn (N-VA). - Over twee punten waarop de minister niet is ingegaan, wil ik graag wat meer duidelijkheid vanwege de regering. Volgens Hillary Clinton zoekt de entourage van Kadhafi naar een uitweg. Hoe realistisch acht de regering dat scenario?

Ik wil graag ook een herbevestiging horen van het engagement dat ons land op zich neemt inzake het opvangen en begeleiden van vluchtelingen?

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen. - In de eerste plaats moet ik melden dat minister Clinton haar eerdere verklaringen al voor een stuk heeft gerelativeerd. Als de wereld plots miraculeus verandert en Kadhafi plots een totaal andere benadering gaat volgen dan degene die we van hem gewoon zijn, kunnen we uiteraard moeilijk voor het militaire blijven opteren. Hoe je dat duidelijk maakt zonder aan te geven dat je niet veel geloofwaardigheid hecht aan dat soort verklaringen, is een moeilijke politieke evenwichtsoefening. Maar `It's better to send middle-aged men abroad to bore each other than send young men abroad to kill each other.' De woorden van Cook indachtig, moeten we allemaal blijven beseffen dat diplomatie altijd te verkiezen is boven militair optreden, op voorwaarde dat de diplomatie het kan halen. Helaas zien we vandaag niet dat Kadhafi stappen doet. Maar als hij een volstrekt ander discours zou houden of bereid zou zijn zich terug te trekken en de wereld er dan plots anders zou uitzien, kunnen ook wij moeilijk anders dan ook onze benadering te veranderen.

Inzake de vluchtelingenstroom kan ik alleen bevestigen dat BelgiŽ de conclusies heeft ondersteund die de Europese Raad unaniem heeft goedgekeurd. Die vraagt een bijzondere solidariteit, vooral met de landen die nu met dergelijke vluchtelingenstromen worden geconfronteerd. Dat is evenwel niet geformaliseerd naar toch een heel specifiek Belgisch engagement.

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen. - Uit respect voor de Senaat heb ik mij aan het onderwerp van het debat gehouden.

Mevrouw Marie Arena (PS). - Ik dank de ministers voor de verduidelijking. Ze hebben de draagwijdte van resolutie 1973 bevestigd. De Belgische houding is gebaseerd op het respecteren van de no-flyzone en de veiligheid van de bevolking, bij voorkeur onder commando van de NAVO en zonder grondtroepen. Als dat allemaal bevestigd is, kunnen we doorgaan.

Er is ook op gewezen dat het einddoel verschillend is van dat van resolutie 1973. Het is de bedoeling de overgang naar een democratisch regime in LibiŽ te ondersteunen. Over welke middelen beschikken we daartoe? Welke strategie zal worden gevolgd? Op de vergadering die volgende dinsdag in Londen plaatsvindt, moet u aandringen op duidelijkheid inzake de middelen en de strategie. We moeten de oorlogsfilosofie verlaten en zorgen voor een democratisch vervolg.

Er is op gewezen dat het voeren van een Europees internationaal beleid moeilijk is omdat Frankrijk sterk aanwezig is en Duitsland afzijdig blijft. Alle problemen mogen niet op mevrouw Ashton worden afgewenteld. BelgiŽ moet pleiten voor een Europees beleid dat de transitie in de landen rond de Middellandse Zee steunt.

De heer Armand De Decker (MR). - Ik kom terug op de afwezigheid van Europa als instelling. We horen Europa niet. Ik zeg niet dat mevrouw Ashton verantwoordelijk is voor de houding van Duitsland. Het is echter niet omdat een land als Duitsland zich onthoudt bij de stemming over een resolutie, dat we niet moeten stilstaan bij de politieke houding van de Europese Unie als instelling. Integendeel. Dat Duitsland niet dezelfde houding aanneemt als Frankrijk is een reden te meer om ons te bezinnen over de houding van de Unie tegenover de Arabische Lente in de landen rond de Middellandse Zee en om die kwestie te kaderen in het Barcelonaproces.

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen. - Het probleem van de solidariteit van de Arabische landen kan niet worden opgelost door de NAVO-vlag te vervangen door die van Europese Unie. We moeten er ook zeker van zijn dat de inspanning door de Arabische wereld wordt aanvaard. Dat is de reden waarom een ad-hocoplossing waarschijnlijk onvermijdelijk is. Dit verklaart ook waarom een grotere rol van de Europese Unie, de NAVO-logica nog niet helemaal kan vervangen.

