4-114

4-114

Belgische Senaat

4-114

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 4 MAART 2010 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Ontwerp van dienstenwet (Stuk 4-1643) (Evocatieprocedure)

Ontwerp van dienstenwet betreffende bepaalde juridische aspecten bedoeld in artikel 77 van de Grondwet (Stuk 4-1644)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding wat de controle door het Rekenhof betreft (Stuk 4-1640)

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, wat de aanwijzing van tot de inruststelling toegelaten magistraten als plaatsvervangende magistraten betreft (Stuk 4-1642)

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 92, 109bis en 1301 van het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 4-1654)

Stemmingen

Vraag om uitleg van mevrouw Cindy Franssen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid over ęhet tijdelijk verlengen van bepaalde sociale voordelen na het vinden van werkĽ (nr. 4-1513)

Vraag om uitleg van de heer Andrť du Bus de Warnaffe aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde toegang tot logopedische verzorging voor kinderen met spraakstoornissenĽ (nr. 4-1524)

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van de heer Jean-Paul Procureur aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen en aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over ęhet wetsvoorstel tegen homoseksualiteit in OegandaĽ (nr. 4-1534)

Vraag om uitleg van mevrouw Nahima Lanjri aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid en aan de staatssecretaris voor Begroting, Migratie- en asielbeleid, Gezinsbeleid en Federale Culturele Instellingen over ęmisbruiken met betrekking tot het vrij verkeer van werknemersĽ (nr. 4-1514)

Vraag om uitleg van de heer Philippe Monfils aan de staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap over ęde toegankelijkheid van federale websitesĽ (nr. 4-1520)

Vraag om uitleg van de heer Philippe Monfils aan de staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap over ęhet statuut van de mantelzorger bij de begeleiding van gehandicapte personenĽ (nr. 4-1521)

Vraag om uitleg van de heer Philippe Monfils aan de staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap over ęhet einde van de `prijs der liefde'Ľ (nr. 4-1522)

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de eerste minister, belast met de CoŲrdinatie van het Migratie- en asielbeleid over ęde steun van BelgiŽ aan de Albanese kandidatuur voor EU-lidmaatschapĽ (nr. 4-1529)

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęhet geneesmiddel AvastinĽ (nr. 4-1518)

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Justitie over ęde bevoegdheden van de FOD Justitie binnen de gezondheidsdiensten van gevangenissenĽ (nr. 4-1528)

Vraag om uitleg van de heer Freddy Van Gaever aan de minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven over ęhet treinongeval in Halle en het gebruik van gsm's door treinbestuurdersĽ (nr. 4-1511)

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęhet tekort aan medische isotopenĽ (nr. 4-1530)

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de minister van Justitie over ęBelgiŽ als draaischijf in drugshandelĽ (nr. 4-1525)

Vraag om uitleg van de heer Yves Buysse aan de minister van Binnenlandse Zaken over ęde werking van de arrondissementele informatiekruispuntenĽ (nr. 4-1509)

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de minister van Justitie over ęhet oproer in de Tilburgse gevangenisĽ (nr. 4-1527)

Vraag om uitleg van de heer Geert Lambert aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen over ęde inwerkingtreding van de Starter-bvbaĽ (nr. 4-1515)

Vraag om uitleg van de heer Geert Lambert aan de minister van Binnenlandse Zaken over ęeen door de politie opgelegd fuifverbod voor jongeren die op een zwarte lijst staanĽ (nr. 4-1510)

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de minister van Justitie over ęcirculaire nr. 154 van 23 december 2009 betreffende besparingen binnen de FOD JustitieĽ (nr. 4-1531)

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de minister van Klimaat en Energie over ęzonnecentraĽ (nr. 4-1526)

Vraag om uitleg van mevrouw Cindy Franssen aan de staatsecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding over ęhet gebruik van de gezondheidskaart door de OCMW'sĽ (nr. 4-1512)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vůůr het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Els Schelfhout aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over ęde resultaten van het bezoek van de minister aan de regio van de Grote MerenĽ (nr. 4-1129)

Mevrouw Els Schelfhout (CD&V). - In januari bezocht minister Vanackere de regio van de Grote Meren. In Congo, Rwanda en Burundi ontmoette hij naast zijn ambtgenoten van Buitenlandse Zaken ook de presidenten Kabila, Kagame en Nkurunziza.

Tijdens en na zijn bezoek staarde iedereen zich blind op zijn ontmoeting met president Joseph Kabila van de DRC, onder meer door de mediaberichtgeving en door het klimaat waarin de Belgisch-Congolese relaties zich bevonden.

Wat mij echter ook interesseert, is het verloop van de ontmoeting met president Paul Kagame van het kleine buurland Rwanda, van wie op zijn minst kan worden gezegd dat hij een veelbetekenende invloed heeft op de situatie in de regio.

Het Rwandese regime wordt vaak geprezen om zijn economische ontwikkeling. De grote ongelijkheid in die ontwikkeling wijst er echter op dat we slechts een faÁade zien van een dictatoriaal regime dat een democratische cultuur en de vrije werking van mensenrechtenactivisten en journalisten belemmert. Al sinds de uitbarsting van het geweld begin jaren negentig koestert Kagame voor Rwanda - en voor zichzelf en zijn entourage - twee doelen. Enerzijds wil hij een bondgenoot installeren in Kinshasa en anderzijds wil hij een informele voogdij over Oost-Congo in stand houden. Het is al lang duidelijk dat de aanwezigheid van het Rwandese regime in de Kivuprovincies meer economisch-demografische belangen dan veiligheidsbelangen heeft. Het tweede element legitimeert echter het eerste.

Hoe belangrijk de invloed van Kagame in de regio wel is, weet ook de Franse president Nicolas Sarkozy. Eind april 2009 ging hij zoete broodjes bakken bij president Kabila van Congo. Op die manier slaagde hij erin om France Telecom, bouwgigant VINCI, energiebedrijf Alstom en AREVA, een bedrijf dat gespecialiseerd is in kernenergie, mooie perspectieven te bieden. Eind vorige week vertrok hij op `verzoeningsmissie' naar Rwanda. `We want to turn the page', zei hij, `France will construct a relationship of confidence'. Dat Frankrijk dat vertrouwen waard is, meent Sarkozy te moeten aantonen door enkele dagen na zijn terugkeer de weduwe Habyarimana, echtgenote van de in 1994 vermoordde Hutupresident, te laten arresteren. Mevrouw Habyarimana mocht na enkele uren terug naar huis, maar het signaal aan Kagame en de wereld is duidelijk. `The focus is on the future', zei Kagame, en hij meende het.

De toekomst, dat zijn voor president Kagame ook de komende presidentsverkiezingen van augustus 2010 en een nieuwe ambtstermijn van zeven jaar.

Met de hete adem van de verkiezingen in de nek wordt het de kandidaten van de oppositie zo moeilijk mogelijk gemaakt. Het is duidelijk dat de verkiezingen in Rwanda niet vrij en transparant zullen verlopen, aangezien Rwanda gewoon geen democratisch regime heeft dat respect voor rechten en vrijheden betoont.

Kortom, ik meen dat onvoorwaardelijke diplomatieke betrekkingen bijdragen tot blijvende instabiliteit in Oost-Congo en op termijn tot nieuwe instabiliteit en geweld in Rwanda.

Welke onderwerpen heeft minister Vanackere besproken in het gesprek met president Kagame en dat met zijn ambtgenoot van Buitenlandse Zaken, Louise Mushikiwabo? Is er gesproken over de presidentsverkiezingen, over de situatie van de politieke oppositie en over de situatie van mensenrechtenactivisten en journalisten?

Is ons land bereid om bilateraal en via de Europese Unie bij de Rwandese autoriteiten aandacht te vragen voor de verbetering van de situatie van bovengenoemde groepen en druk uit te oefenen voor een vrij en veilig verkiezingsproces?

Is ons land bereid gevolg te geven aan de vraag om een EU-observatiemissie naar Rwanda te sturen?

Is ons land bereid om tijdens het EU-voorzitterschap bijzondere waakzaamheid te vragen voor de politieke situatie en ontwikkelingen en voor het respect voor de mensenrechten in de regio van de Grote Meren?

Is ons land bereid om - eveneens tijdens het EU-voorzitterschap - bijzondere inspanningen te doen teneinde de straffeloosheid in de regio te bestrijden?

Is ons land bereid zo nodig politiek asiel te verlenen aan mevrouw Agathe Habyarimana?

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen. - Net als mevrouw Schelfhout betreur ik dat een bepaald aspect van ons bezoek aan de regio van de Grote Meren extra wordt belicht en dat onvoldoende aandacht uitgaat naar het echte doel van de reis, namelijk het belang onderstrepen van een interregionale dynamiek om de situatie in Oost-Congo op te lossen omdat een land alleen dat niet aankan.

In mijn gesprekken met president Kagame en ambtgenote Louise Mushikiwabo zijn alle onderwerpen die mevrouw Schelfhout aanhaalt, aan bod gekomen. Dat was ook het geval in de DRC en Burundi, hoewel het daar meer om kennismakingsgesprekken ging, die evenwel de mogelijkheid boden meer gevoelige thema's vertrouwelijk te bespreken. Naast bilaterale thema's werd dus ook ingegaan op de situatie in Rwanda.

Met president Kagame had ik een uitvoerige en openhartige discussie over het meerpartijenstelsel en de afwezigheid van een oppositie in Rwanda. Bij wijze van anekdote kan ik zelfs zeggen dat Kagame me vroeg of hij dan wel een oppositie moest creŽren in zijn land, waarop ik hem antwoordde dat ik als politicus had ondervonden dat er altijd iemand is die vindt dat hij het beter kan en dat bijgevolg oppositie wel vanzelf ontstaat en niet moet worden gecreŽerd door een meerderheid. Als vastgesteld wordt dat er in een land geen oppositie bestaat, dan doet dat vragen rijzen, legde ik hem uit. Voorts zei ik hem ook dat Rwanda op het vlak van goed bestuur al een goed imago had, vooral met het plan Vision 2020, maar dat het imago nog zou verbeteren indien een echte oppositie haar rol in het land zou kunnen spelen.

BelgiŽ is bereid om bilateraal en in Europees verband de hier aangehaalde thema's verder te bepleiten. Binnen de Europese Unie pleiten we voor een goede opvolging van het verkiezingsproces en we hebben hierover tijdig overleg aangevraagd. BelgiŽ is een sterke pleitbezorger voor het uitsturen van een EU-observatiemissie naar Rwanda. Rwanda heeft hiervoor trouwens een verzoek ingediend, maar het land werd tot onze spijt door de Europese Commissie nog niet opgenomen in de lijst van te ondernemen observatiemissies in 2010. Wij hopen alsnog daarin verandering te kunnen brengen en zullen daarvoor demarches doen. Belangrijke partners van Rwanda, zoals het Verenigd Koninkrijk en Nederland, delen alvast onze mening.

Onder het verdrag van Lissabon komt de agendabepaling op het vlak van extern beleid in de eerste plaats toe aan de diensten van mevrouw Ashton. Wel zal BelgiŽ als lidstaat en binnen de krijtlijnen van het gezag uitgaande van het roterende voorzitterschap pleiten voor blijvende aandacht en zelfs waakzaamheid ten aanzien van de politieke ontwikkelingen in de Regio van de Grote Meren. Overigens verwacht men ook van ons dat we onze mening in dat verband kenbaar maken.

Ons land doet nu al inspanningen, nationaal en in Europees verband, om bij te dragen tot het bestrijden van de straffeloosheid in de regio. Ik denk daarbij aan het programma REJUSCO in de DRC.

Ten slotte kom ik bij de vraag over het verlenen van politiek asiel aan mevrouw Habyarimana. Ik herinner eraan dat het verlenen van politiek asiel tot de bevoegdheid behoort van collega Wathelet, staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid. Als minister van Buitenlandse Zaken kan ik wel zeggen dat die vraag nu niet aan de orde is.

Mevrouw Els Schelfhout (CD&V). - Het is bemoedigend dat ons land samen met Nederland en Groot-BrittanniŽ blijft pleiten voor het sturen van een observatiemissie in de aanloop naar de presidentsverkiezingen in Rwanda. President Kagame kan die vraag natuurlijk gemakkelijk stellen, in de wetenschap dat het voor de EU financieel moeilijk zal zijn om er gevolg aan te geven. Les excuses sont faites pour s'en servir. Ik stel het dus op prijs dat ons land ter zake kritisch blijft en hiervoor de nodige demarches zal doen.

De minister wees erop dat de Rwandese regering een goede reputatie heeft inzake goed bestuur, corruptiebestrijding en wederopbouw van het land. Ik wil toch benadrukken dat die reputatie precies het probleem is dat, samen met het `genocidekrediet' dat Kagame nog altijd heeft, in de hand werkt dat de Internationale Gemeenschap het dictatoriaal regime van Kagame toestaat. Waarnemers noemen het land een vulkaan met een deksel erop. Ik hou mijn hart vast - en ik niet alleen - voor het ogenblik dat dat deksel eraf springt, voor de hele regio en vooral voor Oost-Congo.

Mondelinge vraag van de heer Joris Van Hauthem aan de eerste minister, belast met de CoŲrdinatie van het Migratie- en asielbeleid over ęde splitsing van Brussel-Halle-VilvoordeĽ (nr. 4-1125)

De heer Joris Van Hauthem (VB). - De regeringsverklaring van 25 november 2009 gaf minister van Staat Dehaene de opdracht een voorstel te doen over institutionele problemen in het algemeen en het `probleem' Brussel-Halle-Vilvoorde in het bijzonder. Vanuit de overweging dat ons land zich tijdens zijn voorzitterschap van de Europese Unie geen institutionele crisis kan en mag veroorloven ťn dat het belangenconflict afloopt dat het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap indiende, werd medegedeeld dat de koninklijke opdrachthouder tegen Pasen een voorstel van oplossing op tafel zou leggen. Pasen valt op 4 april, dat is nog nauwelijks een maand ver. In de pers worden nu ballonnetjes opgelaten dat deze termijn eigenlijk nog wel kan worden verlengd tot mei of juni. Er doet zelfs de hypothese de ronde dat de zaak over de verkiezingen van 2011 heen zou worden getild.

In het kader van het lopende belangenconflict moet de Senaat advies uitbrengen aan het Overlegcomitť. Ik neem aan dat we volgende week over dat advies zullen stemmen. In dat advies staat dat het nuttig zou zijn dat het resultaat van de werkzaamheden van Jean-Luc Dehaene op tafel zou liggen.

Als dat resultaat eventueel ook in mei of juni zou kunnen komen of er zelfs helemaal niets zou komen, dan komt het advies van de Senaat neer op een uitnodiging aan het Brussels Parlement om een nieuw belangenconflict in te dienen.

Tot wanneer geeft de eerste minister de koninklijke opdrachthouder de kans om met een voorstel voor de institutionele problemen in het algemeen en het probleem BHV in het bijzonder voor de dag te komen? Wanneer wil de eerste minister ten laatste beginnen met het starten van de onderhandelingen met de voorzitters van de meerderheidspartijen en wanneer wil hij die uiterlijk afronden?

Wat onderneemt de regering wanneer ergens in de loop van april, of uiterlijk mei, het belangenconflict dat de Duitstalige Gemeenschap in het leven heeft geroepen ten einde loopt? Krijgt het parlement dan vrije baan om het reeds meer dan twee jaar geblokkeerde wetsvoorstel verder in behandeling te nemen, of neemt de regering dan initiatieven om een nieuw belangenconflict te laten inroepen?

De heer Yves Leterme, eerste minister, belast met de CoŲrdinatie van het Migratie- en asielbeleid. - Ik zal de heer Van Hauthem wellicht ontgoochelen. In het verlengde van wat ik vroeger heb gezegd herhaal ik nogmaals dat ik geen commentaar geef op de opdracht die door het staatshoofd aan de koninklijke opdrachthouder is toebedeeld, noch met betrekking tot de inhoud, noch met betrekking tot precieze vragen.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - De premier ontgoochelt me al jaren. Ik heb geen vraag gesteld over de inhoud van de opdracht van minister van Staat Jean-Luc Dehaene, wel over de timing ervan.

In het regeerakkoord staat dat zal worden onderhandeld met de voorzitters van de meerderheidspartijen. Mijn vraag is: wanneer verwacht de premier ten laatste een voorstel op basis waarvan die onderhandelingen zullen plaatsvinden? Die vraag is belangrijk in het licht van het belangenconflict, ingeroepen door het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, dat binnenkort afloopt.

Ik hoop dat de premier de Senaat niet de opdracht geeft nog eens twee weken te wachten met het advies voor het Overlegcomitť. Op die manier wordt een parlementaire instelling immers gebruikt en vooral misbruikt om de wettelijke termijnen niet toe te passen en de zaak te blijven rekken.

Ik stelde mijn vraag in het licht van het aflopende belangenconflict en in het licht van wat vanochtend in de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden werd beslist, namelijk dat men de resultaten van minister van Staat Dehaene afwacht. Wat is de timing? Het parlement heeft het recht te weten wanneer de koninklijke opdrachthouder nu eindelijk met een voorstel voor de dag zal komen.

Ik stel vast dat de premier niets zegt. Dus het parlement kan vragen stellen en de minister kan beslissen niet te antwoorden.

De voorzitter. - De regering antwoordt wat ze wenst te antwoorden.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Dan wil ik toch vragen het advies dat vanochtend werd goedgekeurd volgende week op de agenda van de plenaire vergadering te plaatsen. We moeten ons als parlementaire instelling niet laten leiden om de zaak te rekken en de wettelijke termijnen te overschrijden.

Ik zal de vraag straks opnieuw formeel stellen.

De voorzitter. - U weet dat het Bureau van de Senaat over de agenda beslist.

Mondelinge vraag van de heer Geert Lambert aan de vice-eersteminister en minister van FinanciŽn en Institutionele Hervormingen over ęde invulling van de bestuursmandaten van de overheid bij de financiŽle instellingenĽ (nr. 4-1123)

De heer Geert Lambert (Onafhankelijke). - Bij de financiŽle en economische crisis heeft de overheid veel steun verleend aan Fortis, Ethias, KBC en BNP Paribas. Daardoor mag zij bij die banken zelf bestuursmandaten invullen. Die overheidsbestuurders moeten waken over de stabiliteit van de financiŽle instellingen in kwestie en over de belangen van de overheid en de belastingbetaler.

In een antwoord op mijn schriftelijke vraag van februari 2009 verwees de minister naar de aanbevelingen van de experts van de parlementaire commissie over de financiŽle crisis.

Heeft de regering ondertussen de aanbevelingen van de bijzondere commissie voor de bankencrisis omgezet in een reglementair kader? Welke concrete en uitdrukkelijke richtlijnen heeft de regering haar vertegenwoordigers bij de financiŽle instellingen al gegeven? Kregen de overheidsbestuurders concrete richtlijnen rond risicomanagement en transparante communicatie door de banken?

In welke zin weerspiegelen de richtlijnen aan de overheidsbestuurders de strategie van de regering met betrekking tot de banken die zij eerder financieel ondersteunde? Wat is de strategie van de regering met betrekking tot de banken waarvan zij aandeelhouder is?

De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van FinanciŽn en Institutionele Hervormingen. - Ik heb in de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden al verschillende elementen van antwoord gegeven. We werken verder aan de uitvoering van de aanbevelingen van de gemengde commissies van Kamer en Senaat voor de bankencrisis.

De commissie voor de FinanciŽn en de Begroting van de Kamer heeft al twee crisiswetten goedgekeurd over de omstandigheden waarin de Staat bij een nieuwe crisis kan interveniŽren.

Op 10 maart bespreekt dezelfde commissie van de Kamer een wetsontwerp inzake het toezicht op de financiŽle sector. Men weet dat de bijzondere opvolgingscommissie belast met het onderzoek naar de financiŽle en bankcrisis van de Kamer een Twin-Peaksmodel voor dat toezicht heeft uitgewerkt. We willen die aanpak uitbreiden naar het toezicht op de banksector en op alle financiŽle instellingen van BelgiŽ.

Voorts plannen we hoorzittingen met de leden van de directies en raden van bestuur van de banken en met vertegenwoordigers van de Staat. We zouden zelfs nog verder kunnen gaan en een hoorzitting organiseren met alle bankbeheerders die een invloed kunnen hebben op het financieel systeem van BelgiŽ. Het gaat dus om meer banken dan de twee waarin de staat een participatie heeft, namelijk Dexia en BNP Paribas Fortis.

Bij KBC is gewerkt met leningen met een zekere verantwoordelijkheid, maar niet dezelfde als die van een aandeelhouder. Daarnaast kunnen we ook een specifieke structuur uitwerken, eventueel zowel in de Kamer als in de Senaat, voor de follow-up van de hele financiŽle sector van BelgiŽ en vooral voor de systeeminstellingen, dus niet alleen de banken maar ook de verzekeringsmaatschappijen en de beursvennootschappen. In het kader van die follow-up kunnen we hoorzittingen organiseren, indien nodig met gesloten deuren, om twee of drie thema's te bespreken. Het eerste heeft betrekking op de strategie die de Staat in een dergelijke crisis kan volgen. Het is de taak van de regering om daar een voorstel voor uit te werken en ik ben bereid om dat te doen. Ten tweede kunnen de deelnemers alle mogelijk vragen stellen aan de beheerders of directeurs van de financiŽle instellingen.

Ten derde, en dat was misschien meer uw vraag, zou het mogelijk zijn om de leden van de raad van bestuur die van de Belgische staat komen te ondervragen over de strategie of specifieke aanpak.

Een lid van de raad van bestuur van een beursgenoteerde vennootschap heeft niet het recht te pleiten voor ťťn specifieke aandeelhouder, ook niet voor de Staat. Het is zijn taak om te handelen in het algemeen belang van de vennootschap. De raad van bestuur moet wel beslissingen nemen over de verschillende dossiers in verband met alle aandeelhouders, dus ook over die van de Staat.

In de opvolgingscommissie voor de financiŽle en bankencrisis in de Kamer is volgende week een hoorzitting gepland met alle directieleden en leden van de raden van bestuur van de verschillende banken, ook met de vertegenwoordigers van de Staat. Er zal worden besproken hoe meer uitleg kan worden gegeven bij de strategie van de overheidsaandeelhouders. Daarnaast wordt besproken hoe een evenwicht kan worden bereikt tussen de rol van een bestuurslid als vertegenwoordiger van de vennootschap en als persoon met een specifieke aanpak in verband met alle aandeelhouders, in de eerste plaats misschien met de Belgische aandeelhouders, het personeel en zelfs de klanten.

De volgende maanden moeten we het resultaat van de hoorzittingen in de opvolgingscommissie voor de financiŽle en bankencrisis afwachten en daarna kunnen het parlement en de regering met elkaar daarover van gedachten wisselen. Ik pleit voor een bijzondere parlementaire commissie voor de follow-up van alle financiŽle instellingen, dus niet alleen van de bank- en verzekeringsondernemingen. Dat zal me misschien de kans bieden om een preciezer antwoord te geven op de vraag van senator Lambert. Ik kan daar op dit ogenblik, nu de dialoog tussen de verschillende partners, namelijk het parlement, de regering en de vertegenwoordigers van de verschillende instellingen, nog niet is gestart, onmogelijk dieper op ingaan.

De heer Geert Lambert (Onafhankelijke). - De situatie is inmiddels al een jaar geleden ontstaan. Ik begrijp dat de bestuurders een verantwoordelijkheid hebben ten opzichte van alle aandeelhouders. We weten echter ook dat een aandeelhouder die een bestuurszetel kan verwerven, instructies geeft aan zijn bestuurder. Bijgevolg moet ook de overheid als aandeelhouder instructies kunnen geven aan zijn bestuurder. Ik pleit ervoor dat de overheid grondig nadenkt over de te volgen strategie, niet alleen ten opzichte van de banken, maar ten opzichte van alle spelers op het financiŽle veld, want een crisis in de financiŽle wereld kan verregaande gevolgen hebben.

Ik zal de werkzaamheden van de opvolgingscommissie aandachtig blijven volgen.

Mondelinge vraag van mevrouw Dominique Tilmans aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde wachtdiensten van huisartsenĽ (nr. 4-1127)

Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - Een recente beslissing van de Raad van State heeft voor heel wat reacties gezorgd in de huisartskringen. De Raad heeft een arts in het gelijk gesteld die een conflict had met zijn kring omdat hij vond dat zijn wachtdienst schade kon berokkenen aan zijn gezondheid en de veiligheid van zijn patiŽnten in gevaar kon brengen.

Ik wil geen commentaar geven op een gerechtelijke uitspraak. Mijn vraag heeft vooral betrekking op de gevolgen van die uitspraak voor de continuÔteit van de wachtdiensten van huisartsen.

Sommige regio's kampen met een artsentekort. De organisatie van de wachtdiensten verloopt bijgevolg steeds moeilijker. Het is dus niet onwaarschijnlijk dat sommige wanhopige artsen medische getuigschriften voorleggen die niet altijd terecht zijn.

Ik verneem ook dat sommige kringen een zogenaamd `aanvaardbaar maximum' hanteren, waarbij wordt bepaald hoeveel wachtdiensten jaarlijks aanvaardbaar zijn voor een arts. We kunnen in de komende maanden bijgevolg moeilijkheden verwachten als die maximumdrempel wordt overschreden.

Deze ontwikkeling is verontrustend. Ik ga ervan uit dat de minister van Volksgezondheid de continuÔteit van de wachtdiensten wil behouden.

Vandaar mijn vragen.

Wat denkt de minister over de recente ontwikkelingen in de organisatie van de wachtdiensten van huisartsen? Dreigt het voortbestaan van die dienst aan de bevolking niet in gevaar te komen?

Is zij ervan op de hoogte dat sommige huisartsenkringen een `aanvaardbaar maximum' hanteren?

Is zij ervan op de hoogte dat sommige artsen getuigschriften voorleggen als ze het fysiek niet meer aankunnen de wachtdiensten te verzekeren?

Beschikt zij over middelen om dergelijke toestanden het hoofd te bieden? Zo ja, welke?

Moeten de huisartsenkringen niet over meer middelen kunnen beschikken?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie. - Wettelijk staan de huisartsenkringen in voor de organisatie van de wachtdiensten van huisartsen.

Ze krijgen jaarlijks een toelage in verhouding tot het aantal inwoners van de betrokken zone. De deontologische problemen die verband houden met de wachtdiensten, vallen uiteraard onder de bevoegdheid van de Orde van geneesheren.

Ik ben inderdaad op de hoogte van het geval dat u aanhaalt, meer bepaald het ongenoegen in een huisartsenkring over het feit dat een van zijn leden medische attesten indient volgens welke hij momenteel, om medische redenen, zijn wachtdienst niet kan vervullen. Als de leiding van de kring dat nodig acht, kan ze de Orde van geneesheren verzoeken te arbitreren.

Ik herinner eraan dat het behoud van de erkenning als huisarts veronderstelt dat hij effectief deelneemt aan de door de lokale kring georganiseerde wachtdienst.

Dit specifieke geval is symptomatisch voor de problemen bij de organisatie van wachtdiensten. Ik ben niet op de hoogte van het `aanvaardbare maximum' dat door sommige kringen zou worden toegepast. De kringen bepalen zelf de werkingsregels door voor elk lid een gemiddeld aantal wachtdiensten vast te leggen, waarbij ze in sommige gevallen rekening houden met de leeftijd van de huisarts.

Ik vind het belangrijk de hervorming van de organisatie van de wachtdiensten verder te ondersteunen. Aldus heb ik de toelagen voor de eerstelijnswachtdiensten verdubbeld waardoor wachtdiensten met minder huisartsen kunnen worden georganiseerd. Ik heb eveneens een proefproject gelanceerd voor een centrale dispatching die de patiŽnt efficiŽnter moet leiden en het aantal oproepen en bezoeken voor de huisarts moet verminderen.

Het project 1733 dat in Brugge en Henegouwen werd uitgewerkt, zal dit jaar worden uitgebreid tot Luxemburg. Ik vind ook dat de financiŽle middelen van de kringen moeten worden verhoogd. Daartoe zal ik voorstellen de toelagen die aan de kringen worden toegekend voor de organisatie van de wachtdiensten, jaarlijks te indexeren.

Met het oog op de toekomst moet het overleg met de Federale raad voor de huisartsenkringen worden opgevoerd, wat ik op korte termijn ook zal doen.

Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - De minister heeft inderdaad een aantal zeer positieve maatregelen genomen. Bovendien heeft zij beslist de middelen voor de wachtdiensten te verhogen. Dat verheugt me. We stellen echter vast dat het aantal individuele getuigschriften toeneemt. Bovendien zouden sommige kringen een aanvaardbaar maximum hanteren wat de wachtdiensten betreft. Kortom, de huisartsenwachtdiensten kampen steeds meer met problemen. Artsen willen hun beroeps- en gezinsleven beter op elkaar kunnen afstemmen.

Denkt u, mevrouw de minister, dat huisartsenkringen zich kunnen beroepen op een medische contra-expertise, zoals nu al het geval is voor werknemers? De kringen zouden dan meer druk kunnen uitoefenen om de artsen te verplichten al hun wachtdiensten te vervullen.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie. - We mogen het niet zover laten komen. Ik heb een klacht ontvangen voor ťťn bepaald geval. Ik kan me moeilijk voorstellen dat dergelijke feiten zich op grote schaal voordoen. Ik zal overleg plegen met de Federale raad voor de huisartsenkringen om samen na te gaan of de mogelijkheid van bezwaar tegen die getuigschriften wenselijk is. Ik zal dat punt agenderen.

Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - Dat is vriendelijk, mevrouw de minister. Dat de Raad van State een arts die thuisblijft en dus zijn wachtdienst niet vervult, in het gelijk stelt, zal een precedent scheppen.

Mondelinge vraag van de heer Yoeri Vastersavendts aan de minister van Justitie over ęde toepassing van het artikel 216quater van het Wetboek voor strafvorderingĽ (nr. 4-1124)

De heer Yoeri Vastersavendts (Open Vld). - Bij wet van 13 april 2005 werd het snelrecht gewijzigd, nadat het toenmalige Arbitragehof, thans Grondwettelijk Hof, had beslist dat er sprake was van een ongelijke behandeling in de toen bestaande regeling.

