2-92

2-92

Belgische Senaat

2-92

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 1 FEBRUARI 2001 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Wetsontwerp tot wijziging van de wetgeving betreffende het verlof voor de uitoefening van een politiek mandaat, wat de burgemeester, schepenen en OCMW-voorzitter betreft en tot invoering van een suppletief sociaal statuut voor de OCMW-voorzitter (Stuk 2-608) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisieomroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad (Stuk 2-602) (Evocatieprocedure)

Onderzoek van de geloofsbrieven en eedaflegging van nieuwe leden

In memoriam Hare Majesteit Marie-Josť, Koningin van ItaliŽ, Prinses van BelgiŽ

Benoemingscommissies voor het notariaat - Ontslag en vervanging van een lid

Samenstelling van commissies

Inoverwegingneming van een voorstel

Mondelinge vragen

Wetsontwerp tot wijziging van de wetgeving betreffende het verlof voor de uitoefening van een politiek mandaat, wat de burgemeester, schepenen en OCMW-voorzitter betreft en tot invoering van een suppletief sociaal statuut voor de OCMW-voorzitter (Stuk 2-608) (Evocatieprocedure)

Wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 19bis in de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (van de heer Philippe Monfils, Stuk 2-427)

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over ębeendermeel in gelatine voor menselijke consumptieĽ (nr. 2-321)

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over ęhet gebruik en de verkoop van medicijnen op natuurlijke basisĽ (nr. 2-322)

Vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over ęzijn aanwezigheid op de begrafenis van president KabilaĽ (nr. 2-331)

Vraag om uitleg van de heer Josy Dubiť aan de minister van Justitie over ęde omzetting in de Belgische rechtsorde van de UNO-Overeenkomst van 10 december 1984 tegen foltering en andere straffen of wrede, onmenselijke of vernederende behandelingenĽ (nr. 2-328)

Vraag om uitleg van de heer Philippe Mahoux aan de minister van Justitie over ęde omzetting in de Belgische rechtsorde van de UNO-Overeenkomst van 10 december 1984 tegen foltering en andere straffen of wrede, onmenselijke of vernederende behandelingenĽ (nr. 2-339)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Justitie over ęde toepassing van de nieuwe regels inzake de nationaliteitĽ (nr. 2-320)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisieomroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad (Stuk 2-602) (Evocatieprocedure)

Samenstelling van commissies

Regeling van de werkzaamheden

Stemmingen

Vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over ęde besmetting door het gebruik van het inactieve antisepticum Cidex in een aantal ziekenhuizenĽ (nr. 2-318)

Vraag om uitleg van de heer Alain Destexhe aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over ęde verdere opvolging van de Cidex-crisisĽ (nr. 2-324)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Justitie over ęadoptie en de nieuwe mediaĽ (nr. 2-329)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Justitie over ęde informaticamiddelen die ter beschikking worden gesteld van de griffie van de Rechtbank van koophandel te BrusselĽ (nr. 2-334)

Vraag om uitleg van de heer Jan Remans aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over ęhet programma rond informatiebeheer, informatieverspreiding en kwaliteitsevaluatie van de medische praktijkenĽ (nr. 2-327)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Wetsontwerp tot wijziging van de wetgeving betreffende het verlof voor de uitoefening van een politiek mandaat, wat de burgemeester, schepenen en OCMW-voorzitter betreft en tot invoering van een suppletief sociaal statuut voor de OCMW-voorzitter (Stuk 2-608) (Evocatieprocedure)

Voorstel tot terugzending

De heer Johan Malcorps (AGALEV), rapporteur. - Ik vraag de terugzending van het wetsontwerp naar de commissie. Opdat de tekst coherent zou zijn, moet er namelijk nog een amendement worden besproken. Als iedereen het daarmee eens is, kunnen we dit ontwerp straks nog in de plenaire vergadering bespreken.

De voorzitter. - Is iedereen het eens met dit voorstel tot terugzending naar de commissie? (Instemming)

-Tot terugzending wordt besloten.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisieomroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad (Stuk 2-602) (Evocatieprocedure)

Voorstel tot terugzending

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Er werd een amendement ingediend. De Senaat had 30 dagen om het ontwerp te evoceren. Als vandaag over het voorstel wordt gestemd met het eventuele amendement, keert het ontwerp terug naar de commissie en zou het in de plenaire vergadering van volgende donderdag worden besproken, dat is ťťn dag na het verstrijken van de termijn. Dat betekent dat de tekst van de Kamer wordt aangenomen en dat eventuele wijzigingen van de Senaat niet in aanmerking worden genomen. Daarom is mijn vraag of de aanwezige collega's dit amendement meteen naar de commissie willen terugzenden om het te bespreken en, indien het in de commissie wordt aangenomen, het in de plenaire vergadering te behandelen. Zo hoeft het ontwerp slechts ťťnmaal te worden besproken en kan het vandaag worden aangenomen. Ik heb het nu over de procedure en wil niet vooruitlopen op het debat over de inhoud.

