3-154

3-154

Belgische Senaat

3-154

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 16 MAART 2006 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Onderzoek van de geloofsbrieven en eedaflegging van een nieuw lid

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Verwelkoming van een delegatie

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Staten van Amerika inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door bepaalde gezinsleden van het diplomatiek en consulair personeel, gesloten door uitwisseling van nota's gedagtekend te Brussel op 19 februari 2004 en 18 maart 2004 (Stuk 3-1573)

Ontwerp van bijzondere wet houdende de toekenning van een bijzondere eenmalige toelage ten voordele van de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (Stuk 3-1575)

Wetsontwerp houdende de toekenning van een bijzondere eenmalige toelage ten voordele van de Duitstalige Gemeenschap (Stuk 3-1576)

Wetsontwerp tot wijziging van de programmawet van 27 december 2005 (Stuk 3-1577) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 38, §3quater, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers (Stuk 3-1571) (Evocatieprocedure)

Wetsvoorstel betreffende de afschaffing van de accijnsverhogingen op motorbrandstoffen (van de heren Jan Steverlynck en Etienne Schouppe, Stuk 3-1389)

Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, inzake de fiscale aftrekbaarheid van renovatie- en aanpassingswerken door de eigenaar-verhuurder (van mevrouw Mia De Schamphelaere en de heer Wouter Beke, Stuk 3-1529)

Benoeming van kandidaten voor een mandaat van lid van de Federale Commissie voor medisch en wetenschappelijk onderzoek op embryo's in vitro

Stemmingen

Benoeming van kandidaten voor een mandaat van lid van de Federale Commissie voor medisch en wetenschappelijk onderzoek op embryo's in vitro

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de audit van het Rekenhof omtrent het "human resources management" van de strafinrichtingen» (nr. 3-1444)

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de behandeling van de individuele gratieverzoeken door de FOD Justitie» (nr. 3-1445)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de nationaliteit en het verblijf van de kinderen en "kleinkinderen" van de Belgen die naar Belgisch Congo zijn geëmigreerd» (nr. 3-1463)

Vraag om uitleg van mevrouw Nele Jansegers aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Werk over «de elektronische aangifte van misdrijven bij de politie» (nr. 3-1465)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de trafiek van Subutex naar Georgië» (nr. 3-1468)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Financiën over «de behandeling door de FOD Financiën van de belastingsaangiften van natuurlijke personen voor het aanslagjaar 2005» (nr. 3-1462)

Vraag om uitleg van de heer Lionel Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de uitwijzing van Nepalese vluchtelingen» (nr. 3-1464)

Vraag om uitleg van de heer Francis Delpérée aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de Belgische positie aangaande het proces tegen twee universitairen in Turkije» (nr. 3-1450)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de ontoereikendheid van de archiefwet» (nr. 3-1456)

Vraag om uitleg van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het statuut van de psychotherapeuten» (nr. 3-1447)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «zijn beleid inzake de erkenning van sommige geestelijkegezondheidsberoepen» (nr. 3-1454)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het fertiliteitsbeleid» (nr. 3-1453)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het vaderschaps- en moederschapsverlof» (nr. 3-1460)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Mobiliteit over «de kennis van de chauffeurs van het dashboard van hun wagen» (nr. 3-1467)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin

(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)

Onderzoek van de geloofsbrieven en eedaflegging van een nieuw lid

De voorzitter. - Bij de Senaat is het dossier aanhangig van mevrouw Nele Lijnen, aangewezen als gecoöpteerd senator, ter vervanging van de heer Jacques Germeaux.

Het Bureau is overgegaan tot het onderzoek van de geloofsbrieven van mevrouw Lijnen.

Ik stel u voor onmiddellijk het verslag van het Bureau te horen.

Geen bezwaar?

Dan verzoek ik de heer Brotcorne, rapporteur, kennis te geven van het verslag van het Bureau.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Het Bureau heeft kennis genomen van de aanwijzing die op 9 maart 2006 werd gedaan door de VLD-fractie teneinde te voorzien in de vervanging van de heer Jacques Germeaux, die de eed heeft afgelegd als lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Het Bureau heeft vastgesteld dat het document voorgeschreven door artikel 220, §3, van het kieswetboek, ondertekend is door de meerderheid van de rechtstreeks verkozen senatoren en de gemeenschapssenatoren die tot deze fractie behoren.

Bovendien heeft mevrouw Nele Lijnen, aangewezen als gecoöpteerd senator, bewezen dat zij de door de Grondwet gestelde verkiesbaarheidsvoorwaarden vervult.

Het Bureau heeft dan ook de eer u voor te stellen mevrouw Nele Lijnen toe te laten als lid van de Senaat.

De voorzitter. - Vraagt iemand het woord?

Daar niemand het woord vraagt, breng ik de conclusies van dit verslag in stemming.

-De conclusies van het verslag worden aangenomen bij zitten en opstaan.

De voorzitter. - Ik verzoek mevrouw Nele Lijnen de grondwettelijke eed af te leggen.

-Mevrouw Nele Lijnen legt de grondwettelijke eed af.

De voorzitter. - Ik geef mevrouw Lijnen akte van haar eedaflegging en verklaar haar aangesteld in haar functie van senator. (Algemeen applaus)

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Philippe Mahoux aan de vice-eerste minister en minister van Begroting en Consumentenzaken en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de onterechte kosten die worden aangerekend in de sector van het hypothecair krediet» (nr. 3-1046)

De heer Philippe Mahoux (PS). - Volgens De Tijd van 15 maart 2006, die zich daarvoor baseert op een enquête van de CBFA, hebben verschillende financiële instellingen manifest hun cliënten misleid. Volgens die enquête hebben verschillende banken en kredietinstellingen aan mensen met een hypothecair krediet kosten aangerekend die volgens de wet op het hypothecair krediet niet mogen worden aangerekend. Die kosten liepen soms op tot meer dan 100 euro.

Dat onwettige mechanisme is vrij eenvoudig. De kosten worden opgelegd aan mensen die hun lening willen herfinancieren bij een andere kredietinstelling. Het onderzoek wijst eveneens uit dat ook aan cliënten die hun krediet vervroegd terugbetalen, kosten worden aangerekend. De wet verbiedt dergelijke praktijken.

Welke maatregelen zal de minister nemen om die financiële instellingen ertoe te verplichten hun cliënten terug te betalen, niet enkel zij die klacht hebben ingediend, maar ook zij die misschien nog niet weten dat die kosten onrechtmatig zijn?

Welke maatregelen zal hij nemen, niet alleen ten opzichte van de instellingen die foutief handelen, maar ook ten aanzien van de hele hypothecaire kredietsector, opdat dergelijke misbruiken zich niet meer zouden voordoen?

Denkt hij dat een wetgevend initiatief de gerechtvaardigde vrees van de consument voor dat soort praktijken weg kan nemen?

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - De CBFA heeft in enkele dossiers inderdaad vastgesteld dat hypothecaire kredietinstellingen kredietnemers kosten hebben aangerekend die niet in overeenstemming zijn met de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet.

Volgens artikel 11 van die wet mogen enkel de kosten voor de samenstelling van het dossier en voor de schatting van het onroerend goed en de kosten voor het onderzoek van een vraag tot aanpassing van het krediet aangerekend worden.

De CBFA heeft echter vastgesteld dat in sommige gevallen dossierkosten aan kredietnemers werden aangerekend die de doorhaling van een hypothecaire inschrijving hadden gevraagd na het krediet volledig te hebben terugbetaald. Soms worden ook dossierkosten gevraagd bij een vervroegde terugbetaling. In beide gevallen werd de wet niet nageleefd.

Elke keer dat de CBFA daarover een klacht ontving, heeft ze de hypothecaire instellingen gelast de betreffende kosten terug te betalen. Bovendien heeft de CBFA die hypothecaire kredietinstellingen gevraagd de nodige maatregelen te nemen om alle onwettige kosten terug te betalen, ook aan de personen die nog geen klacht hadden ingediend. Op dat punt is de zaak dus geregeld.

Om in de toekomst elk misverstand te voorkomen, heeft de CBFA midden februari een rondzendbrief gepubliceerd die verschillende aspecten verduidelijkt en eraan herinnert dat uitzonderlijk toegestane kosten in de tarieflijst moeten worden opgenomen.

Aangezien het in dit geval gaat om de toepassing van de wet, lijkt het me op dit ogenblik niet nodig een wijziging van de wet voor te stellen. Door het optreden van de CBFA wordt de wet nu gerespecteerd.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik dank de minister voor zijn antwoord.

Het zou interessant zijn het totale bedrag te kennen dat door alle financiële instellingen werd terugbetaald. Dat maakt het mogelijk om de omvang van die onwettige praktijk te beoordelen.

Dankzij het optreden van de CBFA, de regering en parlementsleden kon de toestand worden rechtgezet. Het is dan wellicht niet meer nodig de wet aan te passen, maar ik kende wel graag het totale terugbetaalde bedrag.

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Ik zal dat bedrag aan de CBFA vragen en dat u meedelen zodra ik het heb ontvangen.

Mondelinge vraag van de heer Stefaan Noreilde aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «een nationaal sms-nummer voor hulpdiensten» (nr. 3-1051)

De voorzitter. - De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid, antwoordt.

De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Vorige week werd het Atomium ontruimd na een bommelding via een sms-bericht.

Jongeren zijn meer geneigd te sms'en dan te bellen via een vaste telefoon. Bepaalde media spelen handig in op het succes van het sms'en en lanceerden de zogenaamde sms-tiplijnen. Op zich is daar niets mis mee. Wel verneem ik van de ordediensten dat daarover een misverstand bestaat. Sommige gsm-gebruikers menen via de sms-tiplijnen de ordediensten te kunnen waarschuwen. Zo werd een overval op een Gentse juwelier eerst gemeld via een tiplijn. Pas heel wat later werden de ordediensten gealarmeerd, waardoor natuurlijk kostbare tijd verloren ging.

De ordediensten kunnen best gewaarschuwd worden via een vaste telefoonlijn, maar anderzijds vraag ik me af of de overheid niet moet inspelen op het succes van het sms'en dat een nieuwe maatschappelijke realiteit is geworden.

Vandaar volgende vragen. Is de minister van oordeel dat de hulpdiensten via een nationaal sms-noodnummer moeten kunnen worden opgeroepen? Zo ja, hoe zal dat worden georganiseerd en tegen wanneer? In ontkennend geval, waarom niet en hoe zal de minister de verwarring bij de burger wegnemen?

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Sms-berichtgeving biedt heel wat mogelijkheden. Er zal meer en meer gebruik gemaakt worden van de mogelijkheid om allerhande informatie door te sturen, bijvoorbeeld over elektriciteits- of gaspannes wat mijn departement Economie betreft.

Ik lees nu het antwoord van minister Dewael.

Ter gelegenheid van een mondelinge vraag van mevrouw Zrihen heb ik met betrekking tot deze kwestie geantwoord dat sms-berichtgeving nuttig kan zijn, zeker voor mensen met spraak- en gehoorproblemen.

Naar aanleiding daarvan heb ik onder meer aan de federale politie gevraagd na te gaan hoe dat kan worden gerealiseerd. Ik werd erop gewezen dat er een aantal valkuilen zijn op operationeel en technisch gebied, die niet te verzoenen zijn met de basisvoorwaarden voor het adequaat uitzenden van noodhulp.

Allereerst is er geen garantie dat een sms-bericht de bestemmeling binnen een gestelde tijd bereikt. Zo kan de oproeper het gevoel krijgen snel te zullen worden geholpen terwijl zijn bericht niet is aangekomen.

Een andere belangrijke contra-indicatie is dat men er nog steeds niet in slaagt gsm-noodoproepen voldoende nauwkeurig te lokaliseren, wat voor de hulpverlening onontbeerlijk is. Voor gesproken gsm-oproepen vormen de gebrekkige lokalisatiemogelijkheden van de oproeper eveneens een probleem, maar dat nadeel kan worden opgevangen omdat de oproeper bekend is en men hem dus kan vragen waar hij zich bevindt, wat bij een sms-bericht niet mogelijk is. Als de medewerkers van de noodcentrales echter moeten bellen naar de verzenders van de sms-berichten dan verhoogt dat hun werklast aanzienlijk. Daartoe zijn de noodcentrales onvoldoende bemand.

Ik begrijp de bekommernis van het geacht lid. Hij wil garanderen dat de burger in nood zo goed mogelijk geholpen wordt. Ik streef hetzelfde doel na en heb daarvoor een systeem ontwikkeld. Om dat systeem adequaat te laten functioneren moeten evenwel bepaalde basisvoorwaarden zijn vervuld.

Dit zijn de vijf basisvoorwaarden. Het oproepnummer moet onmiddellijk beschikbaar zijn voor de noodcentrale. De oproep moet terechtkomen bij de juiste noodcentrale, liefst één per provincie. De oproep moet eenvoudig kunnen worden gelokaliseerd. De hulpvrager moet kunnen worden ondervraagd of het moet duidelijk zijn wat van de politie of niet-politiële hulpverlener wordt verlangd. De oproeper moet kunnen worden geïdentificeerd.

Het lijkt me dus duidelijk dat het invoeren van een sms-nummer voor de nooddiensten geen adequate oplossing is voor het geschetste probleem. Op het eerste gezicht blijkt een sms-noodnummer voor de politie niet te voldoen aan een reeks belangrijke voorwaarden en blijkt het gebruik ervan geen optimale noodinterventie te kunnen garanderen. Naast de reeds bestaande tiplijnen, via welke het publiek zich vandaag tot de media kan richten, zou een bijkomend sms-noodnummer de verwarring wellicht alleen maar groter maken.

Ik heb het probleem ook voorgelegd aan de federale politie. Die heeft al contact opgenomen met de tiplijn om een partnerschap uit te werken. Het is de bedoeling afspraken te maken over eventuele nuttige informatie die de tiplijn aan de politiediensten kan doorgeven. Bedoeling is ook de programmamakers te vragen of ze bereid zijn de burger te laten weten dat het sms-nummer 4040 geen toegang geeft tot de politiediensten.

De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Het is belangrijk dat de minister het probleem erkent en dat hij een partnerschap aankondigt met de media die een tiplijn heeft ingesteld zodat oproepen die voor de ordediensten bestemd zijn, toch terechtkomen.

Ten tweede zal ik nagaan of de opsomde obstakels wel degelijk bestaan. De minister had het over het probleem van de lokalisering. Volgens een Europese richtlijn moet vanaf 2009 elke wagen voorzien zijn van een chip waardoor hij te lokaliseren is. Het wordt dus mogelijk zowel gsm's als auto's te lokaliseren zonder dat daarvoor een oproep nodig is. Het probleem lijkt me dus wel oplosbaar.

Tot slot zal ik de zaak blijven volgen en bekijken welke suggesties ik eventueel nog kan doen.

Mondelinge vraag van de heer Karim Van Overmeire aan de minister van Buitenlandse Zaken over «zijn meningsverschil met de Vlaamse minister van Buitenlands Beleid inzake de moord op de Koerdische familie Ferho» (nr. 3-1050)

De voorzitter. - De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid, antwoordt.

De heer Karim Van Overmeire (VL. BELANG). - Op 2 maart werden in Koerdistan de ouders van Derwich Ferho vermoord, de voorzitter van het Koerdisch Instituut in Brussel en ondertussen een Belgisch staatsburger. Volgens een recent rapport van de Turkse mensenrechtenorganisatie IHD moet ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat het gaat om een politieke moord in opdracht van het Turkse leger. Concrete bewijzen zijn er hiervoor evenwel nog niet.

Vlaams minister van Buitenlands Beleid Geert Bourgeois heeft in een brief aan de Turkse ambassadeur in Brussel meer uitleg gevraagd over de omstandigheden waarin de moord is gepleegd. Daags nadien haalde minister De Gucht in de pers scherp uit naar minister Bourgeois, omdat deze zich op een terrein had gewaagd dat minister De Gucht blijkbaar als zijn exclusief bevoegdheidsterrein beschouwt. In De Morgen zei minister De Gucht letterlijk: `Bourgeois heeft daar geen zaken mee. Hij moet maar naar mij schrijven, en dan vraag ik wel om uitleg.'

Ik heb nog een tweede verhaal. In september vorig jaar en begin dit jaar waren twee landgenoten betrokken bij een verkeersongeval in Cuba. Een Oostendenaar wacht er nog altijd op zijn proces en mag het land niet verlaten. Een Antwerpse reisleidster, die al zeven maanden op het eiland vastzit, werd onlangs tegen alle verwachtingen in tot drie jaar effectieve celstraf veroordeeld. Hoewel Buitenlandse Zaken zegt de dossiers op te volgen, wil de Limburgse gouverneur Steve Stevaert - die blijkbaar ooit met Fidel Castro in de auto zat en zoals bekend een sympathisant van het Cubaanse dictatoriale regime is - in dit dossier rechtstreeks een demarche doen bij het Cubaanse staatshoofd en contacteert hij daarvoor de Cubaanse ambassade in Brussel. De betrokken familie is natuurlijk heel gelukkig. De broer van de dame die in Cuba vastzit, zegt: `Onze moeder heeft de afgelopen zes maanden wel twintig keer met Buitenlandse Zaken gebeld en kreeg telkens te horen dat er geen nieuws was. De heer Stevaert doet tenminste iets.'

Wanneer ik beide verhalen naast elkaar leg, kom ik tot de volgende vragen.

Is de minister van mening dat de ministers van Buitenlands Beleid van deelgebieden geen rechtstreekse contacten kunnen onderhouden met de in ons land geaccrediteerde ambassadeurs over de situatie in de betrokken landen? Kunnen ze dat wel, wat is dan het probleem met de brief van minister Bourgeois? In het boek Internationale betrekkingen en federalisme van de Vlaamse Juristenvereniging, over de bevoegdheden van de ministers van Buitenlands Beleid van de deelgebieden, vind ik alleen maar argumenten om te besluiten dat deze ministers wel degelijk rechtstreeks contact kunnen opnemen met de geaccrediteerde ambassadeurs.

Waarom zegt minister De Gucht dan dat minister Bourgeois eerst contact moet opnemen met hem alvorens een brief te schrijven aan een ambassadeur?

Hebben de federale regering en de Vlaamse regering over dit incident overleg gepleegd?

Indien de minister van Buitenlandse Zaken nog altijd bij zijn standpunt blijft dat minister Bourgeois zijn bevoegdheid overschreden heeft, geldt dit dan ook niet, en nog veel meer, voor de betrokken provinciegouverneur?

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Ik lees het antwoord van minister De Gucht.

De buitenlandse ambassadeurs zijn in ons land geaccrediteerd bij het Koninkrijk België. Het is derhalve de federale minister van Buitenlandse Zaken die de taak heeft officieel bij deze vertegenwoordigers van andere landen te interveniëren en uitleg te vragen.

Dit vloeit voort uit de bepalingen van de Conventie van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 1961. Het geprivilegieerde contact vindt plaats tussen de minister van Buitenlandse Zaken en de ambassadeurs, zoals onder meer in artikel 41 van vermeld verdrag wordt verwoord.

De heer Bourgeois kan als Vlaams minister hoogstens contact opnemen met de Turkse ambassadeur in materies waarvoor de Vlaamse regering bevoegd is. Het ophelderen van een moord is een taak van Justitie en politie en bijgevolg geen Vlaamse bevoegdheid.

De heer Bourgeois heeft wel degelijk zijn bevoegdheid overschreden. Dat geldt niet voor de heer Stevaert omdat die niet als provinciegouverneur is tussengekomen, maar als privé-persoon die goede banden heeft met Cubanen die hoge functies bekleden bij de overheid.

Ik neem nota van het boek waarnaar de heer Van Overmeire verwees.

De heer Karim Van Overmeire (VL. BELANG). - De Turkse ambassadeur kent blijkbaar meer bevoegdheden toe aan minister Bourgeois dan aan minister De Gucht. Hij heeft intussen immers op de brief geantwoord. Wanneer een ambassadeur in ons land wordt geaccrediteerd, dan neemt hij niet alleen contact op met het federale niveau, maar ook met de gewesten en de gemeenschappen.

Op het einde van de vorige legislatuur was er daarop een spijtige uitzondering. De pauselijke nuntius meende dat het niet nodig was om het Vlaamse niveau te kennen. Hij is intussen bijgedraaid.

Ik zal minister Bourgeois in het Vlaams parlement met de uitspraak van minister De Gucht confronteren. Er zit nog stof voor discussie in.

Ik stel vast dat de bevoegdheidsconflicten tussen het Vlaamse en het federale niveau in de pers worden uitgevochten. Er is op federaal en op Vlaams niveau blijkbaar geen enkel contact over dergelijke fundamentele zaken. We moeten via de pers vernemen wat de excellenties erover denken.

Mondelinge vraag van mevrouw Sfia Bouarfa aan de minister van Middenstand en Landbouw over «het voorontwerp van wet inzake de openingsuren» (nr. 3-1047)

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Vrijdag wordt het voorontwerp van wet inzake de openingstijden voorgelegd aan de ministerraad. Dit voorontwerp, dat voornamelijk betrekking heeft op de nacht- en telefoonwinkels, veroorzaakt heel wat angst en maakt een karikatuur van dit soort handelszaken.

Het voorontwerp koppelt de nachtzaken aan veiligheid en overlast, zelfs criminaliteit. Men houdt helemaal geen rekening met het sociale en economische belang ervan.

Kan de minister mij meedelen waarom ze de openingstijden van de nachtwinkels en de maximumhoeveelheid alcohol die 's nachts mag worden verkocht zo strikt wil reglementeren?

Hoe komt het dat een voorontwerp van wet in de pers als een wetsontwerp wordt voorgesteld?

Zal deze tekst, die aan de ministerraad wordt voorgelegd, opnieuw worden onderzocht met meer begrip voor het nieuwe consumentengedrag?

Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat men met deze maatregel terug wil keren naar een bepaalde morele orde.

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw. - Als men een wetsvoorstel of een voorontwerp van wet onderzoekt, mag men niet afgaan op de schijn. Het zou misschien beter zijn als u de tekst eens las. Hij was het voorwerp van een ruim overleg met de middenstandsorganisaties, de consumentenorganisaties en de werknemersorganisaties die vertegenwoordigd zijn in de Raad voor het Verbruik. Iedereen was positief.

Het is totaal verkeerd te zeggen dat de tekst alleen maar het probleem van de nacht- en telefoonwinkels aansnijdt. Deze tekst wil duidelijkheid scheppen door twee wetgevingen te bundelen en zo een wetgeving die meer dan dertig jaar oud is, doorzichtiger maken en aanpassen aan de sociaal-economische evolutie van ons land en aan de noden van de consumenten en de handelaars.

Ik veronderstel dat u als parlementslid van de meerderheid het regeerakkoord kent. Daarin staat dat de gemeenten meer mogelijkheden zullen krijgen om invloed uit te oefenen op de nachtwinkels. Dat staat nu precies in dit voorontwerp van wet.

Gemeenten die dat willen, kunnen een regeling treffen voor de vestiging en exploitatie van nacht- en telefoonwinkels. Lokale mandatarissen, onder meer de burgemeesters van grote steden zoals Luik, Bergen of Schaarbeek, zijn vragende partij voor dit juridische instrument. Op grond daarvan kunnen ze het handelsapparaat in hun gemeente zo goed mogelijk structureren en waar nodig ook de overlast aanpakken van bepaalde zaken die 's nachts open zijn.

Het is ook niet correct te beweren dat mijn voorontwerp van wet de verkoop van alcohol 's nachts beperkt. De enige beperking op de verkoop van alcohol heeft, zoals overigens ook nu al het geval is, betrekking op het terrein van de autosnelwegen. Ik veronderstel dat u niet twijfelt aan het nut van deze maatregel.

Ik spreek me niet uit over de verwarring die in de pers over het voorontwerp van wet en het wetsontwerp is ontstaan. Ik zal dit dossier in elk geval op de komende ministerraad voorleggen. De besprekingen verlopen in een positieve sfeer.

Uit overleg met mijn collega, de minister van Werk, blijkt dat de tekst beantwoordt aan de verwachtingen en het nieuwe gedrag van de consumenten.

Ik heb geenszins de bedoeling alle nacht- en telefoonwinkels te verbieden. Ik betreur dat dit op die manier in de pers werd geïnterpreteerd. Als een stad meer dan 300 telefoonwinkels telt - ik heb me op het terrein begeven, onder meer in Schaarbeek -, kan men zich vragen stellen over het economische belang van de 301ste telefoonwinkel.

Ik heb ook de burgemeester van Doornik ontmoet; die klaagt over de vele nachtwinkels aan het historische plein in Doornik. Dat is wellicht niet de meest geschikte locatie.

Het is de bedoeling de openingstijden van de nachtwinkels vast te leggen tussen 18.00 uur en 7 uur 's ochtends. In tegenstelling tot nu krijgt het college van burgemeesters en schepenen de mogelijkheid om de vestiging van nachtwinkels in hun gemeente beter te regelen of te beperken. Het gaat erom de overlast tegen te gaan, maar nachtwinkels zijn inderdaad een antwoord op het nieuwe consumentengedrag.

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Ik heb de indruk, net zoals de heer Jamar, dat men zich al te ijverig op de kleine ondernemingen richt in plaats van op andere die veel meer frauderen. Ik heb meer bepaald gewezen op het probleem van de bouwsector. De heer Jamar heeft overigens onderzoek gedaan naar het zwartwerk in deze sector.

Ik ben het met u eens: in sommige straten in Schaarbeek zijn er telefoonwinkels in overvloed. Men moet echter de mensen niet straffen. Hoe komen ze aan een vergunning om dit soort handel te openen?

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw. - Er is momenteel geen vergunning nodig. Dat is precies het probleem.

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Ze hebben toch toestemming om deze winkels te openen?

