4-62

4-62

Belgische Senaat

4-62

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 5 FEBRUARI 2009 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Verzoekschrift

Voordracht van kandidaten voor het ambt van assessor (F) bij de afdeling wetgeving van de Raad van State

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Wetsontwerp betreffende de verhaalmiddelen inzake de wet van (...) op het herverzekeringsbedrijf (Stuk 4-1099)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen (Stuk 4-1097) (Evocatieprocedure)

Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de afschaffing van het automatisch ten laste leggen van de eisende partij van alle kosten in geval van eenzijdige aanvraag tot echtscheiding (van de heer Philippe Mahoux, Stuk 4-1115)

Mondelinge vragen

Samenstelling van commissies

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen over «een mogelijke boeteclausule tussen de Belgische regering en BNP Paribas» (nr. 4-708)

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de terugbetaling van parodontale chirurgie» (nr. 4-699)

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de jaarverslagen ziekenhuishygiëne en antibioticabeleid» (nr. 4-700)

Vraag om uitleg van de heer Philippe Monfils aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de discriminerende terugbetaling van Fosamax-Fosavance» (nr. 4-701)

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de erkenning van de psychologie» (nr. 4-706)

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de staatssecretaris voor Personen met een handicap over «de ongelijkheden tussen Vlaanderen en Wallonië wat betreft de berekening van de verhoogde kinderbijslag» (nr. 4-707)

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de weergave van privéadressen van artsen op de websites van ziekenfondsen» (nr. 4-695)

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken over «de houding van de Belgische regering ten aanzien van het antiraketschild» (nr. 4-682)

Vraag om uitleg van de heer Philippe Mahoux aan de minister van Justitie over «de inwerkingstelling van de wetten van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis en van 26 april 2007 betreffende de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank» (nr. 4-702)

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Justitie over «het toekomstige Justitiepaleis van Eupen» (nr. 4-705)

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de minister van Justitie over «valse rijbewijzen» (nr. 4-676)

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de staatssecretaris voor Mobiliteit over «valse buitenlandse rijbewijzen» (nr. 4-677)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Verzoekschrift

De voorzitter. - Bij brief van 27 januari 2009 heeft de heer Stijn Stassijns aan de Senaat overgezonden, een verzoekschrift over de verdeling van de financiële middelen voor de politie.

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Voordracht van kandidaten voor het ambt van assessor (F) bij de afdeling wetgeving van de Raad van State

De voorzitter. - Bij brief van 2 februari 2009 deelt de eerste voorzitter van de Raad van State mee dat de algemene vergadering van de Raad ter openbare zitting van 20 januari 2009, overeenkomstig artikel 80 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, overgegaan is tot het opmaken van lijsten van kandidaten voorgedragen voor de benoeming tot een ambt van Franstalig assessor dat bij de afdeling wetgeving vacant is geworden.

Overeenkomstig artikel 70, §1, tweede tot twaalfde lid van de voornoemde gecoördineerde wetten, komt het de Senaat toe om over te gaan tot de voordracht van kandidaten voor het vacante ambt van assessor.

De eerste voorzitter van de Raad van State heeft de kandidaturen van de volgende personen ontvangen:

Werden door de Raad van State voorgedragen voor het vacante ambt, evenwel zonder eenparigheid van stemmen:

Aangezien de voordracht niet unaniem is, kan de Senaat:

Het Bureau stelt voor dit punt naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden te verzenden teneinde de kandidaten te horen, overeenkomstig artikel 70, §1, achtste lid, en artikel 80, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. (Instemming)

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Isabelle Durant aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen over «de dreiging om de gevangenis van Vorst te laten verzegelen» (nr. 4-618)

Mevrouw Isabelle Durant (Ecolo). - De beslissing van het Toezicht op het Welzijn op het Werk om over te gaan tot verzegeling om de werknemers te beschermen tegen vallende stenen op de binnenkoer van de gevangenis toont aan, voorzover dat nog nodig was, dat de gevangenis van Vorst eigenlijk onbewoonbaar is: het gebouw bevindt zich in een vergevorderde staat van verval. Samen met enkele andere Senatoren zijn we de gevangenis van Vorst grondig gaan bekijken. Ik nodig de minister uit om dat ook eens te doen. We hadden niet de indruk ons in België te bevinden, noch in 2009: in een derde van de cellen is er geen WC en zijn er vochtproblemen; de elektrische uitrusting en het geheel van de gebouwen doen veeleer denken aan een kraakpand dan aan een huis van bewaring. De gevangenis van Vorst is overigens niet de enige in die toestand. De gevangenissen hangen af van de Regie der Gebouwen en een groot aantal bevinden zich in een soortgelijke toestand als de gevangenis van Vorst, al spant zij wellicht de trieste kroon.

Ik zou graag weten welke dringende maatregelen tot verzegeling werden genomen. Sommige maatregelen zouden reeds zijn uitgevoerd, maar bieden slechts een gedeeltelijke oplossing voor de problemen.

Hoe schieten de renovatiewerken aan de gevangenissen in het algemeen op? Het plan van de minister van Justitie voorziet in de bouw van nieuwe gevangenissen. Ik heb daarbij enige twijfel want volgens mij komen er meer gevangenen naarmate men meer gevangenissen bouwt. Alvorens over te gaan tot de bouw van nieuwe gevangenissen rijst er al een echt probleem met de renovatie en de sanering van de bestaande. Ik zou graag weten hoever het staat met de werkzaamheden om de gevangenissen conform de menselijke waardigheid van alle gevangenen in te richten.

De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen. -. Volgens de controlediensten is het risico op vallende stenen op de binnenkoer van de gevangenis reëel.

De Regie der Gebouwen beschikt over een termijn van vier dagen om die noodsituatie te verhelpen. Tegen volgende maandag zouden de werken uitgevoerd moeten zijn.

In de gevangenis bestaan recurrente veiligheidsproblemen. In 2008 zijn er werken in de kapel uitgevoerd. Een studie over de andere problemen in verband met de stabiliteit van de gevel is bijna klaar. We zullen de oplossingen snel bestuderen zodat de Regie de werken nog dit jaar kan laten uitvoeren.

Alle andere werken zijn opgenomen in een programma dat voortdurend met de diensten van Justitie wordt uitgewerkt.

De gevangenis van Vorst is verouderd, net als de gevangenissen van Sint-Gillis, Dinant en Namen. Eind vorig jaar heb ik samen met de vorige minister van Justitie aan de ministerraad een pakket maatregelen ter zake voorgesteld, waaronder uiteraard de bouw van nieuwe gevangenissen en renovatiewerken, maar op termijn vooral ook de ontruiming van de oudste gevangenissen en de vervanging ervan door modernere gebouwen. De minister van Justitie heeft voorgesteld in de commissie voor de Justitie van de Kamer - hij zou dat ook in de Senaat moeten doen, als hij het al niet gedaan heeft - om de gevangenissen van Vorst en Sint-Gillis buiten gebruik te stellen en er een andere vestigingsplaats voor te zoeken teneinde de wijk een nieuwe bestemming te geven.

We onderzoeken nu de financieringsmogelijkheden. We hebben een offerteaanvraag gedaan. In maart wordt een consultant aangeduid. Wij kiezen voor een partnerschap tussen de overheid en de privésector voor het geheel van de werkzaamheden.

De eerste reeks werken betreft de bouw van nieuwe gevangeniscapaciteit. De minister van Justitie stelt de transfer van de activiteiten in Vorst en Sint-Gillis in het vooruitzicht tegen 2015. Het gaat in elk geval om een langetermijnprogramma. Er moeten ook vooraf nog werken worden uitgevoerd om de gebouwen veiliger en gezonder te maken, want de termijnen zijn te lang om de gedetineerden in de huidige omstandigheden gevangen te houden. Als we echt voornemens zijn nieuwe gevangenissen te bouwen, moeten we echter het plan laten varen om bestaande gevangenissen uit te breiden.

Mevrouw Isabelle Durant (Ecolo). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Het is toch echt wel vreemd dat we moeten wachten tot een inspecteur een gevangenis verzegelt voordat een noodmaatregel wordt genomen. Wat men ook mag denken van de uitbreiding van het aantal plaatsen, het is uitgesloten dat het verstrijken van die termijn afwachten. Het renovatiewerk mag zich niet beperken tot het opknappen van de gevels. Gedetineerden hebben recht op een minimum aan comfort. Cellen zonder WC zijn onaanvaardbaar. Dat zijn middeleeuwse toestanden.

Ik verzoek de Regie der Gebouwen formeel het niet te laten bij de sanering van de gebouwen en de grondige renovatie van de gevels, maar ervoor te zorgen dat de gedetineerden, die toch ook mensen zijn, veel vroeger dan in 2015 in behoorlijke omstandigheden kunnen leven.

Mondelinge vraag van mevrouw Marleen Temmerman aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het kiwimodel» (nr. 4-617)

Mevrouw Marleen Temmerman (sp.a). - Vorige week organiseerden een aantal organisaties een origineel uitstapje naar de Nederlandse grens. Aan de Belgische kant van de grens werd symbolisch grensapotheek `De Douanier' ingericht, waarbij aanschouwelijk werd gemaakt hoeveel een aantal courante geneesmiddelen in Nederland goedkoper zijn dan in België. Enkele voorbeelden: citalopram (20 mg) is in ons land het meest voorgeschreven antidepressivum, het kost 20,77 euro. In Nederland kost het maar 3,17 euro. Het bekende Fosamax (70 mg) tegen osteoporose heeft in België een publieksprijs van 70,94 euro terwijl dat in Nederland te krijgen is voor 10,14 euro. We kunnen zo nog doorgaan. Dat alles is te danken aan de invoering van het kiwimodel in Nederland.

De controleurs van Volksgezondheid hebben er vorige week nauwgezet op toegezien dat er geen illegale praktijken plaatsvonden. Er werden geen geneesmiddelen verhandeld in de symbolische apotheek. De mensen trokken na de actie gewoon de grens over en kochten daar hun medicijnen in een Nederlandse apotheek, mét voorschrift.

Het kiwimodel, genoemd naar het Nieuw-Zeelandse systeem om middels aanbestedingen de kostprijs van geneesmiddelen te drukken voor patiënt, beroert al langer de geesten.

In ons land werd op 1 januari 2008 een `kiwi light' ingevoerd omdat men ervan uitging dat het volledige Nieuw-Zeelandse systeem niet overdraagbaar was.

We zijn ervan overtuigd dat de minister al het mogelijke doet om de prijs van geneesmiddelen naar omlaag te halen. Daarenboven hebben de inspanningen op het vlak van generieke geneesmiddelen en het voorschrijfgedrag van de Belgische dokters de prijs ook daadwerkelijk gedrukt. De prijs blijft voor onze gezondheidsbudgetten en vooral voor de mensen echter té hoog.

Uit berekeningen blijkt dat het RIZIV bijna 300 miljoen euro kan besparen met het openbaar aanbesteden van geneesmiddelen terwijl de patiënten zelf 113 miljoen besparen. De minister stelt in haar beleidsnota terecht dat het kiwimodel een van de middelen is om tot prijsdalingen te komen.

Ze kondigde een evaluatie en een herziening van het kiwi light-model aan. De eerste ervaring met de Belgische kiwivariant toont aan dat er een goed omkaderend beleid nodig is. Men moet bijvoorbeeld de `vluchtroute' naar andere, duurdere opties beperken, de zorgverstrekkers moeten op het belang van het model worden gewezen. Ik denk dat de grensapotheekactie alvast het nut van een volwaardig kiwisysteem heeft aangetoond.

Ik heb de meeste vragen nagelezen die collega's kamerleden de minister daarover stelden. Het klopt dat onze ziekenhuizen vele Nederlandse patiënten aantrekken, maar het dient te worden gezegd dat Nederlandse patiënten in eigen land beschikken over goedkopere en efficiënte medicatie.

De situatie roept bij mij een aantal vragen op.

Wanneer kunnen wij in het parlement een grondige evaluatie van het beperkte kiwimodel bespreken? Wat is de timing van de door de minister aangekondigde evaluatie?

Wat zijn de juridische bezwaren die de Raad van State formuleerde bij een aantal uitvoeringsbesluiten?

Kan de minister uitleggen waarom de therapeutische vrijheid van de artsen en het goed werkende overlegmodel (het zogenaamde Medicomutakkoord) de invoering van een veralgemeend kiwimodel in ons land in de weg staat?

Kunnen de inspanningen die de minister voert in haar `goedkopegeneesmiddelenbeleid' niet versterkt worden door een herwerkt en versterkt kiwimodel dat in dat beleid geïntegreerd kan worden?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik heb het RIZIV gevraagd de volledige evaluatie van het kiwimodel uit te voeren tegen uiterlijk half maart.

Het is moeilijk om hier op pertinente wijze een samenvatting te geven van de bezwaren van de Raad van State. Een groot aantal van die opmerkingen had immers betrekking op het ontbreken van een wettelijke basis. Dat probleem werd intussen aangepakt. De evaluatie van het RIZIV zal onder meer over het juridische aspect gaan.

Ik denk dat de artsen het kiwimodel niet gunstig gezind zijn omdat ze bang zijn voor de gevolgen voor de patiënt. Ze wijzen daarvoor op de problemen die kunnen rijzen wanneer tijdens een behandeling een ander merk wordt voorgeschreven en de verwarring die bij de patiënt kan ontstaan wanneer hij andere pillen moet nemen. Er gebeuren immers vaak ongevallen door slecht gebruik van geneesmiddelen, en die kunnen ernstige gevolgen hebben.

De artsen verplichten een beleid te volgen dat alleen gericht is op de minst dure medicatie, zou in tegenspraak zijn met het overlegmodel en met de tariefzekerheid die daarmee samenhangt. De Medicomut heeft haar rol in verband met het akkoord 2009-2010 voortreffelijk gespeeld door te kiezen voor een structurele oplossing die bovendien de nodige waarborgen biedt voor de patiënt. Zo hebben de artsen zich ertoe verbonden een behandeling in 80% van de gevallen te beginnen met een oudere molecule, die vaak driemaal minder duur is dan de meer recente molecules.

Ik ben niet tegen het invoeren van een kiwi-element in mijn beleid gericht op minder dure geneesmiddelen. Zonder een grondige evaluatie, zowel op juridisch niveau als wat de impact betreft, kan ik echter niets concreets voorstellen.

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, eerste ondervoorzitter.)

Mevrouw Marleen Temmerman (sp.a). - Ik ben blij te horen dat we in de tweede helft van maart een evaluatie zullen krijgen. We zullen de resultaten ervan aandachtig bekijken.

Mondelinge vraag van de heer Christophe Collignon aan de vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen over «het oprichten van de dienst `info-traffic' en het invoeren van sms-verwittigingen voor reizigers van de NMBS» (nr. 4-605)

De heer Christophe Collignon (PS). - De recente verstoring van het treinverkeer ingevolge het winterweer heeft duidelijk gemaakt dat de informatie van de NMBS aan de reizigers tekortschiet. De vice-eerste minister heeft dat op 8 januari jongstleden in zijn antwoord in de Kamer overigens toegegeven.

De reizigers kunnen er begrip voor opbrengen dat weersomstandigheden vertragingen en schrapping van treinen kunnen veroorzaken. Ze verwachten echter wel dat ze correct worden geïnformeerd.

De drie belangrijkste eisen van de pendelaars hebben betrekking op de vervoerscapaciteit om comfortabel te kunnen reizen, de stiptheid en de communicatie.

Tot mijn tevredenheid stel ik vast dat reizigers nu op de website www.railtime.be in real time kunnen nagaan of hun trein al dan niet vertraging heeft. Hoewel dat initiatief ongetwijfeld in de goede richting gaat, betreuren we dat alleen gebruikers die toegang hebben tot het internet, die informatie kunnen krijgen.

Sinds geruime tijd - het punt is overigens opgenomen in het beheerscontract - is sprake van een sms-systeem dat de reiziger in real time waarschuwt als zijn trein vertraging heeft. Ik denk dat de gebruikers bereid zouden zijn voor een dergelijke dienst te betalen.

Er zijn nog andere mogelijkheden denkbaar, zoals een telefoonnummer dat door de media wordt verspreid.

Zal de vice-eerste-minister spoedig voor een of ander waarschuwingssysteem opteren om aan de bezorgdheid van de reizigers tegemoet te komen?

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen. - In 2008 heeft de NMBS een contract afgesloten met een leverancier die gespecialiseerd is in de in realtimeverwerking van reisinformatie per sms. Tegelijk heeft de maatschappij ook een telecommunicatiecontract afgesloten voor die diensten. De NMBS zal dan twee soorten sms-diensten kunnen aanbieden.

Met de eerste dienst zal de reiziger de dienstregeling in real time per sms kunnen raadplegen. Hij krijgt dan een sms met de drie snelste trajecten. Eventuele vertragingen zullen eveneens worden aangegeven. Op die manier biedt de NMBS haar klanten een eenvoudig instrument aan waarmee zij hun verplaatsing optimaal kunnen plannen of, indien nodig, hun reisplannen kunnen wijzigen. Een eerste prototype van die dienst wordt nu op beperkte schaal getest.

Om de tweede dienst te kunnen gebruiken moet de gebruiker zich inschrijven op de website van de NMBS, die dan de door hem gekozen trajecten zal volgen. Bij problemen ontvangt de gebruiker een sms. Die dienst richt zich vooral tot de pendelaars. De toepassing is nog in ontwikkeling.

De NMBS hoopt dat die twee diensten dit jaar en misschien zelfs nog deze zomer aan de reizigers kunnen worden aangeboden.

We lopen dus voor op de verbintenis in het beheerscontract, waarin 2010 als termijn wordt gesteld.

Infrabel zal tegen eind dit jaar een mobiele variant van de bestaande website www.realtime.be beschikbaar stellen. Daarnaast bestuderen we de mogelijkheid om reizigers zonder PC via teletekst te informeren.

De heer Christophe Collignon (PS). - Het antwoord van de minister gaat in de goede richting. Het verheugt me dat de maatregelen die in het beheerscontract voor 2010 waren gepland, sneller zullen worden uitgevoerd. Dat is essentieel omdat uit enquêtes blijkt dat de beslissing om al dan niet de trein te nemen bij een groot aantal pendelaars zal afhangen van de kwaliteit van de informatie over het treinverkeer.

Wil men het aantal treinreizigers doen toenemen, dan zal men moeten rekening houden met hun verwachtingen. De verbetering van de communicatie vergt bovendien geen al te grote inzet van budgettaire middelen.

Ik zal het dossier blijven volgen.

Mondelinge vraag van de heer Philippe Mahoux aan de vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen over «de aankondiging van de Post Danmark dat zij zich zullen terugtrekken uit het kapitaal van De Post» (nr. 4-606)

De heer Philippe Mahoux (PS). - Volgens berichten in de pers zou de Deense post (Post Danmark) van plan zijn om haar aandeel in De Post opnieuw te verkopen voor 373 miljoen euro. Dat aandeel had ze in 2005 voor 150 miljoen gekocht. De Deense post ontving ook de jaarlijkse dividenden: 10,6 miljoen euro in 2006 en 16,1 miljoen euro in 2007. Het aandeel van de Deense post in de Belgische post zou worden afgestaan aan CVC Capital Partners dat dan 50% min een aandeel van het kapitaal van de onderneming in handen zou hebben. De Belgische Staat blijft meerderheidsaandeelhouder.

Die beslissing is in twee opzichten problematisch. Langs de ene kant werd het personeel van De Post onder druk gezet door met name overdreven gebruik van tijdelijke arbeid, herstructureringsplannen en steeds hogere eisen zodat het personeel aan steeds meer stress bloot staat. Thans wil de Deense aandeelhouder zich terugtrekken en ondertussen een substantiële winst opstrijken.

Anderzijds heeft het management sinds enkele jaren, en vooral de jongste tijd, beslist om in heel het land verschillende postkantoren te sluiten en dus de dienstverlening aan de bevolking drastisch te verminderen. Op sommige plaatsen worden de gesloten postkantoren zelfs niet vervangen door PostPunten die nochtans niet dezelfde diensten aanbieden als de oude kantoren. Er is dus tegelijk een grote winst, druk op het personeel, een vermindering van de statutaire bescherming en een vermindering van de dienstverlening aan de bevolking.

