2-98

2-98

Belgische Senaat

2-98

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 22 FEBRUARI 2001 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Inoverwegingneming van een voorstel

Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa en Assemblee van de West-Europese Unie.

Mondelinge vragen

Wetsontwerp tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de oprichting van een algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank (Stuk 2-441)

Wetsontwerp tot aanpassing van de terminologie van de vigerende wettelijke bepalingen aan de gewijzigde Franse benaming van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (Stuk 2-513)

Regeling van de werkzaamheden

Stemmingen

Bijzondere commissie voor bio-ethische problemen

Vraag om uitleg van mevrouw Mimi Kestelijn-Sierens aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over «de functieclassificatie» (nr. 2-341)

Vraag om uitleg van mevrouw Magdeleine Willame-Boonen aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over «de verhoging van de tewerkstellingsgraad bij de personen die ouder dan 50 jaar zijn» (nr. 2-356)

Vraag om uitleg van de heer Michel Barbeaux aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen over «de vraag of de instelling van een Administratief Technisch Secretariaat bij het ministerie van Binnenlandse Zaken past in het kader van de hervormingen van het Copernicusplan» (nr. 2-365)

Samenstelling van commissies

Vraag om uitleg van de heer Michel Barbeaux aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over «de toekomst van de Regie der gebouwen» (nr. 2-366)

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over «de Regie der Gebouwen» (nr. 2-374)

Vraag om uitleg van de heer Michiel Maertens aan de minister van Financiën over «de maatregelen voor de redding van de visserijsector» (nr. 2-363)

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie over «de vermindering van de staatsschuld» (nr. 2-371)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Inoverwegingneming van een voorstel

De voorzitter. - Aan de orde is de inoverwegingneming van het wetsvoorstel van de heer Joris Van Hauthem tot instelling van een volksraadpleging over het stemrecht voor vreemdelingen (2-582/1).

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat dit voorstel in overweging is genomen en verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden. (Instemming.)

Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa en Assemblee van de West-Europese Unie.

De voorzitter. - De volgende wijziging wordt voorgesteld in de samenstelling van de Senaatsafvaardiging bij de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa en de Assemblee van de West-Europese Unie:

De heer Francis Poty zou de heer Jacques Santkin als effectief lid vervangen.

De heer Luc Van den Brande zou de heer Reginald Moreels als effectief lid vervangen. (Instemming)

-Hiervan zal kennis worden gegeven aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de voorzitters van beide Europese vergaderingen.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Gerda Staveaux-Van Steenberge aan de eerste minister over «de aanwerving van een nieuwe adjunct-directeur van het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding» (nr. 2-510)

Mondelinge vraag van mevrouw Clotilde Nyssens aan de eerste minister over «de toekomst van het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding» (nr. 2-511)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid, antwoordt namens de heer Guy Verhofstadt, eerste minister.

Mevrouw Gerda Staveaux-Van Steenberge (VL. BLOK). - Onlangs werd de onafhankelijkheid van de leden van de raad van bestuur van het "centrum-Leman" en de neutraliteit van de ambtenaren die er werken, treffend geïllustreerd door de coöptatie van de Franstalige adjunct-directeur van het centrum tot senator voor de PS.

Luidens krantenberichten is de regering nu op zoek naar een passende vervanger en volgens de verklaring van directeur Leman is de enige vereiste "dat men de steun heeft van de democratische politieke partijen". Wat daarmee bedoeld wordt, mag blijken uit de recente beslissing van de zespartijencoalitie om niet één, maar direct zes topfuncties in te vullen. Er is dus een topfunctie voor elke coalitiepartij beschikbaar.

Aan welke voorwaarden dienen de nieuwe adjunct-directeur en de vijf andere topfuncties wettelijk en reglementair te voldoen? Zal er een profiel vastgelegd worden?

Zal de aanwerving van een nieuwe adjunct-directeur en van de vijf andere "topambtenaren" gebeuren via het Vast Wervingssecretariaat in zijn nieuwe gedaante? Zal er een vacature verschijnen in het Staatsblad? Zal er een vergelijkend examen gehouden worden?

Welke is de voorziene wedde voor de adjunct-directeur en voor de vijf andere topfuncties?

Hoe dienen deze benoemingen gekaderd te worden in de objectivering van de benoemingen en de depolitisering van het ambtenarenkorps?

Waar worden de kandidaturen voor de verschillende functies besproken met de politieke partijen? Vinden deze gesprekken plaats in de raad van bestuur van het centrum?

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - De regering bereidt een koninklijk besluit voor tot wijziging van de structuur en eventueel van de opdracht en het organisatieschema van het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding.

Werd dit koninklijk besluit door de ministerraad goedgekeurd en is het klaar om naar de Raad van State te worden gestuurd?

Wat is de inhoud van dit koninklijk besluit? Welke veranderingen zal het meebrengen voor het centrum?

Zullen de bevoegdheden van het centrum worden uitgebreid om rekening te houden met de regeringsamendementen op het wetsvoorstel van de heer Mahoux ter bestrijding van discriminatie? Dit wetsvoorstel beoogt de bevoegdheden van het centrum uit te breiden tot alle vormen van discriminatie op basis van artikel 13 van het Verdrag van Amsterdam. Ik hoop dat het niet de bedoeling is vooruit te lopen op de feiten want ik zou graag hebben dat hierover eerst een grondig debat wordt gevoerd in de commissie voor de Justitie van de Senaat.

Men stelt voor dat het centrum wordt geleid door een directiecomité of door een college van directeurs. Met welke taak zal dit leidinggevend team worden belast? Waarom wordt de structuur van het centrum uitgebreid? Op basis van welke criteria zullen de directeurs worden aangewezen? Zal er een oproep tot de kandidaten worden gedaan in het Belgisch Staatsblad?

Het wetsvoorstel van de heer Mahoux werd reeds herhaaldelijk in de commissie besproken. Er werden bezwaren geformuleerd aangaande het op één lijn plaatsen van de discriminatie tussen mannen en vrouwen en andere vormen van discriminatie. Wat zal het verband zijn tussen het "nieuwe" centrum en het Centrum voor gelijkheid van kansen tussen mannen en vrouwen?

Ik dring erop aan dat in de commissie voor de Justitie spoedig een debat ten gronde wordt gevoerd.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Het verheugt mij dat in de Senaat een debat zal worden gevoerd over deze materie, zowel over het wetsvoorstel dat door alle democratische partijen werd ondertekend als over de regeringsamendementen.

Het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding heeft zijn nut bewezen. Ik breng bij deze gelegenheid hulde aan de heren Leman en Cornil en aan de hele ploeg voor het fantastische werk dat zij op dit vlak hebben verricht.

Het budget van het centrum is sinds zeven en een half jaar hetzelfde gebleven, hoewel de taken enorm zijn toegenomen: strijd tegen de mensenhandel, toename van het aantal geschillen en van de gerechtskosten die hiermee verbonden zijn, opdrachten op Belgisch en op internationaal vlak, expertiseopdrachten.

In december heeft de regering beslist de werkingsmiddelen van het centrum te verhogen van 90 miljoen tot ongeveer 165 miljoen frank per jaar. Dit is ongeveer evenveel als het budget van de Hoge Raad voor de Justitie, maar veel minder dan dat van de Koning Boudewijnstichting, die over een half miljard beschikt. De middelen van het centrum staan niet in verhouding tot de maatschappelijke problemen waarmee het wordt geconfronteerd en tot zijn inzet voor de democratie.

De regering heeft ook beslist de personeelsformatie van het centrum uit te breiden. Momenteel worden hierover besprekingen gevoerd.

De aanwervingsvoorwaarden voor het personeel blijven ongewijzigd. Er wordt een oproep tot de kandidaten gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De selectie gebeurt door de raad van bestuur, die de lijst van kandidaten voorlegt aan de ministerraad.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Worden ook de leden van de raad van bestuur vervangen? Zal de oproep tot kandidaten in het Belgisch Staatsblad verschijnen? Of worden de kandidaten benoemd bij besluit waarover in de ministerraad overleg is gepleegd en dat dus op politieke basis tot stand komt? Of is hierover nog niets beslist?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - In het oorspronkelijke voorstel stond niets over een wijziging van de raad van bestuur. Het debat in de Senaat kan eventueel leiden tot een uitbreiding van die raad aangezien de bevoegdheden aanzienlijk worden verruimd. Voorlopig is er nog niets beslist.

Mevrouw Gerda Staveaux-Van Steenberge (VL. BLOK). - Misschien kan de minister mij uitleggen waarom ze geen antwoord geeft op mijn vijf vragen. Die waren heel pertinent en niet zo moeilijk te beantwoorden. Als de minister niet kan antwoorden, dan kan ze mij toch op zijn minst vertellen waarom dat zo is, zou ik denken.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Ik heb over alle aspecten van de problematiek geantwoord.

De voorzitter. - Er is een probleem inzake de verdere afwerking van onze agenda. De heer Caluwé is op dit ogenblik in het Vlaams parlement, mevrouw Van Riet woont waarschijnlijk de vergadering van de VLD-fractie bij, de heer Van Quickenborne is net weggegaan.

Op deze manier kunnen we niet werken. Het is ontoelaatbaar dat de fracties bijeenkomsten beleggen op het ogenblik van de mondelinge vragen. Daardoor krijgen we elke keer opnieuw situaties als vandaag. Ik kan dat niet blijven aanvaarden. De vergadering wordt geschorst.

(De vergadering wordt geschorst om 15.25 uur. Ze wordt hervat om 15.35 uur.)

De voorzitter. - De parlementsleden zijn vaak afwezig op het ogenblik dat ze worden verondersteld hun vraag te stellen aan de aanwezige minister. Dit is zeer onaangenaam en zeer onbeleefd ten opzichte van de regering.

We eisen veel van de regering. Het is dan ook niet meer dan normaal dat we ons zelf correct gedragen.

Voortaan zal ik de vragen schrappen van de parlementsleden die niet aanwezig zijn.

Mondelinge vraag van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en aan de minister van Justitie over «de reglementering van alcohol-, tabaks- en cannabisconsumptie» (nr. 2-518)

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Op 26 oktober jongstleden stelde ik de minister reeds een vraag betreffende het alcoholgebruik en -misbruik. De minister antwoordde toen dat we moesten uitkijken of er nieuwe elementen in het debat opdoken. Die zijn er nu.

Op een recente driedaagse heeft de Wereldgezondheidsorganisatie zich te Stockholm uitgesproken voor een herziening van de marketing en promotie van alcohol naar jongeren. In recente krantenberichten is er sprake van een toename van alcoholgebruik in Europa. In Nederland is de discussie volop losgebarsten. In de uitzending "Netwerk" vond er een discussie plaats over het al dan niet strafbaar stellen van alcoholgebruik door jongeren beneden de zestien jaar.

Is de minister van plan reclame voor alcoholproducten te verbieden? Dat idee werd onder meer door de Nederlandse minister van Volksgezondheid, de heer Borst, naar voor geschoven. Wil de minister de reglementering verstrengen, zo ja, op welke manier? Komt er een studie?

De besluitwet van 1939 regelt de consumptie van bier en andere alcoholische dranken. Deze wet lijkt me behoorlijk verouderd.

Volgens de wet van 1983 mag sterke drank niet worden verkocht aan minderjarigen. Volgens de besluitwet van 1939 mogen bier en dranken met een gelijkaardig alcoholgehalte niet aan -16-jarigen worden verkocht. Welke sanctie staat op een overtreding van deze wetgeving? Wordt het verbod gerespecteerd? In Nederland wordt het idee geopperd om een identiteitscontrole in te voeren in cafés. Zijn er in het verleden veroordelingen geweest, bijvoorbeeld door de jeugdrechter, wegens de consumptie van alcohol door een jongere? Wordt de wettelijke norm die is vastgelegd in artikel vijf van de besluitwet van 1939 betreffende het niet-schenken van alcohol aan een dronken persoon, strikt nageleefd? Iedereen kan vaststellen dat in Vlaanderen alcohol wordt geschonken aan dronken personen. Nochtans staat duidelijk in de wet vermeld dat dit niet mag. Is de minister op de hoogte van veroordelingen die op basis hiervan zijn uitgesproken? Indien de minister van mening is dat deze wettelijke bepaling niet meer aangepast is aan de realiteit, is ze dan van plan deze norm aan te passen?

Bestaat er een leeftijdsgrens voor het gebruik van tabak? Zo ja, wat is de sanctie hierop en wordt die gerespecteerd? De toename van het aantal rokers onder de jongeren is een belangrijk probleem. Beschikt de minister over een arsenaal van maatregelen om dat probleem tegen te gaan?

Ik wil niet steeds terugkomen op het cannabisprobleem, maar ik heb vernomen van jeugdrechters en jeugdconsulenten dat er tot op heden nauwelijks of geen veroordelingen door de jeugdrechter zijn uitgesproken inzake het gebruik van cannabis door 16 tot 18-jarigen. Is het de bedoeling om met het nieuwe beleid strenger op te treden tegen 16- tot 18-jarigen of geldt de laagste prioriteit? Strikt genomen zouden jonge gebruikers volgens de nieuwe wet moeten worden doorverwezen naar de hulpverlening. Is dit aangewezen? Mensen van 16 jaar kunnen immers op een redelijke manier met cannabis omgaan.

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Voor wat betreft uw eerste vraag, kan ik u meedelen dat er onder impuls van het Zweeds voorzitterschap en in samenwerking met de Wereldgezondheidsorganisatie in Stockholm een driedaagse heeft plaatsgevonden over het alcoholgebruik door jongeren. Ter voorbereiding van deze driedaagse heeft er in heel wat landen onderzoek plaatsgevonden. In alle landen wordt een toename van het alcoholgebruik door jongeren genoteerd, ook in België. In de Europese rangschikking trekken Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken de kop en bevindt België zich in de middengroep. Dat betekent echter niet dat er in België geen probleem zou bestaan. Het alcoholgebruik bij jongeren verdient al onze aandacht.

Bij het afsluiten van de driedaagse conferentie werd een plechtige verklaring ondertekend; ik beschik voorlopig slechts over het werkdocument, maar zodra ik de gisteren goedgekeurde versie ontvang, zal ik u die bezorgen.

Voor vier werkingsterreinen werden er aanbevelingen geformuleerd: de opvoeding, het cadre de vie of de leefomgeving, het adequaat ondersteunen via preventie en via zorgverlening.

De vraagsteller had vooral oog voor de reclameproblematiek. Hierover wordt in zeer algemene bewoordingen gezegd dat de druk op de jongeren om alcohol te gebruiken o.a. via het zeer specifieke aanbod van popalcohols moet worden afgezwakt. Een en ander wordt niet precies ingevuld. Dit is te wijten aan de zeer zwakke juridische basis waarop Europa kan terugvallen om in naam van de volksgezondheid maatregelen te nemen met een zeer grote economische weerslag.

Nauwelijks drie maanden geleden heeft het Hof te Luxemburg een arrest geveld tot vernietiging van de richtlijn met betrekking tot de tabaksreclame. De aanbevelingen inzake reclame blijven dus zeer voorzichtig geformuleerd omdat men zich in dat verband op glad ijs bevindt.

Het Belgische beleidsplan bepaalt wel dat moet worden onderzocht welke regelgeving voor het aanbod van die mix-drankjes kan worden uitgewerkt. De Eetwareninspectie houdt zich daar op dit ogenblik mee bezig. Zo zullen die drankjes wellicht verplicht in het rek van de alcoholische dranken worden uitgestald. Het uitstallen bij de frisdranken wordt verboden, zodat het onderscheid duidelijker wordt. De kwaliteit van de voorlichting en haar overtuigingskracht zullen echter bepalend zijn voor het succes van de campagne.

In Stockholm heeft een aanzienlijke delegatie jongeren meegewerkt aan het opstellen van de slotverklaring. Vandaag zijn zij vragende partij om ook op nationaal vlak bij het verder uitwerken van het beleid te worden betrokken. Zo kunnen jongeren mede nadenken over de aanpak van deze problematiek bij jongeren. Ik ben zinnens om hieraan in overleg met mijn collega's van de gemeenschappen en gewesten gevolg te geven.

Inzake reclame bestaat er in België eigenlijk maar één verbod, namelijk het verbod op reclame voor dranken met een alcoholgehalte van meer dan 22% op de televisie. Meer bestaat er niet. Er moet dus worden nagedacht over zinvolle initiatieven.

De heer Van Quickenborne vraagt ten tweede of de wetgeving in verband met het verstrekken van sterke dranken wordt nageleefd. Artikel 13 van de wet van 28 december 1983 betreffende het verstrekken van sterke drank en betreffende het vergunningsrecht bepaalt dat het verstrekken, zelfs gratis, van sterke drank aan minderjarigen voor gebruik ter plaatse is verboden in drankgelegenheden. Ook het verkopen en aanbieden, zelfs gratis, van mee te nemen sterke dranken aan minderjarigen zijn verboden. Artikel 24 voorziet als sanctie in een boete van honderd tot vierduizend frank voor elke persoon die sterke drank verkoopt, aanbiedt of verstrekt, in overtreding met de bepalingen van artikel 13. Bovendien kan de rechter een verbod uitspreken om gedurende ten hoogste drie jaar dranken te verkopen of te verstrekken.

De minister van Justitie heeft aan de gerechtelijke autoriteiten alle inlichtingen gevraagd met betrekking tot de situatie op het terrein, maar hij heeft nog geen antwoorden gekregen. Dat geldt ook voor de derde vraag. De minister van Justitie zal u de gegevens van het gerecht vanzelfsprekend zo spoedig mogelijk overmaken.

Er bestaat in België nog geen enkele regeling inzake de verkoop van tabak aan jongeren. Er is dus geen enkele leeftijdsgrens ingesteld voor het aanbieden of verkopen van tabak op openbare of private plaatsen.

In de Wereldgezondheidsorganisatie vroeg men ons onlangs hoe wij daarover dachten. Ik had daarover tot op dat ogenblik nog geen mening gevormd. Ik heb wel aandachtig geluisterd naar de inbreng van andere collega's die daar al langer mee bezig zijn. Wat mij het meest verbaasde, waren bijvoorbeeld de antwoorden van Finland en Zweden die de al ingestelde leeftijdsgrens van 18 jaar op 16 jaar hadden gebracht omdat ze bij jongeren beneden de 18 jaar een steeds groeiend gebruik van tabak hadden vastgesteld. De Finse minister van Volksgezondheid was uiteindelijk tot het besluit gekomen dat een leeftijdsgrens in de praktijk niet zo veel zin heeft omdat het voor de jongeren, vaak al vanaf 12 of 13 jaar, helemaal niet moeilijk is aan tabak te geraken, bijvoorbeeld langs vrienden of familieleden om.