U zegt dat u de problemen in verband met de telefoonwinkels wil aanpakken. Er kunnen ook problemen zijn op het vlak van stedenbouw, leefmilieu, politie of nabuurschap. Ik ben ervan overtuigd dat het 's avonds veiliger is op plaatsen waar er telefoonwinkels zijn, want in bepaalde wijken zijn het de enige handelszaken die open blijven.

Ik heb deelgenomen aan discussies met een honderdtal handelaars. In de meeste gevallen zijn dat jongeren die zich op het vlak van werkgelegenheid gediscrimineerd voelen. Voor hen is er maar één oplossing, namelijk dit soort handelszaken openen.

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw. - Het probleem is dat er momenteel geen vergunning nodig is. De gemeentebesturen beschikken momenteel over geen enkel instrument om de vestiging van de 301ste telefoonwinkel in Schaarbeek te verbieden. Misschien weet u dit niet, maar als er niet wordt gebouwd, is er geen bouwvergunning nodig. Voor een handelszaak van minder dan 400 m² is evenmin een officiële toestemming nodig.

Met dit ontwerp wil ik een instrument aanreiken.

U vindt dat het beter is voor de veiligheid. De burgemeester van Bergen zegt echter dat deze handelszaken in bepaalde wijken van de stad de onveiligheid in de hand werken.

Het is niet mijn bedoeling nachtwinkels te verbieden, maar de gemeenten de mogelijkheid te geven ze beter te regelen.

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, ondervoorzitter.)

Mondelinge vraag van de heer Joris Van Hauthem aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het paramedisch interventieteam in Halle» (nr. 3-1049)

De voorzitter. - De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk, antwoordt.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - De problematiek van de ontoereikendheid van de mobiele urgentiegroepen in het zuidwesten van Vlaams Brabant, inzonderheid wat het taalgebruik betreft, slepen wij al vele jaren met ons mee. Zowel in de Kamer als in de Senaat is de kwestie al meermaals ter sprake gekomen.

Op een bepaald moment dacht de minister van Sociale Zaken de oplossing te hebben gevonden met een gezamenlijke MUG voor Halle en Tubeke, maar ook dat voorstel is afgevoerd.

In 2005 kwam er dan toch een principeovereenkomst en een begin van oplossing, zij het een nog zeer onvoldragen, met de belofte van de minister dat hij maatregelen zou nemen. Het gaat er niet om dat dit gebied op het ogenblik niet wordt bediend door een MUG, maar wel dat er nu een MUG van over de taalgrens moet komen. Eigenlijk zou elke MUG, zowel die van Luik als die van Oostende, tweetalig moeten zijn, maar ik neem aan dat dit in de praktijk zeer moeilijk te realiseren is. In taalgrensgebieden, zoals het Pajottenland, mogen we dat echter wel verwachten.

Het eindresultaat dat ons uiteindelijk beloofd werd, was de oprichting van een soort van MUG light, intussen een Paramedisch Interventieteam of PIT genoemd. In feite gaat het om een gewone ambulance, weliswaar met een speciale apparatuur aan boord en met een ambulancier en een speciaal opgeleide verpleger, maar zonder een arts met de kwalificatie van een spoedarts. Het PIT zou wel in telefonische verbinding staan met een spoedarts van het ziekenhuis, in dit geval het Sint-Mariaziekenhuis van Halle.

Wij vernemen nu dat deze halve oplossing in feite helemaal geen oplossing is. Er wordt immers gezegd dat de overeenkomst die de minister ter ondertekening aan het Halse ziekenhuis zou hebben voorgelegd, vermeldt dat de arts van het betrokken ziekenhuis er helemaal niet aan te pas mag komen. Indien, nadat het PIT is uitgerukt, alsnog een arts ter plaatse moet komen, moet er een MUG uit Brussel of Tubeke worden bijgeroepen. Indien dit zo is, dan zijn we terug waar we begonnen zijn, namelijk nergens. Want in feite gaat het dan alleen om een snelle ambulance.

Naar verluidt is evenmin duidelijk wat het interventiegebied van het PIT is en het is zelfs mogelijk dat een aantal Vlaams-Brabantse gemeenten die al met deze problematiek te maken kregen, zoals Galmaarden, Herne en Herfelingen, opnieuw uit de boot vallen. Deze onzekerheid zou verband houden met een op handen zijnde hervorming van de 100-centrales.

Wat is de huidige stand van zaken in dit dossier?

Is het correct dat voor de inschakeling van een arts alleen een beroep zal mogen worden gedaan op een MUG van Brussel of Tubeke en zo ja, waarom?

Welke bepalingen zijn opgenomen in de overeenkomst die de minister het Halse ziekenhuis ter ondertekening heeft voorgelegd? Wat zijn de struikelblokken?

Wat is het werkingsgebied van dit PIT?

Hoe zit het met de financiële aspecten van dit probleem? Wie moet wat betalen?

De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.

Het regionaal ziekenhuis Sint Maria te Halle heeft de door mij voorgelegde overeenkomst ondertekend. Dit dossier bevat dan ook geen knelpunten. In deze overeenkomst is bepaald dat in het Zuidwesten van Vlaams-Brabant het Paramedisch Interventieteam zal worden uitgestuurd, zelfs wanneer een MUG noodzakelijk is. Dat wil zeggen dat bij elk slachtoffer of bij elke patiënt een Nederlandstalige equipe aanwezig is. Als de tussenkomst van een MUG noodzakelijk is, zal het oproepcentrum in Brussel in beginsel de dichtstbijzijnde beschikbare MUG oproepen. Indien nodig kan het oproepcentrum ook een arts van de wachtdienst oproepen.

De kosten voor de uitbating van het Paramedisch Interventieteam worden door de federale overheid aan het betrokken ziekenhuis uitbetaald.

Ik heb reeds uitvoerig de meerwaarde van een Paramedisch Interventieteam voor de volksgezondheid toegelicht.

Ik stel met genoegen vast dat niet alleen het ziekenhuis te Halle, maar ook een aantal andere ziekenhuizen hun kandidatuur voor een Paramedisch Interventieteam hebben ingediend. Daarenboven is iedereen tevreden over deze werkwijze, die reeds gedurende tien jaar door het Universitair Ziekenhuis te Leuven toegepast wordt.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Het is een nieuw gegeven dat het ziekenhuis te Halle alsnog de overeenkomst heeft ondertekend.

Het oproepcentrum bepaalt of er een MUG moet uitrukken. Indien geen MUG noodzakelijk is, wordt een Paramedisch Interventieteam gestuurd. Er is dus niets bereikt, want het was net de bedoeling dat het zuidwesten van Vlaams-Brabant door een MUG met Nederlandstaligen zou worden bediend. Een PIT is niet meer dan een zeer snelle ziekenwagen. Als een MUG moet worden gestuurd, zal die nog steeds uit Tubeke moeten komen, want in Halle is er enkel een Paramedisch Interventieteam. Ik geef toe dat het ziekenhuis van Halle ook voor een deel verantwoordelijkheid draagt voor deze situatie.

De minister verwijst naar het proefproject in Leuven, maar in Leuven is ook een MUG. Ik heb de indruk dat, naar aanleiding van de problematiek van de afwezigheid van een Nederlandstalige MUG in een bepaalde streek, heel het concept van de MUG, dat gebaseerd is op de aanwezigheid van een arts, op de helling wordt gezet. Blijkbaar wil de minister stilaan overal de MUG's vervangen door PIT's, waarin geen arts aanwezig is. Dat is voer voor een volgend debat.

Mondelinge vraag van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de wachtposten voor huisartsen» (nr. 3-1053)

Mondelinge vraag van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de subsidiëring van huisartsenwachtposten» (nr. 3-1055)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming). De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk antwoordt.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Ik vind het bijzonder jammer dat de minister van Sociale Zaken niet aanwezig is. Ik hoop dat het geen precedent is en dat de bevoegde ministers toch nog naar de Senaat zullen komen om op de mondelinge vragen te antwoorden.

Er is beroering ontstaan bij de betrokkenen van nochtans goedlopende experimenten inzake wachtposten van huisartsen in enkele Vlaamse steden. De werkwijze met wachtposten heeft veel voordelen. Ze is meer collegiaal, er is dag en nacht een permanentie en ze is de eerste stap naar een ontlasting van de spoeddiensten, wat wenselijk is in het licht van de gezondheidseconomie. De spoeddiensten moeten niet worden overbelast met interventies die er niet thuishoren.

Met het recente koninklijk besluit over de wachtposten van huisartsen gebeurt opnieuw een verdeling volgens Waalse en Brusselse parameters. We hebben dit meermaals meegemaakt in het beleid van minister Demotte: of het nu ging over psychiatrische dagcentra, over palliatieve dagcentra of over de goedlopende experimenten in Vlaanderen inzake de bijzonder opvang voor geïnterneerde personen, steeds opnieuw poogde de minister de financiering van deze experimenten af te bouwen indien ze niet even goed op gang kwamen of niet slaagden in Wallonië of Brussel.

De verdeling die in het huidige koninklijk besluit is vastgelegd, is vooral toegespitst op de Brusselse situatie. Er wordt enkel een subsidie aan wachtposten toegekend in steden met meer dan 150.000 inwoners, zodat bijvoorbeeld de wachtposten in Brugge, Herentals en Turnhout dreigen te worden opgedoekt. Dit koninklijk besluit is een voortzetting van de nogal enge federale visie van minister Demotte.

Kan de minister duidelijkheid brengen inzake de bestaande Vlaamse wachtposten van huisartsen?

De heer Patrik Vankrunkelsven (VLD). - Mevrouw De Schamphelaere heeft mijn bekommernis uitermate goed verwoord. Toch wil ik er nog enkele vragen aan toevoegen.

De minister heeft een koninklijk besluit genomen om de wachtposten van huisartsen te subsidiëren. Verwonderlijk is dat hij voorbijgaat aan een reeks bestaande initiatieven van Vlaamse huisartsen die samen een wachtpost verzekeren. Het koninklijk besluit is alleen gericht op de situatie in grote steden zoals Antwerpen, Brussel, Charleroi en Luik, want het stipuleert dat een wachtpost minstens 150.000 inwoners moet bedienen. Bovendien is alleen een avondpermanentie van 19 tot 24 uur verplicht.

Feitelijk sluit dit voorstel de kleinere wachtdiensten uit. Nochtans bestaan al geruime tijd goed werkende wachtposten, bijvoorbeeld in Deurne-Borgerhout en sinds kort ook in Brugge, Herentals en Turnhout. Zal de minister een nieuw besluit nemen om ook die initiatieven te ondersteunen?

Het recente koninklijk besluit maakt naast de weekendpermanentie, alleen de avondpermanentie van 19 tot 24 uur verplicht. Wil de minister daarmee het signaal geven dat de huisartsen geen nachtwachtdienst meer moeten organiseren? Of moeten de huisartsen dat in Brussel, Antwerpen, Luik en Charleroi toch nog op eigen kracht blijven doen? Of zijn nachtwachtdiensten te onveilig en moeten de mensen zich 's nachts tot een ziekenhuis wenden? Daarover zou ik graag meer duidelijkheid krijgen.

Het koninklijk besluit is eigenlijk een kaakslag voor de goed georganiseerde initiatieven in Vlaanderen. Ik dring er dan ook op aan dat de minister het koninklijk besluit bijstuurt.

De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.

Met het koninklijk besluit van 13 januari 2006, dat gepubliceerd werd in het Belgische Staatsblad van 21 februari 2006, krijgt de financiering van de huisartsenwachtposten in grote steden een reglementair kader. Zo wil ik tegemoetkomen aan de noden van de dringende huisartsgeneeskundige hulp in de verschillende grote steden in de onderscheiden gewesten van ons land.

Krachtens het koninklijk besluit van 16 januari 2003 genieten de kleinschalige initiatieven in Vlaanderen waarnaar de vraagstellers verwijzen, momenteel een experimentele financiering. We zullen die experimenten evalueren en op grond daarvan voor de gebieden buiten de grote steden een financieringssysteem voor gelijkaardige initiatieven uitwerken.

Het is geenszins de bedoeling om de eerstelijnszorg in de grote steden uit te schakelen van 24 uur tot 8 uur 's morgens. Voor die periode blijven dezelfde regels van kracht en kan een beroep worden gedaan op de individuele huisarts of op een groep van huisartsen die onderling afspraken hebben gemaakt.

De financieringsvoorwaarden voor wachtposten van huisartsenkringen die een centraal oproepnummer inrichten, zijn opgenomen in het koninklijk besluit van 21 oktober 2005.

Ik heb mij niet eenzijdig laten leiden door Franstalige experimenten. Het eerste koninklijk besluit is inderdaad gericht op de grote steden, maar ik werk nu aan een tweede besluit dat op de kleine steden en op het platteland is gericht.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Dat antwoord zou ik positief vinden, mocht ik weten wanneer dat tweede koninklijk besluit voor de kleinschalige initiatieven zal worden gepubliceerd. Iets beloven is één zaak, zekerheid is een andere en die zullen we pas hebben als het nieuwe besluit gepubliceerd is.

Mondelinge vraag van de heer André Van Nieuwkerke aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de oneigenlijke plaatsingen in de gemeenschapsinstellingen» (nr. 3-1054)

De voorzitter. - De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk, antwoordt.

De heer André Van Nieuwkerke (SP.A-SPIRIT). - Er heerst in de gemeenschapsinstellingen opnieuw sociale onrust over de oneigenlijke plaatsingen.

De gemeenschapsinstellingen De Zande - in Ruiselede voor jongens en in Beernem voor meisjes - en De Kempen - beter bekend als `Mol' en enkel voor jongens - zijn verplicht om alle jongeren op te nemen die door een maatregel van de jeugdrechter naar hen worden doorverwezen. Dat heeft tot gevolg dat niet alleen jongeren met een criminogeen profiel in deze instelling terechtkomen, maar ook jongeren die, naast hun delinquent gedrag, ook duidelijke psychiatrische problemen hebben en voor wie geen alternatieve opvangmogelijkheden voorhanden zijn.

Eind 2005 moesten de campussen Beernem en Ruiselede opnieuw jongeren opnemen wier gedragstoornissen een onmiddellijke opname in een gespecialiseerde instelling vereisten, waar hun een adequate therapie zou moeten kunnen worden geboden. Hun aanwezigheid in de leefgroepen van de betrokken instellingen zorgde voor onoverkomelijke problemen inzake begeleiding, dagelijkse routine en leefbaarheid voor de andere residenten.

Die situatie is niet nieuw. Ik herinner de minister eraan dat ze reeds in 2002, 2003 en 2004 stakingen veroorzaakte. Vandaag wordt vastgesteld dat er nog geen enkele oplossing werd aangereikt.

Begin deze week hadden de vakbonden een onderhoud met Vlaams minister van Welzijn, Inge Vervotte. Een logische stap in deze problematiek is te zorgen voor extra bedden voor delinquenten in de kinderpsychiatrie en de forensische kinderpsychiatrie. Er zouden acht extra bedden kunnen komen in Antwerpen en acht in Geel, maar daarvoor moet eerst een samenwerkingsakkoord tussen de ministers Vervotte, Onkelinx en Demotte worden ondertekend. Minister Demotte zou niet bereid zijn om dat akkoord te ondertekenen.

Op maandag 20 maart 2006 is een overleg met de vakbonden gepland. Ik vraag minister Demotte met aandrang om een einde te maken aan deze jarenlange mistoestand.

Is de minister bereid om samen met de andere betrokken ministers naar een duurzame oplossing te zoeken en ze te concretiseren?

De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.

Ik wens eerst en vooral te benadrukken dat de gemeenschapsinstellingen onder de bevoegdheid van minister Vervotte van de Vlaamse Gemeenschap vallen en dat het probleem van wachtlijsten en werkdruk van de opvoeders in die instellingen niet zal worden opgelost door extra K-bedden. De titel van het recent verschenen persartikel Vervotte schuift `hete aardappel' De Zande door naar Demotte is veelzeggend.

Bovendien is de logische stap die de heer Van Nieuwkerke in de vraag beschrijft, namelijk de financiering van 16 K-bedden voor forensische kinderpsychiatrie in Vlaanderen, al uitgevoerd. Via de FOD Volksgezondheid financier ik vandaag al 8 bedden in Antwerpen en 8 in Geel, in de vorm van projecten.

Tot slot is het vermelde samenwerkingsakkoord een voorstel van de Vlaamse Gemeenschap. Ik heb mijn administratie recentelijk de opdracht gegeven dit voorstel te vertalen, zodat het kan worden besproken in het begeleidingscomité waaraan de door mij gefinancierde projecten deelnemen.

Het probleem van de moeilijk te begeleiden minderjarigen of jongeren met een uitgesproken psychiatrische aandoening die in gemeenschapsinstellingen voor bijzondere jeugdbijstand zijn opgenomen, is me echter voldoende bekend, alsook de noodzaak aan dringende maatregelen.

Het acute karakter van die problematiek indachtig, werd al een eerste overleg georganiseerd tussen vertegenwoordigers van het kabinet van minister Vervotte en vertegenwoordigers van mijn kabinet en administratie. Het meest recente overleg vond op 28 februari 2006 plaats.

Tijdens dit overlegmoment tussen het Vlaamse en federale kabinet werd onder meer afgesproken dat zal worden onderzocht in welke mate de samenwerking tussen de deelnemers aan het federale proefproject `GGZ-jeugd met betrekking tot psychiatrische zorg voor kinderen en jongeren in de thuissituatie door middel van outreaching' en de betrokken gemeenschapsinstellingen voor bijzondere jeugdbijstand kan worden geïntensifieerd.

Mondelinge vraag van mevrouw Christel Geerts aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de oprichting van een Europees instituut voor gelijke kansen» (nr. 3-1052)

De voorzitter. - De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk, antwoordt.

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Voor een gelijke kansenbeleid is het belangrijk over een aantal institutionele mechanismen te beschikken, zoals bijvoorbeeld een Instituut voor gelijke kansen. Er bestaan plannen om in 2007 een Europees instituut voor gelijke kansen op te richten. Het zou opportuun zijn dit instituut in Brussel te huisvesten, nabij de andere Europese besluitvormingsechelons.

Heeft de regering hiertoe reeds een gemotiveerde kandidatuur ingediend?

Is zij op de hoogte van het feit dat andere landen wel al een gemotiveerde kandidatuur hebben ingediend?

Zijn er hierover gesprekken gaande met de diverse Belgische institutionele mechanismen zoals Amazone en de Raad van de Gelijke Kansen?

Komt dit thema aan bod op de Europese Top gelijke kansen van volgende week?

De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. - Ik lees het antwoord van minister Dupont.

Ik weet dat verschillende landen reeds hebben gevraagd om het op te richten Europees Genderinstituut te huisvesten. Op de Europese Raad van 12 en 13 december 2003 zijn de ministers overeengekomen voorrang te geven aan de nieuwe lidstaten voor de vestiging van nog op te richten bureaus of agentschappen. Toch heb ik de vestiging van het Europees Genderinstituut te Brussel geagendeerd op de interministeriële conferentie Integratie in de Maatschappij van 8 februari 2006. Met de steun van de ministers van Gelijke Kansen van de gemeenschappen en de gewesten heb ik er bij minister De Gucht op aangedrongen de mogelijkheid te onderzoeken dat België zich kandidaat zou stellen om het Europees Genderinstituut te huisvesten.

Brussel is immers de meest geschikte plaats als we de effectiviteit van de werking van dit Instituut en het rationeel gebruik van de middelen die ter beschikking staan van dit Instituut willen waarborgen.

De taak van gendermainstreaming en de andere opdrachten van dit Instituut vereisen de nabijheid van de zetels van de belangrijkste Europese instellingen. Ook de aanwezigheid van het grootste aantal burgers van de verschillende lidstaten en van de zetel van de vertegenwoordigers van de burgermaatschappij, namelijk de Europese vrouwenlobby, en van de organisatie van de sociale partners op Europees niveau zullen het verwezenlijken van de opdrachten van het Europees Genderinstituut vergemakkelijken. De huisvesting van dit Instituut in ons land zou uiteraard ook een waardering voor Brussel en voor de Belgische actie inzake gelijke kansen betekenen en de Belgische initiatieven inzake onderzoek en deskundigheid met betrekking tot gelijkheid tussen mannen en vrouwen dynamiseren, verder ontwikkelen en zichtbaar maken.

Ik ken het advies van de Raad van de Gelijke kansen voor mannen en vrouwen en van de vrouwenorganisaties in deze materie.

De huisvesting van het Genderinstituut staat echter niet op de agenda van de Europese top van volgende week.

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik heb daarover gemengde gevoelens. Ik ben wel blij dat de minister nog uitvoeriger dan ikzelf wees op het belang van de huisvesting van het Instituut in Brussel. Het verontrust mij echter dat de minister zei dat hij aan minister De Gucht gevraagd heeft die mogelijkheid te onderzoeken. Daaruit leid ik immers af dat er nog geen gemotiveerde kandidatuurstelling werd ingediend. Ik dring er op aan dat vooralsnog te doen. Als ik goed werd ingelicht, hebben andere landen dat al wel gedaan. Als wij dit zo belangrijk vinden, moeten we dit ook aan Europa tonen.

Mondelinge vraag van de heer Luc Willems aan de minister van Werk over «de wijziging van het bevoegdheidsgebied van het Paritair Comité voor arbeid via dienstencheques» (nr. 3-1045)

De heer Luc Willems (VLD). - Uit een recente publicatie in het Belgisch Staatsblad blijkt dat wordt overwogen om bij koninklijk besluit de bevoegdheid van paritair comité nr. 322 voor de uitzendarbeid en de erkende ondernemingen die buurtwerken of buurtdiensten leveren te wijzigen.

Ondernemingen die een andere hoofdactiviteit hadden dan het leveren van uitzendarbeid, buurtwerken of buurtdiensten via dienstencheques, konden daartoe binnen hun bedrijf een afdeling sui generis oprichten. Voor de werkzaamheden die via dienstencheques werden uitgevoerd, waren zij tot nu toe niet onderworpen aan de CAO van het paritair comité waaronder hun hoofdactiviteit ressorteerde, maar aan de gunstigere CAO van het voormelde paritaire comité nr. 322.

Dat blijkt ook uit de documenten die de RVA ter beschikking stelde van deze ondernemingen bij hun aanvraag tot erkenning, waarbij men inderdaad kon opteren voor het oprichten van een aparte, sui generis afdeling.

Door de vooropgestelde wijziging van de bevoegdheid van het paritair comité nr. 322 zal hierin echter verandering komen.

Wat zijn de achtergronden van de vooropgestelde wijziging van de bevoegdheid van het paritair comité nr. 322?

Is de minister zich bewust van de gevolgen van een dergelijke wijziging voor bedrijven die arbeid via dienstencheques aanbieden in het kader van een sui generis afdeling binnen hun onderneming?

Wordt de rechtszekerheid van ondernemingen, die werknemers tewerkstellen met een arbeidsovereenkomst dienstencheques in het kader van een sui generis afdeling van hun bedrijf, in de toekomst gewaarborgd?

De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. - Zoals onder andere blijkt uit het evaluatierapport 2004 over het stelsel van de dienstencheques bestond er enige onduidelijkheid in verband met de bevoegdheid van de paritaire comités.

In de huidige situatie heeft het paritair subcomité 322.01 een subsidiair karakter en is het enkel bevoegd indien geen ander paritair comité bevoegd is. Er is voornamelijk onduidelijkheid voor ondernemingen die verschillende dienstencheque-activiteiten uitoefenen. In een dergelijk geval is in principe het paritair subcomité 322.01 bevoegd. Anderzijds geldt de algemene regel dat de bijkomende activiteit de hoofdactiviteit volgt. Het is vaak moeilijk uit te maken of het gaat om gemengde activiteiten zodat paritair subcomité 322.01 bevoegd is, dan wel of het gaat om een situatie waarin de hoofdactiviteit primeert.

Het spreekt vanzelf dat het niet wenselijk is dat een werkgever oordeelt dat hij onder paritair comité X valt, om daarna geconfronteerd te worden met een advies van de administratie dat eigenlijk paritair comité Y bevoegd zou moeten zijn.

De sociale partners uit de sector hebben mij dan ook een unaniem advies bezorgd tot wijziging van de bevoegdheid van het paritaire subcomité 322.01. Dit voorstel vanuit de sector heeft geleid tot de bekendmaking op 15 februari 2006 van het voornemen tot wijziging van het bevoegdheidsdomein betreffende het bedoelde paritair comité.

Het voorstel vanuit de sector beoogt duidelijkheid te verschaffen over de bevoegdheid van het paritair comité.

De wijziging van het bevoegdheidsdomein van het paritair subcomité 322.01 brengt in principe alle werknemers die werken met dienstencheques onder dit paritair subcomité. Als belangrijke uitzonderingsregel is bepaald dat in situaties waarin de dienstencheque-activiteiten een sui generis-afdeling van een onderneming vormen, de dienstencheque-werknemers het paritair comité volgen van deze onderneming.

De situatie zal dus veel duidelijker zijn: de werknemers van een onderneming die enkel dienstencheque-activiteiten uitvoert, zullen dus onder paritair subcomité 322.01 vallen. De werknemers van een sui generis-afdeling dienstencheques vallen onder het paritair comité van het moederbedrijf.

Het door de sociale partners gedane voorstel beoogt zoveel mogelijk de onduidelijkheid weg te nemen voor alle ondernemingen die dienstencheque-activiteiten verrichten. Het is mijn mening dat dit voorstel daar inderdaad toe zal bijdragen en bovendien ben ik van oordeel dat dit voorstel een belangrijke vooruitgang betekent ten opzichte van de huidige situatie.

De heer Luc Willems (VLD). - Ik dank de minister voor zijn antwoord.