Bevestigt de minister de berichten in de pers over de terugtrekking van de Deense post en de wijziging van het aandeelhouderschap?

Wat is zijn oordeel over de verslechterde situatie: druk op het personeel, wijzigingen van de statuten, tijdelijke arbeid en afschaffing van postkantoren?

Welk initiatieven zal hij nemen om de verantwoordelijken van De Post ertoe te brengen hun houding te veranderen en terug te komen op hun beslissing inzake het terugschroeven van de dienstverlening aan het publiek?

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen. - Deze operatie moet in haar juiste context worden bekeken. In 2005 werd beslist het aandeelhouderschap van De Post open te stellen voor CVC en de Deense post. Op dat ogenblik kreeg de liberalisering van de post op Europees niveau stilaan concrete vorm. De Post verkeerde in moeilijkheden, wat de toenmalige regering ook erkende. De kosten stegen vlugger dan de inkomsten. In die context werd het strategisch partnerschap gelanceerd waarin de Belgische Staat de meerderheid behield, hetzij 50% plus één. Het aandeelhouderspact van 17 januari 2006 hield al de mogelijkheid in dat de twee andere partners zich geleidelijk zouden kunnen terugtrekken.

Nu heeft een van de twee partners aangekondigd zijn aandelen te willen afstaan aan de andere.

Sinds 2005 heeft dat partnerschap financiële en niet-financiële resultaten opgeleverd. De brutomarge is gestegen van 8,7% naar 12,8%. De heer Mahoux heeft verwezen naar de inspanningen die die verhoging mogelijk maakten. Ik benadruk dat ook de kwaliteit is verbeterd. Meer dan 95% van de zendingen wordt nu op tijd geleverd of 4% meer dan in 2005. De productiviteit is eveneens gestegen, het absenteïsme is afgenomen en de tevredenheid van de klanten is verbeterd. De onderneming heeft een ambitieus moderniseringsplan kunnen opzetten, met name de vernieuwing van de industriële sorteerinfrastructuur.

De Post heeft zich aldus kunnen versterken en haar toekomst kunnen verzekeren. Dat de herverkoop van de Deense aandelen aan CVC gebeurt aan een hogere prijs dan degene die oorspronkelijk werd betaald, is het beste bewijs van de goede resultaten en de hogere waarde van De Post. Dat komt ook ten goede aan ons als openbare aandeelhouder en niet enkel aan de andere partners.

De aankondiging heeft niets buitengewoons, ook al werd verwacht dat de twee partners, Post Danmark en CVC, zich samen zouden terugtrekken. Vandaag is echter enkel sprake van de terugtrekking van Post Danmark.

De directie van De Post is van mening dat de meeste voordelen van het strategisch partnerschap konden worden geboekt dankzij de overdracht van competenties. De Deense post had enkele jaren geleden nog een voorsprong op ons.

De vraag van de Deense post heeft uitsluitend te maken met de beoogde fusie met de Zweedse post. Daarom wenst ze dat de aandelen van CVC in de Deense post worden vervangen door aandelen in de Belgische post.

Ik ben me bewust van de vele inspanningen van de werknemers van De Post. Ik meen ook dat de invoering van een plan voor een welvarender toekomst de beste garantie biedt voor de onderneming en de dienstverlening aan de burger. Die laatste blijft de belangrijkste factor.

CVC heeft al zijn steun aan het bestaande strategische plan bevestigd. Eind 2008 heeft de regering de grote lijnen van de openstelling van de postmarkt voor de concurrentie vastgelegd. Er ging bijzondere aandacht naar de werkomstandigheden en naar de garantie voor een kwaliteitsvolle universele dienstverlening voor iedereen tegen een redelijke prijs.

De heer Philippe Mahoux (PS). - CVC is een louter financiële en geen industriële kracht. Werden de methodes van de Deense post misschien getransfereerd naar de Belgische post?

Als de Denen een meerwaarde boeken is dat goed voor hen, maar dat was mogelijk omdat de werknemers van De Post onder druk werden gezet.

Vindt de minister het normaal dat De Post systematisch een beroep doet op tijdelijke arbeidskrachten? Ik nodig hem uit om bij het management na te gaan hoe deze tijdelijke arbeid, die aan het onwettelijke grenst, wordt gebruikt.

De inspanningen van de werknemers van De Post hebben de productiviteit doen stijgen, maar er komt een moment dat de grenzen worden overschreden. Dat alles vertaalt zich in winst voor de aandeelhouder. De meerwaarde gaat ook naar de Belgische Staat, maar voor zover ik weet is het niet de bedoeling van de regering dit ten goede te laten komen van de burgers. Die waardeverhoging is virtueel aangezien de minister bevestigt dat de Staat 50% plus één van het kapitaal behoudt.

Voor de werknemers gaat het niet om een virtuele toestand. De maatregelen worden wel degelijk toegepast.

Tegelijk worden nog steeds postkantoren opgedoekt om rentabiliteitsredenen. Hoe kan dat rentabiliteitsargument worden gehanteerd als men de gerealiseerde meerwaarde beziet?

Als de minister wil argumenteren dat het belangrijkste is de aandeelhouder zo goed mogelijk te vergoeden en het dividend op 12, 15 of zelfs 20% van het kapitaal te brengen, dan moet men weten dat dit aanleiding geeft tot een vermindering van de dienstverlening aan het publiek. Dat is niet normaal.

Er moet een evenwicht worden gegarandeerd tussen de efficiëntie van De Post, de prestaties die aan het personeel worden gevraagd en de dienstverlening aan het publiek. Daarom moet er een voldoende aantal postkantoren zijn zodat de burgers, ook zij die het minst mobiel zijn, een beroep kunnen doen op de diensten van De Post.

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen. - Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen twee elementen. Eerst is er dat wat gebeurt op aandeelhoudersniveau met de operatie van vandaag. De Belgische Staat was gisteren aandeelhouder met 50% plus één van de aandelen en zal dat morgen ook nog zijn. Voor de aandeelhouder die 50% min één van de aandelen bezit, komt er een wijziging, maar die verandert de machtsverhoudingen tussen de Belgische Staat en de andere aandeelhouder niet.

U verwijst naar de verbeterde resultaten sinds 2005 en naar wat werd gedaan om De Post voor te bereiden op de liberalisering van de openbare diensten op Europees vlak. Voor en tegen moeten tegen elkaar worden afgewogen. Wanneer men zegt dat de meerwaarde van De Post enkel de Belgische Staat of de werknemers ten goede moet komen, levert men kritiek op degenen die er in 2005 voor hebben gekozen om het aandeelhouderschap voor andere partners open te stellen.

Toen ging iedereen akkoord om te zeggen dat de onderneming absoluut haar resultaten moest verbeteren om de Europese liberalisering het hoofd te kunnen bieden. De vorige regering heeft gekozen voor een partner die in staat was om in De Post een aantal competenties binnen te brengen.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik protesteer niet tegen het feit dat 51% van de aandelen van De Post in handen is van de staat en 49% in privéhanden, maar wel tegen de methodes die door De Post worden gebruikt en de meerwaarde die wordt gerealiseerd op de rug van de werknemers. Als minister voor Overheidsbedrijven bent u daarvoor verantwoordelijk.

Mondelinge vraag van de heer Freddy Van Gaever aan de minister van Klimaat en Energie en aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de beveiliging van de nucleaire installaties» (nr. 4-614)

De heer Freddy Van Gaever (VB). - Ik ben voor nucleaire energie en ik ben van mening dat we in ons land meer nucleaire centrales van de nieuwe generatie zouden moeten bouwen. Het is bekend dat we, in vergelijking met vele andere landen, een zeer grote ervaring hebben op het gebied van nucleaire energie. De duur van de Tweede Wereldoorlog is verkort door het werpen van atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. Minder bekend is wellicht dat de brandstof voor die atoombommen door ons land werd geleverd aan de Verenigde Staten via onze toenmalige kolonie. De Verenigde Staten zijn daarvoor zeer dankbaar geweest en hebben ons vanaf de eerste jaren op de hoogte gehouden van nieuwe ontwikkelingen. Daardoor hebben we aan onze universiteiten en aan het Studiecentrum voor Kernenergie van Mol een gigantische ervaring opgebouwd. Het zou jammer zijn die nu te verliezen.

Maar nucleaire energie is ook gevaarlijk en vergt aangepaste beveiliging, net zoals een bank met grote geldvoorraden of een laboratorium met giftige stoffen. De beveiliging van de kerncentrales in ons land gebeurde destijds door het leger. Dat is nu veranderd en we stellen vast dat mevrouw Anja Hermans, een activiste veroordeeld voor brandstichting, zeg maar een halve terroriste, op eigen houtje heeft beslist om te gaan kijken hoe het zit met die beveiliging. Ze is erin geslaagd om twaalf keer binnen te dringen in de kerncentrale van Doel. In een 170 pagina's tellend boek beschreef ze de zwakke plekken in de beveiliging: verroeste kettingsloten, gaten in de omheiningen, enz. Het is hallucinant om zoiets te lezen.

Is de minister op de hoogte van het lijvig dagboek van Anja Hermans aangaande haar `ontdekkingstochten' op het domein van de kerncentrale van Doel?

Erkent de minister de problematiek aangaande de beveiliging?

Was het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC) op de hoogte van deze problemen?

Zijn daarover ooit opmerkingen gemaakt door Association Vinçotte Nucléaire (AVN) of door het huidige Bel V, de stichting van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle?

Welke maatregelen zal de minister in de heel nabije toekomst nemen om voor een elementaire beveiliging van onze nucleaire installaties te zorgen?

De heer Guido De Padt, minister van Binnenlandse Zaken. - De nachtelijke escapades van mevrouw Hermans, wier dagboek mij niet bekend is, op de site van de kerncentrale van Doel hebben het voorbije weekend de nationale pers gehaald en vandaag ook het parlement. Laat mij vooraf duidelijk stellen dat haar acties vooral storend waren voor de exploitant en zijn bewakingspersoneel, maar dat mevrouw Hermans nooit is doorgedrongen tot de eigenlijke nucleaire site, waar bijzondere fysieke beveiligingsmaatregelen van kracht zijn die geregeld op hun doeltreffendheid worden geverifieerd. De foto's die in de pers zijn verschenen, bewijzen geenszins het tegendeel. Het is aan de burgerlijke rechter om te oordelen of de activiste door het herhaaldelijk overschrijden van de eigendomsperimeter, in verdachte omstandigheden, bij nacht en in weerwil van instructies van het bewakingspersoneel van de exploitant, het eigendomsrecht heeft geschonden en daarbij schade heeft berokkend aan privé-eigendommen of overlast heeft bezorgd. De rechtbank zal hierover uitspraak doen op 2 maart.

Jaarlijks overschrijden honderden mensen de eigendomsperimeter van de kerncentrale te Doel, met goede bedoelingen: voor een bezoek aan het informatiecentrum, het huren van een fiets, een educatief bezoek. De poorten tot het domein staan overdag open, wat niet betekent dat men ook tot de centrale vrije toegang heeft. De parkeerplaatsen zijn vrij toegankelijk voor het stallen van de wagens van het eigen personeel, onderaannemers, bezoekers, schoolbussen, enz. Personen met goede bedoelingen zijn er welkom.

De exploitant heeft de politiediensten gewaarschuwd toen mevrouw Hermans haar acties begon. Zowel de federale politie, met name het Orgaan voor de Coördinatie van de Analyse van de Dreiging, als het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle hebben, elk vanuit hun specifieke opdracht, de situatie beoordeeld nadat zij van de feiten op de hoogte waren gebracht. Het feit dat de nucleaire inspecteurs van het FANC geen gebruik hebben gemaakt van hun politiële bevoegdheid om tussenbeide te komen, toont aan dat er van een reële dreiging nooit sprake is geweest. Ook het OCAD heeft de dreiging geëvalueerd en deze als laag ingeschaald.

De fysieke beveiliging van de nucleaire installaties wordt voortdurend op haar doeltreffendheid geëvalueerd, waarbij steeds naar eventuele hiaten wordt gespeurd en verbeteringen worden nagestreefd. Dat gebeurt door de bevoegde overheidsdiensten na multilateraal overleg, in overeenstemming met internationale aanbevelingen en rekening houdend met de ervaringsincidenten.

Op regeringsniveau liggen momenteel een aantal ontwerpen van koninklijk besluit ter bespreking met het oog op het aanscherpen van de fysieke beveiliging van de nucleaire materialen en kerninstallaties. De wet van 2 april 2003 heeft daartoe een juridische basis gegeven via een wijziging van de wet van 15 april 1994 op het FANC.

In een in voorbereiding zijnde wetsaanpassing worden de volgende aspecten beoogd:

1) de fysieke beveiligingsmaatregelen die moeten worden genomen;

2) de indeling van het kernmateriaal voor vreedzaam gebruik in categorieën en de bepaling van het minimale beschermingsniveau voor elk van die categorieën;

3) de bepaling van de zones binnen de nucleaire installaties waar de toegang afhankelijk van een identiteitscontrole wordt gemaakt.

De nieuwe regelgeving waardoor alle installaties met kernmateriaal een erkenning moeten krijgen, bestaat al verschillende jaren. Een verband met de escapades van mevrouw Hermans is er uiteraard niet.

Bij een fysieke beveiliging van een nucleaire installatie wordt het principe van `de verdediging in diepte' toegepast volgens de aanbevelingen van het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie te Wenen. Dit houdt in dat er meerdere beveiligingsperimeters moeten worden overschreden om tot bij het nucleaire materiaal of de vitale installaties te komen. Gelijktijdig worden technische hulpmiddelen aangewend, zoals detectie, camerabewaking, vertragingssystemen, badges, om mogelijke indringers buiten te houden. Buiten de technische middelen hebben we ook bewakingsfirma's, bestaan er communicatiesystemen en zijn er interacties met verschillende politiediensten en overheidsdiensten waarbij politiediensten en speciale interventiegroepen kunnen worden ingeschakeld. Door het overschrijden van de eigendomsperimeter heeft Mevrouw Hermans op geen enkele wijze de beveiliging op de proef gesteld, laat staan deze weten te verschalken.

De heer Freddy Van Gaever (VB). - Ik noteer dat er nooit enig gevaar is geweest, dat mevrouw Hermans blijkbaar nogal amateuristisch tewerk is gegaan, dat de parkeerplaatsen vrij toegankelijk zijn, dat mevrouw Hermans geen beveiligde plaatsen heeft bezocht en dat onze kerncentrales dus goed beveiligd zijn. Ik hoop dat de rechtbank met die verzachtende omstandigheden rekening zal houden.

Mondelinge vraag van mevrouw Helga Stevens aan de minister van Justitie, aan de minister van Migratie- en Asielbeleid en aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de gebrekkige communicatie tussen de parketten en de Dienst Vreemdelingenzaken» (nr. 4-610)

Mondelinge vraag van de heer Tony Van Parys aan de minister van Justitie over «het verlaten van het grondgebied van de daders van de steekpartij die te Gent plaatsvond op 4 september 2007» (nr. 4-611)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Helga Stevens (Onafhankelijke). - De afgelopen week waren we allen getuige van de spaak lopende communicatie tussen het Gentse parket en de dienst Vreemdelingenzaken, de DVZ. Twee Oekraïense minderjarigen waartegen een gerechtelijk onderzoek loopt wegens het neersteken van een medeleerling, konden onlangs ongestoord het land verlaten. Het Oekraïense gezin ging hiermee vrijwillig in op het uitwijzingsbevel van de DVZ, nadat zijn asielaanvraag was afgewezen. De beide jongens dreigen aan elke vorm van vervolging voor de hen ten laste gelegde feiten te ontsnappen.

Blijkbaar heeft het Gentse parket de DVZ er niet van op de hoogte gebracht dat tegen de twee Oekraïense minderjarigen een gerechtelijk onderzoek loopt en dat ze bijgevolg op Belgisch grondgebied moesten blijven. De DVZ zelf heeft het parket niet geïnformeerd over het feit dat het Oekraïense gezin het land werd uitgezet. Hoewel de steekpartij veel media-aandacht heeft gekregen en het afgelopen jaar geregeld in de media aan bod kwam, ging bij niemand van de dienst een alarmbelletje rinkelen bij het opstellen van de uitwijzingsbevelen.

De reactie van het Gentse parket getuigt van weinig verantwoordelijkheidszin. Volgens de woordvoerster vergt het te veel werk om de DVZ op de hoogte te brengen van alle onderzoeken naar vreemdelingen. Dat is ergens nog begrijpbaar. Ook de DVZ zegt geen tijd te hebben om de parketten op de hoogte te brengen van de genomen uitwijzingsbeslissingen. Dat boefjes en criminelen aan vervolging ontsnappen, neemt men dan maar voor lief.

Deze situatie is hemeltergend. We leven toch in de eenentwintigste eeuw! Het zou de normaalste zaak van de wereld moeten zijn dat de parketten en de DVZ dergelijke gegevens via een geïnformatiseerde databank uitwisselen.

De zaak is de zoveelste smet op het blazoen van justitie in korte tijd. De DVZ komt er evenmin goed uit. Daarom wil ik beide bevoegde ministers dringend vragen welke oplossingen zij voor ogen hebben voor een betere samenwerking tussen de parketten en de DVZ? Zien de ministers iets in mijn suggestie om systematisch aan gegevensuitwisseling te doen via een geïnformatiseerde databank, ten minste voor zware misdrijven zoals moord, zedenfeiten en mensenhandel? Zullen de ministers ten slotte ook laten onderzoeken wie voor het aangehaalde falen verantwoordelijk is, zodat dergelijke feiten zich in de toekomst niet herhalen?

De heer Tony Van Parys (CD&V). - Simon Wijffels zei gisteren dat hij weer zonder angst de straat op kan. Dat is helaas niet het gevolg van het doortastende optreden van justitie, dat maatregelen zou hebben genomen om elk mogelijk contact tussen de daders en het slachtoffer te voorkomen. Neen, het is net door het falen van het Gentse parket en van de dienst Vreemdelingenzaken dat het slachtoffer weer zonder angst de straat op durft. Deze diensten hebben het immers mogelijk gemaakt dat de daders legaal het grondgebied konden verlaten en zich aldus aan een berechting konden onttrekken.

Het grote probleem is dat de diensten in dit dossier hun kernopdracht niet hebben uitgeoefend, namelijk daders opsporen, daders berechten, daders bestraffen en straffen ten uitvoer leggen.

Zoals de minister in de pers heeft aangehaald, vertoont dit dossier alle kwalen die we in diverse onderzoekscommissies hebben vastgesteld. Niet alleen was er geen informatie-uitwisseling, er was ook geen management noch enige assertiviteit, waardoor het slachtoffer nogmaals het slachtoffer is geworden.

Ik heb mij geërgerd aan de communicatie van het parket en de dienst Vreemdelingenzaken. Ze hebben niet in eigen boezem gekeken, maar enkel gewezen op de fout van de andere en uiteindelijk ook geen empathie getoond voor het slachtoffer en zijn familie.

Justitie en de rechterlijke orde hebben nood aan management. Dat begint bij de meting van de werklast en van de kwaliteit van het werk. Voorts hebben ze ook nood aan zorgvuldigheid, wilskracht, motivatie, gedrevenheid en bezieling om hun diensten aan de burger te verlenen.

Iedereen is het erover eens dat er in bepaalde dossiers absoluut niets mag mislopen. Dit dossier is er zo een. Desalniettemin heeft men steken laten vallen en fundamentele fouten gemaakt.

We zullen nu wetgevend moeten optreden. Er zal een circulaire moeten worden opgesteld omtrent de uitwisseling van informatie en de verhouding tussen de diensten. Gegevensuitwisseling zou evenwel in de genen moeten zitten van degenen die met dergelijke dossiers bezig zijn; gegevensuitwisseling is basic en zou automatisch moeten gebeuren. Ik reken en vertrouw op de minister van Justitie om die mentaliteit bij Justitie aan te moedigen. Dat was tien jaar geleden overigens reeds zijn leidmotief.

