3-104

3-104

Belgische Senaat

3-104

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 24 MAART 2005 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Verzoekschriften

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer François Roelants du Vivier aan de staatssecretaris voor Europese Zaken over «de balans inzake de omzetting van de Europese richtlijnen in België» (nr. 3-709)

Mondelinge vragen

Wetsontwerp tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen met betrekking tot het strafrecht en de strafrechtspleging, teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken (Stuk 3-1064)

Stemmingen

Vraag om uitleg van de heer Luc Willems aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de erkenning van balie-ervaring in federale openbare diensten» (nr. 3-698)

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de godsdienstige, geestelijke en morele bijstand aan gedetineerden» (nr. 3-704)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het stopzetten van de Nederlandstalige publicatie van de arresten van het Hof van Cassatie» (nr. 3-706)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de zesde bijeenkomst van de G5 en de afspraken die er werden gemaakt in de strijd tegen het terrorisme» (nr. 3-712)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de uitwijzingen van Tsjetsjeense vluchtelingen naar Polen en de toepassing van de Dublin-verordening» (nr. 3-715)

Vraag om uitleg van de heer Karim Van Overmeire aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de verkiezingen in Zimbabwe» (nr. 3-713)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de aanwijzing van een Family Officer» (nr. 3-716)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de genderdimensie in de diplomatie» (nr. 3-717)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de houding van België ten opzichte van China en het standpunt van ons land binnen de Europese Unie» (nr. 3-718)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de samenstelling van examenjury's voor de aanwerving van diplomaten» (nr. 3-719)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Landsverdediging over «het uitblijven van een hoofdredacteur voor het maandblad Vox» (nr. 3-657)

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de minister van Landsverdediging over «de bestemmingswijziging van de Luitenant Coppenskazerne in Brasschaat» (nr. 3-679)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de vice-eerste minister en minister van Financiën, aan de vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de werking van de Belgische Maatschappij voor Internationale Investering (BMI)» (nr. 3-685)

Vraag om uitleg van de heer Etienne Schouppe aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «het negatief rapport van studiebureau GMI inzake het vennootschapsbestuur» (nr. 3-695)

Vraag om uitleg van de heer François Roelants du Vivier aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de internationale samenwerkingsakkoorden op het gebied van ruimtevaartonderzoek en -toepassingen» (nr. 3-708)

Vraag om uitleg van de heer Karim Van Overmeire aan de minister van Werk over «11 juli als betaalde feestdag» (nr. 3-682)

Vraag om uitleg van de heer Wim Verreycken aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de toename van de verkoop via het internet van narcotica en psychotrope geneesmiddelen» (nr. 3-701)

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het koninklijk besluit betreffende het sociaal statuut voor sommige kinesitherapeuten» (nr. 3-710)

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de financiering door het RIZIV van geneesmiddelenverstrekking in ziekenhuizen» (nr. 3-643)

Vraag om uitleg van mevrouw Margriet Hermans aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de voedselcontrole op ingevoerd vlees en andere producten voor menselijke consumptie» (nr. 3-699)

Vraag om uitleg van de heer Jacques Germeaux aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de kredieten voor de functie Directeur Medische Hulpverlening in de provincie Limburg» (nr. 3-702)

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de onrust bij de studenten kinesitherapie» (nr. 3-711)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Mobiliteit over «de controle van de vrachtwagens die gevaarlijke goederen vervoeren» (nr. 3-707)

Regeling van de werkzaamheden

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Verzoekschriften

De voorzitter. - Bij brief van 3 maart 2005 heeft de heer R. Vervoort, burgemeester van Evere aan de Senaat overgezonden een motie met het verzoek te ijveren voor de bevrijding van mevrouw Ingrid Betancourt.

Bij brieven van 22 februari en 1 maart 2005 hebben de heer F. Vermeiren, burgemeester van Zaventem en de heer D. Pieters, burgemeester van Halle aan de Senaat overgezonden, twee moties met betrekking tot de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde en het gerechtelijk arrondissement Brussel.

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Isabelle Durant aan de vice-eerste minister en minister van Financiën en aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de inning van de alimentatiegelden» (nr. 3-646)

Mondelinge vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Financiën en aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de totale impasse bij de Dienst voor Alimentatievorderingen» (nr. 3-639)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - De terugvordering van alimentatiegeld is een van de belangrijkste aspecten van de soms catastrofale situaties waarmee veel vrouwen die niet het geld krijgen waarop ze recht hebben, worden geconfronteerd. De OCMW's kunnen, rekening houdend met de inkomsten van de betrokkenen, voorschotten toekennen. Wie zich tot de Dienst Alimentatievorderingen (Davo) wil richten, moet dus langs het OCMW passeren. Blijkbaar zijn er problemen bij de overdracht van gegevens tussen de POD Maatschappelijke Integratie en de dienst van Financiën die zich met de terugvorderingen bezighoudt. De begunstigden van de voorschotten kunnen geen terugvorderingen instellen en de voorschotten worden nu door de Staat betaald.

Is er een probleem met de overdracht van gegevens tussen de diensten van de minister en de diensten van Financiën? Wanneer zal dat probleem opgelost zijn? Moeten vrouwen die niet aan de voorwaarden voldoen om een voorschot van het OCMW te ontvangen, zich niet rechtstreeks tot de Davo kunnen richten zodat die het alimentatiegeld kan voorschieten? Dit is een dringende zaak. De wet is ontoereikend en ook de toepassing ervan laat te wensen over. Het systeem moet dus worden herzien zodat alle vrouwen, en dus niet alleen zij die aan de voorwaarden van de OCMW's voldoen, aanspraak kunnen maken op een rechterlijke beslissing over de betaling van alimentatiegeld.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - De Morgen meldde op 21 maart jongstleden dat de Dienst Alimentatievorderingen (Davo) tot nog toe geen enkel bedrag heeft kunnen terugvorderen in dossiers van achterstallige alimentatiegelden waarin het OCMW een voorschot heeft uitbetaald. Het zou gaan om minstens 13.000 dossiers van kinderen die recht hebben op alimentatie. Deze toestand zou, enerzijds, te wijten zijn aan het feit dat de dossiers die door de OCMW's worden doorgestuurd, gewoonweg niet in het computersysteem van de Davo kunnen worden ingevoerd en, anderzijds, aan het feit dat Davo wegens de bescherming van de persoonlijke levenssfeer geen toegang krijgt tot de gegevens van de Kruispuntbank van de sociale zekerheid.

Zelfs de alimentatieplichtige die wel wil betalen, kan dat niet. Volgens de wet mag hij/zij alleen aan Davo betalen terwijl die dienst niet in staat is dossiers aan te maken, laat staan betalingen te vorderen, te ontvangen of te registreren.

Aangezien de OCMW's worden vergoed door de POD Maatschappelijke Integratie, maar er geen ontvangsten zijn, draait de POD, en dus de belastingbetaler, integraal op voor niet-betaalde alimentatievergoedingen.

Waarom werd de incompatibiliteit van de computersystemen van de twee betrokken ministeries niet eerder vastgesteld, medegedeeld en opgelost? Hoe komt het dat het probleem van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer voor de toegang van de Davo tot de Kruispuntbank van de sociale zekerheid niet eerder werd erkend en opgelost?

Welke maatregelen zullen de ministers nemen om dit probleem zo snel mogelijk op te lossen? Wanneer zal Davo volledig operationeel worden?

Mevrouw Durant heeft reeds verwezen naar de moeilijke totstandkoming van de wet, met beloften die niet werden ingelost en nieuwe beloften. Blijkbaar zijn de problemen nog niet van de baan.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Er zijn twee redenen voor de achterstand bij de terugvordering van de voorschotten op het alimentatiegeld die de OCMW's vóór 1 juni 2004 hebben toegekend.

Ten eerste is de integratie van de OCMW-dossiers in de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ) moeilijker verlopen dan verwacht. Zo moeten de dossiers manueel worden ingevoerd, wat heel wat tijd vergt. Tot op heden werden 13.402 dossiers behandeld. Vervolgens werden verscheidene anomalieën vastgesteld. Zo zijn er gevallen waar twee OCMW's een dossier hebben ingediend voor een en dezelfde alimentatiegerechtigde; soms zijn er problemen met het dossiernummer van het OCMW. Aangezien geen foute informatie mag worden ingebracht, moet worden nagegaan of die dossiers kloppen.

Ten tweede hebben sommige OCMW's hun afsluitingsstaten laattijdig ingediend. Desalniettemin werden tot op heden 6.713 betalingsberichten verstuurd naar onderhoudsplichtigen teneinde de voorschotten op het alimentatiegeld die de OCMW's hebben betaald terug te vorderen. Dit is de eerste stap: als na een laatste waarschuwing nog niet wordt betaald, wordt overgegaan tot de terugvordering met dwang.

Vanavond is een interkabinettenvergadering gepland om de samenwerking tussen de POD Maatschappelijke Integratie en de KSZ te coördineren en vooral om ervoor te zorgen dat de dossiers van OCMW's die een voorschot op het alimentatiegeld hebben betaald vóór 1 juni 2004, alleszins worden behandeld.

Davo heeft het probleem van de doorstroming van gegevens vrij vlug opgemerkt. Sinds juni 2004 al zoekt de Kruispuntbank van de sociale zekerheid (KSZ) naar oplossingen.

Wil Davo de voorschotten kunnen terugvorderen, dan moet de dienst informatie kunnen inwinnen over de voorschotten van de OCMW's en over de alimentatieplichtigen. Sommige gegevens staan reeds vermeld op de terugbetalingsformulieren van de OCMW's, andere zijn beschikbaar bij de KSZ. Tot nu toe is de KSZ nog niet bereid om de gegevens elektronisch over te dragen aan Davo.

Het gaat om een zeer technisch probleem, wat een oplossing niet eenvoudig maakt. De alimentatiegerechtigden zijn in geen geval het slachtoffer van de situatie. De OCMW's blijven de voorschotten verder uitbetalen en Davo vordert het onderhoudsgeld voor de alimentatiegerechtigden die daartoe een aanvraag hebben ingediend.

Dat neemt niet weg dat de situatie op het ogenblik ver van ideaal is. De huidige moeilijkheden zijn vooral te wijten aan het feit dat e Davo bevoegd is voor de `terugvordering' en de OCMW's voor de `voorschotten'. Als Davo ook bevoegd zal zijn voor de voorschotten is dat probleem van de baan.

Daarvoor moet eerst nog wel een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden uitgevaardigd en moet het budget dat is vastgelegd voor de betaling van de voorschotten worden vrijgemaakt. Minister Reynders, ikzelf en heel de regering maken er werk van.

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Uit het antwoord van de minister blijkt dat het systeem waarbij het OCMW instaat voor de voorschotten en Davo voor de terugvorderingen, niet werkt. Het zou volgens mij beter geweest zijn om alles toe te vertrouwen aan één dienst bij Financiën.

De minister verwees ook naar een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit en een budget dat moet worden vrijgemaakt. Zou het niet nuttig zijn dat een wetsvoorstel wordt ingediend om voor eens en altijd komaf te maken met die processie van Echternach?

Vrouwen die voldoen aan de voorwaarden om van het OCMW een voorschot op hun alimentatiegeld te krijgen, moeten dat geld krijgen. En dat is gelukkig ook het geval. Maar ook zij die niet aan die voorwaarden voldoen, moeten zo snel mogelijk het geld ontvangen waarop ze recht hebben. Ook moet een snelle terugvordering mogelijk zijn en moeten de budgettaire middelen, zoals we destijds hebben gevraagd, ter beschikking worden gesteld.

Nu duidelijk blijkt dat het wetsontwerp geen oplossing biedt, moet het zo snel mogelijk worden aangepast.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Gelukkig maar dat de alimentatiegerechtigden niet het slachtoffer zijn. De belastingbetaler draait echter wel op voor de kosten. Het gaat hier dus om een probleem van goed bestuur.

Dat de wet zo laat in werking kon treden, komt door minister Reynders die er altijd op hamerde dat de vooropgestelde termijnen niet konden worden gehaald en de toepassing van de wet dus moest worden uitgesteld. Blijkbaar draaien de zaken nog altijd vierkant.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - We kunnen de situatie op twee manieren bekijken: als een processie van Echternach of als een eerste stap in de goede richting waarop nog een andere moet volgen. Ik deel de tweede visie.

Mondelinge vraag van mevrouw Christel Geerts aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de terugbetaling van medisch verantwoorde voeding» (nr. 3-640)

De voorzitter. - De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - De terugbetaling van geneesmiddelen en aanverwante middelen zoals medisch verantwoorde voeding, is een delicate oefening waarbij rekening moet worden gehouden met de reële behoeften, het niveau van de kennis over de desbetreffende producten en financiële overwegingen. Het is een proces dat tijd vergt en goed moet worden overwogen. Dat is soms moeilijk verenigbaar met de urgente en acute noden die er in de praktijk bestaan.

In deze context kreeg ik van de minister graag toelichting bij de terugbetalingsprocedure van Neocate, een voorverteerde voeding op basis van vrije aminozuren, aangepast aan de behoeften van de zuigeling. Ouders van kinderen die dat product nodig hebben, worden al vlug met een rekening van 675 euro per maand geconfronteerd. Er is jammer genoeg nog steeds geen RIZIV-terugbetaling voor dit type voeding.

Zijn er voor dit product alternatieven?

Zijn er plannen om dit product terug te betalen en zo ja, volgens welke criteria inzake wachttijd en maximale duur van gebruik?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Helaas bestaan er voor deze voeding geen alternatieven. Na positief advies van de werkgroep Medische Voeding van het RIZIV heeft het Verzekeringscomité op 31 januari 2005 op zijn beurt een positief advies gegeven voor de terugbetaling van Neocate 400 g en Neocate Advance 10 × 100 g. De vergoedingsvoorwaarden worden beschreven in een koninklijk besluit dat momenteel voor akkoord aan mijn collega van Begroting is voorgelegd.

Er wordt voorgesteld te voorzien in een vergoeding in categorie B voor patiënten die lijden aan een ernstige aandoening ten gevolge van een te korte dunne darm of een geobjectiveerde enteropathie ten gevolge van een allergie, een epitheliale dysplasie of een darmvlokkenatrofie.

Op basis van een omstandig verslag van de geneesheer-specialist kan een machtiging voor zes maanden worden toegekend. Die attesten kunnen indien nodig met telkens 6 maanden worden verlengd.

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Ik dank de minister voor het antwoord. We kijken uit naar de ondertekening van het koninklijk besluit, zodat er voor deze noden een oplossing komt.

Mondelinge vraag van mevrouw Christel Geerts aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de raadpleging van de dagforfaits in de rusthuizen» (nr. 3-641)

De voorzitter. - De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Normaal zouden de dagforfaits 2005 voor de rusthuizen vanaf 28 februari on line geconsulteerd kunnen worden. Dat betekent dat vanaf 1 april op basis van de nieuwe forfaits zou kunnen worden gefactureerd. Dat werd verdaagd en er zijn nog geen nieuwe dagforfaits beschikbaar.

Wanneer denkt het RIZIV klaar te zijn met de berekening van de dagforfaits?

Kunnen de instellingen, zoals gepland, vanaf 1 april factureren op basis van die nieuwe forfaits?

In hoeverre zullen de nieuwe dagforfaits afwijken van die voor 2004?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - De instellingen kunnen sinds vrijdag 18 maart 2005 on line en langs dezelfde weg als die waar ze hun gegevens uit de referentieperiode moesten inbrengen, de forfaits voor 2005 en de berekening ervan consulteren.

De brieven met de toestemming tot facturatie op basis van de forfaits 2005, vertrekken op het RIZIV vanaf morgen, 25 maart. De instellingen zullen dus in de loop van volgende week hun akkoord ontvangen. De afwijkingen ten opzichte van vorig jaar hebben we nog niet kunnen evalueren.

Mondelinge vraag van mevrouw Olga Zrihen aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de financiering van de Info Points Europe» (nr. 3-636)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken.

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - De Info Points Europe zijn belangrijke informatieschakels om de kloof tussen de burger en Europa te dichten. Volwassenen, scholen en verenigingen kunnen via die structuren een maximum aan informatie krijgen over Europa.

Ze zijn ook een van de beste instrumenten in het brede debat dat wordt gevoerd over het grondwettelijk verdrag.

Volgens mijn informatie zouden in Wallonië twee van die punten niet worden erkend. De Commissie zou tevens de vraag om financiering voor de oprichting van een Info Point Europe in de provincie Namen verworpen hebben.

Dat die Points, die tot nog toe gefinancierd werden door Buitenlandse Zaken en de Commissie, nu te horen krijgen dat ze zich niet verder kunnen ontwikkelen, schept problemen. Het is ook erg gevaarlijk om de financiering terug te schroeven in regio's als Henegouwen dat met een belangrijke terugloop wordt geconfronteerd en Luik, een grensgebied met een hoge bevolkingsdichtheid en veel scholen waar de nood aan een brede informatie over Europa groot is.

Ziet de minister een mogelijkheid om het voortbestaan van de Info Points Europe te garanderen?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - De Info Points Europe, die nu `Europe Direct' worden genoemd, hebben sinds 1997 goed werk geleverd. Tot op heden werden ze voor 20% gefinancierd door het Directoraat-Generaal Pers en Communicatie van de Commissie, voor 5% door het ministerie van Buitenlandse Zaken en voor de overige 75% door andere structuren, vooral de provincies.

Er werd een nieuwe oproep gelanceerd voor de financiering van de `Europe Direct'-punten vanaf 2005. Elf Belgische structuren hebben gereageerd en Namen en de Duitstalige Gemeenschap hebben zich aangesloten.

Vervolgens heeft het DG Pers en Communicatie ons de lijst bezorgd met de elf `Europe Direct'-punten; Henegouwen, Luik en Namen waren erop vermeld.

De vertegenwoordiging van de Europese Commissie in België heeft ons nu laten weten dat drie van de elf punten niet in aanmerking komen: Henegouwen, Luik en Namen. Die zouden informatie verstrekken aan ondernemingen en derhalve reeds een subsidie krijgen van het DG Ondernemingen. Het Directoraat-Generaal Begroting gewaagt van een dubbele subsidie.

De drie betrokken instellingen beweren dat ze ook reeds fungeerden als informatiekanaal voor Europa en wijzen erop dat het om twee verschillende opdrachten gaat. Ik heb een schrijven ontvangen waaruit blijkt dat beide opdrachten strikt gescheiden zijn.

Minister De Gucht en ikzelf zullen sterk aandringen bij de bevoegde commissarissen, Margot Wallström en Louis Michel. Ik heb de indruk dat de nieuwe, wat pietluttige reglementering terzake, oorzaak is van het probleem en dat er niets oneerlijks in het spel is.

We zullen met de partners en de Commissie naar een oplossing zoeken. We moeten beslist verder gaan met het verspreiden van informatie over Europa. De aanloop naar de ratificatie van het grondwettelijk verdrag zal bovendien heel wat bijkomend werk met zich brengen.

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Dit antwoord verheugt me zeer, maar ik wil er toch nog op wijzen dat de Commissie vorig jaar al begonnen is met het aantal Info Points Europe te verminderen.

Er is ons al vaak gevraagd niet licht om te springen met overheidsgeld. Nu we er eindelijk in slagen een goede coördinatie op poten te zetten en het imago van Europa in een goed daglicht te stellen, moet men ons achteraf geen verwijten maken.

Ik vertrouw erop dat de minister zich zal inzetten, temeer daar de Info Points uitstekend werk leveren, zowel in Namen, als in Luik en in Bergen.

Mondelinge vraag van de heer Pierre Galand aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de werkzaamheden van de Commissie voor de mensenrechten te Genève» (nr. 3-637)

De heer Pierre Galand (PS). - Op 14 maart hebben de leden van de commissie voor de mensenrechten hun 61ste sessie aangevat. Bij de opening in Genève stelde de Hoge Commissaris, Louise Arbour, vast dat de commissie haar opdracht niet heeft kunnen vervullen en dat ze haar aanpak moet veranderen wil ze de vrijheden kunnen verdedigen en doen respecteren.

Het rapport van de Secretaris-Generaal dat inmiddels is verschenen, komt tot dezelfde vaststelling. Hij zegt dat de bescherming van de mensenrechten op internationaal vlak vandaag erg op de proef wordt gesteld. Hij wijst erop dat als de VN de verwachtingen willen inlossen van de mannen en vrouwen overal ter wereld en even veel belang willen hechten aan de mensenrechten als aan de veiligheid en de ontwikkeling, de lidstaten er zouden moeten mee instemmen de commissie voor de mensenrechten te vervangen door een raad voor de mensenrechten met minder leden, maar die permanent zou samen komen.

De commissie boog zich tijdens haar werkzaamheden ook over de toestand in Nepal.

Sinds 1 februari heeft koning Gyanendra alle macht naar zich toegetrokken. Hij beschuldigt de oude meerpartijenregering ervan dat ze er niet in geslaagd is de maoïstische opstand te bedwingen. De maoïstische strijd voor de afschaffing van de monarchie heeft sinds 1996 vele slachtoffers geëist.

Ik vind het vanzelfsprekend dat de toestand in Nepal wordt besproken door de commissie voor de mensenrechten in Genève. Kan de minister ons zeggen of deze kwestie een prioriteit is voor onze ambassadeur bij de commissie voor de mensenrechten? Kan de minister ons informeren over de dossiers die onze regering wil behandeld zien tijdens de 61ste sessie van de commissie voor de mensenrechten van de Verenigde Naties?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - De onrustbarende toestand van de mensenrechten in Nepal zal inderdaad worden onderzocht tijdens de 61ste sessie van de commissie voor de mensenrechten in Genève. Zwitserland staat op het punt hierover een ontwerp van resolutie in te dienen.

De raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen die vorige week bijeenkwam, houdt zich met de kwestie bezig en zal het Zwitserse initiatief steunen.

België is voorstander van een evenwichtige tekst waarin de Nepalese regering wordt opgeroepen de democratie te herstellen en een einde te maken aan de schendingen van de mensenrechten. Terzelfder tijd veroordeelt ze krachtig het gebruik van geweld door de maoïstische rebellen. Ons land steunt ook de oprichting van een internationaal instrument dat moet toezien op de naleving van de mensenrechten in Nepal.

Wat de andere vraagstukken betreft die door de commissie voor de mensrechten moeten worden behandeld, hecht België heel veel belang aan de verschillende initiatieven die zullen worden genomen in verband met de regio van de Grote Meren, het Midden-Oosten, Soedan en Colombia.

De themawerkzaamheden zullen vooral betrekking hebben op de eerbiediging van de mensenrechten in de strijd tegen het terrorisme, het geweld tegen vrouwen, de strijd tegen foltering, de kinderrechten, de doodstraf en de religieuze onverdraagzaamheid.

In het kader van de Wereldconferentie van Durban tegen racisme, zal België ook bijzondere aandacht besteden aan het racisme en aan discriminatie, evenals aan het vervolg van die conferentie. Net als in het verleden zal ons land binnen de Europese Unie een stuwende rol te spelen wat dit dossier betreft.

België zal voorts zijn tweejaarlijkse resolutie over de regionale akkoorden in verband met de mensenrechten indienen. Die resolutie wil het nut onderstrepen van de acties die in de geografische regio's door regionale organisaties worden ondernomen. Door dit initiatief wil België aantonen dat de samenwerking tussen de staten van een zelfde regio een positief effect kan hebben op de bescherming van de mensenrechten.

De heer Pierre Galand (PS). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik vestig zijn aandacht op het feit dat Nepal, omwille van onze wapenuitvoer, voor België een uitermate gevoelig onderwerp is.

Voorts heeft de minister niet gesproken over Tsjetsjenië. Ik vind dat we uitermate waakzaam moeten zijn over wat zich ginds afspeelt wat het terrorisme betreft.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik zal dat zeker doen.

Mondelinge vraag van mevrouw Jihane Annane aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de staatssecretaris voor Europese Zaken over «de omzetting van de Lissabon-richtlijnen» (nr. 3-638)

Mevrouw Jihane Annane (MR). - Mijn vraag is ingegeven door een document dat werd rondgedeeld op de eerste interparlementaire ontmoeting op 16 en 17 maart over de strategie van Lissabon. Dat document geeft een stand van zaken van de omzetting van de zogenaamde Lissabon-richtlijnen. België bevindt zich op 24ste plaats, dat wil zeggen de voorlaatste.

Na de Europese Top over de tussentijdse herziening van de Lissabon-strategie, verklaren sommigen de slechte resultaten door het gebrek aan goede wil van de lidstaten. De eerste minister heeft ook meermaals betreurd dat de strategie niet dwingend genoeg is. De omzetting van de richtlijnen is nu juist wel een dwingend instrument.

Hoever staat het in België met de omzetting van de Lissabon-richtlijnen? Werden maatregelen genomen om onze plaats in de rangorde te verbeteren?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Volgens de cijfers van januari bevindt België zich op de 23ste - en niet de 24ste - plaats wat de omzetting van de richtlijnen betreft. Bij 39 van de 60 richtlijnen was de termijn op 1 januari 2005 verstreken. De regering heeft zich sindsdien geen moeite gespaard. Volgens de tabel die op 23 maart werd opgesteld, had ze 42 richtlijnen omgezet. Slechts 21 richtlijnen moeten nog worden behandeld. Indien mevrouw Annane dat wenst, zal ik haar de lijst meedelen.

Niet alleen de inspanningen van mijn collega's regeringsleden moeten worden vermeld, maar ook die van alle deelregeringen van de gewesten en gemeenschappen die bij de omzetting van de richtlijnen waren betrokken.

De Lissabon-richtlijnen zijn een onderdeel van de interne marktrichtlijnen, een ruimere categorie waarvoor België volgens de tabel van maart 14de is op 25 met een omzettingspercentage van 2,8% tegenover 3,6% in de tabel van januari. België is er dus op vooruitgegaan. Onze regeringen hebben voorrang gegeven aan de omzetting van richtlijnen die de werking van de interne markt verbeteren. België hoopt in juli het door de Europese Commissie opgelegde omzettingspercentage van 1,5% te halen. We hebben hard gewerkt aan een groot aantal richtlijnen waarvoor er nog een omzettingsachterstand is, en hopen in juli het omzettingspercentage van 1,5-1,7% te bereiken.

Ik vestig de aandacht van de Senaat op het feit dat 16 van 21 nog niet omgezette richtlijnen in de Kamer en mogelijk ook in de Senaat moeten worden ingediend. Ik roep de parlementaire assemblees dan ook op de omzetting van richtlijnen met spoed te behandelen.

Mevrouw Jihane Annane (MR). - Het document waarover ik beschik, dateert van 1 oktober 2004. Dat is inderdaad niet zo recent. Op dat ogenblik stond België op de 24ste plaats. Als ik het goed heb begrepen, staan we nu op de 14de plaats en moeten nog maar 21 richtlijnen worden omgezet. Niettemin moeten we trachten de belangrijkste richtlijnen zo snel mogelijk om te zetten om de Lissabon-doelstellingen te bereiken.

Mondelinge vraag van de heer Joris Van Hauthem aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de criminologische statistieken» (nr. 3-644)

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - De professoren Ponsaers en Bruggeman schrijven in het jongste nummer van het tijdschrift Panopticon dat `... het absoluut niet goed gaat met de politiële criminaliteitsstatistieken in België. Het is zelfs niet overdreven om van een statistische chaos te gewagen'. Dat zeggen ze net nu de minister van Binnenlandse Zaken binnen een paar weken nieuwe criminaliteitscijfers zal bekend maken. In hun bijdrage trekken beide hoogleraren de betrouwbaarheid van de criminaliteitscijfers ernstig in twijfel. Bovendien stellen ze sinds de politiehervorming een schrijnend gebrek aan continuïteit en volledigheid vast bij het opstellen van een politiestatistiek. Daarenboven beweren ze dat het vrij betrouwbare en waardevolle politieel-statistische instrumentarium van vóór de hervorming `volledig terug bij nul' is aanbeland.