Concreet betekent dit dus dat ondernemingen die bijvoorbeeld al schoonmaakactiviteiten verrichtten voor bedrijven en de dienstencheque-activiteiten erbij genomen hebben in een sui generis-afdeling, daarvoor een erkenningsaanvraag hebben ingediend zodat ze voor hun personeel dat gunstiger paritair comité hebben. Op lange termijn is het voor bedrijven niet gemakkelijk in te schatten hoe de overheid met de dienstencheques in de toekomst zal omgaan. Nu worden ze geconfronteerd met het feit dat ze wellicht een nieuwe vennootschap moeten oprichten. Deze gewijzigde aanpak vanwege de administratie geeft niet alleen een gevoel van rechtsonzekerheid, maar het zich conformeren aan de nieuwe regels jaagt de ondernemingen ook op administratieve kosten.

De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. - Het is precies de bedoeling rechtszekerheid te bieden aan de betrokken ondernemingen.

Aangezien de sociale gesprekspartners het voorstel hebben gedaan, wordt het zowel door werknemers als werkgevers gedragen.

Mondelinge vraag van de heer Jan Steverlynck aan de vice-eerste minister en minister van Financiën over «BTW en riolering» (nr. 3-1048)

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Op een parlementaire vraag van 27 oktober 2005 antwoordde minister Reynders dat wanneer een gemeente een overeenkomst afsluit met een drinkwatermaatschappij om het vervuilde water in te zamelen en af te voeren en indien deze handeling als een transportdienst kan worden aangemerkt, zij BTW-plichtig wordt.

Begin februari antwoordde minister Reynders op een nieuwe vraag dat de betaalde BTW van vóór 2005 niet recupereerbaar zou zijn. Hij achtte een ander standpunt echter niet uitgesloten. Hij verwees onder meer naar een overleg dat op 18 januari plaatsvond en naar een onderzoek naar de concrete situatie van de verschillende gemeenten.

Twee maand later blijkt nog altijd onduidelijkheid te bestaan. De BTW-administratie wenst de reeds betaalde BTW niet terug te betalen. De administratie vraagt de gemeentebesturen een verklaring te ondertekenen. Die komt erop neer dat de gemeente geen teruggave krijgt van de betaalde BTW en dat de juridische fictie wordt geschapen dat het gemeentebestuur geen teruggave heeft gevraagd. Op die manier dient de BTW-administratie niet onmiddellijk een standpunt in te nemen. Bovendien verliest ieder gemeentestuur dat een dergelijke verklaring ondertekent, het recht op nalatigheidsinteresten van 0,8% per maand waarop het eventueel vanaf april 2006 recht zou hebben.

Bevestigt de minister dat de lokale BTW-kantoren momenteel niet overgaan tot een effectieve teruggave van de betaalde BTW?

Waarom doet de administratie moeilijk?

Wat is het resultaat van het overleg tussen de diensten van minister Reynders en het kabinet van staatssecretaris Jamar? Zijn de resultaten van het onderzoek naar de concrete situatie van de gemeenten reeds gekend?

Zal de minister nog met een standpuntbepaling voor de dag komen? Wanneer mag een standpunt worden verwacht?

(Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin.)

De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën. - Indien de gemeenten zelf reeds de hoedanigheid van belastingplichtige hadden voor de levering van drinkwater, is vanaf de betrokken datum de saneringsverplichting een last van hun belastbare activiteit. Derhalve is de BTW op de vanaf die datum gemaakte kosten die er betrekking op hebben, aftrekbaar.

Gemeenten die zelf niet instaan voor de levering van drinkwater, worden belastingplichtige voor het inzamelen en afvoeren van afvalwater wanneer deze diensten kunnen worden aangemerkt als transportdiensten en zij deze diensten onder bezwarende titel verstrekken aan een derde, een drinkwatermaatschappij bijvoorbeeld. Zij verkrijgen de hoedanigheid van belastingplichtige vanaf het tijdstip waarop de overeenkomst met de drinkwatermaatschappij voor het vervoer van afvalwater effectief werd gesloten.

Wat de herziening in het voordeel van de gemeenten van de aftrek van de BTW geheven op bedrijfsmiddelen, in casu de rioolinfrastructuur, betreft, moet rekening worden gehouden met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak Waterschap Zeeuws-Vlaanderen (zaak C-378/02 van 2 juni 2005). Op grond van dit arrest is het een persoon die een goed heeft gekocht of verworven in de hoedanigheid van niet belastingplichtige en die vervolgens de hoedanigheid van belastingplichtige verkrijgt, niet toegestaan om de belasting geheven op de verwerving van dat goed in aftrek te brengen.

Dit arrest moet worden toegepast vanaf 1 juli 2005. De gemeenten die de hoedanigheid van belastingplichtige verkregen vóór 1 juli 2005 kunnen zich nog beroepen op het vroegere administratieve standpunt dat aan belastingplichtigen de mogelijkheid bood om een gedeelte in aftrek te brengen van de belasting geheven op de verkrijging van een bedrijfsmiddel aangekocht of verkregen toen zij nog niet de hoedanigheid van belastingplichtige hadden.

De gemeenten die de hoedanigheid van BTW-plichtige verkregen vanaf 1 juli 2005 kunnen bijgevolg geen herziening in hun voordeel krijgen van de BTW geheven op de bedrijfsmiddelen die ze hebben aangekocht toen ze nog niet de hoedanigheid van belastingplichtige hadden.

De controlekantoren zullen instructies in die zin ontvangen. Ik meen dat deze oplossing een correcte toepassing van het arrest van 1 juli 2005 inhoudt.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - De minister stelt dat de gemeenten de hoedanigheid van BTW-plichtige verkrijgen vanaf het tijdstip dat ze met de drinkwatermaatschappijen een overeenkomst sluiten. Veel van die overeenkomsten werden op het einde van 2005 gesloten, maar hadden wel betrekking op heel 2005. Nu worden die gemeenten retroactief geconfronteerd met de beslissing van de BTW-administratie dat voor het jaar 2005 niets wordt terugbetaald.

Dat getuigt allerminst van een correct en behoorlijk bestuur. De gemeenten hebben destijds met kennis van zaken een overeenkomst ondertekend in de overtuiging dat een teruggave voor het jaar 2005 nog mogelijk was.

De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën. - Alle controlekantoren hebben algemene instructies ontvangen. Het staat hen altijd vrij individuele dossiers geval per geval te onderzoeken.

Mondelinge vraag van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de belasting op vliegbiljetten» (nr. 3-1056)

De voorzitter. - De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën, antwoordt.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - In een persmededeling van mei 2005 wees de DGOS, de Directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking, erop dat de Europese Raad van plan was om zijn onderzoek naar innovatieve financieringsbronnen voort te zetten en dat sommige lidstaten hun bereidheid hadden te kennen gegeven om een solidariteitstaks op vliegbiljetten in te voeren als alternatieve financieringswijze voor de ontwikkelingssamenwerking.

Ter gelegenheid van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van september 2005 kondigde de Franse Eerste minister aan dat hij die taks in de loop van 2006 zou toepassen. Destijds kreeg het initiatief de steun van verschillende staten en van de VN-secretaris-generaal die verklaarde dat de innoverende financieringsbronnen belangrijk zouden blijven, zelfs als de Europese staten hun verbintenis zouden nakomen om 0,7% van hun nationaal inkomen aan de officiële ontwikkelingshulp te besteden en zelfs als de Millenniumdoelstellingen zouden worden gehaald.

Op de Conferentie van Parijs over de innovatieve financieringsmethoden voor de ontwikkeling eind februari jongstleden hebben tien landen aanvaard een taks op vliegbiljetten te heffen om de armste landen te helpen.

Onder de Europese lidstaten hebben naast initiatiefnemer Frankrijk, ook Luxemburg en Noorwegen zich principieel akkoord verklaard. Het Verenigd Koninkrijk heft al een taks en besteedt de ontvangsten ervan aan een specifiek ontwikkelingsproject inzake vaccinatie.

België zou zich tegen de taks hebben verzet en heeft zodoende de zijde gekozen van de luchtvaartindustrie. Volgens sommige studies en volgens sommige vliegtuigconstructeurs zou de taks die in België jaarlijks ongeveer 35 miljoen euro moet opbrengen, evenwel slechts een beperkt effect op de sector hebben.

Blijkbaar heeft België een lans gebroken voor een vrijwillig bijdragemechanisme, terwijl verscheidene argumenten pleiten voor een verplichte bijdrage: met vluchtige en weinig voorspelbare bedragen kan men geen gestructureerd beleid voeren en men moet duidelijk zijn bereidheid kenbaar maken om de sociale en economische ontwikkeling evenals de milieubescherming in het beleid op te nemen.

Een verplichte bijdrage onder de vorm van een taks op de vliegbiljetten zou men op twee manieren kunnen verantwoorden: bijdragen aan de armoedebestrijding in de wereld en dus de middelen voor het ontwikkelingsbeleid uitbreiden, en, waar mogelijk, het gebruik van minder vervuilende en minder energieverslindende vervoermiddelen aanmoedigen.

Die dubbele bezorgdheid voor de ontwikkeling en voor het milieu maken overigens de kern uit van het begrip duurzame ontwikkeling.

Die situatie roept vier vragen bij me op.

Hoe legt de regering haar verzet tegen dat nieuwe financieringsinstrument uit? Hoe ziet ze dat?

Welke denksporen inzake alternatieve financieringsmethoden dragen haar voorkeur weg?

De minister zou een stand van zaken moeten opmaken van de discussies op Europees niveau over de Tobintaks, de doorbraken en/of de impasses aangeven.

In januari van vorig jaar heb ik de minister van Ontwikkelingssamenwerking gevraagd of hij bereid was alles in het werk te stellen opdat de door het Belgisch Parlement goedgekeurde Tobintaks op Europees niveau de alternatieve of complementaire financieringsbron voor het ontwikkelingsbeleid zou worden. Die vraag heeft de minister van Buitenlandse Zaken niet kunnen behagen.

De heer De Decker had uitgelegd dat men andere denksporen moest volgen dan dat van de Tobintaks. Hij vermeldde met name de taks op kerosine en de taks op vliegbiljetten.

Vandaag zijn ook die blijkbaar in ongenade gevallen bij de Belgische regering. Ik zou willen dat ze haar standpunt uitlegt. Is ze voor of tegen de alternatieve financieringsmethoden voor de ontwikkeling?

De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën. - Op 18 februari en op 1 maart heeft een conferentie in Parijs zich inderdaad gebogen over de innovatieve financieringsmechanismen voor de ontwikkelingssamenwerking.

Die conferentie waaraan België heeft deelgenomen, was niet uitsluitend gewijd aan de internationale solidariteitsbijdrage op vliegbiljetten - de benaming die Frankrijk eraan heeft gegeven - maar ook aan andere innovatieve mechanismen, die tot de mogelijkheden behoren of al beproefd zijn, zoals bijvoorbeeld de internationale financieringsfaciliteit of de internationale financieringsfaciliteit voor inenting.

De Conferentie van Parijs heeft toen, net als wij op de conferentie `Migratie en Ontwikkeling' gisteren en vandaag, gediscussieerd over de vraag hoe financiële transfers van migranten naar hun land van herkomst een betere bestemming kunnen krijgen.

Op die conferentie wenste Frankrijk ook het doel van die financieringen, in het bijzonder van de internationale solidariteitsbijdrage op vliegbiljetten te onderzoeken om er een internationale aankoopfaciliteit voor geneesmiddelen, de zogenaamde IDPF, de International Drug Purchase Facility, mee in het leven te roepen.

Een en ander vloeit voort uit de bevoorrechte plaats van de sector gezondheidszorg in de Millenniumdoelstellingen en uit de bezorgdheid om de zorg voor ernstig zieken, waaronder aids-lijders, te kunnen behouden, wat in de toekomst steeds meer middelen zal vergen.

In tegenstelling tot wat u in uw eerste vraag aanhaalt, is België geenszins gekant tegen innovatieve financieringsmethoden voor de ontwikkelingssamenwerking.

De regering heeft zich ertoe verbonden om tegen 2010 0,7% van het BBP te bereiken, maar om tegen 2015 de Millenniumdoelstellingen te halen, moet er op wereldvlak 50 à 70 miljard dollar meer worden besteed dan de huidige 65 miljard.

Waar kunnen we dat geld vinden? Dat vragen we ons allemaal af. België is in Parijs trouwens lid geworden van de stuurgroep van 38 landen die de volgende maanden op vrijwillige basis de voor- en nadelen van de verschillende voorgestelde formules zullen onderzoeken en de beste methode zullen uitwerken voor de aankoopfaciliteiten voor geneesmiddelen, zoals Frankrijk en Brazilië met de steun van de Verenigde Naties voorstaan.

Wij van onze kant vinden dat de aankoopfaciliteiten voor geneesmiddelen het best worden ondergebracht bij een al bestaande internationale instelling, bijvoorbeeld het Wereldfonds voor de bestrijding van AIDS, tuberculose en malaria, zodat er niet nog een nieuwe administratieve structuur moet worden opgezet met alle complicaties van dien voor het coherent en rationeel beleid dat we nastreven.

Welke denksporen inzake alternatieve financieringsmethoden voor de ontwikkeling dragen de voorkeur van België weg?

Wezenlijk voor ons is dat de innovatieve financiering een aanvullende financiering is. De regering is vastberaden van plan om in 2010 0,7% van het BBP te halen. Ze moet die budgettaire inspanningen jaar na jaar volhouden.

We zouden ons onder andere kunnen aansluiten bij andere landen voor de internationale financieringsfaciliteiten en meer in het bijzonder voor de al bestaande internationale financieringsfaciliteiten voor inenting. Ze houden in dat de kapitaalverstrekkende landen enorme bedragen lenen op de financiële markt om ze onmiddellijk ter beschikking te stellen van ontwikkelingprojecten, in voorkomend geval van vaccinatieprogramma's.

Die faciliteit mag dan voordelen bieden, ze heeft ook het grote nadeel dat ze duur is, omdat de financiële markt moet worden vergoed, en dat het niet om aanvullende fondsen gaat, maar om een soort van voorschotten. Op de vervaldag moeten de staten de lening terugbetalen aan de kredietverleners.

Wij wensen uiteraard niet dat fondsen voor de officiële ontwikkelingshulp van hun doel worden afgewend; ze dienen om projecten te financieren en niet om een schuld af te lossen.

De internationale solidariteitsbijdragen in het Franse systeem zijn noodzakelijkerwijze aanvullende fondsen en bieden het voordeel dat ze niet moeten worden terugbetaald. Het gaat ook om vrij bescheiden bedragen die niet hoger zijn dan 40 euro. De solidariteitsbijdrage van de belastingplichtigen en van de burgers kan men dus moeilijk buitensporig noemen.

Het nadeel is dat de ingezamelde bedragen uiteraard veel lager liggen dan de fondsen die via een internationale lening kunnen worden ingezameld.

Frankrijk hoopt met die taks 200 à 250 miljoen euro in te zamelen, terwijl men voor de internationale financieringsfaciliteit voor inenting zeer snel over vier miljard wilde kunnen beschikken.

Zoals u weet heeft de regering nog geen mechanisme gekozen.

Tijdens de conferentie van Parijs hebben tien landen aangekondigd dat ze een systeem zouden uitwerken zoals dat van Frankrijk. Het Verenigd Koninkrijk en Chili hadden al beslist om een taks op de vliegbiljetten in te voeren. Het bedrag van die taksen zal van land tot land verschillen: sommige landen denken aan een percentage op de prijs van het biljet en andere aan een forfaitair bedrag dat afhangt van de categorie van het biljet en van de bestemming.

Ieder land zal de beste werkwijze kiezen. Sommige zullen alleen een taks heffen op internationale vluchten, andere alleen op intercontinentale, nog andere op alle luchtverkeer voor passagiers dat vanop hun grondgebied vertrekt.

België heeft op Europees niveau altijd de noodzaak van een harmonisering verdedigd. We moeten vermijden dat de taks alleen in bepaalde landen van de Unie wordt toegepast.

Eén van de denksporen zou kunnen zijn om geen verplichte taks in te voeren, maar een vrijwillige bijdrage die in de prijs van het biljet wordt opgenomen, maar die de passagier kan weigeren te betalen als hij niet wenst bij te dragen aan de internationale solidariteit.

Dat systeem heeft als voordeel dat het enerzijds de vrijheid van de passagier en de concurrentiekracht van de luchtvaartmaatschappijen vrijwaart en anderzijds dat men geld dat op een vrijwillige basis wordt ingezameld, niet als officiële ontwikkelingshulp in de boeken kan inschrijven, wat ons er nog meer toe zal aanzetten de nodige budgettaire inspanningen te leveren om de 0,7% van het BBP te halen.

Een ander niet te verwaarlozen voordeel is dat we dan actief kunnen wachten op een harmonisering op Europees niveau; we zouden ons dan eensgezind kunnen aansluiten bij een besluit ten gunste van de invoering van een Europese solidariteitstaks.

Ik heb dat standpunt overigens verdedigd op de Ecofinraad. Met die keuze zijn de meeste landen het eens. De landen die zich bij de eerste groep hebben aangesloten, waaronder Frankrijk, opereren in gespreide slagorde van Ivoorkust tot Chili. Er bestaat geen Europese harmonisering op dat vlak.

In Washington op een vergadering van de Wereldbank en van het Internationaal Muntfonds heeft ook de secretaris-generaal van de VN, Kofi Annan, zich uitgesproken voor een vrijwillige bijdrage van de passagiers, die de luchtvaartmaatschappijen verplicht in de prijs van het biljet zouden moeten opnemen.

Tot slot hebt u het over de Tobintaks. Wij hebben die kwestie stelselmatig opnieuw ter discussie gesteld. Ze stond niet op de agenda van de Conferentie van Parijs en ik kan niet zeggen dat ze op een heel opbouwende manier ter sprake is gekomen. We staan nog zeer ver af van een consensus. Het Belgisch Parlement heeft zich hierover uitgesproken en de regering plaatst de Tobintaks dus stelselmatig op de agenda van de internationale gremia.

Tot slot kan ik stellen dat het Belgische standpunt geen enkele paradox bevat. Wij zijn gewonnen voor aanvullende middelen voor de ontwikkeling. Wij zoeken naar de beste werkwijze om die uitdaging van het ontwikkelingsvraagstuk aan te gaan en blijven samen met onze partners in de stuurgroep die te Parijs werd opgericht, creatief nagaan welke nieuwe en doeltreffende instrumenten snel kunnen worden ter beschikking gesteld van onze partnerlanden.

Ik zou eenvoudig willen vermijden dat de aanvullende middelen in sommige landen de onwil verbergen om op korte termijn de 0,7% van het BBP te bereiken. Als alle OESO-landen binnen de gestelde termijn, dat wil zeggen tegen 2010 de 0,7% van hun BBP aan ontwikkelingssamenwerking besteden, dan zal de Wereldbank wellicht geen blijf weten met de beschikbare middelen.

We moeten een debat vermijden waarin de landen die de 0,7% van het BBP trachten te bereiken en bereid zijn om er aanvullende middelen aan toe te voegen, tegenover de landen staan die het spoor van de aanvullende middelen kiezen om de budgettaire inspanning te laten vallen, hoewel ze die nochtans op verscheidene internationale topvergaderingen hadden aangekondigd.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - We gaan het debat over de financiering van de ontwikkelingssamenwerking hier niet volledig overdoen. Ik onthoud dat de innovatieve denksporen betrekking hebben op aanvullende middelen, bovenop onze verbintenis om 0,7% van het BBP te bereiken.

Ik blijf bezorgd over het Belgische standpunt, dat er feitelijk op neerkomt om als reactie op elk specifiek voorstel bedenktijd te vragen.

Van de Tobintaks gingen we naar de taks op de kerosine en nu is er sprake van een taks op de vliegbiljetten. Ook als men met die bedragen geen grote stappen voorwaarts kan doen, toch moet men sterke politieke signalen geven.

Inzake de Europese harmonisering heeft de minister volkomen gelijk. België heeft met de hulp van zijn Parlement die taks op wisseltransacties uitgedacht. Precies op dat punt moet de Europese strijd worden gevoerd, temeer omdat men die operatie gemakkelijker kan verwezenlijken en haar weerslag minder pijnlijk is.

Ik kan de ministers van Financiën, van Buitenlandse Zaken en van Ontwikkelingssamenwerking er alleen maar toe aansporen om die suggestie telkens opnieuw ter sprake te brengen in het kader van de Europese harmonisering.

Verwelkoming van een delegatie

De voorzitter. - Ik begroet een delegatie van de Association des journalistes Périodiques belges et étrangers die de Senaat bezoekt. De vereniging houdt haar algemene vergadering onder het voorzitterschap van de heer Brohez.

De Senaat hoopt goede relaties te onderhouden met uw vereniging. (Algemeen applaus)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Staten van Amerika inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door bepaalde gezinsleden van het diplomatiek en consulair personeel, gesloten door uitwisseling van nota's gedagtekend te Brussel op 19 februari 2004 en 18 maart 2004 (Stuk 3-1573)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Roelants du Vivier verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-1573/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Ontwerp van bijzondere wet houdende de toekenning van een bijzondere eenmalige toelage ten voordele van de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (Stuk 3-1575)

Wetsontwerp houdende de toekenning van een bijzondere eenmalige toelage ten voordele van de Duitstalige Gemeenschap (Stuk 3-1576)

Wetsontwerp tot wijziging van de programmawet van 27 december 2005 (Stuk 3-1577) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - Ik stel voor deze wetsontwerpen samen te bespreken. (Instemming)

Algemene bespreking

De heer Francis Delpérée (CDH), rapporteur. - Het is mijn taak verslag uit te brengen over drie wetsontwerpen die ter stemming voorliggen. Die drie wetsontwerpen hebben hetzelfde doel, daarom zal ik slechts één verslag geven over de drie ontwerpen samen.

Ze streven wel hetzelfde doel na, maar verschillen wat betreft de techniek die in elk van de drie gevallen wordt aangewend. Dat verdient een woordje uitleg.

Het eerste ontwerp is een ontwerp van bijzondere wet aangezien het gaat om een, zij het indirecte, wijze van toekenning van middelen aan de gemeenschappen en gewesten.

Het tweede ontwerp is een ontwerp van gewone wet, dat over de Duitstalige Gemeenschap gaat, waarvan de organieke teksten met een gewone meerderheid worden aangenomen.

Het derde ontwerp is een ontwerp van gewone wet met een veeleer technische draagwijdte. Het strekt ertoe de programmawet van 27 december 2005 te wijzigen. Met die wet werd een financieel fonds opgericht waarmee hulp kon worden geboden aan particulieren die problemen hadden met hun verwarming. De draagwijdte van deze wet wordt nu uitgebreid tot de instellingen die afhangen van de gemeenschappen en de gewesten. Tot zover de procedure.

Ik wil nog vermelden dat de voorliggende ontwerpen oorspronkelijk parlementaire initiatieven waren.

De ontwerpen vertrekken van de vaststelling dat de petroleumprijzen op de wereldmarkt vorig jaar enorm zijn gestegen. Deze stijging had een rechtstreekse invloed op de prijs van huisbrandolie in België. De verwarmingskosten van een reeks culturele en sociale instellingen namen op hun beurt enorm toe. Vandaar kwam de idee om deze onvoorziene financiële last te verlichten en die instellingen in staat te stellen de meerkosten voor verwarming te dekken.

Na deliberatie in het Overlegcomité werd daartoe een bedrag van tien miljoen euro vrijgemaakt.

De wetsontwerpen hebben een driedubbel doel: dit akkoord bekrachtigen, de middelen onder de gemeenschappen en de gewesten verdelen en zo spoedig mogelijk de voorziene bedragen overdragen aan de deelgebieden en vervolgens aan de betrokken instellingen.

Dit doel wordt niet betwist. De commissie voor de Institutionele Aangelegenheden heeft evenwel drie soorten opmerkingen geformuleerd.

De commissie stelde in de eerste plaats vast dat de tekst niet erg zorgvuldig is opgesteld. Eén voorbeeld: artikel 1 van het ontwerp van bijzondere wet bepaalt dat de toelage 10 miljoen euro bedraagt, maar artikel 2 bepaalt dat dit bedrag verminderd wordt met ongeveer 82.000 euro. Eigenaardig. Men kan dit enkel begrijpen als men de gewone wet leest, waarin staat dat deze 82.000 euro naar de Duitstalige Gemeenschap gaan. Het had duidelijker gekund.

De commissie heeft zich ook afgevraagd in welke mate de gemeenschappen en gewesten vrij waren om de hen aldus toegekende toelage te gebruiken. Daarover rees twijfel doordat de ontwerpen laten verstaan dat de middelen worden toegekend `als tussenkomst in de meerkost die voor hun collectieve structuren voortspruit uit de stijging van de energieprijzen'.

De dienst Wetsevaluatie vroeg zich af of dit niet strijdig is met de artikelen 175, 176 en 177 van de Grondwet waarin de grondbeginselen staan van de financieringswijze van gemeenschappen en gewesten.

Tijdens de bespreking is gebleken dat die zinsnede beter in de toelichting van het ontwerp had gestaan dan in de tekst zelf en dat deze formulering in geen geval van invloed kan zijn op het beginsel van autonomie, krachtens hetwelk gemeenschappen en gewesten de hun toebedeelde middelen gebruiken voor de doeleinden van hun keuze.

De bewuste zinsnede is een politieke overweging en mag niet als juridisch bindend worden beschouwd. Er werd mij gevraagd om dat uitdrukkelijk in het schriftelijk verslag te vermelden.

Ten slotte heeft de commissie zich afgevraagd wat de institutionele gevolgen zijn van de oplossingen waarvoor werd geopteerd. Wat is het probleem? Met de voorliggende teksten wil men een bijzondere, eenmalige toelage toekennen in de hoop dat een dergelijk probleem zich niet meer voordoet.

Aan wie zal die toelage worden gestort? Aan de Franse Gemeenschap, de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest en het Brusselse Gewest.