Ik zou dan ook graag vernemen hoe de opdracht kon worden gegeven aan de daders van de steekpartij in Gent om het grondgebied te verlaten, terwijl ze onder toezicht stonden van de jeugdrechter en het proces nog moest volgen.

Hoe verliep de informatie-uitwisseling tussen het parket en de dienst Vreemdelingenzaken? Had het parket de dienst Vreemdelingenzaken gewezen op de procedure en verzocht de daders in België te houden? Bestaan hieromtrent richtlijnen aan de parketten?

Hoe gebeurde het toezicht van de sociale dienst van de jeugdrechtbank? Waren er contacten tussen de sociale dienst en de dienst Vreemdelingenzaken?

Hoe verliep de informatie-uitwisseling met de familie van het slachtoffer? Werden het slachtoffer en zijn familie ingelicht over de uitgaanspermissies van de dader? Werd het slachtoffer ingelicht over het bevel om het grondgebied te verlaten?

Wat is het verdere verloop van de procedure? Welke maatregelen zal de minister nemen?

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Met dit dossier hebben we op een pijnlijke manier vastgesteld dat anno 2009 twee overheidsinstanties, namelijk het Openbaar Ministerie en de dienst Vreemdelingenzaken, op cruciale momenten niet met elkaar communiceren.

Sta me toe eerst dieper in te gaan op het dossier zelf, in het bijzonder op de behandeling van de minderjarige daders.

De jongste van de twee broers, die op het ogenblik van de feiten, zijnde 4 september 2007, nog geen zestien jaar was, werd door de jeugdrechter eerst in Everberg en daarna in Ruiselede geplaatst. Op 27 juni 2008 werd hij voor een periode van zes maanden in zijn thuismilieu onder toezicht van de sociale dienst gesteld. Voorwaarden daarbij waren contactverbod met het slachtoffer, een zinvolle tijdsbesteding, voldoen aan de leerplichtwet en geen gevechtssporten beoefenen.

Door een maatregel van de jeugdrechter verbleef hij dus bijna tien maanden in een instelling, van 5 september 2007 tot 27 juni 2008.

De oudste broer werd na de feiten eveneens in Everberg en vervolgens in Ruiselede geplaatst. Hij werd op 19 december 2008 in zijn thuismilieu onder toezicht van de sociale dienst gesteld onder gelijkaardige voorwaarden als zijn broer. Hij verbleef dus tussen 6 september 2007 en 19 december 2008, een periode van ongeveer vijftien maanden, in een instelling.

Aan geen van beide minderjarigen legde de jeugdrechter het verbod op het land te verlaten. Het strafdossier was midden september van vorig jaar klaar, maar op basis van enkele persartikelen gaf het parket op 7 oktober 2008 de politiediensten nog drie bijkomende opdrachten: een herverhoor van het slachtoffer, Simon Wijffels, een herverhoor van beide daders en een confrontatie met het nieuwe verhoor van het slachtoffer, en nazicht van het verblijfsstatuut van het gezin bij de dienst Vreemdelingenzaken. De uitgevoerde opdrachten kwamen midden november 2008 bij het parket in Gent aan. Uit de laatste opdracht werd vernomen dat het gezin waarvan beide broers deel uitmaken, op 4 oktober 2005 asiel aanvroeg, dat negatief werd beoordeeld. Na de hele beroepsprocedure werd het gezin op 16 juli door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op de hoogte gebracht van het feit dat hen het statuut van vluchteling niet werd toegekend. Hierop werd op 11 augustus 2008 de aanvraag tot machtiging tot verblijf geweigerd en werd op 19 augustus contact opgenomen met de gemeente om een bevel tot het verlaten van het grondgebied te betekenen, samen met de intrekking van de verblijfkaarten. Hiertegen werd op 2 oktober beroep aangetekend.

Het onderzoek zelf kon door de bijkomende opdrachten pas eind 2008 worden afgesloten en het was de bedoeling de zaak zo spoedig mogelijk te laten voorkomen, eind februari of begin maart van dit jaar. Omdat beide daders intussen het land hebben verlaten, zal men dit schema vermoedelijk niet meer kunnen halen. Toch blijft het de bedoeling de zaak zo snel mogelijk te laten voorkomen.

Dit betekent inderdaad niet dat de zaak niet meer kan voorkomen. Het is hypothetisch, maar beide daders kunnen nog steeds opdagen voor de rechtbank en kunnen hiervoor een visum aanvragen. Bovendien is het een algemene regel dat een verdachte niet verplicht is voor de rechter te verschijnen. Hij kan steeds beslissen verstek te laten gaan. Dat geldt voor iedereen, of men nu in het buitenland verblijft of niet. Met andere woorden, zelfs als de betrokkenen nog in het land verbleven, was er geen zekerheid dat ze bij de behandeling van het dossier door de rechter aanwezig zouden zijn geweest.

Dit neemt evenwel niet weg dat er over de huidige manier van werken veel onbegrip bestaat, ook bij mezelf en niet het minst bij het slachtoffer en zijn naaste omgeving. Simon en zijn familie werden tijdens de hele procedure door de dienst Slachtofferonthaal van het parket nauwgezet begeleid. In het totaal waren er niet minder dan 31 contacten. Op alle cruciale momenten van de procedure werd de familie op de hoogte gehouden van de beslissingen, ook al was het soms niet evident om de pers voor te blijven. Uiteraard kon de dienst Slachtofferonthaal het feit dat de daders het land verlaten hadden, alleen maar meedelen toen deze dienst daar zelf kennis van had gekregen, dus post factum.

Er bestaat geen wetsbepaling of richtlijn die de parketten verplicht in elk dossier waarin een niet-Belg betrokken is contact op te nemen met de dienst Vreemdelingenzaken. Omgekeerd wordt het parket door de dienst Vreemdelingenzaken evenmin gepolst over de opportuniteit van elke uitwijzing. Dat zou wellicht ook niet haalbaar zijn.

Het parket van Gent werd in casu ook niet op de hoogte gebracht van de uitwijziging. Pas eind vorige week kreeg het hiervan kennis, via het verslag van de sociale dienst, die de beide broers in het thuismilieu moest opvolgen. Tussen het moment van de vrijlating half december en het moment van de verdwijning verliepen maar een paar dagen. De sociale dienst had dus geen vat meer op de gebeurtenissen.

Nochtans nemen de diensten van de gevangenissen wel contact op met de dienst Vreemdelingenzaken wanneer een buitenlandse onderdaan vrijgelaten wordt uit de gevangenis, als deze niet langer in voorlopige hechtenis moet gehouden worden of vrijkomt nadat hij een gevangenisstraf geheel of gedeeltelijk ondergaan heeft. Vanuit de gevangeniswereld is er een systematische informatiedoorstroming, vanuit de instellingen waar jongeren verblijven is er geen enkele.

Ook bij een politiearrestatie wordt veelal contact opgenomen met de dienst Vreemdelingenzaken teneinde het statuut van de niet-Belg te kennen.

Het is dus niet zo dat het parket of justitiële diensten altijd los van elkaar werken. Vaak zijn die diensten goed op elkaar afgestemd en wisselen ze informatie uit. Volgens de huidige regels hebben alle diensten in dit geval formeel gedaan wat ze moesten doen, maar worden we nu geconfronteerd met een gebrek aan synchronisatie, aan anticipatie en aan spontane actie, die uiteraard altijd bovenop de wettelijke regels mogelijk moeten zijn. Het gezin, met inbegrip van beide minderjarige daders, heeft gebruik gemaakt van de lacune in de regelgeving en heeft het land verlaten, in uitvoering van een bevel dat opgelegd werd door de dienst Vreemdelingenzaken.

Het voorval toont aan dat er een probleem bestaat in de regelgeving omtrent de contacten en informatie-uitwisselingen tussen het parket en de dienst Vreemdelingenzaken tijdens lopende onderzoeken, met andere woorden nadat de daders geïdentificeerd zijn en vóór de behandeling ten gronde voor de feitenrechter.

Toen ik in een vorige legislatuur eveneens minister van Justitie was, heb ik samen met de minister van Binnenlandse Zaken een werkgroep ad hoc opgericht om voor deze lacune een oplossing te zoeken. Het lag in de bedoeling een nieuwe circulaire op te stellen die de samenwerking tussen parketten, politiediensten en de dienst Vreemdelingenzaken zou regelen. Dit overleg is evenwel stilgevallen, ondanks het feit dat de procureur-generaal te Gent eind 1999 het bestaan van deze werkgroep ad hoc onder de aandacht gebracht heeft van de toenmalige minister van Justitie. Spijtig genoeg is er van dit initiatief na 2000 niets meer gehoord.

Het heeft evenwel geen zin om bij de pakken te blijven zitten. We moeten nu op korte termijn opnieuw afspraken maken zodat zulke onrechtvaardigheden niet meer kunnen voorvallen. Het parket zou op een meer systematische manier moeten signaleren aan de DVZ dat er gerechtelijke onderzoeken of opsporingsonderzoeken lopen tegen asielzoekers die uitgewezen worden. Ook de DVZ zou systematisch inlichtingen moeten vragen bij de parketten, bij voorkeur via een vereenvoudigde procedure. Elk proces-verbaal of feit signaleren is evenwel onbegonnen werk. Er zullen daarom welomlijnde categorieën of gevallen moeten worden vastgelegd.

Ik heb gisteren al contact opgenomen met het hoofd van de dienst Vreemdelingenzaken om mij in te lichten over de huidige stand van zaken en de werkwijzen bij de DVZ. Ik zal tevens een onderhoud hebben met de andere ministers die in deze problematiek betrokken zijn, meer bepaald de ministers De Padt, Arena en Turtelboom.

Op zeer korte termijn wil ik de werkgroep ad hoc opnieuw bijeenroepen. Alle betrokken partners, zoals het Openbaar Ministerie, de dienst Vreemdelingenzaken, de politie, Binnenlandse Zaken en Justitie, zullen gevraagd worden om zo spoedig mogelijk een regeling uit te werken, opdat voorvallen zoals het voorval dat deze week aan het licht kwam, kunnen worden voorkomen.

De vraag moet worden gesteld of de diensten, ook al ontbreken formele richtlijnen over informatie-uitwisseling, in gevoelige dossiers niet anticiperend moeten optreden. De betrokken diensten van het Openbaar Ministerie te Gent moet worden gewezen op het feit dat dit niet gebeurd is. Ik zal dat verder onderzoeken en ten gepaste tijde initiatieven nemen. Proactief optreden moet immers even vanzelfsprekend zijn als het naleven van richtlijnen of wetgeving.

Mevrouw Helga Stevens (Onafhankelijke). - Ik ben blij dat de minister ons onbegrip over de houding van de dienst Vreemdelingenzaken en het parket van Gent deelt. Er is inderdaad geen wettelijke verplichting voor beide diensten om informatie uit te wisselen, maar we mogen toch verwachten dat die diensten proactief optreden, zeker in gevoelige dossiers, zoals moordpoging, zedenfeiten of andere ernstige misdrijven. Ik begrijp dat niet voor elk feit het dossier van de betrokken persoon bij de dienst Vreemdelingenzaken kan worden gevraagd, maar bij ernstige feiten moet er een vorm van structurele informatie-uitwisseling zijn. Zeker in deze tijden van informatie- en communicatietechnologie kan het toch niet moeilijk zijn informatie-uitwisseling structureel in te bedden.

Ik ben blij te vernemen dat de minister het overleg, dat is stilgevallen onder de vorige paarse regering, terug zal opnemen. Dat had al lang moeten gebeuren.

De heer Tony Van Parys (CD&V). - Ik sluit me aan bij mevrouw Stevens.

De politiediensten moeten systematisch worden ingelicht over de voorwaarden die minderjarigen én meerderjarigen worden opgelegd bij een voorwaardelijke invrijheidsstelling. In het Nationaal Veiligheidsplan moet worden bepaald dat de politie moet kunnen optreden en geïnformeerd moet worden over het feit dat in een bepaalde zone iemand onder voorwaarden is vrijgelaten. Die maatregel kan de efficiëntie van het toezicht verhogen.

Voorts is het raadzaam dat de minister de betrokken diensten erop wijst dat in de communicatie enige empathie voor de slachtoffers nodig is. Gisteren werd enkel gezegd dat de andere diensten een fout begingen. Het ware beter geweest in de eerste plaats de gebeurtenissen te betreuren. Die gebeurtenissen hebben immers grote gevolgen voor het slachtoffer en zijn familie. Eerst en vooral moet men in eigen boezem kijken.

Mondelinge vraag van mevrouw Christine Defraigne aan de staatssecretaris voor Begroting en Gezinsbeleid over «de financiële discriminaties ten aanzien van adoptieouders» (nr. 4-604)

De voorzitter. - De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie, antwoordt.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - Ik ben blij dat de minister van Justitie antwoordt. Dit probleem heeft immers ook betrekking op zijn departement.

Ik zou graag het standpunt van de regering kennen met betrekking tot bepaalde discriminaties ten aanzien van ouders die beslissen een kind te adopteren. Ik wil van de gelegenheid gebruik maken om over dit onderwerp een debat op gang te brengen.

Er is inderdaad een vorm van discriminatie tussen de ouders. Via het systeem van de gezondheidszorg worden de kosten die gepaard gaan met bevalling en medisch begeleide voortplanting terugbetaald, zelfs wanneer er geen enkele biologische band bestaat tussen het embryo en de toekomstige ouders. Dat is ongetwijfeld een uitstekende zaak. Adoptieouders daarentegen genieten vrijwel geen enkele overheidssteun.

Dat kan de indruk wekken dat de overheid slechts bepaalde vormen van ouderschap goedkeurt aangezien ze de kosten voor de ene vorm steunt, maar voor de andere niet.

Kandidaat-adoptieouders moeten vaak een echte lijdensweg afleggen.

In Frankrijk is de adoptieprocedure bij interne adoptie kosteloos. Bij ons kost die procedure 2500 euro!

Aangezien niet alle kandidaat-adoptieouders in staat zijn de kostprijs van de procedure te betalen, worden zij dus gediscrimineerd.

Is elk kind niet gelijk?

De wet heeft in 2003 de verplichtingen van de adoptieouders verzwaard. De adoptieouders moeten een hele reeks lastige en dure fasen doorlopen eer ze groen licht krijgen. Waarom zorgt de wetgever er niet voor dat uit die verplichtingen bepaalde rechten voortvloeien?

Sinds 1 september 2005 waren er slechts 1580 erkenningen en/of inschrijvingen voor internationale adoptie en slechts driehonderd overschrijvingen van interne adoptievonnissen. Anderzijds zijn er tienduizend gevallen van medisch begeleide voortplanting per jaar. Heeft de minister samen met de staatssecretaris voor Gezinsbeleid reeds gedacht aan een uitbreiding van de overheidssteun voor adoptiekosten, bovenop de verlenging van het adoptieverlof voor de adoptanten, het ouderschapsverlof, of de adoptiepremie?

Onder welke vorm kan overheidssteun worden verleend? Op welke begrotingspost kan de steun worden ingeschreven?

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van de staatssecretaris voor Begroting en Gezinsbeleid.

Adoptie is inderdaad een zware last voor het budget van de adoptieouders.

Ik ben op de hoogte van de problematiek. Ze stond op de agenda van een rondetafel met de verschillende partijen die een rol spelen in de adoptieprocedure.

Sommigen menen dat er fiscale maatregelen zouden kunnen worden genomen om de ouders te helpen, bijvoorbeeld door de werkelijke kosten van de adoptieprocedure fiscaal aftrekbaar te maken.

Een wetsvoorstel in die zin werd in de Senaat ingediend. De minister van Financiën is eveneens bevoegd voor die materie.

De vraag van mevrouw Defraigne is interessant en verdient in verschillende opzichten te worden onderzocht.

Ik denk in het bijzonder aan de adoptieprocedures die opgestart zijn, maar die om een of andere reden niet tot een resultaat leiden. Moet de overheid in dat geval de kosten op zich nemen? In ieder geval zou ik uitsluitend akkoord kunnen gaan met overheidssteun als een adoptie niet tot een resultaat leidt om redenen die niets te maken hebben met de persoon van de kandidaat-adoptieouders.

De adoptiekosten zijn ook afhankelijk van het land van oorsprong waarmee men werkt.

Welke adoptiekosten moet de overheid overigens op zich nemen: de kosten die worden aangerekend door een erkende adoptiedienst, de reis- en verblijfskosten van beide adoptieouders? De advocatenkosten? De telefoonkosten? Tot hoever kan die steun gaan?

De kwestie moet grondiger worden onderzocht, maar we moeten ook oplossingen zoeken die rekening houden met de budgettaire marges. Op dit ogenblik is er hiervoor geen budget. Ik ben niettemin bereid oplossingen te zoeken om deze problematiek op te lossen.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - Ik dank de minister voor zijn interesse voor mijn vraag. Mijn vraag is complex en is zeker een debat waard. De fiscale weg is slechts één mogelijke benadering. De adoptieouders worden steeds meer verplichtingen opgelegd, maar daarvoor krijgen ze niets in de plaats.

We krijgen dus te maken met adoptie met twee snelheden aangezien sommige gezinnen zich buitenlandse reizen kunnen veroorloven en andere niet. Dat is onaanvaardbaar.

Het loont de moeite een werkgroep over dit onderwerp op te richten.

Mondelinge vraag van mevrouw Anne Delvaux aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de humanitaire crisis in Sri Lanka» (nr. 4-615)

Mevrouw Anne Delvaux (cdH). - De toestand in Sri Lanka verslechtert zienderogen. Het offensief van het leger tegen de Tamilguerrilla heeft in januari honderden burgerslachtoffers gemaakt. Deze week vielen er op één dag minstens vijftig doden.

Sinds vorige week zouden 250 000 burgers klem zitten te midden van zeer hevige gevechten. Ze zouden niet in staat zijn een ziekenhuis te bereiken.

Het is bijzonder moeilijk precieze informatie te krijgen over de toestand van de burgers en de evolutie van de toestand. De regering controleert, filtert en manipuleert de mediaberichtgeving. Hoewel de pers niet wordt toegelaten, krijgen we berichten over slachtpartijen dankzij de rapporten van de VN en van het Rode Kruis.

Op 26 januari heeft VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon zijn grote bezorgdheid geuit over de aanvallen op journalisten en op 250 000 burgers die gevangen zitten te midden van steeds heviger gevechten. Hij eist dat de veiligheidszones worden gerespecteerd, met inbegrip van de scholen, medische centra en humanitaire installaties.

Verschillende landen waaronder Noorwegen, de Verenigde Staten en Groot-Brittannië hebben opgeroepen tot een minstens tijdelijk staakt-het-vuren.

Wordt het geen tijd dat België zich op internationaal vlak uitdrukkelijk verzet tegen de aanvallen op de ongewapende burgerbevolking van Sri Lanka? Is ons land tussenbeide gekomen om de oorlogvoerende partijen te vragen dat internationale waarnemers worden toegelaten om na te gaan wat de duizenden burgers die gevangen zitten, nodig hebben en erop toe te zien dat de internationale organisaties en de ngo's ongehinderd voedsel en andere levensmiddelen kunnen uitdelen?

De heer Charles Michel, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Ik ben het met u eens dat de toestand in Sri Lanka bijzonder ernstig is. Er is inderdaad dringend humanitaire hulp nodig: 250 000 burgers zitten gevangen in de oorlogszone.

De Belgische regering onderschrijft de gemeenschappelijke verklaring van 3 februari 2009 van de medevoorzitters van Tokio, namelijk de Europese Unie, de Verenigde Staten, Noorwegen en Japan. De medevoorzitters begeleidden het vredesproces tussen de Sri Lankaanse regering en de LTTE.

De regering van Sri Lanka en de LTTE moeten erkennen dat nieuwe verliezen aan mensenlevens - zowel bij de strijders als bij de burgers - tot niets leiden.