De academici hekelen vooral `het gebrek aan inzicht of onwil om die veranderingsstrategie meer wetenschappelijk te begeleiden', ze betreuren dat aan de bestaande adequate systemen van gegevensinzameling abrupt een einde kwam en dat geen enkel inzicht meer wordt gegeven in de ophelderingsgraad van criminaliteitsfenomenen. Volgens hen draagt de politie zelf hierin een verpletterende verantwoordelijkheid en moet worden overwogen om criminaliteitsstatistieken over te laten aan gespecialiseerde centra naar analogie met bijvoorbeeld het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum in Nederland of het Home Office in het Verenigd Koninkrijk.

De wetenschappers vragen zich meteen ook af welke criminaliteitsgegevens als basis dienen voor het federaal veiligheidsplan en voor de lokale plannen, en meer zelfs, of de politiehervorming zelf daadwerkelijk tot positieve resultaten heeft geleid. Tot slot geven de auteurs nog een goede raad mee aan onze beleidsmakers: stop met te jongleren met foutieve en onvolledige criminaliteitscijfers in de vorm van `zegebulletins die nu worden opgehangen'.

De federale politie legt de kritiek alvast naast zich neer en beweert dat de cijfers `nog nooit zo betrouwbaar zijn geweest'.

We staan hier op zijn zachtst gezegd voor een serieuze contradictie tussen, enerzijds, wetenschappers die brandhout maken van de manier waarop criminaliteitsstatistieken in dit land worden aangelegd en die zelfs compleet onbetrouwbaar noemen en, anderzijds, de federale politie die beweert dat de cijfers nog nooit zo betrouwbaar zijn geweest.

In hoeverre volgt de vice-eerste minister de kritiek van beide professoren op de criminaliteitsstatistieken en bevestigt hij de verantwoordelijkheid die de politie hierin draagt? Indien hij hen niet volgt, wat zijn dan zijn tegenargumenten?

Overweegt de vice-eerste minister maatregelen te nemen en de suggestie te volgen die de auteurs naar voren schuiven om het opmaken van criminaliteitsstatistieken toe te vertrouwen aan een onafhankelijk centrum, zoals dat ook in Nederland en in het Verenigd Koninkrijk gebeurt?

Zal de vice-eerste minister overleggen met zijn collega van Justitie om de werkgroep `statistieken' onder de Dienst Strafrechtelijk Beleid aan te sporen dit probleem uit te klaren en hiervoor een oplossing te zoeken?

Wat gaat de vice-eerste minister, na de kritiek van de professoren, doen met de criminaliteitscijfers die hij binnen twee weken zou aankondigen?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Het artikel van beide professoren draagt de titel: `De politionele statistische chaos voorbij?'

Ik antwoord op die vraag dat de door de geïntegreerde politie geregistreerde criminaliteitsgegevens, die ingezameld en verspreid worden door de federale politie, inderdaad nog nooit zo volledig zijn geweest als vandaag, omdat vroeger de oefening alleen afzonderlijk door de lokale politie en door de rijkswacht werd gemaakt. Met de geïntegreerde oefening is pas enkele jaren geleden begonnen. Het woord `chaos' mist dus volgens mij elke grondslag.

De gegevensverwerking verloopt goed, omdat er zowel bij de politiezones als bij de algemene nationale gegevensbank een kwaliteitscontrole bestaat. Voorts bestaat er ook een permanente controle om dubbeltellingen te vermijden. Ten slotte worden overal dezelfde bronnen en dezelfde criteria aangewend. Overigens werken alle politiezones vandaag met hetzelfde registratiesysteem en bij de politiehervorming werd de stroom van gegevensinzameling die werd gebruikt voor statistische doeleinden, op geen enkel ogenblik onderbroken. Die bewering klopt dus absoluut niet: die stroom van gegevensinzameling werd nooit onderbroken. Hij werd geautomatiseerd, betekent dus geen bijkomende werklast voor de zones, en dient als controle op de kwaliteit en de volledigheid van de algemene nationale gegevensbank. Daarenboven is het systeem ook constant blijven tellen en werd ervoor gezorgd dat er geen gegevens zijn verloren gegaan.

Voor statistische conclusies moet men uiteraard over cijfers kunnen beschikken voor een voldoende lange periode. Algemeen aanvaard wordt dat een periode van 5 jaar volstaat. Vandaag kunnen toch reeds vergelijkingen worden gemaakt tussen de jaren 2000 tot en met 2003. Binnenkort komt 2004 erbij. Vorig jaar heb ik in de Kamercommissie voor de Binnenlandse Zaken, samen met de verantwoordelijke van de federale politie, duidelijk beklemtoond dat aangezien de geïntegreerde inzameling pas enkele jaren loopt, er zal moeten worden gewacht tot 2006, 2007 om betrouwbare vergelijkingen te kunnen maken.

A contrario beschikt men nu ook over zonale informatie. Er wordt geregeld informatie verspreid over de steden Antwerpen, Mechelen, Gent en Charleroi waar de zones zelf hun cijfers bekendmaken. Die cijfers kunnen wel worden vergeleken, want voor die zones is er wat dat betreft niets veranderd.

Het artikel van beide professoren was beperkt tot de geïntegreerde inzameling; de gegevens van de zonale politie enerzijds en de federale politie anderzijds die beide in dezelfde gegevensbank worden ingevoerd.

De federale politie heeft nooit beweerd dat de ANG volledig is, maar jaar na jaar worden stappen gedaan in de goede richting.

Voor het jaar 2003 beschikken we over 98,4% van alle gegevens. Op federaal niveau worden daarvoor zware inspanningen geleverd. Ik zie niet onmiddellijk welke meerwaarde een zogenaamd onafhankelijk centrum zou opleveren of welke verbeteringen het nog zou kunnen aanbrengen.

Ik vind het dus niet nodig de dienst voor Strafrechtelijk Beleid aan te spreken. We moeten ertoe komen dat de zones veel sneller hun gegevens bekend maken aan het federale niveau. Bij ontstentenis aan zonale gegevens kunnen er uiteraard geen volledige federale bestanden worden opgesteld. De zones moeten zich de discipline opleggen om steeds sneller gegevens door te zenden.

Ik zie niet in waarom de federale politie geen cijfers meer zou bekendmaken. Ik zou er willen op wijzen dat de presentatie van de cijfers over 2003 op een heel genuanceerde manier is gebeurd.

Alle punten waarvoor de professoren gewaarschuwd hebben, heb ik in mijn uiteenzetting aan de pers over de federale politie opgenomen. Ik heb erop gewezen dat we behoedzaam moeten zijn en ik heb ook aangekondigd dat de cijfers steeds sneller zullen worden bekendgemaakt. In de voorbije jaren moesten we telkens het jaareinde afwachten vooraleer de cijfers van het vorige jaar konden worden bekendgemaakt. In de komende weken zullen we reeds een eerste betrouwbare presentatie kunnen geven van de cijfers van 2004.

Ik voel niet de behoefte om voortdurend met cijfers te staan zwaaien. We hebben vorig jaar alleen duidelijk willen maken dat het concentreren, op een geïntegreerde wijze, van veiligheidsplannen op bepaalde misdaadfenomenen jaar na jaar gunstige resultaten geeft.

Ik heb er echter ook voor gewaarschuwd dat de criminaliteit nooit zal stilvallen, maar dat er zich integendeel steeds nieuwe misdaadfenomenen zullen ontwikkelen. Ik verwees in dat verband naar de computercriminaliteit, een vrij recent fenomeen dat met vereende krachten moet worden aangepakt. Ik heb het nooit gehad over een `zegebulletin' en mijn antwoord op de kritiek van de professoren is dat we nu werken aan een betrouwbaar systeem dat ons moet helpen om over ongeveer 2 jaar de nodige beleidsconclusies te trekken. Dat is nu trouwens al mogelijk voor de cijfers van de verschillende politiezones.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Het bewuste artikel getuigt toch van een bijzonder scherpe en verregaande kritiek. Die slaat niet op randfenomenen of op de manier waarop gegevens worden ingezameld, opgeslagen, doorgegeven, enzovoort. Ik ga er bovendien van uit, hoewel de minister dat in twijfel trekt, dat die twee professoren geen politieke bijbedoelingen hebben en dat ze niet over één nacht ijs zijn gegaan.

Ik hecht toch wel veel belang aan deze kwestie; statistieken, of ze nu gaan over criminaliteit of over andere beleidsdomeinen, moeten immers een basis zijn voor de ontwikkeling van het beleid. De veiligheid is een bijzonder belangrijke materie en het is bijgevolg van het grootste belang dat de cijfers op een correcte manier worden verzameld, weergegeven en kunnen vergeleken worden. De minister moet toegeven dat dit in het verleden niet altijd het geval was. Hij heeft in de Kamer ooit zelf gezegd dat een vergelijking van statistieken onmogelijk wordt als de gegevens niet gedurende een lange termijn op eenduidig interpreteerbare wijze worden verzameld. Als men om de haverklap van systeem verandert, wordt het onmogelijk om nog betrouwbare statistieken te maken waarop een beleid kan worden gebaseerd.

De minister herinnert zich ongetwijfeld dat eerste minister Verhofstadt enkele jaren geleden op een bijzonder goed getimed ogenblik, met een blad papier zwaaiend, beweerde dat de criminaliteit gemiddeld met 8% was gedaald en dat de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, de heer Duquesne, twee weken nadien in de Kamercommissie moest toegeven dat er daarvoor helemaal geen betrouwbare statistieken voorhanden waren.

Ik neem aan dat het tijd vraagt om één en ander recht te trekken, maar ik blijf het vreemd vinden dat twee gewetensvolle professoren zo'n scherpe kritiek formuleren waarop de minister van Binnenlandse Zaken dan repliceert dat er eigenlijk niets aan de hand is. Die kloof lijkt mij net iets te groot.

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ik heb helemaal geen behoefte aan een polemiek met de twee professoren in kwestie. Ik constateer alleen maar dat de heer Bruggeman, voorzitter van de Federale Politieraad, gisteren elk verder antwoord schuldig bleef na het aanhoren van de repliek van de heer Fransen, commissaris-generaal van de federale politie, een repliek die hij trouwens ook naar buiten heeft gebracht.

We moeten dus voorzichtig omspringen met de conclusies van professoren en wetenschapslui. De heer Fransen en ikzelf hebben in onze persvoorstelling dezelfde nuanceringen en hetzelfde voorbehoud gemaakt als de twee professoren.

We mogen uiteraard geen appelen met peren vergelijken. Als de zonechef of de burgemeester van de stad Antwerpen vandaag in een persvoorstelling criminaliteitscijfers vrijgeven, kunnen die perfect vergeleken worden met die van de voorgaande jaren. De cijfers van de geïntegreerde politie, die betrekking hebben op de lokale politiezones en de federale politie, moeten in één en hetzelfde systeem worden ingebracht. Dat vraagt een zekere aanpassingsperiode. Eén en ander verloopt echter heel vlot want, zoals ik al zei, zullen we op het einde van deze maand al kunnen beschikken over de cijfers van 2004, daar waar we voordien altijd tot het einde van het jaar moesten wachten.

Het gebeurt bovendien op een uniforme manier, maar het zal wellicht tot 2005 of 2006 duren vooraleer er definitieve conclusies kunnen worden getrokken. Het is alleszins een feit dat de trends een bepaalde richting uitgaan en dat sommige fenomenen succesvol kunnen worden bestreden. In dat opzicht vind ik de stelling van de beide professoren sterk overdreven. Hetzelfde geldt voor het verhaal dat de pers eromheen heeft gefantaseerd.

Vraag om uitleg van de heer François Roelants du Vivier aan de staatssecretaris voor Europese Zaken over «de balans inzake de omzetting van de Europese richtlijnen in België» (nr. 3-709)

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Mijnheer de minister, toen ik mijn vraag om uitleg heb ingediend, beschikte ik over cijfers van november 2004. De situatie is sedertdien veranderd, zoals blijkt uit uw communiqué van 17 maart over de informatie die u de volgende dag aan de Ministerraad zou voorleggen. De administratie Buitenlandse Zaken heeft mij bovendien enigszins afwijkende cijfers gegeven. Enige verduidelijking is dan ook nuttig.

Volgens uw communiqué van 17 maart moet België nog 47 richtlijnen omzetten waarvan de omzettingstermijnen verstreken zijn. We hebben dus nog een achterstand van 2,8%. Op 2 maart schatte de administratie het aantal nog om te zetten richtlijnen op 56. Het verschil is enorm; volgens deze schatting bedraagt onze achterstand 3,5%.

In november 2004 hebt u ons de stand gegeven van de omzetting van de richtlijnen in ons land. U hebt verschillende sporen aangereikt om de omzetting te verbeteren. Zo stelde u een uitbreiding voor van de activiteiten van de interfederale werkgroep, die voor het eerst in juni jongstleden is samengekomen, om de voorstellen van richtlijnen te onderzoeken. U stelde voor in de gegevensbank van de FOD Buitenlandse Zaken ook de voorstellen van richtlijn op te nemen en tevens de toegang tot de genoemde gegevensbank uit te breiden tot alle FOD's en de bevoegde diensten van de Gemeenschappen en de Gewesten.

U wees verder op een interessant initiatief van de Europese Commissie, met name de publicatie van een handleiding voor goede praktijken om de interne procedure van de lidstaten inzake de omzetting van richtlijnen te verbeteren. In België wordt de suggestie van de Commissie bestudeerd om de burger te informeren over alle niet-omgezette richtlijnen. Ook wordt de mogelijkheid onderzocht van een correspondentietabel, die elk artikel van een richtlijn zou opnemen met elke Belgische norm die daarmee overeenstemt.

Zelfs de wetgever vindt soms moeilijk de weg. Er wordt meestal een omzettingspercentage gegeven, maar niet alleen de kwantiteit, ook de kwaliteit is belangrijk. Sommige richtlijnen kunnen gemakkelijk worden omgezet, voor andere daarentegen kan het soms zeer ingewikkeld zijn. Zo heb ik in de lijst die u aan mevrouw Annane gaf, een richtlijn van 2002 gezien over het voorkomen van vervuiling door schepen.

Die ingewikkelde tekst heeft betrekking op het federale en het regionale beleidsniveau aangezien het om een materie gaat die het milieu betreft. De complexiteit van de richtlijnen kan dus een oorzaak zijn van vertraging in de omzetting.

Het zou ook interessant zijn te weten welke graad van prioriteit u aan de verschillende dossiers verleent. Sommige voorstellen van richtlijn hebben immers minder impact op de evolutie van de Europese constructie of op de wetgeving in ons land.

Wat is in ons land de gemiddelde termijn voor omzetting van een richtlijn? Er is soms sprake van één of twee jaar. Die termijnen verschillen blijkbaar van een gemiddelde duur tot een extreem lange periode. Voor bepaalde richtlijnen neemt de omzetting zelfs jaren in beslag.

We stellen ook een aantal overtredingen vast. Bij het Hof van Justitie zijn verschillende dossiers tegen België aanhangig, vooral op milieugebied. Het aantal procedures tegen ons land is weliswaar afgenomen, maar om een goede leerling te worden in de Europese klas moet er toch nog een en ander veranderen. Er zijn landen waar het nog erger is, maar dat neemt niet weg dat we iets moeten doen aan onze slechte reputatie uit het verleden.

Voor tal van mijn vragen zou ik een antwoord kunnen vinden in een tabel van richtlijnen met vermelding hoever het staat met de omzetting. Ik vernam dat een dergelijk instrument binnenkort beschikbaar zou zijn op een internetsite. Kan de minister mij het adres daarvan mededelen?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Het komt er niet zozeer op aan vergelijkingen te maken met andere landen. Het gaat er vooral om dat de omzetting in belangrijke mate bijdraagt aan een meer efficiëntie interne markt.

De cijfers evolueren elke dag en de collega's hebben de jongste weken hard gewerkt aan de omzetting van richtlijnen. Alle departementen waren erbij betrokken en de medewerkers hebben op de talrijke vergaderingen van de Ministerraad blijk gegeven van een grote inzet

Ik dank ook de gewesten en de gemeenschappen voor het overleg over de gemengde richtlijnen en de studie van de richtlijnen die uitsluitend tot de bevoegdheid van de deelstaten behoren. Iedereen is er zich wel degelijk van bewust dat we ons moeten blijven inzetten.

De aandacht van de regering gaat uiteraard vooral naar de meest essentiële richtlijnen, met name die met betrekking tot de interne markt en de Lissabon-richtlijnen, maar er zijn nog andere richtlijnen die best worden omgezet. De regering zal de komende weken de balans opmaken. Op het ogenblik moeten nog 126 richtlijnen worden omgezet, waarvan 47 vertraging hebben opgelopen. Van die laatste zijn er twee die geen betrekking hebben op de interne markt.

Inzake de mededeling van nationale uitvoeringsmaatregelen staat ons land thans op de negende plaats in het klassement van de lidstaten, met een mededelingspercentage van 98,37.

Op het mededelingenbord van de lente, dat op 28 maart wordt vastgesteld, gaat België er duidelijk op vooruit. We moeten nog 45 richtlijnen omzetten waarvan de omzettingstermijn verstreken is; een achterstand van 2,8% tegenover 3,4% in januari. Dat is nog ver beneden de norm van 1,5% die de Commissie stelt in haar aanbevelingen, maar toch een verbetering ten opzichte van het gemiddelde voor alle lidstaten van 3,1%. We staan daarmee op de veertiende plaats van de 25 lidstaten.

Vier richtlijnen waarvan de termijn meer dan twee jaar bedraagt, zijn nog niet omgezet. Twee daarvan bevinden zich in de eindfase. Ik dank collega Verwilghen, die in de senaatscommissie de goedkeuring verkregen heeft van richtlijnen met betrekking tot de biotechnologische uitvindingen en de auteursrechten. Die omzettingen zullen binnenkort in de plenaire vergadering van de Senaat worden besproken. Ik zou de voorzitter willen vragen of de stemming nog vóór 31 mei kan plaatsvinden, zodat we op het mededelingenbord van juli onze positie kunnen verbeteren en dichter bij de 1,5% komen.

We hebben op de Ministerraad een lijst opgesteld van richtlijnen die nog moeten worden omgezet. De Commissie zou ons nog slechts een klein aantal aanvragen met betrekking tot nieuwe richtlijnen bezorgen. Met al het werk dat op stapel staat, zouden we de door de Commissie aanbevolen 1,5% moeten benaderen.

België moet nog zeven van de veertien richtlijnen omzetten die door de Commissie geïdentificeerd worden als sleutelrichtlijnen van de interne markt. Een proactieve werkgroep is sedert september al meermaals samengekomen in verband met de vermelde nieuwe sporen. Die groep treedt eerder aan het einde van het omzettingsproces op en moet bijdragen aan de verbetering van de omzetting.

Begin april worden tests uitgevoerd in verband met de gegevensbank die niet alleen door de verschillende federale overheidsdiensten, maar ook door de bevoegde diensten van de deelstaten kan worden gebruikt. Volgens de informatie die ik vanochtend heb gekregen, zou die gegevensbank de komende weken operationeel zijn. Niet alleen wie betrokken is bij de omzetting, maar ook het federale parlement en de parlementen van de gemeenschappen en de gewesten zullen die gegevensbank on line kunnen raadplegen. Zo kunnen de parlementsleden rechtstreeks en precieze informatie krijgen over de omzettingen die thans vertraging hebben opgelopen.

Het systeem van de elektronische melding van de nationale uitvoeringsmaatregelen werkt sedert eind september met succes.

De regering heeft de gewoonte aangenomen om vrijwel elke week omzettingen van richtlijnen op de agenda van de Ministerraad te plaatsen. Op die wijze kunnen de functionele ministers de Ministerraad telkens inlichten over de juiste stand van de onderhandelingen over die richtlijnen, waarvoor dikwijls één of meer federale ministers moeten samenwerken met de gewesten en de gemeenschappen.

Mijn kabinet in ikzelf staan tot uw beschikking om u, per categorie, alle tabellen te bezorgen. Zo kunt u gemakkelijk de omzetting van de richtlijnen volgen.

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Het verheugt mij dat er binnenkort een on line raadpleging mogelijk is. Dat instrument zal voor de parlementsleden zeer nuttig zijn.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Luc Van den Brande aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «het gebrek aan inspanningen van de federale regering inzake onderzoek en ontwikkeling» (nr. 3-643)

De heer Luc Van den Brande (CD&V). - Teneinde de concurrentiekracht van ons land te vrijwaren, moeten we extra inspanningen doen om ons economisch weefsel te versterken en om onderzoek en ontwikkeling te bevorderen. We beschikken slechts over twee troeven, namelijk het werk van onze handen en de ontwikkeling van onze kennis. Kennis moet uiteindelijk leiden tot jobcreatie.

Tijdens de Lentetop van deze week heeft de eerste minister het belang van de doelstellingen van Lissabon bevestigd. We hebben vanmorgen in het Federaal Adviescomité voor de Europese aangelegenheden van gedachten gewisseld over de aanpassingen van die doelstellingen.

De verklaringen van de eerste minister en van de federale regering zijn helaas niets meer dan mooie woorden.

Het Verbond van Belgische Ondernemingen heeft erop gewezen dat de inspanningen van de federale regering het derde jaar op rij naar beneden gaan op het vlak van onderzoek en ontwikkeling. Er kunnen verscheidene voorbeelden worden aangehaald. Bij de lineaire besparingen die aan de departementen werden opgelegd, heeft de POD Wetenschapsbeleid verhoudingsgewijs het meest ingeleverd van alle departementen, namelijk 10%. De uitgaven voor het Europees Ruimtevaartprogramma werden verschoven naar 2006 tot 2009, wat bovendien intrestlasten meebrengt. De aangekondigde halvering van de bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers in de ondernemingen, die vorig jaar reeds had moeten ingaan, werd uitgesteld tot 1 oktober 2005. Mevrouw Moerman, de vorige minister van Economie, had nochtans gezworen dat de regeling op 1 januari 2005 zou ingaan.

Hoe rijmt de minister de verdediging van de doelstellingen met het uitblijven van daden? In plaats van de Vlaamse inspanningen na te volgen, doet de federale regering precies het tegenovergestelde. Het is onverantwoord om op Vlaanderen te teren teneinde de vooropgestelde doelstellingen te bereiken.

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Ik begrijp dat deze vraag rijst in het licht van de Lissabondoelstellingen en de lentetop van gisteren, maar het gaat in wezen om de begroting 2005. Het debat over de uitvoering daarvan werd reeds herhaaldelijk gevoerd in Kamer en Senaat, onder meer in de commissie Ruimtevaart.

Ik had liever gehad dat de maatregel om 50% vrijstelling te geven aan degenen die in de privé-sector aan de slag zijn maar met de universiteiten samenwerken, in werking was getreden op 1 januari 2005 in plaats van op 1 oktober. Hetzelfde geldt voor de ESA-problematiek. Daarvoor is voor de komende jaren, met dezelfde enveloppe, een afbetalingsplan overeengekomen. Die twee maatregelen komen niet ten goede aan de koers die wij willen volgen om de 3%-norm van Lissabon te respecteren. In een begroting moet altijd worden gewikt en gewogen. Op dat vlak werd geen genoegdoening bekomen.

Inmiddels werd beslist een high level-werkgroep onder leiding van professor Soete op te richten. Die zal tegen het einde van de paasvakantie een verslag en aanbevelingen bezorgen. Daarin zullen ongetwijfeld een aantal maatregelen staan en op zijn minst een stappenplan met een fondsenverwerving, dat weliswaar niet meer tot 2010 zal reiken.

Misschien kon het inderdaad beter, maar in vergelijking met andere Europese lidstaten zitten we boven het gemiddelde. Is dat vooral de verdienste van Vlaanderen? Ik zou dat willen nuanceren. Vlaanderen doet bijzonder grote inspanningen. Alle niveaus moeten echter inspanningen doen om de 3%-norm te halen, zeker als men weet dat 1% van de publieke sector moet komen. Er is dus nog een resem maatregelen nodig.

Ik hoop dat de begroting 2006 voor de minister van Begroting aanleiding zal zijn om uit te voeren wat hij heeft aangekondigd. De kenniseconomie waar België deel van moet uitmaken en de bijdrage die we moeten leveren om de Lissabondoelstellingen te halen vergt meerdere inspanningen. Ik zal hem daaraan herinneren.

De heer Luc Van den Brande (CD&V). - Mijn kritiek is een steun in de rug om tijdens de begroting meer te kunnen binnenhalen.

Deze vraag is inderdaad gekoppeld aan de lentetop.

Het is een gevaarlijk argument om te zeggen dat de anderen het minder goed doen waardoor het Europees gemiddelde gezakt is en wij het beter doen.

Met ministers van Begroting moet men altijd opletten. In de periode 1985-1987 was de heer Verhofstadt federaal minister van Begroting en minister van Wetenschapsbeleid. Precies in die periode werden de kredieten voor wetenschapsbeleid het meest teruggeschroefd in de jongste 20 jaar. Men moet dus opletten met voorbeelden die niet te stichtend zijn.

Mondelinge vraag van mevrouw Fauzaya Talhaoui aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de diversiteit binnen Justitie naar aanleiding van de Internationale Dag tegen Racisme van 21 maart» (nr. 3-633)

De voorzitter. - Mevrouw Freya Van den Bossche, minister van Werk, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie.

Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT). - Ik had vorige week een vraag geformuleerd met het oog op de Internationale Dag tegen racisme, maandag 21 maart. Aangezien de strijd tegen racisme en voor diversiteit een strijd en een betrachting is van elke dag, ben ik blij dat ik deze vraag vandaag mag stellen.

De Internationale Dag tegen racisme biedt ook de gelegenheid om te wijzen op de achterstand en de achterstelling van allochtonen op het gebied van werkgelegenheid. Allochtone jongeren hebben immers meer te kampen met werkloosheid. Daarvoor worden allerlei oorzaken aangehaald, zoals een gebrek aan opleiding en diploma's, maar ook het voorbehoud van werkgevers om mensen van bepaalde origine in dienst te nemen. De laatste tijd wordt opnieuw gesproken over streefcijfers en quota voor indienstnemingen in de particuliere sector, maar misschien moet de overheid zelf ook in eigen boezem kijken. De overheid heeft als grootste werkgever van het land immers een voorbeeldfunctie op dat gebied.

In de FOD Justitie is het percentage allochtone werknemers zeer klein. Tien jaar geleden waren er misschien niet voldoende studenten van allochtone origine afgestudeerd in de rechten en aanverwante richtingen. Nu studeren echter heel wat allochtone jongeren af in de rechten. Toch stellen we nog steeds vast dat Vrouwe Justitia een zeer wit aangezicht heeft.

Uit een studie onder leiding van Marie-Claire Foblets van de KULeuven en Marco Martiniello van de ULg blijkt ook dat allochtonen zeer negatieve ervaringen hebben met Justitie. De studie concludeert dan ook dat de overheid er alles aan moet doen om nodeloze ontgoochelingen bij allochtonen te vermijden over de wijze waarop de administratie, de rechterlijke macht of ook bepaalde beroepsgroepen, zoals advocaten, omgaan met rechtsregels en de toepassing daarvan in individuele dossiers. Dat is des te belangrijker omdat de slaagkansen van de pluralistische samenleving daar mee van afhangen. De schade die daar wordt aangericht, reikt veel verder dan de indruk die iemand aan de negatieve ervaring overhoudt. Wanneer vreemdelingen en allochtonen door de wijze waarop in de praktijk met hun rechten wordt omgesprongen, ertoe worden gebracht zich van het recht af te wenden of niet langer krediet geven aan hen die er toezicht op moeten houden, verliezen inspanningen om aan de inhoud van de regels zelf te timmeren of om het legislatieve proces te optimaliseren, onder andere door een verdere democratisering, veel van hun betekenis.

We hebben nog geen precieze cijfers, maar blijkbaar is het heel slecht gesteld met de tewerkstelling van allochtonen in de FOD Justitie. Ik verwijs ook specifiek naar het ambt van griffier, van parketmagistraat en van zittende magistraat.

Minister Dupont, die belast is met het gelijkekansenbeleid, denkt thans na over imago, communicatie en rekruteringscampagnes voor allochtone groepen in het openbaar bestuur.