Artikel 216quater van het Wetboek van strafvordering stelt dat de procureur des Konings een verdachte na tien dagen al voor de rechter kan brengen en dat er dan binnen twee maanden een vonnis moet komen. Destijds werd beslist in Brussel vijf magistraten toe te voegen aan de rechtbank van eerste aanleg om die zaken te kunnen behandelen. Het snelrecht is volgens mij toch belangrijk om kleine vergrijpen die grote maatschappelijke gevolgen hebben en een groeiend onveiligheidsgevoel veroorzaken, te beteugelen.

Na de recente uitspraken van de minister in de pers wil ik hem vragen of artikel 216quater van het Wetboek van strafvordering thans veel wordt gebruikt.

Heeft de minister weet van grote verschillen in gebruik tussen de verschillende arrondissementen?

Het Arbitragehof zei in zijn arrest dat er een probleem was met de voorhechtenis. Nu is voorhechtenis niet mogelijk. Heeft de minister een plan om de wet aan te passen om ook de voorhechtenis mogelijk te maken in het snelrechtsysteem?

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Bij wet van 13 april 2005 werd artikel 216quater van het Wetboek van strafvordering over de oproeping bij proces-verbaal - ook bekend onder de term `snelrecht', maar eigenlijk gaat het om een andere, reeds vroeger bestaande procedure - inderdaad lichtjes gewijzigd. Aanvankelijk bepaalde het artikel onder meer dat wanneer een vonnis niet binnen twee maanden na de inleidende zitting wordt uitgesproken, het door het parket opgestelde proces-verbaal onontvankelijk moet worden verklaard. In de verschillende circulaires van de procureurs-generaal over de wet werd gewezen op het onrechtvaardige karakter van de sanctie en op de procedurele complicaties ervan. Dat leidde er zelfs toe dat in sommige ressorten als richtlijn werd gegeven om deze procedure bij voorkeur niet toe te passen, doch onmiddellijk over te gaan tot dagvaarding bij deurwaardersexploot, wat de klassieke manier is.

Mijn voorganger, Jo Vandeurzen, heeft dan in de wet houdende diverse bepalingen van 24 juli 2008 een bepaling laten opnemen tot schrapping van de sanctie van onontvankelijkheid, in de hoop daarmee tegemoet te komen aan de verzuchtingen in het veld en de procedure nieuw leven in te blazen. De termijn van twee maanden waarbinnen het vonnis moet worden uitgesproken, werd wel uitdrukkelijk gehandhaafd om eraan te herinneren dat de snellere procedure ook moet worden toegepast en dat het de bedoeling is dat ze alleen specifiek daarvoor wordt gebruikt.

De memorie van toelichting bij het wetsontwerp vermeldt dat de toepassing van artikel 216quater binnen achttien maanden na de publicatie van de wet het voorwerp zal uitmaken van een evaluatie.

Het College van procureurs-generaal bericht mij dat er inmiddels een enquÍte is uitgevoerd bij de verschillende procureurs des Konings. De recente cijfers werden ter validatie aan de procureurs voorgelegd. De senator stelt zijn vraag eigenlijk een week te vroeg, want morgen pas, vrijdag, moeten de cijfers binnen zijn en staat dit punt op de agenda van de vergadering van het College van procureurs-generaal. Ik heb dat punt laten agenderen wegens de toestand in Brussel. We hebben na de feiten van de voorbije weken immers gezegd dat dit de aangewezen procedure is, zeker in Brussel.

Ik wens dat niet alleen het parket die procedure toepast, maar dat ook de zittende magistratuur volgt.

De meest recente cijfers over het gebruik van de procedure in de verschillende arrondissementen kan ik op dit ogenblik dus nog niet meedelen omdat ze nog niet beschikbaar zijn. Ik kan ze later bezorgen. Ik kan wel de gegevens bezorgen die werden verzameld naar aanleiding van de eerder vernoemde wetswijziging.

In heel BelgiŽ werd het artikel 1202 keer in 2006 en 1229 keer in 2007 toegepast, wat overeenkomt met ongeveer 5,75% van het aantal behandelde dossiers. De cijfers opgesplitst per ressort zal ik schriftelijk geven. De procedure wordt het meest gebruikt in Luik en Bergen, minder vaak in Brussel en Gent en het allerminst in Antwerpen. We wachten af welke resultaten de nieuwe cijfers zullen opleveren.

Het College van procureurs-generaal moet op basis van de recentste cijfers een evaluatie maken van de toepassing van artikel 216quater van het Wetboek van strafvordering. Dit moet leiden tot een circulaire met de te vervullen criteria en de verschillende praktische uitvoeringsmodaliteiten.

De laatste vraag is mij niet helemaal duidelijk aangezien de verdachten bij toepassing van artikel 216quater niet in voorlopige hechtenis worden genomen. Dit is het eigene van de procedure. Daarom moeten we ervoor zorgen dat eventuele gevangenisstraffen onmiddellijk uitgevoerd worden nadat ze uitgesproken worden. Zo niet verkrijgt men een verkeerde uitwerking. We moeten de circulaire, die bepaalt dat straffen onder de zes maanden niet uitgevoerd worden, dus aanpassen.

Overigens kan de procedure voor de verdachten die zich in voorlopige hechtenis bevinden, versneld worden door de raadkamer de mogelijkheid te geven om in eenvoudige en niet-betwiste zaken een uitspraak ten gronde te doen. We hebben in die optiek een nieuw wetsontwerp voorbereid, dat helemaal los staat van artikel 216quater en dat werd voorgelegd aan het College van procureurs-generaal voor advies. Op het ogenblik van de beoordeling van het dossier zou de raadkamer dus onmiddellijk een veroordeling kunnen uitspreken in eenvoudige zaken die snel kunnen afgehandeld worden.

De heer Yoeri Vastersavendts (Open Vld). - De minister en ik zitten op dezelfde lijn. We vinden beiden dat het artikel waar mogelijk moet worden toegepast. Ik zal nagaan of dit ook werkelijk gebeurt, want de maatschappij heeft er nood aan dat onder meer handtasdiefstallen snel en efficiŽnt worden berecht.

Mondelinge vraag van mevrouw Anke Van dermeersch aan de minister van Justitie over ęde nog op te nemen vakantiedagen van het gevangenispersoneelĽ (nr. 4-1126)

Mevrouw Anke Van dermeersch (VB). - Het is alweer hommeles bij het personeel van de penitentiaire instellingen, en opnieuw met reden. Cipiers uit verschillende gevangenissen legden deze week het werk neer om te protesteren tegen het gevoerde personeelsbeleid, in het bijzonder wat het opnemen van vakantiedagen betreft. Wegens het personeelstekort kunnen de cipiers al een hele tijd niet langer hun achterstallige vakantiedagen en overuren opnemen, omdat anders de veiligheid niet langer kan worden gegarandeerd. Voor de zowat 6 000 Belgische cipiers gaat het om zo'n 400 000 achterstallige dagen, waarvan sommigen er naar verluidt maar liefst nog 800 te goed hebben.

Tegen halfweg volgende maand heeft de minister beloofd maatregelen voor te stellen die deze achterstand moeten wegwerken, maar de adjunct-woordvoerster van de minister lichtte al een tipje van de sluier op door in de media te stellen dat de directies op maat van hun gevangenis een plan dienen op te stellen en dat het in ieder geval niet de bedoeling is dat er extra personeel bijkomt.

Het lijkt erop dat men het probleem nog een tijdje voor zich uit wil schuiven, terwijl er, wanneer we de woordvoerster van de minister mogen geloven, er nu wel degelijk al voorstellen op tafel liggen.

Klopt het dat de indienstneming van extra personeel niet tot de maatregelen behoort om de achterstallige vakantiedagen weg te werken? Zo ja, welke concrete initiatieven zal de minister nemen? Hoe kan hij zijn intussen gemaakte beloftes waarmaken? Welke middelen worden daartoe uitgetrokken?

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Bij het personeel van de buitendiensten, de bewaking en het administratief personeel staan inderdaad nog 388 000 dagen open. Het gaat om op te nemen vakantiedagen, recuperatiedagen, rustdagen en andere. De gemiddelden kunnen per gevangenis, per personeelscategorie en per personeelslid sterk verschillen.

De cijfers zijn een erfenis uit het verleden en zijn in de loop der jaren enkel toegenomen. Deze historische verlofachterstand werd veroorzaakt door verschillende factoren, zoals onvolledige personeelsbezetting, absenteÔsme, maar ook praktijken waarbij personeelsleden hun vakantiedagen opsparen tot de periode net vůůr hun pensioen.

De jongste jaren heeft het directoraat-generaal EPI grote inspanningen geleverd om de personeelsbestanden volledig in te vullen. Daardoor kan de administratie nu aandacht besteden aan de oplossing van het probleem van deze overuren. Het bewakingspersoneel werd buiten de besparingsmaatregelen gehouden die binnen de verschillende diensten van de FOD Justitie noodgedwongen moesten worden genomen. Deze beslissing houdt dan ook in dat binnen de bestaande globale personeelsbestanden van de bewaking structurele maatregelen moeten worden uitgewerkt om de stijging van de overtallige prestaties te stoppen en opgebouwde overuren af te bouwen.

Concreet zal in verschillende stappen worden gewerkt. Het is de bedoeling dat op korte termijn de aangroei van de historische verlofachterstand, de zogenaamde rugzak, een halt wordt toegeroepen zodat ze kan worden gestabiliseerd. Na overleg met de vakbonden verspreidt de directeur-generaal een nota met de modaliteiten waardoor ieder personeelslid zijn verlofdagen van 2010 effectief in 2010 moet kunnen opnemen. Op langere termijn dient de historische verlofachterstand te worden weggewerkt. Daarvoor zal per gevangenis, per medewerker binnen elke categorie van medewerkers - directie, bewakingspersoneel, technici - een tijdschema worden opgesteld zodat elke gevangenis op een eigen tempo de bestaande verlofachterstand kan wegwerken. Om in dit opzet te slagen, moeten een aantal randvoorwaarden worden vervuld in overleg met de vakbondsorganisaties. Het inzetten van het personeel moet worden herbekeken en in elke gevangenis moet post per post een evaluatie worden gemaakt. Ook het absenteÔsme moet worden aangepakt. Evaluaties tonen immers aan dat het absenteÔsme een zeer negatieve impact heeft op de mogelijkheid om verlof te geven. Deze hele operatie zal uiteraard plaatsvinden zonder dat de veiligheid van de inrichting in het gedrang wordt gebracht.

In de inrichtingen waar dit mogelijk is, zal reeds in 2010 worden getracht dagen uit de `rugzak' te geven om het aantal openstaande dagen te verminderen.

In afwachting heeft de administratie wel reeds met succes inspanningen geleverd om het aantal dagen te verminderen. Op 15 november 2009 stonden 411 000 dagen open, ondertussen is dat verminderd tot 388 000. Het zal echter een volgehouden inspanning vergen om het aantal openstaande dagen volledig weg te werken.

Mevrouw Anke Van dermeersch (VB). - Ik dank de minister voor het duidelijke antwoord.

Hij zegt dat structurele maatregelen nodig zijn. Ik ben het ermee eens dat het stappenplan ertoe kan bijdragen de historische achterstand inzake nog op te nemen vakantiedagen weg te werken. Als de mogelijkheid bestaat om vakantiedagen op te sparen tot het pensioen, dan hebben de personeelsleden het recht om dat te doen.

AbsenteÔsme is inderdaad een probleem. Vanmiddag hebben de cipiers van Sint-Gillis opnieuw het werk neergelegd, niet alleen omdat zij hun vakantiedagen niet kunnen opnemen, maar ook wegens de veiligheid. In Sint-Gillis zal het aantal personeelsleden inkrimpen van 340 tot 323. Het veiligheidsprobleem wordt daardoor nog nijpender. Het zal dan ook moeilijker worden het stappenplan uit te voeren.

Er is meer nodig dan wat de minister vandaag voorstelt.

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Ik zal het probleem in zijn geheel met mijn collega van Ambtenarenzaken oplossen.

Mondelinge vraag van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Justitie over ęde zaak-BellirajĽ (nr. 4-1130)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De Marokkaanse Belg Belliraj zit sinds januari 2008 in Marokko in de cel. Hij werd in juli 2009 door de rechter in Salť, Rabat, veroordeeld tot levenslang wegens het leiden van een terroristische organisatie die het regime in Marokko omver wilde werpen.

Volgens het vonnis maakten hij en dertig andere beklaagden plannen om politici, militairen en joden te vermoorden en in Marokko een islamitisch regime aan de macht te brengen. Hij werd ook schuldig bevonden aan zes politieke moorden die hij eind jaren tachtig in Brussel gepleegd zou hebben, en aan een reeks gewapende overvallen, diefstal en wapenbezit.

De dossiers over de zes moorden waarvan de van terrorisme verdachte Marokkaanse Belg Belliraj in Rabat wordt beschuldigd, werden aan de Marokkaanse overheid bezorgd. In BelgiŽ zou hij, op grond van deze dossiers, niet zijn beticht. De Belgische dossiers zouden wel te zijnen laste in Marokko zijn gebruikt.

Werden deze dossiers volledig overgemaakt aan de justitiŽle overheden in Marokko? Werd er in het licht van artikel 6 van het EVRM - dat de rule of law-regel ook in strafzaken verzekert, ook wanneer strafdossiers in het buitenland worden gebruikt ten aanzien van personen die onder het rechtsgebied van de Europese ruimte vallen - bij de overdracht van de dossiers voor gezorgd dat garanties werden bekomen inzake het respecteren van onder meer de rechten van de verdediging en het recht op een eerlijk proces?

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Aangezien ik gisteren in de Kamer al talrijke vragen over dit dossier heb beantwoord, zal ik mij beperken tot een antwoord op de twee precieze vragen van de heer Vandenberghe.

Het Federaal parket heeft me bevestigd dat in het kader van een formeel rechtshulpverzoek een kopie van het volledige dossier werd overgemaakt aan de Marokkaanse gerechtelijke overheden.

Bij de overdracht van het dossier werd niet verwezen naar artikel 6 van het EVRM, maar wel naar de bilaterale overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken, dat BelgiŽ en Marokko in 1997 hebben gesloten.

Ondertussen werd een vonnis uitgesproken en loopt de procedure in beroep. Ik ben opnieuw gedaagd om het dossier over te maken. Dat verzoek zal door de rechtbank van eerste aanleg in kort geding worden behandeld. De inleidende zitting is achter de rug en binnen enkele weken wordt een uitspraak verwacht.

Ik ga ervan uit dat de internationale samenwerking en de bilaterale overeenkomst bij de overdracht van het Belgische dossier correct werden nageleefd.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik twijfel er niet aan dat de bilaterale overeenkomst van 1997 werd nageleefd. Uiteraard is artikel 6 van het EVRM ook in dit geval van toepassing, ook al wordt daar in de overeenkomst niet uitdrukkelijk naar verwezen. Het gaat immers om een algemeen rechtsbeginsel. Als BelgiŽ dossiers overmaakt aan landen waarvan het niet de garantie heeft dat een proces eerlijk en onpartijdig kan verlopen, is het medeplichtig aan de schending van artikel 6 van het EVRM. Dat vloeit voort uit de zaak-SŲring met betrekking tot de uitlevering aan landen waar de doodstraf nog werd uitgevoerd. De rechtspraak is sindsdien nog geŽvolueerd.

Misschien moet de Belgische regering anno 2010 een initiatief nemen om de Marokkaanse autoriteiten erop te wijzen dat BelgiŽ bij de mededeling van dossiers er altijd van uitgaat dat artikel 6 van het EVRM wordt nageleefd en dat ook de overeenkomst van 1997 in die zin moet worden geÔnterpreteerd.

Mondelinge vraag van de heer Jean-Paul Procureur aan de minister van Justitie over ęde huiszoekingen die vandaag plaatsvinden in Koerdische kringenĽ (nr. 4-1132)

De heer Jean-Paul Procureur (cdH). - Driehonderd federale politieagenten hebben vanmorgen op vijfentwintig verschillende plaatsen in het koninkrijk huiszoekingen gedaan in Koerdische kringen. Vijftien mensen werden ondervraagd. Vooral het hoofdkantoor van de internationale Koerdische televisiezender in Denderleeuw was daarbij het mikpunt. De feiten herinneren aan het optreden van de dienst Terrorisme en Sekten van de federale politie in april 2008 in Verviers, in het kader van een onderzoek naar de activiteiten in BelgiŽ van de Koerdische Arbeiderspartij, de PKK.

Zonder vooruit te willen lopen op de persconferentie die het federale parket om 17 uur zal geven - maar die er wellicht niet zal komen - en zonder mij in een lopend onderzoek te willen mengen, zou ik toch graag een antwoord krijgen op volgende vragen.

In welk kader worden die huiszoekingen verricht? Hebben ze betrekking op geplande terroristische daden? Op basis van welke punten van aanklacht werden de huiszoekingen verricht? Is hier sprake van toepassing van de artikelen 137 en volgende van het Strafwetboek?

Op hoeveel mensen heeft het onderzoek betrekking? Worden die huiszoekingen verricht op basis van informatie die de Staatsveiligheid heeft verstrekt? Welke gevolgen hebben de huiszoekingen in Verviers in 2008 gehad? Is er een verband tussen die twee zaken? Wat weet men nu over de activiteiten van de PKK in BelgiŽ?

Samengevat, waarom werden die huiszoekingen uitgevoerd? Waarom nu? Waren er voldoende nieuwe aanwijzingen voor? Zal men BelgiŽ er niet opnieuw van beschuldigen dat het enkel en alleen zijn bevoorrechte relaties met de Turkse overheid wil verzorgen?

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, eerste ondervoorzitter.)

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Het federale parket heeft mij volgende gegevens meegedeeld.

Het bevestigt dat er in het kader van de twee federale vooronderzoeken - een gerechtelijk onderzoek onder leiding van een onderzoeksrechter van Charleroi gespecialiseerd in terrorismebestrijding en een gerechtelijk onderzoek onder leiding van een Brusselse onderzoeksrechter gespecialiseerd in terrorismebestrijding - vanmorgen op verschillende plaatsen gelijktijdig verschillende huiszoekingen hebben plaatsgevonden.

De twee onderzoeken worden gevoerd op basis van een inbreuk op de artikelen 139 en 140 van het Strafwetboek. In casu gaat het om het leiden van activiteiten van de terroristische groepering PKK en de deelname eraan. De operatie van vanmorgen is het resultaat van een vooronderzoek dat al jaren loopt.

De huiszoekingen en ondervragingen zijn nog niet beŽindigd. Op dit ogenblik kan geen enkele bijkomende informatie worden vrijgegeven. Het komt mij overigens niet toe informatie te verspreiden over een lopende gerechtelijke procedure. Zodra ik over de resultaten van dat onderzoek beschik, zal ik niet nalaten ze u te bezorgen.

De heer Jean-Paul Procureur (cdH). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Wij rekenen op maximale transparantie in deze zaak, zoals trouwens in alle andere, onder meer in de zaak Belliraj waarover de heer Vandenberghe het daarstraks had.

Mondelinge vraag van mevrouw Olga Zrihen aan de minister van Landsverdediging over ęde geplande sociale maatregelen in het kader van de volgende hervorming van de Belgische strijdkrachtenĽ (nr. 4-1117)

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - In wat u voordien al verkondigde over de herstructurering van de Belgische strijdkrachten hebt u aangegeven dat de sociale maatregelen 16 tot 22 miljoen euro zouden kosten.

Op 1 februari 2010 verduidelijkte u dat, rekening houdend met het feit dat de formele onderhandelingen met de vakbonden nog niet waren afgerond en bijgevolg de maatregelen nog niet definitief waren vastgelegd, het nog niet mogelijk was de kosten duidelijk en met zekerheid te ramen. Dat de vakbonden en de sociale partners over die maatregelen nog moeten onderhandelen, spreekt voor zich.

Er kan niet voorbij worden gegaan aan de zogenaamde nota-Delcour die preciseert dat de sluiting van de bij het hervormingsplan betrokken kazernes voor zeer binnenkort is, terwijl het koninklijk besluit over de `transformatie', dat de sociale maatregelen vastlegt die de hervorming begeleiden, nog het voorwerp is van onderhandelingen tussen uw administratie en de syndicaal afgevaardigden.

Op welke gegevens steunt u om de bedragen van 16 tot 22 miljoen euro naar voren te schuiven voor de sociale maatregelen die gepaard gaan met het herstructureringsplan van onze strijdkrachten? Omvatten die bedragen ook de kosten van de sluiting en van de dringende aanpassing van de bestaande infrastructuur om de gemuteerde werknemers op te vangen? Zo ja, is het dan aanvaardbaar dat de uitgaven voor aanpassing van de infrastructuur worden beschouwd als een sociale maatregel ten voordele van de militairen die de hervorming ondergaan? Hoe staat het met de geldigheid van de eerste overplaatsingen die voorzien zijn voor 1 april 2010, terwijl het koninklijk besluit over de transformatie nog niet van toepassing zal zijn en het gemuteerde personeel dus geen beroep zal kunnen doen op de sociale maatregelen die nog altijd ter discussie liggen?

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - De raming van de kostprijs van de maatregelen steunt op het aantal personeelsleden dat betrokken is bij de transformatie en de aard van de begeleidende maatregelen. Dat aantal varieert volgens de aard van de maatregel.

De onderhandelingen over het koninklijk besluit houdende de begeleidende maatregelen zijn nog aan de gang. Op het ogenblik is en blijft artikel 38, ß2 van het koninklijk besluit van 3 december 2006 tot regeling van het syndicaal statuut van toepassing. Dat artikel bepaalt dat zolang de onderhandelingen niet beŽindigd zijn, noch de documenten, noch de inhoud van de discussies aan derden mogen worden meegedeeld. Ik wil niet uit de biecht klappen, maar iedereen kent al de algemene principes.

Zo werd rekening gehouden met de volgende elementen om de budgettaire impact te bepalen:
a) Verlenging van de duur voor de bijdrage van Defensie in de reiskosten en maaltijden van het betrokken personeel;
b) Een schadeloosstelling voor de verhuizing, rekening houdend met de afstand en de gezinssamenstelling;
c) Tussenkomst in de kosten voor de herinrichting van een nieuwe woning in geval van verhuizing;
d) Tussenkomst gedurende ťťn jaar in de bijkomende kosten voor opvang van de kinderen;
e) Vergoeding voor de taalkundige integratie van de gezinsleden in het geval van een verhuizing naar een regio met een ander taalregime.

De kostprijs van het geheel van deze maatregelen wordt geschat op 22 miljoen euro. De kostprijs van de eerste maatregel wordt op 16 miljoen geschat. De kosten voor de infrastructuur zijn niet opgenomen in de kosten voor de begeleidende maatregelen die ik heb toegelicht.

Het ontwerp van koninklijk besluit houdende de begeleidende maatregelen zal van toepassing zijn vanaf de eerste overplaatsing. De begeleidende maatregelen zullen dus gelden voor alle mutaties die in 2010 en later plaatsvinden.

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Ik dank de minister voor deze informatie. Toch blijven een aantal vragen bestaan, met name over het koninklijk besluit dat nog niet van toepassing is. Er rijst ook een vraag over de sociale vooruitgang en de steun aan de gezinnen. Vanaf april moeten inderdaad talkrijke operaties worden gerealiseerd. Voor de gezinnen met kinderen moet dat vůůr september gebeuren om grote problemen te voorkomen.

Is het mogelijk ervoor te zorgen dat alle sociale maatregelen ertoe bijdragen dat de sociale integratie op de meest harmonieuze manier kan verlopen? Voor gezinnen zal de aanpassing vaak moeilijk zijn. Ik heb het dan nog niet over een aanpassing aan een andere taal.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Ten eerste betreft het een ontwerp van koninklijk besluit. Begin deze week is de officiŽle fase van de onderhandelingen gestart; ik ben dan ook gehouden aan de wettelijke bepalingen. Vanaf morgen is een formalisering mogelijk.

Ten tweede moeten de opgesomde maatregelen het mogelijk maken de hervormingen tot een goed einde te brengen. Ik geef toe dat die hervormingen ingrijpend zijn, maar dat ook rekening wordt gehouden met, enerzijds, het sociale aspect van de veranderingen en, anderzijds, met het feit dat een bepaalde mobiliteit hoort de militaire loopbaan.

Ik zal zorgen voor de uitvoering van die maatregelen. De financiŽle middelen die nodig zijn om de voorgestelde maatregelen uit te voeren zijn niet enkel aangekondigd, maar ook in mijn begroting ingeschreven. Begeleidende maatregelen werden inderdaad ook aangekondigd bij vroegere hervormingen, ik denk aan Reforbel, zonder dat in de nodige financiŽle middelen was voorzien.

Mondelinge vraag van de heer Benoit Hellings aan de minister van Klimaat en Energie over ęhet uranium van NigerĽ (nr. 4-1131)

De heer Benoit Hellings (Ecolo). - In oktober laatstleden heeft de regering een akkoord getekend met GDF SUEZ om de levensduur te verlengen van drie van de zeven kerncentrales van Electrabel: Doel 1 en 2, en Tihange 1.

De ontginning van zogenaamd natuurlijk uranium is oorzaak van talrijke sociale en milieuproblemen op de ontginningsplaatsen, in het bijzonder in het zuidelijk halfrond. Zo wordt in de omgeving van de mijnen een abnormaal hoge radioactiviteit vastgesteld, gronden worden in beslag genomen, volkeren moeten zich verplaatsen, de fauna en flora in de omgeving gaat teloor, het grondwater raakt op, de vaak enorme winsten worden niet gedeeld met de lokale bevolking, aan de meest elementaire sociale en milieunormen wordt voorbijgegaan, enzovoort.

Het uranium komt vaak uit landen waar de democratische principes en de mensenrechten manifest worden geschonden. Dat blijkt onder meer duidelijk in Niger.

Niger is met zijn mijn van Imouraren de belangrijkste leverancier van uranium van de Franse overheidsonderneming AREVA, wereldleider in de nucleaire sector. Er vonden onlangs nog twee staatsgrepen plaats. Na de machtsgreep van president Tandja in augustus 2008 werd eind vorig jaar de institutionele ontwikkelingshulp door de Europese Commissie terecht opgeschort. Enkele weken geleden bevestigde onze minister van Ontwikkelingssamenwerking, de heer Michel, dat de hulp van Staat tot Staat op Belgisch niveau werd bevroren wegens deze institutioneel en democratisch catastrofale situatie. Op 18 februari jongstleden werd president Tandja afgezet door een groep militairen. Dat toont aan hoe onstabiel en onzeker de toekomst is van die Afrikaanse regio.

Op de website van AREVA kan men lezen dat op termijn een derde van de bevoorrading in uranium van het bedrijf uit Niger zal komen. Op die website heb ik ook gelezen dat Electrabel klant is van de Franse reus voor de levering van verschillende nieuwe brandstofladingen voor vijf van de zeven Belgische reactoren.

In verschillende, dikwijls unaniem goedgekeurde resoluties heeft de Senaat herhaaldelijk de wens uitgedrukt dat rekening zou worden gehouden met clausules met betrekking tot eerbiediging van de democratie, de mensenrechten en sociale en milieunormen bij de ondertekening van internationale akkoorden of verdragen.

In die context had ik graag vernomen of de onlangs tussen de Belgische regering en GDF SUEZ getekende Pax Electrica, die democratische, sociale en milieuclausules oplegt aan landen die het in onze reactoren gebruikte uranium leveren. Kan u precies meedelen wat de geografische oorsprong is van het uranium dat momenteel in de zeven Belgische reactoren wordt gebruikt? Voorziet het nieuwe akkoord tussen BelgiŽ en GDF SUEZ in een bevoorradingsplan voor uranium voor de drie reactoren waarvan de levensduur werd verlengd? Zo ja, uit welke mijnen zal dat uranium komen? Met welke ondernemingen handelt Electrabel momenteel ter zake? Is AREVA daadwerkelijk een leverancier van Electrabel en zo ja, voor welke reactoren en in welke verhouding?

De heer Paul Magnette, minister van Klimaat en Energie. - Mijnheer Hellings, de zeer korte tijd die mij hier is toegemeten biedt mij niet de mogelijkheid omstandig op uw vragen te antwoorden. Als u een meer uitvoerig antwoord wil, kan u beter schriftelijke vragen stellen. Sommige van uw vragen zijn trouwens meer geschikt voor schriftelijke vragen dan voor een mondelinge vraag.

Het uranium voor onze reactoren komt momenteel uit verschillende bronnen, namelijk AustraliŽ, Canada, de Verenigde Staten, Zuid-Afrika, Rusland en Kazakstan. Het gaat voornamelijk over landen in het noordelijk halfrond.

Synatom, dat de nucleaire brandstofcyclus in BelgiŽ beheert, koopt zijn uranium bij grote ondernemingen, die de nationale en internationale voorschriften inzake milieu- en sociaal recht per definitie respecteren.

Het akkoord tussen de Belgische Staat en GDF SUEZ omvat geen bevoorradingsplan voor uranium voor de drie reactoren waarvan de levensduur werd verlengd. Het betreft een raamakkoord over de grote principes en geen gedetailleerd akkoord over het industrieel beleid van GDF SUEZ en het beheer van sommige van zijn reactoren.

Te gepasten tijde zullen de nodige contracten voor de bevoorrading worden gesloten. Wij zijn waakzaam, maar het is nog te vroeg om te zeggen van waar dat uranium zal komen. Wij kopen momenteel geen uranium in Niger.

De heer Benoit Hellings (Ecolo). - Als ik u een mondelinge vraag heb gesteld is dat omdat ze aansluit bij de actualiteit in Niger, waar een staatsgreep heeft plaatsgevonden. Ik ben uiteraard bereid u schriftelijke vragen te stellen.

In tegenstelling tot andere energiebronnen als bijvoorbeeld aardgas, is het erg moeilijk om de oorsprong van de door kerncentrales geproduceerde elektrische energie vast te stellen. Zou het niet wenselijk zijn om vrije toegang te hebben tot de informatie zonder de website van AREVA te moeten raadplegen om de oorsprong van de splijtstof te kennen?

Het akkoord dat u met GDF en Electrabel hebt ondertekend biedt ons land op lange termijn zekerheid inzake energielevering. Hoe kan die zekerheid worden gegarandeerd als het onmogelijk is te zeggen met welke brandstof wij die energie zullen produceren?

Conclusie: kernenergie, die een dure, gevaarlijke en vervuilende energie is, kan onrechtstreeks antidemocratische en dictatoriale regimes steunen waarvan wij de waarden niet delen. Dat is zeer spijtig.