Een onmiddellijk staakt-het-vuren is nodig voor de evacuatie van de gewonden en de overbrenging van de displaced persons naar kampen onder het toezicht van het internationale Rode Kruis. In een volgend stadium moet de confrontatie plaats maken voor een dialoog waaraan de LTTE als politieke partij moet kunnen deelnemen, zodat een rechtvaardige oplossing en een duurzame vrede kan worden bereikt.

Op 26 januari heeft premier Van Rompuy zijn bezorgdheid meegedeeld aan de minister van Buitenlandse Zaken van Sri Lanka, de heer Bogollagama, die in Brussel op doorreis was.

(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)

Mevrouw Anne Delvaux (cdH). - Ik verheug me over de vastberaden houding van België.

Hoewel die humanitaire crisis geen voorpaginanieuws vormt, verdient ze elke dag onze aandacht. De oorlog heeft in een kwarteeuw 70 000 slachtoffers gemaakt.

Mondelinge vraag van de heer Paul Wille aan de minister van Klimaat en Energie over «de impact van de kredietcrisis op de emissiehandel» (nr. 4-609)

De heer Paul Wille (Open Vld). - De financiële crisis heeft ook onverwachte gevolgen. De prijsdaling van de verhandelbare emissierechten is er ongetwijfeld één van.

De Europese Unie heeft van verhandelbare emissierechten het belangrijkste wapen in de strijd tegen klimaatverandering gemaakt. Door het spel van vraag en aanbod is de prijs van een ton koolstofdioxide echter gedaald tot tien euro. Kooplieden die met steeds stijgende olieprijzen voor ogen destijds emissierechten hebben gekocht, verkeren daardoor nu in grote moeilijkheden.

Het nadelige effect van de onverwachte prijsdalingen is dat landen die, zoals België, gratis emissierechten hebben bezorgd aan grote bedrijven zoals Electrabel, die rechten vandaag voor een prikje kunnen terugkopen en zodoende de vooropgestelde klimaatdoelstellingen kunnen halen zonder dat het klimaat er beter van wordt. Het systeem van de verhandelbare emissierechten is aan het ineenstorten.

Is de minister op de hoogte van de problematische prijsdaling van de emissierechten? Is hij het met me eens dat het gratis ter beschikking stellen van emissierechten aan grote vervuilers perverse effecten heeft?

Klopt het dat de kredietcrisis de genadeslag voor de emissiehandel zou kunnen betekenen?

Kent de minister de kritiek op het huidige functioneren van de emissiehandel, meer bepaald op het feit dat sommige landen emissierechten goedkoop of te goedkoop terugkopen om zonder inspanningen voor het klimaat de vooropgestelde klimaatdoelstellingen te halen?

Kan de minister toelichten hoe de prijszetting voor koolstofdioxide correcter zou kunnen verlopen?

Kan de minister aan de liberaal die ik ben, uitleggen welke denksporen voor regulering hij ziet, zodat ons land de klimaatdoelstellingen vooralsnog kan halen?

De heer Paul Magnette, minister van Klimaat en Energie. - Dat de prijs voor een ton koolstofdioxide daalt, bewijst nog niet dat de markt voor emissierechten niet goed functioneert. De markt reageert op de verlaagde economische activiteit, waardoor de vraag naar emissierechten en dus ook de prijs van een ton koolstofdioxide daalt. Dat is volkomen normaal.

Voor de werking van de markt zelf maakt het geen enkel verschil of de rechten worden betaald of gratis verkregen. Dat rechten gratis ter beschikking worden gesteld, heeft geen impact op de reductiedoelstellingen; die zullen we gegarandeerd halen.

Om andere redenen, vooral dan om het principe `de vervuiler betaalt' zo strikt mogelijk toe te passen, pleit ik er wel voor om de emissierechten vanaf 2013 maximaal te veilen.

De kredietcrisis leidt tot een lagere activiteitsgraad, een daling in de productie en dus tot een lagere CO2-uitstoot. De crisis is echter tijdelijk, terwijl de emissiehandel over een langere termijn loopt. Bedrijven zullen in de toekomst nog steeds rechten nodig hebben. Met de emissiehandel beoogt Europa tegen 2020 immers een minimale reductie van 21% voor de bedrijven en nog sterkere reducties in geval van een internationaal akkoord. Europa plant nu reeds emissierechten te verhandelen op markten buiten Europa, ook in de Verenigde Staten. We blijven dus in ieder geval emissierechten verhandelen, ook op lange termijn.

België bevindt zich zeker niet in de situatie die de vraagsteller suggereert. Het overgrote deel van onze inspanningen leveren we intern. We verlagen de vooropgestelde interne reducties niet door nu goedkope buitenlandse rechten aan te kopen.

Bij de aankoop van rechten hanteert de federale overheid strikte criteria zodat de emissie van koolstofdioxide daadwerkelijk blijft dalen en duurzame ontwikkeling verder gegarandeerd blijft.

Kortom, de wet van vraag en aanbod bepaalt de prijszetting van en de handel in emissierechten; de vooropgestelde klimaatdoelstellingen zullen worden gehaald.

Door striktere reductiedoelstellingen zal de prijs voor emissierechten in de toekomst waarschijnlijk opnieuw stijgen.

De heer Paul Wille (Open Vld). - Het is niet voor het eerst dat het antwoord van de minister mij inhoudelijk niet kan bekoren.

Hij zal mij als econoom nooit overtuigen dat het gratis op de markt brengen van een product, de prijs van dat product niet beïnvloedt.

Veel belangrijker is dat hij verklaart dat het gaat om een langetermijnbenadering waar we niet in moeten tussenkomen. Wie is hier eigenlijk de liberaal? Het klimaat wordt daarvan het grote slachtoffer. In de huidige omstandigheden brengt de minister in dit land de correctie tot stilstand. Dat is volgens mij niet mogelijk.

Ik voel mij in goed gezelschap, want de PVDA heeft al langer voor een Robin Hood-taks op superwinsten van Electrabel en anderen gepleit, waardoor men de btw op energie kan verlagen van 21 procent tot 6 procent. Ik zeg niet dat ik het daarmee eens ben, maar het blijft een feit dat in de periode 2005-2007 door grote ondernemingen zoals Electrabel 1,2 miljard bij de bedrijven is weggehaald. De minister en anderen hebben daar wat gratis emissierechten bijgelegd.

Ik ben het dus absoluut niet eens met de minister.

Mondelinge vraag van de heer Geert Lambert aan de minister van Klimaat en Energie over «de campagne van het Nucleair Forum» (nr. 4-607)

De heer Geert Lambert (Onafhankelijke). - Voor ik mijn vraag stel, wil ik opmerken dat ik bij vorige vragen van collega's tot de vaststelling kom dat men over bepaalde, hangende juridische dossiers, met naam en toenaam allerlei zaken vertelt en in detail treedt. Men leest bijna het dossier en de veroordeling voor. Toen ik destijds vragen stelde rond de aanpak van Koerdische dossiers, kreeg ik steevast het laconieke antwoord dat over lopende dossiers niets kon worden gezegd. De regering moet over haar beleid nadenken: ofwel informeert men het parlement over dossiers waarin de regering zelf een rol speelt, ofwel doet men dat niet, maar men kan niet handelen à la tête du client. Het ergert mij mateloos dat, wanneer een parlementslid tot in detail kan zeggen wat de regering van plan is in een juridisch dossier, men verklaart daarover niets te kunnen zeggen omdat dit het dossier zou kunnen beïnvloeden.

We hebben deze week een ongelooflijke megacampagne gezien van het Nucleair Forum. Het is ongemeen boeiend die te volgen, met de schitterende mediastrategie die erachter zit. Men wijst op een zeer gerichte manier enkel op de heilzame effecten van kernenergie. Zelden heb ik een zo groots opgezette campagne gezien. Uit de website van de lobbygroep blijkt dat Synatom als actief lid helpt de campagne mede te financieren. Robert Leclère, de voorzitter van het Forum, is tevens CEO van Synatom.

De Belgische overheid bezit een golden share in Synatom, en heeft twee vertegenwoordigers in de raad van bestuur.

Over de banden die de overheid rechtstreeks en onrechtstreeks met het Nucleair Forum heeft, heb ik enkele vragen.

Wat is de bijdrage die Synatom betaalt aan het Nucleair Forum?

Is het mogelijk dat deze bijdrage werd betaald uit het Synatomfonds dat eigenlijk werd aangelegd voor de financiering van de ontmanteling van de kerncentrales en voor de begeleiding van het beheer van de in de centrales bestraalde splijtstof?

Welke houding hebben de regeringsvertegenwoordigers in Synatom aangenomen ten opzichte van deze campagne en de financiering ervan?

Indien de regeringsvertegenwoordigers deze campagne voluit hebben gesteund, is dit dan niet strijdig met het standpunt dat het Belgische parlement heeft ingenomen voor een uitstap uit de kernenergie?

Zijn er in het Nucleair Forum nog organisaties aanwezig die op enigerlei wijze verbonden zijn met de overheid en die rechtstreeks of onrechtstreeks subsidies ontvangen van de overheid en betekent dit dan dat de overheid een campagne financiert die lijnrecht ingaat tegen een wettelijke beslissing?

De heer Paul Magnette, minister van Klimaat en Energie. - De informatiecampagne wordt georganiseerd door het Belgisch Nucleair Forum. Dat Forum heeft verschillende leden, onder andere Synatom. Door de bijdragen van zijn leden beschikt het Forum over bepaalde financiële middelen. De raad van bestuur van het Forum bepaalt welke acties met de beschikbare middelen worden georganiseerd. Dat kan bijvoorbeeld zijn: de publicatie van het maandblad Nucleaire Activiteit, het organiseren van workshops, het beheer van een website of de organisatie van een informatiecampagne. Het Nucleair Forum is een industriële groepering. Ik ken de bijdrage van Synatom aan het Forum niet. Synatom is een privévennootschap waarvan het kapitaal volledig door Electrabel wordt beheerd. Synatom staat in voor het beheer van de volledige splijtstofcyclus van de Belgische kerncentrales. Daarenboven beheert Synatom sinds 2003 de provisies die worden aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en het beheer van de in de centrales bestraalde splijtstoffen.

De Belgische Staat heeft een gouden aandeel en heeft dus ook twee vertegenwoordigers in de raad van bestuur. De campagne wordt echter gefinancierd uit de gewone begroting van het Forum. Er werd dus geen specifieke beslissing genomen in de raad van bestuur van Synatom.

De wet van 11 april 2003 heeft Synatom de taak gegeven de nucleaire voorzieningen voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van de bestraalde splijtstoffen te beheren. Daarop wordt toegezien door de Commissie voor nucleaire voorzieningen die erover waakt dat deze voorzieningen enkel voor deze doeleinden worden gebruikt. Het is dus uitgesloten dat de voorzieningen worden gebruikt om de bijdrage aan het Forum te betalen.

Bovendien zal kernenergie worden gebruikt tot 2025, zoals bepaald in de wet. We begrijpen dus dat een industriële groepering een informatiecampagne wenst te voeren.

Zowel het SCK-CEN, het IRE als Belgoprocess zijn lid, maar voor hen geldt hetzelfde antwoord. Ik heb hen toch schriftelijk gevraagd de overheidsmiddelen niet voor die doelstelling te gebruiken.

De heer Geert Lambert (Onafhankelijke). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik noteer dat hij formeel zegt dat geen gelden gebruikt werden uit fondsen die aangelegd werden voor de latere ontmanteling. Toch zou ik het bijzonder belangrijk vinden dat de regering al haar vertegenwoordigers in IRE, het SCK en Synatom de opdracht geeft duidelijk stelling te nemen in hun respectieve raden van bestuur en dat zij moeten meedelen dat het om zaken gaat die niet kunnen en die wij niet kunnen ondersteunen. Het is best mogelijk dat het Nucleair Forum mag doen wat het wenst, maar de regeringsvertegenwoordigers in organisaties of instellingen waarin de overheid participeert mogen mijns inziens niet participeren aan een organisatie die campagne voert tegen een wettelijke bepaling. Ik vind dat onaanvaardbaar en de regering moet haar vertegenwoordigers tot de orde roepen.

Mondelinge vraag van mevrouw Freya Piryns aan de minister van Klimaat en Energie over «de bestrijding van luchtvervuiling» (nr. 4-613)

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - We zijn nog maar in de tweede maand van het jaar en in 41 van de 62 Belgische meetposten werd gedurende tien tot vijftien dagen de fijnstofnorm overschreden. Het zal dus moeilijk worden de Europese grenswaarde van maximaal 35 dagen per jaar, die sinds 2005 van kracht is, te halen. België heeft dan ook net als veertien andere EU-landen tot 2011 uitstel gevraagd voor het halen van de fijnstofnormen.

Ook de norm voor stikstofdioxide (NO2), die vanaf januari 2010 ingaat, zal België niet halen. Ook daarvoor zal ons land vijf jaar uitstel moeten vragen.

Dat we die normen niet halen, heeft veel te maken met het feit dat België een dieselland is. Door het prijsverschil tussen benzine en diesel aan de pomp zijn acht op de tien nieuwe wagens die vandaag in België verkocht worden, diesels. Dieselmotoren stoten evenwel veel meer NO2 uit dan benzinewagens. En ook voor fijn stof geldt dat de gevaarlijkste fijnstofdeeltjes veroorzaakt worden door de dieseluitstoot.

Het lijkt dan ook de evidentie dat de regering inspanningen zou doen om het aandeel van dieselvoertuigen op onze wegen te verminderen. Het gaat tenslotte om onze gezondheid. Volgens de universiteit van Hasselt verliest de Belg 13,5 levensmaanden door luchtvervuiling, en voor de Vlaming komen daar nog een paar maanden bovenop.

Het voorontwerp van het federaal plan ter bestrijding van de luchtvervuiling bevat echter bitter weinig maatregelen om het dieselverkeer en zijn schadelijke effecten terug te dringen. Ik ben me ervan bewust dat de bevoegdheid hiervoor deels ligt bij de Vlaamse en Waalse overheid. Maar het is wel België als federale staat dat er niet in slaagt om de Europese normen voor fijn stof en stikstofdioxide te halen.

Welke maatregelen heeft de minister al genomen en welke gaat hij nog nemen om te voldoen aan de fijnstofnormen die Europa heeft vastgelegd? Gaan we die norm halen tegen 2011, zoals we Europa beloofd hebben?

Waarom worden er geen middelen vrijgemaakt om alle nieuwe dieselwagens verplicht met een roetfilter uit te rusten? Waarom blijft het bij vrijblijvende stimuli? Waarom worden er niet meer fiscale stimuli voorgesteld?

Op welke manier wil de minister de zwaar vervuilende dieselmotoren van het vrachtverkeer terugdringen?

Op welke manier zal de minister overleg plegen met de Vlaamse en Waalse overheden over de aanpak van luchtvervuiling en fijn stof?

De heer Paul Magnette, minister van Klimaat en Energie. - Ik bevestig dat de drie gewesten in 2008 voor bepaalde zones een afwijking tot in 2013 hebben gevraagd voor de doelstellingen inzake fijnstofconcentraties.

Op basis van de recentste inzichten en zoals reeds aangegeven in het NEC-programma 2006, zullen de totale NOx-emissies van België het plafond van 176 kiloton overschrijden.

De begrotingswet 2009 wil een cliquetsysteem voor accijnzen op diesel invoeren. Op termijn zouden de accijnzen op brandstoffen daardoor op eenzelfde niveau worden gebracht. Die doelstelling wordt ondersteund door de sociale partners.

De verplichte plaatsing van roetfilters in nieuwe voertuigen zou in strijd zijn met artikel 95 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap inzake het vrije verkeer van goederen.

De Nederlandse aanpak die de invoering van de Euro 5-norm voor personenwagens en lichte bedrijfswagens wil vervroegen, lijkt mij interessant want naast stofdeeltjes beoogt die ook NOx. De Europese Commissie trekt de beslissing echter in twijfel.

Het Nederlandse plan om dieselwagens zonder roetfilter vanaf 1 januari 2007 op de Nederlandse markt te verbieden, werd door de Commissie geweigerd (beslissing 2006/372/EC). Op 7 november 2008 besliste het Europees Hof de beslissing van de Commissie echter ongedaan te maken.

Nederland heeft inmiddels andere maatregelen genomen, die dan weer geannuleerd werden door een nationale rechtbank omdat ze in tegenspraak zouden zijn met het Europese recht (zaak nummer 200.005.444/01 van 14/10/2008).

In het kader van onderhandelingen over nieuwe Europese richtlijnen inzake productreglementering pleit België voor een ambitieuze aanpak, precies wegens de problematiek van de luchtkwaliteit en het terugdringen van de emissies. De finale versie van een richtlijn is evenwel steeds het resultaat van een onderhandelingsproces.

Bovendien stel ik voor de maatregelen inzake luchtvervuiling nog doeltreffender te maken door ze meer te focussen op de vervanging van oude voertuigen en door voertuigen met hoge milieuprestaties te promoten.

Wat de vrachtwagens betreft, stel ik voor het investeringsrendement voor de aankoop van performante voertuigen te verhogen. Hoe die maatregelen er zullen uitzien, moet nog worden besproken met staatssecretaris voor Financiën Clerfayt.

Wat de plaatsing van roetfilters in voertuigen betreft, ben ik ook vragende partij.

Ook de huishoudelijke verwarming draagt in grote mate bij tot de luchtvervuiling. Verschillende koninklijke besluiten zijn al gepubliceerd en aanvullende koninklijke besluiten zijn pas voltooid. Die koninklijke besluiten beperken de NOx- en PM-emissies van ketels en kachels.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Ik verheug me over de interesse van de minister voor Nederland. Misschien moet hij even enthousiast en creatief op zoek gaan naar extra maatregelen. Het is immers duidelijk dat wij de streefcijfers op het ogenblik niet halen. Europa vraagt aan zijn lidstaten een plan waarmee op federaal, regionaal en plaatselijk niveau luchtvervuiling wordt bestreden. Ik vraag me af of Europa ons nog lang uitstel zal blijven geven. Met de plannen die nu voorliggen, halen we de doelstellingen van 2011 of zelfs van 2013 niet. Wetend dat luchtvervuiling maanden van een mensenleven kost, zouden we toch wat ambitieuzer moeten zijn dan vandaag blijkt.

Mondelinge vraag van de heer Philippe Monfils aan de minister van Binnenlandse Zaken over «het feit dat de nieuwe BMW's X5, aangekocht door de wegpolitie, in de garage geblokkeerd staan» (nr. 4-603)

De heer Philippe Monfils (MR). - Enkele maanden geleden heb ik de voorganger van de minister een vraag gesteld over de aankoop van vijf BMW's X5. Ik vond die aankoop ongepast en zelfs schandalig omdat die luxewagens enkel worden gebruikt voor ritjes op autosnelwegen.

De pers heeft onlangs het vervolg van het verhaal van die vijf voertuigen onthuld: ze staan in de garage wegens gebreken aan de pantsering. Die wagens kosten 250 000 tot 300 000 euro. Een dergelijk bedrag zou bijzonder welkom zijn bij heel wat sociale organisaties die moeite hebben om rond te komen. Het is dus raadzaam alle onnuttige uitgaven op te sporen.

Wat is er gebeurd? De politie heeft vastgesteld dat de veiligheidsstangen aan de binnenkant van de portieren werden aangepast bij de pantsering van de portieren door een extern hersteller.

Die voertuigen worden ingezet voor de verkeersveiligheid. Waarom moeten ze worden gepantserd? Gaat men er misschien van uit dat alle bestuurders die te snel rijden, de achtervolgende politie met kalasjnikovs beschieten?

Bovendien heeft pantsering van de deuren geen zin als de rest van het voertuig - ik denk in het bijzonder aan de ramen - niet op dezelfde manier beschermd wordt. Pantsering van de deuren is belachelijk als bescherming tegen gangsters.

Die aanpassing zou ontdekt zijn toen er een probleem met het koetswerk optrad. Waren die voertuigen al na enkele weken betrokken bij een ongeval? Zo ja, over welk soort ongeval ging het dan?