De vraag waarom het Vlaams Gewest daarbij niet wordt vermeld, was onvermijdelijk. Het antwoord ligt voor de hand: de Vlaamse Gemeenschap oefent sedert 1980 alle bevoegdheden van de gemeenschap en van het gewest uit en niets belet dus dat er slechts één benaming wordt gebruikt.

Ik besluit met drie bijkomende opmerkingen.

Over de voorliggende ontwerpen is overleg gepleegd tussen de federale regering en de gemeenschaps- en gewestregeringen en dus tussen vertegenwoordigers van de politieke partijen die daar deel van uitmaken. Dat verklaart waarom de ontwerpen van de hand zijn van parlementsleden van zeven verschillende fracties.

De ontwerpen werden eenparig door de Kamer van Volksvertegenwoordigers aangenomen.

In de Senaatscommissie werden deze ontwerpen eenparig door alle aanwezige leden goedgekeurd.

Nu de lente in aantocht is, is het tijd om deze toelage met betrekking tot de verwarmingskosten voor de voorbije winter goed te keuren.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De nota van de dienst Wetsevaluatie van de Senaat met betrekking tot voorliggende ontwerpen is, zoals steeds, gedegen en de daarin geformuleerde opmerkingen zijn mijns inziens verantwoord. De wijzigingen, die als technische aanpassingen worden voorgesteld, vertonen inderdaad onvolkomenheden die niet te rechtvaardigen zijn.

Dat alleen de Vlaamse Gemeenschap, en niet het Vlaams Gewest, wordt vermeld, leidt ertoe, gelet op de financieringswet, dat de aan de Gemeenschap uitgekeerde middelen niet aan gewestbevoegdheden kunnen worden besteed. Volgens de financieringswet kan het Vlaams Parlement alle middelen zowel aan gemeenschaps- als aan gewestaangelegenheden besteden, maar uitsluitend als die middelen op basis van de financieringswet worden toegekend.

Daarenboven bestaat tegenspraak tussen de ontwerpen 1575 en 1576 enerzijds en het ontwerp 1577 anderzijds met betrekking tot de oorsprong van de toelage. Volgens de eerste twee ontwerpen gebeurt de financiering met de gedeeltelijke opbrengst van de personenbelasting en volgens ontwerp 1577 met ontvangsten voortkomende van de bedrijfsvoorheffing en eventueel door een eenmalige storting van de petroleumsector.

Bovendien schendt de regeling de artikelen 175 tot 177 van de Grondwet die immers bepalen dat de financiering van de gemeenschappen en gewesten geregeld wordt bij een bijzondere wet, of gewone wet voor de Duitstalige Gemeenschap, aan te nemen volgens artikel 77 van de Grondwet, dus volgens de bicamerale procedure. Dat de Kamer zich ertoe vernedert een grondwettelijke bepaling te negeren is gewoon onbegrijpelijk. Dat heeft niets met politiek te maken. Ook de kabinetten van de ministers hadden moeten opmerken dat de Grondwet deze materie onder artikel 77 rangschikt. Die onvolkomenheid kan dan ook niet op redelijke grondslag worden verantwoord. Wellicht heeft de traditie van programmawetten waarvoor artikel 78 van de Grondwet geldt, haar tol geëist.

De ontwerpen strekken ertoe een bijzondere eenmalige bijdrage aan de gemeenschappen en de gewesten toe te kennen als tegemoetkoming voor de sterk gestegen energiefactuur van hun collectieve instellingen. Een bedrag van 10 miljoen euro wordt verdeeld volgens het aandeel dat elk van hen draagt in de globale meerkost.

In commissie werden de teksten eenparig ondanks de technische en juridische bezwaren goedgekeurd waarbij werd aanvaard dat officiële verklaringen de onvolkomenheden opvangen. Zo is er de verklaring in het verslag dat het niet vermelden van het Vlaams Gewest niet belet dat het bedrag kan worden besteed aan zowel gemeenschaps- als gewestaangelegenheden. Ons stemgedrag zal dan ook afhangen van de verklaring die de minister zal geven over de mogelijke bestemming van de bedragen.

Omdat deze wetteksten de concretisering zijn van een akkoord tussen de federale overheid en de gemeenschappen en gewesten, vinden we het niet redelijk ons ertegen te verzetten, en ook omdat de gemeenschappen en gewesten wel degelijk met een meeruitgave worden geconfronteerd. Wel blijft het ons verbazen dat telkens weer opnieuw in belangrijke materies fundamentele rechtsregels zoals de Grondwet worden genegeerd, een praktijk die we al jaren vanop dit spreekgestoelte aanklagen.

Ook de mededeling dat amendering niet kan omdat het om een spoedbehandeling gaat, verbaast ons. Zo verklaarde collega Lionel Vandenberghe dat hoewel de opmerkingen van de diensten behoorlijk zwaar wegen, een verbetering die tot vertraging zou leiden, niet kon, want de doelstelling is toch goed. Natuurlijk is de doelstelling goed, daar gaat het niet over. De meerheid had voor die fundamentele fouten die spijtig genoeg in de teksten zijn geslopen al in de Kamer een pertinent antwoord kunnen vinden dat de juridische bezwaren wegnam. Een gebrek aan aandacht voor de wetgevingsprocedure en voor de kwaliteit van de wet is blijkbaar een permanent kenmerk van het huidige bestuur.

De heer Berni Collas (MR). - Als Gemeenschapssenator voor de Duitstalige Gemeenschap juich ik de voorgestelde benadering en de gekozen oplossing toe, ook al had het wetgevingstechnisch iets beter gekund.

De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën. - Ik wil graag bevestigen wat de heer Delpérée al heeft aangegeven in zijn verslag.

Het gaat inderdaad over een parlementair initiatief, want het vloeit voort uit een politiek akkoord dat in het Overlegcomité werd gesloten door de verschillende politieke formaties die vertegenwoordigd zijn in de federale regering en de deelregeringen.

De drie ontwerpen vormen een coherent geheel, tenminste wat het nagestreefde doel betreft. Twee ontwerpen gaan over de toekenning van een toelage aan de Vlaamse Gemeenschap, het Waals Gewest en de Franse Gemeenschap en aan het Brusselse Gewest, enerzijds en aan de Duitstalige Gemeenschap, anderzijds. Het betreft een bedrag van 10 miljoen euro. Het werd berekend in functie van de noden die in elke Gemeenschap en elk Gewest werden vastgesteld. De regeringen hebben ons de meerkosten waarmee ze werden geconfronteerd voorgerekend.

Het derde ontwerp strekt er niet toe een dotatie toe te kennen, maar de voorheffing op de personenbelasting via een fonds aan te wenden. Het is een zuiver budgettaire noodzaak. Daarom is het een ontwerp zoals bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. De gemeenschappen en gewesten kunnen volledig autonoom over hun uitgaven beslissen, ook al wordt de politieke reden voor de dotatie in de tekst vermeld. Dat heeft geen enkel juridisch gevolg voor de aanwending van de middelen. Er wordt niet bepaald waarvoor ze zijn bestemd. De Vlaamse Gemeenschap kan dus autonoom beslissen om dit bedrag voor gemeenschaps- of voor gewestelijke doeleinden aan te wenden, want Vlaanderen heeft maar één enkele gemeenschappelijke begroting voor de Gemeenschap en het Gewest. De heer Delpérée heeft daarnet de werkwijze uitgelegd. Op dat vlak is er geen enkel probleem.

In de commissie hebben we de meeste leden wat dit betreft kunnen geruststellen. Het is overigens in overeenstemming met het engagement dat in het Overlegcomité werd aangegaan en dat zal worden nagekomen aangezien de federale regering de 10 miljoen euro waarschijnlijk tegen eind april zal kunnen overmaken, dankzij de begrotingstechnieken waarvoor werd geopteerd.

Ik heb begrip voor de kritiek op de gebruikte juridisch-technische werkwijze, ook al gaat het om een coherent geheel op het vlak van de nagestreefde doelstellingen. Het zal zeer vlug uitwerking hebben en zichzelf in zekere zin vlug doen uitdoven. Ik hoop dat bij een volgende operatie in dit of in een ander domein de teksten vanuit juridisch en grondwettelijk oogpunt van betere kwaliteit zullen zijn.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van bijzondere wet houdende de toekenning van een bijzondere eenmalige toelage ten voordele van de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (Stuk 3-1575)

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2265/3.)

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp houdende de toekenning van een bijzondere eenmalige toelage ten voordele van de Duitstalige Gemeenschap (Stuk 3-1576)

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2266/3.)

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp tot wijziging van de programmawet van 27 december 2005 (Stuk 3-1577) (Evocatieprocedure)

(Voor de tekst verbeterd door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden, zie stuk 3-1577/3.)

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 38, §3quater, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers (Stuk 3-1571) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Het woord is aan de heer Vankrunkelsven voor een mondeling verslag.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VLD), rapporteur. - Dit wetsontwerp toont nogmaals aan dat de methode van de programmawetten die in ons land wordt gehanteerd, leidt tot onzorgvuldige wetgeving en dat zelfs de pogingen om deze onzorgvuldige wetgeving te corrigeren, op hun beurt soms onzorgvuldig zijn. Gelukkig hebben we de diensten van de Senaat om deze problemen te detecteren.

Het wetsontwerp dat we nu bespreken, corrigeert een programmawet op het punt dat de solidariteitsbijdrage voor bepaalde voertuigen, bestelwagens van het type N1 en personenvoertuigen van het type M1, die worden gebruikt voor het gemeenschappelijk vervoer van werknemers, onder bepaalde voorwaarden vervalt.

Tussen de Nederlandse en de Franse tekst bleken er echter enkele eigenaardige verschillen te bestaan. Zo stond er in de Franse tekst dat de werknemers `habituellement' aanwezig moeten zijn bij het vervoer naar het bedrijf, terwijl dat in de Nederlandse tekst niet was opgenomen. Dat betekent dat er bij één afwezigheid al sprake zou zijn van een overtreding. In de Franse tekst was gestipuleerd dat de werknemers van een bepaald bedrijf moeten zijn en ook dat was in de Nederlandse tekst niet opgenomen. Het vervelendste was wel dat een bepaalde verwijzing naar termijnen helemaal niet correct was opgenomen in een van de artikelen.

Daarom vond de commissie het noodzakelijk om deze onvolkomenheden met drie amendementen te corrigeren. Ze was ook bereid de tekst zeer snel aan de plenaire vergadering voor te leggen, zodat het tijdverlies beperkt blijft en de sociale actoren op het terrein van deze aanpassing kunnen genieten.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden zie stuk 3-1571/5.)

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsvoorstel betreffende de afschaffing van de accijnsverhogingen op motorbrandstoffen (van de heren Jan Steverlynck en Etienne Schouppe, Stuk 3-1389)

Algemene bespreking

De heer Wouter Beke (CD&V), rapporteur. - Voorliggend voorstel heeft betrekking op het zogenaamde cliquetsysteem. Het strekt ertoe de geplande verhoging van de accijns op motorbrandstoffen in 2006 en 2007 ongedaan te maken.

Voor deze afschaffing pleiten verschillende redenen, met name de hausse van de olieprijzen op de internationale markten, de toename van de BTW-inkomsten voor de overheid en het risico dat een verdere stijging van de accijnzen ertoe zou leiden dat benzine en diesel duurder worden dan in de buurlanden met bijbehorend risico op omzetverlies en op mindere inkomsten voor de Schatkist in eigen land.

Volgens de minister zal het cliquetsysteem in 2006 niet toegepast worden. De heer Steverlynck vraagt dan ook om deze beslissing juridisch te verankeren, ook voor 2007, en de voorliggende bepaling te stemmen.

Het voorstel werd in de commissie verworpen met 8 stemmen tegen 4.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - We betreuren dat, niettegenstaande de accijnsverhoging in 2006 niet zal worden toegepast, men het niet juridisch wil verankeren. Het risico bestaat immers dat ons bij een of andere begrotingscontrole nog een accijnsverhoging boven het hoofd hangt. Voor 2007 is er zeker een kans dat de accijnsverhoging er nog komt. We vinden dat niet alleen de consument, maar ook het bedrijfsleven al voldoende aan energiekosten betaald hebben. We kunnen dan ook niet akkoord gaan met een verwerping van het voorstel. De CD&V-fractie zal dan ook tegen de conclusie van de commissie stemmen.

-De algemene bespreking is gesloten.

-De stemming over de conclusie van de commissie heeft later plaats.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, inzake de fiscale aftrekbaarheid van renovatie- en aanpassingswerken door de eigenaar-verhuurder (van mevrouw Mia De Schamphelaere en de heer Wouter Beke, Stuk 3-1529)

Algemene bespreking

De heer Jan Steverlynck (CD&V), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Huisvesting staat hoog op de politieke agenda. De gemeenteraadsverkiezingen zijn immers in aantocht en velen voelen zich geroepen om allerlei mooie voorstellen te doen. De socialisten willen dat de gronden in woonuitbreidingsgebieden maar voor 60% van de marktwaarde kunnen worden verkocht. De liberalen willen dan weer zo veel mogelijk gronden aansnijden, in de hoop dat een hoger aanbod de vraag uiteindelijk zal doen dalen.

Dat huisvesting belangrijk is hoeft geen betoog. Het is belangrijk in de armoedebestrijding. Het zorgt voor zekerheid en het is belangrijk in het vergrijzingdebat. Een eigen woning wordt algemeen als een belangrijke pensioenpijler beschouwd, want men moet geen uitgaven doen voor de huur van een woning en deze middelen kan men voor het levensonderhoud gebruiken. Wat stellen we vast? Een belangrijk percentage van de woningen in steden en gemeenten staat leeg of voldoet niet aan de huidige behoeften. Er is een tekort aan beschikbare en betaalbare woningen met een goede prijs-kwaliteitverhouding.

Om in de toekomst de gezinnen betaalbare woningen aan te bieden, moet men afstappen van de klassieke indeling tussen de privé-woningmarkt en de sociale woningmarkt. Ook de privé- woningmarkt moet worden aangesproken om op een sociale manier te kunnen verhuren.

Daarom moet in het debat over wonen en huisvesting ook het huidige woonpatrimonium worden ingebracht. Het bestaande woonpatrimonium moet worden geactiveerd. Wij hebben daarvoor een vierluik van aanpassingen in de woninghuurwet voorgesteld. Ten eerste, een verplichte en kosteloze registratie van de huurovereenkomst en het houden van een gemeentelijk huurprijsregister. Ik heb vastgesteld dat de regering ook een dergelijk voorstel heeft gelanceerd. Ik kijk dan ook uit naar de steun die ze aan dit voorstel zal geven. Ten tweede, de beëindiging van het contract van rechtswege bij het overlijden van de huurder. Ten derde, een vervroegde beëindiging van de huurovereenkomst bij verhuis. Ten vierde, en hierin voorziet het voorliggende wetsvoorstel, de fiscale aftrekbaarheid van renovatie- en aanpassingswerken in hoofde van de eigenaar-verhuurder.

Aan de ene kant klagen huurders met een laag inkomen over een tekort aan degelijke en betaalbare woningen op de huurmarkt. Aan de andere kant beschikken de eigenaars niet altijd over voldoende middelen om hun eigendom comfortabel te maken. Een fiscale maatregel waardoor de eigenaar de prijs van de renovatie- en/of aanpassingswerken kan inbrengen op voorwaarde dat hij zich engageert om de woning voor een redelijke huurprijs en voor een minimumperiode te verhuren via een sociaal verhuurkantoor, kan de eigenaar stimuleren om zijn woning beter uit te rusten. Op deze manier wordt een gedeelte van het private patrimonium beschikbaar voor de sociale verhuring en beantwoordt dit aan een maatschappelijke behoefte. Eigenaars zouden bepaalde onderhoudswerken sneller laten uitvoeren, wat de prijs en de kwaliteit van de woning alleen maar ten goede kan komen. Op langere termijn levert de voorgestelde regeling maatschappelijk en financieel voordeel op in de vorm van minder nood aan bijkomende sociale woningen, een goed onderhouden private huurmarkt en degelijke en betaalbare woningen.

Op 7 februari jongstleden verraste premier Verhofstadt ons met de mededeling dat ook hij voorstander is van een fiscale stimulus bij renovatie- en aanpassingswerken door de eigenaar-verhuurder. In de kranten sprong de VLD de premier bij en ook SP.A-SPIRIT toonde zich enthousiast, zodat men kon hopen dat het voorstel breed genoeg gedragen zou zijn om het snel te kunnen afwerken. Maar - the proof of the pudding is in the eating - tot mijn grote verbazing schoot de VLD-fractie het idee af in de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden. De sociale verhuurkantoren bij de zaak willen betrekken, was voor de liberalen een brug te ver, hoewel de Vlaamse liberale minister Keulen in zijn beleidsbrief de loftrompet steekt van deze SVK's en hij ze ook in deze problematiek een rol wil laten spelen.

De SVK's bieden de verhuurder inderdaad heel wat voordelen. Hij heeft de garantie dat hij huur kan innen, dat controle wordt uitgeoefend op het onderhoud dat de huurder in de huurwoning moet verrichten en dat met de verzekeringen alles is orde is. De SVK's zorgen mede voor een verhoogde kwaliteit van de private huurmarkt.

Het is jammer dat de spagaat bij de VLD zo groot is dat ze op Vlaams niveau met een andere tong spreken dan federaal. Het is vooral weinig consequent dat ze een idee op Vlaams niveau steunen en op federaal niveau afschieten. De VLD-fractie wilde in de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden niet weten van deze invalshoek, maar toch vertelde vice-eerste minister Reynders maandag jongstleden in De Tijd dat hij met het voorstel dat de premier op 7 februari had gelanceerd, wilde doorgaan en dus wel degelijk het pad van de SVK's wilde volgen.

Een ander probleem dat in de commissiebesprekingen aan bod kwam, was dat mijn voorstel om de fiscale aftrekbaarheid te beperken tot 2.500 euro te goedkoop was. De vice-premier beloofde beter te doen en kondigde uiteindelijk deze week in een krant aan dat hij gaat voor 5.000 euro.

De CD&V-fractie kan zich scharen achter de nieuwe voorstellen van de liberalen, zowel inzake de inschakeling van de SVK's als inzake de fiscale aftrekbaarheid tot 5.000 euro. Daarom durf ik hopen dat de VLD-fractie straks samen met de CD&V-fractie tegen het wetsvoorstel stemt, zodat het wetsvoorstel naar de commissie wordt teruggezonden. De CD&V-fractie heeft al amendementen klaar om de voorstellen van de regering concreet te maken. Ze beantwoorden volledig aan wat de twee liberale excellenties Reynders en Verhofstadt naar voren hebben gebracht.

Ook de SP.A-fractie heeft zich al positief over deze voorstellen uitgesproken. Ik hoop dan ook dat de Senaat, die toch streeft naar ernstig en degelijk wetgevend werk, dit wetsvoorstel naar de commissie terugzendt. We hebben een vogel in de hand, een vogel die door de regering is opgelaten. Dat is veel beter dan de tien vogels in de lucht waarop we moeten wachten tot de regering via een of ander ontwerp of programmawet haar ei gelegd krijgt. Want in tijden van besparingen kan dat wel eens heel lang duren.

-De algemene bespreking is gesloten.

-De stemming over de conclusie van de commissie heeft later plaats.

Benoeming van kandidaten voor een mandaat van lid van de Federale Commissie voor medisch en wetenschappelijk onderzoek op embryo's in vitro

De voorzitter. - De Senaat dient overeenkomstig artikel 9, §3, derde lid, van de wet van 11 mei 2003 betreffende het onderzoek op embryo's in vitro, over te gaan tot de benoeming van leden van de Federale Commissie voor medisch en wetenschappelijk onderzoek op embryo's in vitro.

Deze commissie is samengesteld uit veertien leden die gespecialiseerd zijn in de medische, wetenschappelijke, juridische, ethische en maatschappelijke aspecten die betrekking hebben op het onderzoek op embryo's, onder wie:

1º vier artsen;

2º vier doctors in de wetenschappen;

3º twee juristen;

4º vier deskundigen in de ethische problemen en de sociale wetenschappen.

Bij de samenstelling van de commissie wordt ervoor gezorgd dat de verschillende ideologische en filosofische strekkingen evenwichtig vertegenwoordigd zijn. De commissie mag niet minder dan een derde leden van hetzelfde geslacht tellen. Ze telt evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden. Voor elk lid wordt een plaatsvervanger met dezelfde kwalificatie aangewezen.

De leden en plaatsvervangers worden aangewezen door de Senaat met een gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen.

Het mandaat van lid van de commissie duurt vier jaar en is hernieuwbaar. In voorkomend geval voltooit de plaatsvervanger het mandaat van het effectieve lid.

Het gedrukte stuk met de lijst van alle kandidaten voor de te begeven mandaten, werd rondgedeeld onder het nr. 3-1408/1. Alle senatoren hebben kennis kunnen nemen van het curriculum vitae van de kandidaten en hebben hun verdiensten kunnen vergelijken.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Na bijna drie jaar staan we nu eindelijk voor de samenstelling van de Federale Commissie voor medisch en wetenschappelijk onderzoek op embryo's in vitro. De wet die principieel de creatie van embryo's voor onderzoek toelaat dateert reeds van 11 mei 2003. In die wet werd voorzien in een commissie die toeziet op de onderzoeken en de protocollen. Die commissie moest onmiddellijk na de wet worden samengesteld.

Hoewel wij niet akkoord gaan met de inhoud van deze embryowet, zijn wij wel altijd vragende partij geweest voor de spoedige oprichting van die controle-instantie, die de maatschappelijke controle op het embryoonderzoek moet garanderen. Het is dan ook jammer dat het drie jaar moest duren om deze commissie samen te stellen. Bovendien zijn we op dit moment nog niet zeker van een onbetwistbare samenstelling. In de eerste plaats zijn er te weinig kandidaten die wij als Senaat kunnen voordragen. De categorie doctors in de wetenschappen kan op dit moment onmogelijk volledig worden ingevuld zoals wettelijk en reglementair wordt vereist. In de tweede plaats - en dit houdt grotere risico's voor betwistingen in - was de laatste oproep die in het Belgisch Staatsblad voor de samenstelling van deze commissie verscheen, niet juist. Inderdaad, na de wetswijziging van 30 mei 2005 die de onverenigbaarheid met het lidmaatschap van het raadgevend comité voor bio-ethiek schrapte, is er geen nieuwe publieke oproep verschenen. Er werden enkel een paar persoonlijke brieven naar mogelijke nieuwe kandidaten verstuurd. Deze werkwijze betreuren wij, want ze blijft betwistbaar en getuigt van grote onzorgvuldigheid. Publieke organen die een weerspiegeling moeten zijn van wat er leeft in onze samenleving verdienen meer zorg.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Wat mevrouw De Schamphelaere daarnet zei, heb ik reeds opgemerkt tijdens de vergadering van het Bureau. Wij waren destijds evenmin tevreden met de inhoud van de wet. Het gaat vandaag echter niet over de inhoud van de wet, maar over de oprichting van de Federale Commissie voor medisch en wetenschappelijk onderzoek op embryo's in vitro. Uit de wet blijkt dat die commissie een bijzonder belangrijke taak in een delicate materie heeft. Bij het zien hoe deze commissie tot stand komt, kan ik alleen maar besluiten dat de minister van Volksgezondheid steken heeft laten vallen. Het is niet de taak van de Senaat die steken op te rapen. De wet dateert van 11 mei 2003. Het koninklijk besluit dat de uitvoeringsbepalingen betreffende de samenstelling van deze commissie bevat, dateert van 15 december 2003. Er is een eerste oproep tot kandidaten in het Staatsblad verschenen op 18 februari 2004. Omdat er onvoldoende kandidaten waren, is er een tweede oproep verschenen op 26 oktober 2004, waarin werd gestipuleerd dat degenen die al op de eerste oproep waren ingegaan, hun kandidatuur niet opnieuw moesten stellen. Er waren opnieuw onvoldoende kandidaten om te voldoen aan de wettelijke criteria. Daarop werd een wetswijziging doorgevoerd, namelijk de wet van 30 mei 2005, waardoor ook de leden van het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek mogen zetelen in de Federale Commissie. Vanaf dan is er op wetgevend vlak niets meer gebeurd.

Er is geen koninklijk besluit verschenen waarin wordt aangeduid hoe men zich kandidaat moest stellen, laat staan een nieuwe oproep tot kandidaten. Op 9 december 2005 verscheen alleen een persbericht van minister Demotte, waarin hij een koninklijk besluit aankondigt. Ingevolge de wetswijziging zouden niet alleen de leden van het raadgevend comité voor Bio-ethiek zich kandidaat kunnen stellen als zij dat wensen, maar ook ambtenaren van federale overheidsdiensten en desbetreffende ministeries. Alleen hebben wij dat koninklijk besluit nooit gezien, evenmin als een nieuwe oproep tot kandidaten.

Nu worden we geconfronteerd met een lijst die onvolledig is en die bovendien niet tot op de juiste manier tot stand is gekomen. Van het kabinet zelf hebben wij vernomen dat de leden van het raadgevend comité voor bio-ethiek elk een brief hebben gekregen waarin werd meegedeeld dat de wet was gewijzigd en dat zij zich kandidaat konden stellen. Van de ambtenaren uit het persbericht van de heer Demotte, vinden we niets terug, ook geen brieven.

Op de volledige lijst van alle personen die zich kandidaat hebben gesteld, komt dan wel weer de naam voor van een ambtenaar bij de FOD Financiën. Op grond van welk koninklijk besluit en van welke oproep heeft die ambtenaar zich kandidaat kunnen stellen. In een bijzonder belangrijke materie als deze heeft de minister mijns inziens geblunderd.