Mondelinge vraag van mevrouw Ann Somers aan de minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven over ęde aanhoudende treinvertragingen en de problematische communicatie door de NMBSĽ (nr. 4-1119)

Mevrouw Ann Somers (Open Vld). - Ik besef dat de NMBS geen foutloos parcours kan rijden op het dichte en verzadigde Belgische spoorwegennet, maar men moet toegeven dat het stiptheidsprobleem verergert. Ondanks het feit dat de stiptheid van de treinen door de NMBS werd uitgeroepen tot prioriteit van 2010, blijft het meer dan ooit een oud zeer.

We kunnen helaas niet anders dan vaststellen dat, de goede bedoelingen van de NMBS voor het verbeteren van de stiptheid ten spijt en ondanks de vele tientallen aangekondigde maatregelen om de communicatie te verbeteren, de perceptie en vooral de ervaringen van de reizigers alles behalve overeenstemmen met de intenties van de NMBS. Men kan zich daar gemakkelijk van vergewissen door 's ochtends Brussel-Centraal binnen te wandelen, een blik te werpen op de aankondigingsborden en getuige te zijn van wat sommige reizigers intussen grappend de `Colruytprijzen' noemen. Men kan het dan wel lachend over die vertragingen hebben, maar in de praktijk hebben ze soms ernstige gevolgen. Heel wat reizigers missen hun aansluitingen, maar ook heel wat jonge moeders komen in de crŤche te laat aan om hun kinderen op te halen, met als gevolg dat ze een boete moeten betalen.

Naast de vele vertragingen blijft ook de communicatie ondermaats. Mensen die bij de NMBS klacht indienen, krijgen vaak geen antwoord, tenzij dan een geautomatiseerde ontvangstmelding. Er zijn zelfs gevallen bekend waar de NMBS zelfs niet antwoordt op vragen van de ombudsman.

Naast het feit dat ik bij de minister bij deze nogmaals wil aandringen om beter te waken over de stiptheid en om daadwerkelijk werk te maken van een betere communicatie kreeg ik graag een antwoord op volgende vragen.

Waarom blijft de stiptheid van de treinen zo problematisch? Hoe stipt rijden de treinen dit jaar concreet? Met andere woorden, welk percentage van de treinen reed in die periode maandelijks volgens het boekje?

Klopt de indruk van de reizigers dat de reŽle stiptheid van de treinen er dit jaar op achteruit is gegaan? Op welke lijnen doen zich de meeste problemen voor?

Is de minister bereid de NMBS te verzoeken in de toekomst de reŽle stiptheidscijfers, die vertragingen tot zes minuten incalculeren, mee te delen in plaats van de huidige geflatteerde stiptheidscijfers?

Waarom blijven er problemen met het correct en tijdig informeren van de reizigers door de NMBS? Waarom blijven heel wat klachten van reizigers, op geautomatiseerde ontvangstmeldingen na, onbeantwoord?

Wat zal de minister op korte termijn doen aan de communicatieproblemen en welke initiatieven zal ze nemen om de correcte toepassing van die maatregelen op het terrein zelf te controleren?

Mevrouw Inge Vervotte, minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven. - De stiptheid kan inderdaad beter. Daarover hebben we trouwens al meerdere keren van gedachten gewisseld.

In januari was een verbetering waar te nemen ten opzichte van januari 2009. De maand februari lijkt opnieuw een verslechtering te kennen, deels door de gevolgen van het zware ongeluk in Halle. Vooral de spoorlijnen Brussel-Antwerpen, Brussel-Luik, Brussel-Denderleeuw via Ternat, Brussel-Doornik, Brussel-Mons en Brussel-Charleroi scoren slecht.

In januari 2010 reed 88,2% van de treinen stipt of met een vertraging kleiner dan zes minuten. Daarvan is 18,3% het gevolg van storingen van de infrastructuur, zoals beschadigde spoorstaven en defecte bovenleidingen, had 48,1% te maken met defecte motorstellen, locomotieven, rijtuigen en motorwagens, vergissingen van het personeel en met de reizigersbeweging, vooral in de piekuren en bij de inzet van kortere treinen.

Tot slot heeft 29,9% van de vertragingen te maken met incidenten op de naburige netten, die altijd ook een groter effect op onze stiptheid blijken te hebben, met daden van kwaadwilligheid, ongelukken aan overwegen, aanrijdingen van mensen en slechte weersomstandigheden.

Naast veiligheid behoort ook stiptheid tot de prioriteiten. Tijdens de overlegmomenten met de gedelegeerd bestuurders van de NMBS Groep blijf ik er natuurlijk op hameren dat de stiptheid moet verbeteren. De materieelpannes behoren tot de belangrijkste oorzaken van vertragingen. Daarom werd er in 2008 voor meer dan 1,7 miljard euro aan nieuwe materieel besteld, goed voor 1000 nieuwe rijtuigen met plaats voor 100 000 reizigers. Dit nieuwe materieel zou betrouwbaarder moeten zijn en dus ook voor een verbetering van de stiptheid moeten zorgen. Ik weet dat het allemaal lang duurt, maar de constructeurs moeten de treinen ook kunnen maken en leveren, zoals ik net nog in de Kamer heb gezegd in mijn antwoord op een vraag over de locomotieven die we hebben besteld. Soms laten de leveringen inderdaad op zich wachten, maar in de contracten zijn uiteraard ook boeteclausules opgenomen. Het belangrijkste is dat het nieuwe materieel systematisch op het net zal komen, vanaf nu tot en met 2016. Tegelijkertijd worden rijtuigen ook gemoderniseerd. Dat zou allemaal positieve gevolgen voor de stiptheid moeten hebben. We zullen dus niet alleen de voordelen hebben van nieuwe materieel, maar ook van meer eenvormigheid in de vloot, waardoor we allerlei andere organisatorische problemen kunnen voorkomen.

We moeten echt niet tot 2016 op het nieuwe materieel wachten, zoals ik vandaag in een krant heb gelezen. Dit jaar komen er al nieuwe rijtuigen en de grootste `bulk' verwachten we in 2011 en 2012. Dan zou het nieuwe materieel duidelijk een impact moeten hebben op de stiptheid en de dienstverlening.

In afwachting daarvan heb ik natuurlijk niet stilgezeten. Ik heb de NMBS gevraagd het onderhoud van het rollend materieel efficiŽnter te organiseren, zodat pannes en bijbehorende hinder worden verminderd.

De algemene stiptheidscijfers zijn tot nog toe altijd gebaseerd op het percentage treinen dat met minder dan 6 minuten vertraging de bestemming bereikte. Dat is ook de norm die in de beheersovereenkomst is vastgelegd. De stiptheidsmetingen gebeuren elektronisch en voor alle treinen. De metingen zijn op zich correct, maar om diverse redenen stemmen ze vaak niet overeen met de perceptie van de klanten. Op de drukste momenten van de dag, wanneer veel reizigers onderweg zijn, ligt het niveau van de stiptheid onder het globale niveau. Daarom heb ik in de beheersovereenkomst 2008-2012 aan Infrabel gevraagd stiptheidsresultaten te publiceren die nauwer aansluiten bij de ervaring van de reizigers zelf. Zo zijn er bijvoorbeeld aparte statistieken voor de verschillende momenten van de dag, piekuren en daluren, en voor de belangrijkste spoorlijnen naar Brussel. Ook belangrijke treinen met veel reizigers die een aansluiting moeten halen, worden apart en transparant weergegeven, om zo beter aan te sluiten bij de perceptie van de mensen. Een trein die in het daluur vertraging oploopt, dat is erg, maar veel erger is een trein die in de spits te laat komt, zodat een groot deel van de reizigers zijn aansluiting mist. In de wegingscoŽfficiŽnt voor het sanctiemechanisme werd dit ook meegenomen. Niet iedere trein die te laat komt, heeft dus eenzelfde `gewicht'. Is de impact van vertraging voor de reizigers groter, dan weegt die trein zwaarder door in het sanctiemechanisme.

Ik ben het ermee eens dat de communicatie van de NMBS naar de reizigers nog steeds niet loopt zoals het hoort. Ook op dit vlak blijf ik aandringen op verbeteringen. De NMBS Groep heeft de voorbije jaren inspanningen geleverd om die communicatie inderdaad te verbeteren, onder meer via moderne technologische middelen. Ik overloop er hier enkele.

Via de dienst SMS 2828 kan de klant de dienstregelingen raadplegen, met opgave van de eventuele vertragingen. Er is bewust gekozen voor sms, gelet op de toegankelijkheid daarvan.

My Train Info: applicatie voor abonnees die automatisch informatie geeft over vertragingen van door de abonnee gekozen treinen.

Treinbegeleidingspersoneel: informatie in real time wordt ook gegeven door het treinbegeleidingspersoneel aan boord van de betrokken treinen. In de training van de treinbegeleiders wordt extra gefocust op het tijdig en correct inlichten van de klant en het meedelen van de oorzaken van de vertragingen.

Uit de enquÍtes blijkt trouwens dat dit wordt geapprecieerd en dat de reizigers ook aangeven dat ze tevreden zijn over het treinbegeleidingspersoneel.

Via het internet, op www.nmbs.be, kan de klant nu zijn traject opzoeken in real time. Hierbij zijn er ook `widgets', kleine versies van de reisplanner, beschikbaar die de klant op zijn persoonlijke pagina kan plaatsen of die door partners gebruikt kunnen worden om op hun site te plaatsen.

Bij zware en langdurige verstoring van het treinverkeer, informeert NMBS Mobility, bijkomend naast de voornoemde kanalen, via stationsaffiches, folders, pers, mobiele infokiosken in het station. Er zijn ook belangrijke initiatieven genomen op het vlak van de interne informatieverspreiding bij de NMBS en tussen Infrabel en de NMBS.

We hebben een nieuw automatisch visueel en auditief aankondigingssysteem (PIDAAS) en er is werk gemaakt van de herziening van de kwaliteit van de aankondigingen.

Vanaf 2010 zal een privťfirma de installaties controleren die betrokken zijn bij het verspreiden van informatie en dit in de vorm van `mystery shopping'. Er is aangepaste opleiding van de speakers, met onder meer het gebruik van twee digitale talenpractica en coaching. Er is een nieuwe graad voor speakers, de wervingsprocedure is herzien en afgestemd op het profiel en de taken van de speakers. Er wordt een crisisploeg opgericht. Die dienst zal de klok rond zeven dagen per week oproepbaar zijn en over specifieke voertuigen met moderne communicatiemiddelen beschikken. Die ploeg zal een raadgevende en ondersteunende rol spelen voor het lokale personeel in geval van een ingrijpend punctueel incident.

Op 27 januari 2010 werd de vijfde versie van RailTime gelanceerd. Een aantal nieuwe functies werden toegevoegd, onder meer de mogelijkheid om zeven dagen achteruit te gaan om de historiek van de effectieve rit van een trein te raadplegen. Informatie over het treinverkeer is beschikbaar op teletekstpagina's van VRT, VTM, RTBF en RTL-TVI. De aankondigingschermen worden vernieuwd. Dit project loopt evenwel nog enkele jaren. De gele affiches en de affiches werfinfo kregen een nieuwe lay-out. Er is ook nog een proefproject gelanceerd, namelijk de plaatsing van informatietotems, voor de modernisering van de onbewaakte stopplaatsen in Beersel, Havre en Bordet. Op basis van de resultaten van dit project wordt begonnen met de modernisering van de onbewaakte stopplaatsen in 2011. Dit project loopt over meerdere jaren.

Bij sommige incidenten is niet altijd meteen duidelijk wat de oorzaak is van de problemen en wanneer de oplossing voorhanden zal zijn. Het vinden van operationele oplossingen vraagt immers enige tijd. Dat heeft tot gevolg dat de klant niet altijd meteen kan worden ingelicht. Ook hier worden crisisteams ingezet om de informatie zo snel mogelijk bij de klant te brengen.

Bij de NMBS streeft de Centrale klantendienst van NMBS Mobility ernaar om reacties van klanten over de dienstverlening binnen een redelijke termijn te analyseren en te beantwoorden. Helaas is dat niet altijd mogelijk. Als minister krijg ik vaak mails. Sommigen sturen met hun iPod in het station dagelijks een mail met de melding dat hun trein ťťn, twee of drie minuten te laat is of dat het station vuil is. De NMBS beantwoordt al die mails. De laagdrempeligheid is een goede zaak, maar met de nieuwe communicatiemogelijkheden stijgt ook het aantal klachten.

Aangezien de stiptheid de voorbije maanden niet goed was, hoeft het niet te verwonderen dat het aantal klachten sterk is toegenomen. Dat ligt aan de basis van een vertraging in het beantwoorden van sommige klachten. Een automatische melding betekent niet dat er geen definitief en grondig antwoord volgt. Wij vragen dat onmiddellijk een gestandaardiseerd antwoord wordt gegeven omdat het soms enkele weken kan duren voordat op al die klachten een grondig antwoord kan worden geformuleerd. Dat is een bijkomende reden om de oorzaken, namelijk de vele vertragingen en de gebrekkige communicatie, zo snel mogelijk aan te pakken.

Er staan dus niet alleen heel wat projecten op stapel, vele zijn al in uitvoering. Wij streven er alleszins naar om systematisch performanter te worden. Inzake stiptheid zitten we vandaag in een moeilijke situatie, omdat we nog met oud rollend materieel werken en we zeer krap zitten. We hopen dat het nieuwe materieel dat er aankomt, snel operationeel is, dat het niet te veel kinderziektes vertoont en vooral dat het ons wat meer ruimte zal geven. Daarnaast beseffen we zeer scherp dat de communicatie onze voortdurende aandacht verdient.

Mevrouw Ann Somers (Open Vld). - Het verheugt me dat de minister zoveel initiatieven zal nemen om de stiptheid en de communicatie bij de NMBS te verbeteren. Ik hoop alleen dat die maatregelen tot gevolg zullen hebben dat de treinen echt stipter zullen rijden.

Mondelinge vraag van de heer Philippe Monfils aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen over ęde niet-toepassing van de bepalingen inzake de dwanglicentie voor reprografieĽ (nr. 4-1120)

De voorzitter. - Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Philippe Monfils (MR). - De wet van 22 mei 2005 houdende de omzetting in Belgisch recht van de Europese Richtlijn 2001/29/EG van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij wijzigt de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten en voert het reprorecht in. De wet staat toe dat uittreksels uit boeken, artikels of foto's op papier worden gekopieerd.

Artikel 22, ß1, 4ļ en 4ļbis van de aangepaste wet van 30 juni 1994 bepaalt dat die kopieŽn alleen voor privťgebruik en ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek mogen worden gemaakt. Als tegenprestatie ontvangen de auteur en de uitgever een vergoeding.

De vergoeding voor reproductie is tweevoudig. Artikel 59 van de wet van 30 juni 1994 bepaalt dat de fabrikant, de invoerder of de intracommunautaire koper van apparaten waarmee beschermde werken gereproduceerd kunnen worden, een forfaitaire vergoeding moet storten. Artikel 60 bepaalt dat de natuurlijke personen of de rechtspersonen die kopieŽn van werken vervaardigen, een vergoeding moeten betalen.

Nochtans werd tot nu toe nog geen enkel koninklijk besluit genomen om die beschikkingen toe te passen op printers en afdrukken.

De forfaitaire vergoeding is momenteel niet verschuldigd op printers, maar die apparaten worden uiteraard wel gebruikt om beschermde werken te printen. In de parlementaire werkzaamheden ter voorbereiding van de wet van 22 mei 2005, waaraan ik heb meegewerkt, zijn we overigens tot dezelfde vaststelling gekomen.

De verplichte aangifte van kopieerwerk voor de evenredige vergoeding geldt momenteel niet voor kopieŽn uit printers in de verschillende instellingen en ondernemingen.

Bovendien werd geen enkel ministerieel besluit genomen om op grond van de wet van 2005 een nieuwe adviescommissie reprografie op te richten en er rijzen ook problemen met de kopie voor eigen gebruik. Sinds 1 februari zijn nieuwe dragers en apparaten - zoals USB-sleutels, bijvoorbeeld - onderworpen aan een vergoeding voor kopieŽn voor eigen gebruik, maar de rechthebbenden hebben nog geen enkele vergoeding ontvangen. Bovendien werd in dit geval evenmin een ministerieel besluit genomen, wat andermaal aanzienlijke financiŽle verliezen met zich meebrengt.

Ik kom dus tot mijn vragen.

Wanneer zal de minister een beslissing nemen inzake de heffing op printers? Waarom wordt dat dossier zo traag behandeld? Voeren bepaalde lobby's oppositie?

Wanneer denkt de minister een besluit te nemen om de vergoeding uit te breiden tot printwerk? Hij zou beloofd hebben dat de maatregel tegen 1 juli in werking zou treden. Hoe staat het daarmee? Waarom behandelt de minister beide dossiers niet gelijklopend?

Hoe zal de minister de problemen aanpakken die het nieuwe besluit omtrent de tarieven voor kopieŽn voor eigen gebruik met zich meebrengt? Is de minister voornemens maatregelen te nemen zodat de rechthebbenden eindelijk een vergoeding kunnen ontvangen?

Zal de minister de nieuwe adviescommissie `kopieŽn voor eigen gebruik' oprichten en bijeenroepen, zodat die een advies kan uitbrengen over de tarieven?

Bij de stemming over de wet op de controle op de vennootschappen voor het beheer van auteursrechten heeft de minister nochtans gevraagd die wet goed te keuren in ruil voor de goedkeuring van de koninklijke en ministeriŽle besluiten die vereist zijn om de auteurs te kunnen vergoeden.

De wet is aangenomen en de parlementsleden hebben zich zowel in Kamer als in Senaat naar behoren gedragen, maar de besluiten laten nog steeds op zich wachten. Ik vertolk de ongerustheid bij de auteursverenigingen en ben dus zo vrij de minister hierover te ondervragen.

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Van Quickenborne, minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen.

De discussie over de vergoedingen voor reprografie op printers wordt momenteel gevoerd door de verschillende betrokken partijen in de Adviescommissie voor reprografie. De commissie zal haar werkzaamheden de komende weken en maanden voortzetten. Een bijkomende heffing op de aankoop van een printer ligt uiteraard gevoelig. De voorzitter van de Adviescommissie voor reprografie heeft er derhalve op aangedrongen dat de industrie en de beheersvennootschap Reprobel ook gesprekken aanknopen buiten de commissie om een basis van overeenstemming te vinden.

Reprobel voert overigens een studie over het kopieergedrag van de Belg. Het is raadzaam om in die studie ook het algemeen bekende gebruik van printers te analyseren.

De administratie bereidt de uitvoeringsbesluiten voor van de wet van 22 mei 2005, zowel voor kopieŽn voor eigen gebruik als voor de reprovergoeding. Voor beide soorten vergoedingen gaat het om een regelgevend koninklijk besluit waarmee de wet van 22 mei 2005 in werking treedt, dat de werking van de nieuwe adviescommissie bepaalt, en om een koninklijk besluit dat de leden van de adviescommissies aanwijst.

De regelgevende koninklijke besluiten moeten worden vastgesteld na overleg in de ministerraad en vervolgens voor advies aan de Raad van State worden voorgelegd.

De praktische gevolgen van de inwerkingtreding van die koninklijke besluiten voor de consumenten en de ondernemingen kennen we vandaag nog niet precies.

De heer Philippe Monfils (MR). - Ik ben redelijk tevreden. De minister kondigt aan dat op een dag koninklijke en ministeriŽle besluiten voorhanden zullen zijn. Ik hoop dat men, na maanden van immobilisme, nu een versnelling hoger zal schakelen. Ik zal niet nalaten de minister na de Paasvakantie opnieuw te ondervragen om te zien of er schot komt in dit voor de artiesten fundamentele dossier.

Mondelinge vraag van de heer Franco Seminara aan de minister van Binnenlandse Zaken over ęde nationale herdenking ter ere van de slachtoffers van de treinramp in BuizingenĽ (nr. 4-1118)

De heer Franco Seminara (PS). - De nationale plechtigheid die in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel werd georganiseerd om hulde te brengen aan de 19 slachtoffers van de treinramp in Buizingen, heeft aanleiding gegeven tot heel wat negatief commentaar.

Families van slachtoffers hebben de plechtigheid geboycot omdat gewone mensen niet welkom waren.

Tijdens de herdenkingsplechtigheid heb ik met verwanten van slachtoffers gesproken. Zij hadden de indruk aanwezig te zijn op een bijeenkomst waar emotie niet gewenst was. Hoewel de plechtigheid mannen en vrouwen had moeten samenbrengen in eenzelfde gedachte, had men de indruk een protocollaire dienst bij te wonen waarop de gestelde lichamen aanwezig waren om hulde te brengen aan de slachtoffers, zonder dat de Natie erbij betrokken was.

Als federaal senator ben ik solidair met alle getroffenen, zowel uit het noorden als uit het zuiden van het land en u zal zeker begrijpen dat ik niet ongevoelig kan blijven voor de rouw die vrouwen en mannen uit mijn streek van Mons/Borinage heeft getroffen.

Begrijpt de minister de kritiek op de keuze voor een immense concertzaal in Brussel en niet in Halle of in Bergen, waar het drama slachtoffers maakte?

Begrijpt u dat het treinkaartje dat aan de nabestaanden werd aangeboden om via Halle en Buizingen naar Brussel te komen, de families van de slachtoffers heeft geschokt?

Hoe legt u uit dat de regering heeft geopteerd voor uitnodigingen op naam en dat het grote publiek niet welkom was op een dergelijk eerbetoon?

De organisatie van een nationaal eerbetoon aan de slachtoffers is lovenswaardig, maar vindt u niet dat meer rekening moet worden gehouden met menselijke overwegingen zoals die werden uitgedrukt door de slachtoffers en hun familie?

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Binnenlandse Zaken. - Toen het nieuws over het treinongeluk in Buizingen bekend raakte, hebben de Koning, de eerste minister en de bevoegde ministers van de verschillende regeringen zich ter plaats begeven. Zij hebben zich rekenschap kunnen geven van de omvang van de catastrofe.

Omdat zij zich bewust was van de enorme weerslag op de families en verwanten, maar ook op de hele bevolking, besliste de regering op woensdag 17 februari een eerbetoon te organiseren. Datum en plaats moesten nog worden bepaald. De intenties van de regering waren goed.

Op maandag 22 februari besliste de beperkte ministerraad een plechtigheid te organiseren die zou plaatsvinden op zaterdag 27 februari en die, gezien het nationale karakter ervan, zou plaatsvinden in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel. De slachtoffers en hun families zouden centraal staan. De ministerraad heeft ook de lijst met genodigden, de grote lijnen van het scenario en de sprekerslijst vastgesteld.

De beperkte ministerraad heeft de dienst Protocol van de FOD Binnenlandse Zaken belast met de uitvoering van zijn beslissingen, wat altijd het geval is bij grote nationale plechtigheden.

De dienst Protocol heeft uitnodigingen gestuurd naar de familieleden van de overledenen, naar de gewonde slachtoffers, hun familieleden en verwanten, de hulpdiensten, de vertegenwoordigers van de verschillende regeringen en parlementen, de burgemeesters van de door de catastrofe getroffen gemeenten, de NMBS, de vertegenwoordigers van de verschillende erediensten en de koninklijke familie.

Dinsdag hebben de organisatoren al telefonisch contact opgenomen om de genodigden zo snel mogelijk op de hoogte te brengen. De officiŽle uitnodigingen werden verstuurd op woensdag 24 februari. De namen en adressen moesten nog worden opgevraagd en nagetrokken: de lijst met gewonden werd ons toegestuurd door de diensten 100 en Volksgezondheid; de lijst met overleden personen werd ons meegedeeld door de DVI (Disaster Victim Identification).

Normaal verzendt de dienst Protocol eerst de uitnodiging. Als de genodigde aanwezig wenst te zijn, stuurt de dienst de gevraagde toegangskaarten. Omdat er weinig tijd was, moesten de toegangskaarten samen met de uitnodiging worden verstuurd.

Gratis parkeerkaarten en treinbiljetten werden eveneens meegestuurd. De dienst Protocol vond dat mensen die met de trein wensten te komen - ze waren daartoe niet verplicht - de reis niet hoefden te betalen.

De dienst Protocol stond ook in voor de versiering van de zaal, de bloemen, het orkest, de bariton, de veiligheid, de contacten met de politiezone BRUNO, de toewijzing van de plaatsen en de toegangsarmbandjes voor de genodigden.

Net als bij alle andere evenementen, zal de FOD Binnenlandse Zaken de plechtigheid evalueren.

Ik wil ook een werkgroep oprichten die een scenario moet uitwerken dat kan worden gebruikt bij de organisatie van dergelijke plechtigheden.

Zoals dat in dergelijke omstandigheden past, was het de bedoeling van de regering de slachtoffers van de catastrofe en hun families centraal te stellen.

Omdat alles vlug moest gaan, kon de dienst Protocol onmogelijk weten hoeveel mensen effectief aanwezig zouden zijn. De plaatsen voor de slachtoffers en de families waren wel gereserveerd.

De slachtoffers moeten zelf beslissen of ze behoefte hebben aan een dergelijk eerbetoon. Ieder verwerkt een dergelijke gebeurtenis op zijn manier.

De heer Franco Seminara (PS). - Ik heb inderdaad vernomen dat een werkgroep zou worden opgericht.

Ik wil nog enkele uitspraken citeren van families die uiting geven aan hun gemoedstoestand. Met het oog op de oprichting van een werkgroep, kan het nuttig zijn dat u die hoort.

Een vader vatte de gebeurtenissen van de jongste dagen als volgt samen: `Ik zie, ik weet, ik geloof, ik ben ontgoocheld.'

Een moeder vroeg me u de tekst op het overlijdensbericht van haar zoon mede te delen: `Wat zal ik je sturen, mijn geliefde, daar in die andere wereld? Stuur ik je een appel? Hij zal rotten. Stuur ik je een kweepeer? Ze zal verschrompelen. Stuur ik je druiven? Ze zullen wegkrimpen. Stuur ik je een roos? Ze zal verwelken. Ik stuur je dan maar mijn tranen verzegeld in mijn zakdoek.'

Verder betreur ik dat geen enkele vertegenwoordiger van treingebruikers of van het rijdend personeel van de NMBS op de plechtigheid werd uitgenodigd. Nochtans voelen ook zij zich bij deze catastrofe betrokken. Ik eindig met een zin van Paul …luard: `Prenons couleur contre malheur, prenons bonheur contre injustice, tout est ťternel, rien n'est ťternel, nous sommes.'

Mondelinge vraag van mevrouw Fatma Pehlivan aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid over ęde loonkloof tussen mannen en vrouwen ten gevolge van deeltijds werkĽ (nr. 4-1122)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, voor Migratie- en asielbeleid, voor Gezinsbeleid en voor de Federale Culturele Instellingen, antwoordt.

Mevrouw Fatma Pehlivan (sp.a). - Op vrijdag 26 maart organiseren de progressieve vrouwenbeweging zij-kant en het ABVV de zesde editie van Equal Pay Day, de dag waarop men de loonkloof tussen mannen en vrouwen aanklaagt.

Vrouwen hebben een ongunstige positie op de arbeidsmarkt. Zij komen in bepaalde sectoren niet of amper aan de bak. Loopbaanonderbrekingen hebben vaak negatieve gevolgen voor het loon en de functie, zelfs na herintrede op de arbeidsmarkt. Vrouwen werken bovendien in minder goed betalende sectoren en bedrijven en sluiten vaak minder goede arbeidscontracten. Zij worden ook nog steeds geconfronteerd met glazen plafonds en sticky floors. Dit alles leidt tot een verhoogd risico op armoede.

De EPD-indicator laat de evolutie zien van het gemiddeld brutomaandloon van vrouwen ten opzichte van dat van mannen. De indicator toont aan dat vrouwen gemiddeld 23% minder per jaar verdienen dan mannen. Om te verdienen wat een man verdient in ťťn jaar tijd, moeten vrouwen dus maar liefst 86 dagen langer werken. Dat de indicator wordt berekend op basis van de maandlonen, en dus niet de uurlonen, is belangrijk. Zo wordt rekening gehouden met de factor arbeidsduur. Het feit dat vrouwen vaker deeltijds werken en gemiddeld minder uren werken dan mannen is vaak geen vrije keuze, maar een maatschappelijk probleem.

Volgens de jaarlijkse loonkloofrapporten van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen werd in 2006 nog een trage maar gestage vooruitgang geboekt. De cijfers van 2007 tonen evenwel nauwelijks vooruitgang.

Wat is de minister van plan om vrouwen `hun verdiende loon' te geven? In het bijzonder had ik graag geweten wat de minister zal ondernemen om de rechten van deeltijdse vrouwelijke werknemers te verbeteren.

Hoe zal de minister ervoor zorgen dat de rechten van deeltijdse werknemers gerespecteerd worden?

Hoe zal de minister de rechten van deeltijdse werknemers verbeteren? Hoe staat het bijvoorbeeld met het recht op betaald educatief verlof?

Op welke wijze zullen mannen en vrouwen geÔnformeerd worden over de gevolgen van deeltijds werk?

Zal de minister stimuleren dat werkgevers gebruik maken van een collectieve arbeidsduurverkorting en de vierdagenweek, eerder dan de individuele vormen van deeltijdwerk te stimuleren?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, voor Migratie- en asielbeleid, voor Gezinsbeleid en voor de Federale Culturele Instellingen. - Ik lees het antwoord van minister Milquet.

Onze Belgische arbeidswetgeving volgt inzake deeltijdarbeid het principe dat deeltijdwerknemers op dezelfde manier worden behandeld als hun voltijdse collega's. Hun rechten kunnen wel, wanneer dit passend is, worden vastgesteld in verhouding tot hun arbeidsduur.