Welk contract werd gesloten met de firma die de voertuigen heeft gepantserd? Was er een offerteaanvraag? Over welke bedragen ging het? Hoe komt het dat de politie niets heeft gemerkt bij ontvangst?

Wat gebeurt er nu? Die dure wagens rijden niet. Hoelang nog?

Hoe groot is het gewicht van de pantsering van die voertuigen waardoor ze meer verbruiken en meer CO2 uitstoten?

Worden nog andere wagens van de wegpolitie gepantserd? Er was sprake van voertuigen van het merk Volkswagen. Ik veronderstel dat het om Touaregs gaat, want op het hoogste niveau van de politie ontzegt men zich niets.

Hoeveel kosten die aanpassingen aan de wagens en wie gaat die kosten dragen?

De heer Guido De Padt, minister van Binnenlandse Zaken. - Door de uiteenlopende omstandigheden waarin de wegpolitie moet optreden kunnen ze te maken krijgen met gewapende misdadigers. Het verleden heeft dat jammer genoeg bewezen. De pantsering is dus raadzaam voor zowel de BMW's X5 als voor de traditionele patrouillewagens.

Volledige bepantsering van de voertuigen zou enkel zin hebben als de opdrachten van de politie volledig in de beschutting van het koetswerk, met andere woorden, in zittende houding, zouden plaatsvinden.

Dat is mogelijk, noch wenselijk. Gepantserde portieren bieden een zijdelingse bescherming aan politieagenten die zich in de wagen bevinden en vormen een schild voor degenen die buiten staan en met wapens worden bedreigd.

Twee BMW's X5 waren bij een ongeval betrokken en één voertuig werd hersteld.

Het contract met de firma die voor de pantsering van de portieren heeft gezorgd, werd gesloten in overeenstemming met de wetgeving op de overheidsopdrachten. In dit geval betrof het een algemene offerteaanvraag.

Bij ontvangst van de voertuigen werd de pantsering onvoldoende gecontroleerd. In de toekomst zullen bij ontvangst van dergelijk materiaal uitgebreide tests worden gedaan.

De voertuigen zullen pas opnieuw in gebruik worden genomen als de constructeur het bewijs kan leveren dat de gepantserde deuren aan de technische vereisten voldoen.

Het gewicht van de pantsering bedraagt acht kilogram per deur. Dat bijkomende gewicht veroorzaakt geen significant meerverbruik of hogere CO2-uitstoot.

De wegpolitie gebruikt nog andere gepantserde voertuigen. Naast de BMW's X5 zijn dat Audi A4, Citroën Xantia, Opel Astra, Opel Vectra, Peugeot 406, Peugeot 407, Volkswagen Jetta, Volkswagen Sharan, Volvo S60 en Volvo S70.

De kosten zijn afhankelijk van het aantal voertuigen waaraan aanpassingen moeten gebeuren en van de beslissing of de afgekeurde deuren stuk voor stuk worden vervangen. Er werd gebruik gemaakt van de door de leverancier geboden garantie. De ingebrekestellingen zijn reeds verstuurd.

De heer Philippe Monfils (MR). - De inlichtingen die de minister geeft, bevestigen helemaal wat ik dacht. Het is makkelijk gezegd dat de voertuigen gepantserd moeten worden omdat er misdadigers zijn. Maar is het daarom nodig alle voertuigen van de wegpolitie, die voor 90% enkel controles met betrekking tot de verkeersveiligheid uitvoeren, te pantseren?

Andere politiediensten klagen overigens dat ze niet naar behoren kunnen werken bij gebrek aan middelen. Is het verstandig de opbrengst van de boetes aan de aankoop van dergelijke voertuigen te besteden? Het zou interessant zijn even stil te staan bij het verschil tussen de middelen die aan de wegpolitie worden toegekend en de middelen waarover de agenten van de Veiligheid van de Staat beschikken.

De minister erkent dat de pantsering onvoldoende werd gecontroleerd. Die controle is nochtans essentieel. Ik zou dus willen dat de administratie van de minister onderzoekt hoe het komt dat er is bij ontvangst van het materiaal niet efficiënt wordt gecontroleerd. Het gaat immers om een grote som en dergelijke nalatigheden zijn onaanvaardbaar.

Twee van de vijf voertuigen waren al na enkele weken bij een ongeval betrokken. Politieagenten zijn duidelijk uitstekende chauffeurs! Er moet meer ernst aan de dag worden gelegd in het beheer van het wagenpark.

Mondelinge vraag van de heer Pol Van Den Driessche aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de ontwikkeling in de jeugdcriminaliteit» (nr. 4-619)

De heer Pol Van Den Driessche (CD&V). - Recente verklaringen over de jeugdcriminaliteit nopen mij ertoe enkele vragen te stellen aan de minister.

Brice De Ruyver, criminoloog en voormalig veiligheidsadviseur van oud-premier Verhofstadt, meent dat in Oostende sprake is van een chronische verzuring in en rond de buurt Montmartre. In die buurt zijn de voorbije maanden en jaren zeer ernstige misdrijven gepleegd, die gemeenzaam onder de noemer `zinloos geweld' worden gecatalogeerd. Brice De Ruyver vindt dat de bewuste buurt moet worden gesaneerd en een nieuwe bestemming moet krijgen. De burgemeester van Oostende ziet dat anders en relativeert die uitspraken.

Eveneens deze week verklaarde Glenn Audenaert, de directeur van de federale gerechtelijke politie in Brussel, dat hij op het terrein met twee problemen te kampen heeft. Enerzijds is er de groeiende radicalisering van jonge moslims. Anderzijds heeft zijn korps een technologische achterstand inzake de bestrijding van de georganiseerde misdaad. Bovendien veroudert het korps zonder dat er opvolging klaarstaat, waardoor heel wat expertise dreigt verloren te gaan.

Deelt de minister de visie van Brice De Ruyver of sluit hij zich eerder aan bij de visie van het Oostendse stadsbestuur? Gaat hij het probleem met het stadsbestuur bespreken?

Is de minister op de hoogte van het standpunt van de directeur van de federale gerechtelijke politie in Brussel, die de toekomst van zijn korps somber inziet en zich bijzonder grote zorgen maakt over de integratie van de jeugd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest? Wat gaat de minister concreet aan deze problemen doen?

De heer Guido De Padt, minister van Binnenlandse Zaken. - Over de noodzaak om de uitgaansbuurt Montmartre in Oostende te saneren en er een nieuwe bestemming aan te geven, kan ik me als minister van Binnenlandse Zaken moeilijk uitspreken. Een dergelijk opzet moet grondig worden bestudeerd door alle ter zake bevoegde instanties. De korpschef van de lokale politie kan in dat debat zeker een bijdrage leveren, met name wat de specifieke veiligheidsproblemen betreft. De lokale overheid kan vanzelfsprekend ook het zonale veiligheidsplan aanpassen.

De politie en de inlichtingendiensten zijn voldoende gewapend zijn om het probleem van de radicalisering van jonge moslims van nabij te volgen. Zo is er het Plan radicalisme van de regering, dat regelmatig besproken wordt in het ministerieel comité Inlichtingen en Veiligheid.

Als de directeur van de federale gerechtelijke politie in Brussel van mening is dat zijn diensten een technologische achterstand hebben bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit en dat hij bovendien kampt met een veroudering van zijn korps, dan verwacht ik dat hij mij onderbouwde dossiers bezorgt via de directeur-generaal van de gerechtelijke politie en de commissaris-generaal van de federale politie en niet via een persmededeling. Als er inderdaad een probleem is, dan zal ik samen met mijn collega van Justitie onderzoeken hoe de beschikbare middelen kunnen worden aangewend.

We zijn ons terdege bewust van dit aspect, dat trouwens een van de acht strategische projecten van de federale politie is in het Nationaal Veiligheidsplan 2008-2011.

Ook tijdens het Belgisch voorzitterschap van de Europese Unie in 2010 zullen de strijd tegen het terrorisme en de ontwikkeling van nieuwe technologieën op het programma staan. Zo zal een Europees netwerk worden gecreëerd voor de follow-up en de ontwikkeling van nieuwe technologieën. Hieraan zullen de privésector, de publieke sector en de academische wereld deelnemen.

Het probleem van de leeftijdspiramide bij de politie is me voldoende bekend. Het wordt verholpen door een aandachtige monitoring van de instroom.

Wetsontwerp betreffende de verhaalmiddelen inzake de wet van (...) op het herverzekeringsbedrijf (Stuk 4-1099)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Duchatelet verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is, afgezien van een technische correctie in de Nederlandse tekst van artikel 3, dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 52-1494/1, p. 293 tot 295.)

-De artikelen 1 tot 4 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen (Stuk 4-1097) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De heer Richard Fournaux (MR), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijke verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 52-1449/6.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de afschaffing van het automatisch ten laste leggen van de eisende partij van alle kosten in geval van eenzijdige aanvraag tot echtscheiding (van de heer Philippe Mahoux, Stuk 4-1115)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Het woord is aan de heer Delpérée voor een mondeling verslag.

De heer Francis Delpérée (cdH), rapporteur. - Ik zal mondeling verslag uitbrengen over een tekst die gisterenmiddag in de commissie werd goedgekeurd.

Wat is de huidige situatie?

In geval van eenzijdige aanvraag voor een echtscheiding wegens onherstelbare ontwrichting bepaalt de wet dat de eisende partij alle kosten draagt. Het Grondwettelijk Hof, dat zich daarover diende uit te spreken in een arrest van 21 oktober 2008, besliste dat dit systeem discriminerend is en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt.

De heer Mahoux diende daarom een wetsvoorstel in, wetende dat een ander wetsvoorstel werd ingediend in de Kamer door de dames Lahaye en Van Cauter. De senaatscommissie voor de Justitie heeft beide wetsvoorstellen vergeleken. Ze gaf de voorkeur aan het voorstel dat in de Senaat werd ingediend. De idee erachter is dat de vragende partij niet een soort schuld op zich moet nemen omdat ze de echtscheiding vroeg.

De wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding wil beide partijen op gelijke voet plaatsen, maar dat is duidelijk niet het geval wanneer de vraag komt van één van beide partijen op grond van artikel 229, §3 van het Burgerlijk Wetboek. Dat systeem moest dus worden aangepast.

De commissie heeft het voorstel van de heer Mahoux onderzocht en geamendeerd. Ze heeft gewezen op de mogelijkheid dat partijen onderling overeenkomen de kosten te delen. Het gaat dan om het systeem van de overeenkomst. Bij gebreke aan een overeenkomst worden de kosten onder de partijen omgeslagen door de rechter, die uiteraard met alle omstandigheden van de zaak rekening houdt.

Het aldus geamendeerde voorstel werd eenparig goedgekeurd door de aanwezige commissieleden.

De heer Hugo Coveliers (VB). - Ik wil de Senaat feliciteren omdat hij vandaag, 5 februari 2009, een arrest van het Grondwettelijk Hof uitvoert dat het Hof nauwelijks drie maanden geleden velde. Ik vestig echter ook de aandacht van de Senaat op een arrest van 2003 dat nog altijd niet is uitgevoerd. Dat arrest is nu zes jaar oud en in enkele internationale publicaties wordt het aangehaald om erop te wijzen hoe zwak het rechtsstatelijke karakter van ons land is, aangezien arresten van het hoogste gerechtshof na zes jaar nog altijd niet zijn uitgevoerd. Het gaat, zoals u weet, over de verkiezingswetgeving en de problematiek rond de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde. Al wie nu met veel enthousiasme dit ontwerp goedkeurt, roep ik op ook dat andere arrest uit te voeren.

De heer Francis Delpérée (cdH). - Deze vraag is helemaal niet aan de orde. Er zijn zesendertig manieren om rekening te houden met een arrest van het Grondwettelijk Hof en het toe te passen. De heer Coveliers ziet slechts één manier. Dat is een eenzijdige kijk op de zaken.

De heer Hugo Coveliers (VB). - Baron Delpérée heeft uiteraard gelijk, maar ik stel wel vast dat hij nog geen enkel middel heeft gevonden om dat arrest uit te voeren. Volgens sommigen weigert men op die manier de gelijkwaardigheid van de rechterlijke macht en de waarde van de arresten van het Grondwettelijk Hof te erkennen. Het arrest niet uitvoeren staat in feite gelijk met het misprijzen van de instellingen van ons land.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie, zie stuk 4-1115/4.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsvoorstel in zijn geheel heeft later plaats.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Lieve Van Ermen aan de minister van Migratie- en Asielbeleid over «de nieuwe medische procedure voor vluchtelingen en de rol van de geneesheren die de Dienst Vreemdelingenzaken bijstaan» (nr. 4-608)

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Vreemdelingen die aan een ziekte lijden die een reëel risico inhoudt voor hun leven of hun fysieke integriteit, of die het gevaar lopen het slachtoffer te worden van een vernederende behandeling omdat in hun land van herkomst of in het land waar ze verblijven geen adequate behandeling van hun ziekte mogelijk is, kunnen blijkens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens onder de toepassing vallen van artikel 15, b, van de Kwalificatierichtlijn.

De toepassing van die medische procedure is geregeld via een nieuw artikel 9ter van de wet van 15 september 2006, die sinds 1 juni 2007 in werking is getreden.

Het specifieke statuut van ernstig zieke personen, geregeld door artikel 9ter, valt onder de bevoegdheid van de dienst Vreemdelingenzaken. Het gespecialiseerde bureau van de dienst Vreemdelingenzaken behandelt de medische aanvragen en wordt hiervoor bijgestaan door ambtenaren-geneesheren. Ze hebben de bevoegdheid om de medische gegevens van de aanvrager verder te behandelen en controleonderzoeken uit te voeren.

Hoeveel aanvragen op basis van artikel 9ter kreeg de dienst Vreemdelingenzaken tot nu toe?

Hoeveel dossiers werden door de dienst Vreemdelingenzaken tot op heden afgehandeld?

Hoeveel kandidaat-vluchtelingen konden tot nu toe via die nieuwe medische procedure toch in België blijven?

Over hoeveel ambtenaren-geneesheren beschikt de dienst Vreemdelingenzaken vandaag? Wat is de precieze taak van die artsen?

Wat is de gemiddelde termijn voor het afhandelen van een dossier op basis van artikel 9ter?

Worden de medische dossiers die ontvankelijk zijn, verwerkt in een database? Met andere woorden worden de desbetreffende aandoeningen in kaart gebracht?

Is er enige samenwerkingsverband met de FOD Volksgezondheid?

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Migratie- en Asielbeleid. - Binnen de tijd die me gegund was om op de mondelinge vraag te antwoorden was het niet mogelijk alle gegevens te verzamelen. Ik zal u deze later schriftelijk meedelen.

Met betrekking tot de vraag naar het aantal kandidaat-vluchtelingen die via de medische procedure in België kunnen blijven, kan ik melden dat statistieken worden bijgehouden over het totale aantal geregulariseerde personen, en niet over aantallen op basis van de door mevrouw Van Ermen vermelde wetsartikelen, noch over aantallen op basis van de voorafgaande status van de aanvrager. In 2008 werden 8 369 vluchtelingen geregulariseerd.

De twee artsen die bij DVZ in dienst waren hebben andere carrièrekeuzes gemaakt en sinds 1 januari 2009 zijn er bij de bevoegde dienst geen artsen actief. Een op het einde van 2008 nieuw geselecteerde arts treedt in de komende weken in dienst. Daarenboven werd een SELOR-procedure gestart om in totaal zes artsen-ambtenaren beschikbaar te hebben.

Ik voorzie voorts in een wetgevend initiatief om in de toekomst ook contractuele artsen voor de dienst te kunnen aantrekken.

Wat de afhandeling van een 9ter-dossier betreft moet ik u melden dat de bevoegde dienst geen statistieken bijhoudt over gemiddelde termijnen. Dergelijke gemiddelden hebben immers een zeer geringe pertinentie. De termijnen worden beïnvloed door tal van factoren waarop de DVZ geen invloed of gezag heeft, zoals rechterlijke uitspraken, informatie die van justitiële overheden moet komen, feedback van Belgische ambassades omtrent medische voorzieningen in derde landen, uitspraken van asielinstanties, enzovoort.

Aangaande de vraag naar de verwerking in databases, kan ik meedelen dat de verzamelde informatie over medische situaties en de situatie in herkomstlanden in verband met ontvankelijke aanvragen inderdaad worden bewaard.

Er is geen samenwerking met de FOD Volksgezondheid. Wel waarschuwt de betrokken dienst de FOD Maatschappelijke Integratie in het geval dat een persoon wordt geregulariseerd.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Het verheugt me dat er weer iemand is om die taak uit te oefenen want er moet toch wel degelijk een zekere continuïteit zijn in deze belangrijke dienst.

Ik vraag me dus af, als arts en als inwoner van Antwerpen, waar veel hiv-patiënten naar het wereldvermaarde Tropisch Instituut komen, of zij geen optimale behandeling in hun eigen land kunnen krijgen. Uiteraard moeten die artsen dan telefonisch of per tamtam contact opnemen met Congo om na te gaan of in dat land anti-hiv-producten voorhanden zijn.

Het is belangrijk dat deze situatie nauwgezet wordt gevolgd. Het is jammer dat de functie niet continu werd uitgeoefend.

Mondelinge vraag van mevrouw Els Schelfhout aan de minister van Migratie- en Asielbeleid over «de toekenning van tijdelijke verblijfsvergunningen» (nr. 4-612)

Mevrouw Els Schelfhout (CD&V). - Bij tijdelijke regularisaties wordt heel vaak vermeld dat de betrokkene na een jaar werk moet hebben, zo niet wordt de verblijfsvergunning niet verlengd. Enkele maanden geleden besliste de dienst Vreemdelingenzaken dat deze voorwaarde letterlijk vervuld moet zijn. De betrokkene moet dus effectief werken; een beroepsopleiding volgen of aantonen dat men inspanningen heeft gedaan om werk te vinden volstaan dus niet langer. Voorheen was dit wel het geval.

In deze economisch moeilijke tijden is het echter niet evident werk te vinden, zeker niet voor asielzoekers. Een bijkomende studie of bijscholing kan een oplossing bieden om zich beter aan de arbeidsmarkt aan te passen. Bovendien kan het de integratie van de betrokkene ten goede komen.

Graag had ik van de minister vernomen of het een doelbewust beleid is om tijdelijke verblijfsvergunningen niet meer te verlengen als de betrokkene niet aan het werk is. Wat is de motivatie hiervoor? Is de minister niet van mening dat een bijkomende opleiding of studie de betrokkene extra troeven in handen geeft om zich op de arbeidsmarkt te begeven en zo de integratie kan bevorderen? Is de minister bereid deze maatregel opnieuw te bekijken?

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Migratie- en Asielbeleid. - Bij de behandeling van aanvragen voor een verlenging van het verblijf wordt rekening gehouden met de context waarin de betrokkene op het grondgebied is aangekomen.

Als het om een student gaat, vraagt men hem te bewijzen dat hij zijn studies voortzet aan de hand van een attest van inschrijving voor studies en vraagt men ook een bewijs van bestaansmiddelen.

Als het om een werknemer gaat, vraagt men hem te bewijzen dat hij de vereiste activiteit op wettige wijze uitoefent, aan de hand van een arbeidskaart of een beroepskaart.

Als het gaat om een persoon die om humanitaire redenen geregulariseerd werd, wordt er rekening gehouden met de individuele situatie van de betrokkene, meer bepaald met zijn leeftijd, zijn gezinssituatie of medische situatie, de situatie in het land van herkomst, de uitoefening van een winstgevende activiteit of de voortzetting van studies ...

De uitoefening van een winstgevende activiteit is dus een van de beoordelingselementen waarvan het belang niemand zal ontgaan. Het klopt dat ik mijn diensten de instructie gegeven heb om het verblijf van personen die afhankelijk zijn van het OCMW, niet meer te verlengen als hun persoonlijke situatie de terugkeer naar het land van herkomst mogelijk maakt.

Mevrouw Els Schelfhout (CD&V). - Is de minister niet van mening dat een bijkomende opleiding of studie de betrokkene meer troeven in handen geeft op de arbeidsmarkt?