De heer Ludwig Caluwť (CVP). - Ik heb er geen bezwaar tegen dat deze aangelegenheid opnieuw in de commissie wordt besproken. Men moet echter goed beseffen dat wij in de commissie reeds een amendement hadden ingediend dat ertoe strekte artikel 13 te schrappen. Het verheugt mij dat de PRL dit amendement heeft overgenomen, ik heb het overigens opnieuw in de plenaire vergadering ingediend. Ik herhaal dat het dus niet om een nieuw amendement gaat. Het werd in de commissie bij staking van stemmen verworpen.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Mijnheer Caluwť, er was inderdaad een amendement tot schrapping van artikel 13. De indieners van het amendement tot schrapping van artikel 13, de heren de Clippele en Roelants du Vivier hebben het ingetrokken. Vandaag werd evenwel een nieuw amendement ingediend dat ertoe strekt artikel 13 te wijzigen. Het werd ingediend door de heren Moureaux en de Clippele, mevrouw Nagy en de heer Daif en bepaalt dat een samenwerkingsakkoord zal worden gesloten met de bevoegde cultuurministers voor het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad over de bestemming van de bedragen die eventueel zullen worden geÔnd.

Dit is op dit ogenblik het enige amendement. Kan de commissie dit amendement vanmiddag bespreken zodat het dossier klaar is tegen 17 uur?

De voorzitter. - Mijnheer Caluwť, het gaat niet om de schrapping van een artikel, maar om het herschrijven ervan.

De heer Ludwig Caluwť (CVP). - Er zijn twee afzonderlijke amendementen. Ik heb mijn oud amendement immers opnieuw ingediend omdat wij de schrapping van het artikel blijven verdedigen.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - De commissie kan dus beraadslagen en beslissen over de twee ingediende amendementen. Dat is geen enkel probleem.

-Tot terugzending wordt besloten.

Onderzoek van de geloofsbrieven en eedaflegging van nieuwe leden

De voorzitter. - Bij de Senaat is het dossier aanhangig van de heer Jan Steverlynck, senator-opvolger voor het Nederlandse kiescollege, die in aanmerking komt om het mandaat van de heer Jean-Luc Dehaene, die ontslag heeft genomen, te voltooien.

Het bureau is zopas bijeengekomen om de geloofsbrieven van de heer Jan Steverlynck te onderzoeken.

Ik stel u voor onmiddellijk het verslag van het Bureau te horen. (Instemming)

Dan verzoek ik de heer Moens, rapporteur, kennis te geven van het verslag van het Bureau.

De heer Guy Moens (SP), rapporteur. - De heer Jan Steverlynck, die op 13 juni 1999 tot eerste opvolger van lijst nr. 8 voor het Nederlandse kiescollege is verkozen, en wiens geloofsbrieven als zodanig op 1 juli 1999 door de Senaat geldig zijn verklaard, komt in aanmerking om het mandaat te voltooien van de heer Jean-Luc Dehaene, die met ingang van 1 februari 2001 ontslag heeft genomen.

Overeenkomstig artikel 235 van het Kieswetboek is het Bureau overgegaan tot een aanvullend onderzoek van de geloofsbrieven van de heer Jan Steverlynck. Het Bureau heeft vastgesteld dat hij nog steeds aan de verkiesbaarheidsvereisten, opgelegd door de Grondwet, voldoet.

Bijgevolg heeft het Bureau de eer u eenparig voor te stellen, de heer Jan Steverlynck als lid van de Senaat toe te laten.

-De besluiten van het verslag worden aangenomen.

-De heer Jan Steverlynck legt de grondwettelijke eed af.

De voorzitter. - Ik geef de heer Jan Steverlynck akte van zijn eedaflegging en verklaar hem aangesteld in zijn functie van senator. (Algemeen applaus)

Bij de Senaat is het dossier aanhangig van mevrouw Fatma Pehlivan, aangewezen als gecoŲpteerd senator, ter vervanging van mevrouw Kathy Lindekens, die ontslag heeft genomen.

Het bureau is zopas bijeengekomen om de geloofsbrieven van mevrouw Fatma Pehlivan te onderzoeken.

Ik stel u voor onmiddellijk het verslag van het Bureau te horen. (Instemming)

Dan verzoek ik de heer Moens, rapporteur, kennis te geven van het verslag van het Bureau.

De heer Guy Moens (SP), rapporteur. - Het Bureau heeft kennis genomen van de aanwijzing gedaan op 29 januari jl. door de SP-fractie ten einde te voorzien in de vervanging van mevrouw Kathy Lindekens, die ontslag heeft genomen.