Daarnaast kent het Belgische arbeidsrecht specifieke bepalingen ter bescherming van de deeltijdwerknemer, die niet alleen opgenomen zijn in wetgeving maar eveneens in, bijvoorbeeld, een interprofessionele collectieve arbeidsovereenkomst. Ik noem bij wijze van voorbeeld de bepaling inzake deeltijdarbeid in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten dat de arbeidsovereenkomst voor deeltijdarbeid schriftelijk moet worden opgesteld met vermelding van de overeengekomen deeltijdse arbeidsregeling en het werkrooster, en de bepalingen over deeltijdarbeid in de wet van 22 december 1989 inzake het toezicht op de prestaties van deeltijdarbeid. CAO nr. 35 van 27 februari 1981 betreffende sommige bepalingen van het arbeidsrecht ten aanzien van deeltijdse arbeid is een instrument van de sociale partners waarin onder meer de voorrang tot het verkrijgen van een voltijdse betrekking wordt vastgelegd. De inspectie belast met het toezicht op de sociale wetten zal binnen haar bevoegdheid controle uitoefenen op de naleving van bijvoorbeeld CAO nr. 35 en de bepalingen inzake arbeidsduur.

Er zijn dus al een aantal juridische instrumenten die de deeltijdarbeid in het algemeen omkaderen. Volledigheidshalve kan ik hier ook nog de deeltijdarbeid aan toevoegen die in het kader van de loopbaanonderbreking wordt uitgeoefend, bijvoorbeeld de thematische verloven zoals ouderschapsverlof en zorgverlof, en die een specifieke omkadering kent ter bescherming van de werknemer.

Uiteraard kan dit statuut nog verbeterd worden. Deze problematiek ligt ter bespreking bij de Nationale Arbeidsraad; ik ben bereid om te vragen naar een stand van zaken van de besprekingen.

Wat het educatief verlof betreft, ligt het in mijn bedoeling om, in het kader van het gelijkekansenbeleid, maatregelen te nemen om de toegang tot het betaald educatief verlof voor vrouwen te vergemakkelijken. Daarom heb ik de administratie in april 2009 verzocht om na te gaan wat de redenen kunnen zijn van de ondervertegenwoordiging van vrouwen in het stelsel van betaald educatief verlof. Deze studie heeft uitgewezen dat mannen en vrouwen een vrij vergelijkbaar gebruik maken van het stelsel. De ondervertegenwoordiging van vrouwen lijkt nagenoeg volledig te wijten aan het feit dat deeltijdse werknemers veel minder dan voltijdse werknemers gebruik maken van educatief verlof. En deeltijdse arbeid is nu eenmaal sterk geconcentreerd bij de vrouwen.

In juni 2009 heb ik, met het oog op het verruimen van het stelsel van betaald educatief verlof naar deeltijdse werknemers en het afschaffen van het onderscheid tussen werknemers met vaste werktijden en variabele werktijden, de Nationale Arbeidsraad om advies gevraagd. Dit advies wordt eerstdaags verwacht. Op basis hiervan zal de reglementering aangepast worden.

Werknemers die informatie wensen over deeltijdarbeid, kan ik onder meer verwijzen naar de brochure over deeltijdarbeid die sinds jaren door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg wordt uitgegeven en waarin niet alleen informatie wordt gegeven over deeltijdarbeid en arbeidsreglementering, maar eveneens over de gevolgen van deeltijdarbeid op de werkloosheidregelgeving en op de sociale zekerheid. Daarnaast kunnen ze ook de website van deze FOD consulteren, www.werk.belgie.be, waar de brochure eveneens kan worden gedownload.

De wekelijkse voltijdse arbeidsduur in BelgiŽ behoort reeds bij de laagste van Europa. Bovendien raden, zeker in deze economisch moeilijke tijden, alle gezaghebbende internationale studies een verdere collectieve arbeidsduurverkorting af. Het is echter de bevoegdheid van de sociale partners op intersectoraal, sectoraal en ondernemingsvlak om terzake keuzes te maken. Inzake arbeidsduur en de arbeidsorganisatie moet de autonomie van de sociale partners ten volle spelen, uiteraard binnen de grenzen van de wetgeving. Ik wil die autonomie verder respecteren, zoals dat trouwens al decennia lang de regel is. Alleen via het sociaal overleg kunnen thema's zoals werkorganisatie, werkzekerheid, combinatie privť- met beroepsleven, loonkost, arbeidsvoorwaarden en concurrentiekracht goed in evenwicht worden gebracht.

Mevrouw Fatma Pehlivan (sp.a). - Dit is zeer veel informatie. Alle initiatieven die worden genomen, kunnen de situatie van de vrouwen ten goede komen. De cijfers geven echter aan dat de loonkloof er is; de armoede bij de vrouwen wordt alsmaar groter en we zien dat de vrouwen het grootste slachtoffer van de crisis zijn.

We moeten de situatie van nabij volgen, om ervoor te zorgen dat vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt op gelijke manier worden behandeld.

Mondelinge vraag van de heer Guy Swennen aan de staatssecretaris voor Begroting, Migratie- en asielbeleid, Gezinsbeleid en Federale Culturele Instellingen over ęde studie over de nieuwe echtscheidingswetĽ (nr. 4-1121)

De heer Guy Swennen (sp.a). - Deze week lichtte de staatssecretaris de resultaten toe van de door hem bestelde en al lang aangekondigde studie over de gevolgen van de nieuwe echtscheidingswet, die van kracht werd op 1 september 2007.

Met grote voldoening heb ik als gewezen voorzitter van de subcommissie Familierecht in de Kamer van Volksvertegenwoordigers in de vorige legislatuur, kennis genomen van de eerste algemene conclusie van de staatssecretaris aan de hand van de studie. Hij stelt onomwonden vast dat het aantal akkoordechtscheidingen flink is gestegen en dat de wet dus een belangrijke, positieve mentaliteitswijziging heeft teweeggebracht. Daar geloofden we bij de conceptie van de wet al rotsvast in, hoewel zij die toen in de oppositie zaten andere klanken lieten horen.

De staatssecretaris concludeert uit de studie ook dat nog een harde kern aan vechtscheidingen overblijft. Daarom volgende vraag: welke initiatieven zal hij op korte of middellange termijn nemen om de vechtscheidingen nog verder terug te dringen?

De tweede conclusie die de staatssecretaris uit de studie trekt is dat er misverstanden zijn over het feit dat verblijfsco-ouderschap, ook bilocatie of gelijkmatig verdeelde huisvesting genoemd, geen recht is, maar een principe dat de rechter niet kan negeren, tenzij hij het uitvoerig motiveert. Bilocatie is echter geen automatisme zoals sommigen denken.

Een tweede misverstand is dat sommigen denken dat bilocatie automatisch betekent dat er geen recht kan zijn op onderhoudsgeld. Dat kan wel het geval zijn, want het algemene principe in ons Burgerlijk Wetboek dat men bijdraagt in de lasten van de opvoeding van de kinderen naar zijn vermogen, blijft gehandhaafd. Als de staatssecretaris op grond van de studie stelt dat ook bij rechters en advocaten en niet alleen bij de algemene groep van de rechtzoekenden die misverstanden bestaan, dan is dat is een ernstige zaak. Dit aspect gaat overigens niet over de nieuwe echtscheidingswet, maar over de wet van 2006, die heel wat bepalingen inzake het omgangsrecht bevat. Vandaar mijn tweede vraag: wat gaat de staatssecretaris ondernemen om die misverstanden uit de wereld te helpen?

Zijn derde conclusie is dat er bij bilocatie na de scheiding nog veel ruzie is over praktische problemen. Ik heb in het begin van deze regeerperiode in de Senaat een omvattend wetsvoorstel ingediend om al dat soort problemen op te lossen, tot en met de huisvesting van de kinderen in bilocatie. Het trok vooral de aandacht omdat erin sprake was van de dubbele domiciliŽring.

Ik heb van de beleidscel een uitgebreide nota ontvangen met een groot aantal technische opmerkingen. Rekening houdend met de talrijke praktische problemen die er volgens de studie nog overblijven, vraag ik me af of het niet van constructieve openheid zou getuigen dat de beleidscel mijn voorstel bij voorrang verder zou uitwerken, wetend dat het niet-ideologisch is maar zuiver technisch.

Tot slot had ik graag vernomen of we een kopie van de studie kunnen krijgen.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, voor Migratie- en asielbeleid, voor Gezinsbeleid en voor de Federale Culturele Instellingen. - Allereerst wil ik duidelijk maken dat zowel de studie als de powerpointpresentatie beschikbaar zijn op de site www.degezinnen.be. De studie gaat niet over de nieuwe echtscheidingswet, maar wel over de gevolgen van de wet over het gelijkmatig verdeelde verblijf van kinderen of de bilocatie.

Ik verheug me dat er zoveel aandacht is voor onze werkzaamheden en onze bezorgdheid om het aantal familiale conflicten te beperken in het belang van iedereen, in het bijzonder van de kinderen. Het is onze bedoeling om de rust in echtscheidingsdiscussies zoveel mogelijk te herstellen. Daarvoor hebben we met een aantal parlementsleden veel werk verricht dat vandaag wordt afgerond met de stemming over het wetsontwerp betreffende de objectivering van de onderhoudsbijdragen. Het is ook onze bedoeling een familierechtbank op te richten om de diverse procedures op ťťn plaats en in ťťn dossier te verenigen, zodat procedureslagen en shopping met een verplichte herhaling van de details van het conflict kunnen worden vermeden en wonden niet opnieuw in het openbaar moeten worden opengereten. In dit licht verwijs ik ook naar de tekst over `de zitting achter gesloten deuren en de persoonlijke verschijning', die in de Senaat werd goedgekeurd en nu in de Kamer wordt behandeld.

Samen met de minister van Justitie willen we ook uitzoeken in welke mate bemiddeling in familiale conflicten een alternatief kan zijn. We hebben onderzocht welke obstakels de bemiddeling op het ogenblik in de weg staan. Onlangs was ik trouwens in Canada om te zien hoe dat land erin geslaagd is een heuse culturele revolutie teweeg te brengen. Liefst 92% van de scheidingen verloopt er nu zonder gerechtelijke tussenkomst in de strikte zin van het woord.

Om misverstanden uit de wereld te helpen werden de resultaten van de studie verspreid via de pers en via de vergadering van vorige maandag. De samenvattingen en integrale teksten van de studie kunnen worden geraadpleegd op de website www.degezinnen.be. Ze geven een inzicht in het principe van het gelijkmatig verdeelde verblijf. Ik sta uiteraard ter beschikking voor verder debat over de gevolgen van die studie, want ik vind het belangrijk dat we deze zaak blijven volgen.

Wat de derde vraag betreft, wensen wij ons niet vast te pinnen op deze of gene oplossing voordat we het probleem hebben onderzocht. Na afloop van de studie zullen we opnieuw contact opnemen met de actoren op het terrein om na te gaan wat hun reacties zijn op de vaststellingen die we hebben gedaan. Ik ben er zeker van dat positieve voorstellen kunnen worden geformuleerd. De technische en reglementaire haalbaarheid van die voorstellen moet worden geŽvalueerd, temeer daar ze talrijke facetten bevatten met fiscale consequenties en gevolgen voor de kinderbijslag, waarvoor overleg noodzakelijk is met de betrokken ministers, maar ook met de gemeenschappen, bijvoorbeeld in verband met schoolkwesties. Er bestaat nu al een oplossing voor de SIS-kaart voor kinderen in de regeling van het gelijkmatig verdeelde verblijf.

We steunen ook het werk van het SeGEC (Secrťtariat gťnťral de l'Enseignement catholique) met betrekking tot de analyse van de binnenschoolse problematiek en de ouderrelaties. Mijn onmiddellijke prioriteit is de voltooiing van het voorontwerp betreffende de familierechtbank waarnaar de studie ook verwijst, en waarbij ik het parlement graag betrokken zie.

(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)

De heer Guy Swennen (sp.a). - Ik dank de staatssecretaris voor zijn uitvoerig antwoord. Ik heb mij voor mijn vraag gebaseerd op het enige krantenartikel over het onderwerp dat ik deze week heb gevonden, namelijk een artikel in De Standaard waarin de indruk werd gewekt dat een evaluatie werd gemaakt van de echtscheidingswet. Het voornemen van een familierechtbank vind ik op zich geen slechte zaak, maar nog belangrijker is dat snel kan worden opgetreden als er zich problemen voordoen.

De staatssecretaris zegt dat hij na de studie nog deskundigen op het terrein zal raadplegen in verband met concrete voorstellen. In Frankrijk is men al een aantal jaren vertrouwd met het probleem van de twee adressen. Ik merk ook dat heel wat ouders die over alles een volledig akkoord hebben toch ruzie krijgen over het gegeven van de twee adressen. Mijn conclusies is dat er in het voorstel van de minister een aantal elementen zijn die zo kunnen worden uitgevoerd en die zeer veel praktische problemen in regelingen van verdeeld verblijf kunnen oplossen.

Mondelinge vraag van mevrouw Cindy Franssen aan de staatsecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding over ęde financiŽle situatie van vrouwen in BelgiŽĽ (nr. 4-1128)

Mevrouw Cindy Franssen (CD&V). - Deze week publiceerden Comeva en de Koning Boudewijnstichting de resultaten van hun enquÍte over de financiŽle positie van vrouwen in ons land. Opmerkelijk is dat de resultaten van de enquÍte over subjectieve armoedebeleving gelijklopen met de wetenschappelijke studies van OASIS, een Centrum voor sociale begeleiding en met de Europese welvaartsindicatoren. Alle cijfers wijzen op een vervrouwelijking van de armoede.

Ik beperk mij tot drie frappante bevindingen in de enquÍte.

Uit de enquÍte blijkt dat 22% van de respondenten financiŽle moeilijkheden ondervinden. Vrouwen lopen in BelgiŽ een hoog risico om in de armoede terecht te komen. Vooral alleenstaande moeders en oudere vrouwen zijn erg kwetsbare groepen.

Dertig procent van de vrouwen die aangeven het financieel moeilijk te hebben, heeft een voltijdse baan. Er is duidelijk nood aan een structureel beleid om de financiŽle situatie van vrouwen te verbeteren. Vůůr de crisis was er generatiearmoede. Met de crisis is het armoederisico voor vrouwen sterk toegenomen. Dat risico staat los van het al dan niet hebben van een diploma of zelfs van een baan. Er moet meer aandacht zijn voor kwalitatieve werkgelegenheid voor vrouwen, maar ook voor een bredere inkomensproblematiek, met inbegrip van minimumlonen, vervangingsinkomens en pensioenen.

Verder blijkt uit de enquÍte dat er nog steeds een taboesfeer heerst rond de armoedeproblematiek, ook bij vrouwen. Veel vrouwen die zich in financiŽle moeilijkheden bevinden, houden dat voor hun omgeving verborgen, uit schaamte voor de situatie waarin ze zich bevinden of wegens het stigma dat nog steeds aan armoede kleeft. Men noemt dat de binnenkant van de armoede. Hulp wordt daardoor onmogelijk en uitwegen uit de precaire situatie worden afgesloten. Die taboesfeer rond armoede moet dringend worden aangepakt.

Welke initiatieven coŲrdineert de staatssecretaris om op een structurele manier de financiŽle positie van vrouwen in BelgiŽ te verbeteren? Op welke manier sensibiliseert en mobiliseert hij zijn collega's binnen de regering om met dit aandachtspunt rekening te houden bij het uitstippelen van hun beleid?

Naar aanleiding van het Europees jaar van de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting keurde de Raad van Europa reeds in 2007 een aanbeveling goed om genderindicatoren inzake armoedebestrijding te ontwikkelen. Op welke wijze heeft het federaal niveau hieraan gevolg gegeven?

Welke maatregelen zal de staatssecretaris nemen om de armoedeproblematiek uit de taboesfeer te halen en het thema beter bespreekbaar te maken? Heeft hij hierbij ook aandacht voor de doelgroepen van vrouwen, meer in het bijzonder oudere vrouwen en alleenstaande moeders?

De heer Philippe Courard, staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding. - Ik ben inderdaad op de hoogte van het onderzoek van Comeva en de Koning Boudewijnstichting over de situatie van vrouwen in armoede. De cijfers komen in grote lijnen overeen met die uit de officiŽle EU-SILC-enquÍte.

Het Federaal plan Armoedebestrijding omvat verschillende maatregelen om aan die situatie tegemoet te komen. Zo heeft deze regering ervoor gezorgd dat alleenstaande moeders recht hebben op bijkomende kinderbijslag en een schoolsupplement in augustus.

Ook de Dienst voor alimentatievorderingen moet beter functioneren. In het federaal armoedeplan is voorzien dat de voorschotten worden opgetrokken en dat door de inkomensgrenzen op te trekken ook meer alleenstaande moeders een beroep kunnen doen op het fonds. Het is vaak omdat onderhoudsgelden niet worden betaald dat een gezin in armoede terecht komt. Ik overleg dienaangaande met staatssecretaris Wathelet en met minister Reynders die ter zake bevoegd zijn.

Om precies die groep nog meer te helpen, heb ik dit jaar 4,2 miljoen euro vrijgemaakt zodat OCMW's initiatieven kunnen nemen om kansarme kinderen vooruit te helpen en schooluitval tegen te gaan.

In het kader van het federaal armoedeplan wordt met alle ministers overleg gepleegd, dus ook met mevrouw Milquet, die bevoegd is voor Gelijke Kansen.

Het is inderdaad erg belangrijk om in het armoedebeleid genderindicatoren te hanteren. Alle Europese indicatoren zijn, waar mogelijk en relevant, naar gender opgesplitst. We hebben in de eigen Belgische interfederale armoedebarometer dan ook een specifieke meting opgenomen voor alleenstaande vrouwen en alleenstaande ouders.

Het motto van het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting van 2010 is: `De strijd tegen armoede is een zaak van iedereen.' Mijn departement steunt in dit verband een groot aantal projecten met een mobiliserend en innoverend karakter.

Bij de oproep voor projecten die in 2009 werd gelanceerd, werd bijzondere aandacht besteed aan het bereiken van een gevarieerd publiek, dat wil zeggen een doelpubliek dat gewoonlijk minder betrokken is, onder meer professionals uit de gezondheidszorg, onderwijzers, ondernemers, het grote publiek ...

Eťn van de pluspunten bij de beoordeling van de projecten is de deelname en de betrokkenheid van vrouwen, personen met een handicap en personen van buitenlandse herkomst. Met al deze initiatieven trachten we het clichťbeeld te verlaten en de taboesfeer van armoede zo veel mogelijk te breken.

Mevrouw Cindy Franssen (CD&V). - Ik ken de 59 maatregelen van het Federaal plan Armoedebestrijding, waarnaar de staatssecretaris verwijst, ondertussen al uit het hoofd. Ik roep dan ook op om dat plan versneld ten uitvoer te leggen.

Laten we uitgaan van het motto: zien, oordelen en handelen. Er zijn al voldoende cijfergegevens verzameld. Iedereen weet intussen wel dat armoede een structureel, maatschappelijk en meerdimensionaal probleem is. Nu moeten we tot actie overgaan.

De staatssecretaris verwijst eveneens naar de interfederale armoedebarometer en naar specifieke acties in het kader van de vervrouwelijking van de armoede. Ik dring er toch op aan om de genderindicatoren op alle punten van de interfederale armoedebarometer toe te passen.

Ontwerp van dienstenwet (Stuk 4-1643) (Evocatieprocedure)

Ontwerp van dienstenwet betreffende bepaalde juridische aspecten bedoeld in artikel 77 van de Grondwet (Stuk 4-1644)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Ik stel voor deze wetsontwerpen samen te bespreken. (Instemming)

De heer Louis Siquet (PS), rapporteur. - De commissie voor de FinanciŽn en de Economische Aangelegenheden heeft op 24 februari 2010 twee elkaar aanvullende wetsontwerpen besproken die richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende diensten op de interne markt gedeeltelijk in Belgisch recht omzetten.

Op 4 februari heeft de Senaat de tekst die een aangelegenheid regelt als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, geŽvoceerd.

Het ontwerp zet de algemene beginselen van de richtlijn om in Belgisch recht. Het bevat het toepassingsgebied, de regels met betrekking tot de vrijheid van vestiging, de regels met betrekking tot het vrij verrichten van diensten en de verplichtingen voor de dienstverrichters en de rechten van de afnemers van diensten, en de regels betreffende de administratieve samenwerking.

Het verplicht bicamerale wetsontwerp roept een vordering tot staking bij de handelsrechtbank in het leven om een einde te kunnen maken aan praktijken die strijdig zijn met de vrije dienstverrichting zoals bepaald in bovengenoemde richtlijn en in het optioneel bicamerale wetsontwerp.

Andere teksten die al door Kamer en Senaat zijn aangenomen, vervolledigen de omzetting van de richtlijn in Belgisch recht, namelijk:

Op de vragen van de commissieleden over de voorbereidende werkzaamheden, meer bepaald over het overleg met de gewesten en met de vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers, antwoordde de vertegenwoordigster van de minister dat een stuurgroep is opgericht die heeft ingestaan voor de gehele omzetting. In die stuurgroep was elk bestuursniveau en elke administratie vertegenwoordigd.

Afgezien van dat overleg is het uiteraard aan elk bestuursniveau om binnen het bestek van zijn bevoegdheden de vereiste omzettingsmaatregelen te nemen. Overeengekomen werd dat de federale wet hierbij als model wordt genomen.

Voor het enig loket moet een samenwerkingsakkoord worden gesloten.

Over de raadplegingen is het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer volledig gevolgd. De Nationale Arbeidsraad was overigens in de stuurgroep vertegenwoordigd.

De commissie heeft de bemerkingen van de dienst voor wetsevaluatie betreffende de artikelen 45, 51 en 54 van het wetsontwerp met betrekking tot het beroepsgeheim, de strafsancties en de terugwerkende kracht van de wet besproken. Inzake dat laatste punt werd beklemtoond dat zelfs als de wet retroactief op 28 december 2009 in werking treedt, ze geen uitwerking heeft voor de rechtsonderhorigen omdat geen enkel proces-verbaal met terugwerkende kracht kan worden opgesteld.

Voor het overige ben ik zo vrij te verwijzen naar het schriftelijke verslag.

Beide wetsontwerpen zijn aangenomen met 9 stemmen bij 2 onthoudingen en vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van het verslag, waarvoor mijn dank aan de commissieleden.

Op persoonlijke titel en namens onze fractie wens ik mijn tevredenheid uit te spreken over de wijzigingen die op Europees niveau zijn bedongen. Zodoende is de zogenaamde Bolkesteinrichtlijn omgewerkt tot een richtlijn die belet dat de openbare dienstverlening absoluut en brutaal aan de vrije concurrentie wordt blootgesteld. Die wijzigingen zijn de vrucht van een ruime mobilisatie van Europese burgers en hun parlementsleden. Ik verheug me zowel over de Europese democratische vitaliteit als over het resultaat van haar actie.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van dienstenwet (Stuk 4-1643) (Evocatieprocedure)

(De tekst aangenomen door de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 52-2338/4.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van dienstenwet betreffende bepaalde juridische aspecten bedoeld in artikel 77 van de Grondwet (Stuk 4-1644)

(De tekst aangenomen door de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 52-2339/3.)

-De artikelen 1 tot 7 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding wat de controle door het Rekenhof betreft (Stuk 4-1640)

Algemene bespreking

De heer Yoeri Vastersavendts (Open Vld), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijke verslag.

De heer Hugo Coveliers (VB). - De vraag of de gerechtelijke opleiding tot de bevoegdheid van de gemeenschappen of tot deze van de federale overheid behoort, werd uitvoerig besproken. De gekozen oplossing stemt volgens mij niet overeen met de wettelijk vastgelegde bevoegdheidsverdeling. Opleiding en onderwijs behoren immers tot de bevoegdheid van de gemeenschappen. Uiteraard hebben we geen bezwaar tegen controle door het Rekenhof, maar aangezien dit wetsontwerp indruist tegen de bevoegdheidsverdeling, zullen we tegenstemmen.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 52-1812/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, wat de aanwijzing van tot de inruststelling toegelaten magistraten als plaatsvervangende magistraten betreft (Stuk 4-1642)

Algemene bespreking

De heer Tony Van Parys (CD&V), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijke verslag.

De heer Hugo Coveliers (VB). - Ik heb het schriftelijke verslag van de heer Van Parys met veel aandacht gelezen en feliciteer hem met de vorm ervan, maar niet met de inhoud.

Ik acht het niet opportuun dat magistraten in een ambivalente, hybride toestand worden geplaatst. De problemen met de plaatsvervangers, de betrouwbaarheid van het systeem en de indruk van corruptie die wordt gewekt ten opzichte van de rechtsonderhorigen zijn bekend. In dat verband verwijs ik naar een uitstekend artikel in De Morgen waarin wordt geÔllustreerd hoe het bij het publiek overkomt dat een advocaat eerst pleit en enkele ogenblikken later in die zelfde rechtbank optreedt als magistraat.

In dit wetsontwerp gaat het over magistraten die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. Ofwel laat men alle magistraten levenslang zitting hebben, zoals in de Verenigde Staten gebeurt, en legt men dit expliciet vast, ofwel mag zoiets niet. Een periode aanduiden waarin ze als plaatsvervanger mogen optreden lijkt me hoe dan ook niet opportuun. In de hoop te kunnen komen tot een performant, duidelijk geformeerd magistratenteam, met voldoende magistraten, zullen we tegen dit wetsontwerp stemmen.

Mevrouw Marie-HťlŤne Crombť-Berton (MR). - We steunen het wetsontwerp dat werd ingediend door mijn MR-collega's in de Kamer. De tekst maakt het mogelijk dat magistraten tot hun tweeŽnzeventigste als plaatvervangend magistraat zitting blijven hebben. Uit zuiver pragmatisch oogpunt is het nuttig dat men een beroep kan blijven doen op de hulp en de grote ervaring van die magistraten. Zo kan men in sommige rechtsgebieden tegemoetkomen aan een reŽle en dringende behoefte en er de gerechtelijke achterstand wegwerken. Dat systeem geldt weliswaar slechts voor een periode van ťťn jaar, twee maal verlengbaar en uitsluitend als de noden van de dienst het rechtvaardigen. Dat lijken ons nuttige en voldoende voorwaarden. We zullen het ontwerp dus steunen.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie, zie stuk 4-1642/4.)

-De artikelen 1 tot 5 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 92, 109bis en 1301 van het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 4-1654)

Algemene bespreking

De heer Yoeri Vastersavendts (Open Vld), rapporteur. - Op 5 december 2008 werd dit wetsontwerp door mevrouw Van Cauter in de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediend.

Voor de behandeling van burgerlijke zaken in beroep bestaan er drie systemen. Bepaalde zaken worden in principe steeds toegewezen aan een kamer met drie raadsheren. Andere zaken worden automatisch toegewezen aan een kamer met ťťn raadsheer. In een derde systeem worden de zaken toegewezen aan een kamer met ťťn raadsheer, behalve indien ťťn van de partijen, de appellant of de geÔntimeerde, vraagt de zaak aan een kamer met drie raadsheren toe te bedelen. Voor zaken betreffende de staat van personen was het laatste systeem echter niet mogelijk. Het wetsontwerp strekt ertoe deze derde regeling ook voor deze zaken mogelijk te maken. Het wetsontwerp werd door de commissie voor de Justitie met eenparigheid van stemmen aangenomen. Tot zover het verslag.

Namens mijn fractie kan ik zeggen dat Open Vld van mening is dat dit ontwerp een belangrijke vooruitgang inhoudt. Dankzij een eenvoudige ingreep in het Gerechtelijk Wetboek komt er voor magistraten veel tijd vrij, zonder dat de efficiŽntie van de behandeling van zaken betreffende de staat van personen in het gedrang komt. Op die manier komt de maatregel tegemoet aan de verzuchtingen van de magistratuur en zal hij er hopelijk toe bijdragen de gerechtelijke achterstand weg te werken.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 52-1645/7.)

-De artikelen 1 tot 4 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Stemmingen

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding wat de controle door het Rekenhof betreft (Stuk 4-1640)

De voorzitter. - We stemmen over het wetsontwerp in zijn geheel.

(De oppositie verlaat de zaal.)

Ik stel voor dat we over een kwartier stemmen en dat we inmiddels het volgende punt van de agenda behandelen. (Instemming)

Vraag om uitleg van mevrouw Cindy Franssen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid over ęhet tijdelijk verlengen van bepaalde sociale voordelen na het vinden van werkĽ (nr. 4-1513)

De voorzitter. - De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap, antwoordt.

Mevrouw Cindy Franssen (CD&V). - De regering heeft de afgelopen jaren veel inspanningen geleverd om het percentage van de bevolking dat actief is op de arbeidsmarkt, te vergroten. Ze heeft bij het activeren van werklozen de intense begeleiding van werkzoekenden gestimuleerd en daarnaast ook de drempels tot de arbeidsmarkt - in de vorm van inactiviteitsvallen - aangepakt. Er is echter nog steeds sprake van inactiviteitsvallen voor bepaalde categorieŽn werklozen.

Onder meer het bruusk wegvallen van inkomensondersteunende uitkeringen en sociale voordelen bij het starten van een nieuwe job werkt contraproductief. De overgang tussen inactiviteit en tewerkstelling zou minder radicaal zijn wanneer bij het vinden van een nieuwe job de uitkeringen en sociale voordelen niet onmiddellijk volledig worden stopgezet, maar geleidelijk degressief afgebouwd.

Dit voorstel werd als volgt opgenomen in het federaal plan Armoedebestrijding: `De ministers van Werk en van Sociale Zaken zullen de toekenningsregels voor de sociale voordelen in het kader van werkhervatting wijzigen volgens de volgende bepalingen: (a) Op korte termijn de degressiviteit van de aanvullende hulp bij de sociale uitkeringen organiseren, beperkt in de tijd, veeleer dan een op het statuut gebaseerd binair systeem. (b) Op middellange termijn niet de voorkeur geven aan een statuut, maar veeleer aan een "referentieloon" onder hetwelk iedere persoon sommige sociale voordelen zou kunnen blijven krijgen."

1. Hebben de ministers initiatieven genomen om de organisatie van aanvullende hulp bij de sociale uitkeringen in het kader van werkhervatting te hervormen van een binair naar een degressief systeem? Zo ja, welke? Zo neen, binnen welke termijn hoopt men deze hervorming te realiseren?

2. Wat zijn de bepalingen van de nieuwe regeling met betrekking tot de aanvullende hulp bij de sociale uitkering? Concreet: voor welke vormen van aanvullende hulp zal deze regeling van toepassing zijn? Welke termijn zal gehanteerd worden voor het afbouwen van de hulp?

3. Hebben de ministers initiatieven genomen om de sociale voordelen te koppelen aan een referentieloon eerder dan aan een bepaald statuut? Zo ja, welke? Zo neen, binnen welke termijn hopen ze dit te realiseren?