Dat argument stemde mij tot nadenken. Ik vraag mij af of de leeftijdsgrens wel het meest geschikte instrument is om het vooropgestelde doel te bereiken.

Vanuit het Verenigd Koninkrijk kwam het overtuigende argument, namelijk dat zeer goede campagnes, die mensen echt kunnen overtuigen, wel degelijk effect hebben. Daarom heb ik onderzocht hoe we meer middelen kunnen vergaren voor de preventie. Een mogelijkheid is bijvoorbeeld de overheveling van een deel van de inkomsten van accijnzen naar de gemeenschappen en gewesten. Ik heb daarover met minister Reynders een akkoord, maar dat moet nog worden ingebracht in de begrotingscontrole van dit jaar.

Ik kom dan bij de laatste vraag. In de context van de wet van 8 april 1965 op de jeugdbescherming, die tot doel heeft de minderjarige te beschermen en op te voeden is er, a priori, geen aanleiding om de zaak voor de jeugdrechtbank aanhangig te maken.

In omgekeerd geval rijst in de eerste plaats het probleem van de bescherming van de jongere en van de gespecialiseerde hulp. Deze taken worden niet vervuld door de jeugdrechtbank, maar worden sinds de inwerkingtreding van de decreten betreffende de hulp aan jongeren door de gemeenschappen vervuld.

In de praktijk gaat alle aandacht naar de aangepaste hulp zodat er niet moet worden gewerkt met een systeem van veroordelingen en een strafblad, met alle negatieve gevolgen van dien.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Ik ben benieuwd naar de gegevens over de verkoop van drugs aan jongeren van minder dan 16 en 18 jaar en naar de cijfers over dronkenschap.

De minister verwijst naar de praktijk in Zweden en Finland, waar tamelijk repressief wordt opgetreden tegen drugsgebruik, maar waar tegelijkertijd wordt vastgesteld dat te strenge normen het beoogde doel voorbijschieten.

Persoonlijk ben ik van mening dat te strenge normen en sancties tot niets dienen. Wat wel belangrijk is, is de commercialisering tegengaan en daarvoor geld uittrekken. Ik verwijs in dit verband naar het artikel dat vandaag in De Morgen verscheen. Wat ook belangrijk is, zijn krachtige en eigentijdse campagnes om het gebruik van drugs, alcohol en tabak te ontmoedigen. Via de campagne Scholen tegen tabak bijvoorbeeld wordt een hele klas gemotiveerd om niet te roken. Wie goed scoort krijgt een prijs. Enkel met motiverende campagnes is er kans op slagen.

Mondelinge vraag van de heer Michiel Maertens aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer en aan de minister van Binnenlandse Zaken over «het parcours van de Westhoek-rally op 29 en 30 juni en 1 juli 2001» (nr. 2-504)

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Op een persconferentie enkele weken geleden verklaarden de organisatoren van de Westhoek-rally dat het parcours 2001 hetzelfde zou zijn als het jaar voordien en dat het door de dorpskern van Westouter-Heuvelland zou lopen, wat vorig jaar niet het geval was. Ook wordt dit jaar opnieuw een snelheidsrit door de dorpskern van Hollebeke georganiseerd.

Nochtans lezen we in het koninklijk besluit van 28 november 1997 dat de rally's regelt, het volgende: "Het parcours van de klassementsproeven mag geheel noch gedeeltelijk vallen binnen een bebouwde kom". De burgemeesters kunnen na advies van de Commissie voor de veiligheid bij sportwedstrijden of sportcompetities voor auto's evenwel een uitzondering op deze regel verlenen. De omzendbrief OOP 25bis van voormalig staatssecretaris Peeters van 3 juli1998 zegt hierover het volgende "Zo dient, wat de doortocht van de bebouwde kom betreft, vermeld te worden: de onmogelijkheid om in een alternatieve route te voorzien".

Aangezien de rally vorig jaar niet door Westouter reed en in Hollebeke de dorpskom via een alternatieve weg kan worden vermeden, had ik graag vernomen of de ministers de naleving van de OOP 25bis zullen eisen en de commissie zullen volgen. Als dat niet gebeurt, dan verkiezen ze "het verhogen van de spektakelwaarde" - om de woorden van de organisatoren te gebruiken - boven het respect van het koninklijk besluit. Maar kunnen zij dan zeggen waarop zij zich baseren om die beslissing te nemen?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - De commissie voor de veiligheid bij sportwedstrijden of sportcompetities voor auto's heeft het dossier van de Westhoek-rally 2001 nog niet ontvangen en heeft het bijgevolg nog niet kunnen onderzoeken. De commissie moet enkel een advies verstrekken als er vanwege een burgemeester een verzoek tot afwijking van het parcours wordt ingediend en als het parcours door een agglomeratie loopt.

Wanneer de commissie een verzoek tot advies ontvangt, neemt die de motivering van de gemeentelijke overheid in zijn geheel in overweging.

Ik kan de heer Maertens verzekeren dat rekening zal worden gehouden met de mogelijkheid van alternatieve routes die vergelijkbare veiligheidswaarborgen bieden en met de verschillende elementen van de OOP25bis. Voor de commissie is veiligheid prioritair, maar ze houdt zich niet bezig met het sportieve beheer van het evenement.

Ik weet niet welk advies de commissie zal verstrekken. Er moeten goede redenen zijn - zeker uit het oogpunt van de veiligheid - om een parcours door een agglomeratie te laten lopen.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - De problematiek is eenvoudiger dan het antwoord. De laatste jaren werd de wet op legale wijze ontweken omdat de ontwijking structureel is ingebouwd. De commissie aanvaardt altijd klakkeloos de voorstellen van de burgemeesters en gaat niet eens na of er een alternatief is. De redenering is als het altijd zo was, waarom dan nu veranderen. Ondertussen is er wel een koninklijk besluit gekomen, gevolgd door een omzendbrief.

Deze kwestie belangt zowel minister Dusquesne als minister Durant aan. Zij moeten op dezelfde lijn zitten. In de commissie vertegenwoordigt een persoon de beide ministers. Dat is geen goede zaak. De commissie functioneert binnen Binnenlandse Zaken. Het ministerie van Verkeer moet daarbij worden betrokken. Het zou goed zijn dat er evaluatie komt van het koninklijk besluit en van de omzendbrief. Zoals de jongste tien jaar zal ik de zaak van nabij blijven volgen. Als de commissie niet op haar plichten wordt gewezen, zal ik opnieuw vragen stellen. De minister moet de letter en de geest van het koninklijk besluit en de omzendbrief respecteren. Uitzonderingen voortdurend tot regel ombuigen, is gewoon wetsontwijking.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik herhaal dat de veiligheid prioritair is. De commissies, waarin de burgemeesters zetelen, kunnen het geheel van de problematiek het best beoordelen. Ik heb geen enkele reden om hun bedoelingen in twijfel te trekken. Ik onderstreep dat de beslissing wordt genomen op basis van een gemotiveerd advies.

Mondelinge vraag van de heer Ludwig Caluwé aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer over «de begeleidende maatregelen bij de aanleg te Ekeren van het werkspoor voor de hogesnelheidslijn» (nr. 2-519)

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - De NMBS gaat een extra spoor aanleggen naast lijn 27A, tussen het vormingsstation Antwerpen-Noord en de Salaadweg in Ekeren, om de materialen voor de aanleg van de HSL te vervoeren. Later vormt dit extra spoor de aanzet voor de tweede spoortoegang tot de Antwerpse Haven.

De omwonenden vrezen geluidsoverlast. Volgens de huidige informatie van de NMBS zullen er in de eerste fase alleen aan de noordzijde geluidsschermen geplaatst worden, maar niet aan de zuidzijde. De bevolking dringt hier nochtans sterk op aan. Er werden reeds 1.271 handtekeningen verzameld. Ook de Ekerse districtsraad sloot zich hier unaniem bij aan.

Hoe zal de NMBS de bevolking over de concrete uitwerking van de plannen informeren? Er was reeds een informatievergadering op 5 februari maar de NMBS kon toen nog weinig antwoorden verstrekken. Een nieuw initiatief is dus noodzakelijk. Welke vorm van dialoog zal er worden opgestart? Zal men over de hele lengte van het werkspoor geluidsschermen aanbrengen? Hoe lang zal het werkspoor in gebruik zijn? Wanneer zal het worden gebruikt, enkel tijdens de werkdagen of ook 's nachts en in de weekends? Zal het werkspoor na de werkzaamheden verwijderd worden of wordt dit het definitieve tweede spoor?

Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. - Voor de aanleg van de sporen en de spooruitrusting van de hogesnelheidstrein naar Nederland moet een werkspoor worden aangelegd tussen de werkbasis in het vormingsstation Antwerpen-Noord en de hogesnelheidstrein. De realisatie van de bedding van dit werkspoor komt principieel neer op de verbreding van de opgehoogde bedding van de bestaande goederenlijn 27A. Aangezien in het eerste gedeelte van het traject, dus tussen de Kloosterstraat en de Veldwijklaan, het tracé van het werkspoor en het toekomstige tracé van de tweede spoorontsluiting van de haven van Antwerpen samenvallen, wordt in deze zone de bedding van het werkspoor dubbelsporig opgevat en geschikt gemaakt voor de aanleg van de toekomstige goederenlijn. Het tweede gedeelte van het traject is enkelsporig en voorlopig.

Voor de aanleg van dit werkspoor werd een milieueffectrapport opgemaakt. Daarin werden ondermeer de gevolgen op het gebied van geluidshinder onderzocht. Uit die geluidsstudie is gebleken dat het verkeer op dit werkspoor geen noemenswaardige verhoging van het geluidsniveau ten opzichte van de huidige situatie zal veroorzaken. Voor het gedeelte van een definitieve bedding, waar bij de berekening werd uitgegaan van de treinintensiteit verbonden aan de tweede havenontsluiting in de bebouwde zones, dienen geluidswanden te worden geplaatst aan weerszijde van de viersporige bedding, teneinde de geluidsniveaus tot de richtwaarden te kunnen beperken. Op basis van deze studie heeft de NMBS beslist om vooruit te lopen op de realisatie van de eigenlijke tweede spoortoegang tot de haven, en deze geluidswanden reeds te plaatsen tijdens de beddingswerken voor het werkspoor, enkel voor de zone waar deze werken een definitief karakter hebben, dus meer bepaald aan de noordzijde van de viersporige bedding tussen de Driehoekstraat en de Veldwijklaan. Hierdoor kan worden vermeden dat later moeilijker uitvoerbare en dus duurdere aanpassingswerken aan deze nieuwe bedding vereist zijn om die wanden achteraf te kunnen plaatsen.

Aangezien er voor het werkspoor aan de zuidzijde van de vermelde zone momenteel geen werken gepland zijn, worden de geluidswanden langs deze zijde nu niet geplaatst. Momenteel worden ook geen geluidswanden geplaatst waar de bedding van het werkspoor voorlopig is; in die zone zal de bedding van het werkspoor immers na een gebruiksperiode van ongeveer anderhalf tot twee jaar worden opgebroken. Daarenboven dient voor de tweede spoorontsluiting het tracé van de bestaande goederenlijn in deze omgeving te worden gewijzigd. Het milieueffectrapport dat zal worden opgesteld voor de totale realisatie van deze goederenlijn zal de plaats en de opvatting van deze geluidswanden in deze zone vastleggen.

Op dezelfde manier als recentelijk gebeurd is voor het werkspoor, zal ook een openbaar onderzoek worden gedaan inzake de stedenbouwkundige vergunning voor de werken die moeten worden uitgevoerd voor tweede spoorontsluiting van de haven van Antwerpen. Naar aanleiding van dit openbaar onderzoek kan de bevolking eventuele opmerkingen aangaande het project kenbaar maken. De NMBS zal ook een informatievergadering voor de bevolking organiseren om het project nader toe te lichten.

De NMBS stelt dus dat het werkspoor aanzienlijke geluidsoverlast zal veroorzaken. Daarom zullen er schermen worden geplaatst op het stuk dat later voor de tweede spoortoegang zal dienen. Ik zal toezien op de toepassing van artikel 74 van het beheerscontract. Dat artikel bepaalt dat in beperkte mate rekening moet worden gehouden met de ecologische gevolgen van elk project. Ik kan ook druk uitoefen opdat bij de volgende stappen van het project rekening wordt gehouden met de vragen en de opmerkingen van de bevolking.

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Ik dank de vice-eerste minister voor haar antwoord. Het gaat hier om een lokaal probleem waarbij we niet op alle aspecten in detail kunnen ingaan.

Ik wil wel opmerken dat als de NMBS vindt dat de geluidsoverlast moet worden gerelativeerd, het milieueffectrapport toch uitwijst dat de toegelaten norm met 12 decibel wordt overschreden. De toegelaten overschrijding bedraagt slechts 5 decibel. Bovendien werd het rapport in volle zomerperiode opgesteld, in een periode met minder druk treinverkeer dan normaal.

Mondelinge vraag van mevrouw Iris Van Riet aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de aanwezigheid van dioxines en PCB's in het voedsel» (nr. 2-513)

Mevrouw Iris Van Riet (VLD). - In januari 1999 kwam ongeveer 500 ton met PCB's en dioxines gecontamineerd vet in veevoeder terecht. Dit voorval was de directe aanleiding tot de dioxinecrisis. Om de evolutie op de voet te kunnen volgen, werden in opdracht van de federale overheid ruim 20.000 monsters genomen van dierlijke voeding, vlees, kip, eieren en melk. De resultaten van het onderzoek gaven overduidelijk verhoogde gehaltes aan van dioxines, vooral van PCB's.

Een interuniversitaire werkgroep met onderzoekers van de universiteiten van Gent, Brussel, Antwerpen en Leuven, bestudeerde alle tijdens de dioxinecrisis verzamelde data en meer bepaald de potentiële impact op de volksgezondheid. De werkgroep kwam tot de vaststelling dat de 500 ton met PCB's en dioxines gecontamineerd vet dat in januari 1999 in het veevoeder terechtkwam, wel degelijk gevolgen heeft voor de volksgezondheid, maar lang niet de enige oorzaak is van verhoogde dioxine- en PCB-concentraties in ons voedsel.

Kan de minister bevestigen dat er naast de gecontamineerde olie, nog andere bronnen zijn die verhoogde dioxine- en PCB-concentraties in ons voedsel veroorzaken? Wat zijn deze bronnen? Welke initiatieven werden genomen of zullen worden genomen om die bronnen aan te pakken?

Kan de minister bevestigen dat de dioxine- en PCB-crisis in ons land 40 tot 8.000 extra kankergevallen zal veroorzaken, zoals blijkt uit het rapport van de interuniversitaire werkgroep?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - We hebben de vraag van mevrouw Van Riet gisteren ontvangen. De administratie heeft erop gereageerd, maar beschikte toen over weinig gegevens. Vandaag is inmiddels al wat meer bekend geworden.

Uit het eerste antwoord dat ik heb gekregen blijkt dat er op het ogenblik niet onmiddellijk bewijzen zijn die staven dat andere vaste bronnen een hogere concentratie van PCB's en dioxines in de dierenvoeding verklaren.

Einde 1999, zodra Europa de maatregelen ten opzichte van ons land heeft opgeheven, hebben we het CONSUM-programma opgestart waarbij per jaar ongeveer 16.000 stalen worden genomen van dierenvoeding, van dierlijke producten en eetwaren. Dankzij het intensief monitoring-programma zijn we nu in staat om telkens wanneer er een probleem rijst, dit tijdig vast te stellen en op te treden.

Vandaag heb ik een korte samenvatting gekregen van de studie die onderzoekers van de Universiteit van Brussel samen met collega's van Antwerpen en Gent en de heer De Poorter van het ministerie van Landbouw, hebben gemaakt. Uiteraard ben ik nu niet in staat om op grond daarvan een antwoord te geven.

Ik zal deze studie meteen bezorgen aan de specialisten van het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid, zodat ik hierover een gefundeerde second opinion kan krijgen. Ik zal ook mijn vakantieweek gebruiken om zelf de studie te lezen. Veertig dan wel achtduizend extra gevallen van kanker is inderdaad een groot verschil, mevrouw Van Riet.

In september 1999 heb ik het WIV de opdracht gegeven een body burden-studie te doen. Daar wordt nog steeds aan gewerkt. Ik zal nogmaals aandringen om de resultaten zo spoedig mogelijk mede te delen zodat we van twee wetenschappelijke studies kunnen uitgaan om de zaak verder te onderzoeken en na te gaan welke specifieke opvolging we daaraan moeten gegeven.

Mevrouw Iris Van Riet (VLD). - Het stemt me tevreden dat de minister de studie ernstig neemt. De onderzoekers die eraan hebben meegewerkt zijn niet de eersten de besten zodat ontegensprekelijk degelijk werk werd geleverd. In het belang van de volksgezondheid is dus zeker de moeite er ernstig op in te gaan.

Mondelinge vraag van de heer Francis Poty aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «de SIS-kaart en het afwisselend uitoefenen van het gezag over kinderen» (nr. 2-514)

De heer Francis Poty (PS). - Kinderen die na een scheiding bij hun moeder wonen, worden normaal gezien in haar ziekenboekje ingeschreven. Wanneer ze hun vader bezoeken, moeten ze in het bezit zijn van hun SIS-kaart en van ziekenfondsklevers op hun naam. Op die manier worden de medische kosten aan de vader terugbetaald.

Wat gebeurt er als de moeder weigert de SIS-kaart mee te geven wanneer de kinderen bij hun vader verblijven? Bij ziekte of ongeval moet men deze kaart kunnen voorleggen. Men zou contact met de moeder kunnen opnemen, maar het is niet zeker dat ze voortdurend bereikbaar is of zich tijdig kan verplaatsen. Ik heb het dan nog niet over eventuele communicatieproblemen tussen gescheiden partners.

Dit probleem is niet typisch voor de gevallen waarin de ouders het gezag afwisselend uitoefenen, maar voor kan zich in alle gevallen voordoen, ook op vakantie in het buitenland.

Kan geen duplicaat van de SIS-kaart worden afgegeven? Dit systeem wordt ook voor bankkaarten toegepast.