Denkt de minister, in navolging van haar collega-minister van Ambtenarenzaken, aan eventuele imago-, communicatie- en rekruteringscampagnes bij allochtone groepen?

Is de minister bereid samen met haar collega jongeren ervaring te laten opdoen in het parket of bij de zittende magistratuur, onder andere door stages voor laatstejaarsstudenten van de universiteiten?

Er zouden bepaalde mechanismen die ervoor zorgen dat via de aanwervingsprocedures van SELOR allochtonen minder doorstoten tot betrekkingen met een vaste benoeming? Heeft de minister weet van deze `blokkeringen'. Zo ja, heeft zij oplossingen om hierin een ommekeer teweeg te brengen?

Mevrouw Freya Van den Bossche, minister van Werk. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

De strategische en operationele doelstellingen inzake diversiteit staan in het managementplan van de voorzitter van de FOD Justitie, meer bepaald in operationele doelstelling nr. 40, `Een welzijns- en preventiebeleid voeren'. Deze doelstelling wordt geconcretiseerd in een project met betrekking tot het beheer van de diversiteit.

Twee personen van de FOD Justitie zijn aangewezen als verantwoordelijken inzake diversiteit en hebben regelmatig contact met de cel Diversiteit van de FOD Personeel en Organisatie. Verder zullen nog twee personen worden aangeworven die eveneens verantwoordelijk zullen zijn voor Gelijke Kansen. De omkaderingsdienst Personeel en Organisatie beschikt over een directie Organisatie en Kwaliteit en daarin werd een cel Welzijn opgericht. Er zal dus een echt beleid worden gevoerd op het vlak van gelijke kansen en diversiteit via een netwerk dat bestaat uit vertegenwoordigers van de omkaderingsdienst Personeel en Organisatie, de dienst Selectie, de dienst Opleiding, de cel Welzijn, de Sociale Dienst, de cel Interne Communicatie, de interne dienst Preventie en Veiligheid op het werk, de dienst Logistiek en psychosociale adviseurs.

De FOD Justitie heeft ook concrete acties ondernomen om de aanwerving van personen van vreemde origine te stimuleren. Ik denk aan het concept `De 1001 gezichten van Justitie', dat opgenomen is in de brochure met dezelfde naam van de FOD Justitie.

De FOD Justitie zal verder de nadruk leggen op gelijke kansen bij de aanwerving van nieuwe ambtenaren. Toegang tot werk moet geboden worden aan elke persoon die de wettelijke voorwaarden vervult. Het gelijkekansennetwerk onderzoekt momenteel de ontwikkeling van wervingscampagnes bij allochtone groepen. De nadruk wordt gelegd op aanwerving, opleiding en communicatie.

Ik ben uiteraard bereid om met mijn collega andere voorstellen te onderzoeken, zoals het organiseren van stages.

Klachten over eventuele discriminerende praktijken zullen natuurlijk behandeld worden, indien mocht blijken dat die zich in de FOD voordoen. Voor zover ik weet, is dat echter niet het geval. Het zou onaanvaardbaar zijn dat een persoon een baan wordt geweigerd om reden van zijn echte of veronderstelde etnische origine.

De `blokkering' waarnaar mevrouw Talhaoui verwijst is louter van wettelijke aard. Om toegang te krijgen tot een statutaire betrekking moet men de Belgische nationaliteit hebben of die van een land van de Europese Economische Ruimte. De Belgische nationaliteit is vereist wanneer de betrekking te maken heeft met een rechtstreekse of onrechtstreekse deelname aan het uitoefenen van de openbare macht en activiteiten behelst die de bescherming beogen van de algemene belangen van de Staat.

Het gelijkekansennetwerk zal ook voorstellen doen inzake de nationaliteitsvereiste, de transparantie en de definitie van `het uitoefenen van de openbare macht' en de `algemene belangen van de Staat'.

Nogmaals, eender welke discriminatie bij tewerkstelling moet en zal krachtig worden bestreden.

Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT). - Ik begrijp dat zowel de FOD Justitie als minister Dupont campagnes opzetten. Ik ben benieuwd naar het resultaat daarvan. Op dit moment zijn er wel allochtone advocaten, maar ik heb nog niet veel allochtone magistraten gezien. Nochtans zijn die nodig om het vertouwen van de allochtonen in het gerecht te verhogen en dus om allochtone delinquentie, zowel van jongeren als van volwassenen, aan te pakken.

Mondelinge vraag van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de terugbetaling van de werkingskosten van de Bureaus voor juridische bijstand» (nr. 3-645)

De voorzitter. - Mevrouw Freya Van den Bossche, minister van Werk, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - De rechtbank van eerste aanleg te Brussel heeft de Belgische Staat, en dus de minister van Justitie, recent veroordeeld tot de terugbetaling van de werkingskosten van de bureaus voor juridische bijstand aan verschillende balies.

Het succes van de bureaus voor juridische bijstand heeft voor gevolg dat de bedragen die de orden en balies hiervoor moeten uittrekken exponentieel zijn toegenomen. Steeds meer personen en rechtsonderhorigen wenden zich tot deze bureaus. Door deze mensen te helpen vervullen de advocaten hun wettelijke opdracht. Omdat de kosten ervan niet gedragen worden door de begroting Justitie hebben verschillende balies - 17 orden van advocaten, meen ik - een proces aangespannen tegen de Belgische Staat. Nu er een uitspraak is, wens ik te vernemen of de minister van Justitie deze onkosten snel zal uitbetalen aan de verschillende orden van het land.

Hoe kan dit probleem van de werkingskosten structureel en permanent worden opgelost? Wordt het geen tijd de wet op de juridische bijstand te evalueren en daarin op te nemen dat de orden worden vergoed voor de bureaus voor juridische bijstand?

Mevrouw Freya Van den Bossche, minister van Werk. - Op 3 maart 2005 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de Belgische Staat veroordeeld tot de terugbetaling van de werkingskosten van de bureaus voor juridische bijstand van 14 Franstalige balies voor een bedrag van twee miljoen euro. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Artikel 6 van het koninklijk besluit van 18 december 2003 stipuleert dat de balies 4,5% van het bedrag van de ontvangen vergoedingen mochten aanwenden voor de betaling van de administratieve kosten die de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand heeft meegebracht.

Ik onderstreep ook dat de in 2004 aan de advocaten betaalde punten een eerste keer met 10% werden verhoogd tot een bedrag van 28 miljoen euro. In 2005 is er een nieuwe verhoging met 28% tot een bedrag van 38 miljoen euro.

De betrokken balies hebben nog niet laten weten of ze de tenuitvoerlegging van het vonnis vragen en hebben de Belgische Staat tot op het einde van deze maand de tijd gegeven om te reageren. De minister onderzoekt op dit ogenblik of ze beroep zal aantekenen.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad zonder borgtocht of kantonnement. De balies kunnen dus overgaan tot een gedwongen tenuitvoerlegging, ook als de Staat beroep aantekent. Hoewel ik een dergelijke handelwijze zou betreuren, zullen in dat geval de nodige begrotingsmaatregelen worden genomen om het vonnis uit te voeren.

De bureaus voor juridische bijstand zijn een basiselement van de juridische hulpverlening in België. We moeten er dus voor zorgen dat ze kunnen voortwerken en kwaliteit blijven leveren. Er werden protocolakkoorden afgesloten tussen de Orde der Franstalige en Duitstalige balies, de Orde van Vlaamse balies en de Belgische Staat om hun werking te evalueren.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik noteer dat de minister over enkele dagen zal beslissen of ze beroep zal aantekenen. Ik onthoud echter vooral dat het vonnis uitvoerbaar is bij voorraad. De minister zal dus waarschijnlijk gevolg moeten geven aan de rechterlijke beslissing.

Mondelinge vraag van de heer Wim Verreycken aan de vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven over «de schuldafbouw» (nr. 3-642)

De voorzitter. - Mevrouw Freya Van den Bossche, minister van Werk, antwoordt namens de heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven.

De heer Wim Verreycken (VL. BELANG). - Gisteren raakte definitief bekend dat de Vlaamse regering geen 95 miljoen euro reserveert voor schuldafbouw. De minister hield bij de begrotingsopmaak reeds rekening met deze nu teruggeschroefde inspanning. Ook de Europese verplichtingen inzake schuldafbouw, waarbij Europa geen rekening houdt met de regio die de schuldafbouw realiseert, maar alleen met het totale Belgische eindcijfer, komen nu in het gedrang.

Reeds in januari van dit jaar kondigde een Vlaamse regeringspartner in het Belang van Limburg aan dat de 95 miljoen in maart zouden worden geschrapt bij niet splitsing van het kiesarrondissement B-H-V. Uiteraard was de federale regering op de hoogte van deze aankondiging.

Ook de vaststelling dat Wallonië geen evenredige inspanning wil leveren zal waarschijnlijk zijn invloed hebben gehad op de Vlaamse beslissing.

Welk effect heeft de Vlaamse beslissing op de federale begroting?

Kunnen de Europese verplichtingen inzake schuldafbouw worden gerealiseerd zonder Vlaamse inbreng?

Was de federale regering op de hoogte van de intentie om, zoals is gebleken, inderdaad in maart de 95 miljoen te schrappen bij niet splitsing van B-H-V? Ware het dan niet beter geweest het kiesarrondissement onverwijld te splitsen?

Welke inspanningen verwacht de federale overheid van de verschillende gewesten, en meent de minister dat evenredigheid aangewezen is? Kan hij die evenredigheid afdwingbaar maken?

Volgens De Standaard van vandaag dreigt de minister ermee tegenmaatregelen te treffen tegen de Vlaamse regering. Wat moeten we daar concreet onder verstaan? Komen er in dat geval ook tegenmaatregelen tegen de andere gewesten?

Mevrouw Freya Van den Bossche, minister van Werk. - Minister Vande Lanotte wacht de definitieve beslissing af van de Vlaamse regering. In elk geval kan deze op grond van het advies van de Hoge Raad van Financiën niet tegelijk de doelstellingen verlagen en het artikel 8 inroepen. Desgevallend zal een nieuw advies worden gevraagd aan de Hoge Raad wat zou kunnen inhouden dat de Vlaamse regering aan de ene kant 95 miljoen euro wint, maar aan de andere kant 157 miljoen euro verliest.

De doelstellingen inzake schuldafbouw blijven uiteraard gehandhaafd. Tijdens de begrotingscontrole zal de budgettaire toestand worden geactualiseerd en wordt nagegaan of de Federale regering op schema zit. Indien niet, zullen maatregelen worden genomen.

De Vlaamse regering heeft de strengere doelstellingen steeds gekoppeld aan de voorwaarde dat ook de andere entiteiten dit doen.

De minister van Begroting heeft steeds gezegd dat de doelstellingen van de Hoge Raad van Financiën redelijk zijn en dat hij zou zien waar hij zou uitkomen. Er mag ook niet overdreven worden: nominaal gaat het om een niet onaanzienlijk bedrag, maar in procent van het BBP bedraagt het nog geen 0,1%.

Ik weet niet of er echt sprake is van tegenmaatregelen. Als de Vlaamse regering echter bij haar standpunt blijft, dan wordt de zaak terug voorgelegd aan de Hoge Raad van Financiën.

De heer Wim Verreycken (VL. BELANG). - De nieuwe klacht bij de Hoge Raad van Financiën lijkt er een beetje op alsof minister Vande Lanotte een rechter zou vragen op te treden tegen de Vlaamse regering. Ik heb daar principieel bezwaar tegen.

Bovendien heeft de Vlaamse regering reeds gereageerd. Minister Van Mechelen stelt in De Standaard: `De Hoge Raad beslist autonoom of ze afwijkingen toestaat. De beslissing over de 157 miljoen is op 25 januari genomen en alleen omdat we aan de drie criteria voldeden om een afwijking te kunnen krijgen'.... `Als minister Vande Lanotte een nieuw vraag wil richten aan de Hoge Raad doet hij maar. Maar volgens ons maakt hij geen kans.'

Dit wordt dus een welles nietes spelletje. Er moet aan bepaalde criteria worden voldaan om een vermindering van schuldafbouw te krijgen. Zo heeft de Vlaamse regering de voorgaande jaren meer bespaard dan nodig, zodat ze nu 157 miljoen euro in mindering mag brengen. De criteria zijn wat ze zijn. Een brief van minister Vande Lanotte aan de Hoge Raad lijkt me dan ook niet aangewezen. De minister zegt dat hij alle gewesten en gemeenschappen op dezelfde wijze zal behandelen. Ik juich dit natuurlijk toe, maar ik vraag me wel af waarom hij niet heeft gereageerd toen Wallonië aankondigde dat het niets wilde bijdragen aan de totale schuldafbouw.

Ik zal de bevoegde minister alleszins hierover nog aan de tand voelen.

Mevrouw Freya Van den Bossche, minister van Werk. - Laten we het netjes houden. Het gaat hier niet om een brief van minister Vande Lanotte aan een rechter, maar om een officieel verzoek om advies van de federale regering aan de Hoge Raad van Financiën. Ik zie niet in waarom een regering geen advies zou mogen vragen.

De heer Wim Verreycken (VL. BELANG). - Uiteraard mag de regering brieven schrijven. Net zo goed mag ik af en toe wat ironie in mijn vragen verwerken. Dit land gaat immers ten onder aan bloedige ernst.

Mondelinge vraag van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid, aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Werk over «de reclamecampagne inzake schimmelnagels» (nr. 3-620)

De heer Patrik Vankrunkelsven (VLD). - Het heeft me veel moeite gekost te weten te komen tot welke minister ik me moest richten om deze vraag te stellen, maar uiteindelijk is het me toch gelukt.

Momenteel heeft de obscure vzw Hodie Vivere, die ergens in de gebouwen van de ULB is gehuisvest, een campagne lopen over de bestrijding van schimmelinfecties. Onder het mom van een boodschap van algemeen nut veroorzaakt de campagne heel wat angst en onrust bij de bevolking. Veel mensen vragen hun arts dan ook om een antischimmelpreparaat met als gevolg een verhoging van de kosten voor de ziekteverzekering. Studies uit het buitenland hebben aangetoond dat de verkoop van die preparaten onder invloed van dergelijke campagnes is verdubbeld.

Het filmpje van Hodie Vivere is identiek aan het filmpje dat de farmaceutische firma Novartis gebruikt voor de promotie van haar geneesmiddel Lamisil. Gelijklopend met de reclamecampagne worden artsen erop voorbereid dat patiënten kunnen aankloppen met vragen over de aandoening.

Hiermee wordt duidelijk de wet omzeild die verbiedt reclame te maken voor geneesmiddelen die worden terugbetaald. De minister van Sociale Zaken heeft me al gezegd dat hij via de gezondheidswet tegen dergelijke praktijken strenger tracht op te treden. Ik wil minister Van den Bossche echter vragen hiertegen eveneens op te treden vanuit haar specifieke bevoegdheden. De wet op de handelspraktijken maakt het inderdaad mogelijk misleidende campagnes aan te vechten. En misleidend is de campagne wel, want ze geeft de indruk een boodschap van algemeen nut te zijn, terwijl het om platte commercie gaat. Ik vraag de minister dan ook op te treden.

Mevrouw Freya Van den Bossche, minister van Werk. - Na een recente klacht van Test-Aankoop onderzoekt de Algemene Directie Controle en Bemiddeling momenteel deze zaak. Zoals bepaald in de wet op de handelspraktijken ben ik inderdaad bevoegd voor misleidende reclame in het algemeen, dus niet specifiek in verband met geneesmiddelen. We hebben al heel wat inlichtingen ingewonnen en er zijn contacten gelegd, ook met de Geneesmiddeleninspectie van de FOD Volksgezondheid. De gegevens worden nu juridisch geanalyseerd. Ook werden Novartis en Test-Aankoop al gehoord. Het onderzoek bevindt zich dus al in een vergevorderd stadium.

In dit kader houden mijn diensten in het bijzonder rekening met twee delen van een artikel uit de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken. Om te beginnen is dat artikel 23, 2º, waarin staat dat reclame verboden is die beweringen, gegevens of voorstellingen bevat die kunnen misleiden omtrent de identiteit, de aard, de samenstelling, de duur, de beschikbaarheid, de datum waarop een dienst verstrekt wordt of de kenmerken van die dienst. Onder die kenmerken dient te worden verstaan de voordelen van een dienst, onder meer uit het oogpunt van zijn eigenschappen, van de resultaten die van het gebruik ervan kunnen worden verwacht, enzovoort. Daarnaast bepaalt artikel 23, 3º, dat reclame verboden is die beweringen, gegevens of voorstellingen bevat die kunnen misleiden omtrent de identiteit of de kwaliteiten van de verkoper van een product of dienst.

Daartegenover staat wel dat dergelijke zaken enkel strafbaar worden gesteld in het geval van het bewijs van overtreding te kwader trouw. Dat betekent dat we natuurlijk actiemiddelen ter beschikking hebben - de klassiekers zijn waarschuwingen en administratieve boetes - maar om een proces-verbaal te kunnen opstellen, moet er sprake zijn van kwade trouw. Het staat dus niet a priori vast dat de wet op de handelspraktijken het adequate middel is om tegen de campagne op te treden. Kunnen we de initiatiefnemers wettelijk iets verwijten en kunnen we voldoende hard optreden om ook een voorbeeld te stellen? We willen natuurlijk niet dat dit zich herhaalt.

We weten dat de bewuste campagne niet rechtstreeks een band legt met het gebruik van een welbepaald geneesmiddel van een welbepaalde firma, al wordt het verband tussen de vzw Hodie Vivere en de fabrikant Novartis door de Algemene Directie Controle en Bemiddeling ernstig onderzocht. Ingevolge de campagne heeft minister Demotte beloofd de geneesmiddelenwet aan te passen, zodat dergelijke omzeiling van de geest van de geneesmiddelenwet niet meer kan.

Los daarvan zetten we ons onderzoek voort en hoop ik op korte termijn de resultaten ervan bekend te maken. Als er een inbreuk wordt vastgesteld, zullen de nodige sancties volgen. Het is tijdelijk geruststellend dat de campagne is stopgezet, maar de zaak moet zeker verder worden gevolgd.

Wetsontwerp tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen met betrekking tot het strafrecht en de strafrechtspleging, teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken (Stuk 3-1064)

Algemene bespreking

De heer Luc Willems (VLD), rapporteur. - Het wetsontwerp inzake de gerechtelijke achterstand dat werd overgezonden door de Kamer, en in de voorbije weken in de commissie voor de Justitie is behandeld, betreft drie maatregelen die de gerechtelijke achterstand moeten wegwerken.

Ten eerste vermeld ik in artikel 3 het verplichte wijzen van een eindvonnis of een tussenvonnis binnen een termijn van twee maanden inzake de procedure bedoeld in artikel 216quater van het Wetboek van Strafvordering. De kamercommissie voor de Justitie heeft de oorspronkelijke tekst geamendeerd in die zin dat als er binnen de twee maanden geen eindvonnis of tussenvonnis is, het proces-verbaal onontvankelijk wordt verklaard en de vervolgingen opnieuw worden ingesteld via de rechtstreekse dagvaarding. Verder wordt expliciet bepaald met welke termijn rekening moet worden gehouden bij verzet.

Ten tweede wordt in artikel 4 bepaald dat de alleenstaande rechter in de rechtbank van eerste aanleg, die als assessor wordt aangewezen bij het Hof Assisen, zal kunnen worden vervangen door een plaatsvervangende rechter, die de functie sedert tien jaar uitoefent, of door een plaatsvervangende magistraat die wegens zijn leeftijd op rust is gesteld. Het betreft hier een aanpassing van artikel 195 van het Gerechtelijk Wetboek. Om enigszins rekening te houden met de ervaring is toegevoegd dat de plaatsvervangende rechters ervaring in strafzaken moeten hebben opgedaan in een kamer met drie rechters.

Ten derde heeft de kamercommissie nog een artikel toegevoegd. Momenteel heeft in een beperkt aantal gevallen de rechtbank de verplichting ambtshalve de burgerlijke belangen aan te houden, zelfs bij ontstentenis van de burgerlijke partijstelling, wanneer de zaak wat die belangen betreft, niet in staat van wijzen is. Dat wordt nu uitgebreid tot alle strafzaken. Het slachtoffer krijgt de keuze: een burgerlijke vordering voor de burgerlijke, dan wel voor de strafrechtbank. Het slachtoffer zelf kan naar de burgerlijke rechtbank via een verzoekschrift; er is geen oproeping meer. Verder zal elke belanghebbende partij een tijdskalender voor de procedure kunnen vragen. Tenslotte wordt de aanwezigheid van het openbaar ministerie ter zitting als de strafrechter uitspraak doet inzake burgerlijke belangen, facultatief.

In de discussie hebben verschillende sprekers een link gelegd met de werkzaamheden in het kader van de zogenaamde wet-Franchimont. Er waren vragen over de coherentie, aangezien hier een wetsontwerp voorligt ter wijziging van het Wetboek van Strafvordering.

Er waren ook een aantal inhoudelijke opmerkingen. Zo vroegen sommigen zich af waarom wat betreft de vaststelling van de conclusietermijnen men zich niet kan beperken tot de gewone verwijzing naar de regeling in het Gerechtelijk Wetboek. Er waren ook vragen over het de facto effectief worden van de plaatsvervangende magistraten op het moment dat de hoven van assisen permanent zetelen en de plaatsvervangende rechters dus voortdurend worden ingezet. Daar wordt discriminatie gevreesd.

Een aantal opmerkingen van de experts zijn in het verslag opgenomen.

Het wetsontwerp werd aangenomen met zeven stemmen tegen twee.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Mijn fractie zal zich onthouden bij de stemming over dit ontwerp.

De titel is veelbelovend aangezien het gaat om de strijd tegen de gerechtelijke achterstand in strafzaken, maar hij is slechts schone schijn als we kijken naar de inhoud van de drie voorgestelde maatregelen.

De eerste maatregel, die de belangen van de burgerlijke partij in strafzaken regelt, houdt geen verband met de achterstand in strafzaken, maar ik steun de maatregel.

De tweede maatregel regelt de snelprocedure maar zal geen radicale verandering teweeg brengen, aangezien hij enkel beoogt dat een termijn wordt bepaald waarbinnen de rechter een beslissing moet nemen. Ik denk niet dat dit het strafproces zal versnellen.

De derde maatregel, die als doel heeft plaatsvervangende rechters te doen zetelen in het hof van assisen, veroordelen we. Voor ons heeft het hof van assisen beroepsrechters nodig, geen plaatsvervangende rechters.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik stel vast dat geen enkele minister hier aanwezig is, terwijl we toch een regeringsontwerp bespreken. In een colloquium kunnen arbitraire beslissingen genomen worden. Bij de bespreking van een ontwerp moet het senaatsreglement worden gerespecteerd. Mevrouw de voorzitter, ik dring aan op de aanwezigheid van een minister.

De voorzitter. - De minister van Justitie is al op weg naar de Senaat. In afwachting stel ik voor de vergadering te schorsen.

(De vergadering wordt geschorst om 17.10 uur. Ze wordt hervat om 17.15 uur.)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - We hadden vorige week vrijdag in de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden een buitengewoon interessante gedachtewisseling met de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, de voorzitter van de Raad van State, de procureur-generaal, de auditeur-generaal, de eerste voorzitter van het Arbitragehof... Spijtig genoeg waren de parlementsleden op een hand te tellen. Zelfs de meeste commissieleden waren afwezig, hoewel het werk dat we daar verrichten bij uitstek als het normale werk van de Senaat kan worden gezien. Het ging namelijk over wetsevaluatie.

Hoe dan ook, de discussie was interessant. We kregen weer eens te maken met wat een van de sprekers heeft genoemd des lois papillons of vlinderwetten. Het wetsontwerp tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen met betrekking tot het strafrecht en de strafrechtspleging, ten einde de gerechtelijke achterstand weg te werken, heeft een titel die helemaal niet onderbouwd wordt door de artikelen die het ontwerp bevat. De paarse regering gebruikt alweer, zoals ze al jaren doet, de tovenaarsmantel: ze gooit over alles wat ze voorstelt een benaming die totaal niet met de inhoud overeenstemt.

Wat ligt hier voor? Laat ik het even hebben over artikel 2. Het lijkt wel een roman van Balzac.

De heer Philippe Moureaux (PS). - Interessante litteratuur!

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Inderdaad. Balzac was veel uitvoeriger dan artikel 2. De tekst heeft de ambitie een navolging te zijn van Balzac, maar daar houdt het mee op.

De heer Philippe Moureaux (PS). - Dat stelt me gerust. Het zou de eerste keer zijn dat een wettekst litterair is.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Zeven alinea's zijn nodig om een procedure te regelen voor het geval dat er een strafvonnis is maar nog geen uitspraak over de burgerlijke kant van de zaak. De procedure had nochtans kunnen worden geregeld met één verwijzing naar één zin van het Burgerlijk Wetboek inzake de regeling van de rechtsplegingstermijnen. Zeven alinea's dat is gewoon slechte wetgevende techniek.

Naast die vormopmerking heb ik ook inhoudelijke bezwaren. Twee arresten van het Europees Hof te Straatsburg zeggen dat eens een strafrechtbank een betrokkene heeft vrijgesproken, er niet meer kan worden geoordeeld over de burgerlijke belangen die voortvloeien uit het dossier. Dat zou strijdig zijn met het vermoeden van onschuld. Als ik dat argument inroep, krijg ik geen antwoord en doet men alsof die rechtspraak van het Europees Hof niet bestaat. Met andere woorden een van de grote punten van betwisting is niet geregeld. Wat als iemand strafrechtelijk onschuldig wordt bevonden maar schuldig kan lijken in burgerrechtelijk opzicht?

Wat artikel 3 betreft, verwijs ik heel even naar het debat over het snelrecht dat we in 2000 hebben gevoerd. Kunnen we het snelrecht een succes noemen? Ik denk van niet.

(Protest van mevrouw Durant)

Ik heb tegen gestemd, mevrouw Durant. U was solidair met die regering. Ik herinner me dat ik u plechtig heb gevraagd of u akkoord ging met het snelrecht.

De heer Philippe Moureaux (PS). - U bent niet ridderlijk, mijnheer Vandenberghe.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Uiteindelijk was de regering ook tot het inzicht gekomen dat het snelrecht niet werkt en daarom ook niet kon worden toegepast. Kortom het was alleen vlagvertoon.

Met dit ontwerp voert de regering opnieuw een vorm van snelrecht in. Voor heel eenvoudige zaken is dat niet noodzakelijk verwerpelijk. Spijtig genoeg deugt de technische onderbouw van artikel 3 daarvoor niet.

Artikel 4 is een van de inhoudelijk hoogtepunten van het ontwerp. In artikel 4 staat dat de werkende rechters die zitting hebben in een rechtbank van eerste aanleg, maar moeten zetelen in de hoven van assisen, kunnen worden vervangen door plaatsvervangende rechters die niet moeten geslaagd zijn voor het bekwaamheidsexamen van rechter. En dat voor strafzaken waarvan de vonnissen veel verder reiken dan in burgerlijke zaken!

De trend van de voorbije tien jaar om de toegang tot de magistratuur te koppelen aan het bekwaamheidsexamen wordt met artikel 4 ondermijnd. Dat is negatief voor de rechtsbescherming van de burger.

Om al die redenen zal CD&V tegen het ontwerp stemmen.

De heer Luc Willems (VLD). - Het wetsontwerp dat de Kamer ons toestuurde, bevat enkele concrete maatregelen om de gerechtelijke achterstand weg te werken. In de commissie voor de Justitie van de Senaat wordt ook hard gewerkt aan de wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de zogenaamde `Grote Franchimont'. De minister heeft zich geëngageerd om daar in de volgende maanden actief aan mee te werken, zodat we de wijzigingen in de maand juli al kunnen goedkeuren.