4. Zijn er al bepalingen uitgewerkt voor de nieuwe regeling met betrekking tot het koppelen van de sociale voordelen aan een referentieloon? Op welk bedrag zal dit referentieloon liggen? Zal er een beperking zijn in de tijd? Zo ja, welke termijn is hiervoor bepaald?

5. Heeft er in het kader van deze maatregelen overleg plaatsgevonden tussen de minister van Werk, de minister van Sociale Zaken en de staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie? Zo ja, onder welke vorm? Werd in het kader van deze maatregelen overleg gepleegd met de sociale partners? Zo ja, onder welke vorm en wie was bij het overleg betrokken? Wat waren de resultaten van de verschillende overlegmomenten? Kunnen we de verslagen van deze overlegmomenten krijgen?

6. Wat is de verwachte budgettaire impact van de genomen en geplande maatregelen?

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik lees het antwoord van minister Milquet.

Ik heb altijd al willen strijden tegen de werkloosheidsvallen en tegen alles wat een rem zet op het aanvaarden van een arbeidsovereenkomst.

In het kader van mijn bevoegdheden inzake werk heb ik in 2009 voor een alleenstaande werkloze met een kind ten laste die het werk hervat, een toeslag voor kinderopvang ingevoerd. Het gaat om een uitkering van 75 euro per maand gedurende twaalf maanden.

Ik heb de voorwaarden uitgebreid om toegang te krijgen tot de werkhervattingstoeslag voor oudere werknemers die het werk hervatten.

Het gaat om een bedrag van 182 euro per maand, dat in bepaalde gevallen onbeperkt kan worden toegekend. Ik heb ook het bedrag van de inkomensgarantie-uitkering opgetrokken. Die uitkering wordt toegekend bovenop het inkomen van een deeltijdse werknemer. Ik heb ook het bedrag van het gewaarborgde minimummaandinkomen opgetrokken.

De voordelen die worden toegekend in de andere sectoren van de sociale zekerheid, vallen niet onder mijn bevoegdheid, maar onder die van de minister van Sociale Zaken en de staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding.

Ik blijf ervan overtuigd dat de bijkomende sociale voordelen moeten afnemen in de tijd en veeleer aan een inkomensniveau dan aan een sociaal statuut gekoppeld moeten worden. Enerzijds moet worden vermeden dat de inkomens te snel dalen wanneer het voordeel afloopt, anderzijds mogen er geen verschillen en onrechtvaardigheden tussen werknemers ontstaan. Zo moeten we vermijden dat een werknemer die een kind krijgt, minder kinderbijslag krijgt dan iemand die bij de geboorte van een kind werkloos is.

Ik heb met collega's-ministers nog geen overleg gepleegd over de uitvoering van deze twee wijzigingen, noch over de keuze van de voordelen waarop de wijzigingen betrekking hebben, noch over de toekenningsvoorwaarden van deze voordelen, noch over de datum van de uitvoering.

Deze beslissingen, vooral degenen die slaan op aangelegenheden die tot het globaal beheer van de Sociale Zekerheid behoren, moeten nog worden besproken met de sociale partners. Ik ben van plan mijn collega's voor te stellen om dit in de loop van de komende weken te bespreken en dit punt op de agenda te plaatsen van de onderhandelingen over het volgende interprofessioneel akkoord.

Aangezien er geen nauwkeurigheid bestaat over de nieuwe toekenningsvoorwaarden van die sociale voordelen, kan ik geen schatting geven van het bedrag van de uitvoering ervan. We moeten er in ieder geval rekening mee houden dat de budgettaire marges zeer beperkt zijn. Er moet dus voor gezorgd worden dat de sociale uitkeringen door de wijzigingen beter worden verdeeld.

Mevrouw Cindy Franssen (CD&V). - Ik ben blij dat er al initiatieven zijn genomen om tot overleg te komen. Aan de andere kant ben ik onvoldaan, omdat ik geen antwoord van minister Onkelinx gekregen heb en de beide ministers samen deze maatregelen moeten nemen. Ik zie me dus verplicht mijn vraag om uitleg opnieuw in te dienen.

Vraag om uitleg van de heer Andrť du Bus de Warnaffe aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde toegang tot logopedische verzorging voor kinderen met spraakstoornissenĽ (nr. 4-1524)

De voorzitter. De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap, antwoordt.

De heer Andrť du Bus de Warnaffe (cdH). - In de Franse Gemeenschap is de toegang tot logopedische verzorging voor kinderen met dysfasie of dyslexie op dit ogenblik niet gelijk.

Dit verschil in behandeling vloeit voort uit artikel 36, ß3, 1ļ van de nomenclatuur waarin staat dat: `Voor logopedische behandeling wordt nooit een verzekeringstegemoetkoming verleend ingeval de rechthebbende bijzonder onderwijs van type 8 volgt' (onderwijs waar kinderen worden opgevangen met partiŽle leerstoornissen).

In de praktijk leidt deze bepaling tot een onderscheid tussen kinderen die ingeschreven zijn in het gewoon onderwijs en kinderen die ingeschreven zijn in het bijzonder onderwijs, type 8. Een kind dat is ingeschreven in het gewone onderwijs heeft recht op terugbetaling voor logopedie, maar een kind dat is ingeschreven in het bijzonder onderwijs type 8 niet, omdat het de nodige verzorging krijgt in de instelling. Instellingen van bijzonder onderwijs type 8 hebben het vrije beschikkingsrecht over de enveloppe die hen is toebedeeld voor het pakket aan paramedische zorg in de instelling. Zo zijn er bepaalde instellingen die zeer veel fysiotherapiebehandelingen geven, soms ten koste van de logopedie. Heel wat kinderen met dysfasie die zijn ingeschreven in een onderwijsinstelling type 8 hebben onvoldoende toegang tot logopedie.

Bijzonder onderwijs type 8 vertegenwoordigt 42% van de inschrijvingen in het bijzonder lager onderwijs in WalloniŽ. Type 8-onderwijs is sterk verbonden met de sociaaleconomische situatie van de ouders. Dat gegeven wordt al een tiental jaar als problematisch beschouwd. Minister Vandenbroucke kende het probleem, maar er werd nooit een oplossing voor gevonden. Daarom volgende vragen.

Beschikt de minister over bijkomende elementen die de omvang van het probleem duidelijker kunnen weergeven?

Wat kan er worden ondernomen om de ongelijkheid in de toegang tot logopedische verzorging weg te werken?

Zou het niet opportuun zijn kinderen die ingeschreven zijn in het bijzonder onderwijs type 8 een verzekeringstegemoetkoming te geven voor logopedie als ze kunnen aantonen dat ze geen logopedie hebben gekregen in hun instelling?

Kan hierover een interministerieel overleg worden georganiseerd?

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Eerst en vooral, de uitsluiting van een verzekeringstegemoetkoming voor een logopedische behandeling in het kader van artikel 36 van de nomenclatuur van de geneeskundige verzorging voor een kind dat bijzonder onderwijs type 8 volgt, betreft niet alleen dysfasie, zoals de heer du Bus de Warnaffe aanhaalt, maar alle stoornissen die beoogd worden in de nomenclatuur, zoals dysfasie, dyslexie, dysorthografie, enzovoort.

Het is moeilijk precies te bepalen hoeveel kinderen met dysfasie die ingeschreven zijn in een onderwijsinstelling type 8, onvoldoende toegang hebben tot logopedische behandelingen. Het aantal logopedieaanvragen voor dysfasie dat geweigerd wordt op basis van het type onderwijs dat de patiŽnt volgt kan een aanwijzing zijn. Het RIZIV beschikt evenwel niet over dergelijke statistieken. De gegevens zouden in elk geval scheefgetrokken zijn, want er wordt geen rekening gehouden met de gevallen waarbij geen aanvraag werd ingediend omdat de aanvrager er bij eenvoudige lezing van de nomenclatuur van uitgaat dat hij toch geen tegemoetkoming zal krijgen.

Onderwijs type 8 uit de nomenclatuur van de logopedie halen als uitsluitingscriterium voor een verzekeringstegemoetkoming, zou waarschijnlijk een belangrijke budgettaire weerslag hebben.

Onderwijs type 8 wordt overigens uitdrukkelijk uitgesloten omdat het binnen de verschillende types van bijzonder onderwijs specifiek gericht is op kinderen waarvoor het multidisciplinair onderzoek heeft uitgewezen dat ze geen intelligentieproblemen, gehoorproblemen of gezichtsstoornissen hebben, maar wel moeilijkheden bij de ontwikkeling van taal of spraak, of bij het leren lezen, schrijven of rekenen.

Het is dus normaal dat logopedie wordt verstrekt in het kader van onderwijs type 8. Als sommige instellingen meer fysiotherapeutische zorg verstrekken ten koste van logopedische behandeling, is dat het gevolg van het vrije beschikkingsrecht over het urenpakket voor paramedische zorg. De `dubbele financiering' van zorg waarvoor de zorgverzekering vergoedingen uitkeert, zou een ander negatief gevolg zijn.

Toegang verlenen tot verzekeringstegemoetkoming op basis van bijvoorbeeld een attest van de instelling waaruit blijkt dat er geen of niet voldoende logopediebehandelingen zijn geweest, zou als voorspelbaar effect hebben dat een aantal patiŽnten die in principe verzorging hadden moeten krijgen in het kader van het onderwijs type 8, naar de monodisciplinaire nomenclatuur worden verschoven.

Dat zou ook een dubbele financiering betekenen, want het deel van de enveloppe bedoeld voor logopedische verzorging in het kader van het onderwijs zou wellicht voor andere doeleinden worden gebruikt, wat ongewenste budgettaire gevolgen zou hebben.

Zoals u wellicht kunt afleiden uit het antwoord op de drie vorige vragen, zie ik de noodzaak niet in van een interministeriŽle vergadering.

De heer Andrť du Bus de Warnaffe (cdH). - Ik dank de minister voor de antwoorden, vooral voor de verduidelijking inzake de uitbreiding van de vraag voor kinderen met dyslexie, die trouwens talrijker zijn dan degenen die aan dysfasie lijden.

Ik begrijp waarom de situatie niet in overweging werd genomen. Sinds de goedkeuring op 9 februari 2009 in de Franse Gemeenschap van het decreet waarbij kinderen met leermoeilijkheden die gewoon onderwijs volgen, een beroep kunnen doen op gespecialiseerde begeleiding, verliezen deze kinderen het recht op de RIZIV-tegemoetkoming voor logopedie als ze administratief zijn ingeschreven in het bijzonder onderwijs. Het gaat om een tijdelijke inschrijving in het gewone onderwijs. In dat geval heeft men geen recht meer op een tegemoetkoming van het RIZIV. Als de ouders beslissen dat hun kind definitief in het gewoon onderwijs blijft, heeft het kind opnieuw recht op een RIZIV-tegemoetkoming voor logopedie. Er is dus geen continuÔteit in de zorg en dat is niet bevorderlijk voor de integratie.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - De naamstemmingen van vandaag worden uitgesteld tot de volgende plenaire vergadering.

Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 11 maart 2010 om 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

Ontwerp van tekst tot herziening van artikel 180 van de Grondwet, teneinde de controle door het Rekenhof verder te doen reiken dan zijn strikt tot de overheidsrekeningen beperkte bevoegdheid; Stuk 4-868/1 tot 4.

Om 17 uur: Naamstemmingen over:

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding wat de controle door het Rekenhof betreft; Stuk 4-1640/1 en 2.

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, wat de aanwijzing van tot de inruststelling toegelaten magistraten als plaatsvervangende magistraten betreft; Stuk 4-1642/1 tot 4.

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 92, 109bis en 1301 van het Gerechtelijk Wetboek; Stuk 4-1654/1 en 2.

Evocatieprocedure
Ontwerp van dienstenwet; Stuk 4-1643/1 en 2.

Ontwerp van dienstenwet betreffende bepaalde juridische aspecten bedoeld in artikel 77 van de Grondwet; Stuk 4-1644/1 en 2.

Naamstemming over de afgehandelde grondwetsbepaling (Stemming met de meerderheid bepaald in artikel 195, laatste lid, van de Grondwet).

Vragen om uitleg:

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Vraag om uitleg van de heer Jean-Paul Procureur aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen en aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over ęhet wetsvoorstel tegen homoseksualiteit in OegandaĽ (nr. 4-1534)

De voorzitter. - De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap, antwoordt.

De heer Jean-Paul Procureur (cdH). - In oktober 2009 diende een Oegandees parlementslid een wetsvoorstel in met het oog op een verzwaring van de straffen voor homoseksuele `misdrijven'. Indien dat voorstel volgende week wordt goedgekeurd, wordt homoseksualiteit strafbaar met een levenslange gevangenisstraf en met de doodsstraf in geval van recidive. Alle leden van ngo's die actief zijn op het gebied van aidspreventie kunnen dus een gevangenisstraf van zeven jaar oplopen wegens `bevordering van homoseksualiteit'. Tevens kan elke burger die een daad van homoseksualiteit niet binnen de 24 uur aangeeft, tot drie jaar gevangenisstraf worden veroordeeld.

Hoewel homoseksuelen als een risicogroep voor aids worden beschouwd, is er geen enkel plan om hen op te nemen in het Oegandese nationale beleid tegen hiv en aids. Heel wat lesbiennes, homo's, biseksuelen en transseksuelen durven geen hiv-test laten afnemen of naar een raadpleging gaan wegens de dubbele stigmatisering waarvan ze het slachtoffer zijn, namelijk het behoren tot een seksuele minderheid en seropositief zijn.

Dit wetsvoorstel heeft op internationaal niveau verschillende reacties opgewekt.

De Canadese regering noemde de tekst misselijkmakend. De Zweedse overheid heeft ermee gedreigd de ontwikkelingshulp te verminderen. De Britse premier, Gordon Brown, en de Amerikaanse minister van Buitenlandse zaken Hillary Clinton hebben de Oegandese president aangespoord het wetsvoorstel opnieuw te onderzoeken en hebben ermee gedreigd Oeganda uit te sluiten van de African Growth and Opportunity Act (AGOA), als die tekst wordt goedgekeurd.

Het wetsvoorstel dreigt in de komende dagen te worden goedgekeurd. Heeft BelgiŽ beslist maatregelen te nemen om het Oegandese parlement ertoe aan te zetten dat wetsvoorstel te verwerpen? Wat denkt de minister vandaag nog te doen?

Denkt de minister dat het mogelijk is op te treden in het kader van de Verenigde Naties, waarvan Oeganda een lidstaat is, en in het kader van het lidmaatschap van ons land van de Raad voor de Mensenrechten?

Kan BelgiŽ, naar het voorbeeld van Zweden, besluiten zijn bilaterale ontwikkelingssamenwerking met Oeganda te handhaven op voorwaarde dat Oeganda het betrokken wetsvoorstel afwijst en homoseksualiteit niet strafbaar maakt?

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik lees het antwoord van de minister.

BelgiŽ en de Europese Unie hechten veel belang aan de strijd tegen elke vorm van discriminatie, met inbegrip van discriminatie op grond van seksuele geaardheid. Er zal bijzondere aandacht worden besteed aan dat thema gedurende het Belgische voorzitterschap van de Unie. De Europese Unie heeft begin december naar aanleiding van dat wetsvoorstel stappen ondernomen bij de Oegandese minister van Buitenlandse zaken. In dat kader heeft de Europese Unie Oeganda op zijn internationale verplichtingen op het vlak van de mensenrechten gewezen, in het bijzonder wat de principes van non-discriminatie en de vrijheid van meningsuiting betreft. Het gaat op dit ogenblik slechts om een wetsvoorstel ingediend door een parlementslid en niet door de regering. De regering kan bijgevolg niet ingrijpen in het wetgevend proces.

Het probleem werd besproken in Kampala, op 4 februari jongstleden, tijdens de `artikel 8-dialoog' van de ambassadeurs van de Europese Unie met president Museveni. De president, die ten volle beseft welke gevolgen een eventuele goedkeuring van een dergelijke wet op de relaties met de andere landen kan hebben, heeft zijn afkeuring van dat wetsvoorstel meegedeeld en heeft de ambassadeurs van de Europese Unie verzekerd dat die tekst niet zal worden goedgekeurd.

Op 16 februari laatstleden heeft mijn collega Charles Michel tijdens een onderhoud met de Oegandese minister van Buitenlandse zaken en regionale samenwerking, Isaac Musumba, het wetsvoorstel over homoseksualiteit aangekaart. Minister Musumba heeft onderstreept dat de grondwet aan elk parlementslid het recht geeft een wetsvoorstel in te dienen. Hij voegde eraan toe dat de regering niet akkoord gaat met de inhoud van het voorstel, maar dat zij niet kan verhinderen dat een parlementslid het indient. De Oegandese regering heeft intussen aan de heer Bahati, de auteur van het voorstel, laten weten dat de tekst het imago van Oeganda op internationaal vlak schaadt.

De regering heeft een comitť opgericht om het wetsvoorstel te herwerken, samen met het betrokken parlementslid, om het aanvaardbaar te maken conform de bestaande wetten. We mogen dus verwachten dat het wetsvoorstel niet zal worden goedgekeurd, aangezien de regering gekant is tegen het wetsvoorstel in zijn huidige versie en over een meerderheid in het parlement beschikt.

Indien dat wetsvoorstel toch wordt goedgekeurd, moet er uiteraard worden opgetreden, ook op het niveau van de VN. Ik denk in het bijzonder aan de Raad voor de Mensenrechten en aan de mogelijkheden bij de universele periodieke evaluatie van Oeganda in 2011. In dat verband heb ik vorige maandag in de Raad voor de Mensenrechten mijn grote bezorgdheid geuit over de tendens in verschillende landen om homoseksualiteit te criminaliseren.

Mijn collega Charles Michel is van mening dat goed bestuur, democratie en mensenrechten een fundamenteel deel van ontwikkeling zijn. Dat blijkt ook uit zijn gevoerde beleid. Als minister van Ontwikkelingssamenwerking heeft hij dus het probleem van de strafbaarstelling van homoseksualiteit zowel in Burundi als in Oeganda, aandachtig gevolgd. Die strafbaarstelling vormt onmiskenbaar een aanslag op de mensenrechten.

Over het wetsvoorstel dat homoseksualiteit strafbaar stelt wordt dus een intense politieke dialoog gevoerd met de Oegandese overheid. Minister Michel heeft dit thema bij zijn recente ontmoeting met de Oegandese minister van Buitenlandse zaken en regionale ontwikkelingssamenwerking, Isaac Musumba, aangekaart. De gecoŲrdineerde politieke dialoog tussen de verschillende geldschieters in Oeganda blijft de meest efficiŽnte manier om resultaten te bereiken. De Oegandese regering blijkt inderdaad gevoelig te zijn voor het standpunt van de internationale gemeenschap. Indien dat wetsvoorstel zou worden goedgekeurd door het Oegandese parlement, moet er met de andere belangrijkste geldschieters in Oeganda overlegd worden over een eventuele reactie.

De heer Jean-Paul Procureur (cdH). - Ik dank de minister voor zijn antwoord en zijn verduidelijkingen, die geruststellend zijn. Ik heb niettemin vernomen dat dit voorstel meer is dan een individueel initiatief. Het bericht dat er een werkgroep zal worden opgericht om het voorstel via een aanpassing aanvaardbaar te maken, vind ik minder geruststellend.

Vraag om uitleg van mevrouw Nahima Lanjri aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid en aan de staatssecretaris voor Begroting, Migratie- en asielbeleid, Gezinsbeleid en Federale Culturele Instellingen over ęmisbruiken met betrekking tot het vrij verkeer van werknemersĽ (nr. 4-1514)

De voorzitter. - De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap, antwoordt.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Sinds enige tijd krijg ik signalen van een steeds grotere aanwezigheid van Spanjaarden met allochtone roots in Antwerpen. Ook zijn er in die stad meer en meer derdelanders aanwezig met een statuut van langdurig ingezetene dat ze in Spanje hebben verkregen.

Op zich is dat natuurlijk geen probleem. Conform de vreemdelingenwet en de Europese regelgeving is er immers vrij verkeer van werknemers in de lidstaten van de Europese Unie. Wie zich echter langer dan drie maanden ergens wil vestigen, moet aan een aantal voorwaarden voldoen. Die voorwaarden zijn vermeld in artikel 40, ß4, van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980. Zo moet de vreemdeling werk hebben of kunnen aantonen dat hij actief op zoek is naar en kans maakt op een job. Indien dat niet het geval is moet hij kunnen aantonen dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt zodat hij niet op het OCMW moet terugvallen. Hij moet ook over een ziekteverzekering beschikken. Een laatste mogelijkheid om zich langer dan drie maanden in ons land te vestigen, is zich inschrijven als student.

Toch hoor ik van enkele OCMW's dat er meer en meer Spanjaarden met allochtone roots en derdelanders met een statuut van langdurig ingezetene dat ze in Spanje hebben gekregen na een verblijf van vijf jaar, zich komen aanmelden voor steun. Zo zijn er in Antwerpen momenteel 175 dossiers van zowel alleenstaanden als gezinnen die een aanvraag tot steun hebben ingediend. Die steunaanvragen verhogen de druk op de OCMW's en doen het vermoeden ontstaan dat de personen in kwestie enkel naar hier komen om gebruik te kunnen maken van onze betere sociale zekerheid.

De vraag rijst dan ook of de nodige controles gebeuren wanneer die personen zich bij ons laten inschrijven. Dat is immers een noodzakelijke voorwaarde om misbruiken te vermijden. Die misbruiken bestaan zeker. Zo is er sprake van mensen die naar ons land komen met een contract voor onbepaalde duur voor een fictief bedrijf. Soms betalen ze voor zo een fictief contract. Eens hier stopt het contract en krijgen ze een stempelvergoeding. In Brussel werden al een twaalftal fictieve poetsbedrijven ontdekt.

Hoeveel Spanjaarden van allochtone origine en derdelanders met een in Spanje verkregen statuut van langdurig ingezetene kwamen in 2009 naar BelgiŽ? Hoeveel krijgen er momenteel een werkloosheidsvergoeding en hoeveel krijgen er steun van een OCMW?

Hoeveel van hen werden uiteindelijk teruggestuurd naar Spanje of naar hun land van origine omdat ze niet voldoen aan de wettelijke voorwaarden?

Vinden er controles plaats om na te gaan of die mensen effectief werken of effectief over voldoende middelen beschikken, en om misbruiken tegen te gaan? Wie verricht die controles en wat houden ze in?

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik lees het antwoord van staatssecretaris Wathelet.

De Dienst Vreemdelingenzaken, DVZ, heeft geen concrete cijfers van het aantal aanvragen van Spaanse onderdanen van allochtone origine die naar BelgiŽ komen in het kader van artikel 40 of in het kader van artikel 61/6 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980.

In 2009 heeft de DVZ slechts 27 aanvragen geregistreerd van derdelanders met een Spaanse verblijfsvergunning die als langdurig ingezetene een aanvraag hebben ingediend in het kader van artikel 61/6 van genoemde wet. Acht aanvragen werden geweigerd.

Conform artikel 25/2 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 kan de gemeente van ambtswege een verblijfsvergunning, een A-kaart, uitreiken aan langdurig ingezetenen die een arbeidskaart of beroepskaart voorleggen. Die gegevens worden echter per nationaliteit bijgehouden en niet per verblijfsvergunning uitgereikt door een ander land.

Daarnaast kunnen personen die een statuut van langdurig ingezetene hebben in een ander EU-land, vrij naar BelgiŽ komen voor een periode van maximaal drie maanden.

De DVZ beschikt dus niet over concrete cijfers van het aantal Spanjaarden van allochtone origine, omdat de statistieken gebaseerd zijn op de nationaliteit en dus geen onderscheid maken tussen een EU-onderdaan geboren in een EU-land en een EU-onderdaan met een geboorteplaats buiten de EU. Iedere EU-burger wordt gelijk behandeld.

Niettemin stelt de DVZ vast dat veel Spanjaarden een verblijf in BelgiŽ aanvragen, zoals er ongetwijfeld ook vele Belgen zijn, al dan niet van allochtone origine, die naar Spanje verhuizen.

De DVZ controleert niet op nationaliteit, maar als er aanwijzingen van fraude zijn, wordt de verblijfsaanvraag nauwkeurig onderzocht en kan het dossier voor verdere opvolging worden bijhouden.

Voor de vraag hoeveel Spanjaarden van allochtone origine of derdelanders met een in Spanje verkregen statuut van langdurig ingezetene momenteel OCMW-steun krijgen, verwijs ik naar mijn collega bevoegd voor maatschappelijke integratie.

Tweede vraag. Een EU-burger of een langdurig ingezetene in een ander EU-land aan wie het verblijf in BelgiŽ wordt geweigerd, krijgt het bevel het grondgebied te verlaten. Acht personen met een verblijfsvergunning als langdurig ingezetene in Spanje hebben intussen het bevel gekregen het land te verlaten. Sommige aanvragen van 2009 zijn evenwel nog in behandeling. De DVZ heeft immers ongeveer vier maanden de tijd om een beslissing te nemen.

Cijfers van het aantal EU-onderdanen aan wie het verblijf is geweigerd, kan ik niet voorleggen. De gemeente kan in bepaalde gevallen het verblijf ook weigeren aan een EU-onderdaan die niet aan de voorwaarden van artikel 40 voldoet.

Derde vraag. Langdurig ingezetenen van een andere EU-lidstaat die in BelgiŽ mogen verblijven, ontvangen een verblijfsvergunning van bepaalde duur. Als betrokkenen een verlenging aanvragen, wordt onderzocht of ze nog aan de verblijfsvoorwaarden voldoen.

EU-onderdanen aan wie wordt toegestaan in ons land te verblijven, krijgen een E-kaart met een geldigheidsduur van vijf jaar. Gezien jaarlijks meer dan 20 000 EU-onderdanen een verblijfsdocument krijgen, zijn systematische controles onmogelijk. Verdachte aanvragen worden evenwel bijgehouden en er wordt gecontroleerd of de EU-onderdaan nog aan de voorwaarden van zijn of haar verblijf voldoet.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - In een eengemaakt Europa is het evident dat EU-burgers gaan werken in het Europese land van hun keuze of er na hun pensionering gaan wonen. Zo gaan vele Belgen van de zon genieten in Spanje, maar ze hebben wel voldoende inkomsten.

De toestand die ik hekel bestaat daarin dat heel wat OCMW's geconfronteerd worden met steunaanvragen van EU-burgers die amper een paar maanden in ons land verblijven.

Misbruiken moeten sneller worden gedetecteerd. Er moet niet worden gewacht tot de termijn van vijf jaar die wordt toegestaan met de verblijfsvergunning, afgelopen is. Na vijf jaar iemand terugsturen is overigens niet menselijk.

De controle of mensen werkelijk aan de criteria voldoen, moet meer en systematischer worden toegepast om misbruik te voorkomen.

De staatssecretaris zegt zelf dat de DVZ een enorme stijging van het aantal Spanjaarden in ons land vaststelt. Wellicht komen ze niet voor het mooie weer naar BelgiŽ!

Vraag om uitleg van de heer Philippe Monfils aan de staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap over ęde toegankelijkheid van federale websitesĽ (nr. 4-1520)

De heer Philippe Monfils (MR). - De nieuwe technologieŽn en het internet zijn belangrijke instrumenten die de levenskwaliteit van personen met een handicap verbeteren door hen vlotter en sneller toegang tot informatie verlenen.

De mogelijkheden van de nieuwe technologieŽn voor de levenskwaliteit zijn enorm, maar het van groot belang dat de nieuwe kennismaatschappij toegankelijk is voor iedereen.

In juni 2002 heeft het Europees Parlement een resolutie aangenomen om alle openbare websites van de Europese Unie volledig toegankelijk te maken. Slechtzienden hebben bijvoorbeeld geen toegang tot de informatie als de websites geen geluidsondersteuning bieden.

Mijnheer de staatssecretaris, in uw algemene beleidsnota hebt u verklaard dit jaar concreet vooruitgang te willen boeken in dit dossier, samen met uw collega's die bevoegd zijn voor administratieve vereenvoudiging en informatisering.

Dat verheugt me. Het zou zelfs goed zijn als die doelstelling om alle personen met een handicap volledig toegang te verlenen tot de federale websites, zou zijn gerealiseerd alvorens BelgiŽ het voorzitterschap van de Europese Unie opneemt. Dat zou ten minste het geval moeten zijn voor de website van de DG personen met een handicap. Momenteel heeft deze site met administratieve, fiscale en praktische informatie voor personen met een handicap helaas geen geluidsondersteuning voor slechtzienden.

Hoever staat dit dossier, mijnheer de staatssecretaris? Is het overleg met uw collega's al opgestart? Wat zijn de moeilijkheden? Wat is de planning?

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik deel de bezorgdheid van de heer Monfils. Ik heb dit probleem trouwens gedetailleerd vermeld in mijn algemene beleidsnota. De toegang tot informatie voor mensen met om het even welke handicap, is trouwens opgenomen in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap.

Wat de federale sites betreft, kan ik u meedelen dat de site DG personen met een handicap het kwaliteitslabel AnySurfer heeft gekregen. Dat stemt overeen met de internationale standaarden inzake toegankelijkheid tot het internet. Verschillende andere federale overheidsdiensten kregen eveneens dit kwaliteitslabel. Ik zal u trouwens een overzicht bezorgen van de situatie van alle federale sites, mijnheer Monfils.

Wat de geluidsondersteuning betreft, kan ik u meedelen dat er een techniek is die met succes wordt toegepast, namelijk een lokaal besturingssysteem waarmee blinden of slechtzienden op het hele web kunnen surfen. Elke pagina wordt mondeling verwoord. Talrijke blinden en slechtzienden gebruiken deze programma's al en ze zijn er zeer tevreden over. Noch mijn departement, noch ikzelf hebben vragen gekregen voor een ander geluidsysteem.

De komende weken zal ik een dossier voorleggen aan de Ministerraad, want we willen absoluut vooruitgang boeken in de implementatie van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

AnySurfer is het kwaliteitslabel dat in BelgiŽ van toepassing is. In andere Europese landen bestaan andere systemen; er zijn Engelse, Franse en Spaanse besturingssystemen. Er zijn ook verschillende types op de markt. In BelgiŽ verschaft www.anysurfer.be alle soorten informatie. Deze site is echter slachtoffer van zijn succes en vaak overbelast. Het systeem kan worden uitgebreid naar alle federale sites.