Voor een adviescomité, zoals in dit geval de Federale Commissie voor medisch en wetenschappelijk onderzoek op embryo's in vitro,

schrijft de wet voor dat de verschillende filosofische en ideologische strekkingen evenwichtig vertegenwoordigd moeten zijn. Wie kan op grond van de modellijst uitmaken of alle filosofische en ideologische strekkingen in die commissie evenwichtig vertegenwoordigd zullen zijn? Dat kan zo zijn, maar ik heb geen enkel criterium om dat na te gaan, omdat de wetgever daarin niet heeft voorzien. Tot welke filosofische of ideologische overtuiging bekent bijvoorbeeld kandidaat Roegiers zich? Ik weet het niet en we horen het ook niet te weten, want dat valt onder de persoonlijke levenssfeer. Men zou er beter aan doen om dergelijke vage bepalingen uit de wet te schrappen.

Om deze redenen zal mijn fractie niet aan de stemming deelnemen.

De voorzitter. - Gelet op de veelheid van de criteria waaraan de samenstelling van de Federale Commissie moet voldoen, is tijdens de vergadering van het Bureau van heden afgesproken dat de Senaat zich zou uitspreken over een modellijst. Deze modellijst bevat een aantal kandidaten dat gelijk is aan het aantal openstaande mandaten.

U hebt derhalve een stembrief ontvangen die twee luiken omvat: enerzijds een modellijst met veertien effectieve leden en veertien plaatsvervangers, boven die lijst staat één enkel stemvakje; anderzijds een lijst met de namen van alle kandidaten in alfabetische volgorde. Naast elk van deze kandidaten staat een stemvakje voor de effectieve leden en een stemvakje voor de plaatsvervangers.

De leden die het eens zijn met de modellijst worden verzocht het stemvakje boven deze lijst zwart te maken.

Zij die daarentegen de modellijst niet wensen goed te keuren, kunnen maximaal achtentwintig voorkeurstemmen uitbrengen, waarvan veertien voor de effectieve leden en veertien voor de plaatsvervangers. Het staat elke senator zodoende vrij te stemmen voor de kandidaten van zijn keuze.

Een stem uitgebracht tegelijk op de modellijst en op één of meer afzonderlijke kandidaten zal als ongeldig worden beschouwd.

De heer Hugo Coveliers (Onafhankelijke). - Mevrouw de voorzitter, als rechtsgetrouwe burger zou ik graag conform de wet stemmen. U was zo vriendelijk om de stemming voor te bereiden en om veertien kandidaten aan te prijzen, maar kunt u nu ook aanduiden tot welke filosofische of ideologische strekking elk van die kandidaten behoort, zodat ik in eer en geweten kan stemmen en het door de wet voorgeschreven evenwicht eerbiedigen?

Als het evenwicht niet zou zijn gerespecteerd, dan kan ik uiteraard niet voor de voorgestelde lijst stemmen.

De voorzitter. - Het lot wijst mevrouw Crombé-Berton en mevrouw Nyssens aan om de functie van stemopnemer te vervullen.

Ik verzoek elk lid bij het afroepen van zijn naam zijn stembrief in de stembus te komen deponeren.

De stemming is geopend. Ze begint met de naam van mevrouw Thijs.

(Tot de geheime stemming wordt overgegaan.)

De stemming is gesloten.

Ik veronderstel dat de Senaat zijn agenda voortzet terwijl de stemopnemers de stembulletins nazien.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Staten van Amerika inzake het verrichten van betaalde werkzaamheden door bepaalde gezinsleden van het diplomatiek en consulair personeel, gesloten door uitwisseling van nota's gedagtekend te Brussel op 19 februari 2004 en 18 maart 2004 (Stuk 3-1573)

Stemming 1

Aanwezig: 57
Voor: 57
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende de toekenning van een bijzondere eenmalige toelage ten voordele van de Duitstalige Gemeenschap (Stuk 3-1576)

Stemming 2

Aanwezig: 60
Voor: 60
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Wetsontwerp tot wijziging van de programmawet van 27 december 2005 (Stuk 3-1577) (Evocatieprocedure)

Stemming 3

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

De heer Philippe Moureaux (PS). - Mijn stem is niet geregistreerd. Ik wou voor stemmen.

-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 38, §3quater, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers (Stuk 3-1571) (Evocatieprocedure)

Stemming 4

Aanwezig: 58
Voor: 58
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het werd geamendeerd en zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsvoorstel betreffende de afschaffing van de accijnsverhogingen op motorbrandstoffen (van de heren Jan Steverlynck en Etienne Schouppe, Stuk 3-1389)

De voorzitter. - Wij stemmen over de conclusie van de commissie die voorstelt dit wetsvoorstel te verwerpen.

Stemming 5

Aanwezig: 60
Voor: 40
Tegen: 19
Onthoudingen: 1

-De conclusie is aangenomen.

-Bijgevolg is het wetsvoorstel verworpen.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, inzake de fiscale aftrekbaarheid van renovatie- en aanpassingswerken door de eigenaar-verhuurder (van mevrouw Mia De Schamphelaere en de heer Wouter Beke, Stuk 3-1529)

De voorzitter. - Wij stemmen over de conclusie van de commissie die voorstelt dit wetsvoorstel te verwerpen.

Stemming 6

Aanwezig: 60
Voor: 40
Tegen: 11
Onthoudingen: 9

-De conclusie is aangenomen.

-Bijgevolg is het wetsvoorstel verworpen.

Ontwerp van bijzondere wet houdende de toekenning van een bijzondere eenmalige toelage ten voordele van de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (Stuk 3-1575)

De voorzitter. - We stemmen over het wetsontwerp in zijn geheel met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet.

Stemming 7

Nederlandse taalgroep

Aanwezig: 38
Voor: 38
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Het quorum en de gewone meerderheid zijn bereikt.

Franse taalgroep

Aanwezig: 22
Voor: 22
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Het quorum en de gewone meerderheid zijn bereikt.

De Duitstalige gemeenschapssenator heeft voor gestemd.

De tweederde meerderheid is bereikt.

-Het ontwerp van bijzondere wet is aangenomen.

-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Benoeming van kandidaten voor een mandaat van lid van de Federale Commissie voor medisch en wetenschappelijk onderzoek op embryo's in vitro

De voorzitter. - Hier volgt de uitslag van de geheime stemming over de benoeming van kandidaten voor een mandaat van lid van de Federale Commissie voor medisch en wetenschappelijk onderzoek op embryo's in vitro.

Aantal stemmenden: 51

Blanco of ongeldige stembriefjes: 3

Geldige stemmen: 48

Volstrekte meerderheid: 25

De modellijst behaalt 48 stemmen.

Derhalve worden tot effectieve leden van de Federale Commissie voor medisch en wetenschappelijk onderzoek op embryo's in vitro verkozen verklaard:

Artsen

De heer Jean-Jacques Cassiman

De heer Gilbert Cooreman

De heer Marc Levivier

De heer Luc Roegiers

Doctors in de wetenschappen

De heer Robert Pijnenborg

Mevrouw Josiane Van der Elst

De heer Arsène Burny

Mevrouw Anne Van Cauwenberge

Juristen

De heer Dirk Van der Kelen

Mevrouw Cynthia Lévy

Deskundigen in de ethische problemen en de sociale wetenschappen

Mevrouw Sofie Blancquaert

De heer André Van Steirteghem

Mevrouw Florence Caeymaex

Mevrouw Rosita Winkler

Tot plaatsvervangende leden van de Federale Commissie voor medisch en wetenschappelijk onderzoek op embryo's in vitro worden verkozen verklaard:

Artsen

De heer Thomas D'Hooghe

De heer Paul Cosyns

Mevrouw Fabienne Devreker

Mevrouw Dominique Charlier

Doctors in de wetenschappen

De heer Bernard Rentier

De heer Emmanuel Hermans

Juristen

De heer Erik Mewissen

Mevrouw Bénédicte Jacobs

Deskundigen in de ethische problemen en de sociale wetenschappen

Mevrouw Gerry Evers-Kiebooms

De heer Guido Pennings

De heer Edouard Delruelle

Mevrouw Karin Rondia

Hiervan zal kennis gegeven worden aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Alle kandidaten hebben 48 stemmen behaald.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 23 maart 2006 om 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

Vragen om uitleg:

van mevrouw Sabine de Bethune aan de Eerste minister en aan de minister van Buitenlandse Zaken over "het verloop van het onderzoek naar de moord op een Belgische onderdaan in Oeganda" (nr. 3-1466);

van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over "het arrest van het Hof van Cassatie in een dopingzaak en de mogelijke uitholling van onze drugs- en hormonenwetgeving" (nr. 3-1443);

van de heer François Roelants du Vivier aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over "de stand van de werkzaamheden van de interministeriële commissie voor humanitair recht inzake de bestraffing van het negationisme in het Belgische recht" (nr. 3-1446);

van de heer Josy Dubié aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over "de blokkering van het onderzoek naar de brand in het Koerdisch Instituut te Brussel" (nr. 3-1451);

van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over "de permanente vorming van magistraten" (nr. 3-1476);

van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over "de problematiek van de ontvoeringen door ouders" (nr. 3-1479);

van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de vice-eerste minister en minister van Financiën over "de controles op het uitschrijven van BTW-bonnetjes door restaurants" (nr. 3-1441);

van de heer Luc Willems aan de vice-eerste minister en minister van Financiën en aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over "het gebruik van gehomologeerde plofkoffers in geldautomaten" (nr. 3-1480);

van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de vice-eerste minister en minister van Begroting en Consumentenzaken over "de verandering van gsm-operator met behoud van nummer" (nr. 3-1442);

van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over "de veiligheid in de ziekenhuizen" (nr. 3-1487);

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over "het Congolese rapport-Lutundula" (nr. 3-1458);

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over "een interventiemacht van de Europese Unie in de Democratische Republiek Congo" (nr. 3-1459);

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over "de mensenrechtentoestand in Colombia" (nr. 3-1483);

van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over "de illegale kosten bij hypothecair krediet" (nr. 3-1486);

van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over "de financiering van het beschut wonen voor ex-psychiatrische patiënten" (nr. 3-1475);

van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over "de akkoorden tussen ziekenfondsen en psychotherapeuten" (nr. 3-1477);

van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over "de gebrekkige controle op het dierenwelzijn" (nr. 3-1488);

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Middenstand en Landbouw over "de moederschapshulp" (nr. 3-1470);

van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Middenstand en Landbouw over "de vergoeding van de economische schade die het gevolg is van de sterk verlaagde consumptie van gevogelte en van afgeleide producten, uit vrees voor de vogelgriep" (nr. 3-1481);

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over "de aanhoudende droogte in Oost-Afrika" (nr. 3-1433);

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over "de 50ste sessie van de VN-Commissie voor de Status van de Vrouw" (nr. 3-1473);

van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over "de werkzaamheden van de werkgroepen opgericht naar aanleiding van de interministeriële conferentie rond huisvesting" (nr. 3-1478);

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over "de vestiging van het Europese Genderinstituut" (nr. 3-1484);

van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over "de vestigingsplaats van het op te richten Europese Genderinstituut" (nr. 3-1485);

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over "de begroting van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen in 2005 en 2006" (nr. 3-1489);

van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Mobiliteit over "het opfokken van bromfietsen en de verantwoordelijkheid van de bromfietsenhandelaar" (nr. 3-1457);

van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Mobiliteit over "de rijopleiding" (nr. 3-1490);

van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Mobiliteit over "de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen" (nr. 3-1491);

van mevrouw Jacinta De Roeck aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over "het ecologisch onderhoud van de spoorwegbermen in samenwerking met de VZW Natuurpunt" (nr. 3-1474);

van de heer Stefaan Noreilde aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over "het gebruik van internet en gsm op de trein" (nr. 3-1482).

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de audit van het Rekenhof omtrent het "human resources management" van de strafinrichtingen» (nr. 3-1444)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Het Rekenhof heeft op 21 september 2005 een auditrapport voorgelegd over het human resources management van de strafinrichtingen, dat in het 162ste Boek van het Rekenhof werd gepubliceerd. Hierbij werden op de volgende domeinen disfuncties vastgesteld:

1. Begrotingsstructuur;

2. Onvoldoende informatieverwerking en onvoldoende interne controle;

3. Beheer van de aanwervingen;

4. Naleving van de eisen van de betrekking bedoeld in het administratief statuut van het personeel;

5. Geldelijke toestand van de directeurs van de strafinrichtingen;

6. Premies en toelagen;

7. Toepassing van de regeling van het verlof voorafgaand aan het pensioen;

8. Lacunes in het human resources management;

9. Geldelijk statuut van het personeel van het directoraat-generaal Uitvoering van Straffen en Maatregelen.

Het parlement heeft de budgettaire middelen verhoogd nadat de regering te kennen had gegeven dat ze de detentievoorwaarden en de arbeidsvoorwaarden van de personen die in de penitentiaire administratie werken, wil verbeteren. Nochtans blijkt uit het rapport dat de personeelsadministratie het moeilijk heeft om de instrumenten te ontwikkelen die moeten zorgen voor de opvolging van het resultaat van de humanresourcesuitgaven en voor een transparante programmering van de personeelsbehoeften.

Naast de budgettaire problemen bij de penitentiaire administratie brengt het rapport vooral ook structurele gebreken aan het licht in het beheer van het gevangenispersoneel. Die disfuncties kunnen rechtstreekse gevolgen hebben voor diverse aspecten van het gevangenisleven, onder andere het beheer van de gevangenisarbeid.

In haar antwoord van 20 oktober 2005, dat deels ook in het 162ste Boek is opgenomen, stelt de minister een reeks wetgevende hervormingen in het vooruitzicht, vooral op het vlak van de interne controle. Welk gevolg heeft ze aan de kritische opmerkingen gegeven? Zijn er al oplossingen voor de verschillende problemen?

Mijn tweede vraag gaat over het antwoord van de minister op mijn vraag om uitleg van 2 februari 2006 over de toekomst van de gevangenisarbeid.

De audit toont aan dat het gebrekkige human resources management van het personeel van de strafinrichtingen zeker een weerslag heeft op de arbeid van de gevangenen zelf. De strafinrichtingen hebben het al moeilijk genoeg om de arbeidsvoorwaarden van het personeel te beheren en hebben ook problemen om de arbeidsvoorwaarden van de gevangenen te beheren. Hoe kunnen ze goede werkomstandigheden voor de gevangenen garanderen als er al structurele tekortkomingen bij het personeelsbeheer zijn, en dat zowel op het vlak van het loon in ruime zin als op het vlak van de werktijd? Het probleem inzake beheer dreigt op lange termijn de gevangenisarbeid nog meer in het gedrang te brengen. Welke oplossing heeft de minister voor ogen?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx voor.

Mevrouw Nyssens verwijst in haar vraag naar de conclusies van de audit van het Rekenhof. Ik heb met het hof uitvoerig over die conclusies kunnen debatteren.

Sinds de presentatie van de conclusies van de audit is het personeelsbeheer in de strafinrichtingen aanzienlijk verbeterd. Er werden meerdere plannen uitgewerkt voor de gevangenissen, de veiligheidskorpsen en de justitiehuizen. Het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht moet onafhankelijk worden beheerd omdat die instelling een eigen doelstelling heeft.

Een reorganisatie van de budgettaire structuur met het oog op de verschillende doelstellingen is een mogelijke oplossing, bijvoorbeeld met betrekking tot de interneringscapaciteit. Een onderverdeling per gevangenis lijkt me niet raadzaam omdat dat zou leiden tot een te strikt beheer van de middelen. Er bestaan trouwens maandelijkse tabellen over de personeelsevolutie per strafinrichting. Die situatie vormt de basis voor de aanwervingsmogelijkheden die bestaan in het licht van aanwervingsperspectieven die in het personeelsplan zijn opgenomen.

Om de procedures efficiënter te maken heeft de FOD een BPR personeelsplanning gestart, die vanaf nu ook het specifieke karakter van de strafinrichtingen integreert. Het personeelsplan voor de Justitiehuizen werd in februari 2006 aan de Inspectie van Financiën overgezonden.

Naast de boordtabellen van het personeelsbestand is er ook een maandelijkse tabel waarin de vergelijking wordt gemaakt tussen de reële uitgaven en de geschatte en begrote uitgaven. Die tabel is ter beschikking van de Inspectie van Financiën gesteld.

Ik ontken dat de aanwerving gebeurt zonder functieomschrijving. In het kader van de ontwikkelcirkels en van de ontwikkeling van de niveaus A, B, C en D werden beroepsrichtingen en functiefamilies uitgewerkt waarin de sectorfuncties hun plaats hebben gevonden. Hiermee werd trouwens tegemoet gekomen aan een bekommernis van SELOR inzake de kwaliteit.

Volgens de benchmark met betrekking tot de Federale Staat moet een lid van de dienst P&O gemiddeld 50 dossiers behandelen. In de FOD Justitie behandelt een lid van die dienst 140 dossiers. Via een bestuursmodel voor de FOD en via een versterking van het lokale beheer van de dienst P&O moet die kloof geleidelijk worden gedicht.

Met betrekking tot de opmerkingen over het wetgevende werk en de opvolging ervan merk ik op dat de aanwervingscontracten conform de wet werden aangepast en nu ook de administratieve verblijfplaats vermelden.

Het Rekenhof is trouwens van oordeel dat alleen SELOR bij een aanwerving toegang mag hebben tot het strafblad. Er bestond inderdaad een herenakkoord tussen SELOR en de FOD Justitie waarbij de FOD zelf het strafblad, dat door een van zijn diensten wordt opgesteld, bijhoudt. Sinds juli 2005 heeft SELOR het beheer van de reserves opnieuw overgenomen.

Mijn administratie gaat momenteel na of een veiligheidsverificatie kan worden uitgevoerd aangezien het strafblad geen melding maakt van de feiten waarvoor een opsporings- of een gerechtelijk onderzoek loopt. De veiligheidsverificatie kan die lacune wegwerken en vergt geen aanpassing van de wetgeving.

De personeelsmiddelen voor de sector werden door twee grote operaties verhoogd.

1. Het sociaal akkoord van 15 juni 2001 bepaalt onder andere dat in niveau C een technisch kader zal worden opgericht teneinde het beheer van technische installaties en de uitvoering van het onderhoud van overheidsbedrijven te professionaliseren; de aanpassing van het organiek kader aan een nieuwe verdeelsleutel voor prestaties en de oprichting van een contingent penitentiaire beambten om de achterstand in vakantiedagen op te vangen.

2. Uitbreidingen doorgevoerd na 2001.

Voor het bewakingspersoneel en het technische personeel gingen die uitbreidingen samen met de oprichting van nieuwe infrastructuur in de strafinrichtingen, met werken om de capaciteit in de strafinrichtingen te verhogen of met de opening van nieuwe gevangenissen zoals die van Ittre en Hasselt.

De uitbreiding van het administratief personeel was gebaseerd op een studie waarin naast de werklast per dossier ook meer kwalitatieve elementen werden geanalyseerd.

In 2006 zal ook het personeel van de psychosociale diensten worden uitgebreid om de geïnterneerden en psychiatrische gevangenen in de bijzondere afdelingen van de gevangenissen te begeleiden.

Wegens de verhoging van de gevangenisbevolking van 6.900 naar 9.300 gevangenen werden extra middelen vrijgemaakt om de directe noden te lenigen.

Binnenkort zal een werkgroep zich buigen over de verschillende internationale benchmarks voor de verschillende doelstellingen van de sector. De resultaten van dat onderzoek worden voor einde oktober verwacht.

De implementatie van een systeem van interne controle heeft betrekking op meerdere onderdelen:

a) De progressieve implementatie van SP-Expert zal het eerste instrument zijn om de prestaties en het verzuim van het personeel te meten. In de periode dat het Rekenhof zijn rapport opstelde, liep in twee inrichtingen een proefproject. Twee andere gevangenissen - Oudenaarde en Doornik - zullen vanaf mei op het systeem worden aangesloten. Waarschijnlijk zal een algemene implementatie vanaf einde 2007 of begin 2008 mogelijk zijn.

Niettemin garandeert de intensievere uitwisseling van personeelgegevens tussen de strafinrichtingen en de administratie al een betere opvolging van de dossiers.

b) De FOD en de CDVU hebben een akkoord gesloten om de details van de uitgaven mee te delen. De begeleidingsdienst gebruikt die gegevens om de nodige controles uit te oefenen.

c) De FOD Justitie en de FOD Financiën hebben een samenwerkingsakkoord gesloten inzake de controle op de cumulatie door personeelsleden die vallen onder de regeling van het verlof voorafgaand aan het pensioen.

d) Er zal binnen het directoraat-generaal een inspectiedienst worden opgericht die zal moeten nagaan welke regels in de strafinrichtingen moeten worden nageleefd.

e) Een dienst zal een risicoanalyse doen. Op basis van de resultaten zal hij audits organiseren en aanbevelingen doen aan de diensthoofden.

In het rapport van het Rekenhof worden ook twee punctuele en tijdelijke problemen aangesneden.

Enerzijds is er sinds 1 december 2004 de integratie in het niveau A met de gemene graden. Er zal een bijzonder koninklijk besluit worden afgekondigd voor de integratie van de bijzondere graden van niveau 1 in het niveau A. De administratieve en budgettaire controle bevindt zich in een eindfase.

Anderzijds hebben sommige personeelsleden in de centrale administratie twee verschillende statuten. Die situatie kan niet blijven duren. Hoewel het raadzaam is dat ambtenaren van de buitendiensten geregeld in de centrale administratie aanwezig zijn om bijzondere projecten te realiseren, moet dat systeem worden stopgezet voor uitvoerende taken waarbij ervaring binnen een strafinrichting geen enkele toegevoegde waarde met zich meebrengt. Een regeling terzake zit in de eindfase.

In het tweede deel van haar vraag maakt mevrouw Nyssens zich terecht zorgen over de arbeidsvoorwaarden voor de gevangenen.

Gevangenisarbeid is een belangrijk onderdeel van de maatschappelijke reïntegratie van de betrokkenen en van de voorbereiding op hun vrijlating. Het is een bron van middelen en het biedt de gevangenen een bezigheid. Het belang ervan mag inderdaad niet worden onderschat.

Mevrouw Nyssens maakt zich terecht zorgen over de impact van de studie van het Rekenhof op de arbeidsbegeleiding van de gevangenen.

In tegenstelling met wat mevrouw Nyssens in haar vraag beweert, maakt de audit die in het 162ste Boek van het Rekenhof is opgenomen, geen gewag van het feit dat `de disfuncties in het personeelsbeheer in de strafinrichtingen zeker een weerslag hebben op de arbeid van de gevangenen zelf'. Het Rekenhof heeft de weerslag van het personeelsbeheer op de gevangenisarbeid en de begeleiding ervan zelfs niet terloops behandeld.

De diensten die zich bezighouden met het beheer van het personeel dat de gevangenisarbeid begeleidt, zullen worden uitgenodigde de echte noden van het begeleidingspersoneel van de gevangenisarbeid vast te stellen op basis van gegevens die op regelmatige basis worden verstrekt, onder andere door de Regie voor gevangenisarbeid.

Het klopt trouwens niet dat penitentiaire beambten zouden worden achtergesteld inzake loon en arbeidstijd. Sinds enkele jaren wordt bij de berekening van hun weddenschalen en voordelen rekening gehouden met de bijzondere kenmerken van hun werk. Ze genieten een bijzondere premie die geïntegreerd is in hun loon, verlof voorafgaand aan het pensioen en een 36-urensysteem.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - De strafinrichtingen verdienen een staatsecretaris.

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de behandeling van de individuele gratieverzoeken door de FOD Justitie» (nr. 3-1445)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Berni Collas (MR). - De Koning kan krachtens de discretionaire bevoegdheid die hem door artikel 110 van de Grondwet is verleend, toestemmen in een gedeeltelijke of gehele kwijtschelding van de straffen die een veroordeelde heeft opgelopen. Dat gebeurt op voorstel van de minister van Justitie.

De individuele koninklijke gratie kan aan elke veroordeelde worden verleend op verzoek van de veroordeelde zelf of van elke andere belanghebbende, bijvoorbeeld zijn advocaat. Aan dat verzoek zijn geen bijzondere formaliteiten verbonden.

De gratie wordt eventueel verleend na onderzoek van het dossier door de Dienst Genade van het Directoraat-Generaal Uitvoering van Straffen en Maatregelen van de FOD Justitie, die het advies van het parket vraagt en een onderzoek laat uitvoeren door de politie van de gemeente waar de veroordeelde zijn domicilie of verblijfplaats heeft.

Nadat het opsluitingsbriefje - de uitnodiging om zich binnen de vijf dagen naar de gevangenis te begeven om er zijn straf uit te zitten - is overhandigd, is een gratieverzoek nog steeds mogelijk, maar dan moet het onmiddellijk na ontvangst van het opsluitingsbriefje worden ingediend, samen met een vraag van het bevoegde parket aan de dienst Uitvoering van Straffen om de uitvoering van de straf op te schorten in afwachting van de beslissing van de toekenning of de verwerping van de individuele gratie.

In de praktijk dienen de advocaten systematisch een gratieverzoek in bij ontvangst van het opsluitingsbriefje. Tezelfdertijd sturen ze een brief met het originele opsluitingsbriefje aan de procureur des Konings, waarbij om strafopschorting wordt gevraagd.

De Dienst Genade van het Directoraat-Generaal Uitvoering van Straffen en Maatregelen van de FOD Justitie sluit het dossier niet, nochtans wetende dat Zijne Majesteit Albert II nooit koninklijke individuele of collectieve gratie heeft verleend.

Aangezien men niet in een gevangenis kan worden opgesloten zonder origineel opsluitingsbriefje, heeft deze werkwijze van de advocaten tot gevolg dat veel straffen niet worden uitgevoerd.

Kan de minister deze informatie bevestigen?

Zo ja, hoeveel dossiers zijn hangende bij de Dienst Genade van het Directoraat-Generaal Uitvoering van Straffen en Maatregelen van de FOD Justitie?

Stuurt de Dienst Genade de verzoeken steeds door naar het Koninklijk Paleis?