Enkele voorgestelde maatregelen van het wetsontwerp zijn zeer positief. Ik denk bijvoorbeeld aan het voorstel om een vaste datum vast te leggen voor de vonnissen in de snelrechtprocedure en aan het inschakelen van plaatsvervangende rechters in rechtbanken waar er tijdelijke tekorten zijn omdat magistraten worden ingeschakeld in het hof van assisen. Het gevaar bestaat echter dat die tijdelijke situatie een permanent karakter krijgt en dat de plaatsvervangende magistraten daar niet meer weggaan.

Wij keuren het wetsontwerp goed, maar hopen ook dat we de wijziging van de wet-Franchimont spoedig tot een goed einde zullen kunnen brengen.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-1273/10.)

De voorzitter. - Artikel 3 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 1 ingediend (zie stuk 3-1064/2) dat luidt:

-De stemming over dit amendement en over artikel 3 wordt aangehouden.

-De overige artikelen worden zonder opmerking aangenomen.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen met betrekking tot het strafrecht en de strafrechtspleging, teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken (Stuk 3-1064)

De voorzitter. - We stemmen over amendement 1 van de heer Hugo Vandenberghe.

Stemming 1

Aanwezig: 62
Voor: 19
Tegen: 41
Onthoudingen: 2

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over artikel 3.

Stemming 2

Aanwezig: 62
Voor: 41
Tegen: 18
Onthoudingen: 3

-Artikel 3 is aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming 3

Aanwezig: 60
Voor: 39
Tegen: 18
Onthoudingen: 3

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

De millenniumdoelstellingen (Stuk 3-603)

De voorzitter. - We stemmen over de aanbevelingen van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Vanmorgen werden enkele tekstverbeteringen aangekondigd. Die tekstverbeteringen lagen vanmiddag op onze banken. Ik stel vast dat enkele voorgestelde verbeteringen effectief tekstverbeteringen zijn. Ik maak echter voorbehoud bij drie verbeteringen die helemaal geen tekstverbeteringen, maar wel amendementen zijn.

Het invoegen van het woord `tijdelijk' in de zesde essentiële aanbeveling, wanneer het gaat over de bescherming van grote landbouwmarkten met aanpasbare douanerechten, is volgens mij geen tekstverbetering, maar een wijziging van de inhoud. Hetzelfde geldt voor de derde tekstverbetering.

Ik heb ook bezwaar tegen de achtste tekstverbetering. Mevrouw de Bethune stelt voor om in de derde essentiële aanbeveling de zinsnede `een operatie van uitstel van betaling' te vervangen door `een operatie van schuldkwijtschelding', maar in de Franse tekst blijft het woord `remise' staan. Dat is voor mij evenmin een tekstaanpassing.

Het gaat hier drie keer om amendementen die ter stemming moeten worden voorgelegd.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V), corapporteur. - Ik heb vanmorgen de opmerking gemaakt dat de Franse tekst correct was, maar dat de vertaling naar het Nederlands fout was. De correcte vertaling van `remise des dettes' is `schuldkwijtschelding'. Het gaat dus wel degelijk om een tekstverbetering.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Ik heb mijn twijfels daarover. Misschien is de Nederlandse tekst wel correct en is de Franse tekst niet aangepast.

Ik herhaal dat dit geen tekstverbeteringen zijn, maar wel amendementen.

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - De commissie heeft hard gewerkt. Wie amendementen wilde indienen, had maar aan de werkzaamheden moeten deelnemen. Zelfs indien hij niet perfect is, gaat deze belangrijke tekst over belangen die veel verder reiken dan deze assemblee. Laat ons niet aarzelen en met een grote meerderheid de aanbevelingen goedkeuren. Op de toepassing ervan zal nauwlettend worden toegezien.

De heer Pierre Galand (PS), corapporteur. - Ik wil alle collega's geruststellen. De voorgestelde correcties zijn het gevolg van een discussie in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen. Er werden verbeteringen aangebracht, maar de teksten werden niet met elkaar in overeenstemming gebracht. Wij zijn overeengekomen dat de juiste tekst die van amendement 29 is, maar wij zijn vergeten amendement 6 aan te passen. Het gaat wel degelijk om een verbetering en niet om een wijziging. Anders zou ik de eerste zijn om dat onaanvaardbaar te vinden.

De voorzitter. - Dat soort wijziging is nooit ideaal, maar de parlementsleden hebben een globaal akkoord bereikt.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Er is geen algemeen akkoord. Het is niet omdat de rapporteurs het ermee eens zijn, dat de hele Senaat akkoord gaat.

De voorzitter. - Om alle twijfel weg te nemen, kan men de tekstwijzigingen als amendement aannemen.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Mevrouw de voorzitter, als u bereid bent de wijziging als amendement ter stemming voor te leggen, hoeft de tekst, wat mij betreft, niet naar de commissie te worden teruggezonden.

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Enerzijds bevestig ik de woorden van de heer Galand. Anderzijds steun ik het voorstel van de voorzitter om over de voorgelegde tekst te stemmen.

De voorzitter. - We stemmen dus over de aanbevelingen van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

(Protest van de heer Van Hauthem)

Stemming 4

Aanwezig: 55
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 1

-De aanbevelingen zijn aangenomen.

-Ze zullen worden overgezonden aan de eerste minister, aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Mevrouw de voorzitter, het was niet mijn bedoeling dwars te liggen. U hebt zelf gesuggereerd de wijziging als een amendement te beschouwen en ter stemming voor te leggen. Wij waren het daarmee eens. Voor ons hoefde de tekst, na aanvaarding van die amendementen, zelfs niet naar de commissie. We willen alleen vermijden dat in de toekomst inhoudelijke wijzigingen als louter tekstverbeteringen worden voorgesteld. U bent blijkbaar niet bereid op ons voorstel in te gaan om de zaak op een eenvoudige manier op te lossen.

De voorzitter. - Ik heb inderdaad gezegd dat men misschien beter niet op die manier was te werk te gaan, maar ik heb ook gezegd dat er een duidelijke consensus was om de wijzigingen als tekstverbetering te beschouwen..

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Hoe kunt u besluiten dat er een consensus is als u geen stemming toestaat?

Vraag om uitleg van de heer Luc Willems aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de erkenning van balie-ervaring in federale openbare diensten» (nr. 3-698)

De heer Luc Willems (VLD). - Op het ogenblik van de benoeming van een advocaat tot magistraat wordt de periode van zijn inschrijving bij de balie die meer dan vier jaar bedraagt, in aanmerking genomen voor de berekening van zijn geldelijke anciënniteit als magistraat. Het betreft de toepassing van artikel 365 van het Gerechtelijk Wetboek.

In toepassing van de artikelen 367, 371, 373 en 375 van het Gerechtelijk Wetboek kwam bij de benoeming van griffiers, secretarissen, referendarissen en parketjuristen enkel hun balie-ervaring van meer dan tien jaar in aanmerking voor de berekening van hun geldelijke anciënniteit.

Bij de wet van 15 juni 2001, in werking sedert 21 juli 2001, werd die periode voor alle voormelde statutaire functies verminderd tot meer dan vier jaar.

Toen evenwel bleek dat de wet geen voordeel opleverde voor referendarissen en parketjuristen, vermits die functies uitsluitend worden bekleed door contractuelen, werd bij ministeriële omzendbrief een gelijkaardige valorisatie van de balie-ervaring voor contractuele functies mogelijk gemaakt.

Federale statutaire ambtenaren kunnen bij de vaststelling van hun geldelijke anciënniteit vanaf de datum van hun benoeming tot ambtenaar evenwel geen aanspraak maken op de erkenning van hun balie-ervaring.

Is de minister bereid deze discriminatie ongedaan te maken en maatregelen te nemen die de valorisatie van de balie-ervaring voor statutaire ambtenaren van de federale overheidsdienst Justitie mogelijk maakt?

Hoeveel statutaire juristen komen in aanmerking voor de erkenning van hun balie-ervaring bij de berekening van hun geldelijke anciënniteit?

Wat is de budgettaire impact van de erkenning van de balie-ervaring?

Waarom komt voor magistraten en personeelsleden van het parket enkel de balie-ervaring die vier jaar te boven gaat in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit en bijvoorbeeld niet alle jaren die drie jaar, de duurtijd van de stage als advocaat, te boven gaan?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Niet ik maar mijn collega van Ambtenarenzaken is bevoegd voor de bezoldigingsregeling van het personeel van de FOD Justitie.

Naar aanleiding van de hervorming van de loopbaan van de personeelsleden van niveau A van de rijksbesturen werd onder meer het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel van de federale overheidsdiensten gewijzigd. Hierin werd uitdrukkelijk bepaald dat diensten verricht in de privé-sector of als zelfstandige in aanmerking komen voor de toekenning van een verhoging in weddeschaal. Dit geldt voor zover het bericht tot aankondiging van de selectieprocedure uitdrukkelijk het bezit van een nuttige ervaring vereist en de kandidaten de nuttige ervaring met elk rechtsmiddel kunnen bewijzen. De duur van deze diensten wordt vastgelegd door de minister onder wie de ambtenaar ressorteert. Voor de functies binnen de FOD Justitie waarvoor balie-ervaring nuttig is, zal van deze bepaling gebruik kunnen worden gemaakt.

Voor de valorisatie van de balie-ervaring van magistraten en personeelsleden van het parket dient een onderscheid te worden gemaakt tussen die twee categorieën.

Bij een arrest van 30 juni 2004 heeft het Arbitragehof artikel 365 §2, eerste lid, littera d van het Gerechtelijk Wetboek vernietigd wat de wedden van de magistraten van de rechterlijke orde betreft in zoverre, met verwijzing naar littera a, de eerste vier jaren van inschrijving bij de balie voor de berekening van de geldelijke anciënniteit van magistraten niet in aanmerking komen. Het artikel werd dan ook in die zin gewijzigd door de wet van 27 december 2004 houdende diverse bepalingen.

Voor de referendarissen, parketjuristen en griffies bleef artikel 371 van het Gerechtelijk Wetboek ongewijzigd. Voor de berekening van de anciënniteit komt slechts de periode van inschrijving bij de balie die op het tijdstip van de benoeming vier jaar te boven gaat, in aanmerking. In tegenstelling tot de magistraten is balie-ervaring voor hen geen benoemingsvoorwaarde. Er wordt momenteel geen initiatief genomen om de bepalingen inzake hun geldelijke anciënniteit te wijzigen. Deze bepalingen zullen echter ongetwijfeld aan bod komen bij de modernisering van de loopbaan van deze personeelsleden. Die zal binnen afzienbare tijd plaatsvinden.

De heer Luc Willems (VLD). - Ook in andere sectoren, zoals het onderwijs, wordt getracht tot een gelijkschakeling te komen voor personen met een nuttige beroepservaring.

Het is wenselijk via mobiliteit kwaliteitsvolle mensen in de federale overheidsdiensten binnen te halen. Ik dring er dus op aan dat de valorisatie van nuttige ervaring in overweging wordt genomen bij de modernisering van de diensten.

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de godsdienstige, geestelijke en morele bijstand aan gedetineerden» (nr. 3-704)

De heer Wouter Beke (CD&V). - In Vlaanderen is er een debat losgebroken over het actieve pluralisme. Dat debat werd mede geïnitieerd door de geestesgenoten van de minister die het actief pluralisme in Vlaanderen sinds kort hoog in het vaandel voeren. Actief pluralisme mag uiteraard niet bij woorden blijven, maar moet ook in daden worden nagestreefd. De vraag rijst dan ook hoe dat actieve pluralisme ook op religieus gebied vorm kan krijgen.

Volgens de artikelen 71-75 van de basiswet inzake het gevangeniswezen en rechtspositie van de gedetineerden heeft elke gedetineerde recht op godsdienstige, geestelijke of morele bijstand alsook het recht om zijn godsdienst of levensbeschouwing individueel en in gemeenschap met anderen te beleven en te belijden.

Met het oog op de concrete invulling daarvan en de nodige representativiteit heeft de voormalige minister van Justitie Marc Verwilghen in het najaar van 2000 een behoefteonderzoek laten uitvoeren. Hieruit bleek dat 71% van de gevangenispopulatie om bijstand vroeg: 53.2% vroeg om bijstand van een katholieke aalmoezenier, 31.8% om een islamconsulent, 9.4% om een protestantse aalmoezenier, 3.4% om een orthodoxe aalmoezenier, 1.6% om een morele consulent, 0.4% om een Israëlitische aalmoezenier en 0.2% om een Anglicaanse aalmoezenier.

Op basis van dit onderzoek bereikte de Interlevensbeschouwelijke werkgroep op 6 december 2001 een akkoord met minister Verwilghen via een ontwerp van koninklijk besluit voor een personeelsformatie van 65 betrekkingen en een budget van 1,9 miljoen euro. Dit ontwerp voorzag in 29 functies voor katholieken, 16 voor islamieten, 8 voor protestanten, 4 voor orthodoxen en de niet confessionele levensbeschouwing, 2 voor joden en anglicanen. Dit akkoord werd echter nooit uitgevoerd.

Nu heeft de minister van Justitie naar verluidt een nieuw ontwerp van koninklijk besluit opgesteld met een nieuwe verdeling: katholieken krijgen 25 in plaats van 29 aalmoezeniers, de islamieten 18 in plaats van 16, de protestanten 6 in plaats van 8, de orthodoxen blijven op vier, de joden blijven op 2, de anglicanen krijgen er 1 in plaats van 2 en de vrijzinnigen krijgen er plots 9 in plaats van 4.

Hoe legitimeert de minister haar beslissing om over te gaan tot een meer dan verdubbeling van het aantal vrijzinnige consulenten, terwijl daar volgens het geciteerde onderzoek geen enkel wetenschappelijk argument voor is. Hoe verklaart de minister dat - de cijfers van het onderzoek van 2000 extrapolerend - van de 9.300 gedetineerden, er in totaal 6.600 personen zouden zijn die om morele bijstand vragen, waaronder 3.500 aan katholieke aalmoezeniers tegenover 105 aan morele consulenten? Dit betekent voor elke katholieke aalmoezenier 140 gedetineerden tegenover 11 gedetineerden voor elke morele consulent.

Hoe kan de minister deze scheeftrekking verklaren?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Ik ben mij ten zeerste bewust van het belang van de religieuze en de morele bijstand aan de gedetineerden.

Binnen het raam van de beschikbare budgettaire middelen werden met de vertegenwoordigers van de verschillende erkende erediensten en de niet-confessionele levensbeschouwing onderhandelingen gevoerd over de verdeling van de verschillende functies. Daarbij werd rekening gehouden met de werklast en een zo evenredig mogelijke vertegenwoordiging van deze verschillende strekkingen in de strafinrichtingen.

De resultaten van de in 2000 gemaakte studie, die toen al sterk werden bekritiseerd, vormen geen referentiekader meer. Op basis van deze studie kon trouwens nog geen enkele vooruitgang worden geboekt.

Er werd onder meer voorbijgegaan aan de belangrijke inbreng van vrijwilligers, waarvan de opdrachten thans gedeeltelijk mee in rekening worden gebracht. Bovendien genoten bepaalde benamingen een historisch voordeel, waardoor ze binnen de strafinrichtingen een duidelijke rol konden spelen, waarop de andere erediensten en levensbeschouwingen niet konden bogen. Deze scheeftrekking diende dan ook te worden rechtgezet.

Op basis van deze parameters werd er een protocolakkoord ondertekend tussen alle vertegenwoordigers van de erkende erediensten en van de niet-confessionele levensbeschouwingen, waarbij de nieuwe verdeling door eenieder werd aanvaard. De ondertekenende partijen hebben zich ertoe verbonden om in de grote strafinrichtingen een permanente dienstverlening te verzekeren. De effectieve controle van deze aanwezigheid zal door de betrokken directeur worden uitgevoerd.

Dit protocolakkoord zal binnenkort in een koninklijk besluit worden vastgelegd.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Ik dank de minister voor haar antwoord dat me evenwel niet helemaal bevredigt. Het onderzoek van 2000 zou zijn gecontesteerd en dus werd er een andere regeling uitgewerkt, maar de basis waarop die andere regeling berust wordt niet gelegitimeerd. De minister zegt niet welke basis dat is. Ze verwijst naar historische scheeftrekkingen en naar het werk van de vrijwilligers, maar al bij al lijken dat arbitraire argumenten om tot zo'n verdeling te komen. Ik dacht dat de nieuwe verdeling op een meer gefundeerde wijze zou worden beargumenteerd.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Het zijn goede argumenten, vermits ze door de partners werden gebruikt, een deblokkering van de situatie mogelijk maakten en tot een akkoord leidden.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het stopzetten van de Nederlandstalige publicatie van de arresten van het Hof van Cassatie» (nr. 3-706)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Op 31 december 2004 heeft de FOD Justitie de overeenkomst met de uitgeverij van het Belgisch Staatsblad voor de uitgave van de arresten van het Hof van Cassatie in het Nederlands beëindigd.

In antwoord op mijn mondelinge vraag van 3 februari 2005 antwoordde de minister: `Er werden verschillende contacten gelegd met privé-uitgeverijen, waarvan sommige interesse tonen voor het drukken en publiceren van de Nederlandstalige arresten van het Hof van Cassatie. ... Er werden verschillende offertes ingediend. De gesprekken zijn aan de gang. ... Ik kan moeilijk een precieze datum geven, maar er moet beslist op korte termijn iets gebeuren'.

Werd er reeds een contract gesloten met een privé-uitgever voor het drukken en publiceren van de Nederlandstalige arresten van het Hof van Cassatie, daar de rechtspraktijk op die beslissing wacht?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - In mijn antwoord van 3 februari heb ik er inderdaad op gewezen dat het Hof van Cassatie contact heeft opgenomen met privé-uitgeverijen. Verschillende offertes konden worden onderzocht. Inmiddels deed zich echter een nieuwe mogelijkheid tot samenwerking voor tussen het Hof van Cassatie en de diensten van het Belgisch Staatsblad. Een definitieve oplossing is in het verschiet.

Het Belgisch Staatsblad kan de Nederlandstalige arresten publiceren voor zover het Hof van Cassatie de arresten elektronisch en in PDF-formaat overmaakt. Volgens de diensten van het Belgisch Staatsblad en van het Hof van Cassatie zal de publicatieachterstand in anderhalf jaar worden ingehaald. Dat houdt in dat alle vroegere documenten worden omgezet. De lopende publicaties kunnen onmiddellijk worden verwerkt.

Een definitieve beslissing zal in de komende dagen worden genomen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Als al twee jaar lang de arresten van het Hof van Cassatie niet meer kunnen worden gelezen, begrijpt de minister toch wel dat we ongerust worden. Ik dank haar omdat over enkele dagen een beslissing valt.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de zesde bijeenkomst van de G5 en de afspraken die er werden gemaakt in de strijd tegen het terrorisme» (nr. 3-712)

De voorzitter. - De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De ministers van Binnenlandse Zaken van de vijf grote Europese landen hebben op een bijeenkomst in Granada een aantal beslissingen genomen in de strijd tegen het terrorisme.

De aandacht ging vooral naar het opstellen van gezamenlijke lijsten van jihadisten, van gestolen voertuigen, valse stukken of cybercriminaliteit. Gegevens daaromtrent werden onder meer uitgewisseld tussen Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Spanje. Ook de immigratie van jongeren naar Irak genoot een bijzondere aandacht. De meer doorgedreven bewaking van de Europese grenzen, een alarmsysteem bij diefstal van explosieven en zware wapens of nucleaire of chemische substanties en de mededeling van nominatieve gegevens bij het vliegverkeer waren andere belangrijke aandachtspunten.

Opnieuw wordt daardoor het Europa van twee snelheden onderstreept. Ik heb in de Senaat al meermaals gezegd dat dit me verontrust. De G5 beschikt over cruciale informatie die niet aan België wordt doorgegeven, zodat ons land kwetsbaarder wordt. Welke initiatieven neemt de Belgische regering om de verdere institutionalisering van de G5 tegen te gaan en de bilaterale afspraken te veralgemenen. Hoe wil ze de Europese aanpak verdiepen?

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Dewael.

Ik volg de vergaderingen van de G5 en de afspraken die deze landen maken in de strijd tegen het terrorisme, met veel interesse. Tijdens die vergaderingen worden immers denksporen gelanceerd en voorstellen gedaan die in een volgende fase de Europese besluitvorming in de strijd tegen het terrorisme en de georganiseerde criminaliteit kunnen versnellen.

Van een Europa met twee snelheden kan in dit geval echter geen sprake zijn. Het is juist een pluspunt om met een beperkt aantal landen initiatieven op het gebied van politie en veiligheid te ontwikkelen. Een beperkt aantal deelnemers kunnen sneller en meer verdergaande afspraken maken dan de 25. Ik ben dan ook geen tegenstander van dergelijke samenwerkingsverbanden. Wel moet er een volledige openheid bestaan over de afspraken en beslissingen. Ook moeten de afgesproken maatregelen compatibel zijn met de bestaande reglementering binnen de Unie en met de doelstellingen van het Haagse programma over de versterking van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie, dat eind november jongstleden door de Raad werd aangenomen. Die maatregelen kunnen ertoe bijdragen dat de 25 sneller tot besluiten komen.

België staat overigens mee aan de wieg van twee initiatieven die tot een grote vooruitgang zullen leiden op het vlak van de samenwerking tussen de politiediensten en de bestrijding van de transnationale criminaliteit.

Om te beginnen is er het Benelux-samenwerkingsverdrag, dat begin dit jaar door België en Luxemburg werd geratificeerd. In afwachting dat Nederland de ratificatieprocedure volledig heeft afgerond, heeft dit verdrag reeds voorlopige toepassing in de drie landen. Het biedt ruime mogelijkheden voor gezamenlijke politieoptredens en voor een meer vereenvoudigde en systematische uitwisseling van politieinformatie.

Daarnaast is er het zogenaamde Schengen 3-verdrag. De onderhandelingen met Duitsland, Oostenrijk, Nederland en Luxemburg over het sluiten van een verdrag voor intensievere grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder in de strijd tegen het terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale immigratie, zijn zo goed als afgerond. Hopelijk kan het akkoord nog voor de zomer worden ondertekend. Het verdrag voorziet in grensverleggende maatregelen. Zo krijgen onze politiediensten rechtstreeks toegang tot bepaalde registers met DNA-gegevens en vingerafdrukken van de buurlanden. Ook werd voorzien in een systematische uitwisseling van gegevens van potentiële terroristen.

Alle andere lidstaten van de Unie zullen kunnen toetreden tot dit Schengen 3-verdrag. Het is de uitdrukkelijke doelstelling om de verwezenlijkingen van dit verdrag op termijn op te nemen in de besluitvorming van de Unie.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik heb de cijfers over de uitwisseling van concrete informatie gelezen. Tussen Duitsland en het Verenigd Koninkrijk vonden 142 uitwisselingen plaats en tussen Frankrijk en andere grote landen meer dan 200 uitwisselingen. Dat dergelijke concrete informatie wordt uitgewisseld tussen die grote landen, maar niet wordt doorgegeven aan kleinere landen, brengt natuurlijk een bijkomend risico voor die laatste categorie met zich mee. De betrokken personen kunnen zich natuurlijk verplaatsen naar de landen waar de specifieke controle niet mogelijk is.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Om dergelijke informatie uit te wisselen moeten de lidstaten elkaar vertrouwen. Die graad van vertrouwen bestaat nog niet tussen de 25 lidstaten van de Europese Unie. Ik begrijp dat er negatieve effecten kunnen zijn, maar de heer Vandenberghe zal het met mij eens zijn dat dit vertrouwen met de nieuwe lidstaten langzaam zal moeten worden opgebouwd. Dat zal enige tijd vergen. Het is dan ook beter om in de aanlooptijd informatie uit te wisselen tussen een beperkt aantal lidstaten.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de uitwijzingen van Tsjetsjeense vluchtelingen naar Polen en de toepassing van de Dublin-verordening» (nr. 3-715)

De voorzitter. - De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Via Pax Christi Vlaanderen bereikten me alarmerende berichten dat er bij het begeleid overdragen van Tsjetsjeense vluchtelingen aan Polen geweld zou worden gebruikt.

Sinds kort past de Dublin-cel van de Dienst Vreemdelingenzaken de Dublin-verordening op een zeer strikte wijze toe op Tsjetsjeense asielzoekers. Aangezien de meeste van hen via Polen het grondgebied van de Europese Unie binnenkomen en vervolgens doorreizen om, in ons geval, in België asiel aan te vragen, wordt aan de Poolse autoriteiten op basis van de Dublin-verordening systematisch de overname gevraagd. Bij binnenkomst in Polen worden vluchtelingen verplicht hun asielaanvraag daar reeds in te dienen, ook al was dat misschien niet de oorspronkelijke bedoeling van de persoon in kwestie.

Polen aanvaardt in het merendeel van de gevallen de overname waarna Tsjetsjenen onder escorte aan de Poolse autoriteiten worden overgedragen. Dit betekent dat deze asielzoekers bij de betekening van de beslissing door de Dienst Vreemdelingenzaken worden vastgehouden en overgebracht naar het gesloten centrum 127bis om van daaruit te worden overgebracht naar Polen. Uit getuigenissen vernemen we dat hierbij niet zelden geweld zou zijn gebruikt.

De situatie van Tsjetsjeense asielzoekers in Polen moet dan ook dringend nader worden onderzocht. Indien er in Polen onvoldoende kwaliteitsvolle opvang bestaat, moet het beleid van de Dublin-cel van de Dienst Vreemdelingenzaken op korte termijn minstens worden versoepeld. Het heeft immers, in het licht van de ontwikkeling van het Europese geharmoniseerde asielbeleid geen zin om één lidstaat te overbelasten met asielaanvragen indien het opvangsysteem daar niet op berekend is. Overigens worden deze berichten ook bevestigd door het UNHCR in Polen.

Door de uiterst strikte toepassing van de Dublin-verordening op Tsjetsjeense asielaanvragen krijgen de asielzoekers naar verluidt niet meer de kans hun redenen om asiel aan te vragen in België uiteen te zetten. Bovendien bevat de Dublin-verordening een humanitaire clausule, die lidstaten de mogelijkheid geeft om humanitaire redenen een asielaanvraag toch te behandelen, ook al is er strikt genomen een andere lidstaat bevoegd.

Het is niet moeilijk te voorspellen dat een dergelijke strikte toepassing van de Dublin-verordening ertoe zal leiden dat steeds meer Tsjetsjenen eerder voor de illegaliteit zullen kiezen. Het risico bestaat inderdaad dat de betrokkenen niet meer zullen ingaan op de uitnodiging van de Dienst Vreemdelingenzaken en er eerder voor zullen kiezen om onder te duiken of naar een ander EU-land te trekken. Dat kan toch niet de bedoeling zijn van de overheid. Deze problematiek toont eens te meer aan dat er dringend nood is aan burden sharing tussen de verschillende lidstaten in aanvulling op het Dublin-systeem. Op deze manier toegepast leidt de Dublin-verordening ertoe dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van asielaanvragen bijna uitsluitend op de schouders van de nieuwe lidstaten terechtkomt. Zij vormen immers de buitengrens van de Europese Unie en de indruk bestaat dat de andere EU-lidstaten maar al te blij zijn dat ze de verantwoordelijkheid op hen kunnen afschuiven.

Is de minister op de hoogte van deze feiten?

Hoe denkt hij dit probleem aan te pakken?

Is hij bereid deze kwestie aan te kaarten op de volgende vergadering van de Europese Raad `Justitie, Vrijheid en Veiligheid'?

Kan hij een rapport voorleggen over het verloop van de geëscorteerde overdrachten naar Polen?

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Mevrouw de Bethune en ik zouden eigenlijk beter eens samen gaan lunchen, want ze stelt me zoveel vragen dat we daar makkelijk een lunch mee kunnen vullen. Dat zou ook nog eens zeer aangenaam zijn, want ik zou haar vanzelfsprekend uitnodigen.

Namens mijn collega van Binnenlandse Zaken kan ik u echter ook het volgende meedelen. De Dienst Vreemdelingenzaken past de bepalingen van de Dublin-verordening correct toe. Indien een vreemdeling zich aan de grens of in het rijk vluchteling verklaart, dan wordt met toepassing van de internationale overeenkomsten die België binden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Is België niet verantwoordelijk, dan richt de administratie zich tot de staat die wel verantwoordelijk is, met het verzoek de asielzoeker over te nemen.