De heer Armand De Decker (MR). - Wij vragen de Arabische Liga en de Afrikaanse Unie een standpunt in te nemen, terwijl de Europese Unie geen gezamenlijk politiek standpunt inneemt. Dat roept vragen op over onze Europese toekomst.

De heer Richard Miller (MR). - Ik dank de ministers voor hun antwoorden en mijn collega's voor de omvang van dit debat. Ik heb evenwel moeite met de morele les van de heer Morael. Hij verklaarde dat zijn partij een lange pacifistische traditie heeft, wat betekent dat de anderen dat niet zouden hebben. Hij laat doorschemeren dat de vertegenwoordigers van de andere politieke fracties banden hebben gehad met de heer Kadhafi, zonder daarbij rekening te houden met de recente politieke evolutie. Dat past niet. Bovendien kon ECOLO dat soort opmerkingen maken op het niveau van de Waalse regering, ter gelegenheid van de wapenuitvoer aan Kadhafi, maar de vertegenwoordigers van die partij hebben gezwegen. Ik heb op dat punt dus geen morele lessen te krijgen van die senator.

De heer Rik Torfs (CD&V). - Uit de antwoorden van de ministers blijkt zowel vastberadenheid als realisme. Ik heb daar niet veel aan toe te voegen.

Het is overigens niet mogelijk om via allerlei deductieve patronen de werkelijkheid zoals ze zich ontvouwt, op voorhand te benaderen. Ik ben blij dat er voldoende flexibiliteit is om te ageren wanneer nodig. Men kan allerlei kritiek uiten, maar soms moet men kunnen overleven zonder kritiek te uiten, en dat doe ik in dit geval met plezier.

Mevrouw Nele Lijnen (Open Vld). - Ik wil nog kort herhalen dat het belangrijk is dat we bij de democratisering in het post-Kadhafi-tijdperk in het bijzonder aandacht besteden aan de positie van de vrouwen, in heel de Euromediterrane zone. Iran en Afghanistan indachtig, waarschuw ik voor een bis-verhaal. Op dat punt is voor BelgiŽ en de regering een grote rol weggelegd.

De heer Jacky Morael (Ecolo). - Ik dank de regering voor de grote hoeveelheid informatie die ze heeft gegeven. Ik wijs echter op het belang van de Europese diplomatie. De antwoorden over de status die de Europese Unie aan de Nationale Transitieraad toekent, geven me geen voldoening. De VN-resolutie en de uitspraken van de Europese diplomatie doen de huidige Libische regering en haar leider, kolonel Kadhafi, duidelijk in de ban van de naties. Dat is een politiek feit. De Europese Unie beschouwt de Nationale Transitieraad als een aanvaardbare gesprekspartner. Dat is goed, maar het is te weinig. Als we de Libische bevolking willen helpen een echte democratische hervorming door te voeren, hebben we een gesprekspartner nodig die we ten volle erkennen. Ik tracht een historische paralel te maken: in 1945, bij de bevrijding van Frankrijk van de nazibezetting, was het Vichyregime de enige legitieme regering. Nochtans beschouwden alle toenmalige democraten de nationale verzetsraad als aanvaardbare gesprekspartner, ondanks de internationale rechtsregels. De vergelijking gaat niet op ... maar ik wil er toch de aandacht op vestigen. Dit is geen kritiek. Toch kan BelgiŽ iets nuttigs doen: er samen met anderen in de Unie voor pleiten dat de status van de Nationale Transitieraad stap voor stap wordt opgewaardeerd.

De heer Miller, die op andere momenten betere ideeŽn heeft, meende een persoonlijk feit tegen mijn betoog te moeten inroepen.

De heer Richard Miller (MR). - Ik moet van u niet vernemen wanneer ik al dan niet goed geÔnspireerd ben. Ik zeg dat omdat sommige van uw uitspraken mij ongepast lijken voor een partij die bepaalde engagementen op zich genomen heeft ...

De heer Jacky Morael (Ecolo). - Toch blijf ik vinden dat u ooit al beter geÔnspireerd was ...

De heer Richard Miller (MR). - Daar heeft u niets mee te maken ...