Moeten de gegevens van de kinderen niet op de SIS-kaart van beide ouders staan?

Mijnheer de minister, is uw departement zich bewust van dit uiterst gevoelige probleem? Welke maatregelen overweegt u terzake?

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Het koninklijk besluit van 11 oktober 2000 wijzigt artikel 21 van het koninklijk besluit van 22 februari 1998 houdende uitvoeringsmaatregelen inzake de sociale identiteitskaart.

Dit artikel bepaalt dat een attest van sociaal verzekerde dat dezelfde gegevens bevat als de gegevens vermeld op de sociale identiteitskaart onder bepaalde voorwaarden en binnen de kortst mogelijke tijd door de verzekeringsinstelling wordt afgegeven.

De geldigheidsduur van het attest van sociaal verzekerde bedraagt twee maanden te rekenen vanaf de afgifte ervan.

In de volgende gevallen wordt de geldigheidsduur evenwel op zes maanden gebracht:

Deze wijziging biedt een tijdelijke oplossing in geval van scheiding zolang de ouders geen akkoord bereiken over de noodzaak om de SIS-kaart van hun kind aan de andere ouder te overhandigen. Ze lost ook het probleem op bij deelname van het kind aan een vakantiekamp in België. Bij een verblijf in het buitenland wordt het formulier E111 gebruikt en niet de SIS-kaart. De Dienst voor administratieve controle van het RIZIV heeft op 1 december 2000 een rondzendbrief opgesteld waarin de afgiftevoorwaarden van het attest van sociaal verzekerde worden opgesomd.

De SIS-kaart is een sociale identiteitskaart. Ze is persoonlijk en moet in het principe in het bezit zijn van de houder ervan. In geval van echtscheiding kan de kaart niet worden beschouwd als het persoonlijk bezit van de ouder aan wie het gezag werd toegekend. De ouder mag dus wettelijk gezien niet weigeren de kaart aan de andere ouder te overhandigen.

Aangezien de kaart strikt persoonlijk is en men de gegevens van beide kaarten niet tegelijk kan aanpassen, is het afgeven van een duplicaat onmogelijk.

Het is tevens onmogelijk de gegevens van meerdere rechthebbenden op één kaart aan te brengen.

De heer Francis Poty (PS). - Ik zal het antwoord van de minister bestuderen, want ik ben niet volledig gerustgesteld.

Mondelinge vraag van de heer Jean Cornil aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de uitvoering van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk» (nr. 2-515)

De heer Jean Cornil (PS). - De minister zal het mij wellicht niet kwalijk nemen dat mijn eerste parlementaire vraag handelt over een probleem dat ons beiden en de verantwoordelijken van het centrum waarin ik zeven jaar heb gewerkt, dagelijks bezig houdt.

Meer dan 50.000 personen, waaronder 23.000 kinderen - waarvoor in het totaal 32.662 dossiers zijn ingediend - wachten op een beslissing over hun regularisatie die hun eindelijk de kans kan geven een toekomst op te bouwen als burger van dit land en te vluchten uit een clandestien bestaan dat met de dag dramatischer wordt.

Volgens de inlichtingen waarover ik beschik, zou de commissie 10.000 dossiers hebben behandeld en slechts 2.800 beslissingen hebben genomen. Meer dan een jaar na het afsluiten van de aanvragen, namelijk 30 januari 2001, vrees ik er dan ook voor dat deze operatie niet op de vooropgestelde datum, 30 juni 2001, kan worden afgerond.

Hoeveel positieve en negatieve adviezen hebben het secretariaat en de acht kamers van de Commissie voor Regularisatie al uitgebracht?

Hoeveel beslissingen heeft de minister als gevolg van deze adviezen genomen en hoeveel waren er negatief om redenen van openbare orde? Hoeveel aanvragen op basis van artikel 9, paragraaf 3, van de wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen werden in het kader van de regularisatiewet behandeld?

Is het, amper vier maanden vóór de uiterste datum, niet de hoogste tijd informatie te verstrekken over de evolutie van het beheersplan? Volgens sommigen moeten er vóór het einde van februari nog 23.000 dossiers worden behandeld. Is het vooral niet passend een duidelijke boodschap te sturen aan de betrokken personen die zich over de stand van hun dossier almaar meer zorgen maken?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Mijnheer Cornil, het zou mij ontgoochelen te moeten vaststellen dat u zich als senator niet langer bekommert om de problemen die u zo lang hebben beziggehouden. Ik maak van de gelegenheid trouwens gebruik om u te zeggen hoezeer ik uw medewerking op het terrein van de regularisatie op prijs stel.

Het lot van de ongeveer 50.000 personen die gevraagd hebben te genieten van het voordeel dat de wet van 22 december 1999 biedt, ligt mij inderdaad na aan het hart.

Deze tot einde 1999 vergeten groep mensen werd immers voor de eerste keer erkend. Ik onderstreep dat deze personen van bij de indiening van het dossier, dus zonder dat er een beslissing over de gegrondheid van de aanvraag is gevallen, door de wet zelf worden beschermd en niet van het grondgebied kunnen worden verwijderd.

Ik herinner er ook aan dat de kandidaten voor een regularisatie al sedert lang legaal kunnen werken. Indien ze een werkgever vinden, kunnen ze een arbeidsvergunning krijgen onder voorwaarden die afwijken van het gemeen recht dat op de andere vreemdelingen van toepassing is, en zelfs een verblijfsvergunning.

Ik begrijp dan ook niet waarom ik verantwoordelijk gesteld wordt voor de "dramatische" clandestiene situatie waarin deze vreemdelingen zich zouden bevinden, maar die voor mij karakteristiek is voor het beleid van de vorige regeringen. Deze regering heeft een ernstige inspanning gedaan om dat probleem op te lossen.

Uit de cijfers die de Commissie voor de Regularisatie me heeft meegedeeld, blijkt dat ze niet voldoet aan de eisen van het beheersplan, maar ik maak mij niet te veel zorgen over deze achterstand. Ik wijs erop dat het beheersplan pas een maand na de goedkeuring ervan in werking kon treden omdat men moest wachten tot de nieuwe bestuurder en nieuwe eerste ondervoorzitter zich ten volle van hun taak konden kwijten. De vertraging is ook te wijten aan het groeiend personeelsverloop dat, naarmate men dichter bij 30 juni 2001 komt, nog toeneemt. Het is bovendien ook erg moeilijk om de vrijgekomen plaatsen snel in te vullen. Mijn kabinet heeft maatregelen genomen om dit verloop tegen te gaan. Om de medewerkers meer perspectieven te bieden, overwegen we bijvoorbeeld de omzetting van het arbeidscontract van de beste elementen in een contract van onbepaalde duur. Een van de moeilijkheden is dat we moeten werken met contractuele personeelsleden die nog moeten worden opgeleid, wat tijd vraagt. Wanneer ze voldoende zijn opgeleid, moeten ze weer worden vervangen.

Een andere oorzaak is het dat het secretariaat waakzamer is geworden voor frauduleuze formulieren om dossiers te ondersteunen. Daarom is een gespecialiseerde anti-fraudecel opgericht die verdachte stukken moet opsporen. Vaak komen die pas naar boven nadat verschillende dossiers naast elkaar zijn gelegd en met elkaar zijn vergeleken. Niet minder dan 1.500 dossiers worden daardoor niet langer op de gewone manier, maar door deze gespecialiseerde cel behandeld.

Het secretariaat van de commissie moet misschien ook bijkomende inspanningen doen om de jurisprudentiële principes die de kamers mettertijd hebben ontwikkeld en die tijdens de algemene vergaderingen worden bevestigd, in hun werkzaamheden te integreren. De verhouding tussen de dossiers die naar de kamers of naar de minister worden verzonden, komt min of meer overeen met de verdeling in het beheersplan, namelijk 70% voor de minister en 30% voor de kamers. Ik heb het secretariaat gevraagd over deze verdeling te waken en de te geringe productiviteit van het personeel te verhogen.

Ik hoop ten stelligste dat de uiterste datum van 1 juli 2001 zal worden gehaald. De commissie moet een grote verantwoordelijkheidszin aan de dag leggen en interne crisissen zoveel mogelijk vermijden. Er mogen in de toekomst geen nieuwe verrassingen of feiten opduiken waarop ze geen vat heeft, zodat de dossiers alle aandacht krijgen. Ik heb ze gewezen op de verwachtingen die de openbare opinie en de vreemdelingen zelf koesteren.

Er zijn meer dossiers afgesloten dan de heer Cornil zegt.

Op 15 februari waren ongeveer 10.000 dossiers door de commissie in behandeling genomen, waarvan 7.496 door het secretariaat alleen en 2.514 door de kamers.

Het secretariaat heeft 63% gunstige adviezen uitgebracht en de kamers 83%

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

Slechts 5.800 dossiers zijn administratief volledig afgewerkt.

Het verschil tussen de ongeveer 10.000 behandelde dossiers en het aantal volledig afgewerkte dossiers kan als volgt worden uitgelegd. Van de 10.000 dossiers wachten er ongeveer 2.200 op een advies inzake openbare orde van de dienst Vreemdelingenzaken. Deze dienst heeft 16.000 adviezen uitgebracht die echter niet allemaal betrekking hebben op dossiers die volledig zijn afgehandeld. Bij 600 dossiers is er een vermoeden van fraude, 1.812 dossiers zijn onvolledig en 150 dossiers zijn op het kabinet geblokkeerd omdat er wordt gewacht op een beslissing op basis van criterium 2, namelijk personen die "niet-verwijderbaar" zijn.

Van de 5.800 afgehandelde dossiers kunnen er 4.500 dossiers als definitief gesloten worden beschouwd. Het verschil in cijfers is te wijten aan de bijna 450 dossiers die op het kabinet geblokkeerd zijn in afwachting van gerechtelijke informatie na de huiszoeking van 31 januari 2001, de 150 dossiers die te maken hebben met criterium 2, de 530 dossiers die naar de kamers zijn teruggestuurd en tot slot ongeveer 170 dossiers die heen en weer gaan.

Er zijn 25 uitsluitingen om redenen van openbare orde of nationale veiligheid.

Er zijn ongeveer 3.500 dossiers ingediend op basis van artikel 9, paragraaf 3, van de wet van 15 december 1980.

Ik vestig er de aandacht op dat het Parlement expliciet heeft gezegd dat de commissie onafhankelijk moet werken. Dat betekent dus dat de commissie verantwoordelijk is voor het bereiken van de doelstellingen van het Parlement en niet de minister. Toch volg ik de werkzaamheden op de voet en neem ik sommige onterechte kritieken voor mijn rekening. Het is voor mij immers essentieel dat het vooropgestelde doel wordt bereikt. Daarom werd het beheersplan opgesteld. Mijn kabinet stelt sedert drie weken talrijke vragen om een idee te hebben van de reële cijfers en de dagelijkse productie. Bovendien suggereren wij bepaalde werkmethodes, zonder ons in de plaats te stellen van de commissie.

Een Kamerlid vroeg mij een maandelijkse staat op te maken van de behandeling van de aanvragen. Ik heb het secretariaat en de kamers gevraagd hiervoor een scoreboard bij te houden waarop de hele regularisatieoperatie nauwkeurig kan worden gevolgd. Met het oog op een zo doorzichtig mogelijk beleid ben ik bereid dit overzicht maandelijks aan het Parlement mee te delen.

Ik sta op de datum van 1 juli, zelfs als alle dossiers dan nog niet volledig zullen zijn afgerond. Ik wil dat de meerderheid van de aanvragers op die datum uitsluitsel krijgen over hun lot, of dat nu negatief of positief zal zijn. Mijn kabinet en administratie zullen alles doen om die datum te respecteren.

De heer Jean Cornil (PS). - Ik dank de minister voor deze verduidelijkingen en precieze cijfers. Ik hoop dat ze ook aan de publieke opinie en vooral aan de betrokkenen zullen worden meegedeeld. Het gebrek aan informatie is immers een van de oorzaken van de angst bij deze mensen.

Het verheugt mij eveneens, en dat is de grond van de zaak, dat het secretariaat en vooral de kamers zoveel positieve adviezen uitbrengen. Indien er hoofdzakelijk negatieve adviezen zouden worden uitgebracht, zou de hele operatie werkelijk geen zin hebben.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik hoop eveneens dat dit goed nieuws zal worden verspreid, maar dat gaat meestal minder vlug dan slecht nieuws.

Mondelinge vraag van de heer Michiel Maertens aan de minister van Landbouw en Middenstand over «het niet uitbetalen van een dioxineschadevergoeding aan de kleinveefokkers» (nr. 2-517)

De voorzitter. - De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Jaak Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Vorige dinsdag heeft de minister bekendgemaakt dat 86% van de 28.754 dioxinedossiers aan de landbouwers werden uitbetaald en dat de hele zaak tegen eind juni wordt afgehandeld.

Met uitzondering van de machtige pluimveesector valt de kleinveesector - de houders van schapen, geiten en konijnen - niet onder de wet van 3 december 1999 en de koninklijke besluiten van 24 december 1999. Dit is strijdig met de verklaringen van de regering dat álle landbouwers die tijdens de dioxinecrisis schade hebben geleden, zouden worden vergoed. Deze kleine sector met weinig zeggingskracht kan niet de vergoeding genieten die de grote sectoren via het Agro-front hebben afgedwongen en wordt dus in de feiten gediscrimineerd.

Misschien is er toch nog wat beleidsruimte om een einde te maken aan deze discriminatie, want het gaat hier niet over vele miljoenen, en kan er met een aanpassing van de wet en via de programmawet voor deze zwakke groep nog een oplossing worden gevonden. Een geiten- of schapenboer is ook een landbouwer. Het zijn beroepsmensen. We mogen op deze mensen niet neer kijken. In Schotland of Australië behoren ze tot de grootste boeren. Het is dus belangrijk een einde te maken aan deze discriminatie. Daarom volgende vragen:

Waarom werd deze groep kleinveefokkers uitgesloten van de vergoedingen?

Staat de minister achter deze uitsluiting en waarom?

Op welke wijze zal de minister deze discriminatie opheffen en binnen welke periode zal hij dit eventueel realiseren?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Voor het opmaken van de wet van 3 december 1999 en de koninklijke besluiten van 24 december 1999 heeft mijn administratie een studie gemaakt over de schade die een rechtstreeks gevolg was van de dioxinecrisis. Daaruit bleek dat de pluimvee-, varkens-, rundvee- en melksector schade hadden geleden. Het Agro-front, dat betrokken was bij het bepalen van de vergoedingen, was het daar mee eens.

Natuurlijk zou ik het liefst alle sectoren die een rechtstreekse schade kunnen bewijzen, vergoeden maar de huidige wetgeving maakt dat niet mogelijk. Mijn juridische dienst heeft in eerste instantie een negatief advies gegeven in verband met een eventuele vergoeding aan de houders van schapen, geiten en konijnen. Ik heb de juridische dienst opnieuw om advies gevraagd en indien er nu een positief advies komt, zal ik de procedure starten om deze sectoren toch te vergoeden.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Ik dank de minister voor dit antwoord, maar wijs er toch op dat de studie die de administratie over de geleden schade heeft gemaakt, duidelijk niet volledig is. Natuurlijk heeft de juridische dienst een negatief advies gegeven. Een schadevergoeding is volgens de huidige wet inderdaad niet mogelijk.

Het stoort me echter enorm dat de administratie aan de kleinveefokkers laat weten dat ze volgens de wet niet in aanmerking komen voor schadevergoeding, maar ook dat hun schade niet bewezen is, ook al hebben deze mensen de bewijzen zwart op wit aan de administratie doorgegeven. Ik zal ze trouwens dadelijk aan de minister geven met de vraag ze aan zijn collega door te spelen. Ik vind het een schande dat men op deze manier met de kleine landbouwers omspringt en hoop dat de minister uiteindelijk toch iets voor deze mensen zal doen. Het zijn immers allemaal landbouwers.

Mondelinge vraag van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Landbouw en Middenstand over «het voorkooprecht van de pachter bij aankoop in der minne door de overheid» (nr. 2-520)

De voorzitter. - De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Jaak Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Eén van de basisuitgangspunten in de pachtwet is het recht van voorkoop van de pachter bij verkoop van de door hem gepachte landbouwgronden.

Op dit recht van voorkoop zijn slechts enkele uitzonderingen. Eén van deze uitzonderingen is dat geen voorkoop moet worden verleend aan de pachter bij de aankoop in der minne door een openbaar bestuur wanneer het goed gekocht wordt om voor doeleinden van algemeen belang te worden aangewend.

Kan de minister mij mededelen of dit algemeen belang beperkend moet worden geïnterpreteerd?

Kan het algemeen belang ingeroepen worden bij aankoop door een overheid van landbouwgronden gelegen in een natuurgebied, een natuurgebied met wetenschappelijke waarde of een natuurreservaat, louter op basis van de doelstelling: realisatie van de op het gewestplan voorziene bestemming?

Kan het algemeen belang ingeroepen worden bij aankoop door een overheid van landbouwgronden gelegen in gebieden met andere bestemmingen op basis van de doelstelling: realisatie van de gewenste oppervlakte natuur- of bosgebied?

Heeft een dergelijke verregaande interpretatie niet tot gevolg dat elke aankoop van het bestuur geacht wordt te gebeuren in het algemeen belang, zodat dit zou betekenen dat telkens het openbaar bestuur een onroerend goed verwerft, het recht van voorkoop zou vervallen?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Het recht van voorkoop van de pachter wordt geregeld in de artikelen 47 tot 55 van de wet van 4 november 1969 tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorkoop ten gunste van huurders van landeigendommen, gewijzigd bij de wetten van 12 juni 1975, 23 november 1978, 10 maart 1983, 7 november 1988 en 13 mei 1999.

De uitzonderingen op het recht van voorkoop worden opgesomd onder artikel 52 van deze wet. Artikel 52, 3° van de wet bepaalt dat de pachter geen recht van voorkoop heeft in geval van voorkoop van het goed aan een openbaar bestuur of een publiekrechtelijke persoon wanneer het goed wordt gekocht om voor doeleinden van algemeen belang te worden aangewend.

Wat de redactie betreft, dient deze bepaling te worden gelezen, samen met artikel 7,9° van de wet waarin de opzeggingsreden van "aanwending voor doeleinden van algemeen belang door een openbaar bestuur of een publiekrechtelijke rechtspersoon" wordt voorzien.