Indien het voor het waarborgen van de effectieve terugkeer van de asielzoeker naar de verantwoordelijke staat vereist is, kan de vreemdeling administratief van zijn vrijheid beroofd worden voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de overdracht.

De Dienst Vreemdelingenzaken kan een asielverzoek toch zelf behandelen, ook wanneer de Belgische overheid hiertoe strikt gezien niet verplicht is. Mijn diensten maken van deze mogelijkheid gebruik indien familiale of medische redenen deze keuze kunnen verantwoorden.

In de periode tussen 1 mei 2004 en 28 februari 2005 werden vijf gedwongen repatriëringen naar Polen georganiseerd in het raam van de Dublin-verordening. In geen enkel geval diende voor, tijdens of na de uitvoering van de overbrenging geweld te worden gebruikt. De betrokken vreemdelingen werden steeds heel goed opgevangen door de Poolse autoriteiten.

De gevolgen van de Dublin 2-verordening voor de nieuwe lidstaten zijn niet te miskennen, aangezien ze de buitengrenzen van de Europese Unie vormen. Hier staat echter tegenover dat deze landen, waaronder Polen, aanzienlijke steun vanuit het Europees Vluchtelingenfonds genieten.

Het Poolse opvangsysteem is in staat de betrokken asielzoekers op te vangen. Het opvangsysteem werd uitvoerig gecontroleerd vóór de toetreding van Polen tot de Europese Unie. Ook het UNHCR was actief bij dit proces betrokken. Polen is bovendien onderworpen aan de onlangs in werking getreden Europese richtlijn betreffende de minimumnormen voor de opvang van asielzoekers. Er is dan ook geen reden om deze kwestie aanhangig te maken op de vergadering voor de Europese Raad voor Justitie, Veiligheid en Vrijheid.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Er is wel aanleiding om het probleem van de burden sharing aanhangig te maken op de vergadering voor de Europese Raad voor Justitie, Veiligheid en Vrijheid. Men kan de problemen niet ontkennen.

Ik neem ook nota van het feit dat er geen geweld is gebruikt voor de asielzoekers die naar Polen werden teruggebracht. Ik zal het verder opvolgen, samen met de humanitaire organisaties die het probleem van dichtbij volgen.

België en ook de Europese Unie zal het Tsjetsjeense probleem ernstig moeten nemen als men wil dat vrede in die kant van de wereld een ernstige kans krijgt. Er komen uit die regio ernstige asielzoekers. In dat deel van de wereld heerst namelijk grote instabiliteit en worden de mensenrechten flagrant geschonden.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - We kunnen toch moeilijk aanvaarden dat asielzoekers vanuit Polen naar België komen. Polen is immers lid van de Europese Unie. Het kan toch niet dat mensen uit een lidstaat van de Europese Unie om politieke redenen moeten vluchten. In dat geval is er een probleem op Europees niveau.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Het gaat over Tsjetsjeense vluchtelingen die via Polen binnenkomen en verplicht zijn om daar asiel aan te vragen.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Welnu, binnen de Europese Unie moet Polen dan de verantwoordelijkheid nemen, zoals ook België dat moet doen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - We moeten dus aan burden sharing werken. De Europese Unie moeten de landen die aan de grenzen van de Unie liggen in dat proces ondersteunen.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Als er tussen de landen van Europese Unie burden sharing zou zijn, dan zouden we minder problemen hebben met vluchtelingen.

Vraag om uitleg van de heer Karim Van Overmeire aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de verkiezingen in Zimbabwe» (nr. 3-713)

De heer Karim Van Overmeire (VL. BELANG). - De Raad van Bestuur van het Internationaal Monetair Fonds besliste vorige maand om Zimbabwe voorlopig niet uit het IMF te zetten. Met dit gebaar wil het IMF Zimbabwe nog een laatste kans bieden om zijn ernstig afgetakelde economie er weer bovenop te helpen en de niet nagekomen financiële verplichtingen alsnog te realiseren. Binnen de 6 maanden volgt dan een nieuwe evaluatie. Wanneer dan blijkt dat Zimbabwe geen vorderingen heeft gemaakt, wordt het land zonder pardon uitgerangeerd.

Sinds de Zimbabwaanse president Robert Mugabe in 2000 een erg gewelddadige en catastrofale herverdeling van de landbouwgrond doorvoerde, is de republiek in ijltempo verzeild geraakt in een economische nachtmerrie, waarbij de achterstallen bij het IMF momenteel oplopen tot 306 miljoen USD. Alle ogen zijn dan ook gericht op de parlementsverkiezingen van 31 maart. Indien de partij ZANU-PF (Afrikaanse Nationale Unie voor Zimbabwe - Patriottisch Front) van de marxistische president Mugabe aan de macht blijft, wordt het weinig waarschijnlijk dat aan de economische malaise een einde komt. Wat de minister zei over de Congolese leiders, geldt namelijk zeker ook voor die van Zimbabwe. Nu al staat met zekerheid vast dat de verkiezingen niet eerlijk zullen verlopen. De media worden gemanipuleerd en politieke tegenstanders geïntimideerd, bedreigd of simpelweg uit de weg geruimd. Buitenlandse waarnemers zijn er dan ook niet welkom.

Welke houding neemt onze regering aan ten aanzien van de politieke situatie in Zimbabwe en het huidige regime aldaar?

In welke mate kan en wil België meer druk uitoefenen op het land zodat de verkiezingen toch op regelmatige wijze kunnen verlopen? Wordt er terzake een initiatief genomen?

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Ons land heeft al voordat de sancties tegen Zimbabwe in 2002 werden ingesteld, tevergeefs geprobeerd om een dialoog tot stand te brengen tussen Zimbabwe en de Europese Unie, onder andere onder het Belgische voorzitterschap in 2001. We hoopten daarmee een aantal pijnpunten van het regeringsbeleid zoals de onafhankelijkheid van het gerecht en de eerbiediging van de rechtsstaat, de vrijheid van meningsuiting en van vereniging, vrije en eerlijke verkiezingen, landhervormingen en good governance aan te kaarten.

Het is duidelijk dat de ongeordende en gewelddadige landhervorming politieke doeleinden had, te weten de greep van de regeringspartij op het platteland te handhaven, daar waar de steden al voor de oppositie gewonnen waren. Het is evenzeer duidelijk dat er een probleem was met de ongelijke landverdeling, een erfenis van de kolonisatie, die echter werd aangepakt op een manier die een ramp was voor 's lands economie, die precies heel sterk van de landbouw afhangt.

De maatregelen die België samen met andere lidstaten van de Europese Unie in 2002 heeft genomen en sindsdien handhaaft, betreffen de leden van het regime die een reisverbod werd opgelegd en wiens goederen in Europa bevroren werden. Een uitzondering wordt evenwel gemaakt voor internationale vergaderingen zoals die van de ACP-landen in Brussel, waarvoor ons land gedragsrechtelijk verplicht is toegang te verlenen voor vertegenwoordigers van Zimbabwe.

Zimbabwe heeft ook zijn Europese ontwikkelingshulp verloren, met uitzondering van de humanitaire hulp aan de bevolking, die nog altijd gehandhaafd blijft.

Wij staan op één lijn met de Europese lidstaten om de schending van de mensenrechten, de beknotting van de persvrijheid, de aanvallen op de rechtsstaat en op de onafhankelijkheid van het gerecht, het geweld tijdens en voor de vorige verkiezingen, het ongelijke speelveld voor de oppositie en de beperkingen op de vrijheid van vereniging zoals vastgelegd in het ontwerp van NGO-wet, te veroordelen. Zo lang hier geen verandering in komt, blijven de genomen maatregelen onverkort gelden.

Ik wijs er ten slotte op dat de oppositiepartij Movement for Democratic Change in Brussel vertegenwoordigd is.

Ik vrees ervoor dat we bijzonder weinig kunnen doen om de komende verkiezingen toch op een regelmatige wijze te laten verlopen. Overigens vinden die al op 31 maart aanstaande plaats. Er rest ons dus heel weinig tijd en door het feit dat de Europese Unie zijn hulp heeft ingetrokken hebben we een belangrijke hefboom om meer druk uit te oefenen verloren.

De vraagsteller zegt dat er geen gelijk speelveld is voor de verkiezingen van 31 maart. Dat is juist. De kiesomschrijvingen werden zodanig ingedeeld dat de steden ondervertegenwoordigd zijn en het platteland oververtegenwoordigd is. De mogelijkheid voor de oppositie om campagne te voeren is beknot. De controle op de verkiezingsplichtplegingen blijft in handen van het regime. Toch moet worden vastgesteld dat er minder geweld is bij deze verkiezingscampagne dan bij de vorige. Mijns inziens wil de regering de SADC-buren en andere uitgenodigde waarnemers paaien. Ik moet trouwens zeggen dat de Europese ambassades hun vertegenwoordiging ter plaatse versterkt hebben. Ook België heeft dat gedaan. Het ambassadepersoneel zal voor een gedeelte van de monitoring instaan. Het gaat om ongeveer 80 mensen en er zijn 4.000 kiesbureaus. Er zijn dus een aantal Europeanen aanwezig en ook onze ambassadeur en een speciaal ter plaatse gezonden ambtenaar zullen deelnemen aan de waarneming. Ik geef toe dat dit alles vrij beperkt blijft en dat de kans dat de verkiezingen normaal verlopen, niet bijzonder groot is. Laten wij daarover oordelen zodra ze zijn afgelopen.

De heer Karim Van Overmeire (VL. BELANG). - Ik dank de minister voor zijn antwoord.

De sancties die werden ingesteld werpen bijzonder weinig vruchten af. Ik wou dan ook graag van de minister vernemen welke positie niet alleen de andere Europese landen ter zake innemen, maar ook de Afrikaanse leiders, die het regime in Zimbabwe de hand boven het hoofd houden en toch niet op dezelfde lijn staan als de Europese landen en vinden dat Europa met die sancties een stuk te ver gaat.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Het klopt dat een aantal Afrikaanse landen weinig kritiek hebben op Zimbabwe. Ik betreur dat. Als de Afrikaanse landen de peer review ernstig willen nemen, dan zouden ze inderdaad meer kritiek op Zimbabwe moeten uitoefenen dan nu het geval is.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de aanwijzing van een Family Officer» (nr. 3-716)

(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - In een antwoord op een schriftelijke vraag, gedrukt stuk van de Senaat 3-2037, aan de voorganger van de minister van Buitenlandse Zaken over zijn prioriteiten inzake gelijke kansen voor mannen en vrouwen, schreef deze dat `heel binnenkort zal overgegaan worden tot de aanwijzing van een Family Officer, dit in het kader van de bevordering van een betere overeenstemming van beroeps- en privé-leven bij personeelsleden van de buitenlandse carrière en hun echtgenoten of partners'.

Dit is een belofte die door de heer Louis Michel reeds enkele jaren geleden bij zijn aantreden werd gedaan.

Waarom werd die functie niet eerder ingevuld?

Wanneer zal de Family Officer worden aangesteld? Op welke basis zal die worden geselecteerd? Hoe verloopt de procedure? Wat zijn de vereiste kwaliteiten?

Wat zijn de precieze taken van de Family Officer? Onder welk decreet zal hij functioneren en onder wiens gezag? Over welk budget zal hij beschikken?

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - De functie van Family Officer, een contractuele indienstneming, werd niet ingevuld omdat er bij de vorige selectieprocedures geen geschikte kandidaat werd gevonden of omdat de aan de minister ter benoeming voorgestelde kandidate haar kandidatuur introk.

De Family Officer zal zo spoedig mogelijk worden aangesteld. Op het ogenblik loopt een nieuwe selectieprocedure. Op basis van de ingestuurde cv's werd een eerste selectie gemaakt en de geselecteerde kandidaten zullen eerstdaags worden uitgenodigd voor een interview met de selectiejury. Na beraadslaging zal een kandidaat aan de minister ter benoeming worden voorgedragen.

De kwaliteiten die van een Family Officer worden vereist, zal ik schriftelijk overhandigen.

De indienstneming kadert in de uitwerking van een beleid om het beroepsleven en de familiale omstandigheden van onze agenten in het buitenland beter op elkaar af te stemmen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik wens de minister veel geluk met de Family Officer. Het is een uitstekend idee, maar hij moet er wel voor zorgen dat die persoon effectief iets kan doen. Betrokkene moet over een budget en actiemiddelen beschikken, in de organisatie transversaal kunnen werken en indien nodig advies kunnen inwinnen bij de diplomaten.

Om de mentaliteit in de diensten van Buitenlandse Zaken te veranderen zal de Family Officer echt pionierswerk moeten verrichten

Er bestaat een organisatie van echtgenoten en partners van diplomaten, de VZW Alloquium, die ondergebracht is in het Egmont-paleis en op vrijwillige basis werkt. Het is belangrijk dat ook die organisatie administratieve en financiële steun krijgt omdat ze veel voeling heeft met de doelgroep. Ze is een belangrijke feedback voor de Family Officer.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Ik ben met die organisatie al in contact geweest en de zaken die ze mij hebben voorgelegd worden onderzocht.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de genderdimensie in de diplomatie» (nr. 3-717)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Uit een rapport van de regering van 2000 naar aanleiding van de VN-Vrouwenconferentie Peking +5 blijkt dat einde 2000 amper 48 op 400 Belgische diplomaten, of 12%, vrouwen waren. De geringe aantrekkingskracht van het beroep en de ingrijpende gevolgen van het diplomatenleven voor het gezin waren op dat ogenblik de belangrijkste oorzaken van het lage aantal vrouwen in de diplomatie.

In antwoord op een schriftelijke vraag van 13 januari 2005 over zijn prioriteiten inzake gelijke kansen voor mannen en vrouwen, schreef de minister van Buitenlandse Zaken dat `de FOD Buitenlandse Zaken bij promoties of ter gelegenheid van de diplomatieke beweging, een bijzondere aandacht zal blijven besteden aan de bezorgdheid voor het verbeteren van een vrouwelijke vertegenwoordiging'.

De Raad van de gelijke kansen pleit in advies nummer 55 van 13 september 2002 voor meer inspanningen om vrouwen warm te maken voor een carrière als diplomate en voor een diepgaand wetenschappelijk onderzoek dat moet aangeven hoe het beroep aantrekkelijker kan worden gemaakt. Tevens keurde de Senaat op 17 februari 2005 de resolutie over vrouwen, vrede en veiligheid goed. De aanbevelingen van de Senaat omvatten onder meer het ijveren voor een evenwichtige aanwezigheid van vrouwen in vredesonderhandelingen, buitenlands beleid, diplomatieke vertegenwoordigingen en andere besluitvormingsorganen.

De heer Michel, de vorige minister van Buitenlandse Zaken, verklaarde enkele jaren geleden op een van de diplomatieke dagen dat het zijn bedoeling was een voluntaristisch beleid te voeren en vrouwen meer kansen te geven binnen de diplomatie. Die beloften hebben evenwel weinig concrete initiatieven opgeleverd.

Ik dring erop aan dat de huidige minister een aanzet geeft tot het voeren van positieve acties binnen de Belgische diplomatie.

Graag kreeg ik van de minister een overzicht van het aantal vrouwelijke diplomaten vandaag, in absolute getallen en in verhouding tot het geheel. Kunnen deze gegevens worden opgesplitst per niveau, van eerste tot zesde klasse, met inbegrip van de stagiairs?

Welke acties heeft de minister ondernomen om de instroom en promotie van vrouwelijke diplomaten te bevorderen? Welke maatregelen plant hij voor de toekomst met betrekking tot het horizontaal gelijkekansenbeleid van de regering?

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Het Belgische diplomatenkorps, stagiaires inbegrepen, bestond op 1 maart 2005 uit 396 personeelsleden, van wie 54 vrouwen of 13% van het totale personeelsbestand.

Deze verhouding van de vrouwelijke personeelsleden ten opzichte van het gehele personeelsbestand kan als volgt worden opgesplitst: 20% in de eerste klasse; 8% in de tweede klasse; 16% in de derde klasse, 15% in de vierde klasse en 10% van de stagiaires.

Mijn departement is zich er ten zeerste van bewust dat de inspanningen die reeds werden geleverd om de aanwerving van vrouwelijke personeelsleden te bevorderen, moeten worden voortgezet. De jongste twee jaar werd om verscheidene redenen evenwel geen enkele aanwerving gedaan. Ik hoop in de loop van dit jaar een examen te kunnen organiseren.

Er dient evenwel te worden genoteerd dat er op dit ogenblik naast de diplomatieke loopbaan ook een consulaire loopbaan en een loopbaan van de attachés ontwikkelingssamenwerking bestaan. Het totale personeelsbestand in die drie groepen bedraagt 631 personeelsleden, waarvan 118 vrouwen of 17% van het geheel. Dat cijfer is wellicht meer representatief.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Er zijn dus zes vrouwelijke diplomaten meer dan vijf jaar geleden. Ik veronderstel dat het cijfer van 17% behoorlijk representatief is.

De belofte dat de inspanningen zullen worden voortgezet, impliceert dat er al inspanningen zijn geleverd, maar op mijn vraag welke positieve acties er zijn ondernomen om het genderevenwicht te verbeteren, heb ik geen concreet antwoord gekregen. Ik roep de minister daarom op om een beleid in die zin op te starten, te onderzoeken welke hinderpalen er ter zake bestaan en oplossingen te zoeken om naar meer gelijke kansen te streven. Zelfs de landen uit het Zuiden doen het op dat vlak beter dan ons land.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Wanneer een examen wordt uitgeschreven, kunnen zowel mannen als vrouwen deelnemen. Wie geen kandidaat is, kan moeilijk in dienst worden genomen. Voor een vrouw is het inderdaad niet zo gemakkelijk om elke drie jaar samen met haar gezin te verhuizen. Uw vergelijking met ontwikkelingslanden is geen eerlijke vergelijking. Dat is een beetje bij de haren getrokken. Wij zouden graag vrouwelijke diplomaten in dienst nemen, maar er moeten daarvoor uiteraard kandidaten zijn. We kunnen moeilijk de man van alle vrouwelijke diplomaten als huisman registreren en betalen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Er kan wel voor worden gezorgd dat met de landen waarmee wij bilaterale akkoorden hebben, wordt afgesproken dat de partner, man of vrouw, kan werken. Dat zou een positieve maatregel zijn om mannen én vrouwen meer kansen te geven om een gezinsleven met een diplomatieke carrière te combineren. Er zijn veel landen waarmee ons land niet zo'n akkoord heeft, bijvoorbeeld de Verenigde Staten. Dat betekent dat het voor de partner van onze diplomaten zeer moeilijk is een beroepsactiviteit te ontwikkelen.

Een andere mogelijkheid is dat bij de instroom een oproep tot de vrouwen wordt gedaan om zich kandidaat te stellen. Er kan worden gestreefd naar een cultuurverandering binnen het beroep. Dat is niet gemakkelijk, maar dit kan stapsgewijze gebeuren.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de houding van België ten opzichte van China en het standpunt van ons land binnen de Europese Unie» (nr. 3-718)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Onlangs keurde het Chinese parlement de antisecessiewet goed. Daarmee geeft China zichzelf het recht Taiwan met militaire middelen onder zijn gezag te brengen, indien dat verder gaat met zijn onafhankelijkheidsplannen. Het communistische regime van China beschouwt het democratische Taiwan als een afvallige provincie. Het eiland is sinds het einde van de Chinese burgeroorlog in 1949 in feite een staat, echter zonder algemene internationale erkenning.

Gezien de spanningen met Taiwan keurde het Volkscongres in Peking een stijging van de defensie-uitgaven met 12,6 procent goed. Dat is verontrustend.

De verhoging van het militair budget, die samenvalt met de omstreden wet over Taiwan, plaatst de Europese Unie voor een dilemma. De EU wil binnenkort het wapenembargo tegen China opheffen. De VS zijn het daar hoegenaamd niet mee eens, onder meer omdat ze vrezen dat Europese wapens kunnen worden ingezet tegen Taiwan, dat door de VS is bewapend.

De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice riep de Europese Unie nog eens op haar plannen om het wapenembargo tegen China op te heffen opnieuw te bekijken. Wij zijn het vaak niet eens met de Amerikaanse diplomatie, maar deze vraag lijkt me redelijk.

Het wapenembargo werd in 1989 ingesteld naar aanleiding van de schending van mensenrechten door de Chinese overheid tijdens het bloedbad van Tiananmen. China heeft een enorm economisch potentieel en een opheffing van het wapenembargo biedt aan de Europese Unie heel wat voordelen. Dit neemt niet weg dat de aanleiding tot het wapenembargo, namelijk de mensenrechtenschendingen door China, nog steeds bestaat. Uit recente rapporten van Amnesty International blijkt keer op keer dat schendingen van de mensenrechten door de Chinese overheid onverminderd blijven voortduren, zelfs nog toenemen.

De heer Li Zhaoxing, Chinees minister van Buitenlandse Zaken bracht onlangs een bezoek aan de EU en aan België.

Deelt de Minister mijn bezorgdheid? Wat is zijn standpunt over het wapenembargo in het licht van de recente gebeurtenissen? Welk standpunt zal België verdedigen in de Europese Unie?

Is de Europese Unie verdeeld over deze materie? Werd deze problematiek reeds aangekaart op voorgaande ministerraden? Zo ja, wat waren de conclusies?

Vreest de minister niet dat een opheffing van het wapenembargo de broze transatlantische betrekkingen opnieuw schade zal toebrengen?

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Tijdens mijn gesprekken met de Chinese minister van Buitenlandse Zaken Li Zhaoxing te Brussel op 16 maart, heeft deze laatste mij verzekerd dat de antisecessiewet vooral bedoeld is om de stabiliteit en de vrede in de regio te bewaren. Hij heeft mij herinnerd aan de drie prioriteiten van de Chinese regering, namelijk vrede, ontwikkeling en hereniging met Taiwan. Rekening houdend met bepaalde tendensen die thans waarneembaar zijn in Taiwan, in het bijzonder binnen de DPP van president Chen Shui-bian, zijn de autoriteiten in Peking er uitermate voor bevreesd dat de huidige autoriteiten in Taipei unilateraal zouden opkomen voor onafhankelijkheid. Dat zou één van de prioriteiten van de Chinese regering, met name de hereniging met Taiwan, in het gedrang brengen.

Ik ga ervan uit dat de antisecessiewet vooral, zoniet uitsluitend, bedoeld is als een waarschuwing voor de huidige autoriteiten in Taipei om de stabiliteit en het status-quo in de regio niet in gevaar te brengen door het unilaterale uitroepen van de onafhankelijkheid. De Chinese minister van Buitenlandse Zaken heeft mij dat trouwens laten verstaan.

De antisecessiewet heeft geen invloed op mijn standpunt over het wapenembargo. De elementen die dit standpunt bepalen, heb ik hier vroeger reeds medegedeeld. Het houdt rekening met de staat van de mensenrechten in China. Over de opheffing van het embargo dient overleg plaats te vinden met de partners van de Europese Unie, wat thans gebeurt. Het mag geen gevolgen hebben voor het militair-strategische evenwicht in de Aziatische regio. België is ten zeerste voorstander van de versterking van de Europese gedragscode van 1998 over wapenuitvoer, waarover het overleg tussen de lidstaten nog steeds aan de gang is. Een verstrekte gedragscode en garanties over de toepassing ervan, moeten er borg voor staan dat een opheffing niet zal leiden tot wapenuitvoer naar China. Een eventuele opheffing kan ten slotte enkel bedoeld zijn als een signaal voor Peking ter bevestiging dat de verhoudingen tussen de EU en China in het voorbije decennium ten gronde en in gunstige zin gewijzigd zijn.

Dit standpunt stond al vast lang voor de antisecessiewet werd goedgekeurd. Er is geen reden om het thans te wijzigen.

Er bestaat nog geen consensus onder alle lidstaten.

De kwestie van het embargo stond op de agenda van de Top EU-China in Den Haag op 8 december 2004 nadat in de conclusies van de RAZEB van 22 november 2004 was bepaald dat op die top een positief signaal zou worden gegeven aan China. Op de top bereikte het Voorzitterschap met China een akkoord, met name in paragraaf 7 van de Gemeenschappelijke Verklaring, waarbij de EU haar politieke wil bevestigde om `verder te werken in de richting van een opheffing van het embargo'. China verwelkomde dit positieve signaal terwijl de EU nog benadrukte verder te werken aan de versterking van de gedragscode. In aparte paragrafen kwamen de Europese bezorgheden over Taiwan en de mensenrechten tot uiting.

Op de RAZEB van 13 december 2004 is de discussie onder de lidstaten voortgezet, zonder dat er een akkoord werd bereikt. De kwestie zal wellicht op de agenda komen van de volgende RAZEB's en op de Europese Raad van juni.

Er is overleg en communicatie met onder andere de VS. Een Europese informatiemissie inzake een mogelijke opheffing van het embargo bevond zich eerder deze maand in Washington. Verder is er een akkoord bereikt om een strategische dialoog te starten met de VS over China. Dat overleg gebeurt in volledige transparantie. Ik vrees dus niet dat een opheffing van het embargo ernstige schade zou toebrengen aan de transatlantische betrekkingen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik neem nota van de overwegingen van de minister. Naar mijn mening kan er geen sprake zijn van een opheffing van dat wapenembargo zolang China niet uitdrukkelijk een positieve stap zet voor betere mensenrechten. Dat is vandaag jammer genoeg niet het geval.

Kijken we maar naar de problematiek van de doodstraf, de foltering, de `sla hard terug'-campagnes, de oneerlijke processen, de arrestaties van de zogenaamde cyberdissidenten, de onderdrukking van het recht op vrijheid in Tibet, de arrestaties van Falun Gong-beoefenaars en de ernstige mensenrechtenschendingen voor de mensen die getroffen zijn door HIV en Aids. Al die punten zijn zeer verontrustend en in die omstandigheden denk ik dat een opheffing van het embargo niet te overwegen is.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Op het ogenblik is er nog geen opheffing en één van de voorwaarden die de Europese Unie stelt is dat er een duidelijk signaal komt wat de mensenrechten betreft. Ik heb daar een lang gesprek over gehad met mijn Chinese ambtsgenoot.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de samenstelling van examenjury's voor de aanwerving van diplomaten» (nr. 3-719)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Mijn vraag sluit aan bij een vorige vraag, namelijk hoe we de instroom van vrouwen in de Belgische diplomatie kunnen bevorderen. De minister heeft daarstraks gezegd dat dit punt de moeite waard was om na te streven en dat hij hoopte of verwachte dat meer vrouwen zich kandidaat zouden stellen om te starten in een diplomatieke loopbaan. Eén van de instrumenten om dit te bevorderen, dat objectief en neutraal is, is een evenwichtige samenstelling van examenjury's voor de aanwerving van diplomaten. Met betrekking tot het examen dat binnenkort wordt georganiseerd zou ik graag weten hoe de examenjury's zullen worden samengesteld. Als daarover nog geen visie bestaat kan de minister mijn overweging hierover misschien meenemen.

In een antwoord op een schriftelijke vraag (3-2037) zei de minister dat `aandacht besteden aan de bezorgdheid voor het verbeteren van een vrouwelijke vertegenwoordiging' één van zijn beleidsdoelstellingen was voor deze legislatuur.

Uit interviews en uit telefoongesprekken met vrouwen die deelgenomen hebben aan het diplomatiek examen heb ik vernomen dat zeer getalenteerde en gemotiveerde kandidaten verklaarden niet meer te willen verschijnen voor een jury die alleen uit mannen bestaat en die uitdrukkelijk een hele reeks vragen stelt over het privé- en gezinsleven. Ze zeiden dat dergelijke vragen niet werden gesteld aan mannelijke collega's. De perceptie van die jury en de manier waarop de vragen werden gesteld werd als zeer dissuasief ervaren door een aantal kandidaten die mij daarover hebben aangesproken. Mocht dit opnieuw gebeuren, dan zal ik de minister die berichten doorsturen.