Indien dit misbruik van de procedure wordt bevestigd, wat denkt de minister er dan aan te doen?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van de minister van Justitie.

De uitvoering van de straffen behoort tot de exclusieve bevoegdheid van het openbaar ministerie dat hetzij de onmiddellijke opsluiting kan bevelen, hetzij uitstel kan verlenen als daar reden toe is, of in bepaalde gevallen zelfs kan beslissen de korte gevangenisstraffen niet uit te voeren.

In beginsel worden enkel de gevangenisstraffen van minder dan zes maanden ingevolge de indiening van een gratieverzoek opgeschort, voor zover die aanvraag binnen een termijn van vijftien dagen na de definitieve beslissing werd ingediend en de veroordeelde in vrijheid is.

Het duurt verschillende weken voordat de diensten van het parket, via de politiediensten, een opsluitingsbriefje aan de veroordeelde kunnen bezorgen. Bijgevolg heeft de indiening van een gratieverzoek na ontvangst van het opsluitingsbriefje bijna nooit een opschortend gevolg. De gevangenisstraf kan dus zonder problemen worden uitgevoerd.

Uit een kort onderzoek blijkt dat het probleem dat de heer Collas naar voren brengt, zich zelden voordoet. Bovendien is het terugsturen van een opsluitingsbriefje aan het parket dat de uitvoering van de straf heeft bevolen, geen hinderpaal voor de opsluiting. Het opsluitingsbriefje heeft als doel de gevangenis op de hoogte te brengen van een aantal praktische inlichtingen, zoals de reden van opsluiting.

Het parket kan dus altijd een tweede opsluitingsbriefje afgeven. Het parket kan onder meer, als de veroordeelde zich niet binnen een termijn van vijf dagen in de gevangenis heeft aangemeld, een bevel tot inhechtenisneming ten aanzien van de veroordeelde uitvaardigen.

De Dienst Genade geeft prioriteit aan alle gratieverzoeken die werden ingediend ten gunste van veroordeelden in gevangenschap evenals aan de gratieverzoeken van degenen wier strafuitvoering gedurende het gratieonderzoek niet wordt opgeschort.

Elk verzoek wordt onderzocht in het licht van de inlichtingen en adviezen van de bevoegde gerechtelijke en administratieve autoriteiten en maakt het voorwerp uit van een voorstel tot verlening of verwerping van strafkwijtschelding of -vermindering, dat aan de Koning ter ondertekening wordt voorgelegd.

De Dienst Genade, die op dit ogenblik onder de juridische diensten van de voorzitter van het directiecomité van het departement ressorteert, sluit het onderzoek van de gratieverzoeken in alle gevallen af en brengt het openbaar ministerie op de hoogte van de afloop van elke procedure.

Het is de Koning die gratie verleent. Ofwel wordt een bijzondere gratiemaatregel verleend bij koninklijk besluit, ofwel wordt het gratieverzoek afgewezen. De ambtshalve gratieverlening - vooral in het geval van een voorgaande onwerkdadige hechtenis - gebeurt bij ministerieel besluit. Die dossiers worden bijgevolg niet ter ondertekening naar het Paleis gestuurd.

De heer Berni Collas (MR). - Ik neem er kennis van dat het fenomeen als marginaal wordt beschouwd. Ik zal de antwoorden in detail onderzoeken en er eventueel later op terugkomen.

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de nationaliteit en het verblijf van de kinderen en "kleinkinderen" van de Belgen die naar Belgisch Congo zijn geëmigreerd» (nr. 3-1463)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik ken veel mensen van Congolese origine die in België verblijven en die hun situatie niet geregulariseerd krijgen, noch inzake verblijf, noch inzake hun nationaliteit, ondanks hun Belgische voorouders en hun band met België.

Die mensen zijn de wettige of natuurlijke kinderen of kleinkinderen van gemengde Belgisch-Congolese, al dan niet gehuwde koppels. Degenen die grote problemen ondervinden om hun afstamming te bewijzen, zijn voortgekomen uit relaties tussen Belgen die in Belgisch Congo verbleven, en Congolese vrouwen.

Hoewel ze de Congolese nationaliteit hebben, beroepen die mensen zich op hun banden met België wegens hun afstamming en de familie die ze in ons land hebben.

Geeft hun afstamming automatisch de Belgische nationaliteit aan die mensen? Bestaan er daarover wettelijke bepalingen, hetzij in het koloniaal recht, in het Belgisch recht of in de Congolese archieven?

Welke procedures bestaan er voor een onderzoek naar de nationaliteit? Welke documenten zijn daarvoor nodig? Waar kunnen de belanghebbenden de documenten krijgen die in de periode van Belgisch Congo werden verstrekt?

Is de afstamming een element waarmee door de DVZ rekening wordt gehouden bij een vraag tot regularisatie van het verblijf?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Aangezien de vraag om uitleg tot drie ministers was gericht, heb ik drie antwoorden.

Ik lees eerst het antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken. De vraag in kwestie betreft drie problemen, namelijk de nationaliteit, het verblijf in België en de burgerlijke staat.

De collega's van Justitie en Binnenlandse Zaken antwoorden op de eerste twee vragen.

Wat het bewijs van afstamming betreft, weten we dat het bijhouden van de registers van de burgerlijke stand in Afrika niet altijd met de in Europa gebruikelijke gestrengheid gebeurt. Soms werden de registers vernietigd door natuurrampen of tijdens opstanden.

Wanneer geboorteakten of erkenningsakten niet of niet meer voorhanden zijn, kent het Congolese recht een procedure om de ontbrekende akte te vervangen. Volgens die zogenaamde `jugement supplétif'-procedure kan elke belanghebbende aan de bevoegde Congolese rechtbank een vonnis vragen dat de burgerlijke staat vaststelt waarvoor het formele bewijs ontbreekt.

Ik lees nu het antwoord van minister Onkelinx.

Mijn administratie kreeg verschillende vragen van personen van Congolese origine die zich beroepen op hun Belgische afkomst of hun banden met België. Het is niet juist te stellen dat de afstamming van rechtswege de Belgische nationaliteit aan die personen verleent.

Er bestaat geen koloniaalrechtelijke bepaling die de situatie van die mensen regelt. Daarom moeten de bepalingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit worden toegepast.

Het is belangrijk dat die mensen op een geldige wijze hun afstamming van iemand van Belgische nationaliteit kunnen aantonen.

De vaststelling van de afstamming is immers het doorslaggevende criterium voor de toekenning van de nationaliteit. Concreet moet de belanghebbende een integrale kopie of een uittreksel uit zijn geboorteakte en de huwelijksakte van zijn ouders kunnen voorleggen, of, indien zijn ouders niet gehuwd waren, een kopie van de akte van erkenning door de vader of de moeder. In de laatste veronderstelling is dit van toepassing, wanneer de naam van de Belgische moeder niet is vermeld in de geboorteakte.

Ik weet dat het verkrijgen van documenten die tijdens de periode van Belgisch Congo werden verstrekt, voor vele mensen niet zonder problemen verloopt, in het bijzonder wanneer die documenten verloren gingen door oorlog of natuurrampen. Dat probleem behoort tot de bevoegdheid van mijn collega van Buitenlandse Zaken.

Wanneer de geboorte- of erkenningsakten niet of niet meer voorhanden zijn, kent het Congolese recht een procedure om de ontbrekende akte te vervangen. Volgens die zogenaamde `jugement supplétif'-procedure kan elke belanghebbende aan de bevoegde Congolese rechtbank een vonnis vragen dat de burgerlijke staat vaststelt waarvoor het formele bewijs ontbreekt.

Wanneer men zijn toevlucht tot die procedure niet kan nemen, kan men zich beroepen op artikel 5 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, dat bepaalt dat de geboorteakte opeenvolgend kan worden vervangen door een gelijkwaardig document afgegeven door de diplomatieke of consulaire overheden van het land van geboorte of, bij gebreke daaraan, door een akte van bekendheid of, bij gebreke daaraan, door een beëdigde verklaring van de belanghebbende.

Wat ook de gevolgde procedure is, de documenten moeten het bewijs leveren van de afstamming en de volledige identiteit van de belanghebbende en eventueel van zijn familie.

Wanneer de afstammingsband met een Belg niet op afdoende wijze kan worden bewezen, kan de belanghebbende nog steeds een aanvraag tot naturalisatie indienen.

De derde vraag behoort volledig tot de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken.

In antwoord op uw derde vraag voegt minister Dewael er nog aan toe dat de persoon die, op basis van zijn afstamming, de voorwaarden vervult om de Belgische nationaliteit te verkrijgen, op grond van zijn persoonlijke situatie kan genieten van de toepassing van sommige bepalingen van de wet van 15 december 1980. Zo kan de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden om de Belgische nationaliteit door een nationaliteitsverklaring of nationaliteitskeuze te verkrijgen of om ze te herkrijgen, zich in bepaalde gevallen beroepen op artikel 10, 2º van de wet van 15 december 1980 om van rechtswege toegelaten te worden tot een verblijf van meer dan drie maanden. De vreemdeling jonger dan 21 jaar die ten laste van zijn Belgische ouder is, kan zich beroepen op familiehereniging volgens artikel 40, §3 van de wet. Daarvoor moet de vreemdeling het bewijs van zijn afstamming leveren.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik dank de drie ministers voor hun overeenstemmende antwoorden.

Vraag om uitleg van mevrouw Nele Jansegers aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Werk over «de elektronische aangifte van misdrijven bij de politie» (nr. 3-1465)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Nele Jansegers (VL. BELANG). - Er is al enkele jaren sprake van om werk te maken van de elektronische aangifte van misdrijven, of althans van bepaalde misdrijven, alsook van het creëren van de mogelijkheid voor de burgers om vragen en administratieve werkzaamheden via elektronische weg te laten afhandelen. Het zou zelfs tot één van de prioriteiten van deze regering inzake e-bestuur behoren. Het laatste wat wij hierover vernamen, was dat er een haalbaarheidstudie zou worden verricht en dat er proefprojecten van start zouden gaan.

De voordelen van een dergelijke aangifte zijn in elk geval duidelijk, zowel voor de burger als voor de politie. De eerste kan veel gemakkelijker aangifte doen van een aantal vormen van criminaliteit, terwijl het administratieve werk van de politie kan worden verlicht door de gestandaardiseerde wijze van aanbrengen van een aantal gegevens. Redenen genoeg dus om er snel werk van te maken.

Wat is de actuele stand van zaken van dit project? Hoever staat het met de haalbaarheidsstudie waarvaan reeds meermaals sprake is geweest en wat zijn de resultaten ervan? Hoever staat het met de proefprojecten waarvan sprake in een persbericht van 5 juli vorig jaar, waar worden deze opgezet, en wat zijn de eerste bevindingen ervan?

Hoever staat het overleg tussen de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en de minister verantwoordelijk voor de informatisering van de Staat? Is dit overleg afgerond? Zoniet, wat zijn de knelpunten?

Heeft men er al een precies zicht op welke feiten en delicten voor elektronische aangifte in aanmerking komen?

Heeft men er al enig idee van welke vorm deze elektronische aangifte concreet zal aannemen, onder meer met betrekking tot de waarborgen inzake betrouwbaarheid van de aangiftes en identificatie van de aangever, en via welk kanaal, plaatselijk of centraal, deze aangifte zal dienen te gebeuren?

Hoever staat het met de voorbereiding van de aanpassing van het wettelijke kader?

Wanneer mag worden verwacht dat deze vorm van e-bestuur in werking treedt?

Zijn er reeds politiezones waar nu al een of andere vorm van elektronische aangifte in voege is en zo ja, welke zones zijn dat en kan dat wettelijk gezien al? Indien dat zo zou zijn, in welke mate en tot op welke hoogte kunnen politiezones wettelijk reeds van start gaan met elektronische aangiftes?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken.

Eind juni 2005 heb ik de federale politie de opdracht gegeven een opportuniteitsstudie inzake het e-loket uit te voeren. Die studie werd op 1 augustus 2005 aan mijn kabinet bezorgd. In die studie wordt de duur voor de ontwikkeling van het e-loket geschat op anderhalf jaar, rekening houdend met de vereiste wijzigingen aan een aantal bestaande systemen, zoals het ISLP.

Het zou de bedoeling zijn de online aangifte van een aantal misdrijven, zoals vandalisme en gewone diefstallen mogelijk te maken. Wat de feiten betreft die op deze wijzen zouden kunnen worden aangegeven, werden evenwel nog geen definitieve keuzes gemaakt. Die keuzes zullen worden gemaakt in samenspraak met mijn collega, de minister van Justitie, volgens de prioriteiten die moeten worden gesteld.

Het is ook nog te vroeg om heel concreet te kunnen antwoorden op de vragen naar de wijze waarop die aangiften zullen kunnen gebeuren. Het zou in ieder geval de bedoeling zijn dat de burger via de elektronische identiteitskaart toegang krijgt tot een beveiligde federale portaalsite. Daarop zouden verschillende documenten beschikbaar worden gesteld om het de burger mogelijk te maken aangifte te doen van een feit of een vraag te stellen.

De federale politie zou die gegevens dan overzenden aan de lokale politie.

Wanneer het project gefinaliseerd is, zullen eventueel initiatieven worden genomen om de werkwijze voor de elektronische aangifte te regelen.

Het tijdstip waarop dit e-loket in werking zal treden ligt nog niet vast. Vast staat wel dat keuzes en prioriteiten zullen moeten gemaakt worden in functie van de beschikbare budgetten voor de onderscheiden toepassingen die voor de geïntegreerde politie moeten ontwikkeld of aangepast worden.

De ontwikkeling van dit e-loket noodzaakt inderdaad een herziening van de prioriteiten binnen het raam van de huidige informatiseringsprojecten bij de geïntegreerde politie.

Ik beschik niet over een complete inventaris van de lokaal genomen initiatieven omdat dergelijke gegevens niet centraal ingezameld worden. Indien dit echter onontbeerlijk is, ben ik bereid mijn diensten te belasten met een algemene bevraging van de zones en u de ingezamelde gegevens schriftelijk toe te sturen.

Mevrouw Nele Jansegers (VL. BELANG). - Ik dank de minister voor het antwoord. Het verbaast ons dat dit wordt aangekondigd als een prioriteit en dat het dan heel lang duurt voordat er iets gebeurt. Er is zelfs nog geen overleg geweest tussen de ministers die op een of andere manier bevoegd en verantwoordelijk zijn voor deze zaken.

We zouden inderdaad graag de gegevens krijgen met betrekking tot de verschillende politiezones. Ik zal hierover een schriftelijke vraag indienen.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de trafiek van Subutex naar Georgië» (nr. 3-1468)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Volgens Panorama van 5 maart 2006 op Canvas is België voor de Georgische maffia een draaischijf in de trafiek van Subutex naar Georgië. Subutex is in Frankrijk en België net als Methadon een legaal vervangingsmiddel voor heroïneverslaafden. In België is Subutex bij de apotheker op voorschrift van de arts verkrijgbaar. Als het echter wordt geïnjecteerd in plaats van oraal gebruikt, is Subutex een gevaarlijk roesmiddel. In Georgië is de drug daarom heel populair. Volgens dezelfde reportage zijn in Georgië 100.000 à 200.000 mensen op een bevolking van vier miljoen aan Subutex verslaafd.

Voor de georganiseerde misdaad rond Antwerpen is smokkel van Subutex een bijzonder lucratieve activiteit, suggereert Panorama. Een pakje met zeven pillen kost in België zo'n 30 euro. In Georgië heeft een pakje Subutex echter een straatwaarde van 1.000 euro. De winstmarges voor malafide trafikanten zijn bijgevolg enorm. Bovendien zijn de pillen eenvoudig te smokkelen: ze zijn klein en drugshonden kunnen ze niet ruiken.

Het departement van Volksgezondheid stelde echter sedert de introductie in 2004 geen significante stijging van de verkoop van Subutex vast. Volgens dezelfde reportage zijn ook de persrechter en specialisten inzake Georgische criminaliteit niet op de hoogte van het fenomeen.

Er heerst dus nogal wat verwarring over de omvang van de trafiek van Subutex naar Georgië en de eventuele link met de georganiseerde misdaad in België.

Is de minister op de hoogte van een eventuele trafiek van Subutex? Zo ja, kan zij hierover enige duiding geven?

Welke maatregelen wil de minister nemen om het probleem in te dijken en onder controle te krijgen?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx voor.

Wij weten niets van smokkel van Subutex en de rol die België daarin zou spelen.

De federale politie verzekert tot op heden nog geen enkel signaal te hebben ontvangen dat er een probleem zou zijn.

Mocht België inderdaad een draaischijf zijn, dan zou dat ongetwijfeld reeds op het terrein zijn vastgesteld. Dat is niet het geval. Ook de Georgische autoriteiten hebben niets laten weten.

Zeer recent werd nog overleg gepleegd met de Belgische verbindingsofficier in Georgië over de drugproblematiek. Tijdens dat gesprek is de eventuele smokkel van Subutex naar Georgië niet ter sprake gekomen.

In geen enkel van de recente internationale rapporten, bijvoorbeeld van de Verenigde Naties, wordt ook maar enige melding gemaakt van een probleem terzake.

Ik zal in de loop van de volgende dagen mijn collega van Volksgezondheid vragen of zijn diensten over meer informatie beschikken. Mocht dat het geval zijn, dan zullen we over bijzondere maatregelen overleggen.

Het experimentele project in Luik heeft niets te maken met Subutex, dat een substitutiemiddel is.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik stel vast dat de bevindingen van Panorama niet overeenstemmen met de verklaring van de regering. Ik zal het antwoord van de regering aan de betrokken journalisten meedelen. Wellicht komt er dan meer duidelijkheid over hun bronnen. Als de informatie van Panorama correct is, dreigt de Georgische maffia, waarvan we sedert 1991 weten dat het een gevaarlijke groepering is, zich in Antwerpen verder uit te breiden.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Financiën over «de behandeling door de FOD Financiën van de belastingsaangiften van natuurlijke personen voor het aanslagjaar 2005» (nr. 3-1462)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - In antwoord op mijn vraag om uitleg nr. 3-1169 van 1 december 2005 over de moeilijkheden bij de inkohiering en terugbetaling van de personenbelasting voor het aanslagjaar 2005 antwoordde de minister dat `Ondanks de moeilijkheden die met het nieuwe systeem gepaard gaan, en ondanks het feit dat het personeel van de FOD Financiën de aanvragen voor een stookoliepremie behandelt, de inkohiering volgens hetzelfde tempo als verleden jaar zou moeten kunnen gebeuren zodat noch de belastingplichtigen, noch de gemeenten nadeel moeten ondervinden van de modernisering van het departement.

De modernisering van de informatica moet het de komende jaren integendeel mogelijk maken de termijn tussen de aangifte en de aanslag gevoelig te verkorten.

De nieuwe uitrusting in het kader van de modernisering van de FOD Financiën, of het nu gaat om de automatische behandeling van de aangiften, of over de specifieke projecten voor fraudebestrijding - bijvoorbeeld data mining - maakt een efficiëntere controle mogelijk en garandeert de burger een betere dienstverlening.'

Ondanks die bemoedigende en kalmerende uitspraken maakte de pers onlangs gewag van de uitspraken van de administrateur-generaal van de Belastingen en de invordering, die zegt dat de fiscale administratie met de rug tegen de muur staat voor de inkohiering en de terugbetaling van de belastingen van de natuurlijke personen voor het aanslagjaar 2005, met als gevolg dat de belastingdiensten de instructie hebben gekregen zich te beperken tot de inkohiering van de belastingen en de belastingaangiften niet meer te controleren.

De belastingadministratie zou blijkbaar ook hebben besloten een aantal filters en knipperlichten die onjuistheden of vergissingen in de aangiften moeten signaleren, te deactiveren. Er zou enkel nog worden gecontroleerd of de aangiften overeenstemmen met de loonfiches die door de werkgevers zijn bezorgd.

Bovendien kan met het programma voor de berekening van de belastingen op dit moment slechts 93% van de aangiften worden berekend.

Bevestigt de minister dat de belastingdiensten de instructie hebben gekregen over te gaan tot de inkohiering van de belastingen van de natuurlijke personen van het aanslagjaar 2005 zonder voorafgaande controle? Is de minister niet van mening dat die toestand niet alleen de belangen van de Schatkist schaadt, maar ook fiscaal onrechtvaardig is? Indien neen, waarom niet? Indien ja, plant de minister dan maatregelen om de gelijkheid tussen de belastingplichtigen te herstellen?

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, ondervoorzitter.)

Is hij niet van mening dat de talrijke veranderingen die onvoldoende op voorhand werden uitgetest, in het bijzonder de veranderingen op het vlak van de werkwijze, de oorzaak zijn van de huidige desorganisatie? Heeft het management geen grote risico's genomen op dat vlak? Indien niet, waarom?

Kan de minister zeggen of het tijdsschema van de inkohieringen zal worden nageleefd en of alle inkohieringen wel degelijk zullen plaatsvinden tegen 30 juni 2006? Is de minister van plan aan sommige ambtenaren te vragen overuren te presteren om dat doel te bereiken? Indien ja, kan hij zeggen of dat op vrijwillige basis zal gebeuren? Zal voor die overuren een toelage voor onregelmatige prestaties worden betaald?

Kan de minister meedelen of er maatregelen werden genomen om te vermijden dat de ontvangkantoren een massa uitgavenstukken moeten behandelen gedurende mei, juni en juli 2006? Indien ja, welke?

Is de minister niet van mening dat door een betere werkspreiding bij de belastingen kan worden voorkomen dat een te groot aantal terugbetalingen gedurende mei en juni worden vastgesteld en dat daardoor een massa uitgavenstukken in de traditionele vakantiemaanden juli en augustus moeten worden behandeld?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van de minister van Financiën.

De moeilijkheden die met het nieuwe scanningsysteem voor de aangiften gepaard gaan, hebben enige onrust bij de belastingdiensten teweeggebracht. Aan de diensten werd gezegd dat, indien de invoering van het nieuw systeem hun werkzaamheden zou verstoren, er voorrang moest worden gegeven aan de vaststelling en de inkohiering van de belastingen op basis van de gegevens die de belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld.

Hoewel het bestuur gehouden is een inkohiering vóór 30 juni uit te voeren, beschikt ze over een termijn van drie jaar voor de rechtzetting van de aangifte indien die fout is.

Volgens de inlichtingen waarover ik beschik, hebben de belastingdiensten tamelijk goed gereageerd op de nieuwe toepassingen. Hun bezorgdheid had eerder te maken met de termijn waarbinnen die toepassingen moesten worden aangewend en met de stabiliteit ervan. Er werden uiteraard tests uitgevoerd voordat de nieuwe toepassingen werden gebruikt, maar in een test kan niet op alle mogelijke gevallen worden geanticipeerd. Door de installering van de scanning voor de aangiften in de personenbelasting heeft het management zijn verantwoordelijkheid opgenomen, zowel op het vlak van de personeelsproblematiek als op het vlak van de efficiëntie en de toegevoegde waarde van het werk van de belastingdiensten. Dankzij de nieuwe scanningapparatuur kunnen duizenden werkuren die vroeger werden besteed aan gegevensinvoer, voortaan worden besteed aan dienstverlening aan de burger of aan controleopdrachten.

Zoals ik al zei, verloopt de inkohiering volgens hetzelfde tempo als verleden jaar. Er is dus op dit ogenblik geen reden om aan te nemen dat niet alle inkohieringen tegen 30 juni zullen kunnen plaatsvinden. Gezien de huidige stand van zaken van de belastingwerkzaamheden wordt er niet gepland aan de ambtenaren van de belastingdiensten te vragen overuren te presteren.

Het huidige tijdsschema van de inkohieringen heeft reeds jaren zijn stabiliteit bewezen, zelfs in moeilijke omstandigheden.

Er werden maatregelen getroffen om in zekere mate de werkzaamheden van de ontvangkantoren en de diensten voor de vereffening van de uitgaven te verlichten, zodat de werklast dit jaar vermoedelijk minder groot zal zijn dan vorig jaar.

Het departement Financiën heeft uiteraard als doel de belastingtaken zo goed mogelijk te spreiden zodat de ontvangkantoren niet door werk overstelpt worden gedurende juli en augustus. De grote investeringen in informatica die door het departement werden gedaan, zouden het mogelijk moeten maken die doelstelling snel te bereiken dankzij het scanningsysteem, dat nu volledig operationeel is. De eerste concrete resultaten zouden voelbaar moeten zijn vanaf volgend jaar.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - De minister van Financiën houdt vol dat alles goed gaat in zijn administratie terwijl er duidelijk een kloof gaapt tussen zijn verklaringen en de toestand die de ambtenaren op het terrein meemaken en aan de kaak stellen.

Ik neem er kennis van dat de inkohieringen zullen uitgevoerd zijn tegen 30 juni, maar er dreigt een ander probleem: als er vandaag wordt ingekohierd op basis van verklaringen van de belastingplichtigen zonder een eerste controle uit te voeren, en er een termijn van drie jaar is om een aangifte te corrigeren, zal de grote hoeveelheid werk die vandaag niet kan worden uitgevoerd, naar de volgende drie jaar worden verschoven.

Dat is geen goede manier om de problemen in dit departement op te lossen, maar daaraan raken we stilaan gewend.

Vraag om uitleg van de heer Lionel Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de uitwijzing van Nepalese vluchtelingen» (nr. 3-1464)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Verschillende mensenrechtenorganisaties hebben ons alarmerende berichten toegestuurd over de toestand in Nepal. Mijn vraag heeft betrekking op het lot van Nepalese vluchtelingen die in ons land asiel hebben aangevraagd en teruggestuurd worden naar hun land van herkomst, waar ze ernstige mensenrechtenschendingen riskeren. Mijn vraag is gebaseerd op informatie van Amnesty International.