Ik denk, mijnheer Monfils, dat we op de goede weg zijn. Samen met mijn collega's zal ik een analyse maken van de sites die zeer ver gevorderd zijn. Ik zal u er een lijst van bezorgen. In een Ministerraad over de follow-up van het VN-verdrag zal dit punt opnieuw op de agenda staan. We zullen alle betrokkenen stimuleren, zodat BelgiŽ, voor of tijdens het Belgische voorzitterschap, een voorbeeld kan zijn op Europees niveau.

Vraag om uitleg van de heer Philippe Monfils aan de staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap over ęhet statuut van de mantelzorger bij de begeleiding van gehandicapte personenĽ (nr. 4-1521)

De heer Philippe Monfils (MR). - Het regeerakkoord voorziet in de toekenning van een sociaal statuut voor de mantelzorger die een groot deel van zijn tijd besteedt aan de zorg voor gehandicapte personen en aan de begeleiding van gehandicapte personen uit zijn familie- of kennissenkring. In deze regeerperiode hebben verschillende staatssecretarissen belast met Personen met een handicap elkaar opgevolgd, maar het dossier heeft nog geen concrete vorm.

Er is tot op heden geen enkele wettelijke bepaling om de mantelzorgers faciliteiten te bieden op het vlak van werktijden, waarborgen inzake sociale zekerheid, bijvoorbeeld pensioen, of valoriseren van hun prestaties. Die situatie is bijzonder betreurenswaardig omdat mantelzorgers vol toewijding een taak vervullen die nuttig is voor de gemeenschap en voor gehandicapte personen.

In zijn algemene beleidsnota plant de minister overleg over dat onderwerp met de verschillende betrokken sectoren. Hoe ver staat het met dat overleg? Liggen er al concrete voorstellen op tafel? Zo ja, welke? Op welke moeilijkheden stuit men? Wat is de geplande timing? Mogen we een dergelijk statuut voor het einde van de regeerperiode verwachten?

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik wil eerst opmerken dat ik pas de tweede staatssecretaris in deze regeerperiode ben die belast is met Personen met een handicap. Het is dus niet juist dat een hele reeks staatssecretarissen elkaar hebben opgevolgd.

Het onderwerp betreft een zeer belangrijk punt in de gehandicaptensector. Degenen die dagelijks hulp verlenen aan een gehandicapte persoon die sterk zorgbehoevend is, ongeacht of die minder- of meerderjarig is, vervullen een uitzonderlijke taak voor de families die met dergelijke moeilijke situaties te kampen hebben. Dit dossier is zeer complex op juridisch vlak.

Wat is er gebeurd? In 2008 heeft mijn voorganger opdracht gegeven voor een verkennende studie over de consequenties van de omschrijving van een statuut voor de mantelzorgers in BelgiŽ. Die studie werd uitgevoerd in samenwerking met het agentschap Alter.

Het verslag was helemaal niet concreet genoeg om te starten met de invoering van een sociaal en fiscaal statuut voor de mantelzorgers. Ik heb dus een nieuwe studie gevraagd om de juridische problemen uit te diepen. Die studie werd toevertrouwd aan de vzw Aidants proches die expertise heeft op dat gebied. De studie moet de politieke verantwoordelijken helpen bij het vinden van juridische oplossingen, of op zijn minst de mogelijke oplossingen vanuit juridisch oogpunt bestuderen om aan de vragen van de mantelzorgers in verband met alle aspecten van sociaal en fiscaal recht tegemoet te kunnen komen.

Bij die studie wordt een beroep gedaan op universitaire teams, een team van de Facultťs universitaires de Namur en een team van de VUB. De doelstelling bestond erin over de nodige juridische expertise te beschikken om de problemen op te lossen.

De conclusies van die studie worden verwacht in mei. We zullen ze samen met de collega's van de federale regering en van de gewest- en gemeenschapsregeringen onderzoeken. Er werd een werkgroep opgericht over grote zorgbehoevendheid binnen de interministeriŽle conferentie `personen met een handicap', die ik sinds twee maanden voorzit en die volgende dinsdag bijeenkomt. De werkgroep zal de oplossingen die de federale regering voorstelt, bestuderen. Daarover zal een politieke beslissing worden genomen. De gewesten en de gemeenschappen kunnen van hun kant nagaan hoe ze hun regelgeving kunnen aanpassen om bij te dragen aan de ondersteuning van mantelzorgers.

De heer Philippe Monfils (MR). - Kan de staatssecretaris de conclusies van de studie, die in mei worden verwacht, aan het parlement bezorgen?

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Daar heb ik geen enkel bezwaar tegen.

Vraag om uitleg van de heer Philippe Monfils aan de staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap over ęhet einde van de `prijs der liefde'Ľ (nr. 4-1522)

De heer Philippe Monfils (MR). - De `prijs der liefde', die niets met erotiek te maken heeft, ligt me bijzonder na aan het hart. Ik heb trouwens een wetsvoorstel ingediend om de discriminatie ten opzichte van samenwonende personen met een handicap te doen verdwijnen. Ik kan immers niet aanvaarden dat een persoon met een handicap niet het recht heeft als koppel te gaan samenwonen zonder daar een zware prijs voor te moeten betalen. Dergelijke maatregelen kunnen de oorzaak zijn van de vereenzaming van personen met een handicap omdat ze bang zijn hun toelage te verliezen.

De huidige wetgeving - de wet van 27 februari 1987 en haar uitvoeringsbesluiten - bepaalt immers dat het bedrag van de integratietegemoetkoming die aan de persoon met een handicap wordt toegekend, verminderd wordt naargelang van het inkomen van de partner. Die bepaling is echter al enkele keren gewijzigd.

In 2001 werd het systeem van de `prijs der liefde' verlicht voor de categorieŽn 3, 4 en 5. Nog later, in juli 2008, heeft de regering beslist de vrijstelling van bijna 20 000 euro op het inkomen van de partner, die al was ingevoerd voor de personen met een handicap van de categorieŽn 3, 4 en 5 die een integratietegemoetkoming genieten, uit te breiden tot de categorieŽn 1 en 2.

Dat waren uiteraard positieve beslissingen, maar we zijn nog niet aan het einde van de weg.

Het regeerakkoord voorziet in de volledige vrijstelling van het inkomen van de echtgenoot (of partner) voor de berekening van de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap. Ik ben daar blij mee. Ik geef toe dat die maatregel geld kost, maar ik wijs erop dat we enkele weken geleden een wijziging van de Grondwet goedgekeurd hebben om de rechten van personen met een handicap te bevestigen. Ik denk dat de afschaffing van de `prijs der liefde' een perfecte toepassing van die nieuwe grondwettelijke bepaling zou zijn.

Ik herhaal dat het niet normaal is dat de keuzes die een mens maakt op het vlak van zijn gevoelsleven, afhankelijk zijn van zijn financiŽle situatie. Ik zou dus graag weten hoever het staat met de uitvoering van dat punt van het regeerakkoord.

Hebt u de nodige initiatieven genomen om in dit dossier vooruitgang te boeken? Ligt dat dossier op uw bureau? Denkt u dat de huidige regering verder zou kunnen gaan dan de wijzigingen die in de wet al zijn aangebracht, maar die volgens mij ontoereikend zijn omdat ze een discriminatie in stand houden?

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, eerste ondervoorzitter.)

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik deel uiteraard uw standpunt met betrekking tot de vraag die u mij stelt namens de personen met een handicap, vooral omdat ik als parlementslid ook verschillende wetsvoorstellen heb ingediend, onder meer het wetsvoorstel tot afschaffing van de `prijs der liefde'. U zegt terecht dat in de huidige regeerperiode vooruitgang is geboekt, ook al is het maar een gedeeltelijke vooruitgang. In het begin van deze regeerperiode werd de `prijs der liefde' immers gedeeltelijk afgeschaft voor de categorieŽn 1 en 2, dankzij minister Onkelinx en staatssecretaris Fernandez Fernandez.

Mijn eerste beschouwing heeft betrekking op de korte en middellange termijn en mijn tweede veeleer op de lange termijn.

We zijn verplicht de huidige wetgeving toe te passen, die inderdaad voorschrijft dat bij de bepaling van het bedrag van de tegemoetkoming rekening moet worden gehouden met het inkomen van de partner - ongeacht of het gaat om echtgenoten dan wel om samenwonenden - wat tot gevolg heeft dat de toelagen kunnen worden verminderd of afgeschaft, naargelang van het inkomen van de partner.

Aan de wetswijziging hangt een prijskaartje. Zo wordt de prijs van de afschaffing van het in rekening nemen van het inkomen van de partner voor de huidige begunstigden geraamd op ongeveer 39 miljoen euro voor 2009, het eventuele effect van de `hulp van derden' niet meegerekend.

Er werden nog andere eisen geformuleerd. Als alle inkomensvoorwaarden zouden worden afgeschaft, namelijk die van de persoon met een handicap (de prijs van de arbeid) en die van de partner (de prijs der liefde), zouden de meerkosten - met inbegrip van een eventueel effect van de hulp van derden - oplopen tot 361 miljoen euro. Ik ben uiteraard vragende partij voor het verkrijgen van dit budget.

Ik heb bij de opmaak van de begroting 2009 aan de onderhandelaars voorgesteld om die maatregelen te nemen. Dat is helaas niet gebeurd. Wij maken deel uit van een meerderheid en de beslissingen die worden genomen vloeien voort uit een consensus. Ik heb dezelfde situatie beleefd bij de armoedebestrijding.

In de parlementaire debatten zijn alle partijen unaniem van oordeel dat de armoede moet verdwijnen en dat er maatregelen moeten worden genomen ten gunste van personen met een handicap, maar wanneer het concreet om de centen gaat, klinkt het helemaal anders.

U vraagt mij of het dossier op mijn bureau ligt. Ik kan u daarop antwoorden dat dit dossier bij de opmaak van elke begroting of begrotingscontrole op de tafel van elke minister ligt. Nadien moeten keuzes worden gemaakt en akkoorden worden bereikt.

Ik herinner eraan dat de opmaak van de begroting 2010 bijzonder moeilijk is geweest door de budgettaire crisis als gevolg van de economische en financiŽle crisis. In sommige budgetten werd gesnoeid, maar het budget voor de personen met een handicap werd met bijna honderd miljoen euro opgetrokken. Dat is een stijging van 6,5% in deze tijden van recessie en budgettaire inspanningen! Waarom werd dat budget opgetrokken? De staatssecretaris belast met Personen met een handicap, wie dat ook is, moet de middelen afstemmen op de aanvragen. Op dit ogenblik wordt werk gemaakt van de achterstand in de behandeling van de dossiers, die trouwens stilaan verdwijnt. Als er meer dossiers worden behandeld, moeten er uiteraard ook meer tegemoetkomingen worden uitbetaald en moeten de budgetten daarop worden afgestemd. Dat zal in 2010 het geval zijn en dat is nodig om de rechten die uit de huidige wetgeving voortvloeien te kunnen betalen.

De wetgeving, die in 1987 tot stand is gekomen, is niet meer aangepast aan de huidige verwachtingen en noden van de personen met een handicap. Dat is onder meer het geval voor de toegang tot werk en de werkloosheidsvallen, maar ook voor de `prijs der liefde'.

Ik heb dus voorgesteld om samen met de sector een bezinning te organiseren met als doel in de volgende jaren of in een volgende regeerperiode het hele systeem van tegemoetkomingen volledig te evalueren, teneinde te komen tot een administratieve vereenvoudiging en snellere en efficiŽntere beslissingen. Er zullen nog andere aspecten moeten worden bestudeerd, bijvoorbeeld de kostprijs en de evaluatie van de handicap, de prijs van de arbeid of de prijs der liefde. Ik ga ervan uit dat de prijs der liefde op lange termijn moet worden opgenomen in de hervorming van het huidige systeem.

Op budgettair vlak moeten prioriteiten worden gesteld. De prijs der liefde is niet de eerste prioriteit van de sector. Voor de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap is de eerste prioriteit een verhoging van de inkomensvervangende tegemoetkoming - en dus van de koopkracht van de personen met een handicap - die onder de armoedegrens ligt. De tweede prioriteit is de prijs van de arbeid. Daarna komt het probleem van de samenvoeging met het inkomen van de partner.

Gelet op de beschikbare financiŽle middelen, moet nu worden gediscussieerd, onderhandeld en gevochten omdat we onmogelijk alles kunnen realiseren. Op langere termijn moet samen met de sector en alle betrokkenen, de sociale partners en anderen, worden nagedacht over de hervorming van het systeem. We moeten onderzoeken hoe we de wetgeving kunnen wijzigen, het systeem kunnen financieren en de prioriteiten voor de toekomstige politieke keuzes kunnen vastleggen.

De heer Philippe Monfils (MR). - Ik was er mij terdege van bewust dat in de huidige regeerperiode geen verdere vooruitgang zou worden geboekt. Toch wil ik voorkomen dat men de prijs der liefde uit het oog verliest onder het voorwendsel dat er andere inspanningen zijn gedaan. Hier moet grondig over nagedacht worden. Die bezinning moet gaan over de zelfstandigheid van de persoon met een handicap en de individualisering van de rechten. Moet de persoon met een handicap op kosten van de anderen blijven leven, terwijl dat almaar minder het geval is op sociaal en professioneel vlak? Men mag zich niet tevreden stellen met het verhogen van de toelagen met het argument dat zij die het geluk hebben een bemiddelde partner of echtgenoot te hebben, zich toch zullen redden.

Het gaat hier om de waardigheid van de mens en dat mag niet worden verwaarloosd. Enerzijds dringt de Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap aan op een verhoging voor iedereen en, anderzijds, moet rekening worden gehouden met de waardigheid van de persoon met een handicap. Dat begrip komt trouwens voor in de grondwetswijziging die we unaniem hebben goedgekeurd. De persoon met een handicap heeft rechten en die moeten worden geŽerbiedigd.

Ik begrijp echter dat de regering in perioden van crisis keuzes moet maken: ofwel geeft men geen tegemoetkoming meer aan de mensen die over voldoende financiŽle middelen beschikken en bestudeert men in welke mate de laagste toelagen kunnen worden opgetrokken - naar analogie met wat we doen voor de werkloosheidsvergoeding - ofwel denkt men na over een globale herziening van het hele systeem van tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Het is voor de toekomst nodig dat daarover wordt nagedacht. Bij dezelfde gelegenheid moeten ook vragen worden gesteld bij de instandhouding van sommige toelagen aan personen met een handicap. Op basis van een hele reeks elementen kan immers blijken dat sommige minder zware handicaps niet noodzakelijk een tegemoetkoming vereisen.

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - We zouden hier inderdaad nog uren over kunnen debatteren. Ik ben het volkomen met u eens, mijnheer Monfils, en ik kan u zeggen dat dit debat er zal komen.

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de eerste minister, belast met de CoŲrdinatie van het Migratie- en asielbeleid over ęde steun van BelgiŽ aan de Albanese kandidatuur voor EU-lidmaatschapĽ (nr. 4-1529)

De voorzitter. - De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap, antwoordt.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - In een persbericht van Belga van 16 februari 2010 lezen we dat onze eerste minister AlbaniŽ steunt om lid te worden van de Europese Unie. Om zijn woorden kracht bij te zetten, bood hij de Albanezen zelfs Belgische expertise aan om de Europese Unie te overtuigen.

Kan de eerste minister de reden voor die steun toelichten? Hoe staat BelgiŽ tegenover andere kandidaat-lidstaten? Welke landen steunt BelgiŽ precies? Kan de eerste minister de aard van de beloofde Belgische expertise toelichten? Genieten ook andere kandidaat-lidstaten de Belgische expertise ter zake?

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik lees het antwoord van de eerste minister.

Tijdens mijn recente reis naar ServiŽ, AlbaniŽ en Montenegro heb ik inderdaad in elk van die landen duidelijk herhaald dat hun toekomst Europees is. Geografisch en historisch is dit een evidentie. Die landen horen bij het Europese continent en maken deel uit van de Europese geschiedenis en cultuur. De uitbreiding van de Europese Unie tot de Balkanlanden is een garantie voor stabiliteit en veiligheid in de Balkan en Europa.

Net zoals voor de andere landen die in opeenvolgende golven tot de Europese Unie zijn toegetreden, zal het uitbreidingsproces gepaard gaan met een grondige voorbereiding. Elke lidstaat dient zich immers vanaf de eerste dag van toetreding aan te passen aan de verplichtingen en verantwoordelijkheden. De betrokken landen dienen het communautair acquis, het geheel van Europese verordeningen en richtlijnen dat van toepassing is in Europa, te integreren in hun nationale wetgeving en structuren. Voor de Balkanlanden gaat een bijzondere aandacht naar democratisering en goed bestuur, alsook naar de versterking van hun rechtsstaat.

In elk van die landen herhaal ik steeds dat men niet te vlug tewerk mag gaan en dat men rekening dient te houden met de interne draagkracht en de publieke opinie, zowel in de kandidaat-lidstaat als in de rest van Europa. Sinds de grondige reflectie die tot de conclusies van de Europese Raad van december 2006 heeft geleid, zijn dit trouwens sleutelelementen in de EU-consensus over toekomstige toetredingen. Alle landen van het vroegere JoegoslaviŽ verkeren in een ander stadium van integratie in de Europese Unie. SloveniŽ is reeds lid. KroatiŽ en de Voormalige Joegoslavische Republiek MacedoniŽ hebben het statuut van kandidaat-lidstaat. ServiŽ, AlbaniŽ en Montenegro hebben zich officieel kandidaat gesteld. BosniŽ-Herzegovina en Kosovo zijn eveneens potentiŽle kandidaten. De Commissie brengt elk jaar verslag uit over de vooruitgang in het integratieproces.

Ik heb de expertise van ons land aangeboden in algemene termen en met het oog op een nauwkeurige follow-up tijdens ons EU-voorzitterschap. Ik heb de landen gevraagd de Belgische administratie op de hoogte te houden van de vooruitgang van hun hervormingen. Naast het feit dat de informatiedoorstroming nodig is om ons voorzitterschap voor te bereiden, ben ik ervan overtuigd dat ons land ook kan bijdragen aan de ondersteuning van de hervormingen in allerlei sectoren. Zo organiseerde BelgiŽ reeds een aantal seminaries over het EU-beleid inzake tewerkstelling, sociale zaken en energie. Ook op het gebied van justitie en politie werden akkoorden gesloten of wordt erover onderhandeld. De aanpassing van de Balkanlanden aan het Europees niveau zal een positief effect hebben op de economische groei en de migratiedruk. Ze zal de migratiedruk naar het buitenland verminderen en de handelstransacties met ons land verhogen.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Ik ben het met twee zaken niet eens. AlbaniŽ behoort tot de Balkanlanden. We kennen de schrijver Ismail Kadare, die De nis der schande heeft geschreven. Daardoor weten we van die Albanese schrijver dat AlbaniŽ deel uitmaakte van het grote Ottomaanse rijk. Als we de deur openzetten voor AlbaniŽ, gaat ze ook open voor Turkije. Voor mij blijft het eigenaardig dat de minister de expertise bezit om dergelijke beloftes te maken. Ik sta daar toch kritisch tegenover.

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęhet geneesmiddel AvastinĽ (nr. 4-1518)

De voorzitter. - De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap, antwoordt.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Het Europees geneesmiddelenbureau EMEA heeft onlangs een negatief advies gegeven voor de erkenning van Avastin voor de behandeling van hooggradige hersentumoren, omdat de firma Roche geen gerandomiseerde fase III-studie heeft uitgevoerd met betrekking tot het gebruik van Avastin voor deze hersentumoren. Zulke studies zijn de norm voor het opstarten van een erkenningsprocedure voor geneesmiddelen.

Men zou toch denken dat de `in-life'-procedure mogelijk moet zijn voor gevallen als hooggradige hersentumoren. Het is uiteraard normaal dat elk medicijn onderworpen moet worden aan zeer strikte procedures alvorens het op de markt wordt gebracht, maar die termijn wordt steeds korter omdat men inziet dat dit in sommige gevallen alleen maar kan baten. Men doet dan ook een zeer strikte follow-up tijdens de inname van het geneesmiddel en stuurt zelfs bij als gevolg van neveneffecten die optreden tijdens het ziekteproces.

Eťn van de eerste en beste voorbeelden is dat van Glivec. PatiŽnten met CML (Chronische MyeloÔde Leukemie) waren vroeger ten dode opgeschreven. De STI-studie bewees dat het later Glivec genoemde middel, dat werkt op tyrosinekinase, fenomenale resultaten gaf voor CML-patiŽnten. Door de druk van de patiŽnten werd het geneesmiddel vervroegd vrijgegeven en moesten dus niet alle trials worden doorlopen. De FDA heeft daarvoor toestemming gegeven en dus is dit principe zeker hanteerbaar. Het is nu zelfs geÔnstitutionaliseerd.

Hoe staat de minister hiertegenover? Wat zal ze doen? Wat zal ze ondernemen ten aanzien van het EMEA? Is ze bereid met onze wetenschappers het EMEA ter verantwoording te roepen? Is de minister er ook geen voorstander van dat men soms de ethische component moet afwegen tegenover de administratieve?

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

In het kader van de ontwikkeling van nieuwe kankergeneesmiddelen worden eerst fase II-studies gerealiseerd bij een beperkt aantal patiŽnten die een herval van hun ziekte vertonen en voorafgaand de standaardbehandeling hebben gekregen. In die context werden voor Avastin studies van dit type uitgevoerd voor de patiŽnten met een recidiverend glioblastoom. De twee belangrijkste fase II-studies werden gebruikt voor de aanvraag tot registratie in Europa en de Verenigde Staten.

Op basis van de aangetoonde activiteit over het recidiverend glioblastoom, startte Roche onlangs, ook in BelgiŽ, twee grote gerandomiseerde fase III-studies voor patiŽnten met een nieuw gediagnosticeerd glioblastoom, een hersentumor, om uit te maken of Avastin voor die patiŽnten een voordeel kon zijn. De kleinere groep patiŽnten met een recidiverend glioblastoom wordt in die studies niet opgenomen. Voor die patiŽnten is momenteel geen behandeling voorhanden die een effect heeft aangetoond dat vergelijkbaar is met dat van Avastin.

In de Verenigde Staten besliste het FDA dat de doeltreffendheid van Avastin voldoende bewezen was, op basis van de resultaten van de twee grote fase II-studies en het unanieme advies van een groep onafhankelijke experts voor patiŽnten met recidiverend glioblastoom, na falen van de standaardbehandeling.

In Europa besliste het Europees Geneesmiddelenbureau (EMEA) dat alleen op basis van de resultaten van de twee fase II-studies en in afwezigheid van een gerandomiseerde fase III-studie, geen registratie kon worden toegekend voor Avastin in de indicatie van herval van glioblastoom na falen van standaardbehandeling, dit conform de huidige Europese richtsnoeren. Die beslissing werd ondersteund door de Scientific Advisory Group on Oncology. De SAG Oncology was echter ook van mening dat op basis van de beschikbare gegevens, Avastin voor sommige patiŽnten met recidiverend glioblastoom efficiŽnt kan zijn.

De huidige Europese richtsnoeren voor klinisch onderzoek hebben tot doel de doeltreffendheid en de veiligheid van een geneesmiddel op een uniforme en wetenschappelijke manier te evalueren. Een overzicht van die richtsnoeren staat op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau: (http://www.emea.europa.eu/htms/human/humanguidelines/efficacy.htm).

Algemeen kan worden gesteld dat voor de registratie van een geneesmiddel, een gerandomiseerde gecontroleerde fase III- studie noodzakelijk is, die het mogelijk maakt de resultaten over de toxiciteit en de efficiŽntie van de geneesmiddelen van de voorafgaande studies van fase II te bevestigen. De vereisten voor het toekennen van een registratie moeten voldoende strikt zijn, om te voorkomen dat geneesmiddelen op de markt komen waarvan de doeltreffendheid onvoldoende werd aangetoond.

Gelet op de geldende richtsnoeren is het niet raadzaam de beslissing van het EMEA aan te vechten.

In BelgiŽ is voor een beperkte doelgroep, namelijk patiŽnten met een herval van een hooggradige hersentumor, momenteel geen alternatieve behandeling beschikbaar. Er lopen ook geen klinische studies waar deze patiŽnten toegang tot hebben.

De resultaten van de fase-II-studies bij patiŽnten met een recidiverend glioblastoom nadat standaardtherapie is gefaald, hebben een objectieve respons aangetoond. Er kan dan ook worden besloten dat het voor die specifieke doelgroep wetenschappelijk gerechtvaardigd is om Avastin te gebruiken.

Hoe de doelgroep moet worden gedefinieerd en welke de toegangsvoorwaarden moeten zijn, wordt momenteel besproken met alle betrokken partijen: neuro-oncologen, RIZIV, FAGG, ethische comitťs, en de firma.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - De laatste paragraaf van het antwoord stemt me zeer hoopvol. Er is een opening gecreŽerd voor recidiverende hooggradige glioblastoom. PatiŽnten die daaraan lijden zitten in een uitzichtloze situatie. Het is op basis van de preliminaire studies dan ook gerechtvaardigd om alvast die opening te maken. Voor een aantal patiŽnten zal dat echt een hart onder de riem zijn.

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Justitie over ęde bevoegdheden van de FOD Justitie binnen de gezondheidsdiensten van gevangenissenĽ (nr. 4-1528)

De voorzitter. - De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap, antwoordt.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - De gezondheidsdiensten van de Belgische gevangenissen vallen onder de bevoegdheid van de FOD Justitie. De Raad van Europa heeft echter reeds in april 1998 de aanbeveling gedaan om de gezondheidsdiensten van gevangenissen onder volksgezondheid te plaatsen. De gezondheidsdienst in de gevangenis zou binnen de nationale volksgezondheid moeten worden geÔntegreerd en hij moet hiermee compatibel zijn.

De FOD Justitie houdt zich in het algemeen niet bezig met volksgezondheid. Dat leidt dan ook vaak tot verkeerde, ondoordachte aanbevelingen en onderfinanciering van de gezondheidsdiensten in de gevangenissen.

De gezondheidsdienst zelf geeft de voorkeur aan een onafhankelijk federaal agentschap.

Is de minister op de hoogte van de Europese aanbeveling?

Is de minister zich bewust van het belang om de gezondheidsdiensten in de gevangenissen onder de vleugels van FOD Volksgezondheid te plaatsen teneinde die zo optimaal te doen functioneren?

Wat gaat de minister concreet ondernemen om de Europese aanbeveling in de praktijk om te zetten?

Hoe kan worden voldaan aan de vraag van de gezondheidsdiensten om onder een onafhankelijk federaal agentschap te functioneren?

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik lees eerst het antwoord van minister Onkelinx.

Ik ben op de hoogte van de aanbeveling betreffende de ethische en organisatorische aspecten van de gezondheidszorg in de gevangenis van het Comitť van Ministers van de Raad van Europa, alsook van de noodzaak om de gezondheidsdiensten in de gevangenissen meer aansluiting te doen vinden bij de bestaande overheidsstructuren van het algemeen gezondheidsbeleid.

Wat betreft de aanbeveling van de Raad van Europa, verwijs ik het geachte lid naar het advies 2009/1 van de Penitentiaire Gezondheidsraad aan de minister van Justitie betreffende de hervorming van de gezondheidszorg in de gevangenissen. Dat is eenparing aangenomen tijdens de plenaire vergadering van de Penitentiaire Gezondheidsraad op 4 december 2008 en 12 februari 2009.

Het advies werd onder meer ingegeven door de overweging dat de gedetineerde uitgesloten is van de sociale zekerheid, met inbegrip van de ziekteverzekering, en beveelt een verdere integratie aan van de gezondheidszorg in de gevangenissen in het nationaal beleid en beheer van de gezondheidszorg.

Wat de ziekteverzekering betreft, werd enkele maanden geleden in het RIZIV een werkgroep opgericht met onder meer vertegenwoordigers van de FOD Justitie en het RIZIV. Daarin wordt nagegaan op welke voorwaarden gedetineerden en geÔnterneerden in de verplichte ziekteverzekering een volwaardig statuut kunnen krijgen, zodat ze dezelfde rechten kunnen laten gelden als sociaal verzekerden in de vrije samenleving.

De Penitentiaire Gezondheidsraad adviseert te streven naar een integratie van de gezondheidszorg in de gevangenissen conform de normen van de gezondheidssector in het algemeen. In die optiek wenst de Raad dan ook dat in de gevangenissen niet alleen het algemeen gezondheidsbeleid wordt toegepast, maar ook dat de financiering ervan zo veel mogelijk beantwoordt aan de normen die in de gezondheidssector in het algemeen worden toegepast.

In die logica is het wenselijk de verzekerbaarheid van gedetineerden zo veel mogelijk op de bestaande algemene verzekerbaarheidsprincipes af te stemmen. Zo onderzoekt de werkgroep niet alleen de problematiek van de geneeskundige verzorging van gedetineerden en geÔnterneerden in al haar facetten, maar bekijkt hij ook in welke mate voor gedetineerden eventueel een afzonderlijke categorie van gerechtigden in het leven kan worden geroepen, zoals we dat in de huidige regelgeving al kennen voor werknemers, zelfstandigen, gepensioneerden, residenten enzovoort. De creatie van zo'n afzonderlijke categorie voor gedetineerden beantwoordt niet alleen aan de aanbevelingen van de Penitentiaire Gezondheidsraad, maar zorgt ook voor continuÔteit van de rechten van de gedetineerde en zijn personen ten laste. Bovendien wordt een financiering van de zorg mogelijk die nauwer aansluit bij dat van de rechthebbenden in de vrije samenleving, aangezien de kosten voor geneeskundige verzorging ten laste worden genomen door de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging op dezelfde wijze als dat nu voor de rechthebbenden in de vrije samenleving gebeurt.

De RIZIV-werkgroep zal zijn conclusies in de loop van het laatste trimester van 2011 bekendmaken. De maatregelen waarvoor een wetswijziging nodig is, zouden in 2012 van kracht moeten zijn.

Ik lees nu het antwoord van collega De Clerck.