In een antwoord op een vraag om uitleg (Stuk 2-442) d.d. 3 mei 2001 aan toenmalig Minister van Buitenlandse Zaken Louis Michel over de genderdimensie in de diplomatie, antwoordde Louis Michel: `bij de aanwerving wordt erover gewaakt dat tijdens de toelatingsproeven ten minste één vrouwelijke ambtenaar in de examenjury zitting heeft. Aan de universiteiten en aan SELOR zal worden gevraagd om erover te waken dat ook zij in de examenjury evenwichtig zijn vertegenwoordigd.'

Er bestaan ook Europese aanbevelingen die voor verschillende examenjury's pleiten voor een één derde/tweederde-verdeling en een gendertraining van al wie aan dergelijke jury's deelneemt.

Wordt er gewaakt over een genderevenwicht bij de samenstelling van de examenjury's voor de aanwerving van diplomaten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke regel wordt gehanteerd en hoe wordt deze bewaakt?

Werd aan de universiteiten en aan SELOR effectief gevraagd hun jury evenwichtig samen te stellen? Zo ja, volgens welke regel? Hoe wordt dat bewaakt?

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Ik voel me bijna geremd om op deze vraag te antwoorden. Mevrouw de Bethune geeft de indruk dat mannen alleen maar indiscrete vragen stellen aan vrouwen. Ik heb altijd het gevoel dat de studentes die bij mij examen afleggen, zich uitermate op hun gemak voelen en zich nog nooit gediscrimineerd hebben gevoeld.

We waken ervoor dat de samenstelling van examenjury's evenwichtig verdeeld is tussen mannen en vrouwen. Dat zal ook bij het volgende examen het geval zijn.

Ik zal de elementen die worden in acht worden genomen bij de samenstelling van de jury, schriftelijk aan de senator overmaken.

Sinds 1996 vermeldt het vroegere Vast Wervingssecretariaat, nu SELOR, in de verzoeken die de FOD Buitenlandse Zaken mocht ontvangen voor het aanduiden van ambtenaren voor examencommissies, dat er bij de samenstelling van de examencommissie gestreefd wordt naar een pariteit inzake het geslacht van de assessoren. We proberen in de mate van het mogelijke daaraan te voldoen. Ik zal daar bij het volgende diplomatieke examen speciaal op toezien.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - We zullen de data van de volgende examens in het oog houden. Het parlement kan dan controleren of de minister de pariteit respecteert. Ik heb helemaal niets willen insinueren. Ik wilde alleen benadrukken dat een evenwichtig samengestelde jury de beste garanties biedt voor objectiviteit.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Landsverdediging over «het uitblijven van een hoofdredacteur voor het maandblad Vox» (nr. 3-657)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Vox, het maandblad van het leger, zou geen hoofdredacteur meer vinden. Sedert de heer Flahaut minister is, heeft Vox al zijn vierde hoofdredacteur.

De maandbladen Direct en Vox zijn samen met de televisie-uitzendingen van Tele-Vox belangrijke kanalen voor het leger om zijn boodschap uit te dragen.

Anonieme bronnen binnen het leger zeggen dat de minister de dienst Imago en Public Relations van het leger heeft omgevormd tot een persoonlijk propaganda-apparaat. Binnen het leger spreekt men over de bemoeienis van het kabinet van de minister met elke editie van het maandblad.

Werd de selectieprocedure voor de aanwerving van een nieuwe hoofdredacteur reeds opgestart? Welke procedure zal hiertoe worden gevolgd?

Op welke manier wordt de objectiviteit van de berichtgeving in het maandblad van het leger gegarandeerd?

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - De selectieprocedure voor de aanwerving van een nieuwe hoofdredacteur loopt nu en maakt deel uit van de jaarlijkse planning `aanvulling-aflossing officieren'. Deze planning verloopt volgens een jaarlijks terugkerend proces waarbij voor de officieren die in aanmerking komen voor een nieuwe functie, alle betrokken partijen geconsulteerd worden. Na een vergelijkend onderzoek van het competentieprofiel van de kandidaten wordt de meest geschikte persoon voor een openstaande functie gekozen. Dit proces loopt nog.

Defensie is sinds meerdere jaren lid van European Military Press Association. De journalisten van de schriftelijke producties passen de gedragscode van deze vereniging toe. Deze gedragscode kan worden geraadpleegd op de website http://www.empa.hu/about. De code garandeert de persvrijheid ook voor militaire media. Militaire media werken volgens dezelfde principes als burgermedia. Een militaire journalist moet waarheidsgetrouw en correct berichten. Hij moet gevrijwaard blijven van beïnvloeding door externe partijen of persoonlijke belangen. De code stipuleert ook dat militaire journalisten gebonden zijn door de gedragscodes van hun nationale persverenigingen.

Specifiek voor journalistiek werk in de militaire context garandeert de code de vrijheid van informatievergaring en het recht om kritiek en commentaar te uiten. Deze richtlijnen kunnen worden begrensd door richtlijnen van de uitgever en door de reglementen op de militaire geheimhouding.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de minister voor zijn antwoord en wacht de benoeming van de nieuwe hoofdredacteur van Vox af.

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de minister van Landsverdediging over «de bestemmingswijziging van de Luitenant Coppenskazerne in Brasschaat» (nr. 3-679)

De heer Wouter Beke (CD&V). - De FOD Defensie vervult steeds meer internationale humanitaire en vredesbrengende opdrachten in Afghanistan, Congo, het rampgebied Zuidoost-Azië enzovoort. De minister beschikt hiertoe niet altijd over de middelen die nodig zijn voor een optimale werking. Tevens moet hij belangrijke uitgaven doen voor de vervanging van verouderd materieel en de naleving van de NAVO-verplichtingen en dat alles binnen een strikt budgettair kader.

Tegelijkertijd vindt bij Defensie een reorganisatie plaats waarbij de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden aangewend om de uitdagingen van de toekomst het hoofd te bieden.

Het departement heeft momenteel een mooie gelegenheid om niet meer aangewende militaire infrastructuur te valoriseren. Het gaat meer bepaald over de Luitenant Coppenskazerne in Brasschaat, een kazerne annex terreinen die sinds april 2004 niet meer in gebruik zijn.

Uit goed ingelichte bron heb ik vernomen dat de gemeente Brasschaat belangstelling heeft om het gebouw en de bijbehorende terreinen aan te kopen om er een KMO-zone in te planten voor de plaatselijke bedrijven die zich thans in woonzones bevinden en daar moeilijk kunnen uitbreiden. De gemeente heeft de zone zelfs in haar ontwerp van ruimtelijk structuurplan als dusdanig ingeschreven.

Ook de FOD Defensie heeft reeds in 2002 aan de betrokken gemeente gevraagd of ze belangstelling voor de kazerne en de terreinen had, waarop Brasschaat onmiddellijk positief reageerde.

Werd de bestemming van het betrokken gebouw en de bijbehorende terreinen inmiddels gewijzigd zodat er niet alleen meer middelen kunnen vrijkomen voor de FOD Defensie, maar dat ook werkgelegenheid kan worden gecreëerd en een nieuwe KMO-zone kan worden ingeplant?

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - In het stuurplan Defensie 2001 was opgenomen dat de bestemming van het militair domein Brasschaat Oost zou worden gewijzigd. De Luitenant Coppenskazerne en de omliggende terreinen maken daarvan deel uit.

Defensie heeft inderdaad al met het gemeentebestuur van Brasschaat gesproken over een bestemmingswijziging van dat gedeelte van het militair domein. Momenteel worden de praktische gevolgen van de vervreemding onderzocht en wordt het overdrachtsdossier voorbereid.

Eens dit dossier is goedgekeurd, kan het domein voor vervreemding worden overgedragen aan de FOD Financiën.

Er wordt dus gewerkt aan een bestemmingswijziging.

Begin deze week heb ik een onderhoud gehad met de burgemeester, de gemeentesecretaris en de stadsurbanist. Het verliep zeer positief. We hebben het gehad over de toekomstige KMO-zone, maar ook over de woningen voor officieren, de aanleg van rioleringen en van een nieuwe straat.

De bestemmingswijziging van de kazerne vloeit voort uit de reorganisatie van Defensie en heeft niets te maken met de noodzaak om geld te vinden voor de financiering van wat dan ook. We zullen binnenkort technische vergaderingen houden met de lokale overheid, de provincie, de gemeente en het OCMW om verloedering te voorkomen.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Ik dank de minister voor zijn aanpak en voor het feit dat hij met het gemeentebestuur van Brasschaat heeft onderhandeld om dit dossier tot een goed einde te brengen. Het is ook positief dat de minister militaire domeinen die de FOD Defensie niet langer nodig heeft prioritair aan lokale besturen ter beschikking wil stellen. Ook in Leopoldsburg hebben we plannen om een rusthuis te bouwen op een militair domein. Hopelijk kent ook dat dossier soortgelijke goede afloop.

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Mijn diensten hebben ook contact met de burgemeester van Leopoldsburg.

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de vice-eerste minister en minister van Financiën, aan de vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de werking van de Belgische Maatschappij voor Internationale Investering (BMI)» (nr. 3-685)

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - In de beleidsnota van 26 oktober laatstleden werd in het onderdeel over buitenlandse handel met geen woord gerept over de Belgische Maatschappij voor Internationale Investering, de BMI. Nochtans vervult deze maatschappij een belangrijke rol op het vlak van exportondersteuning en buitenlandse handel - of zou ze dat toch moeten doen.

Uit het laatste jaarverslag van de BMI verneem ik dat `omwille van het uitblijven van een kapitaalsverhoging, BMI het Stop&Go-scenario van het businessplan heeft dienen aan te houden'. Verder lees ik ook dat `door het uitblijven van een kapitaalsverhoging de toestand van de eigen middelen van BMI blijven wegen op het aantal nieuwe investeringen'. In het jaarverslag wordt ook vermeld dat `BMI verder het beheer doet van de fondsen die haar in het verleden werden toevertrouwd, waaronder de dotaties van de Belgische Staat voor de voormalige Oostbloklanden en voor bepaalde landen in Azië. (...) Aangezien het aanwenden van deze fondsen een eigen tussenkomst van BMI vereist is het gebruik ervan noodgedwongen eerder beperkt gebleven'. De jaarrekeningen van de BMI vertonen reeds een tweetal jaren een deficit.

Uit dat alles kunnen we opmaken dat de BMI niet optimaal functioneert. Mogelijk heeft dat veel te maken met het gebrek aan voldoende financiële middelen. In de vorige legislatuur was reeds in een beleidsnota opgenomen dat de werking van de BMI doeltreffender moest worden. Ondertussen stellen we vast dat er sindsdien aan de opdracht zelf van de BMI niets is gewijzigd, en dat de BMI - althans volgens het jaarverslag - diverse investeringsprojecten die haar worden aangeboden, op professionele wijze blijft onderzoeken, maar onvoldoende dynamiek vertoont om een volwaardige rol te spelen in de ondersteuning van de buitenlandse handel van ons land.

Een tijdje geleden nam de BMI een participatie van 50% in de BIO, de Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden, en werkte de maatschappij mee aan de totstandkoming van een Chinees-Belgisch investeringsfonds dat in de Volksrepubliek China zou worden opgericht.

Ik heb dan ook heel wat vragen over de werking van de BMI.

Waarin bestaat het Stop&Go-scenario van het businessplan precies?

Wordt een kapitaalverhoging van de BMI overwogen?

Hoe kadert de BMI in de beleidsplannen van de minister inzake buitenlandse handel?

Zijn er plannen om de BMI samen te voegen met andere overheidsinstellingen op het terrein van buitenlandse handel?

Hoe vaak en in welke landen is de BMI de afgelopen jaren participaties aangegaan? Wat is het aandeel van de KMO's daarin? Zijn die participaties of investeringen rendabel en succesvol?

Hoe worden de KMO's bereikt? Zijn er vandaag afzonderlijke projecten of fondsen gericht op KMO's?

Is de werking van de BMI voldoende aangepast aan de behoeften van KMO's die buitenlandse investeringen wensen te doen?

Wordt er nagedacht over het oprichten van een specifiek KMO-investeringsfonds naast de BMI? Daarover is trouwens met de leiding van de BMI al gesproken.

Wat is de exacte rol van de BMI in het beheer van fondsen die haar werden toevertrouwd door de Belgische Staat en de AWEX? Wie neemt daarin welk risico en hoe worden die fondsen/dotaties boekhoudkundig verwerkt?

Hoeveel participaties of andere vormen van steun werden door het Chinees-Belgisch investeringsfonds gegeven?

Hoe werd die participatie in het Chinees-Belgisch investeringsfonds gefinancierd en ten laste van welke begroting?

Zijn er plannen om ook een Indisch-Belgisch investeringsfonds op te richten?

Hoeveel participaties of andere vormen van steun werden verschaft door de NV BIO, waarin de BMI participeert? Wat zijn de resultaten daarvan?

Zijn de investeringen van de BMI in de BIO en het Chinees-Belgische investeringsfonds rendabel en leveren ze de verwachte resultaten op?

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - In 2002 werd de BMI geconfronteerd met een probleem van financiële capaciteit voor de verdere ontwikkeling en de realisatie van de kernopdracht. Er werd een strategisch plan opgesteld. Dat was gebaseerd op drie scenario's.

Een van die scenario's is het Stop&Go-scenario. In dit scenario komt er geen verhoging van de eigen middelen en investeert de BMI met en op het ritme van de middelen die beschikbaar komen via de uitstap uit bestaande projecten. Dat resulteert onvermijdelijk in een onregelmatig investeringspatroon, afhankelijk van de beschikbare middelen. Eind 2004 werd een geactualiseerd businessplan 2004-2015 opgesteld. Hierin werd in een kapitaalsverhoging van 25 miljoen euro voorgesteld. Het werd aan de aandeelhouders voorgelegd, die het momenteel analyseren.

In de mate van het mogelijke neemt de BMI geregeld deel aan activiteiten georganiseerd in het kader van de Buitenlandse Handel. Het gaat om economische missies en andere evenementen, zoals seminaries en studiedagen. De bedoeling is Belgische bedrijven die geïnteresseerd kunnen zijn in de diensten van de BMI, te bereiken en bij te staan bij hun internationale inspanningen, meer bepaald bij hun buitenlandse investeringen.

Naar mijn weten zijn er momenteel geen concrete plannen voor een eventuele samenvoeging van de BMI, een naamloze vennootschap met een gemengd overheids-/privé-aandeelhouderschap, en met andere overheidsinstellingen.

De huidige portefeuille, inclusief nog niet gestorte bedragen en exclusief principegoedkeuring van dossiers, omvat investeringen in drieëndertig bedrijven in drieëntwintig landen. Het gaat in totaal om 30 miljoen euro. Ongeveer 33 procent van deze projecten zijn projecten met kleine en middelgrote ondernemingen.

De portefeuillespreiding per sector ziet er uit als volgt: de agrosector 33%, de voedingsector 18%, services en engineering 14%, services en engineering 14%, chemie- en verpakkingsindustrie 13%, metaalverwerkende sector 12%, bouw- en meubelsector 11%, medische-, farma- en biotechsector 9%. De portfoliospreiding per regio: Azië 44%, Centraal- en Oost-Europa 25%, West-Europa 13%, Noord- en Zuid Amerika 13% en Afrika 5%.

Aangezien de gemiddelde investeringstermijn van de BMI 5 à 10 jaar bedraagt, is het moeilijk nu al aan te geven of die participaties succesvol of rendabel zullen zijn.

Bij de meeste promotionele acties, zoals deelname en/of presentaties tijdens economische missies, seminaries, evenementen bij kamers van koophandel, bestaat het publiek meestal uit kleine en middelgrote ondernemingen, dus worden ze op die wijze bereikt. Binnen de BIO werd een apart ondersteuningsfonds opgericht dat achtergestelde leningen verschaft vanaf 45.000 euro tot 700.000 euro voor KMO-projecten in de ontwikkelingslanden.

De BMI gaat ervan uit dat de minimuminvestering per project niet onder de 500.000 euro kan zakken, daar bij kleinere projecten de analyse- en vervolgkosten niet kunnen worden gerecupereerd.

De BMI doet het beheer van een aantal fondsen, meer bepaald de dotaties van de Belgische Staat voor de voormalige Oostbloklanden en voor bepaalde landen in Azië en de twee fondsen van de AWEX voor de landen uit Midden- en Oost-Europa, enerzijds, en voor de ontwikkelingslanden, anderzijds. Het betreft hier investeringsprojecten in deze landen en/of met dat type bedrijven waarvoor de BMI de analyse doet van de projecten, evenals de follow-up ervan. De financiering wordt gesplitst tussen de eigen middelen van de BMI en de fondsen.

De voorwaarden van financiering en ook de risico's zijn gelijk verdeeld tussen de BMI en de fondsen. Boekhoudkundig worden de fondsen/dotaties via aparte rekeningen verwerkt, met andere woorden, ze maken geen deel uit van de jaarrekeningen van de BMI.

Het Chinees-Belgische investeringsfonds werd de facto pas in 2005 operationeel. De samenwerkingsovereenkomst met de BMI moet eerlang ondertekend worden.

De participatie in het Chinees-Belgisch investeringsfonds ten belope van 8,5 miljoen euro werd rechtstreeks gefinancierd door de Belgische Staat. Naar mijn weten bestaat er geen project voor de oprichting van een participatie in het Indisch-Belgisch investeringsfonds.

Per 28 februari 2005 werden er 25 projecten goedgekeurd binnen de BIO, voor een totaalbedrag van 58,2 miljoen euro. Gezien de recente opstart van de BIO is het moeilijk om nu al de resultaten hiervan in de schatten, maar in 2003 en 2004 werd wel een positief nettoresultaat geboekt.

De rendabiliteit van de investeringen in het Chinees-Belgisch investeringsfonds en in de BIO kunnen momenteel moeilijk worden geanalyseerd, daar er nog geen investeringen zijn in het kader van het Chinees-Belgische investeringsfonds en de investeringen van de BIO, zoals gezegd, nog te recent zijn.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Ik dank de minister voor zijn uitgebreide informatie. Toch kan ik me niet van de indruk ontdoen dat het de BMI aan uitstraling en dynamiek ontbreekt en dat dit mede komt omdat ze niet voldoende middelen krijgt om haar taken te volbrengen. De totale portefeuille is aanzienlijk verminderd, terwijl we al twee jaar een deficit kennen. De minister erkent zelf dat de KMO's bij BMI niet volledig aan bod komen. Bedrijven moeten nu eenmaal een minimale grootte om voor kredietdossiers rendabel te zijn. Daarom worden te lage bedragen in ons land voor BMI niet eens in aanmerking genomen.

In België zijn de KMO's nochtans heel belangrijk. Ze beginnen meer en meer te exporteren, zodat ze ook meer en meer nut kunnen halen uit een instelling als de BMI. Moeten we niet overwegen om van dit vehikel iets specifieks te maken voor het kleinbedrijf? Dat zou precies de eigen inbreng van de overheid kunnen verantwoorden. Zo lang alleen de privé-sector financiert, geldt alleen de markt, maar hier is ook de overheid betrokken partij. We kunnen toch verwachten dat die in haar beleid iets uitwerkt voor de KMO's.

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - We moeten in deze materie natuurlijk ook wat geduld kunnen oefenen. De BIO en de leningen die in deze context aan de KMO's kunnen worden gegund, zijn maar heel recentelijk aan de oppervlakte gekomen. Als ik met KMO-mensen praat, ondervind ik dat er nog altijd een grote rem is om te investeren in ontwikkelingslanden. Dikwijls kennen ze de BIO niet of onvoldoende. Dat zal dus nog wat moeten rijpen en groeien, maar daar kunnen we hopelijk wel voor zorgen.

Voor het overige ben ik het met de heer Steverlynck volkomen eens dat de BMI haar eigen rol moet blijven spelen en dat ze al heeft bewezen dat ze resultaten kan boeken. Dat is ook de reden waarom de BMI verder aan het werk wordt gelaten.

Kortom, ik denk dat we op twee sporen tegelijk moeten werken.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - De BIO is beperkt tot ontwikkelingslanden, terwijl de BMI veel ruimer is. Omdat ook de kleine bedrijven in veel meer landen willen investeren, is de steun van de BMI ook voor de KMO's ook zeer belangrijk.

Vraag om uitleg van de heer Etienne Schouppe aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «het negatief rapport van studiebureau GMI inzake het vennootschapsbestuur» (nr. 3-695)

De heer Etienne Schouppe (CD&V). - In een recent persartikel verscheen het bericht dat het New Yorkse onderzoeksbureau GovernanceMetrics International in haar halfjaarlijkse studie inzake deugdelijk bestuur de Belgische bedrijfswereld een 3,9 op 10 heeft gegeven, een schitterend onvoldoende. Bij de vorige studie haalden de 22 onderzochte Belgische bedrijven nog 4,52 op 10. Dat was al evenmin schitterend, maar we zijn er merkwaardig genoeg nog op achteruit gegaan.

Ter vergelijking, de grote Angelsaksische landen zitten over het algemeen tussen 7 en 7,5. Nederland haalde een score van 6,45, wat een grote vooruitgang is tegenover juli 2003, toen wij beter scoorden dan dit land dat toen 4,3 haalde. Die grote vooruitgang zou vooral te maken hebben met het invoeren van de code-Tabaksblat, de code van beginselen van goede corporate governance, en best practice-bepalingen die tot besluit van de werkzaamheden van de commissie Tabaksblat in Nederland zijn ingevoerd.

Wat België betreft is het bijzonder opmerkelijk dat de achteruitgang zich voordoet net in de periode dat de code-Lippens werd opgesteld, naar verluidt in overleg met alle betrokken verenigingen en associaties van maatschappijen.

Uit het herhaaldelijk lage cijfer blijkt dat de zogenaamde corporate governance-wet van 2 augustus 2002 onvoldoende garanties en slagkracht biedt om de kwaliteit van het bestuur te verbeteren, of in elk geval de informatie dienaangaande duidelijker en aanvaardbaarder te maken voor de buitenwereld.

Kan de minister de slechte score en de achteruitgang van de voorbije zes maanden verklaren? Meent de minister ook dat de code Lippens op zich een voldoende efficiënt element is ter bevordering van het deugdelijk bestuur, zoals het VBO meent, en moet een afdwingbare wettelijke regeling worden uitgewerkt, om het niet langer te houden op een principeverklaring?

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Om de vermelde cijfers correct te kunnen duiden, moet geweten zijn welke methodologie werd gevolgd. De ratings zijn immers het resultaat van een onderlinge vergelijking van ondernemingen, zonder dat er een ideaal theoretisch profiel werd opgesteld.

De studie van 2003 heeft betrekking op een vergelijking tussen 1600 bedrijven, terwijl de recentelijk bekendgemaakte studie betrekking heeft op 3220 bedrijven. De basis van vergelijking is dus verdubbeld. De ratings geven zeker geen antwoord op de vraag of onze Belgische ondernemingen de afgelopen jaren nu beter of slechter bestuurd werden. Ze moeten dus sterk worden genuanceerd. Toch neem ik die cijfers ernstig omdat ze een impact hebben op internationale analisten en beleggers en omdat ze het imago van onze Belgische bedrijven negatief kunnen beïnvloeden.

Gelet op het tijdstip van de studie en het uitbrengen van de code Lippens kan er geen relatie zijn. Ik ben er echter van overtuigd dat de code Lippens en in het bijzonder de naleving ervan in de toekomst een positief effect zal hebben. De maatregelen die erin zijn opgenomen, sluiten perfect aan bij de internationale beweging van corporate governance. Ik gebruik expliciet het woord beweging om te benadrukken dat corporate governance geen statisch, maar een evolutief gegeven is. De corporate governance heeft in het continentale Europa met sterke meerderheidsaandeelhouders trouwens andere accenten dan in de common law-landen, met sterke CEO's als gevolg van een meer versnipperd aandeelhouderschap.

Ik ben alleszins voorstander van een wettelijke verankering van de code Lippens. Het comply or explain-principe is goed omdat het de mogelijkheid biedt met verschillende omstandigheden rekening te houden, maar het moet wettelijk afdwingbaar zijn. Op die manier kan de status van principeverklaring worden overstegen, zonder afbreuk te doen aan de essentie van soft law. Dat betekent dus niet dat de volledige code Lippens in een wetsontwerp moet worden omgezet, wel de essentiële beginselen.

De heer Etienne Schouppe (CD&V). - Ik apprecieer de manier waarop de minister dit probleem benadert. Ik ben het met hem eens dat we bij een verandering van de vergelijkingsbases geen bijzondere aandacht moeten schenken aan de verglijding, maar we kunnen er niet naast kijken dat België onder de 4% is beland.

Het is ongetwijfeld juist dat het corporate governance-beginsel geen statisch gegeven is, maar toch is het een vorm van openheid van het bedrijf ten aanzien van derde investeerders. Het is belangrijk voor het imago van onze bedrijven bij de potentiële internationale investeerders.

Ik ben het met de minister volkomen eens over het afdwingbaar maken van bepaalde elementen in plaats van het comply or explain beginsel. Ik ben van plan om daarvoor zelf voorstellen uit te werken. Wanneer we alle ideeën daarover samenbrengen, kunnen we een behoorlijk resultaat bereiken. Het staat echter als een paal boven water dat er iets moet gebeuren.

De voorzitter. - De vraag van de heer Martens aan minister Verwilghen werd omgezet in een schriftelijke vraag.

Ook de vragen van de dames De Roeck en Geerts aan minister Demotte werden in schriftelijke vragen omgezet.

Vraag om uitleg van de heer François Roelants du Vivier aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de internationale samenwerkingsakkoorden op het gebied van ruimtevaartonderzoek en -toepassingen» (nr. 3-708)

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Hoewel de gemeenschappen en de gewesten bevoegd zijn voor wetenschappelijk onderzoek, blijft de federale overheid alleen bevoegd voor het ruimtevaartonderzoek in het raam van de internationale samenwerking. De federale overheid heeft terzake vele internationale akkoorden afgesloten.

Zo zijn er de conventie tot oprichting van het Europees Ruimteagentschap, de conventie tot oprichting van de Europese Organisatie voor de Exploitatie van Meteorologische Satellieten en de Overeenkomst inzake de registratie van in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen.

Die akkoorden, verdragen en conventies zijn essentieel voor het ruimtevaartonderzoek. Dat is een vitale sector die bijdraagt aan de realisatie van de Lissabon-doelstellingen. Bovendien speelt ons land op dat vlak een eersterangsrol. Het fundamenteel onderzoek in België is van een zeer hoog niveau.

Uit de door de werkgroep `Ruimtevaart' van de Senaat georganiseerde hoorzittingen is echter gebleken dat vele internationale akkoorden nog moeten worden afgerond. De Belgische industriëlen die op dat domein actief zijn, tonen zich daarover bezorgd.

Er werd ons gezegd dat sommige nog niet geratificeerde internationale akten reeds worden toegepast. Dat schept rechtsonzekerheid voor de ondernemers. De inwerkingtreding van internationale akkoorden zonder dat de wetgever daar mee heeft ingestemd, toont niet veel respect voor de rol van die wetgever. Het schept ook risico's voor de ondernemers die er begrijpelijkerwijze de voorkeur aan geven onderzoek te doen op basis van een deugdelijk afgesloten akkoord.

Ik had van de minister graag verduidelijkingen over de volgende internationale akkoorden.

Kan de minister verduidelijking geven over de lopende instemmingsprocedures?

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Op basis van de federale beleidsnota voor wetenschappelijk onderzoek van 1 maart 2005, geactualiseerd op 10 maart 2005, die werd bezorgd aan de leden van de werkgroep `Ruimtevaart' van de Senaat onder voorzitterschap van de heer Roelants du Vivier, kan ik enkele aanvullende gegevens verstrekken. Ik herinner er echter aan dat de instemmingsprocedure voor internationale akkoorden behoort tot de bevoegdheid van de minister van Buitenlandse Zaken.