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Migratie- en Asielbeleid. - Uiteraard geeft een opleiding bijkomende troeven, maar niets belet de betrokkene om gedurende de periode dat hij hier wettelijk verblijft, een opleiding of studie te volgen.

Mondelinge vraag van de heer Hugo Coveliers aan de minister van Migratie- en Asielbeleid en aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de communicatiestoornis tussen de Dienst Vreemdelingenzaken en de politie in verband met de opsporing van illegalen» (nr. 4-616)

De heer Hugo Coveliers (VB). - In Het Laatste Nieuws van 31 januari namen wij kennis van het onwaarschijnlijke verhaal dat de dienst Vreemdelingenzaken, meer bepaald de dienst die zich met het Printraksysteem bezighoudt, zou verhuisd zijn naar een ander gebouw maar daarbij vergeten zou zijn het faxtoestel mee te verhuizen. Het Printraksysteem is gecreëerd in het kader van de Schengenovereenkomst, om het asielshoppen tegen te gaan. Door vingerafdrukken te nemen wou men voorkomen dat iemand die in een Schengenland asiel aanvraagt, in een ander Schengenland opnieuw een aanvraag zou indienen.

Het Printraksysteem werkt vrij goed. Overigens merk ik op dat de DVZ, met de beperkte mogelijkheden waarover de dienst beschikt, doet wat hij kan. Daarnet werd in de discussie met de minister van Justitie nog de vraag gesteld waarom de DVZ niet stelselmatig contact opneemt met de parketten. Men vergeet daarbij dat de DVZ geen politiedienst is, maar werkt met ambtenaren. Door hun plichten in het kader van het geheim van het onderzoek, is het voor hen niet evident contact te leggen met de parketten.

Het faxtoestel zou gedurende 10 tot 14 dagen onbeschikbaar zijn geweest, of het zou althans zolang geduurd hebben tot het weer werkte. Het gevolg was dat de politiediensten het Printraksysteem niet meer konden gebruiken. Wanneer ze een vreemdeling hadden opgepakt, hadden ze bijgevolg geen enkel element om uit te maken wat er verder met hem moest gebeuren. Vaak maakt dat niet veel uit, omdat de politiediensten in een dergelijk geval maar zelden een wettelijke basis hebben om wat dan ook te ondernemen. Dat is overigens een probleem dat, gezien de recente evoluties, eens onder de loep zou moeten worden genomen.

Wat was de exacte oorzaak van de onbeschikbaarheid van het faxtoestel?

Kan de Dienst Vreemdelingenzaken geen andere communicatiemiddelen gebruiken om de politie op de hoogte te brengen?

Hoeveel aanvragen van de politiediensten konden in genoemde periode niet worden behandeld? Hoeveel vreemdelingen moest de politie zonder verder gevolg laten gaan of kon de politie niet helpen bij gebrek aan gegevens omtrent hun identiteit en verblijfsstatuut?

Heeft het voorval ook gevolgen gehad voor andere diensten die gebruik maken van het Printraksysteem? Zo ja, voor welke diensten en welke waren die gevolgen dan?

Van de Dienst Vreemdelingenzaken worden een aantal acties verwacht. De dienst moet dan ook de mogelijkheid krijgen die acties uit te voeren. Indertijd maakten onder meer de Dienst Vreemdelingenzaken en de Veiligheid van de Staat deel uit van eenzelfde dienst. Voor onder meer de inlichtingendienst is een afzonderlijk wettelijk kader gecreëerd. De Dienst Vreemdelingenzaken daarentegen is nog steeds een dienst, wat zowel voor- als nadelen heeft.

Mag ik er ook op wijzen dat toenmalig minister Dewael op 17 december 2004, bij de bespreking van de programmawet in de Senaat, gezegd heeft dat het de bedoeling was de asielshoppingregeling uit te breiden tot visumaanvragen? Indien de regeling ook op visumaanvragen wordt toegepast, zal het nog belangrijker zijn dat de communicatie tussen de politiediensten en de Dienst Vreemdelingenzaken optimaal verloopt.

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Migratie- en Asielbeleid. - Voor alle duidelijkheid, het faxtoestel werd niet vergeten. Aangezien de faxlijn geen onderdeel uitmaakt van de telefooncentrale, moest een nieuwe aanvraag worden gedaan bij Belgacom. De aanvraag werd tijdig uitgevoerd, maar administratief liep er iets mis. Volgens afspraak zou Belgacom de lijn aansluiten op 19 januari, maar Belgacom is pas opgedaagd op 28 januari.

Printrak ontvangt via de faxlijn vingerafdrukken van de Gerechtelijke Identificatiedienst (ongeveer 90%) en rechtstreeks van politiediensten (ongeveer 10%). De faxlijn wordt ook gebruikt om de antwoorden door te sturen naar de politiediensten.

Met de Gerechtelijke Identificatiedienst (GID) werden afspraken gemaakt zodat de vingerafdrukken telkens op vrijdag via een koerier worden bezorgd. Voor dringende gevallen werd steeds een snelle zending georganiseerd en konden de resultaten telefonisch worden meegedeeld.

Antwoorden per fax is steeds slechts de standaardprocedure. Voor dringende gevallen of indien er problemen zijn met de fax wordt telefonisch geantwoord.

Door de verhuizing was het Printraksysteem niet beschikbaar tussen 22 en 30 december 2008. Op 31 december 2008 werd al begonnen de achterstand weg te werken. In totaal werden 1087 sets vingerafdrukken via een koerier overgebracht van GID naar Printrak, gespreid over vier transfers. Vandaag zijn nagenoeg alle desbetreffende vingerafdrukken behandeld.

Er wordt hoe dan ook in eerste instantie gewerkt op basis van de persoonsgegevens als naam en geboortedatum om de administratieve toestand bij de DVZ vast te stellen. De politiediensten kunnen daartoe contact opnemen met bureau C, en buiten de kantooruren met een permanentiedienst die steeds bereikbaar is. De controle van vingerafdrukken via Printrak is slechts een bijkomend middel waarop enkel een beroep kan worden gedaan tijdens de kantooruren.

Er waren geen gevolgen voor andere diensten.

Het communicatieproces verloopt als volgt. De vingerafdrukken worden genomen door de politiediensten. Die versturen ze, via LiveScan of FIT-station (Fingerprint Image Transmission), naar het centrale punt, namelijk de GID. Indien gewenst door de politiediensten faxt GID de vingerafdrukken door naar DVZ. In de loop van 2009, na de vernieuwing van het vingerafdruksysteem van GID zal een interface worden geïnstalleerd tussen het vingerafdruksysteem van GID en Printrak ter vervanging van de fax.

De heer Hugo Coveliers (VB). - Uit het antwoord van de minister blijkt nogmaals hoe belangrijk de Dienst Vreemdelingenzaken wel is. Cynisch genoeg moet precies de DVZ voor een faxaansluiting acht dagen wachten op Belgacom. Onvoorstelbaar in de eenentwintigste eeuw!

Het wordt overigens stilaan tijd dat men ook in andere technische mogelijkheden voorziet. Voor politiediensten die vaak al heel wat problemen hebben om iemand te kunnen voorleiden, laat staan te arresteren, is het bijzonder frustrerend als ze de identiteit van de persoon in kwestie om technische redenen niet kunnen controleren.

De minister weet even goed als ikzelf dat wanneer iemand zijn correcte identiteit opgeeft, een voorleiding negen kansen op tien geen zin heeft. Hopelijk kan men met de voorgestelde maatregelen het probleem oplossen. Misschien is het goed om toch nog eens na te denken over de relatie tussen enerzijds de DVZ en de politiediensten en anderzijds - ook de minister van Justitie heeft er zopas op gezinspeeld - de DVZ en de parketten. Geen van beide laatste zijn aan elkaar ondergeschikt; ze moeten op voet van gelijkheid kunnen samenwerken.

Samenstelling van commissies

De voorzitter. - Bij de Senaat zijn voorstellen ingediend tot wijziging van de samenstelling van bepaalde commissies:

Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging:

Commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden:

Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden:

Adviescomité voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen:

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik heb u een brief gestuurd over de vervanging van mevrouw Lizin in de internationale parlementaire assemblees.

De voorzitter. - We zullen dat zo spoedig mogelijk onderzoeken.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp betreffende de verhaalmiddelen inzake de wet van (...) op het herverzekeringsbedrijf (Stuk 4-1099)

Stemming 1

Aanwezig: 62
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 11

De heer Philippe Moureaux (PS). - Ik wou voorstemmen.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik wou ook voorstemmen.

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen (Stuk 4-1097) (Evocatieprocedure)

Stemming 2

Aanwezig: 64
Voor: 51
Tegen: 6
Onthoudingen: 7

-De Senaat heeft het wetsontwerp ongewijzigd aangenomen. Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de afschaffing van het automatisch ten laste leggen van de eisende partij van alle kosten in geval van eenzijdige aanvraag tot echtscheiding (van de heer Philippe Mahoux, Stuk 4-1115)

Stemming 3

Aanwezig: 65
Voor: 65
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsvoorstel is eenparig aangenomen.

-Het wetsontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

De voorzitter. - Ik feliciteer de indiener van dit voorstel.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 12 februari 2009 om 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

Evocatieprocedure
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen; Stuk 4-1096/1 tot 3.

Vanaf 17 uur: Naamstemming over het afgehandelde agendapunt in zijn geheel.

Vragen om uitleg:

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen over «een mogelijke boeteclausule tussen de Belgische regering en BNP Paribas» (nr. 4-708)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - In de pers wordt gewag gemaakt van onderhandelingen tussen de Belgische regering, Fortis Holding en BNP Paribas. Tegelijk verklaarde premier Van Rompuy dat de regering vasthoudt aan de eerder gemaakte afspraken met BNP Paribas.

Volgens de pers bevat het contract tussen BNP Paribas en de Belgische regering een boeteclausule voor het geval de overeenkomst tot verkoop van Fortis aan BNP niet wordt uitgevoerd. Andere berichten ontkennen dan weer het bestaan van de boeteclausule.

Bevat het contract tussen BNP Paribas en de Belgische regering een boeteclausule?

Zo ja, hoeveel bedraagt de boete als de overeenkomst niet of niet integraal kan worden uitgevoerd?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van minister Reynders.

Het Protocolakkoord dat de Belgische Staat, de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij, verschillende entiteiten van de Fortis Groep en BNP Paribas op 10 oktober 2008 hebben gesloten, bevat geen boeteclausule of andere boetevorm voor het geval een van de partijen haar verbintenissen krachtens deze overeenkomst niet nakomt.

De aanvullende overeenkomst bij het Protocolakkoord, die op 1 februari 2009 werd gesloten, bevat evenmin een clausule van die aard.

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de terugbetaling van parodontale chirurgie» (nr. 4-699)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - In de beleidsnota van de minister lezen we bij de paragraaf `nieuwe initiatieven' onderstaande paragraaf.

`Uitvoering van een eerste fase van terugbetaling voor parodontale chirurgie, onder bepaalde voorwaarden en voor patiënten die beantwoorden aan welbepaalde criteria; hetzelfde geldt voor de tegemoetkoming voor tandsteenverwijdering, uitgebreid tot de subgingivale zone, en onder lokale verdoving.'

In dit verband kreeg ik graag een antwoord op volgende vragen. Hoe ziet de minister bovenstaande maatregel concreet? Komt er een nieuw nomenclatuurnummer? Komt er een aparte erkenning - een apart RIZIV-nummer - voor parodontologen? Wordt de honorering aangepast?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - Het antwoord van de minister luidt als volgt.

In eerste instantie wordt in 2009 het subgingivaal (onder het tandvlees) verwijderen van tandsteen met eventueel glad maken van het worteloppervlak, onder lokale verdoving, ingevoerd in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen en wel ter preventie van verder parodontaal verval waardoor tandverlies en algemene gezondheidsproblemen kunnen optreden.

De maatregel zal in werking treden op 1 mei 2009 en wordt gepland voor sociale verzekerden tussen de 15de en 40ste verjaardag.

In een tweede fase, normaliter gepland voor 2010, zou eerder vermelde doelgroep verder worden uitgebreid en komen er nieuwe initiatieven in de parodontologie ter behandeling van problemen die niet opgelost konden worden door middel van de subgingivale reiniging en een chirurgische behandeling vereisen.

De nationale commissie heeft, rekening houdend met de budgettaire mogelijkheden, allereerst in de eerste stap van de parodontologische behandeling willen voorzien.

Voor het subgingivaal verwijderen van tandsteen worden er dus nomenclatuurcodes ingevoerd. Per kwadrant wordt er in een honorarium voorzien ter waarde van 38,03 euro, driemaal de vergoeding voor een gewone tandsteenverwijdering.

De nieuwe verstrekkingen zullen kunnen worden aangerekend door algemeen tandartsen en tandarts-specialisten in de parodontologie. Voor deze laatste groep bestaat er sinds 2007 een apart RIZIV-nummer.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Dat is een schuchtere aanzet tot de herwaardering van de parodontologie, die niet alleen te maken heeft met mondhygiëne en een mooi gebit. Een adequate behandeling voorkomt prothesen, infecties en sepsis. Daarom is het belangrijk dat de doelgroep breed genoeg is en zeker boven de 40 jaar wordt uitgebreid.

Er wordt dus doorgewerkt aan nomenclatuurnummers, maar een aparte RIZIV-erkenning voor parodontologen is niet aan de orde, wat een gemiste kans is. Voor orthodontie is dat wel het geval. Ik zal de minister er in de toekomst nog op wijzen dat erkenning van de parodontologie een noodzaak is.

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, eerste ondervoorzitter.)

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de jaarverslagen ziekenhuishygiëne en antibioticabeleid» (nr. 4-700)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Zoals de minister wellicht weet, werd de ziekenhuishygiëne fel opgewaardeerd door haar voorganger Rudy Demotte. Onder zijn impuls werden ook de antibioticabeleidsgroepen gestart in de meeste ziekenhuizen. Sinds vorig jaar zijn ze nu allemaal verplicht in elk ziekenhuis. Dit is een goede zaak, want alleen op die manier kunnen we de strijd tegen de Meticilline-resistente Staphylococcus aureus (MRSA), Extended-spectrum β-lactamase (ESBL), Clostridium difficile (CD), nosocomiale infecties, enzovoort winnen.

Eén van de verplichtingen voor zowel het comité ziekenhuishygiëne als voor de antibioticabeleidsgroep is het opstellen van een jaarverslag.

Ook al werken comité en antibioticabeleidsgroep onafhankelijk van elkaar, ze vormen een triumviraat met het microbiologisch labo. Ze kunnen niet los van mekaar gezien worden. Zoals beschreven in Clinical Microbiology and Infection (CMI) winnen we de strijd tegen MRSA, ESBL, CD, nosocomiale infecties indien we een rationeel antibioticabeleid voeren, handhygiëne toepassen, screenen, dekoloniseren, isoleren, enzovoort.

Ondanks het feit dat het microbiologisch lab, het comité en team ziekenhuishygiëne, en de antibioticabeleidsgroep onafhankelijk van elkaar werken, is er sprake van een noodzakelijke overlapping. De epidemiologische data, gegenereerd in het microbiologisch lab, zijn een noodzaak om het gevoerde beleid inzake ziekenhuishygiëne maar ook dat van het antibioticabeleid te evalueren. De activiteiten van deze drie entiteiten moeten onderling bekend zijn. Daarom is het ook belangrijk dat ze kennis nemen van elkanders jaarverslag, waar vanzelfsprekend ook een stuk overlapping inzit.

Kan de minister, gelet op het feit dat het microbiologisch labo, het comité ziekenhuishygiëne en de antibioticabeleidsgroep als het ware een triumviraat vormen die noodzakelijk kennis nemen van elkanders activiteiten en gelet op een mogelijke administratieve vereenvoudiging in de gezondheidszorg, akkoord gaan met één enkel geïntegreerd jaarverslag van het comité en team ziekenhuishygiëne enerzijds en de antibioticabeleidsgroep anderzijds, waaruit duidelijk blijkt dat er een aparte werking was? Kan de minister met een dergelijk jaarverslag akkoord gaan, teneinde administratief te vereenvoudigen en kennis te delen zonder dat dit leidt tot het opheffen van één van deze instanties en deze instanties inhoudelijk hun aparte werking wel moeten aantonen in dit jaarverslag?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Ik ben het volledig met de heer Ide eens dat er een nauwe samenwerking moet bestaan tussen het team voor ziekenhuishygiëne en de antibioticabeleidsgroep. Ook het microbiologisch laboratorium en de ziekenhuisapotheek moeten een belangrijke rol vervullen. Daarom werden de geneesheer-ziekenhuishygiënist, de microbioloog en de ziekenhuisapotheker opgenomen in de minimale samenstelling van de antibioticabeleidsgroep.

De heer Ide zal het ongetwijfeld met mij eens zijn dat beide activiteiten van cruciaal belang zijn voor de bevordering van de kwaliteit in de ziekenhuizen. Daarom vind ik het ook verantwoord te vragen dat beide instanties afzonderlijke jaarverslagen maken.

Ondanks de bestaande overlapping worden trouwens andere accenten gelegd door beide instanties. Ten slotte wil ik er op wijzen dat het jaarverslag van de antibioticabeleidsgroep gevraagd wordt in het kader van een externe rapportering naar het Belgian Antibiotic Policy Coordination Committee (BAPCOC), terwijl het jaarverslag van het team voor ziekenhuishygiëne bedoeld is voor interne rapportering.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Ik kan begrip opbrengen voor het feit dat het verslag van het antibioticabeleid, dat op een min of meer gestandaardiseerde wijze gevraagd wordt aan de ziekenhuizen, bedoeld is voor externe rapportering, terwijl de verslagen van het comité voor ziekenhuishygiëne bestemd zijn voor intern gebruik. In de beleidsnota's van de vorige minister van Welzijn van de Vlaamse Gemeenschap lees ik echter dat gestreefd zal worden naar het openbaar maken van gegevens. Dat doet mij enigszins de wenkbrauwen fronsen, want de gegevens variëren van ziekenhuis tot ziekenhuis en zijn dan ook moeilijk vergelijkbaar. Ik begrijp wel dat beide jaarverslagen twee aparte zaken zijn, maar ik vind het toch een noodzaak dat beide geïntegreerd worden, precies opdat beide instanties kennis zouden nemen van elkanders activiteiten. Dat was eigenlijk de kern van mijn vraag. Ik heb alle begrip voor de eventueel externe publicatie van de BAPCOC, maar ik vind toch dat zodra gerapporteerd werd, alsnog overwogen moet worden beide jaarverslagen te integreren, want op termijn zullen ze toch beide extern worden gecommuniceerd.

Vraag om uitleg van de heer Philippe Monfils aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de discriminerende terugbetaling van Fosamax-Fosavance» (nr. 4-701)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Philippe Monfils (MR). - Osteoporose is een ziekte die voorkomt bij vrouwen in de menopauze, maar ook bij mannen of vrouwen die lijden aan verschillende aandoeningen of risicofactoren verbonden met botdemineralisatie. Kenmerkend voor die aandoening is dat de botmassa afneemt of dat men een breuk oploopt. Men behandelt die aandoening met calciumsupplementen, vitamine B en met een groep geneesmiddelen, de zogenaamde bifosfonaten waaronder Fosamax.

De preventie en de behandeling van de ziekte hebben een aanzienlijke evolutie doorgemaakt en zijn minder belastend geworden voor het dagdagelijkse leven van de patiënt. Het geneesmiddel werd inderdaad lange tijd intraveneus voorgeschreven, maar wordt vandaag oraal toegediend.

In het begin werden mannen en vrouwen op dezelfde manier behandeld: ze moesten dagelijks vóór het ontbijt een tablet van 10 mg op de nuchtere maag met één of twee glazen water innemen. Nadien hebben de farmabedrijven een weektablet ontwikkeld; weektabletten zijn comfortabeler om innemen en hebben minder bijwerkingen.