Na tien jaar van gewapend geweld en politieke instabiliteit is Nepal in een ernstige crisis verzeild geraakt. Sinds koning Gyanendra in februari 2005 de noodtoestand afkondigde, is de toestand werkelijk dramatisch geworden. De noodtoestand werd tijdens de zomer van 2005 weliswaar formeel opgeheven, maar onaanvaardbare beperkingen op fundamentele mensenrechten blijven onverkort gelden en werden tijdens de aanloop naar de verkiezingen van 8 februari 2006 zelfs strenger. De media worden door censuur en arrestatie van journalisten aan banden gelegd. Het functioneren van mensenrechtenorganisaties wordt onmogelijk gemaakt. Het recht van vereniging en van vergadering is opgeschort. Tijdens de maand voorafgaand aan de verkiezingen mocht er niet worden geprotesteerd en werd de avondklok ingesteld. Politieke tegenstanders worden frequent bestempeld als terroristen, onder langdurig huisarrest geplaatst of gearresteerd. Er is geen sprake van een onafhankelijke rechtspraak. Bijzonder onrustwekkend is het feit dat het grootste aantal `verdwijningen' ter wereld zich in Nepal voordoet. Daarnaast is de burgerbevolking het slachtoffer van de aanhoudende strijd van de maoïstische rebellen tegen de koninklijke machthebbers. Het conflict heeft tot nu toe 15.000 slachtoffers geëist.

Dit alles wordt gerapporteerd en uitvoerig gedocumenteerd door gezaghebbende mensenrechtenorganisaties, zoals Human Rights Watch, Amnesty International en de International Crisis Group. Die laatste stelt zelfs dat Nepal zich op de rand van een humanitaire ramp bevindt. In een verklaring van 27 januari 2006 gaf ook de Europese Unie uiting aan haar bezorgdheid over Nepal. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de FOD Buitenlandse Zaken een negatief reisadvies voor Nepal geeft.

Dat alles heeft gevolgen voor de mogelijke terugkeer naar Nepal van Nepalezen die zich in België bevinden. Ze lopen risico op ernstige mensenrechtenschendingen bij hun aankomst in Nepal, waaronder arrestatie en `verdwijning'.

Ze kunnen geen beroep doen op bescherming door de overheid, noch een veilig toevluchtsoord in het land vinden. Om die reden dringt de Nepalese gemeenschap in België, met steun van Vluchtelingenwerk Vlaanderen, Amnesty International en het Belgisch Comité voor Hulp aan Vluchtelingen, er reeds sinds medio 2005 bij de minister van Binnenlandse Zaken op aan om gedwongen terugkeer naar Nepal op te schorten zolang de toestand er dermate onrustwekkend blijft. De minister heeft aan die oproep geen gehoor gegeven. Zelfs tijdens de week van de gemeentelijke verkiezingen (8 februari 2006), een bijzonder woelige en gewelddadige periode, werd nog een Nepalees gerepatrieerd.

Op de Ministerraad van 23 december 1999 werd beslist dat Buitenlandse Zaken de veiligheidssituatie van gedwongen uitgewezen personen zou controleren. De Belgische diplomatieke vertegenwoordigingen in de herkomstlanden zouden worden versterkt en in de landen zonder vertegenwoordiging zou een tijdelijke diplomatieke `antenne' worden opgericht. De vertegenwoordiging zou instaan voor een correct onthaal van de uitgewezen personen en nagaan of de beloften en afspraken met de overheden van het betrokken land worden nageleefd.

Heeft het departement Buitenlandse Zaken aan het departement Binnenlandse Zaken een advies verstrekt over de mogelijkheid en opportuniteit van uitwijzingen naar Nepal?

Hoe verloopt de samenwerking tussen beide departementen met betrekking tot de opvolging van uitgewezen asielzoekers? Worden de taakafspraken van de Ministerraad van 23 december 1999 nageleefd?

Werd in Nepal een diplomatieke `antenne' opgericht om de veiligheid van teruggestuurde Nepalezen te monitoren? Zo ja, hoe is die antenne daarbij te werk gegaan?

Acht minister Dewael het in de huidige omstandigheden en rekening houdend met de niet-terugkeringsclausule, mogelijk om personen met Nepalese nationaliteit gedwongen te doen terugkeren naar Nepal?

Zal hij de Nepalezen minstens tijdelijk toestemming verlenen om op het Belgisch grondgebied te verblijven? Zo nee, hoe verantwoordt hij dat gelet op de omstandigheden?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Dewael. De FOD Buitenlandse Zaken heeft mijn departement tot op heden nog niet gemeld dat de repatriëring van illegale Nepalese onderdanen naar hun land van herkomst een veiligheidsrisico zou inhouden. De Commissaris-generaal verleent op basis van artikel 63/5 van de vreemdelingenwet een advies over de mogelijkheid om een afgewezen asielzoeker te repatriëren. Voor Nepalezen wordt in de regel geen negatief advies verleend inzake repatriëring. De onlusten in Nepal doen zich trouwens hoofdzakelijk op het platteland voor, waar de maoïstische rebellen actief zijn. In de steden, waar de overheid het gezag heeft, is de toestand rustiger. Er is dus geen enkel beletsel om uitgeprocedeerde Nepalese asielzoekers naar Kathmandu te repatriëren.

In de praktijk gebeurt dat echter eerder zelden. Zo werden in 2005 slechts drie Nepalezen gerepatrieerd.

De veiligheid van de Nepalezen is in hun land gewaarborgd. Dat werd in september 2005 nog vastgesteld door een immigratieambtenaar van de dienst Vreemdelingenzaken tijdens een werkbezoek aan Nepal. In Kathmandu is er een ereconsulaat dat kan worden ingeschakeld om indien nodig, aan monitoring te doen.

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Het antwoord dat de staatssecretaris voorleest is echt ontgoochelend.

Ik heb een hele uitleg gedaan over de dramatische situatie in Nepal en de minister maakt er zich van af met te zeggen dat er in 2005 maar drie Nepalezen zijn gerepatrieerd - drie te veel -, dat er alleen op het platteland rebellen zijn en dat de gerepatrieerden in de stad geen risico lopen.

Natuurlijk zal een ambtenaar of een officiële delegatie altijd met veel egards worden ontvangen maar dat moet een ambtenaar niet doen besluiten dat de veiligheid gewaarborgd is.

Vraag om uitleg van de heer Francis Delpérée aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de Belgische positie aangaande het proces tegen twee universitairen in Turkije» (nr. 3-1450)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Francis Delpérée (CDH). - Ik heb twee Turkse collega's. Het gaat om academici, juristen, hoogleraren staatsrecht. Ibrahim Kaboğlu en Baskin Oran zijn ook lid van een officiële raad voor de rechten van de minderheden en werken voor de diensten van de eerste minister. Eind oktober 2004 stelden zij een rapport voor over de rechten van de minderheden in Turkije. Zij willen de minderheden meer rechten toekennen en stellen grondwets- en wetswijzigingen voor ten gunste van de minderheden, met het oog op de toetreding van Turkije tot de Europese Unie. De Europese Unie vraagt reeds lang dat Turkije culturele rechten zou toekennen aan de Koerdische gemeenschap en aan de religieuze minderheden, waaronder de orthodoxen en de Armeniërs.

Groot was onze verbazing toen we vaststelden dat de heren Kaboğlu en Oran omwille van dit voorstel worden vervolgd. De overdreven reactie van de Turkse autoriteiten zaait twijfel over hun bereidheid de vrijheid van meningsuiting uit te breiden. De mensenrechten van twee mensen die al hun energie en kennis aanwenden om deze rechten te verdedigen in overeenstemming met de principes van de Raad van Europa en de Europese Unie, worden ernstig en moedwillig miskend.

De Internationale Federatie voor de Rechten van de Mens heeft uiting gegeven aan haar grote ongerustheid over de vervolging van deze twee eminente collega's. Honderden universiteitsprofessoren hebben de Turkse autoriteiten een brief gestuurd om uiting te geven aan hun verontwaardiging en ongerustheid.

Wat is de houding van de Belgische regering ten aanzien van dit proces? Zal ze diplomatieke stappen ondernemen? Draagt de minister van Buitenlandse Zaken, die nu de OVSE voorzit, in deze zaak geen bijzondere verantwoordelijkheid? Is het niet wenselijk een initiatief te nemen?

De staatssecretaris mag mijn interventie niet opvatten als een corporatistische reactie van universiteitsprofessoren. Mijn vraag moet worden geïnterpreteerd als een gebaar van solidariteit met mensen die opkomen voor de rechten van de mens.

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Ik kan volledig akkoord gaan met collega Delpérée. In de Senaat bestaat duidelijk aandacht voor de problematiek van Turkije. Dat geldt zeker voor de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en ook voor de parlementaire Assemblee van de OVSE, waarvan ik lid ben.

Wij gaan akkoord met de toetreding van Turkije tot de Europese Unie, maar wel onder bepaalde voorwaarden. Turkije moet bepaalde standaarden realiseren. Ik kan het antwoord van de minister bijna voorspellen. Hij heeft al een paar keer gezegd dat de Turken een goede inspanning leveren, maar dat de maatregelen nog moeten worden toegepast. Als echter zelfs in de hoofdstad Ankara of in grote steden zoals Istanbul de goede maatregelen die het parlement goedkeurt, niet aan de basis worden toegepast, waar staan we dan? Zo moeten de rechten van minderheden worden gerespecteerd. In afwachting van toetreding tot de Europese Unie moet Turkije toch zeer strikte regels toepassen.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik wens nog iets toe te voegen aan de interventie van de heer Lionel Vandenberghe. Een commissiedebat is altijd interessant voor de bespreking van belangrijke problemen zoals de toetreding van Turkije tot de Europese Unie. De onderhandelingen werden inmiddels aangevat. Het is evenwel niet bij het begin van de onderhandelingen, maar op het ogenblik van de toetreding dat de kandidaat aan de criteria moet voldoen. Zolang moeten we onze Turkse vrienden begeleiden zodat de criteria van Kopenhagen maand na maand kunnen doorsijpelen in het Turkse recht.

De onderhandelingen met de landen die tot de Unie willen toetreden, leiden tot een verbetering van de situatie van de mensenrechten. Zonder dat perspectief zouden sommige landen de criteria die wij opleggen, niet zo snel invoeren.

Ik hoop dat Turkije toetreedt. De toetreding zal over tien of vijftien jaar economisch heel belangrijk zijn omwille van de beschikbare arbeidskrachten, de opening van nieuwe markten en de Europese economische groei. De Unie zal daardoor ook kunnen aantonen dat ze erin slaagt grote landen met een andere geschiedenis, taal en gewoonten te laten toetreden tot de vrijheden en democratische principes waarop ze is gebaseerd.

De Europese Unie heeft als roeping aan te tonen dat verschillende filosofieën en religies dankzij democratie en tolerantie kunnen samenleven. Als Europa daarin niet slaagt, is er weinig kans dat zulks elders in wereld wel mogelijk zou zijn.

De uitdaging is enorm en er is tijd voor nodig. Uit gesprekken met Turkse jongeren, ten minste in de meest ontwikkelde steden van Turkije, blijkt dat de Turkse bevolking bereid is onze criteria toe te passen en onze waarden over te nemen.

Ik lees nu het antwoord van minister De Gucht.

Ik ben op de hoogte van deze zaak, die ik betreur. De professoren Kaboğlu en Oran worden vervolgd op grond van een klacht vanuit ultranationalistische kringen over het aanzetten tot haat, artikel 216 van de strafwet, en belediging van de Turkse identiteit, artikel 301 van de strafwet.

Binnen de Facultatieve raad voor de rechten van de mens zijn zij verantwoordelijk voor een rapport over de culturele rechten en de minderheden dat ze opstelden in opdracht van de regering. Ze riskeren elk zes maand tot vijf jaar gevangenis. Net als in zaak-Pamuk heeft de rechter beslist te wachten op de toestemming van het ministerie van Justitie voor een proces wegens belediging van de Turkse identiteit en de Turkse instellingen.

Artikel 301 van de Turkse strafwet, dat de belediging van de Turkse nationale identiteit, van de Republiek of van de overheidsinstellingen of -organen bestraft, ligt aan de basis van talrijke vervolgingen van journalisten, schrijvers, uitgevers, academici, die hun mening op geweldloze wijze verkondigen.

Dat artikel laat de magistraten een heel grote interpretatievrijheid. Uiteraard spelen de hoven en rechtbanken een belangrijke rol bij de toepassing van de hervormingen. Een mentaliteitsverandering bij de magistraten is dus nodig. Wij merken bemoedigende signalen: weinig daadwerkelijke veroordelingen op basis van artikel 301 van de strafwet, een toenemend aantal vonnissen dat zich beroept op de Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, nieuwe circulaires waarin de minister van Justitie wijst op de hervormingen die voortvloeien uit de Europese harmonisering en op de juridische gevolgen van de nieuwe wetten en zo meer.

Dat alles neemt niet weg dat de lidstaten en de Europese Commissie in haar periodiek verslag bijzondere aandacht besteden aan de toepassing van artikel 301 van de strafwet. De Turkse autoriteiten van hun kant erkennen het probleem, maar willen de rechtspraak de tijd geven om te evolueren en het Hof van Cassatie om zich over dit artikel uit te spreken.

Turkije heeft de jongste jaren inzake hervormingen een grote vooruitgang geboekt. De nadruk moet nu worden gelegd op de concrete toepassing ervan. De Europese Unie en de lidstaten zien aandachtig toe op de naleving van de politieke criteria van Kopenhagen. De vrije meningsuiting is daarvan een onderdeel. Onze post in Ankara houdt me op de hoogte van de evolutie in de toepassing van artikel 301 van de strafwet en meer bepaald het verloop van het proces van de eminente professoren Kaboğlu en Oran.

De heer Francis Delpérée (CDH). - Ik richt mij niet tot de Turkse, maar tot de Belgische regering. De minister van Buitenlandse Zaken zegt dat hij op informatie wacht en dat hij waakzaam is. Moeten er echter geen stappen worden ondernomen? Zo zegt de minister bijvoorbeeld dat de rechtspraak een belangrijke rol speelt en dat de mentaliteit van de magistraten doorslaggevend is voor de toepassing van de bepalingen van de strafwet. Waarom kan de Europese Unie of de OVSE niet zorgen voor een betere opleiding van Turkse magistraten? Onze regering zou daartoe een nuttige bijdrage kunnen leveren.

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de ontoereikendheid van de archiefwet» (nr. 3-1456)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - De archiefwet van 24 juni 1955 vormt, samen met het uitvoeringsbesluit van 12 december 1957, nog altijd het wettelijke baken voor het archiefbeleid. Verder moeten er bij de archivering van bescheiden rekening gehouden worden met 2 recentere wetten: de wet op openbaarheid van bestuur van 11 april 1994 en de wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van 8 december 1992.

Dat de archiefwet hopeloos gedateerd is, staat buiten kijf.

De wet is niet meer aangepast aan de veranderde staatsstructuur. Sinds 1957 is ons land door de regionalisering van bevoegdheden onherroepelijk veranderd. Dat heeft tot een grote toename van regionale en gewestelijke administratie geleid. De archivering van de bescheiden die door deze administraties worden geproduceerd, vallen nog steeds onder de federale wet.

De wet is niet meer aangepast aan de technische revolutie. Veel van de communicatie gebeurt per elektronische post, er wordt veel bewaard op harde schijf en soms gebeurt de archivering louter digitaal.

De termijn voor openbaarmaking bedraagt 100 jaar. Dat is onnoemelijk lang. Vooral historisch onderzoek, maar ook onderzoek door parlementaire commissies stuiten door deze wet op grote problemen om belangrijke stukken te raadplegen.

De archiefwet voorziet niet in een éénvormige procedure voor de overgave en ontsluiting van de archieven. Wie de archiefwet overtreedt, kan niet worden bestraft, bij gebrek aan sanctiemogelijkheden.

De wet voorziet in een uitzondering voor de ontsluiting van het `ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel', het `ministerie van Landsverdediging' en het `ministerie van Koloniën', de zogeheten buitenlandministeries, een uitzondering die nog moeilijk te rijmen valt met het hedendaagse België.

Er is geen bepaling voor de zorg voor het dynamische archief, het archief dat nog nodig is voor de taakuitvoering van een ambtenaar of dergelijke.

Er zijn ook geen wettelijke bepalingen voor het archief van kabinetten, het Arbitragehof, de POD's en de nieuwe overheidsbedrijven.

Dit zijn enkele knelpunten die aantonen dat de archiefzorg in België heel wat problemen kent die dringend moeten worden opgelost. In een opiniestuk in De Morgen van 25 januari 2006 drukken vooraanstaande academici eveneens deze bezorgdheid uit. Ik dring er dan ook bij de minister op aan om extra geld vrij te maken voor de vrijwaring van het archivarisch patrimonium en om de juiste wetgevende initiatieven te nemen die leiden tot een evenwichtige archiefwet, die tegemoet komt aan de noden van de archivarissen, historici, onderzoekers en andere betrokkenen.

Plant de minister wetgevende initiatieven om de bestaande archiefwet aan te passen? Wat is de timing, indien er een aanpassing komt? Wie zal hij hiervoor consulteren?

Welke andere maatregelen zal hij op korte en middellange termijn treffen, om tegemoet te komen aan de tekortkomingen van de archiefzorg in België? Heeft hij reeds een overleg gepland met de Waalse, Brusselse en Vlaamse collega, om tot een gecoördineerde aanpak te komen, aangezien archieven uit de gewesten vaak nog op federaal vlak worden bewaard en dit niet langer houdbaar is.

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Ik ben ook een tijd bezig geweest met de archiefwet. Ik heb de voorganger van de minister gevraagd die wet dringend aan te passen. Mevrouw Moerman antwoordde dat ze ermee bezig waren. Dit probleem werd in de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden besproken naar aanleiding van het onderzoek naar de jodenvervolging in ons land en de verantwoordelijkheid ter zake van de Belgische overheid. Er is daarover zelfs al een resolutie. Ik luister dus met aandacht naar het antwoord van de minister.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Verwilghen.

De in uw nota aangehaalde problemen in verband met de uitvoering van de Archiefwet van 24 juni 1955 en van het uitvoeringsbesluit van 12 december 1957 zijn mij genoegzaam bekend.

Op verzoek van de Wetenschappelijke Raad van het Algemeen Rijksarchief en het Rijksarchief in de Provinciën, heeft de algemene rijksarchivaris erop aangedrongen: ten eerste, dat de archiefwet van 1955 zou geamendeerd worden en dat bijgevolg in de huidige tekst de meest dringende aanpassingen zouden worden doorgevoerd; ten tweede, dat het volstrekt verouderde uitvoeringsbesluit grondig zou worden herschreven en aangevuld.

Ik ben thans in het bezit van de teksten van een ontwerp van nieuwe Archiefwet en van een uitvoeringsbesluit, die mij zopas door de algemene rijksarchivaris werden toegestuurd. Alvorens in dit belangrijke dossier een verdere beslissing te nemen, heb ik mijn medewerkers gevraagd beide teksten grondig te onderzoeken en de budgettaire weerslag van de hervorming te becijferen.

Ik kan u echter nu reeds meedelen dat de bedoeling van de tekst van de nieuwe archiefwet onder meer is:

Het ontwerp van uitvoeringsbesluit bevat bepalingen die betrekking hebben op de volgende thema's:

Wat uw tweede vraag betreft, kan ik u meedelen dat de federale archiefwet van toepassing blijft zolang de parlementen van de respectieve deelgebieden geen decreten of ordonnanties aannemen betreffende de bewaring en het beheer van de archieven van de openbare overheden die onder hun administratief toezicht vallen.

Concreet betekent dit dat het rijksarchief belast blijft met het toezicht op de goede bewaring van archiefdocumenten en dat administraties hun archieven, jonger dan 100 jaar, bij het rijksarchief in bewaring kunnen geven, mits het sluiten van een overeenkomst van bewaargeving.

In het licht van de voornoemde hervorming, die dringend nodig is en waarvan de budgettaire impact nog dient te worden bepaald, moet overleg met leden van de Waalse, Brusselse en Vlaamse regering in een latere fase overwogen worden.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Ik denk dat de minister al mijn vragen vrij volledig heeft beantwoord, behalve een, namelijk die naar de tijdslimiet. Collega Lionel Vandenberghe heeft er ook al op gewezen dat de archiefwet een ingewikkeld kluwen is en dat de aanpassing ervan al jaren aansleept. Daarom is die tijdslimiet net zo belangrijk. Ik hoop daar nog iets over te vernemen, maar ook indien dat niet het geval is, zal ik deze kwestie op de voet blijven volgen.

Vraag om uitleg van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het statuut van de psychotherapeuten» (nr. 3-1447)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «zijn beleid inzake de erkenning van sommige geestelijkegezondheidsberoepen» (nr. 3-1454)

De voorzitter. - Ik stel voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Dat de psychosociale aspecten van ziekte en gezondheid steeds meer aandacht krijgen is een positief gegeven, maar jammer genoeg is er nog altijd geen garantie dat de geestelijke gezondheidszorg een optimale kwaliteit aanbiedt. Ons land beschikt terzake niet over een wettelijke regeling, noch over een erkenning van therapeuten, wat een voortdurende bron is van verkeerde informatie en mogelijke misbruiken.

We horen geregeld schrijnende verhalen over hoe mensen in een kwetsbare positie worden opgevangen door mensen met te weinig deskundigheid of gevoeligheid of over patiënt-therapeutrelaties waarin de patiënt enorm afhankelijk wordt en zich later zwaar misbruikt voelt. Begin februari nog lazen we in een krant het verhaal van een Vlaamse zogenaamde therapeut die een Belgische patiënt begeleidde naar een Zwitserse zelfmoordkliniek. Het voorval roept veel ethische vragen op, maar ook vragen over de deskundigheid van een therapeut die patiënten begeleidt naar hun dood.

Psychotherapie is zonder twijfel een effectieve behandelingsmethode in de gezondheidszorg. In de mate dat ze wetenschappelijk onderbouwd is, kan ze globaal genomen leiden tot tevredenheid voor de patiënten. Internationaal is er een toenemende maatschappelijke erkenning, die in steeds meer landen wordt geconsolideerd in een specifieke wettelijke regeling. Dergelijke wettelijke regeling is noodzakelijk om de gebruiker een kwaliteitsvolle toepassing van de psychotherapie te kunnen garanderen. De wettelijke regeling dient niet alleen betrekking te hebben op de bescherming van de titel van psychotherapeut, maar tevens een aantal eisen te stellen aan de beroepspraktijk.

Graag vernam ik van de minister wat de stand van zaken is in dit dossier. Wanneer denkt hij zijn visie in een ontwerp om te zetten? Acht hij het haalbaar om nog voor het einde van de legislatuur een wettelijke regeling klaar te krijgen?

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - De voorbije jaren is reeds heel wat gedebatteerd over een wettelijke regeling van bepaalde psychosociale gezondheidsberoepen. In de vorige regeerperiode sneuvelde een regeringsontwerp over die materie in de laatste rechte lijn.

Nu liggen er opnieuw meerdere voorstellen op tafel, waaronder een voorstel van de heer Lionel Vandenberghe, dat ikzelf en mevrouw De Schamphelaere mee hebben ondertekend. Ook de minister heeft een paar jaar geleden een wetsontwerp aangekondigd betreffende de geestelijke gezondheidsberoepen, met name betreffende de psychologen, de seksuologen en de orthopedagogen.

Op dat moment had de minister een overleg met de betrokken beroepsorganisaties opgestart. Op de vergadering van 26 oktober 2005 werden compromisteksten uitgewerkt, onder meer over de te hanteren definitie van de klinische psychologie. Rekening houdend met de geformuleerde opmerkingen zou de minister het ontwerp afwerken en indienen om aldus een erkenning van de genoemde disciplines tot stand te brengen. Op 28 november 2005 heeft de minister een ontwerptekst doorgestuurd naar de betrokken organisaties. Dat ontwerp bleek evenwel op cruciale punten ernstig af te wijken van de consensus die op 26 oktober 2005 was bereikt, en stuitte dan ook, vooral in Vlaanderen, op een stevig neen. Sindsdien hebben we weinig vooruitgang kunnen noteren en bereiken ons ontmoedigende berichten.

Op dinsdag 7 maart jongstleden organiseerde de VZW Uilenspiegel, die patiënten uit de geestelijke gezondheidszorg vertegenwoordigt, een studiedag onder de titel `Grensoverschrijdend gedrag van zorgverstrekkers'. Er kwamen schrijnende verhalen naar voren van patiënten die het slachtoffer waren geworden van misbruik door hun hulpverlener. Vooral in de geestelijke gezondheidszorg is de relatie patiënt-zorgverlener zeer delicaat, want voor de patiënten in psychische nood is de therapeut de redder in nood, aan wie ze zich mentaal vastklampen en van wie ze vaak afhankelijk worden. Het probleem is des te nijpender omdat iedereen zich in ons land `therapeut' kan noemen. Controle op bekwaamheid en goede praktijken wordt daardoor zo goed als onmogelijk. Een reglementering wordt meer en meer nodig.

Kan de minister ons een exacte stand van zaken geven over de vordering van het wetgevend werk in deze materie? Zijn de gesprekken afgerond? Zoniet, welke knelpunten blijven momenteel bestaan? Wanneer zal de minister zijn wetsontwerp indienen? Is deze materie een prioritair dossier voor de minister? Wenst hij het nog dit voorjaar af te ronden om kort nadien de nodige uitvoeringsbesluiten uit te vaardigen?