Het akkoord ondertekend te Washington op 29 september 1988 is voor de lidstaten van de ESA die aan het project deelnemen nooit in werking getreden. De inwerkingtreding van het akkoord van Washington van 29 januari 1998 maakt het akkoord van 1988 overbodig. Na het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State moet overleg tussen de federale departementen voor Wetenschappelijk Onderzoek en Buitenlandse Zaken uitsluitsel geven over het gevolg dat aan het akkoord van 1988 moet worden gegeven en over het nut om de instemmingsprocedure af te handelen. Voor het akkoord van 1998 zal de instemmingswet de eerstvolgende weken aan de Kamers worden voorgelegd.

De twee avenanten bij het akkoord van Parijs van 21 juni 2001 zijn opgenomen in één instemmingswet. Volgens het advies van de Raad van State heeft avenant 5 een gemengd karakter om dezelfde redenen die gelden voor de avenanten 1 tot 4 bij het akkoord SPOT.

Voor de eerste maal kon binnen de werkgroep `gemengde verdragen' van de Interministeriële Conferentie voor het Buitenlands Beleid geen eensgezindheid worden bereikt om het exclusieve federale karakter van dat akkoord te erkennen. De minister van Wetenschapsbeleid heeft verschillende brieven gestuurd aan de bevoegde gewestministers. Hij heeft nog geen antwoord ontvangen. Het dossier is momenteel nog hangende binnen de werkgroep `gemengde verdragen'.

Ik kom tot het observatieprogramma van de aarde `Pleiades'. De procedure van ondertekening van avenant 6 bij het akkoord SPOT hangt af van de beslissing van de Interministeriële Conferentie voor het Buitenlands Beleid over avenant 5.

Op 15 maart 2005 heeft de Interministeriële Conferentie voor het Buitenlands Beleid het exclusief federale karakter erkend van het akkoord van Moskou van 20 december 2000. De instemmingswet werd aan het parlement voorgelegd. De ratificatie wordt tijdens de komende maanden verwacht. Dit akkoord is een prioriteit voor het Belgische ruimtevaartbeleid.

De instemmingsprocedures voor de samenwerkingsakkoorden inzake ruimtevaart worden dus gefinaliseerd. Er blijven evenwel problemen aangaande de erkenning van de exclusieve federale bevoegdheid inzake de samenwerkingsakkoorden over ruimteonderzoek wanneer die akkoorden betrekking hebben op afgeleide toepassingen zonder deze te regelen.

De interpretatie van sommige kamers van de afdeling wetgeving van de Raad van State leidt volgens ons naar een uitholling van de gereserveerde federale bevoegdheid inzake ruimteonderzoek in het raam van de internationale samenwerking. Gelet op de werking van de Interministeriële Conferentie voor het Buitenlands Beleid lijkt het niet opportuun en zelfs gevaarlijk dat deze tot het gemengd karakter van een akkoord zou besluiten en aldus een precedent zou creëren waardoor elke toekomstige samenwerking inzake ruimtevaart zowel principieel als inhoudelijk aan het voorafgaand akkoord van de gemeenschappen en/of gewesten zou moeten worden onderworpen. Dat zou de efficiëntie en de flexibiliteit van het hele Belgische ruimtebeleid kunnen ondergraven en vooral de industriële return voor de ondernemingen van het hele land in het gedrang brengen.

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Ik dank de minister voor de zeer nuttige verduidelijkingen. Ik deel zijn bezorgdheid inzake de gemengde verdragen? De mogelijkheid dat sommige avenanten als dusdanig kunnen worden beschouwd verontrust me. Er lijkt een nieuwe rechtspraak tot stand te komen, die breekt met de traditie.

Het is in ieder geval betekenisvol dat de voor het onderzoek bevoegde gewestministers zelfs niet antwoorden op de vragen die u hen daarover stelde. Ik nodig de minister uit te blijven drukken op het federale karakter van die verdragen. Het gaat inderdaad over de toekomst van onze ondernemingen in alle gewesten.

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Zelfs al brengt dit onderwerp ons in hogere sferen, de heer Roelants du Vivier en ikzelf blijven op dezelfde golflengte.

Vraag om uitleg van de heer Karim Van Overmeire aan de minister van Werk over «11 juli als betaalde feestdag» (nr. 3-682)

De heer Karim Van Overmeire (VL. BELANG). - Dit jaar viert het Belgische establishment de 175ste verjaardag van de Belgische staat. Voor de gelegenheid werd daaraan ook de viering van 25 jaar federalisme gekoppeld, hoewel het Belgische federalisme een pervers systeem is om de rechten van de Vlaamse meerderheid aan banden te leggen, zoals blijkt uit het dossier Brussel-Halle-Vilvoorde.

De gemeenschappen en de gewesten staan in de Belgische context constitutioneel op hetzelfde niveau als de federale entiteit. Die gelijkschakeling geldt echter nog altijd niet voor de symbolen. Ik verwijs onder meer naar het feit dat militairen niet mogen groeten voor de volksliederen van de gemeenschappen, maar verplicht zijn dat wel te doen voor de nationale hymne. Voorts is de Belgische feestdag sinds jaar en dag een betaalde feestdag voor iedereen, terwijl dat na 25 jaar federalisme nog altijd niet het geval is voor de feestdag van de gemeenschappen, ondanks alle dure eden die er in het verleden ter zake werden gezworen, onder andere door de heren Dewael en Somers als Vlaamse ministers-presidenten. In het verleden werd daarover herhaaldelijk geïnterpelleerd, zowel in de federale kamers als in het Vlaams parlement.

In 2002 en 2003 werd deze discussie op vraag van de regeringspartners en als eerste stap naar een wettelijke regeling overgeheveld naar de Nationale Arbeidsraad, evenwel zonder enig concreet resultaat. De Nationale Arbeidsraad schoof de vraag gewoon voor zich uit en weigerde zich erover uit te spreken.

De huidige federale regering heeft zich er in het regeerakkoord toe geëngageerd `een overleg op [te] zetten met de sociale partners over de opname van de feesten van de gewesten of de gemeenschappen in de lijst van de wettelijke feestdagen, zonder dat daarbij het totaal aantal feestdagen verhoogd wordt.'

Over de resultaten van dit overleg en vooral over de vraag of de erkenning als wettelijke feestdag er dit jaar nog zal komen, hebben wij echter nog niet veel vernomen, wat laat vermoeden dat men nog nergens staat.

Hoever staat het met het overleg met de sociale partners aangaande 11 juli als betaalde feestdag? Werden de gemeenschappen door de federale regering in deze discussie gekend en betrokken? Engageert de minister zich ertoe, gelet op het feit dat 11 juli dit jaar op een maandag valt, ervoor te zorgen dat deze dag nog dit jaar voor iedereen een betaalde feestdag zal zijn?

Mevrouw Freya Van den Bossche, minister van Werk. - Conform het regeerakkoord werd de Nationale Arbeidsraad om advies gevraagd over het wetsvoorstel tot vaststelling van de eerste vervangingsdag op een communautaire feestdag.

De NAR staat open voor de bedoeling van het voorstel, doch de sociale partners zijn geen voorstander van een dwingende wettelijke regeling omdat op die manier wordt ingegrepen in de arbeidsorganisatie. Het geniet soms de voorkeur vervangingsdagen te laten aansluiten op een collectieve verlofperiode of een dag vrij te geven tijdens een stille periode. De NAR is bijgevolg voorstander van het behoud van de huidige wetgeving. Binnen de huidige wetgeving is het perfect mogelijk de communautaire feestdag vrij te maken.

De NAR heeft een aanbeveling gericht aan de sectoren en ondernemingen om zelf te oordelen over de opportuniteit van het voorstel. Ik ben alleszins bereid om een aanbeveling te sturen naar de Paritaire Comités om bijzondere aandacht te vragen voor het implementeren van een dergelijke regeling.

De heer Karim Van Overmeire (VL. BELANG). - Inhoudelijk gezien stelt het antwoord van de minister enigszins teleur. Wij pleiten voor de erkenning van 11 juli als wettelijk betaalde feestdag. De minister beperkt zich tot een aanbeveling en het voeren van het zoveelste overleg. Ik vrees dat er, ondanks de beloften van het regeerakkoord, nog geen enkele vooruitgang in dit dossier is geboekt.

Mevrouw Freya Van den Bossche, minister van Werk. - De passage uit het regeerakkoord luidt: `een overleg op [te] zetten met de sociale partners over de opname van de feesten van de gewesten of de gemeenschappen in de lijst van de wettelijke feestdagen, zonder dat daarbij het totaal aantal feestdagen verhoogd wordt'. Ik heb precies gedaan wat in het regeerakkoord staat. Er werd een overleg opgezet en over het resultaat ervan werd een beslissing genomen.

Vraag om uitleg van de heer Wim Verreycken aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de toename van de verkoop via het internet van narcotica en psychotrope geneesmiddelen» (nr. 3-701)

De voorzitter. - De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen antwoordt.

De heer Wim Verreycken (VL. BELANG). - Het probleem van de verkoop van geneesmiddelen via het internet, dit wil zeggen zonder doktersvoorschrift en zonder medische begeleiding, is sinds lang het voorwerp van een terechte bezorgdheid, zowel in brede kring als in de academische wereld, bij de sanitaire overheden en bij de gerechtelijke instanties. Het verschijnsel vindt steeds meer ingang. Ik heb zonet mijn post nagekeken en daar staan een 24 internetaanbiedingen via spam-mail in. In het bijzonder de verkoop via het net van illegale genotsmiddelen, narcotica en psychotrope geneesmiddelen neemt uitbreiding. Overigens blijken de producten, waarvan het gebruik grote gevaren inhoudt, vaak niet eens te beantwoorden aan de wensen van de besteller, maar gaat het om al dan niet geslaagde nabootsingen.

Ter gelegenheid van de publicatie van het Jaarverslag 2004 van de International Narcotics Control Board (INCB), wordt nogmaals de aandacht gevestigd op de gevaarlijke evolutie in deze materie. Naast inspanningen door de INCB om deze evolutie aan banden te leggen in samenwerking met Interpol, de World Customs Organization, de Wereldgezondheidsorganisatie en de Universal Postal Union, roept de INCB de individuele staten ook op de inspanningen op te drijven en meer bepaald de `internetapotheken' op te sporen en te vervolgen of vleugellam te maken.

Heeft de minister een duidelijk beeld van de veroordelingen die door de Belgische rechtbanken in dit domein werden uitgesproken in de periode 1999-2004? Kan de minister een overzicht geven van de inspanningen die de opeenvolgende Belgische ministers van Justitie en Volksgezondheid sedert 1999 hebben geleverd om tegemoet te komen aan de aanbevelingen zoals geformuleerd door de INCB? Welke initiatieven overweegt de minister in de toekomst te ondernemen om de Belgische inspanningen op te drijven, overeenkomstig de aanbevelingen van de INCB?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - De import van narcotica en psychotrope geneesmiddelen in overtreding met de internationale VN-Verdragen wordt zowel door de diensten van het DG III-Geneesmiddelen als door de diensten van de Douane of de federale politie vervolgd. Die vervolgingen worden georganiseerd op basis van de wet van 24 februari 1921, het koninklijk besluit van 31 december 1930 en het koninklijk besluit van 22 januari 1998.

De import via de post kan op basis van dezelfde wetten en besluiten worden vervolgd. Het is moeilijk de via het internet ontvangen hoeveelheden precies te becijferen en die te onderscheiden van de andere inbeslagnemingen van narcotica of psychotrope geneesmiddelen aan de grenzen. Het eenvoudige aanbod van de gratis verkoop of tegen betaling kan worden vervolgd op basis van de wet op de geneesmiddelen van 24 februari 1921.

De antifraudecel van het DG III levert expertise zodra een verdacht pakje wordt opgespoord. Die postpakken, alsook ingevoerde pakken vallen onder bijzonder toezicht van onze diensten, die samenwerken met de douanediensten. Er moet inderdaad op internationaal niveau of op het niveau van de UNO of op dat van de Pompidou-groep van de Raad van Europa een initiatief worden genomen om de aangeboden vervolgingsmogelijkheden te harmoniseren, vooral om de bron van het aanbod van internetverkoop te vervolgen.

De heer Wim Verreycken (VL. BELANG). - Ik apprecieer het antwoord van de minister. Ik vroeg ook naar de veroordelingen die werden uitgesproken, en daarmee bedoel ik de aanbieders. De minister heeft gelijk wanneer hij zegt dat het zeer moeilijk is de aanbieders te vinden en dat er internationale overeenkomsten moeten zijn om hen te kunnen treffen. Zolang de bron niet wordt drooggelegd, zullen naast de 5% die aan de buitengrens worden tegengehouden, 95% slechte geneesmiddelen bij de klanten terechtkomen.

Er zijn andere inspanningen nodig zoals een internationale overeenkomst die het mogelijk maakt de malafide internetapotheken, die slechte middelen aanbieden, te vatten en te veroordelen. Ik vraag me af wanneer we daaraan iets kunnen doen. Dat is ook een taak voor de internetproviders. Alles wat aangeboden wordt, moet immers via een file transfer protocol poort gaan en kan aan de bron worden tegengehouden als de providers de moeite doen om te scannen op bepaalde woorden en bepalen welke aanbiedingen niet door de poort gaan. Dan zouden we al een hele stap verder zijn. Ik wacht op maatregelen inzake het beteugelen van de internetapotheken.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Ik denk inderdaad dat op internationaal niveau moet worden gereageerd en ook bij de providers. Ik weet niet welke technische oplossing mogelijk is. Ik zal de opmerkingen van de heer Verreycken mededelen aan minister Demotte.

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het koninklijk besluit betreffende het sociaal statuut voor sommige kinesitherapeuten» (nr. 3-710)

De voorzitter. - De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Ik heb de indruk dat de regering de politiek van de lege stoel of van de vervanging speelt om ons te ontmoedigen nog vragen te stellen.

Sinds 2003 hebben de kinesitherapeuten een eigen sociaal statuut, dat werd ingesteld door de programmawet van 22 december 2003 en voor het eerst uitgevoerd door het koninklijk besluit van 23 januari 2004. Er is echter nog steeds geen koninklijk besluit gepubliceerd om het statuut voor het jaar 2004 te regelen. Hierover ondervraagd in de Kamer antwoordde minister Demotte op 9 maart dat er al een ontwerp van koninklijk besluit was opgesteld, dat voor advies aan de minister van Begroting werd overgezonden, maar dat hij het nog altijd niet had teruggekregen. In vergelijking met het vorig koninklijk besluit zouden in het nieuwe ontwerp lagere minimale activiteitsvoorwaarden worden opgelegd aan de kinesitherapeuten, wat wellicht ook een aantal budgettaire gevolgen zal hebben.

Dit zou ook gedeeltelijk het laattijdige karakter van de regeling kunnen verklaren. Ondertussen dreigt evenwel de termijn te verstrijken, want de individuele aanvragen moeten immers worden ingediend vóór 31 maart 2005. Zelfs als er al een advies is en het koninklijk besluit al ondertekend is, moeten de formulieren nog naar de kinesitherapeuten worden gestuurd en moeten zij die vóór 31 maart terugsturen naar de administratie. Er is overigens al een circulaire gestuurd waarin medegedeeld wordt dat uiterlijk 31 december 2004 een contract met een verzekeringsmaatschappij of een pensioenfonds moest worden gesloten of aangepast om in aanmerking te komen voor het sociaal statuur voor 2004.

Heeft de minister van Begroting ondertussen al advies uitgebracht? Zo neen, welk probleem ligt daarvan aan de basis? Zo ja, denkt de minister dat het koninklijk besluit nog tijdig kan worden gepubliceerd?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.

Het ontwerp is op 19 november 2004 naar de minister van Begroting gezonden, die op 9 maart zijn akkoord gaf. Op 16 maart werd het dossier doorgegeven aan de Raad van State, die binnen een maand advies moet uitbrengen. Ik ben mij ervan bewust dat het koninklijk besluit niet zal kunnen worden gepubliceerd vóór 31 maart, de einddatum is waarop de kinesitherapeuten alle documenten over hun statuut moeten indienen bij het RIZIV.

Om betrokken personen niet te straffen, zal ik het RIZIV instructie geven om, zodra er een gunstig advies van de Raad van State is, een omzendbrief te sturen aan alle kinesitherapeuten. In deze omzendbrief zal staan dat ze, te tellen van de publicatie van de omzendbrief, 3 maanden krijgen om hun dossiers in te dienen. Deze administratieve praktijk is vorig jaar al toegepast voor een gelijkaardig probleem en daardoor kon het probleem dat door de vertraging van de publicatie van het koninklijk besluit in 2003 werd veroorzaakt, opgelost worden.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - De omzendbrief zal voor enige opluchting zorgen. Ik stel echter vast dat de regering niet leert uit de problemen van vorig jaar. Dat dreigt bij de betrokkenen als onbehoorlijk bestuur over te komen. Ik dring er bij de minister op aan om zeker voor het statuut van 2005 tijdig het ontwerp van koninklijk besluit op te stellen, zodat het ook tijdig kan worden gepubliceerd.

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de financiering door het RIZIV van geneesmiddelenverstrekking in ziekenhuizen» (nr. 3-643)

De voorzitter. - De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Met zijn recente uitspraken rond het geneesmiddelenverbruik in ziekenhuizen wekte een partijvoorzitter de indruk dat ziekenhuizen aanzetten tot overconsumptie van geneesmiddelen en dat een forfaitaire financiering een oplossing zou bieden. Mijns inziens behoeft die uitspraak enige nuancering. Voor ziekenhuizen gelden een aantal specificiteiten.

In ziekenhuizen worden geneesmiddelen meestal voorgeschreven op basis van een formularium, opgesteld door het medisch-farmaceutisch comité. Bij thuiskomst van de patiënt wordt de medicatie vaak aangepast, zeker als het om generieke geneesmiddelen gaat. Ziekenhuizen kopen de geneesmiddelen zelf aan bij de fabrikant en de terugbetaling door het RIZIV gebeurt op basis van de af-fabrieksprijs. De farmaceutische bedrijven zijn geneigd grote kortingen toe te staan voor geneesmiddelen die in het formularium terechtkomen omdat ze op die manier ook makkelijker nadien in de ambulante sector worden voorgeschreven. In het verleden werd die aspecten herhaaldelijk in het Parlement besproken, en ook met mevrouw De Galand en met heer Vandenbroucke, toen die minister waren in de federale regering.

Naarmate meer nadruk werd gelegd op het rationeel voorschrijven en het voorschrijven van generische geneesmiddelen werd de kloof groter tussen het geneesmiddelenbeleid in de ambulante sector en in ziekenhuizen.

In de ziekenhuizen hebben noch de patiënt noch het ziekenhuis belang bij het voorschrijven van goedkopere geneesmiddelen. Integendeel, geneesmiddelen worden per eenheid gefactureerd tegen de aankoopprijs berekend op de grootste publieke verpakking. Theoretisch is dat voor het ziekenhuis een neutrale operatie. De ziekenhuisapotheek wordt via de B5 van de ligdagprijs forfaitair gefinancierd, weliswaar rekening houdend met de omzet. Maar zoals gezegd staan de farmaceutische bedrijven kortingen toe, hoe duurder het geneesmiddel hoe hoger de ristorno's. Er is dus geen enkele incentive om goedkopere geneesmiddelen aan te schaffen. Het remgeld voor de patiënt wordt forfaitair berekend.

De voorganger van de minister zocht een oplossing door de verplichting in te voeren om nettoprijzen te factureren aan het RIZIV. Die maatregel heeft blijkbaar nooit resultaat opgeleverd en werd overigens ook nooit uitgevoerd. Ik vind het dan ook nogal cynisch dat de voorzitter van een partij waartoe ook minister Vandenbroucke behoort, nu plots het probleem ontdekt.

Sinds 1997 werden om de uitgaven te beheersen forfaits ingevoerd voor de toediening van antibiotica. Professor Closon had in een studie immers de aandacht gevestigd op de grote verschillen inzake geneesmiddelenverbruik bij gelijke pathologie in verschillende ziekenhuizen.

Uit de recente hoorzittingen in de Senaat rond het geneesmiddelenbeleid hebben we geleerd dat het verbruik van geneesmiddelen in ziekenhuizen nog enkele specifieke kenmerken vertoont. In de afgelopen tien jaar is het verbruik er gestegen met 155% en met 480% voor levering door ziekenhuizen aan ambulante patiënten. Vooral dat laatste gegeven springt in het oog. Probleem is ook dat ziekenhuizen vaak gedwongen zijn de thuismedicatie aan te passen als de geneesmiddelen niet in het formularium zijn opgenomen. De verpakking speelt eveneens een rol bij de keuze van de geneesmiddelen. Niet alle geneesmiddelen zijn in unit doses beschikbaar. Het geneesmiddelenbeleid in het ziekenhuis moet volgens mij dan ook worden herdacht.

In de hoorzittingen rond het geneesmiddelenbeleid stelde professor Robays dat 5% van de ziekenhuispatiënten verantwoordelijk zijn voor 50% van het geneesmiddelenbudget. Een rapport van de universiteit van Utrecht over het geneesmiddelenverbruik voorspelt in het gunstigste geval een stijging van niet minder dan 20% per jaar door de introductie van nieuwe dure geneesmiddelen, voornamelijk tegen kanker.

Het opleggen van een budget per pathologie is een mogelijkheid voor een aantal pathologieën. Dat kan ook de zware administratieve lasten in verband met de attesten verlichten. Een veralgemening zou echter een te groot en te eenzijdig risico voor de ziekenhuizen inhouden. Uitzonderingen zullen zeker nodig zijn voor specifieke geneesmiddelen om te verhinderen dat dure patiënten worden doorverwezen en voor de outliers.

Welke is de evolutie de voorbije tien jaar van de uitgaven voor geneesmiddelen afgeleverd door ziekenhuizen, uitgesplitst naar levering aan residenten en aan ambulante patiënten? Welk is de relatieve bijdrage daarin van dure geneesmiddelen? Welke maatregelen stelt de minister voor om de uitgavenstijging onder controle te houden en alle betrokkenen te responsabiliseren? Hoe kan ervoor worden gezorgd dat extra- en intramuraal geneesmiddelenverbruik beter op elkaar worden afgestemd? Wil de minister daarbij een volledig forfaitair budget per ziekenhuis? Hoe zal hij garanderen dat er voldoende ruimte blijft om voor de patiënten nieuwe of verbeterde therapieën beschikbaar te houden?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - De uitgaven voor geneesmiddelen die de ziekenhuizen aan gehospitaliseerde patiënten afleveren, zijn de voorbije tien jaar met gemiddeld 5 tot 6% per jaar gestegen. De uitgaven voor geneesmiddelen die werden afgeleverd aan ambulante patiënten stegen daarentegen jaarlijks met 12,1 tot 26,5%. Vooral de groep van cytostatica is verantwoordelijk voor de sterke stijging.

Er zijn natuurlijk nog andere redenen voor de stijging van de uitgaven. Er komen steeds nieuwe producten op de markt, die een meerwaarde betekenen ten opzichte van huidige behandelingen of die het mogelijk maken om pathologieën te behandelen waarvoor tot hiertoe geen afdoende therapie bestond.

De beschikbaarheid van dergelijke geneesmiddelen moet worden gegarandeerd. Hiertoe moeten alle betrokkenen verantwoordelijkheid op zich nemen. Er werden in dit verband reeds heel wat maatregelen genomen. Zo wordt in de gezondheidswet die nu ter bespreking voorligt, onder meer de wettelijke basis gelegd om de accreditering van artsen te verbinden aan hun voorschrijfgedrag. Ook wordt de mogelijkheid uitgebreid om de individuele patiënten feedback te geven over de geneesmiddelen die hen werden voorgeschreven. Tevens wordt een reeks maatregelen genomen die het mogelijk moeten maken de concurrentie tussen niet-innovatieve producten te verhogen.

Het is de bedoeling om in de ziekenhuizen een pathologie gebaseerd op een forfaitair budget in te voeren voor patiënten die in een klassieke hospitalisatie worden opgenomen. De werkgroep ad hoc in de multipartiete overlegstructuur werd gevraagd een zeer specifiek advies uit te brengen over de vraag of bepaalde innovatieve geneesmiddelen of pathologieën waarvan de behandeling snel evolueert, uit het forfait dienen te worden uitgesloten. Hierbij wordt onder meer gedacht aan cytostatica of dure monoklonale antilichamen, die nu bestaan voor de behandeling van reuma. Die producten worden trouwens voornamelijk in daghospitalisatie toegediend aan ambulante patiënten. Dit verklaart de discrepantie in de stijgingen van het budget voor gehospitaliseerde en voor ambulante patiënten.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Ik dank de minister voor zijn korte antwoord op mijn lange vraag. Dit thema zal zeker nog aan bod komen bij de bespreking van de gezondheidswet.

Vraag om uitleg van mevrouw Margriet Hermans aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de voedselcontrole op ingevoerd vlees en andere producten voor menselijke consumptie» (nr. 3-699)

De voorzitter. - De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Mevrouw Margriet Hermans (VLD). - Jaarlijks worden grote hoeveelheden buitenlands vlees en andere producten voor menselijke consumptie ingevoerd in België. Het gaat hierbij vooral om runds- en kippenvlees uit Zuid-Amerika en vlees van wilde dieren van de antilopenfamilie uit Afrika. Voordat dergelijke landen vlees in de Europese Unie mogen importeren, moeten ze aan een aantal eisen voldoen. Allereerst voeren een aantal EU-inspecteurs een audit uit in het betreffende land. Ten tweede moet het land voldoen aan de EU-residu-richtlijn. Als aan deze eisen is voldaan, mag het land in de EU importeren.

Sinds 1 januari 2000 controleert het FAVV, het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, onze interne voedselketen. Onze voedselproducenten worden aan strenge eisen onderworpen, zoniet worden zware boetes opgelegd. Voedselproducenten en landbouwers zeggen vaak dat de normen die zij opgelegd krijgen van het FAVV totaal niet vergelijkbaar zijn met de normen in de bovenvermelde voedselexporterende landen.

Vaak wordt er te veel vertrouwd op de `zekerheid' die de voedselleverancier geeft over de kwaliteit van het geleverde product. Een voorbeeld hiervan is het recente chilipoederincident. Het voedingsbedrijf in kwestie `... did not carry out its own tests but relied on assurances from a supplier', aldus The Financial Times. Uiteindelijk had het poeder op zijn tocht van producent naar Premier Foods al drie andere eigenaars gekend. Allen gaven ze de garantie dat het poeder kwalitatief in orde was, maar gingen daarbij uit van de garantie die zij van de vorige eigenaar gekregen hadden en blijkbaar was er bij het invoeren van dit product in Groot-Brittannië zelfs geen controle uitgevoerd.

Ik weet dat de invoer van buitenlandse voedingsproducten, vooral landbouwproducten, grotendeels onderworpen is aan Europese richtlijnen, maar toch kreeg ik graag een antwoord op de volgende vragen. Bestaat er in de landen van waaruit België vlees importeert, een orgaan zoals het FAVV? Gebeurt er in die landen een interne controle naar het gebruik van antibiotica, groeibevorderende stoffen, coccidiostatica en dergelijke meer? Zijn de gehanteerde normen vergelijkbaar met de normen van het FAVV? Wordt het ingevoerde vlees in België nog eens onderworpen aan een controle door het FAVV? Wordt er een audit door de Europese Commissie éénmalig uitgevoerd of bestaat er een systeem van permanente evaluatie? Wordt er met andere woorden een audit uitgevoerd nadat er in het betreffende land een epidemie heeft gewoed? Wordt de minister van Volksgezondheid hiervan op de hoogte gehouden?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - De Europese Commissie vertegenwoordigt de Europese lidstaten bij de import van producten, onder andere van dierlijke oorsprong, vanuit derde landen naar de Europese Unie. Het is dan ook de Commissie die de efficiëntie van buitenlandse administraties en controleorganen met betrekking tot voedselveiligheid en dierengezondheid beoordeelt. In deze landen wordt de controle op verschillende manieren georganiseerd. Het gaat van een agentschap zoals het FAVV tot de klassieke splitsing tussen het ministerie van Volksgezondheid en het minister van Landbouw. Een land kiest immers volkomen autonoom zijn bestuursvorm.