Er bestaat echter een belangrijk, voor de artsen onverklaarbaar verschil inzake de terugbetaling van de weektabletten; personen van het mannelijke geslacht genieten geen terugbetaling voor wekelijks toegediend bifosfonaat. Verschillende patiënten hebben een klacht wegens discriminatie ingediend tegen hun ziekenfonds.

Kan de minister me de redenen voor die discriminatie uitleggen? Waarom kunnen mannelijke patiënten geen terugbetaling genieten? Is de minister voornemens om die discriminatie weg te werken?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de minister.

Alendronaat, het actieve bestanddeel van Fosamax en Fosavance, heeft de indicatie voor de behandeling van mannelijke osteoporose alleen gekregen voor de toediening van 10 mg per dag. Voor de toediening van 70 mg geldt de indicatie voor de behandeling van osteoporose alleen voor vrouwen in de menopauze.

Het is u niet onbekend dat de registratie van indicaties gebaseerd is op klinische studies bij specifieke populaties. Aangezien de stofwisseling van man en vrouw van elkaar verschillen, zijn er specifieke studies bij de man nodig om te bepalen of de wekelijkse toediening van 70 mg geen zware bijwerkingen heeft. Dergelijke studies bestaan echter niet.

De commissie voor de terugbetaling van geneesmiddelen kan de terugbetaling alleen toekennen op grond van geregistreerde indicaties in het kader van hoofdstuk IV, dat betekent dat het voorafgaande akkoord vereist is van de adviserend geneesheer van het ziekenfonds van de patiënt. De wet beperkt overigens het voorschrijven van geneesmiddelen altijd tot de geregistreerde indicaties.

Evenmin als de minister van Volksgezondheid kan ik toelaten dat een niet geregistreerde indicatie wordt voorgeschreven en a fortiori wordt terugbetaald. Het gaat dus helemaal niet om een genderdiscriminatie, maar wel om de strikte eerbiediging van de wetgeving.

De heer Philippe Monfils (MR). - Ik zal de kwestie grondig bekijken, maar het antwoord van de minister verwondert me. Ik ben slechts de spreekbuis van talloze geneesheren die zich naar eigen zeggen in een moeilijke situatie bevinden. Bovendien hebben patiënten een geding aangespannen tegen de ziekenfondsen.

Het antwoord van de minister is niet van aard om het `strijdbijltje' te begraven. Nochtans streven we alleen een groter comfort na. Leg me nu eens uit waarom die geneesmiddelen voor een dagelijkse dosis van 10 mg voor mannen en voor vrouwen worden terugbetaald en waarom men de terugbetaling weigert voor mannen die wekelijks 70 mg moeten innemen! Hier rijst ontegensprekelijk een probleem.

Ik zal het antwoord van de minister bezorgen aan de artsen die mij geïnterpelleerd hebben. We zien dan wel welk gevolg we eraan geven.

Mijnheer de staatssecretaris, u bent uiteraard niet verantwoordelijk voor deze gammele situatie.

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de erkenning van de psychologie» (nr. 4-706)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Enkele weken geleden stelde ik reeds een vraag over de erkenning van de beroepstitel van psycholoog. Vanuit het veld is daar een enorme vraag naar.

Het antwoord van de minister was toen al vrij veelbelovend. `Momenteel bestudeer ik inderdaad de problematiek van de erkenning van de titel van psycholoog en psychotherapeut. Ik overweeg trouwens een meer uitgebreide denkoefening over dit onderwerp, onder meer met de ambitie de plaats van de beroepen van de geestelijke gezondheidszorg in het geheel van de gezondheidszorgberoepen te definiëren. Dat is niet eenvoudig als ook de hiërarchische indeling van de verstrekkingen moet worden bepaald. Zoals u weet is de titel van psycholoog nu beschermd door een wet van 8 november 1993. Aangezien heel wat psychologen verbonden zijn aan ziekenhuizen en ziekenhuiscentra en het belangrijk is om niet zomaar, zonder psychologische begeleiding, antidepressiva te verstrekken, of welk ander geneesmiddel in het kader van de geestelijke gezondheid dan ook, is het van essentieel belang te bestuderen of de titel van klinisch psycholoog op het niveau van de volksgezondheid kan worden erkend. Het spreekt voor zich dat de problematiek van de nomenclatuur in dit kader zal worden aangepakt.'

Dit verheugt me, doch heb ik nog enkele bijkomende vragen.

Welk tijdschema zal de minister aanhouden voor het erkennen van de beroepstitel van psycholoog?

Welk tijdschema zal de minister aanhouden voor het ontwikkelen van een nomenclatuur voor de psychologie?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Mijnheer Ide weet heel goed dat volgens het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen een beroep vooraf moet worden ingeschreven binnen de gezondheidszorgberoepen alvorens men tot de erkenning van een bijzondere beroepstitel kan beslissen.

Er werden dienaangaande twee wetsvoorstellen ingediend bij de Kamercommissie voor de Sociale Aangelegenheden: het wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen met het oog op de reglementering van de uitoefening van de klinische psychologie, van de klinische seksuologie en van de klinische orthopedagogiek, ingediend door Luc Goutry c.s. (Stuk 52-1357) en het wetsvoorstel tot wijziging, wat de uitoefening van de beroepen uit de sector van de geestelijke gezondheidszorg betreft, van koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, ingediend door Yvan Mayeur c.s. (Stuk 52-1126).

Zolang deze voorstellen ter bespreking liggen, kan ik geen details geven. Het is belangrijk dat het parlement hierover zo vlug mogelijk een grondig maatschappelijk debat voert. Ik kan wel al zeggen dat het parlement in deze aangelegenheid mijn steun geniet.

Meerdere initiatieven sneuvelden al als gevolg van de complexiteit van het debat, bijvoorbeeld over de verdeling van de taken tussen de artsen en de andere gezondheidszorgberoepen.

Ik hoop in ieder geval dat de bespreking van de voorstellen tijdens deze regeerperiode tot een goed einde wordt gebracht.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Het doet me een beetje glimlachen dat mevrouw Onkelinx geduldig wacht op de goedkeuring van de wetsvoorstellen in de Kamer van volksvertegenwoordigers. Als mevrouw Onkelinx werkelijk iets wil, dan drukt ze wel een wetsontwerp door. Ik leid daaruit af dat ze de erkenning van de titel van psycholoog niet zo belangrijk vindt.

Het tijd dringt nochtans, want in de multidisciplinaire geneeskunde is de geestelijke gezondheidszorg een essentiële schakel. Vele huisartsen zijn daar trouwens van overtuigd. Ik betwijfel of Vlaamse huisartsen en specialisten tegenwerpingen zullen maken. In beide landsdelen hangt men wel een verschillende opvatting aan. Daar zou het schoentje kunnen wringen.

Ik zal onderzoeken wat ik kan ondernemen om de zaak te versnellen, aangezien mevrouw Onkelinx het parlementair initiatief geen strobreed in de weg zal leggen.

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de staatssecretaris voor Personen met een handicap over «de ongelijkheden tussen Vlaanderen en Wallonië wat betreft de berekening van de verhoogde kinderbijslag» (nr. 4-707)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Uit navraag blijkt dat Wallonië en Vlaanderen momenteel andere normen hanteren voor de berekening van de verhoogde kinderbijslag.

Zo geven Waalse artsen-deskundigen bij trisomie 21 (Downsyndroom) vanaf de geboorte 66% invaliditeit. Vlaamse artsen doen dat niet. Een kind met dit syndroom heeft in het eerste levensjaar immers niet meer verzorging nodig dan een normale baby. De voorzitter van de Belgische vereniging voor neuropediaters deelt die mening.

Een kind met diabetes zonder complicaties scoort in Vlaanderen 7 punten, wat overeenkomt met een vergoeding van 97,41 euro. In Wallonië geeft men een score van 9 punten, wat overeenkomt met een bedrag van 227,31 euro. Voor dezelfde handicap ontvangen ouders in Wallonië dus 129,90 euro meer per maand. Dat is geen rechtvaardige situatie.

Is de minister of de staatssecretaris op de hoogte van deze scheefgetrokken situatie? Wat gaan zij hieraan doen? Beschikken zij over gedetailleerd cijfermateriaal over verhoogde kinderbijslag?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de minister en de staatssecretaris.

Ik kan in dit stadium noch bevestigen noch ontkennen dat er voor de evaluatie van de handicap van kinderen met diabetes of het syndroom van Down verschillen zouden bestaan naargelang het taalstelsel waartoe ze behoren.

Sinds de hervorming van de verhoogde kinderbijslag in 2003 werd de evaluatieregeling volledig herzien en is zij niet meer alleen gebaseerd op de ongeschiktheid of de diagnose van de kinderen. De nieuwe evaluatie is voortaan gebaseerd op drie pijlers: de pijlers P1 en P2 die specifiek zijn voor het kind en de pijler P3 die de inspanningen van het gezin of de omgeving, ten gevolge van de tenlasteneming van de handicap van het kind, in aanmerking neemt.

De evaluatie is bijgevolg veel meer geïndividualiseerd. Het multidimensionale aspect van de evaluatie belet echter niet dat moet worden gestreefd naar een uniformering van de beslissingen van de artsen-evaluatoren van de directie-generaal Personen met een Handicap en dit ongeacht de plaats waar het onderzoek wordt uitgevoerd. Wanneer zich problemen voordoen in verband met de evaluatie van bepaalde handicaps, worden werkgroepen opgericht met artsen van de beide taalrollen; dat zal ook het geval zijn voor de gevallen die de vraagsteller aanhaalt.

De directie-generaal bestudeert op dit ogenblik de kwaliteit van de organisatie en de afhandeling van de medische onderzoeken in verband met de handicaps. Dit project moet nagaan hoe die medische onderzoeken kunnen worden verbeterd. Het project betreft zowel de medische onderzoeken voor kinderen als voor volwassenen.

De Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers beschikt niet over gegevens over het aantal gehandicapten per soort aandoening zoals trisomie 21 of diabetes. De Rijksdienst beschikt ook niet over gegevens over het aantal punten dat in het evaluatiesysteem per soort handicap wordt toegekend.

Enkel de globale verdeling van het aantal kinderen met een aandoening per gewest is beschikbaar. Het gaat om personen met een handicap jonger dan 21 jaar waarvoor een bijkomende bijslag wordt uitbetaald. Op 31 december 2007 was de verdeling voor het stelsel van de werknemers:

Ik kan tot slot meedelen dat een ontwerp van koninklijk besluit, dat als doel heeft de reglementering met betrekking tot de evaluatie van de kinderen met het syndroom van Down te verduidelijken teneinde interpretatieverschillen te voorkomen, ter finale ondertekening voorligt.

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de weergave van privéadressen van artsen op de websites van ziekenfondsen» (nr. 4-695)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Onlangs stelde ik vast dat de privéadressen van artsen en andere zelfstandige zorgverleners zonder enige toestemming worden vrijgegeven op de websites van verschillende ziekenfondsen.

De adressen van alle zorgverleners die een RIZIV-nummer hebben, zijn wereldwijd toegankelijk via de websites van de CM en de Socialistische Mutualiteiten. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen het privéadres en het praktijkadres. Meestal wordt alleen het privéadres gegeven, aangezien dit het correspondentieadres is met het RIZIV. Zo kan men de privéadressen vinden van alle professoren, assistenten, huisartsen en specialisten.

De ziekenfondsen willen aldus hun leden informeren over waar ze welke arts kunnen vinden en of die al dan niet geconventioneerd is. Op zich is dit een nobel doel, maar het schiet zijn doel voorbij, aangezien de patiënt met de privéadressen niets kan doen, tenzij hij slechte bedoelingen heeft.

Een collega-arts correspondeerde in maart dit jaar hierover met de privacycommissie. Die gaf hem aanvankelijk gelijk en meldde dat de bedoelde gegevens niet mogen worden gepubliceerd zonder voorafgaande toestemming van de betrokken persoon. In september kreeg hij echter, na consulteren van het VAS, een mail van de commissie dat de gegevens wel mogen worden vrijgegeven, aangezien de ziekenfondsen bij wet verplicht zijn die gegevens aan hun leden mede te delen.

Volgens mij kan niemand er een probleem mee hebben om publiek te maken welke zorgverleners geconventioneerd zijn; ook praktijkadressen kunnen volgens mij vrijgegeven worden. Zomaar privéadressen van zorgverleners publiek maken, zonder voorafgaande toestemming of zonder dit zelfs aan de betrokkenen te laten weten, lijkt me een brug te ver. In deze tijden van onveiligheid en stijgende agressie tegen artsen, lijkt me het vrijgeven van privéadressen geen goed idee.

In de praktijk blijken ook de ziekenfondsen zonder probleem de gegevens te willen aanpassen, maar het lijkt kafkaiaans dat de arts dan alle ziekenfondsen hiervan op de hoogte moet stellen. Het is ook geen oplossing voor de collega's die niet op de hoogte zijn van het feit dat hun privéadres wordt vrijgegeven. De meest logische oplossing lijkt mij bij het RIZIV te liggen.

Graag had ik dan ook van de minister geweten of zij bereid is met het RIZIV overleg te plegen zodoende dat het alleen nog maar de praktijkadressen en niet langer de privé- of correspondentieadressen aan de ziekenfondsen doorgeeft.

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de minister.

Ik ben mij ten volle bewust van de door senator Vankrunkelsven aangehaalde problematiek, die ik in het juiste kader wil plaatsen.

Sinds 1992 worden de RIZIV-bestanden van de zorgverleners aan de verzekeringsinstellingen opgestuurd en de wijzigingen wekelijks op magnetische drager aan de verzekeringsinstellingen bezorgd. Bepaalde verzekeringsinstellingen publiceerden ten behoeve van hun leden op hun website de gegevens van die bestanden, die contactadressen bevatten die de zorgverleners naar het RIZIV opstuurden.

In artikel 128 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 over de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en artikel 160 van het uitvoeringsbesluit bij deze wet wordt de verplichte gegevensoverdracht door het RIZIV aan de verzekeringsinstellingen en de informatieplicht van de verzekeringsinstellingen aan hun leden behandeld.

Vooral artikel 127 van de voormelde gecoördineerde wet is echter belangrijk. Hierin staan immers de regels die de zorgverleners inzake publiciteit moeten naleven. Volgens paragraaf 5 van dit artikel is er geen sprake van publiciteit wanneer `de verzekeringsinstellingen, met het oog op de informatieverstrekking aan de rechthebbenden, de namen en adressen van hetzij zorgverleners die tot de overeenkomst of het akkoord zijn toegetreden, hetzij zorgverleners die niet of gedeeltelijk tot het akkoord zijn toegetreden, bekendmaken.'

Enkele zorgverleners hebben erover geklaagd bij het RIZIV hun contactadres aan de verzekeringsinstellingen bezorgde. De voorlopige oplossing bestond erin dat de verzekeringsinstellingen de rechthebbenden verder informeren en dat de betrokken zorgverleners het adres mogen kiezen dat aan de verzekeringsinstellingen wordt meegedeeld. Hiervoor heeft het RIZIV een online informaticatoepassing ontwikkeld, rechtstreeks toegankelijk voor de zorgverleners, zodat de artsen en tandartsen hun adres kunnen wijzigen. Hierbij wordt uitdrukkelijk meegedeeld dat die adressen aan de verzekeringsinstellingen zullen worden bezorgd. De zorgverleners beslissen dus zelf welk adres aan de verzekeringsinstellingen wordt meegedeeld. De toepassing voor de adressen van de tandartsen is sinds de lente van 2008 operationeel; die van de artsen sinds 11 december 2008 en dit op uitdrukkelijk verzoek van de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen.

Het RIZIV werkt momenteel een directe toegang van de tandartsen tot hun praktijkadressen uit. In de nabije toekomst zal een rechtstreekse toegang van de artsen tot hun praktijkadressen worden ontwikkeld. Die zullen de adressen vervangen die momenteel aan de verzekeringsinstellingen worden bezorgd.

Al die operaties zijn tijdelijk, maar zullen worden gebruikt voor het opstellen van het kadaster van de gezondheidsberoepen, waarbinnen de zorgverleners bepaalde persoonlijke gegevens zelf zullen kunnen beheren.

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken over «de houding van de Belgische regering ten aanzien van het antiraketschild» (nr. 4-682)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Rice ondertekende in 2008 bilaterale verdragen met haar Tsjechische en Poolse collega's met betrekking tot het plaatsen van respectievelijk radars en tien raketten in het kader van het Amerikaanse raketschild.

De NAVO liet een studie uitvoeren in hoeverre dit raketschild nuttig kan zijn voor het Atlantisch Bondgenootschap. Tegen de NAVO-top van april 2009 in Straatsburg en Kehl am Rhein zouden hieruit de eerste conclusies getrokken kunnen worden.

Via de media signaleerden verschillende militaire experts dat dit raketschild vandaag nog steeds met technische tekorten kampt, bijgevolg allesbehalve betrouwbaar is én daarenboven peperduur zal zijn.

Bovendien worden door de bouw van het raketschild de relaties met Rusland grondig gehypothekeerd. President Medvedev kondigde aan dat er in de Kaliningradenclave Russische Iskanderraketten worden geplaatst indien er Amerikaanse raketten komen.

Wat is de houding van de Belgische regering tegenover de Amerikaanse raketverdediging?

Hoe ziet België een eventuele poging om hiervan een NAVO-raketschild te maken?

Kan een effectieve wereldwijde ontwapening geen zinvoller alternatief bieden voor een duur en inefficiënt raketschild?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van collega De Gucht.

Zoals de andere NAVO-landen is België van oordeel dat de proliferatie van ballistische raketten een potentiële dreiging vormt voor de strijdkrachten, het grondgebied en de bevolking van de landen die deel uitmaken van de Atlantische Alliantie. Ons land ziet deze dreiging als reëel, maar niet imminent. Mede daarom stond België van bij de aanvang zeer behoedzaam tegenover het Amerikaanse initiatief voor de bouw van een raketschild. België behoorde met andere Europese landen tot de groep die in de voorbije jaren heeft aangedrongen op diepgaande studies naar de technische haalbaarheid, de betrouwbaarheid en de kostprijs van een geïntegreerd systeem. Op de NAVO-top van Boekarest in april 2008 werd afgesproken te onderzoeken in welke mate het Amerikaanse systeem kan worden gelinkt aan de huidige inspanningen van de NAVO inzake raketverdediging en de integratie ervan in een mogelijke toekomstige NAVO-defensie-infrastructuur.

Zoals bepaald in het communiqué van de vergadering van de NAVO-ministers van Buitenlandse Zaken van 2 en 3 december 2008 zal een rapport over de vooruitgang inzake deze werkzaamheden aan de NAVO-staatshoofden en -regeringsleiders worden voorgelegd ter gelegenheid van de top die begin april 2009 te Straatsburg-Kehl plaatsvindt.

In hetzelfde communiqué drongen de ministers van Buitenlandse Zaken aan op de noodzakelijke versterking van de samenwerking met Rusland inzake raketverdediging door een maximum aan wederzijdse transparantie en door het nemen van vertrouwenwekkende maatregelen.

Effectieve wereldwijde ontwapening is een langetermijndoelstelling die België zeker nastreeft. In die zin promoten wij actief de universalisering van de relevante internationale verdragen, meer bepaald de verdragen die de proliferatie of het gebruik van massavernietigingswapens aan banden willen leggen. Er blijft echter nog een lange weg af te leggen. Bovendien blijken bepaalde staten zich ook te willen onttrekken aan hun internationale verplichtingen. In de gegeven omstandigheden dient het debat over de noodzakelijk geachte defensieve maatregelen dan ook gevoerd te worden. In die zin heeft België er altijd voor gepleit de raketverdediging in een breder kader te plaatsen. Wapenbeheersing, ontwapening en non-proliferatie dragen in aanzienlijke mate bij tot vrede, veiligheid en stabiliteit. Daarom pleiten wij voor preventie inzake de verspreiding en het gebruik van massavernietigingswapens en de middelen waarmee deze kunnen worden gelanceerd. Wij dringen zowel binnen de NAVO als in andere multilaterale fora aan op doorgedreven inspanningen ter zake.