In artikel 40 van zijn aanbevelingen betreffende de Europese gevangenisregels zegt de Raad van Europa dat de gezondheidszorg in de gevangenissen moet worden georganiseerd in nauw verband met het beheer van de gezondheidszorg in de vrije samenleving en dat het gezondheidszorgbeleid in het nationale beleid moet worden geÔntegreerd. Ik heb van de Penitentiaire Gezondheidsraad een uitgewerkt advies en aanbeveling ontvangen betreffende de hervorming van de gezondheidszorg in de gevangenissen, dat gedeeltelijk steunt op deze aanbeveling van de Raad van Europa. Medewerkers van mijn beleidscel en van mijn administratie onderzoeken momenteel de mogelijkheden tot concretisering van dit advies. Ik heb het advies van de Penitentiaire Gezondheidsraad eveneens doorgestuurd naar mijn collega van Volksgezondheid met het oog op overleg.

Ik wens me niet uit te spreken over het voorstel om de dienst gezondheidszorgen van de gevangenissen om te vormen tot een onafhankelijk federaal agentschap zonder eerst met collega Onkelinx overleg te hebben gepleegd.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Als arts interesseert me dat probleem. Ik vind dat Volksgezondheid andere normen stelt dan Justitie. Als Justitie een zorgproject organiseert, wordt niet veel rekening gehouden met het beroepsgeheim. Daarom pleit ik voor een aanpak volgens de Europese aanbevelingen. Het zou hetzelfde moeten zijn zoals in het eerste deel van het antwoord van mevrouw Onkelinx.

Vraag om uitleg van de heer Freddy Van Gaever aan de minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven over ęhet treinongeval in Halle en het gebruik van gsm's door treinbestuurdersĽ (nr. 4-1511)

De voorzitter. - De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap, antwoordt.

De heer Freddy Van Gaever (VB). - De jongste jaren zijn er zware treinongevallen gebeurd. De oorzaak ervan is steeds te vinden in het `rijden door een rood licht'. Er zijn dan twee mogelijkheden. Ofwel reed de bestuurder moedwillig door het rood licht, wat ik moeilijk kan geloven, ofwel is hij onachtzaam geweest.

Mag een treinbestuurder in ons land over een gsm beschikken tijdens de uitoefening van zijn werk? Uit studies in de VS is gebleken dat zeer vele zware ongevallen te wijten zijn aan `texting', dat is het doorsturen van berichtjes met de gsm.

Is het een treinbestuurder verboden gsm-berichten te sturen tijdens zijn werk en wordt hierop controle uitgeoefend door de NMBS?

Beschikte de treinbestuurder van het recente zware ongeval over een gsm? Indien ja, werd er dan gecontroleerd of hij die op het ogenblik van het ongeval gebruikte?

Indien het juist is dat automatische veiligheidssystemen fortuinen gaan kosten, is het dan niet mogelijk om onmiddellijk een erg goedkope en gemakkelijk te realiseren controle in te voeren door, naar analogie met de zwarte doos in de luchtvaart, in iedere stuurhut een camera te plaatsen waarvan de opgenomen beelden automatisch na 24 uur worden gewist? Er zouden dan geen ellenlange discussies meer moeten worden gevoerd, zoals nu, over het feit of de treinbestuurder naar het sein aan het kijken was of niet.

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik lees het antwoord van de minister. De treinbestuurders hebben verplicht een dienst-gsm bij zich tijdens de uitvoering van hun werk. Het gebruik ervan is onderworpen aan strikte voorwaarden.

Er zijn strikte onderrichtingen met betrekking tot het gebruik van de dienst-gsm in aanvulling op andere boordcommunicatiemiddelen, zowel voor het verplicht gebruik als voor het verboden gebruik bij de uitvoering van sommige taken door de treinbestuurder.

Zo mag tijdens de treinrit geen enkel inkomend en/of uitgaand telefoongesprek worden gevoerd dat niet rechtstreeks verband houdt met de besturing van de trein. De treinbestuurder mag slechts antwoorden als dit mogelijk is zonder het risico te lopen dat hij wordt afgeleid.

Dit is ook zo bij een gewone oproep via de boordradio.

Wanneer het antwoord niet op zich kan laten wachten, zoals bijvoorbeeld bij een noodoproep, stopt hij desnoods de trein alvorens te antwoorden.

Bij de begeleiding van de treinbestuurders door instructeurs en coaches wordt onder andere gelet op het correcte gebruik van de dienst-gsm.

Ook de treinbestuurders van de twee treinen die op elkaar gebotst zijn bij het treinongeval te Buizingen beschikten over een dienst-gsm.

Aangezien het onderzoek aan de gang is, kan ik geen enkel element met betrekking tot de precieze omstandigheden van het ongeval meedelen.

Het voorstel om een camera in elke stuurpost te plaatsen kan worden onderzocht, maar het onafgebroken gebruik van camera's om de handelingen van de individuele treinbestuurder te controleren zou juridisch moeten worden onderzocht en het voorwerp moeten uitmaken van sociaal overleg. Bovendien is het niet mogelijk om aan de hand van camerabeelden vast te stellen of een treinbestuurder gepast op de seinen reageert.

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęhet tekort aan medische isotopenĽ (nr. 4-1530)

De voorzitter. - De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap, antwoordt.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - In september 2008 stelde ik minister Onkelinx reeds een vraag in verband met het nijpende tekort aan medische isotopen. Onlangs las ik in De Standaard: `Zoals in het najaar 2008 al het geval was, dreigen ziekenhuizen halverwege dit jaar opnieuw met een tekort aan medische isotopen voor kankeronderzoek te vallen. Die isotopen, vooral molybdeen-99 en het ervan afgeleide technetium-99, zijn stoffen met een zwakke radioactieve straling. Ziekenhuizen in dit land gebruiken ze jaarlijks duizenden keren, vooral voor het opsporen van diverse tumoren en voor cardiologische en orthopedische onderzoeken. Radioactief molybdeen wordt op bestelling gemaakt in kerncentrales door uranium te beschieten met neutronen. Dat molybdeen-99 wordt vervolgens door isotoopfabrikanten verpakt in staafjes die als een soort radioactieve `koe' naar de ziekenhuizen gaan. Molybdeen-99 vervalt immers langzaam in technetium-99, het isotoop waar het de ziekenhuizen om te doen is. Ongeveer een week lang kan een ziekenhuis technetium-99 `melken' uit de molybdeenstaafjes. In de hele wereld leveren tot dusver slechts zes kernreactoren molybdeen voor medisch gebruik. Eentje ervan is de BR2-reactor van het Studiecentrum voor kernenergie in Mol. Met z'n zessen zijn de reactoren op het nippertje in staat om aan de wereldwijde vraag naar medische isotopen te voldoen, maar ze zijn allemaal hoogbejaard en liggen geregeld stil voor check-ups of herstel. Eind 2008 stokte de productie van isotopen enige tijd toen meerdere reactoren tegelijk dichtgingen, sommige volgens een vooraf opgesteld plan, andere na onverwachte pannes. Dat scenario herhaalt zich nu de Nederlandse hogefluxreactor (HFR) in Petten, normaal goed voor 30 procent van de wereldproductie van medische isotopen, de molybdeenproductie heeft gestaakt. De HFR gaat een halfjaar dicht voor onderhoud. De sluiting was gepland en zou geen probleem hebben gevormd als de Canadese kernreactor NRU in Ontario, goed voor de helft van de wereldmolybdeenproductie, tegelijkertijd niet gesloten zou zijn. De NRU ligt al negen maanden ongepland stil wegens een zwaarwaterlek en gaat ten vroegste over twee maanden weer open. Nu de twee grote leveranciers buiten strijd zijn, is de overblijvende centrales gevraagd om hun productie op te drijven en op elkaar af te stemmen. Volgens de reactormanager draait Mol dit jaar zes molybdeencycli in plaats van vijf. Voorts wordt productiecapaciteit per cyclus met de helft verhoogd, door technische aanpassingen door te voeren. Met de extra productie van de andere reactoren erbij moet dat leiden tot slechts twee ŗ drie weken schaarste, in plaats van drie of vier maanden. In theorie zou de reactor in Mol meer extra cycli kunnen draaien en zo het hele tekort wegwerken, maar daarvoor heeft het SCK geen vergunning. Zes cycli is het maximum. De overige tijd draait de reactor voor andere opdrachtgevers en voor wetenschappelijk onderzoek. Het SCK levert zijn molybdeen niet rechtstreeks aan ziekenhuizen, maar via de tussenhandelaars Covidien uit Petten en IRE uit Fleurus.

Zij hebben hun afnemers al laten weten dat ze in de maanden maart en april niet aan de vraag zullen kunnen voldoen en dat er ook in het najaar een periode van schaarste komt. De hernieuwde crisis doet de vraag rijzen hoe wijs het is om voor de productie van medische isotopen die ziekenhuizen elke dag nodig hebben, aangewezen te zijn op een stelletje hoogbejaarde reactoren. De kwakkelende Canadese reactor is 53 jaar oud; de hogefluxreactor in Petten, die eigendom is van de Europese Commissie, bijna vijftig jaar.'

Is minister reeds op de hoogte van deze situatie? Waarom wordt er aan Mol geen vergunning verleend voor extra cycli zodat tekorten in de toekomst voorkomen kunnen worden? Waarom zitten we in BelgiŽ nog met een vijftig jaar oude reactor? Door de vergrijzing van de maatschappij, zal het aantal kankers toenemen en zullen die niet medisch verantwoord kunnen behandeld worden indien het probleem niet wordt aangepakt. Is de minister bereid daarvoor met haar collega's rond de tafel te zitten?

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Deze problematiek is mij uiteraard bekend. De gelijktijdige sluiting voor onderhoud en herstelling van twee reactoren, de NRU in Ontario en de HFR in Petten, zal in de komende maanden onvermijdelijk opnieuw voor een schaarste zorgen van molybdeen-99 gedurende bepaalde periodes. De isotopenschaarste betreft hoofdzakelijk molybdeen-99.

In september 2008 heb ik dit punt al aangekaart op de Europese vergadering van de ministers van Volksgezondheid in Angers met de vraag of het Health Security Committee, HSC, een structurele oplossing op lange termijn kan uitwerken. Een dergelijke studie kan inderdaad enkel op Europees en zelfs op mondiaal niveau gezien het beperkt aantal kernreactoren dat instaat voor de productie van molybdeen-99.

De Raad van de Europese Unie heeft in december 2009 conclusies uitgebracht met betrekking tot de bevoorradingszekerheid van radio-isotopen voor medisch gebruik.

Aan de Europese Commissie werd een duidelijk mandaat gegeven om initiatieven te nemen en met de lidstaten te zoeken naar verschillende oplossingen voor de korte, middellange en lange termijn. Rekening houdend met technische ontwikkelingen en prognoses over het toekomstig gebruik van isotopen in medische toepassingen, werd ook de bouw van nieuwe productie-eenheden bestudeerd.

Inmiddels blijft het Federaal Agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten op mijn uitdrukkelijk verzoek continu informatie inzamelen bij de belangrijkste producenten die de Belgische markt van medische isotopen bevoorraden. Die informatie wordt verspreid bij de gebruikers, zodat ze hun programma's afhankelijk van de prioriteiten kunnen plannen.

Een circulaire opgesteld door de FOD Volksgezondheid werd naar ziekenhuisdirecties gestuurd en de lijst met FAQ's werd geactualiseerd. Dit gebeurde in samenwerking met de geneesheren-nuclearisten, BELNUC.

De isotopenschaarste zou mogelijk op vrij korte termijn enigszins beperkt kunnen worden door de recente investeringen in een onderzoeksreactor in Polen die molybdeen-99 kan produceren.

De NRU-reactor in Ontario kan misschien binnen enkele maanden weer worden opgestart, maar dat is niet zeker.

Het verlenen van een vergunning voor bijkomende productiecycli van de BR2-reactor in Mol hangt af van de beoordeling van de nucleaire veiligheid.

De productie kan immers niet ongebreideld worden verhoogd zonder aan de veiligheid te denken.

In deze context onderzoekt het Federaal Agentschap voor nucleaire controle, FANC, de aanvragen voor extra productiecycli in de BR2-reactor en reikt de vereiste vergunningen uit. Een en ander valt onder de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken.

Investeringen in nieuwe onderzoeksreactoren, het PALLAS-project in Nederland en het MYRRHA-project in BelgiŽ, zouden kunnen bijdragen aan een structurele oplossing van het probleem, maar dat soort van projecten is zeer complex en vergt een grondige analyse. Voor die problematiek is de minister van Energie bevoegd.

Op wereldniveau zijn de meeste reactoren multipurpose; ze staan in voor tal van toepassingen. Daarom is een internationale aanpak nodig waarbij rekening wordt gehouden met technische ontwikkelingen en prognoses voor het toekomstig gebruik van isotopen in medische toepassingen. Toekomstige initiatieven van de Europese Commissie moeten dan ook in dat perspectief gezien worden.

Ik ben bereid overleg te plegen met mijn collega's over de productie en het optimaal gebruik van medische isotopen, zeker gezien de belangrijke bijdrage ter zake van ons land op Europees en zelfs mondiaal niveau.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - De data dateren van 2008. Vandaag 2010 zitten we nog steeds met `hoogbejaarde' reactoren die voor de isotopenproductie instaan.

Toch is er een lichtpunt: precies vandaag wordt gestart met het MYRRHA-project. Ik heb trouwens een uitnodiging voor de plechtige start op zak, maar toen ik mijn vraag schreef, was ik hiervan uiteraard nog niet op de hoogte.

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de minister van Justitie over ęBelgiŽ als draaischijf in drugshandelĽ (nr. 4-1525)

De voorzitter. - De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap, antwoordt.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Metro kopt `BelgiŽ, draaischijf in drughandel'.

Volgens het INCB-jaarrapport worden de grootste hoeveelheden heroÔne in beslag genomen in het Verenigd Koninkrijk, ItaliŽ, Frankrijk en Duitsland. Interessanter is dat grote hoeveelheden van die harddrug uit ons land worden verzonden. BelgiŽ staat op de derde plaats bij de verschepers van heroÔne in West-Europa, na Nederland en Turkije. De INCB merkt verder op dat MDMA, het zogenaamde ecstasy, steeds vaker wordt geproduceerd in het land waar het wordt gebruikt. Daaruit volgt dat ons land in West-Europa vermoedelijk de grootste producent is, na Nederland.

Ook bij de handel in amfetamines en hasj pikt ons land een graantje mee. Duitsland, grootverbruiker van amfetamines, merkt op dat de grootste hoeveelheden uit Nederland en BelgiŽ afkomstig zijn. Handel in hasjiesj verloopt in omgekeerde richting. In Spanje worden traditioneel de grootste vangsten gedaan, maar BelgiŽ is de op twee na populairste bestemming van die softdrug, na Frankrijk en Nederland.

Een laatste opmerkelijke vermelding in het rapport krijgt ons land voor de inbeslagname van khat, de drug die bekend raakte door het overmatige gebruik ervan door Somalische piraten. In 2008 werd in BelgiŽ meer dan 100 kilogram khat in beslag genomen.

Het INCB-rapport doet enkele aanbevelingen waardoor verschillende regeringen de drugconventies eenvoudiger kunnen naleven. Zo zouden overheden intensiever moeten samenwerken met de farmaceutische en de chemische industrie, maar moeten ook de politiediensten meer middelen krijgen om overtreders snel aan te pakken.

Hoe kan het dat ons land zo slecht scoort in het INCB-rapport?

Hoe ziet de minister de samenwerking met de farmaceutische en de chemische sector beter verlopen?

Welke extra middelen is de minister bereid te aan de politiediensten geven? Hoe groot raamt hij de kosten hiervoor?

Op welke termijn denkt de minister een en ander recht te trekken zodat BelgiŽ in een volgend rapport beter scoort?

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Hier volgt het antwoord dat de minister van Justitie mij heeft bezorgd.

De senator stelt dat BelgiŽ zeer slecht scoort in het INCB-rapport en in de titel van haar vraag spreekt ze over `BelgiŽ als draaischijf in drugshandel'. Na het rapport van de INCB gelezen te hebben, meen ik toch te mogen stellen dat de feiten veel genuanceerder zijn. BelgiŽ wordt slechts op vijf plaatsen vermeld in het rapport.

Het rapport merkt op dat de meeste inbeslagnemingen van heroÔne plaatsvonden in het Verenigd Koninkrijk, ItaliŽ, Frankrijk, Duitsland en Noorwegen. Wel wordt aangehaald dat deze zendingen voornamelijk vanuit Nederland worden verstuurd, maar eveneens vanuit Turkije en BelgiŽ of Pakistan. Wetende dat, zoals eveneens vermeld in het rapport, de heroÔnehandel voornamelijk over de weg gebeurt, is het eigenlijk vrij normaal dat ons land genoemd wordt, aangezien de zendingen hoofdzakelijk bestemd zijn voor het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Daarenboven dient te worden vermeld dat de INCB geen cijfergegevens geeft aan de hand waarvan kan worden nagegaan hoe belangrijk ons land is binnen deze handel.

Wat de handel in hasj betreft wordt BelgiŽ als een bestemmingsland vermeld.

Wat de rol van ons land binnen de synthetische drugsproductie betreft, zal de senator ongetwijfeld hebben opgemerkt dat ons land, in tegenstelling tot het verleden, door de landen van Amerika niet meer als bron wordt genoemd. Zoals aangehaald in het rapport komen de productie en de consumptiemarkten dichter bij elkaar te liggen, wat de ontdekking verklaart van verschillende clandestiene productieplaatsen in Canada en in AustraliŽ. Zelfs in Europa is BelgiŽ, in tegenstelling tot wat de senator laat uitschijnen, gezakt op de ranglijst. Het rapport stelt vast dat de inbeslagnemingen van amfetamines in Europa met veertig procent zijn gestegen. De grootste stijging doet zich echter voor in Nederland. Nederland wordt eveneens vermeld als belangrijkste bron van de in Duitsland in beslag genomen amfetamines; BelgiŽ en Polen worden als secundaire bron aangehaald. Wat ecstasy, een andere synthetische drug, betreft, blijft BelgiŽ inderdaad de tweede plaats bij de herkomstlanden innemen, maar er dient te worden verduidelijkt dat in 2008 maar 63 kilogram ecstasy in beslag werd genomen.

Verder wordt vermeld dat voor de eerste keer methamfetamine is aangetroffen in BelgiŽ.

En ten slotte is er de inbeslagname van een belangrijke hoeveelheid khat.

Ik wil hiermee geen idyllisch beeld schetsen van de situatie in BelgiŽ, maar het is in mijn ogen belangrijk dat ook de geleverde inspanningen en resultaten die de voorbije jaren zijn geboekt, worden erkend.

De beleidslessen die ik hieruit trek, zijn duidelijk: er is nood aan een globaal en geÔntegreerd drugsbeleid. Ik verwijs terzake naar de interministeriŽle conferentie van 25 januari jongstleden en aan de oprichting van de algemene coŲrdinatiecel Drugs, bijgestaan door een groep die zich speciaal bezighoudt met het verminderen van het aanbod. Deze werkcel Controle wordt gecoŲrdineerd vanuit Justitie en hanteert een multidisciplinaire aanpak. In haar acties wordt ze gesteund door de andere pijlers van het drugsbeleid, meer bepaald acties met het oog op het verminderen van de vraag.

Om de werkzaamheden te stimuleren, hebben mijn collega van Binnenlandse Zaken en ikzelf vorige maandag, 1 maart, een eerste vergadering belegd met de vertegenwoordigers van de politie en de magistratuur met het oog op een betere coŲrdinatie en de versterking van de verschillende ondernomen acties. De focussen zijn onder meer de cannabisplantages, de productie van synthetische drugs, de doorvoer voor cocaÔne en heroÔne en het drugstoerisme.

De senator maakt ook melding van de aanbevelingen van het rapport.

Daarover kan ik al melden dat het rapport van de INCB reeds ter sprake is gebracht op de vergadering van de algemene cel Drugs van 3 maart jongstleden. Besloten werd om de aanbevelingen opgesomd in het rapport nauwkeurig te bestuderen, te laten voorbereiden door de werkcel Buitenlandse Zaken die werd opgericht binnen de algemene cel Drugs en te bespreken op de volgende vergadering van de cel.

Met de oprichting van de algemene cel en de werkcellen en met de invoering van een nationaal veiligheidsplan en de daaruit voortvloeiende actieplannen voor politie en justitie hebben wij mijns inziens mechanismen tot stand gebracht om een werkelijk allesomvattend en geÔntegreerd beleid te ontwikkelen, met inbegrip van de aspecten die verband houden met het drugsaanbod.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Volgens mij bekijkt de minister het rapport door een roze bril. De Zweedse auteur, de heer Peterson, die ik persoonlijk heb gesproken, was helemaal niet zo lovend over de situatie in BelgiŽ. Het rapport van vorig jaar was evenmin positief. Uit steekproeven bleek dat maar 4% van de Zweedse tieners softdrugs hadden gebruikt. In BelgiŽ was dat 25%. Het wordt dus hoog tijd dat we een politieke consensus bereiken om veel geld en energie aan preventie te besteden.

Vraag om uitleg van de heer Yves Buysse aan de minister van Binnenlandse Zaken over ęde werking van de arrondissementele informatiekruispuntenĽ (nr. 4-1509)

De voorzitter. - De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap, antwoordt.

De heer Yves Buysse (VB). - In elk arrondissement is er een arrondissementeel informatiekruispunt, AIK, waar bestuurlijke en gerechtelijke informatie wordt verwerkt en geanalyseerd. Het is een ondersteunende dienst die is samengesteld uit leden van de federale en de lokale politie. De opdracht van het AIK bestaat uit het analyseren van recente feiten en gebeurtenissen, het identificeren van verbanden ertussen, ondersteuning bij de opvolging van fenomenen en de coŲrdinatie van de onderzoeken, bijdragen aan de politiŽle informatieoverdracht en ondersteuning van de functioneel beheerders. Deze AIK's worden voor de operationalisering van het informatiebeheer aangestuurd door de Directie van de operationele politionele informatie, CGO. Voor het functioneel beheer van de gerechtelijke informatie hangen ze af van de gerechtelijk directeur. Volgens het Comitť P ontbreekt binnen de federale politie evenwel elke vorm van folluw-up of zelfs maar gestructureerde ondersteuning van de AIK's.

In de jaarverslagen 2006-2007 en 2007-2008 wees het Comitť P er reeds op dat er slechts moeizaam of helemaal niet geantwoord kan worden op vragen inzake de werking van de AIK's. De verschillende algemene directies verwijzen naar de wettelijke opdracht die werd toegekend aan de CGO. Tot april 2008 was daaraan nog geen enkele invulling gegeven. Het enige overgebleven discussieplatform voor de AIK's was de maandelijkse vergadering met de CGO, maar ook hier viel elk initiatief stil. Uit elementaire noodzaak organiseren de AIK's dan maar zelf vergaderingen onderling, waaraan soms bepaalde diensten of directies van de CGO, de algemene directie Gerechtelijke Politie, DGJ, of de algemene directie Bestuurlijke Politie, DGA, deelnemen.

De ondersteuning en sturing van de AIK's ontbreekt bijgevolg volledig. Bovendien is de opdracht ter zake van de CGO beperkt tot het aspect van `organisatie' en `operationalisering' van het informatiebeheer van de AIK's en riskeren andere, minstens even belangrijke aspecten van hun werking uit de boot te vallen bij deze geplande opvolging.

Het Comitť P beschouwt de AIK's als de achilleshiel van de informatiehuishouding en zelfs van de hele politiehervorming. Het Comitť P beveelt daarom met de grootste nadruk aan dringend werk te maken van een doorgedreven systeem van monitoring van de kwaliteit en de prestaties van de AIK's.

Heeft de opdracht van de CGO sinds april 2008 reeds verder invulling gekregen? Zo nee, welke maatregelen heeft de minister genomen om de CGO binnen het kader van zijn wettelijke opdracht te activeren?

Welke maatregelen heeft de minister al genomen om de AIK's beter te ondersteunen en te sturen bij het invullen van de aspecten van hun taak die niet onder de bevoegdheid van de CGO vallen?

Heeft de minister al maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat de CGO en de AIK's op gestructureerde wijze en op regelmatige basis contact houden en informatie uitwisselen, eventueel samen met de DGA en de DGJ?

Heeft de minister nog andere maatregelen genomen om te komen tot een doorgedreven monitoring van de AIK's, zoals het Comitť P aanbeveelt?

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik lees het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken.

Zoals bepaald in het Nationaal Veiligheidsplan 2008-2011, onder de rubriek `Optimaal beheer van de informatie', heeft de directie bevoegd voor de operationele informatiehuishouding, CGO, het initiatief genomen om de werking van het AIK te onderwerpen aan een grondige analyse. Deze analyse wordt gemaakt op basis van twee vragenlijsten: ťťn inzake de algemene werking en ťťn over de verschillende functionele activiteiten van de AIK's. Bedoeling is in kaart te brengen hoe ze tot op heden de taken en opdrachten vervullen die hun werden toegewezen in de ministeriŽle circulaire betreffende het AIK. De conclusies zullen eind van het derde trimester van dit jaar beschikbaar zijn.

Op basis van de conclusies van die enquÍte en de analyse ervan zal in overleg met de Federale Politie en met de Vaste Commissie van de Lokale Politie worden nagegaan welke structuur best wordt opgezet om een betere werking van het AIK te waarborgen. Deze waarborg moet niet alleen gelden voor het beheer van het personeel en de logistiek van het AIK, maar vooral voor de uitoefening van de inhoudelijke functies.

De analyse en duiding van de gerechtelijke en bestuurlijke informatie voor operationele, beheersmatige en beleidsdoeleinden moet daardoor worden geoptimaliseerd en gestroomlijnd. Daarbij zal uiteraard bijzondere aandacht gaan naar de onderlinge informatie-uitwisseling tussen AIK's onderling, tussen de AIK's en de politiediensten en de bevoegde overheden.

Ondertussen werden maatregelen genomen om de huidige werking te optimaliseren. Tweemaandelijks worden overleg- en afstemmingsvergaderingen gehouden onder de diensthoofden van de 27 AIK's samen met de chefs van de directie van de Operationele Informatiehuishouding, CGO, en van de operationele Gerechtelijke en Bestuurlijke Politie van de respectieve directies-generaal van de Federale Politie.

De conclusies en voorstellen van deze vergaderingen die kunnen bijdragen tot een verbeterde werking van de AIK worden via een AIK-informaticatoepassing beschikbaar gesteld. Daarnaast is er ook nog de telefonische hulplijn via welke de AIK's en de functionele beheerders van het informatiebeheer in de politiezones dagelijks een beroep kunnen doen op de CGO wanneer ze vragen of problemen hebben in verband met hun taken en opdrachten op het vlak van de verwerking en het beheer van de operationele politionele informatie.

Bovendien worden in elk gerechtelijk arrondissement geregeld op initiatief van de AIK's overlegvergaderingen gehouden met de functionele beheerders van de operationele informatiehuishouding in de politiezones. Voor de gerechtelijke en bestuurlijke informatie-uitwisseling bestaan ook respectievelijk het arrondissementeel rechercheoverleg en het lokale zonale veiligheidsoverleg.

Het ligt ook voor de hand dat zowel voor de analyse van de huidige werking van de AIK's als voor de ontwikkeling van nieuwe voorstellen voor hun beheer en werking, rekening zal worden gehouden met de opmerkingen en aanbevelingen vermeld in het rapport van het Comitť P.

De heer Yves Buysse (VB). - Ik dank de staatssecretaris voor het antwoord. Ik noteer dat het de bedoeling is dat ons eind van het derde trimester een aantal hopelijk interessante conclusies zullen worden medegedeeld. Ik noteer ook dat rekening zal worden gehouden met de aanbevelingen van het Comitť P. Ik wijs er evenwel op dat wat ik vandaag aanhaal, reeds in twee dubbele jaarverslagen werd gesuggereerd door het Comitť P. Het gaat over gegevens die ondertussen meer dan vier jaar oud zijn. Ik hoop dan ook dat we er in de praktijk effectief de resultaten van zullen zien.

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de minister van Justitie over ęhet oproer in de Tilburgse gevangenisĽ (nr. 4-1527)

De voorzitter. - De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap, antwoordt.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - In De Standaard van 24 februari stond te lezen dat het cellencomplex in Tilburg bijna volzet is. Er is nog maar plaats voor een tachtigtal gevangenen. Maar zelfs voor het zover is, steken de eerste problemen al de kop op. `Belgisch oproer dreigt in Tilburgse bajes', schreef de Nederlandse krant De Telegraaf gisteren. De redactie ontving brieven van gedetineerden die zwaar misnoegd zijn over de leefomstandigheden in hun nieuwe cel. Erger is hun waarschuwing voor opstanden, hongerstakingen, ontsnappingen en zelfs gijzelingen van cipiers. Blijkbaar staat de boel daar op ontploffen. Een voorbeeld van de klachten: overdag worden de gevangenen te lang in hun cellen gehouden; de maaltijden die ze krijgen, zijn niet vers; 's ochtends worden ze te vroeg gewekt en ze kunnen niet alle Vlaamse of Waalse tv-zenders ontvangen. Ook een gevangenisarts ontbreekt en het feit dat er geen uniforme kledij is zorgt voor problemen. Al deze kleinigheden samen beginnen ervoor te zorgen dat de boel letterlijk op springen staat. Het grootste probleem is dat de meeste gevangenen gedwongen zijn overgeplaatst, terwijl er was afgesproken dat dit op vrijwillige basis zou gebeuren. Blijkbaar is de situatie in Tilburg zo dramatisch dat de Nederlandse regering al een onderhoud met BelgiŽ heeft gevraagd. Het Belgische Directoraat-generaal Penitentiaire Instellingen wuift de problemen weg. De leefomstandigheden in Tilburg zouden beter zijn dan in sommige Belgische gevangenissen. Als er al echte problemen zijn, zijn het kinderziektes die snel van de baan zullen zijn. We zijn op dit moment trouwens nog vrij soepel, tot iedereen zich heeft aangepast, luidt het.

Is het waar dat de Nederlandse regering een onderhoud met BelgiŽ heeft gevraagd? Hoe zou dit er uitzien? Ik lees vandaag in Metro dat er vandaag een onderhoud heeft plaatsgevonden tussen de syndicale afgevaardigden van BelgiŽ en Nederland.

Zijn alle gevangenen wel vrijwillig naar Tilburg overgebracht, zoals oorspronkelijk werd afgesproken? Wat vindt de minister van de aantijgingen die het tegendeel beweren?