Uit de rechtsleer blijkt dat in de voorbereidende werken van de vroegere wet op het recht van voorkoop, meer bepaald de wet van 1 februari 1963, werd gepreciseerd dat deze uitzondering slechts kan worden aanvaard indien de aangekochte goederen een "onmiddellijke", "duidelijk zichtbare" en "concrete" openbare nuttigheid vertonen.

De rechtsleer beveelt dan ook aan dat de openbare besturen en publiekrechtelijke rechtspersonen duidelijk in de aankoopakte zouden preciseren wat hun concrete en onmiddellijke bedoelingen zijn.

Indien het openbaar bestuur of de publiekrechtelijke rechtspersoon de goederen voor een andere bestemming dan de doeleinden van algemeen belang zou aanwenden, is de sanctie van artikel 51 van de wet van toepassing. De pachter heeft de keuze tussen de vordering tot in de plaatstelling of tot forfaitaire schadevergoeding van 20 procent ten laste van de verkoper.

Voor het concreet geval dat de heer Vandenberghe aanhaalde, moet de rechterlijke macht beslissen. Het zal wellicht belangrijk zijn dat het openbaar bestuur of de publiekrechtelijke rechtspersoon zelf het beheer van het aangekocht goed zal uitoefenen of het beheer zal laten uitoefenen door privaatrechtelijke rechtspersonen of feitelijke verenigingen.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik neem er akte van dat die uitzondering restrictief dient te worden geïnterpreteerd maar dat er door de nieuwe ontwikkelingen allerlei vragen rijzen. Het moet duidelijk zijn dat de uitzondering niet kan worden geïnterpreteerd als zou iedere aankoop in der minne, het algemeen belang dienen. In principe koopt de overheid immers altijd aan voor het algemeen belang. Ik neem aan dat de overheid niet kan aankopen om te speculeren.

Door de wet op de ruimtelijk ordening zijn er evenwel nieuwe vragen gerezen. Ik zal samen met de heer Happart een wetsvoorstel indienen zodat het recht van voorkoop van de pachters effectief, ook tegenover de overheid, kan worden gerespecteerd.

Mondelinge vraag van de heer François Roelants du Vivier aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over «het multimediaplan voor de scholen» (nr. 2-512)

De voorzitter. - De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties.

De heer François Roelants du Vivier (PRL-FDF-MCC). - Sedert enkele jaren bestaat er een overeenkomst tussen de federale Staat en de gemeenschappen om "I-Line" ter beschikking van de scholen te stellen. De kosten ervan zijn ten laste van de Staat en de gemeenschappen en gedeeltelijk van de scholen. Belgacom treedt op als operator.

Hoe lang loopt de overeenkomst tussen de Staat, de gemeenschappen, de gewesten en Belgacom? Werd de overeenkomst vooraf openbaar gemaakt en voor concurrentie opengesteld? Kan een andere operator scholen aansluiten en dezelfde financiële bijdrage van de overheid genieten als Belgacom nu? Aangezien het vermogen van "I-Line" te beperkt is, moet in de toekomst naar een meer performante aansluiting voor onze scholen worden gezocht. Worden daarover nu onderhandelingen gevoerd en worden maatregelen genomen inzake openbaarmaking en concurrentie? Hoe kan een andere operator dan Belgacom scholen aansluiten en dezelfde cofinanciering genieten? Wat is de weerslag van de vrijmaking van het lokale aansluitnet op dit project?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Daems voor:

"Het akkoord tussen de regering, de gewesten en Belgacom loopt nog tot juli 2001. Daarna moet een nieuw akkoord worden gesloten of worden geopteerd voor andere sites. Het huidige akkoord werd niet aan openbaarmaking of concurrentie onderworpen. Het werd door mijn voorganger afgesloten.

Andere operatoren kunnen niet op dezelfde voorwaarden scholen aansluiten. Alleen Belgacom wordt door de regering voor een deel van de kosten betaald. Andere operatoren kunnen scholen aansluiten maar tegen commerciële tarieven en zonder tussenkomst van de regering.

Breedband is de toekomst en scholen vragen dat. Belgacom begint deze aan te bieden binnen het kader van het lopende akkoord.

Het is mijn bedoeling over dit project een offerte uit te schrijven, wanneer het contract ten einde is gelopen. Verschillende operatoren zullen hun diensten kunnen aanbieden, onder meer dankzij de vrijmaking van het lokale aansluitnet. De tussenkomst van de Staat zal geleidelijk worden afgebouwd. De markt moet lage prijzen en een goede kwaliteit waarborgen.

De heer François Roelants du Vivier (PRL-FDF-MCC). - Dit antwoord is zeer volledig en schenkt me volledige voldoening.

Mondelinge vraag van mevrouw Marie Nagy aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over «de omvorming van het Paleis voor Schone Kunsten tot naamloze vennootschap» (nr. 2-516)

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - De wet van 7 mei 1999 tot oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociaal oogmerk vereist een reeks in Ministerraad overlegde uitvoeringsbesluiten. Dat geldt met name voor de goedkeuring van de statuten en het beheerscontract en de benoeming van de leden van de raad van bestuur en de directeur-generaal.

Verleden jaar werd een werkgroep opgericht om de geaffilieerde verenigingen met het Paleis voor Schone Kunsten te verbinden en gebruik te kunnen maken van de ervaring van verschillende experts en prominenten. Deze groep-Davignon heeft eind november zijn conclusies ingediend, maar deze werden in de raad van bestuur van het Paleis nog niet echt besproken en ook nog niet uitgevoerd. Tenzij ik me vergis, werd de oproep tot de kandidaten voor het ambt van directeur-generaal nog niet in het Staatsblad gepubliceerd. Het dossier lijkt dus niet op te schieten, hoewel dat voor de continuïteit wel nodig is. Ik kreeg de jongste tijd dan ook klachten van verschillende verantwoordelijken van het Paleis en de raad van bestuur.

In deze context heb ik vragen over de samenstelling van de nieuwe raad van bestuur die het eerste beheerscontract moet onderzoeken, vooraleer dit door de Ministerraad wordt goedgekeurd. Hij zou worden samengesteld uit mensen van de groep-Davignon. Omwille van de kwaliteit van het werk van die groep en het feit dat met zijn conclusies nog niets is gebeurd, en omdat onze fractie een pluralistische raad van bestuur tot stand wil zien komen, stel ik de vraag of een samenstelling zoals die bestaat in gelijkaardige culturele instellingen zoals De Munt en ongeacht de juridische vorm van de instelling, niet tot meer resultaat en vertrouwen zou leiden. Het cultuurpact van 16 juli 1973 lijkt me trouwens van toepassing te zijn.

Kan de minister ons informeren over de voortgang van de procedure en de redenen van de vertraging? Welke elementen zullen het dossier doen vertragen of vooruitgaan, met name inzake de organisatie van de nieuwe vereniging, de samenstelling van zijn bestuursorganen en de oproep tot de kandidaten voor het ambt van directeur-generaal?

Welke garanties kan hij geven dat het Paleis voor Schone Kunsten onverwijld een toonaangevende culturele aantrekkingspool in de hoofdstad kan worden?

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Inzake de samenstelling van de raad van bestuur is mijn antwoord zeer duidelijk: het cultuurpact is van toepassing.

Het is juist dat een werkgroep, die werd voorgezeten door de heer Davignon, heeft onderzocht welke rechtsvorm het Paleis voor Schone Kunsten moest krijgen. Het ging er dus om de statuten, het beheerscontract en de werking van de toekomstige naamloze vennootschap te bestuderen.

Ook moest een discussie plaatsvinden over de oproep tot de kandidaten voor het ambt van directeur-generaal.

In november ontving ik een verslag van de werkgroep. Er greep een eerste vergadering met de verschillende betrokken ministeriële kabinetten plaats.

De omvorming van het Paleis voor Schone Kunsten in een vennootschap van publiek recht met sociaal oogmerk is een zware operatie die tijd vergt. Een aantal etappes moet worden gerespecteerd. Een eerste belangrijke etappe is het verslag van het college van experts over de inbreng die de nieuwe vennootschap zekerheid moet geven. De bedrijfsrevisoren moeten bepalen hoe de inbreng in de vennootschap moet worden vergoed.

Het beheerscontract, de statuten en de koninklijke besluiten kunnen om evidente redenen niet worden gepubliceerd vóór de oprichting van de vereniging en de installatie van de nieuwe raad van bestuur, die de nieuwe statuten moet goedkeuren. Het verslag van de revisoren moet ons in de komende weken worden bezorgd. Tot dan kan de regering de koninklijke besluiten over de statuten en het beheerscontract niet publiceren. Zodra dit verslag is ingediend, zullen we de koninklijke besluiten publiceren die de nieuwe organen van de vennootschap werkelijk operationeel zullen maken.

Om de nieuwe structuren en de benoeming van de directeur-generaal zo goed mogelijk te laten samenlopen zal de oproep tot de kandidaten waarschijnlijk in maart worden bekendgemaakt. Dat voorkomt een hiaat in de werking van de instelling. Voortijdig gepubliceerde koninklijke besluiten zouden de oude structuren immers opheffen. We zien het einde van de tunnel, maar het onderzoek van het verslag van het college van experts en revisoren is een onontbeerlijke etappe.

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Ik zal de invoering van de nieuwe structuur goed in het oog houden. Ik hoop dat ze de culturele uitstraling van het Paleis voor Schone Kunsten zal bevorderen. Dat kan Brussel en België enkel ten goede komen.

(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)

Wetsontwerp tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de oprichting van een algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank (Stuk 2-441)

Algemene bespreking

Mevrouw Martine Taelman (VLD), rapporteur. - Het wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de oprichting van een algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank staat vandaag opnieuw op de agenda van de Senaat.

De vrederechters en de rechters in de politierechtbank hadden er moeite mee dat zij, in tegenstelling tot alle andere magistraten, niet door hun gelijken zouden worden geëvalueerd.

Het wetsontwerp, dat door de Kamer op 11 januari 2001 werd teruggezonden, vindt zijn oorsprong in het wetsvoorstel dat in de Senaat op 18 mei 2000 werd ingediend door de heer Vandenberghe.

Hoewel de basisfilosofie van het voorstel werd behouden, heeft de Kamer de tekst op diverse punten gewijzigd. De toegang tot de algemene vergadering wordt uitgebreid tot de toegevoegde vrederechters en de toegevoegde rechters in de politierechtbanken. Het woord "politierechter" wordt vervangen door de woorden "rechter in de politierechtbank". De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg zal optreden als korpschef van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank in zijn gerechtelijke arrondissement. De evaluatie zal echter gebeuren door de voorzitter van de algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank. De evaluatieprocedure zelf wordt verfijnd. Er worden wijzigingen aangebracht in de wet van 8 maart 1999 tot instelling van een adviesraad van de magistratuur teneinde het probleem van de vertegenwoordiging van de magistraten van het openbaar ministerie bij het Hof van Cassatie te regelen. Er worden bepalingen toegevoegd aan het ontwerp met het oog op de aanpassing van de overgangsmaatregelen bepaald in de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en de aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem. Een overgangsbepaling regelt het probleem van de benoemingen tot de mandaten die vóór de inwerkingtreding van de wet betreffende de Hoge Raad voor de Justitie, namelijk 2 augustus 2000, waren open verklaard, maar op die datum nog niet waren ingevuld. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de tijdelijke mandaten, waardoor die moeilijk ingevuld geraken. Om dit probleem op te lossen bepaalt de huidige tekst dat alle aanwijzingen tot de mandaatfuncties behoren tot de bevoegdheid van de Hoge Raad voor de Justitie.

Over deze wijziging werden in de commissie voor de Justitie verschillende vragen gesteld. Er werd onder meer een vraag gesteld in verband met de prejudiciële vraag die over dit probleem aan het Arbitragehof is gesteld. De spreker vreesde dat er om een einde te maken aan de discriminatie die ten grondslag lag aan de prejudiciële vraag, een nieuwe discriminatie in het leven zal worden geroepen. Dit probleem is volgens de minister niet aan de orde, omdat de thans voorgestelde regeling een juridische vacuüm voor de aanwijzing van de tijdelijke mandaten zal opvullen.

De commissie ging akkoord met de meeste door de Kamer aangebrachte wijzigingen, maar had vragen bij het principe dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg de korpschef blijft.

Er werd een amendement ingediend om het tweede lid van het artikel te doen vervallen. Volgens de indiener verzekert het ontwerp geen democratische legitimiteit. Hij is daarom voorstander van het behoud van de regel uit het gemeenrecht, dus van het behoud van het principe van de volstrekte meerderheid. De minister vroeg de commissie het amendement te verwerpen, omdat de overgangsregeling uitsluitend op de eerste algemene vergadering van toepassing is en bij de volgende verkiezing van de voorzitter van de algemene vergadering de regel van de volstrekte meerderheid zal gelden. Het amendement werd verworpen.

Het wetsontwerp in zijn geheel werd eenparig aangenomen.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Het wetsontwerp is inderdaad geamendeerd in de Kamer. De toegang tot de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank werd daardoor uitgebreid tot de toegevoegde vrederechters en toegevoegde rechters in de politierechtbank. Er werden eveneens technische verbeteringen aangebracht. Het probleem dat werd veroorzaakt door aan de voorzitter van de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank de hoedanigheid te verlenen van korpschef, werd opgelost door opnieuw het principe te hanteren dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg optreedt als korpschef van de vrederechters en van de rechters in de politierechtbank van zijn gerechtelijk arrondissement.

Tijdens de bespreking in de commissie heb ik er reeds op gewezen dat het eigenaardig is dat iemand korpsoverste kan zijn van een korps waarvan hij zelf geen lid is. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg behoort immers niet tot het korps van vrederechters en rechters in de politierechtbank. Uiteindelijk werd een andere oplossing gevonden, die ik aanvaard.

We hadden enkele amendementen ingediend over de eerste verkiezingen van de voorzitter van de algemene vergadering. Mevrouw Taelman heeft dat vermeld. Gelet op de opinie van de meerderheid over deze amendementen, achtte ik het niet nuttig om ze opnieuw in te dienen.

Nadat het verslag was opgesteld, heeft de commissie een advies ontvangen van de Hoge Raad voor de Justitie betreffende artikel 20 van het wetsontwerp. De Hoge Raad heeft een aantal bezwaren naar voor gebracht die verband houden met de mogelijke ongrondwettelijkheid van het eerste lid van het voorgestelde artikel 101bis van de wet van 22 december 1998, zoals opgenomen in artikel 20 van het wetsontwerp. Er waren ook nog enkele andere opmerkingen van eerder terminologische of louter technisch-juridische aard.

De tekst van het advies van de Hoge Raad van Justitie is rondgedeeld. Ik zal er nu niet uitvoerig op ingaan. Om de minister de gelegenheid te geven te reageren, heb ik enkele argumenten uit dit advies, die voornamelijk betrekking hebben op de mogelijke ongrondwettelijkheid, in een amendement gegoten en aldus ingediend. Wij moeten het advies van de Hoge Raad van Justitie grondig onder ogen nemen.

Het amendement dat ik heb ingediend op artikel 7, is louter technisch. Het amendement voegt in artikel 7, dat wijzigingen aanbrengt in artikel 259decies van het Gerechtelijk Wetboek, een 1°bis in. Ik zou graag de opinie van de minister van Justitie over dit amendement kennen.

De CVP-fractie zal in ieder geval, wat het lot van de amendementen ook mag zijn, het wetsontwerp goedkeuren.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe kon op mijn steun rekenen omdat het een oplossing biedt voor problemen die niet door de wet werden geregeld.

Op de twee opmerkingen van de heer Vandenberghe wil ik het volgende antwoorden.

In mijn brief van 30 januari 2001 aan de Senaatsvoorzitter en aan de voorzitter van de commissie voor de Justitie heb ik formele bezwaren geformuleerd bij het advies van de Hoge Raad voor de Justitie. Ik vind het nogal merkwaardig dat de Hoge Raad voor de Justitie regeringsamendementen naar zich toetrekt. De Raad van State gaat ook niet op die manier te werk. In de wet op de Hoge Raad voor de Justitie hebben wij een dergelijke tussenkomst precies willen vermijden.

Ik kan het evenmin appreciëren dat de Hoge Raad op een bepaald ogenblik aankondigde dat hij ambtshalve een advies zou uitbrengen en daaraan meteen toevoegde dat het een negatief advies zou zijn. De Hoge Raad had dus reeds stelling ingenomen nog vóór het advies werd uitgebracht.

Wat de beweerde ongrondwettelijkheid betreft, verwijs ik naar de verantwoording van het amendement dat ik destijds heb ingediend. Uit die verantwoording blijkt voldoende dat de paragrafen 3 tot en met 6 van artikel 151 van de Grondwet in werking zullen treden na de installatie van de Hoge Raad voor de Justitie. Dit staat in de overgangsbepaling van artikel 151 van de Grondwet. De Hoge Raad is geïnstalleerd op 1 januari 2000. Met ingang van 1 januari 2000 zijn de paragrafen 3 tot 6 van artikel 151 van de Grondwet dus in werking. Per 1 januari 2000 kwam een einde aan de overgangsbepalingen. De grondwettelijke basis voor de oude benoemingsprocedure is dus weggevallen.

Het amendement tot invoeging van een 1°bis in artikel 7 heb ik voorgelegd aan mijn administratie en zij deelt mij mee dat het weliswaar om een tekstverbetering zou kunnen gaan, maar dat artikel 7 het nu al perfect mogelijk maakt de nodige maatregelen te treffen. In die omstandigheden verzoek ik de Senaat dan ook om het amendement van de heer Vandenberghe te verwerpen.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie, zie stuk 2-441/10.)

De voorzitter. - Artikel 7 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Vandenberghe amendement nr. 13 ingediend (zie stuk 2-441/11) dat luidt:

-De stemming over dit amendement en over artikel 7 wordt aangehouden.

De voorzitter. - Artikel 20 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Vandenberghe amendement nr.9 ingediend (zie stuk 2-441/11) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft de heer Vandenberghe amendement nr. 10 ingediend (zie stuk 2-441/11) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft de heer Vandenberghe amendement nr. 11 ingediend (zie stuk 2-441/11) dat luidt:

Nog steeds op hetzelfde artikel heeft de heer Vandenberghe amendement nr. 12 ingediend (zie stuk 2-441/11) dat luidt:

-De stemming over deze amendementen en over artikel 20 wordt aangehouden.