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Ik ben tevreden met het tweede deel van het antwoord, maar voor het overige kan ik alleen maar vaststellen dat de minister omtrent het raketschild een groot waas creëert en dat de NAVO weerom niet in staat is een eigen koers te varen. Ook stel ik vast dat president Obama in twee dagen kan wat de NAVO niet in twee jaar kan, namelijk een groot vraagteken plaatsen bij de plaatsing van een raketschild in Tsjechië en Polen. President Obama toont daarmee dat hij alleen meer haar op zijn tanden heeft dan alle NAVO-lidstaten samen.

Vraag om uitleg van de heer Philippe Mahoux aan de minister van Justitie over «de inwerkingstelling van de wetten van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis en van 26 april 2007 betreffende de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank» (nr. 4-702)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Philippe Mahoux (PS). - In de vorige regeerperiode heeft het Parlement een wetsontwerp goedgekeurd dat de wet op het sociaal verweer van 1964 wijzigde, die op haar beurt de wet op het sociaal verweer van 1930 hervormde. De wet van 21 april 2007 voert een grondige vernieuwing van de interneringsprocedure door.

In dezelfde periode hebben de Kamers een tekst aangenomen die de terbeschikkingstelling toevertrouwt aan strafuitvoeringsrechtbanken als een bijkomende straf voor daders die als een belangrijk en blijvend gevaar voor de maatschappij moeten worden beschouwd. Het gaat om de wet van 26 april 2007 betreffende de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank.

Beide teksten verduidelijken en verbeteren de delicate interneringsprocedure en de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbanken.

Voor beide wetten zijn uitvoeringsbesluiten nodig.

Wat is de stand van zaken? Zullen die besluiten binnenkort worden gepubliceerd?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de minister van Justitie.

De bepalingen van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis en de wet van 26 april 2007 betreffende de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank zijn inderdaad nog niet van toepassing. De bepalingen moeten uiterlijk in 2012 in werking treden.

De bepalingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie, die zijn opgenomen in de wet van 26 april 2007, zullen eerst in werking moeten treden.

Voor de inwerkingtreding zijn echter nog een aantal administratieve formaliteiten nodig. Daaraan wordt nu gewerkt. De TBR-dossiers moeten worden afgehandeld door de dienst Individuele gevallen, waarna de strafuitvoeringsrechtbank een samenvatting moet maken van elk lopend dossier. Bovendien is voor de inwerkingtreding een koninklijk besluit nodig. Er moet ook een ministeriële rondzendbrief worden opgesteld.

De vraag rijst of het nodig is sommige bepalingen van de wet van 26 april 2007 nu al te herzien. De evaluatie is aan de gang.

De wet van 21 april 2007 betreffende de internering wordt geëvalueerd door de werkgroep Internering, onder de leiding van de procureur-generaal van het parket van Luik. Hoewel de wet nog niet in werking is getreden, onderzoekt de werkgroep de juridische vragen en problemen die door de wet worden opgeworpen. De werkzaamheden van de werkgroep hebben uiteraard mijn bijzondere aandacht.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. We zullen de zaak in de commissie voor de Justitie van de Senaat blijven volgen.

Omdat het probleem van de internering geregeld voorkomt, is het belangrijk te weten welke bepalingen terzake gelden. Een evaluatie is een goede zaak, maar in de huidige stand van zaken gaat het om de evaluatie van een wettekst, daar de wet nog niet van toepassing is. Ik vind het uitermate belangrijk dat zowel de regering als het Parlement zich speciaal met die problemen bezighouden.

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Justitie over «het toekomstige Justitiepaleis van Eupen» (nr. 4-705)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Berni Collas (MR). - Ik heb al verschillende vragen gesteld over dit onderwerp.

Tussen 2003 en 2008 heb ik drie schriftelijke vragen ingediend met de nummers 3-1685, 3-1898 en 4-2540.

Verwijzend naar een recent artikel in Grenz-Echo wil ik nogmaals uw aandacht vestigen op de klachten van de Eupense magistraten en op de wenselijkheid dringend een nieuw justitiepaleis te bouwen.

De huidige infrastructuur bevindt zich in een zorgwekkende toestand: de slechte toegankelijkheid voor mindervaliden, de afwezigheid van een vergaderzaal, een lift en een WC voor bezoekers zijn enkele voorbeelden die twee magistraten in een interview in Grenz-Echo van 20 januari 2009 aanhalen.

De verantwoordelijken van de plaatselijke hulpdiensten, van de brandweer, hebben overigens een waslijst van veiligheidsrisico's in het huidige justitiepaleis opgesteld.

`Als privégebouw was dit al lang gesloten' kopt Grenz-Echo op 20 januari 2009.

In haar antwoord op mijn schriftelijke vraag nummer 3-1898 van 4 maart 2005 kondigde de gewezen minister van Justitie onder andere aan dat men de werken tegen het tweede kwartaal van 2007 zou aanvatten. `Op voorwaarde uiteraard dat de budgettaire middelen voor het project beschikbaar zijn', voegde ze eraan toe.

Wat is de stand van zaken in dat dossier? Is er nieuws over het begin van de werkzaamheden?

Welk budget is voor dat project voorhanden?

Wanneer zijn die middelen beschikbaar?

Kunt u preciseren om welke redenen het dossier blijft aanslepen?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de minister.

Het project behelst de groepering van alle gerechtelijke diensten op terreinen aan de `Rathausplatz', enerzijds in een nieuwbouw aan de achterzijde van het gebouw waarin momenteel de rechtbank van eerste aanleg en het parket van de procureur des Konings gehuisvest zijn, en anderzijds, na ingrijpende renovatie- en verbouwingswerken, in datzelfde gebouw en in het aanpalende gebouw, `Rathausplatz' nummer 10, dat eigendom is van de Staat en gedeeltelijk wordt ingenomen door het restaurant van de FOD Financiën, en voor de rest in een huurpand van de Stad Eupen, evenals op de plaats van verschillende af te breken woningen die onlangs in de nabijheid van bovengenoemde gebouwen werden onteigend.

Volgens de administratie van de Regie der Gebouwen bevindt het dossier zich in de fase van het voorontwerp bij de inspecteur van Financiën bij de Regie.

De werken zouden kunnen beginnen in 2010 in het kader van een promotieopdracht die na een offerteaanvraag wordt toegekend.

De duur van de werken wordt op ongeveer drie jaar geschat voor de eerste fase, namelijk de nieuwbouw, en op ongeveer twee jaar voor de tweede fase, namelijk de ingrijpende renovatie.

Voor meer details en voor de bekrachtiging van de planning door de administratie van de Regie der Gebouwen nodig ik u uit u te richten tot de minister van Financiën die het toezicht heeft over de Regie der Gebouwen.

Op 20 april 2007 heeft de ministerraad een krediet van 20,4 miljoen euro, BTW inbegrepen, goedgekeurd.

De FOD Justitie heeft de Regie der Gebouwen verschillende keren moeten meedelen dat hij zijn behoeften diende aan te passen, ten gevolge waarvan de bruto-nettoverhouding is gestegen. Men heeft dus ook het dossier moeten aanpassen. Het huidige restaurant van de FOD Financiën aan de Rathausplatz, zal met het oog op schaalvoordelen in het nieuwe justitiepaleis worden ondergebracht.

De heer Berni Collas (MR). - Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoord. Ik onthoud dat we in het beste geval pas in 2016 over de nieuwe infrastructuur zullen kunnen beschikken.

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de minister van Justitie over «valse rijbewijzen» (nr. 4-676)

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de staatssecretaris voor Mobiliteit over «valse buitenlandse rijbewijzen» (nr. 4-677)

De voorzitter. - Ik stel voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Vorige week was in de pers te lezen dat zowat 10 000 mensen van vreemde afkomst hun rijbewijs uit hun land van herkomst probleemloos hebben ingeruild voor een Belgisch exemplaar. Toch wordt aan de hand van enkele getuigenissen gesuggereerd dat ze de oorspronkelijke documenten vaak gewoon kochten of dat het om een vervalst exemplaar ging.

Sommige exemplaren zijn goed nagemaakt en daardoor moeilijk te detecteren. Bovendien zijn de gemeenteambtenaren die ze moeten ruilen, er niet in gespecialiseerd valse van echte exemplaren te onderscheiden. Bij twijfel kunnen ze echter het document naar de Centrale Dienst voor de bestrijding van valsheden van de federale politie sturen.

In 2007 onderschepte deze dienst 1982 valse buitenlandse rijbewijzen, wat neerkomt op een vijfde van alle omgeruilde exemplaren. Niet alleen komt door het grote aantal valse rijbewijzen de verkeersveiligheid in het gedrang, ook betekent deze valsheid in geschrifte een strafrechtelijke inbreuk.

Welke sanctie werd aan de indieners van 1982 valse documenten opgelegd?

Hoeveel strafvorderingen werden er ingesteld?

Hoeveel overtreders werden veroordeeld voor valsheid in geschrifte?

Mijn tweede vraag is aan staatssecretaris Schouppe zelf gericht.

Zoals ik al zei, onderschepte de Centrale Dienst voor de bestrijding van valsheden van de federale politie in 2007 1982 valse buitenlandse rijbewijzen, wat neerkomt op een vijfde van alle omgeruilde exemplaren. Hoeveel buitenlanders er zonder rijbekwaamheid op onze wegen rondrijden, weet niemand.

In een verklaring voor de pers wijst de staatssecretaris op de talloze verdragen die België met niet-Europese landen heeft gesloten als de kern van het probleem. Verdragsrechtelijke verplichtingen kunnen echter niet boven de rechtsregel fraus omnia corrumpit worden gesteld.

Waarom wordt niet in alle gevallen het document aan de Centrale Dienst overgemaakt, daar zij toch gespecialiseerd zijn en efficiënter vervalsingen kunnen opsporen?

Sluiten verdragsrechtelijke bepalingen uit dat, in geval van inruiling, de bevoegde instanties in het land van herkomst de geldigheid van het rijbewijs bevestigen en dat, indien er geen of een negatief antwoord komt, de betrokkene alsnog een bekwaamheidstest in ons land dient af te leggen?

Welke sanctie werd aan de indieners van 1982 valse documenten opgelegd? Het gaat hier immers om valsheid in geschrifte. Werden er strafvorderingen tegen deze overtreders ingesteld?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik wens het geachte lid er eerst en vooral op te wijzen dat ik twee weken geleden uitgebreid heb geantwoord op een vraag vanmevrouw Jansegers over dezelfde problematiek.

Ik heb toen beklemtoond dat we de problematiek van de inruiling van valse rijbewijzen in de juiste context moeten bekijken. Mogelijk gaat het om 15 tot 20% van de rijbewijzen die afkomstig zijn van landen waarover we twijfels zouden kunnen hebben, maar het is absoluut niet bewezen dat de rijbewijzen van die landen vervalst of gekocht zijn.

Het systeem dat we in het leven hebben geroepen, werkt volgens mij relatief goed. Jaarlijks onderscheppen we immers een kleine tweeduizend valse buitenlandse rijbewijzen.

De procedure is als volgt: de gemeenten beschikken over een specimen van alle buitenlandse rijbewijzen die voor inruiling in aanmerking komen. In geval van twijfel schakelen ze de Centrale Dienst voor de bestrijding van de valsheden van de Federale Politie in.

Het voorstel om verplicht alle buitenlandse rijbewijzen ter verificatie aan die dienst door te sturen, lijkt me in elk geval overdreven. We zouden dit moeten doen voor alle tienduizend rijbewijzen, terwijl er in de meeste gevallen geen enkel probleem is. Als we het voor één land verplicht maken en voor een ander land niet, dan moeten we daarvoor zeer goede redenen kunnen inroepen, anders maken we ons schuldig aan discriminatie. Als we vaststellen dat voor een bepaald land de rijbewijsvoorwaarden niet meer vervuld zijn, dan zetten we de inruiling voor alle rijbewijzen van dat land stop. In de jaren negentig is dat voor drie landen gebeurd.

Ten eerste moeten we zeker en vast onze controle op de buitenlandse rijbewijzen aanscherpen. Ten tweede moet de administratie nauwlettender in het oog houden hoe het aantal vastgestelde vervalsingen van bepaalde landen evolueert en vervolgens korter op de bal spelen om onregelmatigheden aan het betrokken land te signaleren en desnoods het bilateraal akkoord opzeggen.

Krachtens internationale en bilaterale akkoorden zijn we verplicht om een buitenlands rijbewijs in te ruilen als het rijbewijs authentiek wordt bevonden en de desbetreffende administratieve voorwaarden vervuld zijn. Een terugkoppeling naar de bevoegde instanties in het land van herkomst is niet opgenomen in de akkoorden.

Ik lees nu het antwoord van de minister van Justitie op de eerste vraag.

De Centrale Dienst voor de bestrijding van valsheden van de Federale Politie kan inderdaad buitenlandse rijbewijzen op hun echtheid onderzoeken. Deze dienst registreert het aantal gedetecteerde valse rijbewijzen.

Indien de dienst vaststelt dat een rijbewijs vals is, stelt ze daarvan proces-verbaal op en zendt het voor verder gevolg over aan de parketten. De parketten registreren die gevallen evenwel niet afzonderlijk van andere dossiers waarin valsheid in geschrifte of het gebruik van een vals stuk werd vastgesteld. Ze registreren alle dossiers die betrekking hebben op valsheid in geschrifte of het gebruik van een vals stuk, immers onder een en dezelfde code.

Bijgevolg kan de minister van Justitie niet antwoorden op de vragen omtrent de opgelegde sancties, het aantal ingestelde strafvorderingen en het aantal veroordelingen wegens vervalsing van een rijbewijs.

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Het verwondert me dat de regering zo weinig precies kan antwoorden op parlementaire vragen. Voor zowat alle punten draait ze flink om de zaak heen. Ik betreur vooral dat op de laatste vraag niet is geantwoord.

Als de diensten op een totaal van tienduizend rijbewijzen er tweeduizend valse weten te onderscheppen, is het misschien toch wel goed om alle rijbewijzen grondig te bekijken. Dat kan toch geen al te grote kosten veroorzaken.

Ik heb echter begrepen dat de regering niet op die suggestie wenst in te gaan.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats donderdag 12 februari om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 18.50 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de dames Jansegers en Lizin, de heren Dubié en Martens, om gezondheidsredenen.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 62
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 11

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Anne Delvaux, Alain Destexhe, Roland Duchatelet, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Yves Leterme, Nele Lijnen, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Martine Taelman, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Karim Van Overmeire, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Marcel Cheron, José Daras, Vera Dua, Isabelle Durant, Freya Piryns, Carine Russo, Guy Swennen, Marleen Temmerman, Lieve Van Ermen, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke.

Stemming 2

Aanwezig: 64
Voor: 51
Tegen: 6
Onthoudingen: 7

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Anne Delvaux, Alain Destexhe, Roland Duchatelet, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Yves Leterme, Nele Lijnen, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Miet Smet, Martine Taelman, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Karim Van Overmeire, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.

Tegen

Marcel Cheron, José Daras, Vera Dua, Isabelle Durant, Freya Piryns, Carine Russo.

Onthoudingen

Louis Ide, Helga Stevens, Guy Swennen, Marleen Temmerman, Lieve Van Ermen, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke.

Stemming 3

Aanwezig: 65
Voor: 65
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Anne Delvaux, Alain Destexhe, Vera Dua, Roland Duchatelet, Isabelle Durant, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Yves Leterme, Nele Lijnen, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Carine Russo, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Marleen Temmerman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek betreffende het statuut van levenloos geboren kinderen (van de dames Anne Delvaux en Vanessa Matz; Stuk 4-1150/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 31bis van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, wat de financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden betreft (van de heer Geert Lambert; Stuk 4-1160/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 teneinde het hoogst aftrekbare bedrag van de onkostenvergoeding voor kinderoppas te verhogen (van mevrouw Nele Lijnen; Stuk 4-1161/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Voorstellen van resolutie

Voorstel van resolutie tot invoering van een jaarlijkse publicatie via internet van scoretabellen betreffende nosocomiale infecties in ziekenhuizen en rust- en verzorgingstehuizen (van mevrouw Lieve Van Ermen; Stuk 4-1154/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie over de strijd tegen de mensenhandel (van mevrouw Nahima Lanjri c.s.; Stuk 4-1155/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie betreffende de herziening van de akkoorden en regelgeving inzake de inwisseling van rijbewijzen (van mevrouw Nele Jansegers; Stuk 4-1156/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie betreffende de verdere terugdringing van de wereldwijde leprabesmetting (van mevrouw Els Schelfhout en de heer Pol Van Den Driessche; Stuk 4-1157/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Voorstel van resolutie betreffende de invoering van een Carrière Planning Systeem (CPS) (van mevrouw Nahima Lanjri c.s.; Stuk 4-1159/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 29 januari 2009 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsontwerp tot vaststelling van de totale kostprijs van de dienst van de gewestelijke belastingen, in uitvoering van artikel 68ter van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten (Stuk 4-1153/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichtingen van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen (Stuk 4-1151/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 30 januari 2009; de uiterste datum voor evocatie is maandag 16 februari 2009.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 29 januari 2009.

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 8bis van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, om de wachttijd voor de vaststelling van een handicap in te korten (van mevrouw Stéphanie Anseeuw c.s.; Stuk 4-1152/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 30 januari 2009; de onderzoekstermijn, die overeenkomstig artikel 79, eerste lid, van de Grondwet 15 dagen bedraagt, verstrijkt op maandag 16 februari 2009.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 29 januari 2009.

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Kennisgeving

Wetsontwerp houdende instemming met het Aanvullend Protocol, ondertekend te Rabat op 19 maart 2007, bij de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko inzake bijstand aan gedetineerde personen en overbrenging van gevonniste personen, ondertekend te Brussel op 7 juli 1997 (van de Regering; Stuk 4-940/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 29 januari 2009 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Speciale administratieve Regio van Hongkong van de Volksrepubliek China betreffende de overbrenging van gevonniste personen, ondertekend te Brussel op 8 november 2006 (van de Regering; Stuk 4-941/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 29 januari 2009 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Tweede aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gedaan te Straatsburg op 8 november 2001 (van de Regering; Stuk 4-943/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 29 januari 2009 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Democratische Republiek Congo tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontduiken en het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en met het Protocol, ondertekend te Brussel op 23 mei 2007 (van de Regering; Stuk 4-946/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 29 januari 2009 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Rwanda tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontduiken en het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en met het Protocol, ondertekend te Kigali op 16 april 2007 (van de Regering; Stuk 4-947/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 29 januari 2009 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst betreffende de deelname van de Republiek Bulgarije en Roemenië aan de Europese Economische Ruimte, en met de Slotakte, gedaan te Brussel op 25 juli 2007 (van de Regering; Stuk 4-978/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 29 januari 2009 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Besluit van de Raad van de Europese Unie van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (van de Regering; Stuk 4-1090/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 29 januari 2009 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met volgende Internationale Akten:

ondertekend te Brussel op 9 juli 2008 (van de Regering; Stuk 4-1109/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 29 januari 2009 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Indiening van een wetsontwerp

De Regering heeft volgend wetsontwerp ingediend:

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Tunesië tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontduiken en het ontgaan van belastingen inzake belasting naar het inkomen en naar het vermogen, en met het Protocol, ondertekend te Tunis op 7 oktober 2004 (van de Regering; Stuk 4-1163/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Grondwettelijk Hof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Belgisch-Kongolees Fonds voor delging en beheer

Bij brief van 11 december 2008 heeft de voorzitter van het Belgisch-Kongolees Fonds voor delging en beheer, overeenkomstig artikel 2 van de wet van 8 september 1983 aan de Senaat overgezonden het jaarverslag van het Belgisch-Kongolees Fonds voor delging en beheer voor 2007-2008.

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Commissie voor de regulering van de elektriciteit en het gas

Bij brief van 28 januari 2009 heeft de minister van Klimaat en Energie, overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 en artikel 14 van het koninklijk besluit van 29 februari 2004 aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag van de Commissie voor de regulering van de elektriciteit en het gas voor het jaar 2007.

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.