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Op 13 mei 2004 heb ik over deze materie een wetsvoorstel ingediend. Toevallig stellen de twee medeondertekenaars van dit voorstel vanavond een vraag over dit onderwerp. Dat was niet afgesproken. Mijn wetsvoorstel had een vrij groot draagvlak, zowel langs Nederlandstalige als langs Franstalige zijde. Nochtans steunden niet alle Franstaligen mijn wetsvoorstel. Blijkbaar heeft een kleine fractie van Franstalige psychotherapeuten uit een bepaalde wetenschappelijke richting een zeer grote invloed in het kabinet van de minister. Ik heb gehoord dat de minister werkt aan een eigen ontwerp. Dat ontwerp is totaal onaanvaardbaar voor de Vlaamse en een gedeelte van de Franstalige beroepsbeoefenaars.

Ik heb nu een compromis uitgewerkt. Momenteel buigen de verschillende beroepsorganisaties zich erover. De Belgische vereniging van psychologen heeft het al besproken in aanwezigheid van Franstalige psychologen en professoren van de universiteit van Luik. Ik zou er willen op aandringen dat de minister rekening zou houden met advies 7.855 van de Hoge Gezondheidsraad, een hem welbekend adviesorgaan. Ik luister nu aandachtig naar het antwoord van de minister.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.

Er vond inderdaad uitgebreid overleg plaats met de sectoren en de disciplines waarop de tekst betrekking heeft. Over verschillende punten werd een akkoord bereikt, maar er blijven nog vragen open. Het is niet altijd gemakkelijk om de gemene deler van alle standpunten te vinden. Vooral over het statuut en de opleiding van de psychotherapeuten blijven de meningen verdeeld.

Daarom organiseer ik na de Paasvakantie een conferentie waarop alle betrokken verenigingen en beroepsgroepen hun standpunt kunnen verdedigen. Ik zal uiteraard ook alle leden van de senaatscommissie op de conferentie uitnodigen. Onder voorbehoud kan ik u meedelen dat ze zal plaatsvinden op 26 april aanstaande.

Ik heb goede hoop dat ik na de conferentie een tekst aan de regering zal kunnen voorleggen. Voor het einde van het jaar kan de tekst dan bij het Parlement worden ingediend.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - De vraag is natuurlijk op het einde van welk jaar minister Demotte de tekst zal indienen. Dit antwoord vind ik opnieuw zeer ontgoochelend. We weten dat er een voorstel bestaat, want we hebben het met drie ondertekend, maar de Commissie voor de Sociale Aangelegenheden mag het niet bespreken, omdat de regering al drie jaar lang aan een eigen wetsontwerp werkt en omdat een fractie uit het Franstalige landsgedeelte de erkenning van de psychotherapeuten als beroepsgroep wil tegenhouden.

Een nieuwe conferentie beleggen waarop ook de senatoren worden uitgenodigd, dat is de omgekeerde wereld. De minister moet zijn wetsontwerp bij het Parlement indienen, ook al zijn er nog knelpunten. Waar ligt het zwaartepunt van de democratische besluitvorming? Het Parlement beslecht toch de politieke meningsverschillen! Ik zal een motie indienen om de regering te vragen dat ontwerp zo vlug mogelijk bij de Senaat in te dienen.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Het is spijtig minister Demotte niet zelf van repliek te kunnen dienen. Het dossier sleept al lang aan. Ik begrijp dat de minister nog een conferentie wil organiseren, maar ik hoop wel dat het de laatste vergadering is. Ik krijg het gevoel dat het dossier klem zit omdat Franstaligen en Nederlandstaligen het niet eens kunnen worden. In België moeten we zo'n knoop toch kunnen doorhakken.

Vandaag doen heel veel mensen een beroep op een psychotherapeut. Zij hopen dat het een goede psychotherapeut is, maar ze hebben daarvoor geen enkele garantie, want iedereen in België kan het plaatje psychotherapeut op zijn deur hangen. Dan zwijg ik nog over ADHD-patiënten die met psychotherapie geholpen kunnen worden, maar de volle pot moeten betalen omdat de behandeling niet erkend is. Zo krijgen we een gezondheidszorg met twee snelheden: welgestelde mensen kunnen zich een psychotherapeut veroorloven, arme niet, enkel en alleen omdat het statuut van psychotherapeut er maar niet komt.

Ik geef de minister nog tijd tot na de conferentie van 26 april, waaraan we trouwens zullen deelnemen, maar daarna moeten we het zo nodig hard spelen. Er moet een document op tafel liggen en het Parlement moet de overblijvende knopen doorhakken.

Moties

De voorzitter. - Mevrouw De Schamphelaere heeft een motie ingediend die luidt:

"De Senaat,

Gehoord de vraag om uitleg van mevrouw De Roeck over het beleid van de minister van Volksgezondheid inzake de erkenning van sommige geestelijke gezondheidsberoepen;

Gehoord het antwoord van de regering bij monde van staatssecretaris Donfut;

Gelet op de schrijnende misbruiken van de titel `therapeut';

Verzoekt de minister onmiddellijk het wetsontwerp in te dienen tot regeling van bepaalde psychosociale gezondheidsberoepen, zodat nog in de loop van deze legislatuur een wettelijke regeling voor de geestelijke gezondheidsberoepen in voege kan treden."

De dames Derbaki Sbaï en De Roeck hebben een gewone motie ingediend

-Over deze moties wordt later gestemd.

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het fertiliteitsbeleid» (nr. 3-1453)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Omdat in dit dossier geen vooruitgang wordt geboekt, kaart ik het nog eens aan.

De verbetering van de financiële toegankelijkheid van fertiliteitstechnieken heeft enkele belangrijke effecten teweeggebracht. We stellen niet alleen vast dat ook minder vermogende paren eindelijk hun vruchtbaarheidsproblemen kunnen oplossen, maar ook dat het aantal meerlingenzwangerschappen na in-vitrofertilisatie aanzienlijk is gedaald.

We kunnen echter niet om het financiële luik heen en bovendien worden we geconfronteerd met een mogelijk tekort aan gonadotrofines. Om dat laatste probleem op te vangen, werd een systeem van groepsgewijze herziening van de gonadotrofines in het vooruitzicht gesteld, onder meer via een contingentering per IVF-cyclus. De programmawet van december 2005 bepaalt dat enkel gynaecologen, aangesloten bij een erkend centrum voor medisch begeleide voortplanting, gonadotrofines kunnen voorschrijven op voorwaarde dat ze instaan voor de registratie ervan.

De minister kondigde aan dat het College Geneesheren Reproductieve Geneeskunde die registratie zou organiseren en dat daarmee al rekening gehouden was bij de opmaak van de begroting van het lopende jaar. Toch blijven we nog ter plaatse trappelen.

Wat is het tijdschema voor de verdere afhandeling van het gonadotrofinedossier in de richting van een globale forfaitaire regeling? Wanneer zal de groepsgewijze herziening een feit zijn? Volgens de werkgroep Reproductieve Geneeskunde van de commissie Terugbetaling Geneesmiddelen betekent elke maand uitstel immers een verlies van 500.000 euro.

Zullen intra-uteriene behandelingen (IUI) in de toekomst in aanmerking komen voor een gedeeltelijke terugbetaling en in bevestigend geval, binnen welke termijn? Wanneer zal het koninklijk besluit verschijnen en in werking treden dat de regels vastlegt voor de aansluiting van een gynaecoloog bij een erkend centrum en betreffende de rechten en plichten van de betrokken artsen en fertiliteitscentra?

Wanneer komt er een regeling voor de intra-uteriene inseminaties? Wanneer zal het registratiesysteem volledig uitgetekend zijn en effectief worden toegepast? Neemt de minister speciale maatregelen om de behandeling van de mannelijke onvruchtbaarheid een prominentere plaats te geven in het fertiliteitsdebat?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Het is niet juist dat er een tekort is aan gonadotrofines. Het nieuwe voorschrijf- en terugbetalingsbeleid wil de strijd tegen non-IVF meerlingenzwangerschappen opvoeren. Het moet ook leiden tot een betere kostenbeheersing doordat het aanzet tot een efficiënter gebruik van gonadotrofines, zoals de groep van experts van de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen heeft aanbevolen.

Wij hopen de forfaitarisering voor de zomer te kunnen doorvoeren. De diensten van het RIZIV bereiden momenteel de teksten voor. De procedure is echter volledig nieuw, wat maakt dat het belang ervan ruimer is dan dit dossier alleen. In dit stadium zijn obstakels dan ook niet uitgesloten.

Voor de reeds geplande groepsgewijze herziening zijn begeleidende maatregelen nodig, zoals de rechten en plichten van de voorschrijvende gynaecologen. Omdat al deze aspecten tegelijkertijd worden behandeld, neemt de uitwerking ervan meerdere maanden in beslag. Ik heb echter de vaste wil dit dossier tot een goed einde te brengen.

Ook de terugbetaling van intra-uteriene inseminatie wordt momenteel door het RIZIV bestudeerd. Gelet op de te volgen procedure zal het dossier niet voor het einde van dit jaar kunnen worden afgerond.

Alle toepassingsmaatregelen moeten tegelijkertijd uitvoerbaar zijn. Dat geldt dus ook voor de regels van de aansluiting van gynaecologen bij fertiliteitscentra. Zoals reeds gezegd, komt er waarschijnlijk dit jaar nog een regeling voor de intra-uteriene inseminaties.

De registratie werd toevertrouwd aan het College van Geneesheren Reproductieve Geneeskunde. Dit college beheert reeds het IVF-registratiesysteem. De registratie van de non-IVF-cycli zal op hun ervaring en procedure gebaseerd worden. De middelen die hiervoor nodig zijn, werden vrijgemaakt. Het register zou eind dit jaar operationeel moeten zijn.

Vruchtbaarheidsproblemen gaan zowel mannen als vrouwen aan. De medische praktijk is er meer en meer op gericht het onvruchtbare koppel als een geheel te zien. De ontwikkeling van erkende fertiliteitscentra heeft daar zeker toe bijgedragen.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. We voeren op het ogenblik in de commissie besprekingen over de medisch begeleide voortplanting en zullen de minister dan ook nog zeker aanspreken over dit onderwerp.

Moties

De voorzitter. - Mevrouw De Schamphelaere heeft een motie ingediend die luidt:

"De Senaat,

Gehoord de vraag om uitleg van mevrouw De Roeck over het fertiliteitsbeleid;

Gelet op het antwoord van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;

Vraagt de regering onmiddellijk uitvoering te geven aan de bepalingen van de programmawet van december 2005 in verband met de globale forfaitarisering voor fertiliteitbehandelingen met gonadotrofines."

De heer Lionel Vandenberghe en mevrouw Derbaki Sbaï hebben een gewone motie ingediend.

-Over deze moties wordt later gestemd.

(Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin.)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het vaderschaps- en moederschapsverlof» (nr. 3-1460)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Uit het antwoord van de minister op een schriftelijke vraag (3-3473) blijkt dat in 2004 er 72.786 vrouwen in het statuut van werknemer moederschapsverlof hebben opgenomen. Daartegenover staat dat in datzelfde jaar slechts 52.848 mannen hun vaderschapsverlof hebben opgenomen. Het verschil is wellicht deels te verklaren door moeders die geen partner hebben of een partner die zelfstandige is. Toch is het verschil relatief groot zodat er wellicht ook heel wat vaders zijn die hun recht op verlof niet opnemen.

Beschikt de minister over de gegevens van 2004 betreffende het aantal mannen die recht hadden op vaderschapsverlof maar dat niet hebben opgenomen? Beschikt de minister over de gegevens van 2004 betreffende het aantal mannen die hun vaderschapsverlof slechts gedeeltelijk hebben opgenomen en dus niet de volle 10 dagen waar ze recht op hadden? Hoe is het verschil te verklaren tussen beide cijfers? Weet de minister waarom mannen hun vaderschapsverlof niet zouden opnemen?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.

In 2004 hebben 72.786 vrouwen moederschapsverlof en 52.848 mannen vaderschapsverlof genomen. Voor 100 vrouwen die moederschapsverlof namen er 73 mannen vaderschapsverlof.

Mevrouw de Bethune wijt dit belangrijk verschil aan de vele alleenstaande moeders of moeders van wie de echtgenoot zelfstandige is. Ik voeg daar nog een aantal andere factoren aan toe: vaders die niet voor een vergoeding in aanmerking komen, vaders die ambtenaar zijn, sommige bruggepensioneerden, en vaders die een uitkering krijgen wegens het onderbreken van een contract of werk. Dat is natuurlijk geen verklaring voor alles. Het is onmogelijk het aantal mannen die een RIZIV-uitkering krijgen en die in 2004 recht hebben op ouderschapsverlof, te schatten.

Voor het aantal mannen dat in 2004 maar een deel van het vaderschapsverlof heeft opgenomen, herinner ik eraan dat de eerste drie dagen verlof ten laste zijn van de werkgever, de zeven laatste dagen ten laste van het RIZIV.

Ik heb de cijfers opgevraagd van de werkgevers voor de eerste drie dagen. Ik kreeg echter geen antwoord. De FOD Werk beschikt niet over cijfers en de RSZ kan ze niet isoleren van de rest. Ik kan me dus alleen maar baseren op de gegevens van het RIZIV. De vaders die minder dan drie dagen vaderschapsverlof nemen zijn niet in deze cijfers vervat.

De cijfers over de duur van het vaderschapsverlof dat ten laste valt van het RIZIV zijn tamelijk stabiel: 6,75 dagen per rechthebbende in 2002, 6,76 dagen per rechthebbende in 2003, 6,71 dagen per rechthebbende in 2004 en 6,72 dagen per rechthebbende in 2005. De overgrote meerderheid van de mannen die een tussenkomst van het RIZIV vragen, nemen de zeven dagen waar ze recht op hebben.

Het aantal mannen dat een uitkering krijgt van het RIZIV, evolueert niet op dezelfde manier als het aantal moederschapsverloven: 24,42 vaderschapsverloven voor 100 geboortes in 2002, 69,74% in 2003, 72,61 in 2004. Ter vergelijking, het aantal bevallingsverloven is tussen 2003 en 2004 maar met 3% gestegen. Er is dus een progressieve inhaalbeweging bij de mannen.

Het gebruik maken van de nieuwe sociale bepalingen komt geleidelijk op gang. Pas over enkele jaren zullen we stabiele cijfers hebben. We zijn er nog niet, maar er is vooruitgang.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik dank de minister voor deze cijfers en voor de trend die hij schetst.

Het verbaast mij dat de minister niet naar kwalitatieve argumenten zoekt. Het Instituut voor Gelijke Kansen heeft een paar dagen geleden een interessante studiedag georganiseerd rond de problematiek van mannen en hun nieuwe rol in de samenleving. Verschillende experts hebben daar op twee andere redenen gewezen voor de kloof tussen mannen en vrouwen inzake zorgtaken en in het bijzonder inzake het vaderschapsverlof.

Ik heb twee argumenten onthouden. Er is ten eerste het feit dat het vaderschapsverlof, net zoals het moederschapsverlof overigens, niet 100% wordt vergoed. Wanneer een gezin hoge kosten moet dragen en beide ouders, al was het maar voor een paar dagen, geen volledige wedde ontvangen, dat moeilijk kan zijn voor het gezinsbudget, zodat één van beide ouders eraan twijfelt dat verlof op te nemen. Het tweede argument is dat voor het vaderschapsverlof niet dezelfde bescherming zou gelden inzake het risico om niet ontslagen te worden. Die beschermende maatregel, die wel geldt voor het moederschapsverlof, zou dus ook voor de mannen moeten gelden. Nu vrezen vele mannen op hun werk te worden gesanctioneerd indien ze twee weken vaderschapsverlof opnemen. Deze argumenten zijn het onderzoeken waard, zodat het beleid er een antwoord op kan geven.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Mobiliteit over «de kennis van de chauffeurs van het dashboard van hun wagen» (nr. 3-1467)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Volgens een studie van de Britse Automobile Association (AA) kennen heel wat chauffeurs de signalen op het dashboard niet. De studie peilde de kennis van de zes belangrijkste waarschuwingssignalen bij chauffeurs. Uit de test blijkt dat liefst 47% van de vrouwen de symbolen niet allemaal kent. Voor mannen ligt dit cijfer op om en bij de 30%. Nochtans kan het zwaarwegende gevolgen hebben als een chauffeur bijvoorbeeld het symbooltje dat de oliedruk regelt, negeert. Hoewel de uitvoering van de symbolen verschillen kan vertonen tussen Europese en Amerikaanse wagens én ook afhankelijk kan zijn van de fabrikant, zijn de tekens in principe universeel.

Sommige personen zijn niet verbaasd over deze cijfers, daar ze ervan uitgaan dat de meeste chauffeurs de handleiding van de auto pas lezen wanneer een probleem opduikt. En als er dan een signaal op het dashboard brandt, grijpt men vaak niet direct naar de handleiding, maar zoekt men veeleer contact op met een garagehouder. Anderen beweren dan weer dat de kennis van de controlelampjes helemaal niet getest wordt op het rijexamen.

Welke conclusies trekt de minister uit de studie van de Britse Automobile Association? Werden in ons land gelijkaardige studies uitgevoerd? Indien dit niet het geval is, acht de minister het dan raadzaam hierover een studie te laten uitvoeren? Acht de minister het wenselijk om over deze problematiek een wetgevend of ander initiatief te nemen?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Landuyt.

De resultaten van de vragenlijst die werd opgesteld voor de studie van de Britse automobielfederatie, wijzen op het evidente belang van de handleiding van de auto. Elke automobilist wordt verondersteld de handleiding te hebben gelezen en ze bij de hand te hebben als zich een probleem voordoet. Dat geldt overigens ook voor andere toestellen thuis en buitenshuis.

Voor zover ik weet, bestaat in ons land geen dergelijke studie. Ik vind dergelijke studies ook niet nodig. Ik heb verkeersdeskundigen nooit horen waarschuwen voor problemen die het gevolg zijn van een gebrekkige kennis van het dashboard.

Een wetgevend initiatief is niet nodig. In onze samenleving gebruiken we vaak ingewikkelde toestellen. Het gebruik van een handleiding is bijgevolg normaal en vanzelfsprekend. De mensen leren dat via de opvoeding en door ervaring. Het gebruik van een handleiding kan niet door regels worden opgelegd. Voor hun klanten is het wel belangrijk dat de fabrikanten leesbare handleidingen opstellen.

Tijdens het eerste gedeelte van de praktische opleiding voor het rijexamen wordt aandacht besteed aan de instrumenten en pictogrammen die men moet kennen om een auto te besturen. Om de verklikkerlichtjes op het dashboard te vinden, kan men de handleiding raadplegen. Het is overigens nutteloos dat daarover vragen worden gesteld op het examen: de controlelampjes verschillen immers van auto tot auto.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats donderdag 23 maart 2006 om 15.00 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 19.30 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Van de Casteele, de heren Delacroix en Van den Brande, in het buitenland, de heren Cheffert, Nimmegeers en Roelants du Vivier, om gezondheidsredenen, de heer Wilmots, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 57
Voor: 57
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 2

Aanwezig: 60
Voor: 60
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 3

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 4

Aanwezig: 58
Voor: 58
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 5

Aanwezig: 60
Voor: 40
Tegen: 19
Onthoudingen: 1

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Tegen

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Onthoudingen

Francis Detraux.

Stemming 6

Aanwezig: 60
Voor: 40
Tegen: 11
Onthoudingen: 9

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Tegen

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Hugo Coveliers, Sabine de Bethune, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Marc Van Peel.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Francis Detraux, Nele Jansegers, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Stemming 7

Nederlandse taalgroep

Aanwezig: 38
Voor: 38
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Mimount Bousakla, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Pierre Chevalier, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Christel Geerts, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Bart Martens, Stefaan Noreilde, Fatma Pehlivan, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille.

Franse taalgroep

Aanwezig: 22
Voor: 22
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Marie-José Laloy, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Olga Zrihen.

Duitstalige gemeenschapssenator

Voor

Berni Collas.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 180bis van het Kieswetboek betreffende de mogelijkheid voor Belgen die in het buitenland verblijven, om hun stemrecht uit te oefenen (van mevrouw Christine Defraigne c.s.; Stuk 3-1609/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemene nutte (van de heer Luc Willems c.s.; Stuk 3-1603/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 149 van het Wetboek der successierechten, wat betreft de vrijstelling van de taks tot vergoeding van successierechten voor verenigingen zonder winstoogmerk die natuurterreinen openstellen voor algemeen gebruik (van mevrouw Mia De Schamphelaere c.s.; Stuk 3-1606/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 70 tot 72 van het Burgerlijk Wetboek (van de heer Philippe Mahoux; Stuk 3-1619/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Voorstel van resolutie

Voorstel van resolutie inzake het participatief selecteren van indicatoren voor duurzame ontwikkeling voor België (van mevrouw Fatma Pehlivan c.s.; Stuk 3-1607/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Voorstel van verklaring tot herziening van de Grondwet

Voorstel van verklaring tot herziening van artikel 24, §1, vierde lid, van de Grondwet, ertoe strekkende er de keuze in op te nemen voor een cursus filosofie in het laatste jaar van het hoger secundair onderwijs (van mevrouw Amina Derbaki Sbaï c.s.; Stuk 3-1608/1).

-Verzonden naar de Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Samenstelling van commissies

Bij de Senaat zijn voorstellen ingediend tot wijziging van de samenstelling van bepaalde commissies:

Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden:

Commissie voor de Justitie:

Commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden:

Commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden:

Commissie voor de Sociale Aangelegenheden:

Federaal Adviescomité voor de Europese Aangelegenheden:

Parlementaire Overlegcommissie:

Bijzondere Commissie "Globalisering":

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Evocaties

De Senaat heeft bij boodschappen van 15 maart 2006 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 505 van het Strafwetboek en van artikel 35 van het Wetboek van Strafvordering in verband met de in geval van heling toepasselijke verbeurdverklaring (Stuk 3-1610/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsontwerp betreffende de analyse van de dreiging (Stuk 3-1611/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsontwerp tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen (Stuk 3-1613/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsontwerp tot aanvulling van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen teneinde de kwaliteit van de in de apotheken verkochte producten te waarborgen (Stuk 3-1614/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsontwerp houdende herziening van de farmaceutische wetgeving (Stuk 3-1615/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 9 maart 2006 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten en van de artikelen 323bis en 327bis van het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 3-1612/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp betreffende de toepassing op de Belgen van zekere bepalingen van het Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom inzake auteursrecht (WCT), gedaan te Genève op 20 december 1996, en van het Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom inzake uitvoeringen en fonogrammen (WPPT), gedaan te Genève op 20 december 1996 (Stuk 3-1616/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 10 maart 2006; de uiterste datum voor evocatie is maandag 27 maart 2006.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 28 februari 2002 ter regeling van het opstellen van de betalingsbalans en van de externe vermogenspositie van België en houdende wijziging van de besluitwet van 6 oktober 1944 betreffende de wisselcontrole en van verschillende wettelijke bepalingen (Stuk 3-1617/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 10 maart 2006; de uiterste datum voor evocatie is maandag 27 maart 2006.

Kennisgeving

Wetsontwerp betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten (van de heer Luc Willems; Stuk 3-377/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 9 maart 2006 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Ontwerp van bijzondere wet tot aanpassing van diverse bepalingen aan de nieuwe benaming van het Vlaams Parlement, het Waals Parlement, het Parlement van de Franse Gemeenschap, het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap (van mevrouw Anne-Marie Lizin; Stuk 3-1405/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 9 maart 2006 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp tot aanpassing van diverse wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet aan de nieuwe benaming van de wetgevende vergaderingen van de Gemeenschappen en de Gewesten (van mevrouw Anne-Marie Lizin; Stuk 3-1423/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 9 maart 2006 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp tot aanpassing van diverse wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet aan de nieuwe benaming van de wetgevende vergaderingen van de Gemeenschappen en de Gewesten (van mevrouw Anne-Marie Lizin; Stuk 3-1424/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 9 maart 2006 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Indiening van wetsontwerpen

De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en Japan betreffende de sociale zekerheid, ondertekend te Brussel op 23 februari 2005 (Stuk 3-1618/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol nr. 2 bij de Europese Kaderovereenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten betreffende interterritoriale samenwerking, gedaan te Straatsburg op 5 mei 1998 (Stuk 3-1621/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Antwoord van de regering op aanbevelingen van de Senaat

Bij brief van 9 maart 2006 heeft minister van Buitenlandse Zaken aan de Senaat overgezonden, zijn antwoord op de aanbevelingen van de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden in zijn verslag over de "Mensenhandel en visafraude" (3-547).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Parket

Bij brief van 13 maart 2006 heeft de Procureur des Konings te Leuven overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2005 van het Parket van de Procureur des Konings te Leuven, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 9 maart 2006.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Rechtbank van eerste aanleg

Bij brief van 8 maart 2006 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Marche-en-Famenne overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2005 van de Rechtbank van eerste aanleg te Marche-en-Famenne, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 6 maart 2006.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Arbeidsrechtbank

Bij brief van 13 maart 2006 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2005 van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 9 maart 2006.

Bij brief van 15 maart 2006 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde overeenkomstig artikel 340, §3, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2005 van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 10 maart 2006.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Arbeidsauditoraat

Bij brief van 7 maart 2006 heeft de arbeidsauditeur te Hasselt overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2005 van het Arbeidsauditoraat te Hasselt, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 6 maart 2006.

Bij brief van 9 maart 2006 heeft de arbeidsauditeur te Namen en te Dinant overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2005 van het Arbeidsauditoraat te Namen en te Dinant, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 27 februari 2006.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Rechtbank van koophandel

Bij brief van 10 maart 2006 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Tongeren overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2005 van de Rechtbank van koophandel te Tongeren, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 9 maart 2006.

Bij brief van 13 maart 2006 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Aarlen en Neufchâteau overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2005 van de Rechtbank van koophandel te Aarlen en Neufchâteau, 7 en 9 maart 2006.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Economische Overheidsbedrijven - NMBS

Bij brief van 10 maart 2006 heeft de ombudsman bij de NMBS, overeenkomstig artikel 46 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag 2005 van de ombudsman bij de NMBS.

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.