-De overige artikelen worden zonder opmerking aangenomen.

-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

Wetsontwerp tot aanpassing van de terminologie van de vigerende wettelijke bepalingen aan de gewijzigde Franse benaming van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (Stuk 2-513)

Algemene bespreking

De heer Jean-Pierre Malmendier (PRL-FDF-MCC), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, zie stuk 2-513/3.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor de week van 5 maart deze agenda voor:

Donderdag 8 maart 2001

's ochtends om 10 uur

Evocatieprocedure

Wetsontwerp tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen; Stuk 2-636/1.

Wetsontwerp betreffende de betwistingen over de inkomensgarantie voor ouderen; Stuk 2-637/1.

Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 317 van de nieuwe gemeentewet (van mevrouw Anne-Marie Lizin); Stuk 2-25/1.

Evaluatie van de toepassing van het Verdrag van Den Haag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen; Stuk 2-412/1.

's namiddags om 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Mondelinge vragen.

Herziening van titel II van de Grondwet, om een nieuw artikel in te voegen betreffende het recht op gelijkheid van vrouwen en mannen:

Herziening van titel II van de Grondwet, met de bedoeling er een bepaling in te voegen betreffende het recht van de vrouwen en de mannen op gelijkheid en de bevordering van de gelijke toegang tot door verkiezing verkregen en openbare mandaten; Stuk 2-465/1 en 2;

Herziening van titel II van de Grondwet, om een nieuw artikel in te voegen betreffende het recht op gelijkheid van vrouwen en mannen (van mevrouw Sabine de Bethune c.s.); Stuk 2-483/1.

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 190, 194, 259bis-9, 259bis-10, 259octies en 371 van het Gerechtelijk Wetboek, tot invoeging van artikel 191bis in het Gerechtelijk Wetboek en tot wijziging van artikel 21 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en werving van magistraten; Stuk 2-639/1 en 2. (Pro memorie)

Wetsvoorstel tot instelling van jeugdadvocaten voor minderjarigen (van mevrouw Kathy Lindekens); Stuk 2-256/1 tot 5.

Vanaf 17.30 uur:

Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Naamstemmingen over de afgehandelde grondwetsbepaling (Stemming met de meerderheid bepaald in artikel 195, laatste lid, van de Grondwet).

Vragen om uitleg.

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de oprichting van een algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank (Stuk 2-441)

De voorzitter. - We stemmen eerst over het amendement nr. 13 van de heer Vandenberghe.

Stemming nr. 1

Aanwezig: 49

Voor: 14

Tegen: 35

Onthoudingen: 0

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over artikel 7.

Stemming nr. 2

Aanwezig: 56

Voor: 52

Tegen: 0

Onthoudingen: 4

-Artikel 7 is aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over het amendement nr. 9 van de heer Vandenberghe.

Stemming nr. 3

Aanwezig: 60

Voor: 17

Tegen: 43

Onthoudingen: 0

-Het amendement is niet aangenomen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen nr. 10, 11 en 12 van de heer Vandenberghe. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over artikel 20.

Stemming nr. 4

Aanwezig: 60

Voor: 49

Tegen: 11

Onthoudingen: 0

-Artikel 20 is aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming nr. 5

Aanwezig: 59

Voor: 55

Tegen: 0

Onthoudingen: 4

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Wetsontwerp tot aanpassing van de terminologie van de vigerende wettelijke bepalingen aan de gewijzigde Franse benaming van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (Stuk 2-513)

Stemming nr. 6

Aanwezig: 61

Voor: 61

Tegen: 0

Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Motie ingediend tot besluit van de vragen om uitleg van de heer Alain Destexhe (2-353) en de heer Johan Malcorps (2-361) aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen, gesteld in plenaire vergadering op 15 februari 2001

De voorzitter. - Volgende motie werd ingediend:

"De Senaat,

Gehoord de vragen om uitleg van de heren Destexhe en Malcorps over het asbest en het antwoord van de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu,

Vraagt de regering een interministeriële werkgroep op te richten over de asbestproblematiek."

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik wil de auteur van de motie vragen wat het verschil is tussen zijn motie en een vertrouwensmotie. Als ik goed ben ingelicht, bestaat die structuur in de schoot van de regering reeds.

De heer Alain Destexhe (PRL-FDF-MCC). - In haar antwoord zegde minister Aelvoet verleden week dat zij die mogelijkheid op het niveau van de regering overwoog. Deze resolutie wil een wat sterkere aanmoediging geven aan de regering. Het gaat geenszins over een motie van wantrouwen.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Er werd geen gewone motie ingediend.

De voorzitter. - Inderdaad.

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Ik heb deze discussie bijgewoond. Uit het antwoord van de minister bleek duidelijk dat de aanbeveling, zoals ze hier geformuleerd is, de regering stimuleert om een aantal kabinetten rond de tafel te brengen om voor dit specifieke probleem maatregelen uit te werken. Aangezien er door de minister of de aanwezige senatoren tegen deze aanbeveling geen enkel bezwaar werd geformuleerd, leek een gewone motie overbodig. Ik stel bijgevolg voor te stemmen over de motie die voorligt.

De voorzitter. - We stemmen nu over de motie.

Stemming nr. 7

Aanwezig: 61

Voor: 55

Tegen: 0

Onthoudingen: 6

-De motie is aangenomen.

De heer Philippe Moureaux (PS). - We zullen niet doodgaan aan dit belachelijk spelletje, maar we zijn ook niet verplicht mee te spelen.

De heer Alain Destexhe (PRL-FDF-MCC). - In de agenda van de senatoren staat op de datum van zes februari de volgende uitdrukking: "niets is belachelijker dan de angst voor het belachelijke".

Bijzondere commissie voor bio-ethische problemen

De voorzitter. - De Senaat dient over te gaan tot de samenstelling van de bijzondere commissie voor bio-ethische problemen.

Deze commissie zal uit vijftien leden bestaan, benoemd volgens de evenredige vertegenwoordiging van de fracties en met toepassing van artikel 21-2 van het Reglement. (Instemming)

Ik heb volgende kandidaturen ontvangen:

Vaste leden:

VLD:

CVP:

PS:

PRL-FDF-MCC:

VL. BLOK:

SP:

ECOLO:

AGALEV:

PSC:

Plaatsvervangers:

VLD:

CVP:

PS:

PRL-FDF-MCC:

VL. BLOK:

SP:

ECOLO:

AGALEV:

PSC:

Aangezien het aantal kandidaten gelijk is aan het aantal te begeven mandaten, verklaar ik deze senatoren benoemd tot respectievelijk vaste leden en plaatsvervangers van deze bijzondere commissie.

De commissie zal worden bijeengeroepen op initiatief van haar oudste lid in jaren.

Vraag om uitleg van mevrouw Mimi Kestelijn-Sierens aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over «de functieclassificatie» (nr. 2-341)

Mevrouw Mimi Kestelijn-Sierens (VLD). - Vrouwen verdienen nog altijd 20 tot 30% minder dan hun mannelijke collega's. Ondanks de maatregelen die op Europees niveau werden genomen om hieraan te remediëren, is het probleem nog lang niet van de baan. In artikel 119 van het Europees Verdrag wordt het principe "gelijk loon voor gelijk werk" verkondigd. Ook ons land heeft een reglementering uitgewerkt. In de praktijk blijven er evenwel nog heel wat verschillen bestaan. Het jongste nummer van Vacature van de KUL vermeldt de resultaten van een enquête van januari van dit jaar, waarin het bestaan van loonverschillen tussen mannen en vrouwen wordt bevestigd. Deze verschillen kunnen oplopen tot 20%.

Dit probleem is niet nieuw en het komt niet uitsluitend in België voor. Ook internationale verslagen maken gewag van verschillen tussen de lonen van mannen en vrouwen. Uit een onderzoek dat onlangs door Le Monde werd gepubliceerd, blijkt dat vrouwen die voltijds werken 20% minder verdienen dan hun mannelijke collega's. Onlangs raadpleegde ik de statistieken van de Verenigde Naties over verscheidene geïndustrialiseerde landen. Tot mijn grote verwondering wijzen de cijfergegevens op loonverschillen tussen mannen en vrouwen in alle landen van de OESO. De lonen van vrouwen bedragen slechts 70 tot 80% van die van mannen. Al deze gegevens betekenen dat wij wel degelijk met een reëel probleem worden geconfronteerd.

De vraag is dan op welke manier hieraan kan worden verholpen. Na onderzoek van dit probleem heeft men vastgesteld dat verwarringen en misbruiken uit de wereld kunnen worden geholpen mits toepassing van een sekseneutraal waarderingssysteem voor de functies. Werk dat door vrouwen wordt uitgeoefend, wordt nog al te vaak lichter ingeschat dan hetzelfde werk dat door een mannelijke collega wordt verricht. De lichamelijke inspanning die door een verpleegster wordt geleverd, wordt vaak lager ingeschat dan de inspanning van een bouwvakker.

Een herziening van het functiewaarderingssysteem gebeurt in België op sectoraal niveau. De meerderheid van de sectorale functiewaarderingssystemen beantwoorden nochtans niet aan de Belgische checklist voor een sekseneutrale waardering.

De vorige minister van Werkgelegenheid heeft er destijds bij de sociale partners op aangedrongen om de sectorale systemen grondig te herzien. Het interprofessioneel akkoord voor 1999-2000 was een eerste stap in die richting.

Op 15 december 2000 beloofde minister Onkelinx in de voorbereiding van de begrotingscontrole voor het jaar 2001 de problematiek verder te zullen aanpakken in het interprofessioneel akkoord voor 2001-2002. Artikel 13 van de wet van 7 mei 1999 legt de sociale partners overigens de verplichting op de functieclassificatiesystemen te herzien en binnen een bepaalde termijn aan te passen. Indien ze dit niet doen, moet bij koninklijk besluit worden bepaald aan welke voorwaarden de classificatie van beroepen moet voldoen.

Ik verwijs tevens naar de verklaring van de vice-eerste minister tijdens een debat in de Senaat over haar beleidsintenties. Zij beloofde toen het probleem opnieuw aan te kaarten in het raam van het nieuwe Belgische plan voor de werkgelegenheid voor het jaar 2000. Hierbij werd voorzien in een koppeling van de lastenverlaging aan de algemene herziening van de sectorale functieclassificatie.

Ten slotte zouden er initiatieven worden genomen op basis van de adviezen die de Nationale Arbeidsraad heeft geformuleerd.

Graag had ik van de minister vernomen hoever het staat met de aangekondigde initiatieven. Welke inspanningen moeten er nog worden geleverd om de loonverschillen tussen mannen en vrouwen op te heffen?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Het interprofessioneel akkoord 2000-2001 voorziet inderdaad in de voortzetting van de inspanningen om het gebruik van analytische of equivalente systemen voor functieclassificatie te stimuleren. De sociale partners benadrukken de noodzaak om opnieuw de gespecialiseerde commissie te activeren binnen de NAR. Zij zal een technische bijstand kunnen verzekeren. De sociale partners verbinden zich ertoe een pilootproject uit te werken in het raam van de nieuwe federale programmering van het Europees Sociaal Fonds betreffende de weerslag op het vlak van gelijkheid van de sectoren die reeds een analytische functieclassificatie hebben ingevoerd.

De initiatieven die ik heb genomen zijn van verschillende aard. Ik heb de voorzitters van de paritaire comités verzocht om een stand van zaken in hun sector op te maken. Op grond van de ontvangen antwoorden werd door mijn departement een inventaris opgemaakt van de bestaande classificatiesystemen. Ik heb een advies gevraagd aan de NAR en hem de elementen van informatie meegedeeld zoals ik die van de paritaire comités ontving. De werkzaamheden binnen de NAR zijn momenteel nog aan de gang. Ik ben van plan een reeks maatregelen te treffen op grond van de voorstellen die me zullen worden gedaan.

In samenwerking met de sociale partners worden een handleiding en een opleidingsmap voorbereid over de classificatiesystemen. Die zullen door alle betrokken actoren kunnen worden gebruikt bij het invoeren van de nieuwe classificatiesystemen. In het raam van de nieuwe programmering van het Europees Sociaal Fonds voor 2000-2006 heb ik de functieclassificatie als prioritaire krachtlijn gekozen voor de projecten inzake gelijkheid. In dit opzicht moet men weten dat met 15% van haar begroting die wordt toegewezen aan de gelijkheid van kansen, de programmering door de federale overheid bovenaan de rangschikking van de lidstaten staat wat het gedeelte van het budget betreft dat aan die pijler wordt besteed.

Voor het Belgische voorzitterschap van de EU wens ik inzake de opvolging van de Wereldvrouwenconferentie van Peking aan de Raad Werkgelegenheid en Sociale Aangelegenheden indicatoren voor te stellen over de salarisongelijkheden waarvoor de functieclassificatie één van de belangrijkste verklarende elementen is.

In het nationale actieplan voor de werkgelegenheid 2000 werden fiscale stimuli voorzien voor de bedrijven die er zich toe verbonden hun classificatiesystemen te herzien met de bedoeling ze geslachtsneutraal te maken. Er vinden momenteel raadplegingen plaats met de minister van Financiën om deze verbintenissen te concretiseren, meer bepaald in het raam van de aan de gang zijnde fiscale hervorming.

Mevrouw Mimi Kestelijn-Sierens (VLD). - Ik dank de minister voor haar antwoord. Het is goed om weten dat er inspanningen worden gedaan en voortgezet om die problemen op te lossen. Ik hoop dan ook dat wij op één of andere manier op de hoogte worden gehouden van de verdere afwikkeling van die procedures en instrumenten die de minister heeft genoemd. Binnenkort is er een Europese Raad in Stockholm. Ik hoop dat Zweden als voorzitter deze aangelegenheid als een prioriteit beschouwt en dat de verschillende lidstaten een soort instituut van gelijke kansen zullen oprichten. Ik hoop dat er ook een uitwisseling komt van beste praktijken. Ik vind dat België de wijziging van de functieclassificatie moet aankaarten bij andere lidstaten, zodat zij dat voorbeeld kunnen overnemen.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Ik ben er niet zeker van dat dit instituut zal worden opgericht. De opvattingen van de lidstaten lopen uiteen en er werd beslist om onder het Zweeds voorzitterschap de modaliteiten voor de oprichting ervan te onderzoeken. Gisteren heb ik aan de Europese vrouwenlobby uitgelegd dat we, zowel op Belgisch als op Europees niveau, wel degelijk een fatsoenlijk instrument voor statistiek missen. De oprichting van een dergelijk Europees instituut kan interessant zijn voor de evaluatie van het gevoerde beleid, als het ten minste niet om een nieuw gadget gaat. Op dit ogenblik komt er dus op aan om te bepalen wat we precies willen en hoe we onze doelstellingen zullen trachten te bereiken.

Mevrouw Mimi Kestelijn-Sierens (VLD). - Ik ben het volkomen met de minister eens dat er geen bijkomend instituut moet worden opgericht. Dan rijst wel de vraag wie de statistieken zal opstellen. Wordt die taak bij ons bijvoorbeeld toevertrouwd aan het Nationaal Instituut voor de Statistiek? Is dat instituut in staat om deze cijfers te verzamelen? Hoe denkt de minister deze zaak aan te pakken?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Wij onderzoeken de mogelijkheid om hiervoor onze toevlucht te nemen tot een Europees Observatorium. Dat zou bijvoorbeeld het agentschap van Dublin of het agentschap van Bilbao kunnen zijn.... Mocht dit onmogelijk blijken, dan zullen wij zelf een dergelijk instituut oprichten.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Magdeleine Willame-Boonen aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over «de verhoging van de tewerkstellingsgraad bij de personen die ouder dan 50 jaar zijn» (nr. 2-356)

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - De regering heeft zich tot doel gesteld de tewerkstellingsgraad te verhogen, in het bijzonder in de leeftijdscategorie boven de 50 jaar. In België is de tewerkstellingsgraad van mensen tussen 50 en 64 jaar één van de laagste in Europa, namelijk 37%, terwijl het Europese gemiddelde 47,6% bedraagt. Boven de leeftijd van 50 jaar is slechts één vrouw op vier nog aan het werk.

De bedoelingen van de regering lijken te worden gedwarsboomd door een reeks recente economische gegevens die aantonen dat vijftigers zeer kwetsbaar zijn als het om het behoud van hun baan gaat. Belgacom, Sabena en Electrabel hebben beslist dat voor afvloeiingen eerst de personeelsleden ouder dan vijftig in aanmerking komen. Het is begrijpelijk dat de minister hiertegen heeft geprotesteerd. Niettemin stelt men vast dat ook in het Copernicusplan en in het sociaal plan voor De Post de oudste werknemers naar huis zullen worden gestuurd.

Is er dan, zoals enkele dagen geleden door de heer Guy Quaden werd geopperd, geen tegenspraak tussen wat de regering in haar beleid vooropstelt en wat er werkelijk gebeurt?

Kan de minister mij zeggen wat zij zal doen om de huidige tendens van uitsluiting van oudere werknemers in de privé-sector en in de semi-openbare sector om te buigen?

Hoe staat het met de doelstelling van de regering om de tewerkstellingsgraad te verhogen, nu we bijna halfweg de legislatuur zijn?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Deze vraag om uitleg is zeer actueel, aangezien de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid vandaag een verslag uitbrengt over de kwaliteit van het werk en de activiteitsgraad, met name van de oudere werknemers.

Vandaag heeft ook de Koning Boudewijnstichting zeer interessante besluiten bekendgemaakt over een maatregel waarmee de ondertewerkstelling van oudere werknemers kan worden tegengegaan, namelijk het outplacement.

Het is inderdaad zo dat in België in de leeftijdsgroep tussen 50 en 64 jaar nog maar 37% aan het werk is, dat is 11% minder dan het Europese gemiddelde.

Deze situatie vloeit voort uit verschillende factoren. Tijdens de jaren 80, toen het werkloosheidscijfer zeer hoog lag, wilde de overheid de werkgelegenheid van de jongeren veilig stellen door de afvloeiing van oudere werknemers aan te moedigen.

Vele bedrijven gingen ook massaal oudere werknemers afdanken omdat ze te duur, minder productief en minder flexibel werden geacht.

Van hun kant moesten oudere werknemers, die nochtans aan het werk wilden blijven, vaak vroegtijdig afhaken omdat zij zich niet konden vinden in de werktijden of de arbeidsvoorwaarden.

Deze vaststelling ligt aan de basis van het voornemen van de regering om de tewerkstellingsgraad van de vijftigers te verhogen.