De heer Jacky Morael (Ecolo). - Het was niet mijn bedoeling met een opgeheven vingertje de pacifistische traditie van de groenen in de verf te zetten. Ik zeg niet dat anderen geen pacifisten zijn, maar wel dat de groenen een stevige pacifistische traditie hebben. Dat is geen kritiek op wie dan ook; in alle partijen zijn er pacifisten, gelukkig maar. Daar kunnen we ons alleen maar over verheugen.

U verwijt mij, mijnheer Miller, dat ik erop wijs dat het opportunisme waarvan sommige mensen de voorbije dagen of weken blijk geven, niet kan verhullen dat ze, soms al zeer lang, erg troebele relaties hebben met kolonel Kadhafi en zijn regime, maar daar blijf ik bij. En mocht u mij daartoe dwingen, dan zou ik nog verder gaan. Ik heb daarover namelijk een dossier samengesteld en ik bezorg u daar graag een kopie van zodat u kan zien dat het geen loze woorden zijn.

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen. - Elke vergelijking loopt mank, maar toch ... We moeten ook rekening houden met mijn Bulgaarse collega, die in de Europese Raad vroeg of het gaat om de voormalige ministers van Binnenlandse zaken en van Justitie van Kadhafi, die twintig jaar lang aan zijn zijde stonden, en die hij verantwoordelijk acht voor de wijze waarop de Bulgaarse verpleegsters zijn mishandeld, en of zij gewoon door te verklaren dat ze Kadhafi niet langer volgen de titel van vertegenwoordiger van het Libische volk verdienen.

Dat wil niet zeggen dat mensen niet kunnen veranderen, maar het zet ons toch aan tot grote voorzichtigheid, die Ecolo blijkbaar niet in acht wil nemen.

De heer Jacky Morael (Ecolo). - Ik heb niet gezegd dat men niet voorzichtig moet zijn. Ik heb overigens niet gesproken over erkenning van personen, maar over een erkenning van de Raad die volgens de informatie waarover wij beschikken - de informatie van de minister is waarschijnlijk vollediger en betrouwbaarder - uit 31 personen bestaat van verschillende herkomst en met een erg verschillend verleden. Het is zeker mogelijk dat, zoals uw Bulgaarse collega opmerkt, er zich onder die 31 personen individuen bevinden die niet helemaal te vertrouwen zijn.

Mevrouw Vanessa Matz (cdH). - De heer De Decker zei dat Europa zich in een oorverdovend stilzwijgen heeft gehuld; ik hoop dat dit niet het geval zijn als het gaat over de hulp die de Arabische wereld de komende weken nodig zal hebben. Ik hoop dat Europa een krachtdadige houding zal aannemen om de democratische en economische overgang en alle daaraan verbonden aspecten te ondersteunen.

Dit debat toont aan dat de ruzie tussen Kamer en Senaat achter ons ligt en dat de Senaat op de ingeslagen weg kan voortgaan; ik dank de voorzitter voor dit debat en hoop dat we de operaties in LibiŽ geregeld met de regering zullen kunnen bespreken.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Ik ben blij dat de minister heeft opgemerkt dat ik ermee instemde toen hij zei dat we niet naar alle landen waar mensenrechten worden geschonden, onmiddellijk F-16's kunnen sturen. Uiteraard kan dat niet. Er zijn echter heel wat andere diplomatieke en economische sancties mogelijk. Ik was vandaag graag, samen met de collega's van de N-VA, dieper ingegaan op de vraag hoe we omgaan met geweldplegingen in de Noord-Afrikaanse regio. Blijven we afwachten? Saudi-ArabiŽ, bijvoorbeeld, is misschien wel een bondgenoot op bepaalde punten, maar is tezelfdertijd een van de ergste dictaturen wereldwijd. We moeten de vraag durven te stellen hoe ons buitenlands beleid ten aanzien van dat land er moet uitzien.

Een ander punt is de zin of onzin van de wapenuitvoer naar dictaturen. Er is nu wel een wapenembargo voor LibiŽ afgesproken, maar voor heel wat andere landen is dat nog niet gebeurd. We kunnen niet wachten tot er op dezelfde manier volksopstanden op een vreselijke wijze worden onderdrukt. We kunnen niet wachten op bloedvergieten. We moeten dit debat vandaag durven aan te gaan.

De voorzitter. - We zetten onze werkzaamheden voort vanmiddag om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 12.30 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw SaÔdi en de heer Sevenhans, om gezondheidsredenen, de heer Daems, in het buitenland, de heer Anciaux, wegens andere plichten.