Ongeacht de bestuursvorm moet er in elk geval een efficiënt en gestructureerd toezicht op producten van dierlijke oorsprong zijn. Dit toezicht wordt door het Veterinair en Voedselbureau van de Europese Commissie aan een audit onderworpen en in rapporten becommentarieerd. Alle derde landen die producten van dierlijke oorsprong naar de Europese Unie exporteren, moeten een systematisch programma hebben voor het opsporen van residuen en contaminanten op basis van de Europese regelgeving terzake. Ook dit systeem wordt door de Europese Commissie gecontroleerd en goedgekeurd.

De normen voor geïmporteerde producten zijn vergelijkbaar met de Belgische normen. Onze normen zijn immers op de Europese regelgeving gebaseerd. Bij gebrek aan een Europese regelgeving in specifieke gevallen kunnen de normen van de Codex Alimentarius worden gehanteerd.

Ingevoerd vlees wordt op twee plaatsen gecontroleerd. Allereerst is er de controle in de grensinspectiepost. De Europese Unie beschikt over een netwerk van erkende grensinspectieposten waarlangs producten uit derde landen moeten worden ingevoerd. De controle in de GIP omvat steeds een controle van de documenten, een overeenstemmingscontrole en een fysieke controle. Afhankelijk van de risicostatus van de goederen en het derde land worden ook stalen genomen en onderzocht. Dit gebeurt op basis van een risicobeoordeling door het FAVV en op basis van informatie van andere lidstaten via het Rapid Alert System for Food and Feed. Ook ingevoerde goederen die zich al op de Belgische markt bevinden, worden door het FAVV aan een steekproefsgewijze controle onderworpen.

Er wordt minimum één initiële audit door de Europese Commissie uitgevoerd om de doeltreffendheid van de controles in het betrokken derde land te beoordelen. In functie van de sector worden nog bijkomende specifieke audits uitgevoerd. Bijvoorbeeld, op pluimveevlees, op rood vlees en op visserijproducten. Vastgestelde tekortkomingen worden opgevolgd en follow-up-audits zijn mogelijk. De resultaten worden gepubliceerd en zijn toegankelijk voor het publiek op de website van Europa: http://europa.eu.int/comm/food/index.

Bij het uitbreken van ziektes of andere crisissen in derde landen evalueert de Europese Commissie, samen met de experts van de lidstaten de impact ervan op de Europese gemeenschap. De maatregelen die worden genomen variëren van een vraag om bijkomende uitleg, het uitvoeren van specifieke audits, tot een invoerverbod. Bij grootschalige crisissen, zoals de vogelpest in Azië, worden ook technische expertisen in de vorm van knowhow verleend aan derde landen om te helpen de situatie onder controle te krijgen.

Alle Europese lidstaten zetelen in het Permanent Comité voor de Veiligheid van de Voedselketen en de Dierengezondheid, waar deze maatregelen besproken en beslist worden. Deze informatie wordt ter beschikking gesteld van de bevoegde minister.

Mevrouw Margriet Hermans (VLD). - Ik heb de indruk dat de controles ernstig worden genomen. Het is verstandig ons aan die Europese normen te houden. Ook het FAVV is voor een deel daarop gebaseerd. De voedselveiligheid is primordiaal, maar we moeten er wel voor zorgen dat we ons niet buiten de concurrentie zetten.

Vraag om uitleg van de heer Jacques Germeaux aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de kredieten voor de functie Directeur Medische Hulpverlening in de provincie Limburg» (nr. 3-702)

De voorzitter. - De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

De heer Jacques Germeaux (VLD). - Ik heb een aantal vragen over de kredieten voor de functie van directeur medische hulpverlening, DMH, in de provincie Limburg.

Om welke reden heeft de minister de DMH-kredieten, voor de periode 1 februari 2004 - 31 januari 2005, voor Limburg niet laten vastleggen, terwijl in deze provincie toch ernstige inspanningen worden geleverd om het medisch rampenplan zo goed mogelijk operationeel uit te bouwen? Verkeert enkel de provincie Limburg in deze situatie en, zo neen, welke andere provincie werd eveneens uitgesloten en om welke reden?

Welk is het globaal bedrag van de DMH-kredieten die wél werden vastgelegd op basis van de overeenkomsten met de gouverneurs voor de periode van 1 februari 2004 tot 31 januari 2005 en waarvoor worden deze kredieten in hoofdorde gebruikt? Wat is het globale percentage van het bedrag der DMH-kredieten dat in de provincies, die voor de periode 1 februari 2004 tot 31 januari 2005 wél worden betoelaagd, is voorzien als wachtvergoeding voor de DMH-permanentie?

Wat zal de minister ondernemen om de discriminatie tussen de provincies op te heffen, zowel naar het verleden als naar de toekomst? Blijft de minister vasthouden aan het principe dat de DMH-functie enkel kan worden uitgeoefend door een arts die verbonden is aan een spoedgevallendienst of MUG-dienst? Zo ja, op welke reden steunt de minister dan om deze voorwaarde op te leggen?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Ik vrees dat mijn antwoord iets langer is dan de korte vraag van de heer Germeaux. De functie van Directeur Medische Hulpverlening werd door een van mijn voorgangers gecreëerd om de medische interventies te coördineren bij de afkondiging van een medisch rampenplan onder de administratieve supervisie van de federale inspecteurs voor hygiëne.

In de eerste plaats stel ik vast dat deze functie relevant is en dat ze in elke analyse van recente crisissen nog wordt versterkt. Zelf wil ik er alles voor doen om deze functie verder te laten bestaan. De implementatie werd georganiseerd door mijn voorgangers door middel van overeenkomsten tussen de FOD Volksgezondheid op handtekening van de minister en de provinciegouverneurs die zich ertoe verbonden een actieplan op te stellen voor het gebruik van kredieten die werden toegekend voor het creëren van een DMH-functie.

Voor elke procedure wordt de werking na een aantal jaren geëvalueerd. Ik heb mijn administratie gevraagd om de procedure te analyseren en zowel de aanpassing als de verankering ervan in een structuur van administratief vereenvoudigde subsidiëring te overwegen. Deze herstructurering gebeurt ook bij de reorganisatie van de Dienst Medische Hulpverlening van de FOD Volksgezondheid en de hervorming ervan in het raam van de programmawet van juli 2004 tot het creëren van een Medische Dispatching.

De herstructurering van de organisatie van de DMH-functie werd op 7 maart 2005 voorgesteld aan de afgevaardigden van de provinciegouverneurs door mijn projectleider. Er werd een aanpak voorgesteld die de actieve deelname van de provinciegouverneurs inhoudt, zoals het hoort bij een procedure die in volmaakt partnership georganiseerd wordt. Ik twijfel er niet aan dat de gouverneur van Limburg zijn steentje zal bijdragen aan deze hervorming.

Inzake het specifieke dossier van Limburg kan ik de heer Germeaux antwoorden dat de analyse van de provinciale organisatie van de DMH-functie zeer grote ongelijkheden bloot legt, gaande van de weigering om de overeenkomst te paraferen in Luxemburg tot de inschakeling van bepaalde artsen en van ziekenhuizen die een gedeelte van de subsidie ontvangen of zelfs het aanwijzen van een MUG-dienst die als eerste ter plaatse komt als DMH. Dat laatste is het geval in Limburg. Dat komt echter niet overeen met het model dat wij willen, namelijk de organisatie van DMH-wachtdiensten naast de MUG-functie. Bovendien kan de vermenging van de twee functies de interventie hinderen van de MUG-dienst die de rol moet spelen van DMH of van de DMH die in zijn functie van MUG meer bezig moet zijn met het verzorgen dan het organiseren en oplossen van de crisis.

Dat is de reden waarom mijn team op de conventie van 2004 blijkbaar voorbehoud heeft gemaakt voor Limburg. Bovendien was het door de lancering van de reorganisatie van de DMH en de belangrijkste werkterreinen ervan niet mogelijk het dossier tijdig uit te werken om een oplossing te vinden voor het afsluiten van de verbintenissen van 2004. Een van mijn doelstellingen voor 2005 is echter dat ik de gelijke behandeling van de personen op het grondgebied in het raam van een reactie op een crisissituatie wil bevorderen doorheen de werkwijzen van de Dringende Medische Hulpverlening.

Ik kan de heer Germeaux ook geruststellen dat ik de DMH-subsidie wil herzien om ze af te stemmen op de reeds genoemde doelstelling. Ik wil ook de subsidie herzien van de provincies die in 2004 bij gebrek aan een beslissing van de overheid of door een weigering van hun kant niet over een overeenkomst beschikten. Ik wijs er evenwel op dat mijn doelstelling en missie erop gericht zijn de controle van de risico's en de kwaliteit van de interventie te verbeteren en de subsidies zo goed mogelijk voor dat doel aan te wenden. Dat is niet noodzakelijk hetzelfde als een versnipperingsbeleid.

Ik respecteer de inspanningen die de Provincie Limburg heeft geleverd, ondanks het feit dat er geen overeenkomst voorhanden was. In 2004 werd er in totaal 356.000 euro geïnvesteerd voor de organisatie van de Dringende Medische Hulp. De provincies wenden die kredieten op zeer uiteenlopende wijze aan, zodat een hervorming meer dan gewettigd is.

Mijn projectleider heeft de denksporen die aan de basis liggen van mijn beleid, geïllustreerd ten behoeve van de afgevaardigden van de gouverneurs, met name de organisatie van de DMH over het hele grondgebied op basis van objectieve en functioneel verantwoorde criteria; subsidies per prestatie, wat enerzijds een correcte vergoeding en anderzijds de administratieve controle mogelijk maakt; administratieve vereenvoudiging en de gouverneur ontlasten van de onnodige taken waarmee de FOD zich onmiddellijk zou kunnen bezighouden; omschrijving van de functie van de DMH op grond van een krachtige wettelijke basis.

Ik ben van plan om in een nabije toekomst de instrumenten waarmee wij kunnen reageren op medische en gezondheidscrisissen te verbeteren. Dit kan gebeuren zowel via de invoering van een medische dispatching als via de ontwikkeling van de capaciteiten op het terrein, met name via de Dringende Medische Hulp. Ik wil mijn beleid richten op het heden en op de toekomst ten behoeve van alle inwoners over de administratieve grenzen heen. Ik ben ook niet van plan om specifieke acties te ondernemen tegen de ongelijkheden uit het verleden, noch voor Limburg, noch voor andere provincies die kosten zouden kunnen aantonen die van het subsidiebedrag verschillen.

Binnenkort zal er een besluit worden voorgesteld dat de rol van de Dringende Medische Hulp blijvend zal vaststellen. Bijgevolg is het niet zinvol om op de technische besprekingen rond het DMH-profiel vooruit te lopen. Indien men er definitief voor opteert om die rol te laten opnemen door een arts, zal ik met mijn beleid de opleiding van de hulpverleners aanmoedigen en dat is meer dan diplomavereisten opleggen.

De heer Jacques Germeaux (VLD). - Ik dank de minister voor zijn uitgebreid antwoord op mijn korte vraag. Het antwoord op mijn twee eerste vragen vormt wellicht het meest wezenlijke deel van zijn antwoord. Ik zal de gouverneur hiermee confronteren. Het is heel belangrijk om in dezen een definitieve keuze te maken. De antwoorden op de andere vragen zullen daaruit dan automatisch voortvloeien. Ik wacht benieuwd haar reactie af. Zo niet zal ik mij opnieuw richten tot de minister.

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de onrust bij de studenten kinesitherapie» (nr. 3-711)

De voorzitter. - De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Drie weken geleden stelde ik minister Demotte een vraag over deze problematiek en werd zijn antwoord voorgelezen door minister De Decker; vandaag zal minister Dupont het antwoord voorlezen. Ik betreur dat. Het was na het antwoord van enkele weken immers nog niet helemaal duidelijke welke gevolgen de beslissingen van de minister op het terrein zouden hebben. Het was de bedoeling daar vandaag met de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid verder op in te gaan, maar dat is dus onmogelijk. Ik heb opgemerkt dat zowel in Kamer als Senaat al veel aandacht werd besteed aan de onrust bij de studenten kinesitherapie, maar ik vind het toch belangrijk om daarop nog even terug te komen.

Minister De Decker antwoordde drie weken geleden dat SELOR vanaf 2005 de kennis, bekwaamheid en houding zal testen met het oog op de selectie van de kinesisten die in aanmerking komen voor de terugbetaling van nomenclatuurprestaties.

In het academiejaar 2004-2005 zullen ongeveer 395 Nederlandstalige en 216 Franstalige kinesisten afstuderen. Volgens de koninklijke besluiten van 1999 en 2000 kunnen maar 270 Nederlandstalige en 180 Franstalige kinesisten een RIZIV-erkenning krijgen.

We hadden destijds al heel wat vragen bij de wijze waarop de kinesisten zouden worden geselecteerd. Op een bepaald ogenblik was er zelfs sprake van een loting. Dat is inmiddels uitgeklaard. Wij staan achter een aanbodbeperking voor kinesitherapeuten, naar het voorbeeld van de regeling voor artsen en tandartsen. Wij betreuren echter dat de selectie voor de kinesitherapeuten, in tegenstelling tot de tandartsen en artsen, na de studie zal gebeuren door het gebrek aan instroombeperkingen door de gemeenschappen en wij betreuren de late publicatie van het koninklijk besluit dat de criteria en modaliteiten voor de selectie vastlegt.

Op welke datum zal het examen voor de lichting 2004-2005 plaatshebben? Als dat pas in het najaar kan worden georganiseerd, rijst de vraag wat de studenten moeten doen die volgende zomer afstuderen? Moeten ze tot in de herfst wachten om aan de slag te kunnen? Velen zouden onmiddellijk kunnen beginnen als zelfstandige kinesist, in een groepspraktijk of met een tijdelijk contract, maar dat zal niet mogelijk zijn omdat ze het examen nog niet hebben afgelegd. Ze worden als het ware door de minister gegijzeld. We pleiten bijgevolg voor een constructieve oplossing. Ik denk aan een overgangsmaatregel om die studenten te sparen.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - De contingentering in de kinesitherapie is een essentieel gegeven in de planning van het aanbod en de beheersing van de uitgaven. De regering heeft in dit dossier haar verantwoordelijkheid genomen. Iedereen is het er ongetwijfeld mee eens dat een regeling van de instroom bij het begin van de studies een betere beslissing zou zijn geweest. Het is evenwel onmogelijk te beslissen op basis van ingangsexamens. De invoering van een examen voor het verkrijgen van een RIZIV-nummer is de enige mogelijke oplossing voor deze kwestie.

Ik zou het probleem willen relativeren van de tijdspanne tussen het examen aan het einde van de studies en het andere examen, waarvan het resultaat binnen een week na het examen moet bekend zijn. Hoeveel kinesisten beginnen enkele dagen na het beëindigen van hun studies hun beroep uit te oefenen? Hoeveel gediplomeerden die in juni afstuderen, beginnen op 1 juli te werken? Bovendien zal de lange tijdspanne enkel dit jaar een probleem zijn.

Ik begrijp uiteraard de bezorgdheid van de studenten. Het ontwerp van koninklijk besluit geeft de regering de mogelijkheid het examen 2005 pas tot de maand december te organiseren. Het spreekt vanzelf dat die datum een limiet is en dat alle menselijke en materiële middelen zullen worden ingezet om de periode tussen het examen en de zittijd van de maand juni maximaal te beperken.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Ik ben verbijsterd over het antwoord van de minister. Terwijl er aanvankelijk sprake was van oktober of november, heeft hij het nu al over december. Ik geef toe dat niet alle studenten in juli beginnen te werken, maar heel wat studenten zijn om materiële redenen verplicht zo snel mogelijk aan de slag te gaan. Niet iedereen heeft de kans nog maanden op kosten van zijn ouders te blijven leven. Ik blijf aandringen op een billijke oplossing voor de studenten die in juni aanstaande afstuderen. Desnoods moet er in een overgangsmaatregel worden voorzien, waarbij een voorlopige vergunning wordt gegeven. Het is onaanvaardbaar driehonderd Nederlandstalige en tweehonderd Franstalige jong afgestudeerden te gijzelen in de werkloosheid.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - December is de uiterste limiet. Alle menselijke en materiële middelen zullen worden ingezet om het examen vroeger te organiseren.

Moties

De voorzitter. - De heer Hugo Vandenberghe heeft een motie ingediend die luidt:

"De Senaat,

Gehoord de vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele over `de onrust bij de studenten kinesitherapie';

Gehoord het onrustwekkend antwoord van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;

Nodigt de regering uit haar beleid t.a.v. de kinesitherapeuten te wijzigen en tegemoet te komen aan de verantwoorde eisen van die beroepsgroep."

De heer Germeaux heeft een gewone motie ingediend.

-Over deze moties wordt later gestemd.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Mobiliteit over «de controle van de vrachtwagens die gevaarlijke goederen vervoeren» (nr. 3-707)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Uit recente cijfers van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer blijkt dat één op vijf vrachtwagens die gevaarlijke stoffen vervoeren, de zogenaamde ADR-transporten, slecht geladen is. Dat kan ongevallen veroorzaken. Getuige hiervan het recent kantelen van vrachtwagens met gevaarlijke stoffen aan boord. Voor het vervoeren van zulke stoffen bestaan duidelijke voorschriften. Zo zijn de chauffeurs verplicht om een gespecialiseerde opleiding te volgen.

De Federale Overheidsdienst die de ADR-transporten controleert, stelt de voorbije jaren een spectaculaire stijging van het aantal inbreuken op het laden vast. In 2000 waren er 34 overtredingen, in 2004 maar liefst 141. Een op vijf of 141 op 631 gecontroleerde voertuigen was slecht geladen en hield dus een ongevallenrisico in.

Bovendien was vorig jaar bijna de helft van de gecontroleerde vrachtwagens uit binnen- en buitenland niet met alles in orde. Het betrof inbreuken op vervoersdocumenten, keuringscertificaten, opleidingscertificaten, blusapparaten, lekken en uitrusting. De controleurs menen dat de ongevallen niet de schuld zijn van de chauffeurs, maar van de laders of de bedrijven. Deze zouden vanwege de concurrentiedruk de veiligheid vaak veronachtzamen.

Welke conclusies trekt de minister uit deze cijfergegevens? Acht de minister het aangewezen maatregelen te nemen om het vervoer van gevaarlijke goederen te verbeteren? Indien dit het geval is, zal hierover dan overleg worden gepleegd met de betrokken actoren? Wanneer zal dit gebeuren?

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - De zogenaamde recente cijfers van de FOD Mobiliteit zijn cijfers van één ambtenaar die ze blijkbaar heeft gebruikt tijdens een studiedag. Voor mij zijn dat cijfers waaruit ik geen conclusies durf trekken, tenzij dat men meer controleert op de feiten dan op het papier. Maar afleiden dat er meer gevaar zou zijn omdat men beter controleert, lijkt mij zeer gevaarlijk.

Alles wat te maken heeft met controle van vrachtvervoer wordt gereorganiseerd. Daarover wordt overlegd met de sector. Ik hoop weldra met een duidelijker planning naar buiten te kunnen komen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Wat moet ik met een dergelijk antwoord? Misschien heb ik het niet goed begrepen. Wat op een studiedag wordt gezegd, zou volgens de minister niet ernstig zijn. Dat kan ik niet zonder meer aanvaarden. Niet-officiële cijfers duiden vaak een tendens aan. Ik wil niet over cijfers discussiëren, wel over de omvang van het probleem.

Als de cijfers over de controles en over de overtredingen ook maar bij benadering kloppen, dan rijst er een veiligheidsprobleem. Met flitscamera's kan inderdaad niet worden vastgesteld dat de vrachtwagens onwettige ladingen bevatten. Dat neemt echter niet weg dat de situatie gevaarlijk is. Ik verwacht dan ook van de overheid dat ze vlug optreedt tegen die overladingen en verkeerde ladingen van vrachtwagens.

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - In een eerste reactie op de persberichten heb ik reeds gezegd dat die cijfers volgens mij te anekdotisch zijn om er conclusies uit te trekken. Zoals op elke studiedag is de ene bijdrage al beter dan de andere.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Ik vermoed dat de Senaat vertrouwen zal willen schenken aan zijn voorzitter om de agenda van de volgende plenaire vergadering te bepalen. (Instemming)

-De Senaat gaat tot nadere bijeenroeping uiteen.

(De vergadering wordt gesloten om 20.35 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Van dermeersch, om gezondheidsredenen, de heren Dedecker, Delpérée en Destexhe, in het buitenland, de heren Ceder en Cheffert, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 62
Voor: 19
Tegen: 41
Onthoudingen: 2

Voor

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Marcel Cheron, Isabelle Durant.

Stemming 2

Aanwezig: 62
Voor: 41
Tegen: 18
Onthoudingen: 3

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots, Olga Zrihen.

Tegen

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Onthoudingen

Marcel Cheron, Hugo Coveliers, Isabelle Durant.

Stemming 3

Aanwezig: 60
Voor: 39
Tegen: 18
Onthoudingen: 3

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots, Olga Zrihen.

Tegen

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Onthoudingen

Marcel Cheron, Hugo Coveliers, Isabelle Durant.

Stemming 4

Aanwezig: 55
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 1

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Marcel Cheron, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Marc Van Peel, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Mia De Schamphelaere.

Indiening van een voorstel

Het volgende voorstel tot herziening van de Grondwet werd ingediend:

-Dit voorstel zal worden verzonden naar de Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsvoorstel ter vervanging van boek IV van het tweede deel van het Gerechtelijk Wetboek inzake het statuut van de gerechtsofficieren en tot aanvulling van artikel 279/1 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (van de heer Hugo Vandenberghe; Stuk 3-1094/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van de op 16 maart 1968 gecoördineerde wet betreffende de politie over het wegverkeer, teneinde voor bepaalde overtredingen een rechtvaardigingsgrond in te voeren voor geneesheren die in een noodsituatie handelen (van mevrouw Christine Defraigne; Stuk 3-1092/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 30 en 30bis van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, met het oog op de invoering van motorvoertuigverlichting overdag (van de heer Jacques Germeaux c.s.; Stuk 3-1096/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen (van de heer Wim Verreycken; Stuk 3-1102/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel ter koppeling van normen van duurzaam en verantwoord ondernemen aan het verlenen van Belgische overheidssteun voor investeringen in het buitenland (van de heer Lionel Vandenberghe c.s.; Stuk 3-1104/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 1107 van het Gerechtelijk Wetboek (van mevrouw Clotilde Nyssens; Stuk 3-1106/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Voorstel van bijzondere wet

Artikel 77 van de Grondwet

Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van artikel 6, §1, VI, vijfde lid, 6º, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, met het oog op de regionalisering van het handelsvestigingsbeleid (van de heer Jean-Marie Dedecker; Stuk 3-1093/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Voorstellen van resolutie

Voorstel van resolutie betreffende de ontwikkelingssamenwerking binnen de nieuwe lidstaten van de Europese Unie (van de heer François Roelants du Vivier; Stuk 3-1105/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Voorstel van resolutie betreffende het vragenrecht en de geldelijke sanctionering van in gebreke blijvende ministers (van de heer Wim Verreycken; Stuk 3-1107/1).

-Verzonden naar het Bureau.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Evocatie

De Senaat heeft bij boodschap van 22 maart 2005 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor de onwerkzame voorlopige hechtenis, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van sommige bepalingen van het Wetboek van strafvordering (Stuk 3-1100/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Niet-evocaties

Bij boodschappen van 24 maart 2005 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen:

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 67 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen (Stuk 3-1097/1);

Wetsontwerp houdende de plafonnering van de taks op de beursverrichtingen (Stuk 3-1099/1);

Wetsontwerp betreffende de toepassing van het Aanvullend Protocol van 22 september 1998 bij de Internationale Overeenkomst van 5 april 1973 ter uitvoering van artikel III, leden 1 en 4, van het Verdrag van 1 juli 1968 inzake de niet-verspreiding van kernwapens (Stuk 3-1101/1).

-Voor kennisgeving aangenomen.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 17 maart 2005 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 205, §2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake aftrekken van de belastbare winst (Stuk 3-1098/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 18 maart 2005; de uiterste datum voor evocatie is maandag 18 april 2005.

Kennisgeving

Wetsontwerp tot bescherming van de journalistieke bronnen (Stuk 3-670/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 17 maart 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, enerzijds, en de Groot Libisch-Arabische Socialistische Volks-Jamahiriyah, anderzijds, inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend te Sirte op 15 februari 2004 (Stuk 3-951/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 17 maart 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Verenigde Arabische Emiraten inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend te Dubai op 8 maart 2004 (Stuk 3-952/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 17 maart 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, inzake persistente organische stoffen, en met de Bijlagen, gedaan te Århus op 24 juni 1998 (Stuk 3-956/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 17 maart 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en de Republiek Kroatië, ondertekend te Brussel op 31 oktober 2001 (Stuk 3-957/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 17 maart 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en de Republiek der Filippijnen, ondertekend te Manilla op 7 december 2001 (Stuk 3-958/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 17 maart 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst betreffende de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk België en Australië, ondertekend te Canberra op 20 november 2002 (Stuk 3-959/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 17 maart 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, inzake zware metalen, en met de Bijlagen, gedaan te Århus op 24 juni 1998 (Stuk 3-962/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 17 maart 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Internationaal Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen, gedaan te New York op 15 december 1997 (Stuk 3-965/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 17 maart 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Litouwen betreffende de politiesamenwerking, ondertekend te Vilnius op 19 november 2003 (Stuk 3-983/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 17 maart 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, enerzijds, en Bosnië-Herzegovina, anderzijds, inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend te Sarajevo op 3 maart 2004 (Stuk 3-989/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 17 maart 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, gedaan te Straatsburg op 18 december 1997 (Stuk 3-990/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 17 maart 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Parket

Bij brief van 15 maart 2005 heeft de procureur des Konings te Veurne overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Parket van de Procureur des Konings te Veurne, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 15 maart 2005.

Bij brief van 17 maart 2005 heeft de procureur des Konings te Dinant overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Parket van de Procureur des Konings te Dinant, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 16 maart 2005.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Rechtbank van eerste aanleg

Bij brief van 15 maart 2005 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Neufchâteau overeenkomstig artikel 340, §2, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Rechtbank van eerste aanleg te Neufchâteau, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 10 maart 2005.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Arbeidsrechtbank

Bij brief van 9 maart 2005 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbanken te Verviers en te Eupen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Arbeidsrechtbanken te Verviers en te Eupen, goedgekeurd tijdens hun algemene vergadering van 1 maart 2005.

Bij brief van 14 maart 2005 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 11 maart 2005.

Bij brief van 14 maart 2005 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Doornik overeenkomstig artikel 340, §3, 1º en 5º lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Arbeidsrechtbank te Doornik, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 10 maart 2005.

Bij brief van 15 maart 2005 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde overeenkomstig artikel 340, §3, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 11 maart 2005.

Bij brief van 17 maart 2005 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Tongeren overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van de Arbeidsrechtbank te Tongeren, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 15 maart 2005.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Arbeidsauditoraat

Bij brief van 8 maart 2005 heeft de arbeidsauditeur te Hasselt overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Arbeidsauditoraat te Hasselt, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 7 maart 2005.

Bij brief van 10 maart 2005 heeft de arbeidsauditeur te Tongeren overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Arbeidsauditoraat te Tongeren, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 3 maart 2005.

Bij brief van 10 maart 2005 heeft de arbeidsauditeur te Doornik overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Arbeidsauditoraat te Doornik, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 8 maart 2005.

Bij brief van 15 maart 2005 heeft de arbeidsauditeur te Antwerpen overeenkomstig artikel 346, §3, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2004 van het Arbeidsauditoraat te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 11 maart 2005.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Economische Overheidsbedrijven - NMBS

Bij brief van 17 maart 2005 heeft de ombudsman bij de NMBS, overeenkomstig artikel 46 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag 2004 van de ombudsman bij de NMBS.

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.