Daartoe heb ik in september jl. een reeks maatregelen voorgesteld, die in de pers soms plan quinqua wordt genoemd en die de verlenging van de beroepsloopbaan van die mensen beoogt.

De regering heeft in haar Verklaring van 17 oktober 2000 haar instemming met dit plan betuigd en de nodige middelen opgenomen in het meerjarenplan.

Het betreft een reeks preventieve of actieve maatregelen die erop gericht zijn werknemers ouder dan 45 jaar te helpen opnieuw werk te vinden of hun baan te behouden.

Enerzijds zijn er algemene preventieve maatregelen, die ook in overleg met de Gemeenschappen en Gewesten worden genomen, met het oog op de voortdurende bijscholing van werknemers, met inbegrip van deeltijds werkenden, want in de praktijk zijn dit vaak vrouwen of oudere werknemers.

Ook de formule van het arbeidstijdkrediet van een jaar met een vergoeding van om en bij de 20.000 frank, waarover onlangs binnen de Nationale Arbeidsraad een CAO is gesloten, schept vele mogelijkheden voor het einde van de loopbaan.

Andere maatregelen hebben specifiek betrekking op werknemers vanaf 45 jaar. Naast de verplichting om bij afdanking de diensten van een outplacement-bureau aan te bieden, noem ik de oprichting binnen de bedrijven of op het niveau van de bedrijfssector van gespecialiseerde cellen voor de individuele begeleiding van oudere werknemers met het oog op hun bijscholing of beroepsheroriëntering.

Er zijn ook maatregelen ten voordele van werkzoekenden die ouder zijn dan 45 jaar, zoals belangrijke kortingen op de sociale bijdragen voor werkgevers die langdurig werklozen aanwerven. Aangezien het bedrijf bepaalde inspanningen moet leveren voor de herinschakeling van die mensen krijgt het daarvoor steun.

Verschillende maatregelen zijn gericht op de verbetering van de arbeidsvoorwaarden of de werktijden van oudere werknemers, zoals een jaarlijks doktersbezoek met het oog op de preventieve opsporing van gezondheidsproblemen of de verbetering van de werkinstrumenten.

De sociale partners hebben voor die werknemers ook het recht erkend om deeltijds, hetzij 4/5 of halftijds, te werken met behoud van een hogere uitkering.

Als ze gebruik maken van een deeltijdse loopbaanonderbreking kunnen die werknemers ook betaalde opdrachten vervullen voor de opleiding en begeleiding van nieuwe werknemers, zodat hun ervaring wordt doorgegeven.

Voor werknemers ouder dan 55 jaar wordt vanaf 2002 een enveloppe van 500 miljoen - die vanaf 2003 wordt opgetrokken tot 800 miljoen - ter beschikking gesteld van de sociale partners met het oog op de verbetering van hun arbeidsvoorwaarden.

Ten slotte zullen bovenop de bestaande kortingen extra kortingen worden toegekend op de sociale bijdragen voor werknemers ouder dan 58 jaar.

Het gaat dus om een waaier van maatregelen die ik binnenkort aan het parlement hoop te kunnen voorstellen in het kader van een ontwerp dat specifiek betrekking heeft op de verhoging van de tewerkstellingsgraad.

Terecht werd opgemerkt dat boven de leeftijd van 50 jaar maar één vrouw op vier nog een baan heeft. De verklaring hiervoor is dat vrouwen later hun intrede gedaan hebben op de arbeidsmarkt. Dankzij de verschillende maatregelen i.v.m. de werktijd zullen misschien meer vrouwen een baan zoeken, aangezien het mogelijk wordt activiteiten buiten het beroep voort te zetten en toch een betaalde baan te hebben. Al deze maatregelen gelden dus voor de privé-sector.

Wij zullen ook wijzigingen pogen aan te brengen in de overheidssector, die op bepaalde terreinen een voorsprong heeft, zoals het 4/5 deeltijds werken, waar 11% van de ambtenaren al gebruik van maken. De bestaande maatregelen moeten worden aangevuld, niet alleen in de overheidsdiensten, maar ook in de overheidsbedrijven, zoals Belgacom en De Post.

De regering heeft aan minister Vandenbroucke en mijzelf gevraagd om te onderzoeken of de waaier van maatregelen voor de privé-sector ook kan worden toegepast in de overheidssector. In het kader van het Copernicusplan heeft de regering inderdaad het slechte voorbeeld gegeven. De toepassing van deze maatregel is gelukkig beperkt in de tijd: de ambtenaren ouder dan 55 jaar kunnen gedurende een maand opteren voor een verlof voorafgaand aan hun pensioen. Het effect van deze bijzondere maatregel wordt afgezwakt door twee andere maatregelen: de ene heeft betrekking op het arbeidstijdkrediet dat ook in de privé-sector wordt ingevoerd, de andere betreft de berekening van de loopbaan voor het pensioen.

De vijftigers hun waardigheid laten behouden op het werk is een uitdaging die ik niet alleen als minister van Werkgelegenheid, maar ook als minister bevoegd voor het gelijke-kansenbeleid, op mij heb genomen.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Ik dank de minister voor dit uitvoerige antwoord.

In het kader van de maatregelen voor de privé-sector sprak de minister over een bedrag dat van 500 miljoen naar 800 miljoen zou gaan.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Dit bedrag wordt groter in functie van het meerjarenplan.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Dit is dus voor de mensen ouder dan 55 jaar?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. - Er zijn veel meer middelen om dit plan te ondersteunen, zoals de kortingen op de bijdragen, enz. Het wetsontwerp kan binnen de regering behandeld worden vanaf 9 maart, waarna het voor advies naar de Raad van State gaat. Wij zullen dit dossier spoedig kunnen bespreken evenals alle begrotingsramingen die eraan vasthangen.

-Het incident is gesloten.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

Vraag om uitleg van de heer Michel Barbeaux aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen over «de vraag of de instelling van een Administratief Technisch Secretariaat bij het ministerie van Binnenlandse Zaken past in het kader van de hervormingen van het Copernicusplan» (nr. 2-365)

De heer Michel Barbeaux (PSC). - In het Belgisch Staatsblad van 26 januari 2001 staat te lezen dat bij koninklijk besluit van 15 januari 2001 bij het departement van Binnenlandse Zaken een Administratief-Technisch Secretariaat wordt ingesteld.

Dit secretariaat adviseert de minister van Binnenlandse Zaken met betrekking tot het beheer en de operaties in het kader van de geïntegreerde politiedienst en staat in voor de verbinding tussen de politiediensten en het kabinet van de minister.

Is de oprichting van dit secretariaat in overeenstemming met de beslissingen van de regering, meer bepaald met het koninklijk besluit van 7 november 2000 houdende oprichting en samenstelling van de organen die gemeenschappelijk zijn aan iedere federale overheidsdienst?

Ofschoon de regering beslist heeft om geleidelijk de ministeriële kabinetten af te schaffen, wordt daar in het koninklijk besluit van 15 januari 2001 opnieuw naar verwezen. Het kabinet van de minister van Binnenlandse Zaken is weliswaar nog niet afgeschaft, maar volgens de regeringsbeslissingen moet dit wel gebeuren. Is het besluit van 15 januari 2001 dan niet in strijd met deze politieke beslissing?

Door het besluit van 7 november 2000 worden in elke federale overheidsdienst een beleidsraad en een beleidsvoorbereidende cel opgericht. Hoe verhoudt het pas opgerichte secretariaat zich tot deze raad en deze cel? Komen die raad en die cel daar nog bovenop? Zal het secretariaat worden afgeschaft als de beleidsvoorbereidende cel wordt opgericht? Zullen die elkaar niet overlappen? Mijn vraag was daarom ook gericht aan de minister van Ambtenarenzaken.

In het besluit staat verder dat het secretariaat wordt gefinancierd door de federale politie en dat de commissaris-generaal van de federale politie de werkingsmiddelen van het secretariaat beheert. Wat zal dit secretariaat kosten aan personeel, huur, werking en investeringen? Is deze bepaling in overeenstemming met de wet van 7 december 1998? De Raad van State vindt van niet. De Raad is van mening dat de opdrachten van de commissaris-generaal vastgelegd zijn in de wet van 7 december 1998 en dat de Koning niet gemachtigd is om hem andere taken op te dragen, zoals gebeurt in het koninklijk besluit van 15 januari 2001.

In welke mate zal het secretariaat onafhankelijk van de federale politie de minister kunnen adviseren?

Zijn er acht politieofficieren nodig om in te staan voor de verbinding tussen het kabinet van de minister en de politiediensten?

Momenteel wordt die verbinding door twee personen verzekerd, samen met twee deskundigen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van de hervorming.

Is het secretariaat niet de zoveelste versie van de stuurgroep voor de hervorming van de politiediensten? Is het in dat geval wel logisch dat deze opdracht wordt toegewezen aan mensen van de federale politie?

Is het verantwoord om een kabinetspremie toe te kennen aan politiemensen die nog maar pas een loonsverhoging hebben gekregen gaande tot 15%?

Is de minister van plan om de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus te wijzigen om tegemoet te komen aan het bezwaar van de Raad van State? In die wet staat namelijk uitdrukkelijk dat een lid van het personeel geen openbare functie of openbaar mandaat mag uitoefenen. Volgens de Raad van State heeft de detachering van de betrokkenen geen wettelijke grondslag meer wanneer de bepalingen van het personeelsstatuut van de eengemaakte politie op 1 april 2001 in werking treden.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - De vraag om uitleg van de heer Barbeaux is vanuit theoretisch oogpunt interessant, maar geeft meteen ook aan hoe gebrekkig zijn kennis is van de dagelijkse realiteit van de samenwerking tussen de minister van Binnenlandse Zaken en de veiligheidsdiensten. Mijnheer Barbeaux, het is continudienst zoals in een staalbedrijf, en ik zal u de opsomming besparen van alle contacten die ik sinds begin van deze week heb gehad met het Administratief-Technisch Secretariaat (ATS) over problemen inzake ordehandhaving en veiligheid.

Het komt hoofdzakelijk neer op het organiseren van de verbinding tussen de operationele diensten en de minister. Zo werd ik enkele ogenblikken geleden nog opgebeld door het ATS voor een probleem van openbare orde. De minister moet de klok rond contact kunnen houden met een geheel van diensten die bijna 40.000 manschappen tellen.

Het bezwaar van de Raad van State waarop u hebt gealludeerd, is niet gegrond. De personen die naar het ATS werden gedetacheerd, blijven deel uitmaken van het operationeel korps van de politiediensten, maar met de nodige onafhankelijkheid verzekeren zij de verbinding met de minister, die pertinente en onafhankelijke adviezen moet kunnen inwinnen vooraleer hij beslissingen neemt die soms moeilijk zijn.

Mijnheer Barbeaux, u was vanochtend niet aanwezig in de Senaatscommissie waar werd besproken over de herziening van artikel 124. Er bestaat een juridische controverse met de Raad van State die van oordeel is dat de wet alles zou moeten regelen wat betrekking heeft op het personeelsstatuut van de politiediensten. Daarvoor baseert hij zich op wat er vroeger heeft bestaan voor de rijkswacht, maar hij vergeet dat de rijkswacht destijds als legerkorps een zeer bijzonder statuut had. De wetgever, en ook uw partij, hebben de wet van 1998 goedgekeurd zonder enig fundamenteel bezwaar te maken op grondwettelijk vlak.

Het Administratief-Technisch Secretariaat bij het ministerie van Binnenlandse Zaken - en dus niet bij het kabinet van de minister - is een verlengstuk van de politiediensten dat ter beschikking staat van de minister.

We hebben de bestaande situatie op het departement van Landsverdediging als voorbeeld kunnen nemen. Dat departement beschikt over een soortgelijke dienst die in het kader van de verdedigingsopdrachten dezelfde doelstellingen nastreeft.

In de aanhef van het besluit van 15 januari 2001 vindt men de motivering, zowel op operationeel vlak als inzake de politiehervorming. De politiehervorming is een reusachtige werf die van de politieke overheid een volgehouden inspanning en opvolging vergt. De politiediensten staan zelf spontaan voor een aantal activiteiten in, maar dan wel in voortdurende dialoog met de bevoegde minister.

De minister van Binnenlandse Zaken heeft trouwens uitgebreide bevoegdheden gekregen voor het geheel van het personeel van de geïntegreerde politie, bijvoorbeeld inzake het eenheidsstatuut en de minimumnorm. Alleen daarvoor reeds moet de minister kunnen rekenen op een permanente structuur die hem steunt bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden ten aanzien van de 40.000 manschappen van de geïntegreerde politiedienst.

Bij het lezen van het koninklijk besluit van 15 januari 2001 hebt u kunnen vaststellen dat het ATS geen deel uitmaakt van het kabinet, maar wel met de minister samenwerkt: dat is onontbeerlijk voor het verzekeren van het contact waarop ik al heb gealludeerd. Dit initiatief is bijgevolg volkomen coherent met de regeringsbeslissingen inzake de wijziging van de federale regeringsstructuren. Op het ogenblik dat ik mijn departement zal hervormen, zal ik ook de precieze plaats van het ATS ten opzichte van de Beleidsraad en van de Cel beleidsvoorbereiding bepalen.

Ik ben niet tussenbeide gekomen bij de aanstelling van de leden van het ATS. De commissaris-generaal van de federale politie en de vaste commissie van de gemeentepolitie hebben mij meegedeeld welke personen zij wensten aangesteld te zien. Omwille van de goede verstandhouding gaven zij er de voorkeur aan dat ik daarmee instemde. Ik heb de samenstelling van het ATS dus niet opgelegd.

Voor de ondersteuning in 2001 werd een bedrag van 3 miljoen frank ingeschreven op de organieke afdeling 90.01 van de begroting van de federale politie. Met die begroting moeten de normale werkingskosten van het ATS worden gedekt. Het spreekt voor zich dat eenmalige investeringskosten bij de oprichting moesten worden voorgeschoten.

Artikel 6 van het besluit van 15 januari 2001 bepaalt dat het ATS onder het gezag staat van de minister van Binnenlandse Zaken. Het secretariaat hangt dus geenszins af van de federale politie, die zich beperkt tot ondersteuning en die uiteraard alle noodzakelijke inlichtingen doorspeelt opdat de minister met kennis van zaken zou kunnen beslissen. Dat brengt geen enkele afhankelijkheid met zich; het ATS is enkel aan de minister van Binnenlandse Zaken rekenschap verschuldigd.

De rol van het ATS is niet beperkt tot die van de vroegere verbindingsofficieren bij de rijkswacht en de gemeentepolitie. Zoals ik reeds zei, zal het secretariaat in een eerste periode eveneens instaan voor de opvolging van de politiehervorming in de plaats van de structuur die eind 1999 werd opgericht. Bovendien zal het ook dienst doen als interface tussen de minister en de Algemene Rijkspolitie voor alle dossiers met betrekking tot de geïntegreerde politiedienst. Het zal in het bijzonder toezien op de eerbiediging van het ministerieel besluit van 29 september 2000 tot bepaling van de administratieve behandelingsprocedure van de aangelegenheden bedoeld in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. Tot op vandaag werd de minister direct bijgestaan door een begeleidingsgroep van vijf officieren: twee verbindingsofficieren en drie experts.

Verder zal het ATS een essentiële opdracht vervullen in het kader van de bevoegdheden van de minister van Binnenlandse Zaken inzake bestuurlijke politie in brede zin waarvoor de politiediensten moeten instaan. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 15 januari 2001 geeft aan het ATS een kruispuntfunctie voor alle inlichtingen met betrekking tot de openbare veiligheid en de ordehandhaving zodat de minister op ieder ogenblik over een globaal beeld van de situatie kan beschikken. Het ATS moet instaan voor de opvolging van de beslissingen van de minister in deze en voor een 24-uren permanentie.

Zo heeft het ATS vorige week een rol gespeeld bij de terugkeer van België van verglaasd afval uit La Hague. Ik werd de hele nacht op de hoogte gehouden van het verloop van het transport. Ook de minister kent dus een continudienst.

Vergeleken bij het ministerie van Landsverdediging lijkt de personeelsformatie van het ATS mij volkomen gerechtvaardigd. Bij Landsverdediging zijn er 9 officieren van niveau 1 voor ongeveer evenveel manschappen als bij de politie. Bij Binnenlandse Zaken zijn er 7 politieofficieren, waarvan 2 van de gemeentelijke politie en 1 ambtenaar van niveau 1.

De vergoedingen zijn dezelfde als in het koninklijk besluit van 14 maart 1960 betreffende het ATS bij Landsverdediging. Het principe van deze vergoedingen past in de filosofie van het mammoetbesluit met betrekking tot het statuut van de geïntegreerde politie.

Deze personen dragen in bepaalde omstandigheden natuurlijk een bijzondere en zware verantwoordelijkheid en het werk is veel belastender dan in normale diensten.

De heer Michel Barbeaux (PSC). - Mijnheer de minister, ik wil de noodzaak van de kleine cel die een 24-uren verbinding waarborgt, in genen dele betwisten. Ik begrijp ook hoe zwaar het voor u moet zijn om voortdurend contact te houden met de politiediensten over alle mogelijke problemen die deze cel moet beheren.

Mijn vraag ging niet over de rechtmatigheid van de beslissing maar wel over de coherentie tussen het secretariaat, dat niet bij het kabinet maar wel bij de administratie werd opgericht, en de hervorming die de minister van Openbaar Ambt beoogt.

Wanneer het ministerie wordt omgevormd tot een federale openbare dienst van Binnenlandse Zaken moet dat secretariaat worden opgenomen in de toekomstige Cel beleidsvoorbereiding. Die cel, bestaande uit experts, zal immers belast zijn het verzekeren van de verbinding tussen de administratie en de minister.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Dat denk ik niet, mijnheer Barbeaux, want de geïntegreerde politiedienst op twee niveaus maakt geen deel uit van mijn administratie. De federale politie is de federale politie en de lokale politiekorpsen hangen af van de lokale overheden. Zij ressorteren eigenlijk niet onder de administratie van Binnenlandse Zaken; het zijn eigenlijk maar satellieten. Volgens mij moeten we het omgekeerde doen, namelijk een ambtenaar van de Algemene Rijkspolitie opnemen in het ATS. Die ambtenaar moet instaan voor de verbinding met de Algemene Rijkspolitie en zal onder meer verantwoordelijk zijn voor het beheer van het crisiscentrum.