Welke actie zal de minister ondernemen om de misnoegdheid aan banden te leggen en zo oproer te voorkomen?

Worden de verschillen in regime tussen Belgische en Nederlandse gevangenissen terecht aangeklaagd, of zijn de Belgische gevangenen gewoon verwend?

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik lees het antwoord van de minister.

Vorige week heb ik zowel in de Kamercommissie voor de Justitie, op 24 februari, als in de plenaire zitting van de Senaat, op 25 februari, op gelijkaardige vragen geantwoord. Er zullen dus weinig nieuwe elementen in mijn antwoord terug te vinden zijn.

Ik heb van mijn Nederlandse collega nog geen verzoek gekregen om dringend overleg te plegen of een gesprek te voeren over de penitentiaire inrichting in Tilburg.

De lijst van de gedetineerden die naar Tilburg worden overgebracht, wordt opgesteld door de Dienst Detentiebeheer van het Directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen. Daarbij wordt rekening gehouden met de criteria die in artikel 7 van het verdrag zijn bepaald en met de kenmerken van de individuele situatie van de gedetineerden.

Het verdrag sluit een aantal categorieŽn van gedetineerden uit, zoals beklaagden en geÔnterneerden, gedetineerden die in Nederland geseind staan of ongewenst zijn verklaard, vluchtgevaarlijke gedetineerden en zo meer.

Daarnaast houdt de Dienst Detentiebeheer rekening met de individuele situatie van de gedetineerde waarbij eventuele bezwaren op vlak van zijn familiale situatie of die verband houden met zijn reÔntegratietraject, in acht worden genomen.

De overbrenging naar Tilburg gebeurt dus niet altijd met de toestemming van de gedetineerde. Dit is trouwens een standaardprocedure die van toepassing is bij alle beslissingen rond classificatie van gedetineerden in alle Belgische strafinrichtingen.

Het formele akkoord van de gedetineerde wordt niet gevraagd.

Er kan wel rekening worden gehouden met eventuele opmerkingen van de betrokkene. Het verzet van een gedetineerde tegen de overbrenging naar Tilburg is op zich geen beletsel om de overbrenging alsnog door te voeren.

Over de situatie in Tilburg kan ik kort zijn. De situatie is er rustig en, ondanks bepaalde berichten in de Nederlandse pers, zijn er geen aanwijzingen dat een opstand in de gevangenis zou uitbreken. De samenwerking tussen het Belgische en het Nederlandse personeel verloopt vlot, zonder noemenswaardige problemen. Het aantal incidenten in Tilburg is trouwens zeer beperkt en er wordt onmiddellijk kordaat opgetreden. Bij de opstart van een nieuwe entiteit rijzen wel enkele concrete of praktische inloopproblemen. Bovendien betekent de verhuizing voor de gedetineerden een wijziging van omgeving en is enige aanpassing nodig. Dat is niet eigen aan Tilburg, maar geldt eveneens bij de opstart van een volledig nieuwe gevangenis, of zelfs van een sectie.

Het regime in de inrichting van Tilburg is in overeenstemming met de Belgische wetgeving en is misschien op bepaalde punten voordeliger. Zo kunnen gedetineerden in Tilburg hun eigen kledij dragen, hebben zij de mogelijkheid om gedurende vier uur per dag te werken en beschikken zij over vier uur vrije tijd per dag.

Ook ontbreken in Tilburg de gevolgen die door de overbevolking worden veroorzaakt. Als mevrouw Van Ermen dat verwennerij wenst te noemen ...

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Ik heb hier inderdaad vorige week een gelijkaardige vraag en het antwoord daarop gehoord. Het is nu eenmaal zo dat voor een kleine oppositiepartij een vraag om uitleg pas een week na de indiening op de agenda wordt geplaatst.

Ik bekijk het probleem met een andere bril dan de vorige vraagsteller. Zij verwees naar het EVRM. Ik vraag me gewoon af of die Belgische gevangenen daar niet gewoon worden verwend. De directeur van de gevangenisinrichting van Merksplas, Frank Schoeters, heeft zelf gevraagd om naar Tilburg te worden overgeplaatst. Hij stelt dat de Belgische gevangenen in Tilburg een luxeleven leiden in vergelijking met hun Nederlandse lotgenoten.

De Nederlanders hebben recht op ťťn uur bezoek per week, de Belgen op minstens drie maal een uur. In BelgiŽ zijn opgelegde urinecontroles niet toegelaten, in Nederland is dat dagelijkse kost. In Nederland kan een gevangene zonder probleem worden gefouilleerd, de Belgische gevangenisbewakers mogen dat alleen met een schriftelijke toelating van de directeur. In de Nederlandse gevangenissen stoppen alle activiteiten om 17.00 uur, in de Belgische gevangenissen lopen de activiteiten tot 22.00 uur. Nederlanders krijgen een voorverpakte maaltijd in hun cel om in hun magnetron op te warmen, Belgen krijgen in de refter een warme maaltijd geserveerd uit de gemeenschappelijke keuken. Voor de Belgen geldt het Belgische regime. Ik heb veeleer de indruk dat de Belgen worden verwend. De klachten zijn ook afkomstig van een heroÔneverslaafde; misschien raakt hij moeilijker aan drugs ...

Vraag om uitleg van de heer Geert Lambert aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen over ęde inwerkingtreding van de Starter-bvbaĽ (nr. 4-1515)

De voorzitter. - De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap, antwoordt.

De heer Geert Lambert (Onafhankelijke). - In november vorig jaar keurde de Kamer de invoering van de Starter-bvba goed.

Voor de inwerkingtreding van de wet was het nog wachten op een koninklijk besluit dat zowel de datum van de inwerkingtreding als de vereisten van het financieel plan voor de Starter-bvba moet regelen. De regering voorzag dat het koninklijk besluit begin januari 2010 zou worden gepubliceerd.

Is het bewuste koninklijk besluit ondertussen ondertekend en kan de eerste Starter-bvba dus binnenkort worden opgericht? Indien het koninklijk besluit nog niet is ondertekend, wat is dan de reden voor de vertraging? Wanneer zal het koninklijk besluit worden gepubliceerd?

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik lees het antwoord van collega Laruelle.

Artikel 7 van de wet van 12 januari 2010, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 26 januari 2010, bepaalt dat de basiscriteria van het te gebruiken financieel plan in het kader van een Starter-bvba bij koninklijk besluit moeten worden vastgelegd. Hetzelfde geldt voor de inwerkingtreding van de wet zelf.

Ik heb de voorzitter van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen gevraagd in overleg met drie instellingen voor cijferberoepen een ontwerp van koninklijk besluit over de basiscriteria van het financieel plan op te stellen.

Een ontwerptekst werd op 19 februari 2010 naar mijn kabinet verstuurd. De voorstellen zijn aan de andere bevoegde ministers doorgegeven, namelijk aan de minister van Justitie en de minister voor Ondernemen, met wie we momenteel overleg plegen. Parallel wordt het bewuste ontwerp van koninklijk besluit dat het financieel plan omvat, in de FOD Justitie voorbereid.

Ik zal de heer Lambert op de hoogte houden van de evolutie van het dossier.

De heer Geert Lambert (Onafhankelijke). - Ik heb de indruk dat het moeilijker is om het koninklijk besluit in orde te krijgen dan het straks zal zijn om met een Starter-bvba te beginnen.

Vraag om uitleg van de heer Geert Lambert aan de minister van Binnenlandse Zaken over ęeen door de politie opgelegd fuifverbod voor jongeren die op een zwarte lijst staanĽ (nr. 4-1510)

De voorzitter. - De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap, antwoordt.

De heer Geert Lambert (Onafhankelijke). - In het Meetjesland worden jongeren die de reputatie hebben op fuiven voor problemen te zorgen door de politie op een soort zwarte lijst geplaatst en preventief opgepakt als ze aanstalten maken om een fuif te bezoeken. Momenteel zou het gaan om ongeveer twintig jongeren die tot eind maart van dit jaar zonder een actie van een rechter een straatverbod opgelegd krijgen voor alle grote fuiven. De politiezones beslissen onafhankelijk wie op de zwarte lijst komt en hoe lang ze daarop blijven staan. Tot nu toe werden al drie mensen preventief opgepakt en enkele uren vastgehouden.

Uiteraard is het belangrijk dat fuiven in alle veiligheid kunnen worden georganiseerd en dat relschoppers verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor hun daden. Om willekeur te vermijden, lijkt het me echter niet onbelangrijk dat de mensen die op een zwarte lijst staan, de mogelijkheid krijgen zich door een advocaat te laten bijstaan en dat een fuifverbod, naar analogie van een stadionverbod, door een magistraat wordt bevestigd.

Vandaar volgende vragen.

Staat de minister toe dat politiezones zonder ingrijpen van een rechter een straatverbod uitvaardigen en mensen oppakken als ze zich in de buurt van een fuif bevinden?

Welke acties zal de minister ondernemen om een einde te maken aan het opleggen van dergelijke preventieve straffen door de politiezones?

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik lees het antwoord van minister Turtelboom.

In de periode 2002-2008 werd de politiezone Meetjesland geconfronteerd met ernstige incidenten op en rond fuiven. Bij elk incident werd van de feiten een proces-verbaal opgesteld en naar het bevoegde parket doorgestuurd. Mensen die in het verleden het voorwerp uitmaakten van een proces-verbaal voor het verstoren van de openbare orde, de rust en de veiligheid, zijn in de politiedatabank bekend.

Vanaf 2008 werd begonnen met een gecoŲrdineerde aanpak op basis van de COP-filosofie, community oriented policing, om een maximale efficiŽntie te bereiken en de jongeren in een aangename fuifomgeving, zonder vechtpartijen, te laten fuiven.

Van iedere fuif wordt een risicoanalyse gemaakt, die de basis is van de in te zetten politiecapaciteit. Op de fuif zelf worden spotters ingezet. De organisatie zorgt ook voor een eigen veiligheidsdienst.

De fuifspotters zijn politieambtenaren uit de sociale cel en de lokale recherche. Zij hebben veel ervaring met probleemjongeren.

Buiten, bij de ingang, verzorgen twee wijkinspecteurs vooral een verkeersfunctie. Dit gebeurt doorgaans in samenwerking met de parkeerstewards van de organisatie. De wijkinspecteurs zien er vooral op toe dat de toegangswegen voor de hulpdiensten vrij blijven.

Wat verder worden doorgaans verkeersagenten ingezet. Hun taak is vooral gericht op de bestrijding van de weekendongevallen, de alcoholcontroles en controles in het kader van drugs in het verkeer. Bij eventuele ernstige incidenten dienen ze tevens als reserve naast de permanentieploegen.

In overleg met het politiecollege en na advies van de procureur des Konings te Gent is gestart met het aanschrijven van de personen die bekend waren op basis van harde feiten. In de brief worden ze verzocht zich niet te begeven in de straat waar de fuif wordt georganiseerd. Als een bekende relschopper wordt gespot in de straat of op de fuif, dan wordt hij/zij door de fuifspotter aangesproken. Hierbij wordt duidelijk gemaakt dat indien hij/zij zich opnieuw schuldig maakt aan ordeverstoring hij/zij onmiddellijk van de plaats zal worden verwijderd en zo nodig bestuurlijk zal worden aangehouden op basis van artikel 31 van de Wet op het Politieambt. Er is dus geen sprake van preventieve aanhoudingen.

Concreet kan ik dus stellen dat er geen sprake is van een `zwarte lijst', van een straatverbod of van een preventieve aanhouding. Zowel de bestuurlijke als de gerechtelijke overheid zijn vooraf in kennis gesteld van deze werkwijze.

De heer Geert Lambert (Onafhankelijke). - Ik begrijp dat men wenst in te grijpen en dat men wil voorkomen dat er problemen ontstaan. Het mag echter niet gebeuren dat jongeren die ooit eens over de schreef zijn gegaan, voor de rest van hun dagen gestraft blijven. Uit het antwoord blijkt echter dat dit niet het geval zal zijn.

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de minister van Justitie over ęcirculaire nr. 154 van 23 december 2009 betreffende besparingen binnen de FOD JustitieĽ (nr. 4-1531)

De voorzitter. - De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap, antwoordt.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - De besparingsmaatregelen voor de Brusselse hoven die zijn aangekondigd in de ministeriŽle circulaire nr. 154 van 23 december 2009, zorgen voor een aantal moeilijkheden. Zo werd onder andere sinds begin 2010 de functie van bode ter rechtszitting afgeschaft. Die goedkope arbeidskrachten, meestal gepensioneerden, laten hun takenpakket nu over aan de griffiers.

Ook de vertraging in de publicatie van vacante plaatsen ingevolge het vertrek of de pensionering van raadsheren zorgt voor ontsteltenis. Die vertraging in de publicatie van vacante plaatsen valt moeilijk te rijmen met de vooropgestelde doelstelling, namelijk de bestrijding van de gerechtelijke achterstand. Of zullen de Brusselse rechters harder moeten gaan werken? Na protest van de Brusselse hoven zou door de FOD Justitie een werkgroep worden opgericht.

Welke vorderingen heeft genoemde werkgroep reeds gemaakt? Ik heb vernomen dat die vandaag bijeen is gekomen. Heeft de minister nagedacht over de manier waarop de extra takenlast voor de hoven, die zijn bijgekomen sinds de afschaffing van de bodes ter rechtszitting, goedkoper kan worden opgevangen?

Kan de minister verduidelijken hoeveel er precies wordt bespaard door de afschaffing van de bodes ter rechtszitting en of dit opweegt tegen de lasten die nu vrijkomen? Er zullen volgend jaar toch geen hulpgriffiers moeten worden aangenomen voor dezelfde job description?

Hoe kan de minister het tekort aan raadsheren rijmen met het doel om de gerechtelijke achterstand te verkleinen? Kan de minister geen tweetalige vacatures openen om het tekort weg te werken?

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik lees het antwoord van minister De Clerck.

Mijn beleidscel heeft op 3 februari een voorbereidend overleg gehad met vertegenwoordigers van de rechterlijke organisatie en op 4 februari met de Vaste Vergadering van Korpschefs van de Zetel.

Zoals aangekondigd, wil ik een werkgroep installeren omtrent circulaire 154. Die zal bestaan uit vertegenwoordigers van de magistratuur, van de personeelsdienst bij de FOD Justitie en van mijn beleidscel. De werkgroep start vandaag haar werkzaamheden. De groep wordt belast met het uitwerken van een globaal voorstel voor de ontvangst en het toezicht in de rechtbanken en zal zich bijgevolg ook buigen over de herverdeling van de werklast die de bodes ter rechtszitting op zich nemen. De bodes ter rechtszitting worden in circulaire 154 trouwens niet afgeschaft. Er wordt enkel een beperking van het beschikbare tijdscontingent ingevoerd.

Inzake de vacante betrekkingen van magistraat wordt er niet geraakt aan de personeelsformaties. Er worden geen plaatsen geschrapt. Het is de uitsluitend de bedoeling de publicaties van de vacante betrekkingen te spreiden. Het gevolg van die maatregel is bijgevolg beperkt tot het groeperen van plaatsen en heeft een minieme of geen invloed op de effectieve werking van betrokken rechtsmachten.

In het hof van beroep van Brussel, waar mevrouw Van Ermen naar verwijst, is momenteel slechts ťťn plaats vacant. Ze zal in april worden gepubliceerd. Er kondigen zich in het najaar nog 4 vertrekkers aan. Die plaatsen zullen eveneens worden opgenomen in de volgende publicatie in april, zodat de procedure tot vervanging tijdig kan starten.

De taalvoorwaarden voor hoven en rechtbanken zijn vastgelegd in de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. De publicatie van de vacatures gebeurt dan ook volledig conform de bepalingen van die wet. Aan het quotum van de tweetalige plaatsen bij het hof van beroep van Brussel is op dit moment trouwens al voldaan.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Ik heb weet van een man die al 23 jaar die job uitoefende en die van de ene op de andere dag werd ontslagen. Minister De Clerck gaf in de Kamer overigens zelf toe dat die mensen geen statuut hebben. Voor mij is het ondenkbaar dat de Staat mensen op die manier voor zich laat werken en dat hij ze van de ene op de andere dag kan ontslaan. De man over wie ik het heb, verdiende 5 euro per uur, na aftrek van belastingen. Waar kan men nog zulke goedkope arbeidskrachten vinden?

De ontslagen demoraliseren de staf van justitie, want nu zijn het vaak de advocaten die de stapels dossiers moeten dragen of die moeten vragen om de deur dicht te doen. Het demoraliseert, terwijl de besparing toch niet zo veel voorstelt. De minister bekijkt het allemaal te veel vanuit het budgettaire oogpunt, maar hij onderschat hoezeer hij de mensen daarmee demoraliseert.

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de minister van Klimaat en Energie over ęzonnecentraĽ (nr. 4-1526)

De voorzitter. - De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap, antwoordt.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Aangezien de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid op mijn vraag om uitleg nr. 4-1299 geantwoord heeft dat het eerste deel van de vraag bestemd was voor de minister van Ondernemen en Vereenvoudigen, maar laatstgenoemde mij als antwoord op een schriftelijke versie heeft doorverwezen naar staatssecretaris Magnette, richt ik me dus vandaag tot hem.

Uit een artikel in Test-Aankoop citereer ik wat volgt: `Ter uitvoering van een Europese richtlijn werd de reglementering van zonnecentra in augustus 2008 verstrengd.' - Als arts kan ik het gevaar van zonnebanken bevestigen. - `Zo werd de leeftijdsgrens voor zonnebankbezoekers opgetrokken van 15 naar 18 jaar. Mensen met huidtype 1 (een zeer lichte huid, rood of lichtblond haar en blauwe ogen, moeilijk bruinen en snel verbranden) mogen niet meer toegelaten worden. Anderzijds werden de stralingsnormen van de lampen teruggebracht tot 0,3 W/m≤, vergelijkbaar met de sterkte van de mediterrane middagzon. Het onderzoek toont echter aan dat de wettelijke bepalingen, ook diegene die al jarenlang gelden (van 2002 of eerder), nog te weinig worden nageleefd, dat blijkt ook uit controles van de FOD Economie.

Uitbaters van zonnecentra zijn reeds verplicht een aantal waarschuwingen en instructies voor veilig gebruik op te hangen. Tevens moet de onthaalverantwoordelijke bij het eerste bezoek de klant informeren over de risico's van UV-straling aan de hand van een informatieve tekst. Ook daar waar de zonnebank automatisch wordt gestuurd via een magneetkaart of vergelijkbaar middel, is een intakegesprek verplicht.' - Dat vindt echter niet altijd plaats.

`De zonnebank geeft vooral UV A en in mindere mate ook UV B stralen af. Op basis van wetenschappelijk onderzoek klasseerde het Internationaal Instituut voor kankeronderzoek de zonnebank dit jaar in de hoogste risicocategorie voor de ontwikkeling van huidkanker. Wie voor zijn dertigste geregeld onder de zonnebank gaat, zou maar liefst 75% meer kans lopen op huidkanker. Het risico van UV-straling is niet alleen huidveroudering en -verslapping, maar geeft ook meer kans op oogschade en huidkanker. In 2005 registreerde de Stichting Kankerregister in ons land 13 400 nieuwe gevallen van huidkanker. In 1 560 gevallen ging het om een kwaadaardig melanoom, de meest agressieve vorm van huidkanker, die onbehandeld snel uitzaait en levensbedreigend is. Het aantal slachtoffers neemt jaar na jaar toe. Vrouwen worden het vaakst getroffen.'

In dit verband heb ik de volgende vragen. Hoe wordt toegezien op de naleving van de wetgeving inzake zonnecentra? Hoeveel controles hebben het afgelopen jaar plaatsgevonden? Bij hoeveel controles bleek het zonnecentrum niet in orde met de wetgeving op zonnecentra? Welke wettelijke bepalingen werden daarbij het vaakst overtreden?

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik lees het antwoord van minister Magnette.

Aangezien het onderzoek dat op 16 november 2009 is gestart slechts op 29 februari 2010 werd afgerond, beschik ik slechts over voorlopige cijfers.

De voornaamste voorlopige conclusies van dat onderzoek zijn de volgende:

a) Met betrekking tot de controles in de schoonheidsinstituten, fitnesscentra, kapsalons en dergelijke die een of twee zonnebanken ter beschikking stellen van de verbruiker, werden de volgende vaststellingen gedaan:

b) Bij de controles in de professionele zonnecentra werd ook de straalintensiteit van de banken gecontroleerd. Er werden de volgende vaststellingen gedaan:

De percentages die ik zonet heb vermeld zijn het resultaat van controles die verricht werden in 174 zonnecentra. Er waren 27 centra in orde, 28 centra kregen een waarschuwing en 115 centra een proces-verbaal. In vier gevallen werd het dossier doorgestuurd naar het parket naar aanleiding van een bewarend beslag.

Op het ogenblik is het heel moeilijk de toestand in BelgiŽ met die in de andere EU-lidstaten te vergelijken. BelgiŽ is een van de weinige landen in de EU die over een specifieke wetgeving beschikken, die alle Europese adviezen integreert.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Ik ben aangenaam verrast door het uitgebreide en statistisch onderbouwde antwoord. Daaruit kunnen we besluiten dat in dagbladen en in tijdschriften voor paramedici meer aandacht moet worden besteed aan het gevaar van zonnebanken.

Vraag om uitleg van mevrouw Cindy Franssen aan de staatsecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding over ęhet gebruik van de gezondheidskaart door de OCMW'sĽ (nr. 4-1512)

De voorzitter. - De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap, antwoordt.

Mevrouw Cindy Franssen (CD&V). - Ondanks de solidaire structuur en het brede aanbod van onze gezondheidszorg, blijven een aantal drempels de toegang tot de zorg bemoeilijken. Dat geldt in het bijzonder voor personen die in bestaansonzekerheid leven. Voor die groep patiŽnten zijn een reeks specifieke maatregelen van kracht om de toegang tot zorg te verbeteren en de kosten ervan te verlagen of zelfs volledig uit handen te nemen.

De medische kaart, of gezondheidskaart, van de OCMW's is hiervan een voorbeeld. Het betreft een overeenkomst tussen een OCMW en een cliŽnt, waarin het OCMW zich ertoe verbindt de kosten van bepaalde medische prestaties gedurende een bepaalde termijn op zich te nemen. Hierdoor valt de kostendrempel voor de patiŽnt weg en wordt de betaling van de zorgverstrekker gegarandeerd.

Momenteel is het gebruik van de medische kaart echter nog niet geoptimaliseerd. De mogelijkheid om van de medische kaart gebruik te maken is onvoldoende bekend bij het doelpubliek. Bovendien zijn verschillende benamingen voor de kaart in omloop. Dat leidt tot verwarring en praktische moeilijkheden. De medische kaart is daarenboven niet verplicht. Hoewel een groot aantal OCMW's er gebruik van maken, zijn er ook nog veel plaatsen waar de mogelijkheid niet bestaat.

Het aantal betalingsproblemen in de gezondheidszorg stijgt en mensen met een laag inkomen stellen steeds vaker medische zorg uit. Voor enkele van de meest kwetsbare doelgroepen kan het gebruik van de medische kaart een oplossing bieden.

Graag had ik van de staatssecretaris vernomen of het doelpubliek gesensibiliseerd wordt om de medische kaart voor zorgverstrekking te gebruiken? Zo ja, hoe gebeurt dat? Via welke kanalen wordt over het bestaan van de kaart gecommuniceerd? Welke actoren worden hierbij betrokken? Zo neen, waarom niet?

Heeft de minister stappen gedaan om tot een eenvormige benaming voor de medische kaart te komen? Zo ja, welke? Welke benaming zal in de toekomst gebruikt worden? Vond hierover overleg plaats met de regionale en lokale besturen?

Heeft de minister maatregelen genomen om het gebruik van de medische kaart aan te moedigen bij OCMW's die de mogelijkheid aanbieden? Zo ja, welke?

Heeft de minister initiatieven genomen om het aanbieden van de medische kaart te promoten bij OCMW's die dat nog niet doen? Zo ja, welke? Zo neen, waarom niet?

Heeft de minister samengewerkt met de OCMW's en de lokale besturen om maatregelen te treffen die een betere controle en opvolging van het gebruik van de medische kaart mogelijk maken en die misbruik en overconsumptie voorkomen? Zo ja, op welke manier werd samengewerkt? Vond hierover overleg plaats? Welke concrete resultaten heeft de samenwerking opgeleverd?

Op welke wijze worden betalingsproblemen in de gezondheidszorg aangepakt in gemeenten waar OCMW's geen gebruik maken van een medische kaart?

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik lees het antwoord van staatssecretaris Courard.

Eind 2008 heeft mijn voorganger - dat is dus uw dienaar - rond dit thema een rondetafelgesprek georganiseerd. Naast de dienst POD Maatschappelijke Integratie namen ook vertegenwoordigers van een veertigtal OCMW's deel.

Daar werd inderdaad vastgesteld dat er heel wat medische hulplijnen bestaan en dat het gebruik van de medische kaart niet overal is ingeburgerd.

Op ontmoetingen van de OCMW's in de lente was de medische kaart het hoofdthema. Voor de POD Maatschappelijke Integratie was het een manier om de vertegenwoordigers van de OCMW's van die problematiek bewust te maken.

Eind 2009 werd de universiteit van Luik gevraagd een onderzoek uit te voeren naar de werkwijze van de OCMW's met betrekking tot de medische kaart om de voordelen en ook de organisatorische beperkingen in kaart te brengen. De resultaten van die studie kan u vinden op de website www.mi-is.be.

Ondertussen heb ik, in overleg met onder andere de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, vertegenwoordigers van de Verenigingen van Steden en Gemeenten en de POD Maatschappelijke Integratie, geopteerd voor een volledige automatisering van het beheer van de medische kaart. Het is ook de bedoeling om met die nieuwe werkwijze te zorgen voor een rechtstreekse betaling van de facturen aan de zorgverstrekkers, zodat OCMW's niet langer het geld moeten voorschieten.

Die elektronische medische kaart is niet zozeer een materieel document, maar veeleer een proces dat het de zorgverstrekkers mogelijk maakt na te gaan welke kosten ten laste worden genomen. Op termijn moet die werkwijze de papieren documenten volledig kunnen vervangen.

De implementatie van een dergelijk algemeen systeem vraagt natuurlijk heel wat tijd. Er moeten wetten worden aangepast, huidige procedures moeten worden herzien, iedereen moet in het systeem stappen en nieuwe stromen en informaticasystemen moeten worden ontwikkeld.

Om dus concrete resultaten te kunnen bereiken in relatief beperkte tijd zal het project in fases moeten verlopen. In de eerste fase, die in de loop van 2010 gepland is, zal het project worden beperkt tot de geautomatiseerde behandeling van de elektronische ziekenhuisfacturen voor de niet-verzekerde personen.

De tweede fase zal alle medische/farmaceutische kosten, dus ook die buiten een verpleeginstelling, voor niet-verzekerde personen omvatten. De laatste fase zal vervolgens de behandeling dekken van alle facturen waarin het OCMW tegemoetkomt, evenals de mogelijkheid tot controle van de facturen van alle zorgverstrekkers voor alle personen gedekt door een medische kaart.

Mevrouw Cindy Franssen (CD&V). - Ik dank de staatssecretaris voor het antwoord en ik ben verheugd dat er verdere stappen worden gedaan.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats op donderdag 11 maart om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 20.35 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de heer Ceder, om gezondheidsredenen, de dames de Bethune, Lijnen en Van Hoof, de heer Verwilghen, met opdracht in het buitenland.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot opheffing van de beperking van het toepassingsgebied van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de opdrachtgevers voor de sociale en fiscale schulden van de (onder)aannemers (van mevrouw Nahima Lanjri c.s.; Stuk 4-1681/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 39 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 (van mevrouw Nele Lijnen c.s.; Stuk 4-1684/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot afschaffing van het statuut van bijzondere opdrachthouder bij het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie (van mevrouw Anke Van dermeersch; Stuk 4-1685/1).

-Verzonden naar de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot aanpassing van de inning van het auteursrecht aan de technologische ontwikkeling, terwijl de persoonlijke levenssfeer van de internetgebruikers beschermd wordt (van de heer Benoit Hellings en mevrouw Freya Piryns); Stuk 4-1686/1).

-Verzonden naar de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiŽle bepalingen met als doel een startlening open te stellen voor eenieder die zich als zelfstandige wenst te vestigen of een onderneming wenst op te richten (van de heer Bart Tommelein; Stuk 4-1687/1).

-Verzonden naar de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden.

Voorstellen van resolutie

Voorstel van resolutie tot erkenning van de verantwoordelijkheid van de Belgische Staat in het Softenondrama en tot het verkrijgen van schadeloosstelling van de slachtoffers, alsook van een aangepaste medische follow-up voor die slachtoffers (van de heer Alain Destexhe c.s.; Stuk 4-1683/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Samenstelling van commissies

Met toepassing van artikel 21-4, tweede zin, van het Reglement werden de volgende wijzigingen in de samenstelling van bepaalde commissies aangebracht:

Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden:

Commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden:

Commissie voor de Sociale Zaken:

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Niet-evocaties

Bij boodschappen van 2 en 4 maart 2010 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, de volgende niet geŽvoceerde wetsontwerpen:

Wetsontwerp tot opheffing van artikel 41 en tot wijziging van artikel 63 van het Burgerlijk Wetboek (Stuk 4-1641/1).

Wetsontwerp houdende wijziging van artikel 30 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie (Stuk 4-1679/1).

-Voor kennisgeving aangenomen.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 25 februari 2010 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, in verband met de getuigen bij het burgerlijk huwelijk (Stuk 4-1677/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 26 februari 2010; de uiterste datum voor evocatie is maandag 15 maart 2010.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 25 februari 2010.

Wetsontwerp tot wijziging van diverse bepalingen wat de betekening en de kennisgeving bij gerechtsbrief betreft (Stuk 4-1678/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 26 februari 2010; de uiterste datum voor evocatie is maandag 15 maart 2010.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 25 februari 2010.

Artikel 80 van de Grondwet

Wetsontwerp houdende wijziging van artikel 30 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie (Stuk 4-1679/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 26 februari 2010; de uiterste datum voor evocatie is woensdag 3 maart 2010.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 25 februari 2010.

Grondwettelijk Hof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Grondwettelijk Hof - PrejudiciŽle vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Grondwettelijk Hof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.