Dat heeft niets te maken met de organisatie van het departement stricto sensu. Deze structuur zal onafhankelijk blijven bestaan en zal nooit door de strategische structuur worden vervangen. In de strategische cel is daarentegen de huidige Algemene Rijkspolitie vertegenwoordigt die een belangrijke rol speelt als raadgever van de minister voor het geheel van de veiligheidsproblemen. Op deze wijze hebben wij samengewerkt in het kader van Euro 2000.

In de geest van de politiehervorming heeft de wetgever de onafhankelijkheid van de politiediensten willen verzekeren maar hij heeft het toch nodig geacht dat de controle door de burgerlijke autoriteiten zou blijven bestaan. Aan de rijkswacht werd toch verweten dat zij een Staat in de Staat was geworden waarop geen controle meer was.

Het ATS moet ervoor zorgen dat de noodzakelijke band bewaard blijft, niet alleen op operationeel vlak, maar ook inzake controle. Het ATS moet samenwerken met de Algemene Rijkspolitie, want de politiediensten moeten rekenschap blijven afleggen over hun algemene opdrachten. Daarom heb ik trouwens verwezen naar het ministerieel besluit van september vorig jaar. Ook in dit opzicht is het ATS een belangrijk onderdeel.

-Het incident is gesloten.

Samenstelling van commissies

De voorzitter. - Bij de Senaat is een voorstel ingediend om in de commissie voor de Justitie de heer Philippe Moureaux door de heer Jean Cornil als plaatsvervangend lid te vervangen. (Instemming)

Vraag om uitleg van de heer Michel Barbeaux aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over «de toekomst van de Regie der gebouwen» (nr. 2-366)

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over «de Regie der Gebouwen» (nr. 2-374)

De voorzitter. - Ik stel voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties.

De heer Michel Barbeaux (PSC). - In antwoord op een vraag om uitleg van de heer Didier Ramoudt op 7 december jongstleden, zei de minister dat hij van plan was de eigendom van gebouwen van de Staat die gebruikt worden als kantoren voor een bedrag van ongeveer 60 miljard over te dragen aan de NV SOPIMA en ze vervolgens op lange termijn te huren. De vennootschap zal genieten van vaste inkomsten op lange termijn en zal vastgoedcertificaten kunnen uitgeven.

Dat roept drie vragen op.

Zal deze werkwijze verenigbaar blijven met de begrotingsnormen opgelegd door het Europees stabiliteitspact? Dit pact stelt immers een bovengrens vast voor de leningen van de openbare besturen en, zoals men weet, wordt de controle daarop uitgeoefend door de Hoge Raad van Financiën. Moeten de vastgoedcertificaten uitgegeven door SOPIMA niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van de netto financieringsbehoeften van de Belgische openbare besturen, vermits SOPIMA een openbare vennootschap is die in de plaats komt van de huidige Regie der Gebouwen voor het beheer en het onderhoud van de kantoren ingenomen door de federale overheid?

Is deze operatie wel interessant voor de staatsbegroting? Waarvoor zullen de 60 miljard uit de verkoop van de gebouwen aan SOPIMA dienen? Hoe hoog zal de huurprijs oplopen die na de verkoop van de gebouwen verschuldigd zal zijn aan SOPIMA? Zal de huurprijs worden gedekt door de intrest die niet langer moet worden betaald als de opbrengst van de verkoop wordt gebruikt om de overheidsschuld te verminderen met 60 miljard? Hoe valt deze operatie te rijmen met het principe dat men beter eigenaar is dan huurder van gebouwen die men voor onbepaalde duur betrekt?

Wat is de toekomst van de Regie der Gebouwen? Als de Regie zich enkel nog moet bezighouden met de historische monumenten en met openbare gebouwen die geen kantoorgebouwen zijn, zoals het Justitiepaleis of de gevangenissen, wat zal er dan gebeuren met het personeel? Zal de Regie blijven bestaan? Zal zij werken voor SOPIMA? Wat is het tijdschema van de herstructurering? Welke plaats zal de Regie innemen ten opzichte van de Programmatorische Overheidsdienst (POD) "Activabeheer ", aangekondigd in het Copernicusplan?

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Ik grijp de interessante vraag van collega Barbeaux aan om het voortreffelijk werk van het Rekenhof, waarnaar de minister toen hij nog in de oppositie zat, vaak heeft verwezen, onder het stof vandaan te halen.

In het jaarverslag van dit hof heb ik heel kritische opmerkingen gevonden waarop de minister nog steeds niet is ingegaan. Wij zien zijn antwoord van vandaag tegemoet.

Daarenboven maak ik van de gelegenheid gebruik om een aantal principiële vragen te stellen in afwachting van de omvorming van de Regie der Gebouwen tot een naamloze vennootschap van gemeenrecht, zoals de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties midden december 2000 heeft aangekondigd.

Volgens het 155ste jaarverslag van het Rekenhof werd op 9 mei 1989 een protocolakkoord gesloten tussen de federale staat en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In dit akkoord werd een perimeter omschreven. Beide partijen verbonden zich ertoe binnen deze perimeter geen patrimoniale goederen te vervreemden.

Een van de aan de NV SOPIMA overgedragen gebouwen ligt echter binnen die perimeter. Het Rekenhof vraagt zich af welke schikkingen worden getroffen door de Regie en door de minister, teneinde een einde te maken aan deze manifest foutieve overdracht?

Verder, zegt het Rekenhof, valt het op dat bij de verdeling van de onderhoudslasten de Regie bepaalde verbintenissen is aangegaan die ze niet zal kunnen nakomen, aangezien ze in strijd zijn met haar wettelijke opdracht. De contracten met de NV SOPIMA wijken in grote mate af van het type huurcontract dat de Regie normaal gebruikt en zijn ongunstig voor de Regie.

Het Hof vraagt welke schikkingen werden getroffen door de Regie en de minister, teneinde een einde te maken aan deze buitensporige lasten?

Tot hier de opmerkingen van het Rekenhof.

Sta me toe enkele vragen te stellen die de jongste tijd aan de orde zijn gekomen.

De eerste heeft betrekking op een verklaring van een inspecteur van Financiën die in een excellente nota met betrekking tot de renovatie en de omvorming van het Residence Palace, dat klaar moet zijn vóór België het voorzitterschap van de Europese Unie waarneemt in de tweede helft van 2001, verklaarde dat het op de vastgoedmarkt in Brussel brengen van kantoren ten belope van 12 miljard, de implosie van die markt tot gevolg heeft. Wat is het antwoord van de minister dienaangaande?

Waarom werd op 6 juli 1999 het kapitaal van de NV SOPIMA op 8,470 miljard frank gebracht door een inbreng in natura ten belope van 280 miljoen frank samen met de uitgifte van 56 nieuwe aandelen, onmiddellijk gevolgd door een kapitaalsvermindering ten belope van 299, 388 miljoen frank door een uitbetaling in speciën per uitstaand aandeel van 117.000 frank per aandeel?

Er rijzen eveneens principiële vragen over de juridische constructie van de NV SOPIMA en over de manier waarop de overheid omgaat met overheidsbedrijven en haar participeren in de markt. Professor Alen, onlangs door de Kamer benoemd als rechter bij het Arbitragehof, heeft een interessant werk afgeleverd, dat trouwens werd overgenomen in de nota van de heer Pauwels betreffende de NV Berlaymont, waarin wordt gesteld dat heel afwijzend wordt gestaan tegenover de oprichting door de overheid van vennootschappen met het oogmerk om begrotingstechnische inkomsten te simuleren, zoals bijvoorbeeld in de NV SOPIMA. Deze constructie heeft trouwens veel weg van de constructie die werd gebruikt voor de NV Berlaymont 2000, waarbij werd gedebudgetteerd.

Staat de minister achter deze juridische constructies die vaak werden opgericht toen het slecht ging met vadertje Staat? De vragen die in verband met het Berlaymont-dossier werden gesteld, hadden betrekking op een manifest gebrek aan controle van de overheid op een dergelijke juridische constructie. Op welke manier wil de minister de controle op de NV SOPIMA verzekeren? Hebben het Rekenhof en de Inspectie van Financiën blijvende controle op lange termijn?

Hoe kan de overheid, gezien de verplichte minimale verhouding tussen eigen en vreemde middelen, 67% tegenover 33%, van een vastgoedbevak, de beoogde 60 miljard verzilveren?

De laatste vraag is er een voor insiders, maar is niettemin belangrijk. Het gerucht doet de ronde dat de heer Lauriks, topman van de Regie der Gebouwen, op 1 maart aanstaande of kort daarna uit zijn functie bij de Regie der Gebouwen zou stappen. Wie is zijn opvolger? Wat gebeurt er met zijn functies bij de NV Berlaymont 2000 en de NV SOPIMA?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Het is voorbarig nu reeds te verklaren dat de NV SOPIMA vastgoedcertificaten zal uitgeven. De toekomstige structuur van SOPIMA vormt het onderwerp van een juridisch, financieel en strategisch onderzoek. Het klopt dat de Regie der Gebouwen een aantal kantoorgebouwen aan de NV SOPIMA zal verkopen. Voor 2001 gaat het om een pakket van in het totaal 12 miljard. SOPIMA is trouwens een naamloze vennootschap van privaatrecht waarvan alle aandelen in handen van de overheid zijn. De opbrengst van de verkoop van de gebouwen zijn lopende, niet-fiscale ontvangsten. Van dit bedrag zal 3 miljard worden geherinvesteerd in de begroting 2001 van de Regie der Gebouwen. Dit bedrag zal gedeeltelijk worden gebruikt om sommige van de verkochte gebouwen opnieuw te huren. De rest zal de Regie de ruimte geven om een aantal van de noodzakelijke investeringen en onderhoudswerken uit te voeren. Het is bekend dat de Regie der Gebouwen al jaren kampt met een tekort aan kredieten voor onderhoud. Ze beschikt slechts over 100 frank per m² in de plaats van de vereiste 350 à 400 frank per m². Dit betekent dat ze haar gebouwen niet optimaal kan onderhouden.

Het patrimonium van de Regie wordt opgesplitst in drie categorieën: kantoorgebouwen - de zogenaamde "gebouwen in de markt" -, nationaal erfgoed en autoriteitsgebouwen, zoals gerechtshoven, gevangenissen en asielcentra - de zogenaamde "gebouwen buiten de markt". In de toekomst zal de Regie haar aandacht concentreren op de laatste twee categorieën, waarvoor ze dan ook meer budgettaire middelen ter beschikking zal hebben. Deze opdeling heeft geen enkele weerslag op het personeelsbestand, aangezien de Regie bijkomende inspanningen zal moeten doen voor de gebouwen buiten de markt en ze nu soms met personeelsgebrek kampt. Bovendien blijft de Regie verantwoordelijk voor het inhuren van gebouwen en de functionele bezetting ervan.

Aan de heer Van Quickenborne werd mij gevraagd het volgende te antwoorden.

Het protocolakkoord dat op 9 mei 1989 werd gesloten tussen de federale staat en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest over de "Ruimte Brussel-Europa" was eigenlijk een politiek akkoord tussen de toenmalige overheden. Mijn voorganger heeft bij de oprichting van de NV SOPIMA ondanks dat akkoord één gebouw aan de Froissartstraat 95 toch in de nieuwe vennootschap ingebracht. Ik neem aan dat er daarover wel degelijk contact is geweest met de verantwoordelijken van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Dat had waarschijnlijk geen bezwaar tegen die inbreng, te meer daar het duidelijk was dat de NV SOPIMA voor 100% eigendom van de staat bleef en dus het statuut van NV van publiekrecht heeft. Ten slotte moet ik vaststellen dat de inbreng van het gebouw in de NV SOPIMA volledig wettelijk is geschied en dat ik daarop dus onmogelijk kan terugkomen.

De huurcontracten die oorspronkelijk werden afgesloten, legden alle onderhoudslasten bij de Regie der Gebouwen. De redenering was dat de Regie over het personeel en de technische knowhow beschikt en dat men tegelijkertijd SOPIMA beperkter wilde houden. Een jaar later werden deze contracten gewijzigd en kwamen grote herstellingen bij SOPIMA te liggen. Ik kan u evenwel garanderen dat er na de geplande bijkomende verkoop van gebouwen aan de NV SOPIMA alleszins enkel nog op basis van de gebruikelijke typecontracten huurcontracten zullen worden afgesloten.

Het pakket van 12 miljard kantoorgebouwen zal niet op de markt worden gebracht, maar wordt verkocht aan de NV SOPIMA, die de gebouwen zal verhuren aan de Regie der Gebouwen.

Deze gebouwen zijn immers bezet door federale ambtenaren. Het gaat niet om gebouwen die leeg stonden. Er zullen dus geen gevolgen zijn voor de gebouwenmarkt;

Het gaat hier om het kapitaal van de NV SOPIMA. De inbreng in 1999 betrof twee gebouwen, het gebouw van de Thesaurie en het Douanehotel in de Picardstraat. Deze waren aan renovatie toe. De kapitaalvermindering die toen gebeurde was in feite een financiële optimalisatie omdat er op dat ogenblik teveel liquiditeiten waren.

De NV Berlaymont en de NV SOPIMA zijn initiatieven die onder de vorige regeringen werden genomen. De minister kan zich terugvinden in deze initiatieven omdat door de oprichting van SOPIMA een instrument wordt gecreëerd voor een dynamischer beheer van de activa van de staat. De controle bij de NV SOPIMA gebeurt door bedrijfsrevisoren. Aangezien het hier om een NV gaat is er geen controle door de inspectie van Financiën.

Wat de 60 miljard frank betreft: in een eerste fase zal er voor 12 miljard frank kantoorgebouwen worden verkocht. Voor het herhalen van deze operatie en het oprichten van een vastgoedbevak gebeurt nader onderzoek. Verschillende aspecten, onder meer deze die door de heer Van Quickenborne werden aangehaald, zullen de nodige aandacht krijgen.

Bij ministerieel besluit van 17 oktober 2000 werd de heer Lauriks, directeur-generaal der Gebouwen, met ingang van 1 maart 2001 eervol ontslag verleend. Zijn opvolger is nog niet aangeduid. Ook voor zijn functies bij de NV Berlaymont en de NV SOPIMA werd nog niemand aangewezen.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Ik ben teleurgesteld over het antwoord op de eerste vraag. De minister zegt dat het om een politiek akkoord gaat en dat er wellicht contact is opgenomen met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In antwoord op mijn vraag zegt de minister dat de NV SOPIMA een NV van publiek recht is. Aan de heer Barbeaux zei de minister dat de NV SOPIMA een NV is van privaat recht, dat er geen controle op is en dat ze gewoon wordt overgedragen. De NV SOPIMA heeft dus niet dezelfde garanties als een NV van publiek recht.

De minister vindt de oprichting van de NV SOPIMA een goede zaak omdat hiermee een instrument wordt gecreëerd voor een meer dynamisch beheer van de activa van de staat. De NV wordt gecontroleerd door bedrijfsrevisoren, niet door de inspectie van Financiën, noch door het Rekenhof. Het gaat hier nochtans om grote bedragen. Ik heb de indruk dat de minister geen lessen wil trekken uit het verleden.

Het ontslag van de heer Lauriks werd verleend bij ministerieel besluit van 17 oktober 2000. Welnu, twee maanden geleden deed een journalist bij het kabinet van minister Daems navraag over de positie van de heer Lauriks. Hij kreeg als antwoord dat het nog niet duidelijk was, aangezien de hervorming van de Regie der Gebouwen nog moest beginnen. Men had op het kabinet geen weet van het ministerieel besluit van 17 oktober 2000.

Ofwel is de minister niet goed op de hoogte, ofwel worden een aantal zaken moedwillig verzwegen. Ik hoop hem daarover in de toekomst verder te kunnen ondervragen.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Michiel Maertens aan de minister van Financiën over «de maatregelen voor de redding van de visserijsector» (nr. 2-363)

De voorzitter. - De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Didier Reynders, minister van Financiën.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Tegen mijn aard in heb ik alle redenen om kwaad te zijn. Voor de tweede keer vandaag is de minister aan wie ik een vraag stel, niet aanwezig is. Mijn vraag was bedoeld voor de minister van Financiën, maar ik had genoegen kunnen nemen met een antwoord van de minister van Landbouw, omdat hij de sector ten minste kent. Nu komt minister Duquesne hier andermaal een tekstje aflezen. Op die manier is elk debat uitgesloten en moet ik wel spreken van een uitholling van ons parlementair recht om ministers te ondervragen en met hen te discussiëren. Zouden we niet beter maar meteen het reglement wijzigen en de indiener van een vraag de mogelijkheid geven om, zoals een rapporteur voor zijn verslag, te verwijzen naar zijn schriftelijke tekst waarop de minister dan kan verwijzen naar het schriftelijk antwoord van zijn collega? Dan kunnen we de meer dan veertig personeelsleden die hier aanwezig zijn om ons democratisch recht te waarborgen, een paar uur vroeger naar huis laten gaan. Dat zou voor hen een slok op de borrel schelen, om in visserijtermen te spreken.

Maar aangezien het reglement vandaag nog is wat het was, zal ik mijn vraag uitspreken.

Zowel in de Kamer als in de Senaat moest de minister van Financiën in de voorbije weken verscheidene vragen aanhoren over de precaire situatie van de zeevisserijsector. De minister heeft bij herhaling geantwoord dat hij de Europese Commissie zou vragen om de toepassing van de richtlijn 97/c 205/05 van 5 juli 1997 betreffende overheidssteun aan het zeevervoer, te kunnen uitbreiden tot de visserijsector, om ook daar vrijstelling te kunnen verlenen van het doorstorten van bedrijfsvoorheffing. Daardoor zouden de koninklijke besluiten van december 2000 tot uitvoering van artikel 4, 3° en 4 lid, en van artikel 12, 2° lid, van de wet van 24 december 1999 houdende fiscale en diverse bepalingen en tot wijziging van het koninklijk besluit inzake het Wetboek der Inkomstenbelastingen 1992, uitgebreid worden tot de zeevisserijsector. Op dit aspect wens ik niet verder in te gaan. Het is trouwens een daad van goed bestuur om vooraf aan de Commissie de toestemming te vragen om een herhaling van de Maribeloperatie te vermijden.

Vandaag wil ik de aandacht vestigen op een aantal punten in de hoop de zaak in de goede richting te duwen en de beslissing te versnellen.

De visserij is een heel kleine sector waar het `slechts' om enkele honderden miljoenen gaat. De sector en vooral de bankwereld die de kredietverstrekkers zijn, kunnen nochtans niet langer wachten op een positief signaal van de minister. Om weer in zeevaarttermen te spreken, het water komt hen tot aan de lippen. Daarom moeten we aan de Commissie dringend meedelen hoe we in de gegeven omstandigheden de vrijstelling van heffingen of belastingen als nationale steunmaatregel in de zin van artikel 87, 1°lid - ex artikel 92, 1° lid - van het EG-verdrag juridisch beoordelen en verantwoorden. "De concurrentievervalsing vloeit immers enkel voort uit het feit dat iedere steunmaatregel van een lidstaat of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalst of dreigt te vervalsen, onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, als deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt", zo lezen we in de teksten Quod non!

Die vaststelling is van belang. Sommige lidstaten geven naast de FIOV immers ook fiscale stimulansen voor kortere tijd, ondermeer belastingvermindering voor exploitatiekosten. Het doel en de inhoud van dergelijke maatregelen variëren van lidstaat tot lidstaat. De financiële voordelen van zulke maatregelen zijn bijzonder klein in vergelijking met de voordelen van de communautaire steunmaatregelen. De lidstaten zijn nochtans wettelijk verplicht de Commissie in te lichten - dus niet de toelating te vragen - alvorens steun te verlenen. Desgevallend kan de Commissie bepalen dat reeds toegekende steun in strijd is met het gemeenschapsrecht en eisen dat die steun wordt terugbetaald, net zoals destijds met de Maribeloperatie is moeten gebeuren, wat toch een zure oprisping was. Als een bestuur de moeite doet om kennis te nemen van het beperkt aantal teksten in verband met deze reglementering, kan ze perfect voorspellen hoe de Commissie zal reageren, ook in het geval van de visserij.

De Commissie oordeelt aan de hand van gegevens die de betrokken lidstaten moeten verstrekken, of een nationale steunmaatregel verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Hier knelt het schoentje. Het ingediende dossier vormt soms een probleem.

Veel landen binnen en buiten de Unie geven via allerlei regelingen financiële steun aan hun visserij, bijvoorbeeld belastingvrijstellingen. Dat gebeurt niet door rechtstreekse betalingen, maar verloopt via de klassieke achterpoortjes. Zolang de verschillende vormen van steunverlening aan de visserij niet beter worden gedefinieerd op basis van betrouwbare gegevens, blijft een serieuze discussie terzake erg moeilijk, en blijft het noodzakelijk dat de lidstaten een stevig dossier voorleggen. De vraag is of ons land dat wel doet.

Indien die definities van steun uitblijven, zullen alleen die sectoren die transparant bezig zijn - onze visserij bestaat uit amper 128 bootjes en 800 mensen - het voorwerp en het slachtoffer zijn van kritiek en van concurrentievervalsende maatregelen, ook al vervalsen zij zelf niet. De Commissie moet daarop worden gewezen.

Het verwondert me dat niemand op de hoogte was van de recente richtlijnen voor het onderzoek van de steunmaatregelen van de staten in de visserij- en aquacultuursector verschenen op 20 januari 2001 in het publicatieblad 2001/C/19/05. In de inleiding wordt duidelijk gesteld dat "alle staatssteun die afwijkt van de regelingen voor communautaire steun, moet zorgvuldig worden onderzocht en kan uitsluitend worden goedgekeurd als kan worden aangetoond dat deze steun niet bijdraagt tot de instandhouding of verdere ontwikkeling van de vangstcapaciteit in visserijtakken met een overcapaciteit en niet bijdraagt tot een vermindering van de biodiversiteit". Voor onze visserij is er geen probleem. Daarbij verwijs ik ook naar het punt 2.2.4 van de richtlijn, namelijk de steun voor de redding en de herstructurering van ondernemingen in moeilijkheden. Het is noodzakelijk dat de zeevisserijsector in zijn geheel, of toch een groot aantal rederijen ervan, onmiddellijk worden erkend als "verkerende in moeilijkheden", waarmee een signaal wordt gegeven aan de kredietverleners.

Graag had ik van de minister vernomen of hij al de sector in zijn geheel of een aantal rederijen in het bijzonder, officieel wil erkennen als zijnde in moeilijkheden.

Op welke datum heeft hij aan de Europese Commissie de vraag gesteld om eventueel voorlopige vrijstelling te kunnen verlenen van het doorstorten van de bedrijfsvoorheffing? Voor welke perioden heeft hij dat gevraagd en met welke argumenten? Tegen welke datum heeft hij aan de Commissie een antwoord gevraagd? De visserij kan immers niet lang wachten. Het water komt hen tot aan de lippen.

Welk signaal geeft de minister aan de kredietsector opdat deze de reders in nood steunen?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - De minister van Financiën bevestigt dat hij eind vorige week een brief gezonden heeft aan de permanente vertegenwoordiger van België bij de Europese Unie met het verzoek de Europese Commissie, directie Vervoer en Energie, subdirectie G Zeevervoer, te benaderen teneinde de overheidssteun voor het zeevervoer te kunnen uitbreiden tot de zeevisserijsector in zijn geheel.

In de brief wordt geen referteperiode voor de maatregel aangegeven. De volgende argumenten worden onder andere aangevoerd: de draconische maatregelen inzake visserijcontingenten van de Europese Unie, de steunmaatregelen die reeds door enkele landen werden genomen, de nagenoeg onoverkomelijke moeilijkheden van de visserijsector en de nadelige invloed van de maatregelen ten behoeve van de sector van het zeevervoer op de zeevisserijsector.

Alleen als de Europese Commissie eerst een gunstig advies over dit verzoek uitbrengt, kan de steunmaatregel worden uitgebreid. Rekening houdend met de gemeenschapsverplichtingen van België en met de negatieve uitwerking indertijd op het publiek en op de bedrijven toen deze laatste verplicht werden de Maribelsteun terug te betalen, kan de minister op het ogenblik niet meer dan een officieel verzoek te richten tot de Commissie. Dit verzoek moet worden beschouwd als een noodkreet voor hulp aan een sector die in grote moeilijkheden verkeert.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Ik dank de minister voor zijn duidelijk en uitvoerig antwoord. Ik ben blij dat de brief reeds einde vorige week werd verzonden. We kunnen uiteraard moeilijk een referteperiode aan de Commissie opleggen. Daarmee ben ik het eens.

Toch wil ik nog even ingaan op de verwijzing naar de draconische maatregelen. Op dit ogenblik geldt er een vangstverbod voor kabeljauw in een groot gebied van de Noordzee en krijgen vele vissers zelfs een premie om niet uit te varen. Eigenlijk zint dat de vissers niet. De vissers wensen op visvangst te gaan in plaats van niets te doen. Dat heeft eigenlijk niets met mijn vraag te maken.

Ik ben het volkomen eens met het uitspraak van de minister over de nadelige invloeden. Ik ben blij dat hij met dezelfde noodsituatie voor ogen dezelfde noodkreet slaakt, niet alleen voor onze achthonderd vissers, maar voor de hele sector, met inbegrip van de verwerkende nijverheid.

De minister doet een stap in de goede richting. Dat verheugt mij al had ik daarover graag in detail van gedachten gewisseld met de minister zelf of met de minister van Landbouw, die bevoegd is voor de visserijsector.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie over «de vermindering van de staatsschuld» (nr. 2-371)

De voorzitter. - De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Onder meer ten gevolge van de verplichtingen van het Verdrag van Maastricht, aangegaan in het raam van de invoering van de euro, daalt de Belgische staatsschuld gestaag. Deze regering en de vorige verdienen daarvoor alle lof. Volgend jaar wil men de schuldratio van 100% van het bruto binnenlands product bereiken. Bij ongewijzigde omstandigheden zou de bekende en belangrijke 60%-norm van Maastricht rond 2010 kunnen worden gehaald.

In andere lidstaten, onder meer in buurland Nederland, die op het gebied van schuldreductie veel verder staan dan wij, vraagt men zich thans af hoe ver de afbetalingen moeten gaan en waaraan het begrotingsoverschot zal worden besteed. Een aantal adviesorganen zijn immers van mening dat de staatsschuld tot op nul moet worden teruggedrongen.

In de Financiële Berichten van de BBL ging econoom Jerry Van Waterschoot hier uitvoerig op in. Hij stelde dat de overheid haar schuld niet volledig moet terugbetalen omdat ze dan een belangrijk wapen uit handen zou geven.

Kent de minister deze studie? Wat denkt hij van een reductie van de schuld onder de 60%-norm? Is de minister voorstander van een, voorlopig nog utopische, vermindering van de staatschuld tot nul? Zo neen, kan de minister zijn langetermijnvisie op het optimale niveau van de overheidsschuld toelichten? Ziet de minister een mogelijke grens? Deze vraag is niet onbelangrijk voor de aanwending van die overschotten. Zullen we die kunnen besteden op belangrijke domeinen zoals bijvoorbeeld de gezondheidszorg?

De volgende vraag is misschien van meer academische aard, maar de minister is tenslotte bevoegd voor begroting en ze moet worden beantwoord. Wat vindt de minister de beste optie om de koopkracht van de bevolking op middellange termijn te verhogen? In de hypothese dat er een keuze moet worden gemaakt, gaat het dan om een verlaging van de belastingdruk of om een versnelde afbouw van de staatsschuld? Welke zijn de effecten van een belastingverlaging in vergelijking met een afbouw van de staatsschuld voor de verschillende actoren in onze samenleving, de overheid, de belastingbetaler, enzovoort?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik ken de studie van Jerry Van Waterschoot die in de pers aan bod is gekomen. Inzake de optimale schuldgraad voor België deel ik de mening van de heer Van Waterschoot dat de 60% van Maastricht te hoog is, zeker in het licht van de toekomstige demografische uitdagingen. Als het debat over de optimale schuldgraad al theoretische verdiensten heeft, is dat in België hoegenaamd niet aan de orde. De BBL-studie stelt trouwens zelf dat een dergelijk debat in België, dat nog altijd een schuld heeft van meer dan 100%, bepaald hilarisch is.

Het vierde hoofdstuk van het stabiliteitsprogramma 2001-2005 bevat een langetermijnvisie op de openbare financiën. Aan de hand van twee scenario's wordt het belang aangetoond van de gedurende de komende jaren geleidelijk opgebouwde begrotingsoverschotten. In het eerste scenario wordt het tot 1% opgebouwde overschot na 2005 verder aangehouden.

Door de daling van de schuldgraad en de intrestlasten ontstaat er budgettaire ruimte om de kosten van de vergrijzing op te vangen zonder dat er een begrotingstekort ontstaat en dus zonder de afbouw van de schuldgraad af te remmen.

Scenario twee beperkt zich tot het budgettaire evenwicht. Dit zou betekenen dat door de kosten van de vergrijzing vanaf 2010 opnieuw een begrotingstekort zou ontstaan van meer dan 4% van het BBP met als gevolg een gevoelige stijging van de schuldgraad.

De regering schrijft zich resoluut in de filosofie van het overschotscenario in, waardoor een voortdurende daling van de schuldgraad gewaarborgd blijft. Normaliter kan de schuldgraad tegen het einde van deze regeerperiode, in 2003, worden teruggebracht tot minder dan 100%, om in de periode 2012-2014 voort te dalen tot 60%, tot een peil van 15 tot 25% in de periode 2030-2040. Misschien moet het debat over de optimale schuldgraad op dat ogenblik opnieuw worden gevoerd.

Het op 17 oktober 2000 goedgekeurde meerjarenprogramma 2001-2005 bevat als belangrijkste beleidsprioriteiten: een versnelde afbouw van de overheidsschuld via de geleidelijke opbouw van begrotingsoverschotten; de structurele financiering van het zilverfonds via overschotten op de begroting; een duidelijk project van versnelde schuldafbouw bij de sociale zekerheid; en het vrijmaken van middelen voor een ambitieus beleid, onder meer door een ingrijpende vermindering van de belasting op arbeid. Aldus bewijst de regering dat er geen tegenstelling hoeft te zijn tussen een begrotingsbeleid dat is gericht op de verdere afbouw van de schuld en een toekomstgericht beleidsproject waarbij een structurele vermindering van de belasting op arbeid centraal staat.

Het zilverfonds maakt het mogelijk de extra uitgaven als gevolg van de vergrijzing op te vangen zonder drastische besparingen of een drastische verhoging van de belastingen en sociale bijdragen. Het zilverfonds is dus de levensverzekering van de fiscale hervorming.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Het was niet mijn bedoeling een polemiek uit te lokken of een politieke vraag te stellen. Mijn uiteenzetting moet veeleer worden geïnterpreteerd als een theoretische vraag. Een politicus kan zich afvragen waarbij de staat het meest baat heeft: schuldafbouw of belastingverlaging. De regering kiest uiteraard voor allebei omdat de conjunctuur op dit ogenblik gunstig is. Over deze aangelegenheid bestaan weinig beschouwingen. Ik zal hierover te gelegener tijd met de minister van Begroting van gedachten wisselen.

-Het incident is gesloten.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergaderingen vinden plaats donderdag 8 maart 2001 om 10 uur en om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 19.10 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de heer Vandenbroeke, wegens andere plichten, mevrouw Lizin en de heer Ceder, in het buitenland.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming nr. 1

Aanwezig: 49
Voor: 14
Tegen: 35
Onthoudingen: 0


Voor

Michel Barbeaux, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Clotilde Nyssens, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken.


Tegen

Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Louis Tobback, Paul Wille.


Onthoudingen

N.

Stemming nr. 2

Aanwezig: 56
Voor: 52
Tegen: 0
Onthoudingen: 4


Voor

Michel Barbeaux, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Theo Kelchtermans, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.


Tegen

N.


Onthoudingen

Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Stemming nr. 3

Aanwezig: 60
Voor: 17
Tegen: 43
Onthoudingen: 0


Voor

Michel Barbeaux, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Clotilde Nyssens, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen.


Tegen

Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille.


Onthoudingen

N.

Stemming nr. 4

Aanwezig: 60
Voor: 49
Tegen: 11
Onthoudingen: 0


Voor

Michel Barbeaux, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.


Tegen

Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Theo Kelchtermans, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Wim Verreycken.


Onthoudingen

N.

Stemming nr. 5

Aanwezig: 59
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 4


Voor

Michel Barbeaux, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Theo Kelchtermans, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.


Tegen

N.


Onthoudingen

Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Stemming nr. 6

Aanwezig: 61
Voor: 61
Tegen: 0
Onthoudingen: 0


Voor

Michel Barbeaux, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Theo Kelchtermans, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.


Tegen

N.


Onthoudingen

N.

Stemming nr. 7

Aanwezig: 61
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 6


Voor

Michel Barbeaux, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Jacques D'Hooghe, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Theo Kelchtermans, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Jacky Morael, Marie Nagy, Francis Poty, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.


Tegen

N.


Onthoudingen

Georges Dallemagne, Armand De Decker, Jean-Marie Happart, Philippe Moureaux, Clotilde Nyssens, René Thissen.

Indiening van voorstellen

De volgende voorstellen werden ingediend:

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel betreffende de begeleiding bij het levenseinde (van de heer Alain Destexhe; Stuk 2-666/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van verschillende bepalingen betreffende de cumulatie van het ambt van minister, staatssecretaris of regeringscommissaris met het ambt van burgemeester of schepen (van mevrouw Marie Nagy; Stuk 2-668/1).

Voorstel van bijzondere wet

Artikel 77 van de Grondwet

Voorstel van bijzondere wet tot wijziging, wat de ruimtelijke ordening betreft, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (van mevrouw Marie Nagy; Stuk 2-667/1).

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot instelling van een volksraadpleging over het stemrecht voor vreemdelingen (van de heer Joris Van Hauthem; Stuk 2-582/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van de wapenwet van 3 januari 1933, wat betreft het verbod op antihanteerbaarheidsmechanismen (van mevrouw Erika Thijs c.s.; Stuk 2-648/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

van de heer Michiel Maertens aan de minister van Landbouw en Middenstand over "de aanstelling van een moreel consulent voor de zeevisserij" (nr. 2-372)

van de heer Michiel Maertens aan de minister van Binnenlandse Zaken over "de veiligheidsvoorwaarden inzake de transporten van kernafval" (nr. 2-373)

van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Financiën over "de middelen waarover de Administratie der Douane en Accijnzen kan beschikken bij de drugsbestrijding" (nr. 2-376)

van mevrouw Iris Van Riet aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over "de resultaten van het Rosetta-plan" (nr. 2-377)

van de heer Michiel Maertens aan de minister van Financiën over "de opvatting van de Europese Commissie over de invoering van de Tobintaks" (nr. 2-378)

van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over "het exotisch vlees" (nr. 2-379)

van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over "de tewerkstelling van de oudere Belgen in ons land" (nr. 2-380)

van de heer Hugo Vandenberghe aan de eerste minister over "het nieuwe communautair akkoord tussen het Vlaams Parlementslid Karel De Gucht en Kamerlid Geert Bourgeois en het negatief advies van de Raad van State over het ontwerp van bijzondere wet" (nr. 2-381)

van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Financiën over "de hervorming van de belastingdiensten en over de bedoeling om de belastingvaststellende ambtenaar verantwoordelijkheid te geven omtrent de geschillenregeling van zijn naheffing" (nr. 2-382)

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Samenstelling van commissies

Met toepassing van artikel 21-4, tweede zin, van het Reglement werden de volgende wijzigingen in de samenstelling van bepaalde commissies aangebracht:

Parlementaire overlegcommissie:

Controlecommissie betreffende de verkiezingsuitgaven en de boekhouding van de politieke partijen:

Federaal Adviescomité voor Europese Aangelegenheden:

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 15 februari 2001 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 104, 7°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (Stuk 2-661/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 16 februari 2001; de uiterste datum voor evocatie is maandag 12 maart 2001.

Wetsontwerp houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten (Stuk 2-662/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 16 februari 2001; de uiterste datum voor evocatie is maandag 12 maart 2001.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 74 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (Stuk 2-663/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 16 februari 2001; de uiterste datum voor evocatie is maandag 12 maart 2001.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie (Stuk 2-664/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 16 februari 2001; de uiterste datum voor evocatie is maandag 12 maart 2001.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Europees Parlement

Bij brief van 12 februari 2001 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:

aangenomen tijdens de vergaderperiode van 31 januari tot en met 1 februari 2001.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.