Het Bureau heeft vastgesteld dat het voorgelegde document ondertekend is door de meerderheid van de rechtstreeks gekozen senatoren en van de gemeenschapssenatoren die tot deze fractie behoren en dat mevrouw Fatma Pehlivan, aangewezen als gecoŲpteerd senator, aan alle verkiesbaaarheidsvereisten opgelegd door de Grondwet voldoet.

Bijgevolg heeft het Bureau de eer u voor te stellen mevrouw Fatma Pehlivan als lid van de Senaat toe te laten.

-De besluiten van het verslag worden aangenomen.

-Mevrouw Fatma Pehlivan legt de grondwettelijke eed af.

De voorzitter. - Ik geef mevrouw Fatma Pehlivan akte van haar eedaflegging en verklaar haar aangesteld in haar functie van senator. (Algemeen applaus)

In memoriam Hare Majesteit Marie-Josť, Koningin van ItaliŽ, Prinses van BelgiŽ

De voorzitter (voor de staande vergadering). - Hare Majesteit Marie-Josť, Koningin van ItaliŽ, Prinses van BelgiŽ, is zaterdag jongstleden in GenŤve ontslapen.

De jongste dochter van Koning Albert en van Koningin Elisabeth wordt in 1906 in Oostende geboren. Zoals haar broers, de toekomstige Koning Leopold III, en Karel, de toekomstige Regent, ontdekt zij - als kind nog - de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog.

Na de Wapenstilstand neemt zij met de hele koninklijke familie deel aan de blijde intrede in Brussel, met als hoogtepunt de halte bij het Parlement, waar Koning Albert een historische rede zal uitspreken, waarin hij onder meer het invoeren van het algemeen stemrecht en de oprichting van een Vlaamse universiteit in Gent aankondigt.

In 1930 verlaat zij BelgiŽ voor ItaliŽ, waar zij met erfprins Umberto huwt. Door haar verzet tegen het fascisme van Mussolini, komt zij in de Italiaanse koninklijke familie in een delicate positie terecht.

Dankzij de informatie die zij inwint tijdens haar gesprekken met de Italiaanse overheid, kan zij in december 1939 haar broer, Leopold III, waarschuwen voor de gevaren die BelgiŽ bedreigen.

Na de Tweede Wereldoorlog is haar bewind aan de zijde van Umberto van korte duur, aangezien een referendum op 2 juni 1946, een maand na de troonsbestijging van haar echtgenoot, een einde maakt aan de monarchie en de republiek invoert.

Koningin Marie-Josť, die de Italiaanse geschiedenis ingegaan is als de "Meikoningin", kent van dan af samen met haar vier kinderen de beproevingen van de ballingschap, eerst in Portugal en vervolgens in Zwitserland en in Mexico.

De talrijke feestelijkheden die in 1930 in Rome werden georganiseerd naar aanleiding van haar huwelijk, werden besloten met een opera van Verdi, waarvan de titel een voorteken zou kunnen zijn: "La Forza del Destino".

De Macht van het Lot was heel dikwijls misleidend en soms belastend voor deze koningin-van-ťťn-maand, die het grootste gedeelte van haar leven buiten haar land, zowel haar vaderland als haar adoptieland heeft doorgebracht.

Nochtans zal zij met moed en waardigheid de tegenslagen het hoofd bieden. Zoals haar moeder zal zij talrijke schrijvers, kunstenaars en musici ontmoeten en aanmoedigen. Haar passie voor de geschiedenis en haar literair talent hebben ons onder meer boeiende memoires gelaten onder de titel "Albert en Elisabeth van BelgiŽ, mijn ouders".

Van deze grote dame, die de Belgen al te weinig hebben gekend, zal ons het beeld bijblijven van een levendige en opgeruimde Prinses, wilskrachtig en anticonformistisch, met een groot plichtsbesef, met liefde voor het schone en bezorgd om het welzijn van de mensen.

In naam van de Hoge Vergadering heb ik het rouwregister in het Paleis van Brussel ondertekend.

De heer Andrť Flahaut, minister van Landsverdediging. - Namens de regering sluit ik mij aan bij het rouwbeklag ter nagedachtenis van H.M. Marie-Josť, Koningin van ItaliŽ, Prinses van BelgiŽ, dochter van Albert I, zuster van Leopold III en tante van Albert II. De prinses is door het leven zwaar op de proef gesteld. Naast het leed veroorzaakt door de twee wereldoorlogen die haar generatie diep hebben geraakt, deelde zij ook in het leed van de Italiaanse koninklijke familie, die in 1943 uit ItaliŽ werd verdreven.

Haar kinderen en kleinkinderen leven thans verspreid over de wereld. In de hoop dat de toekomst mag verenigen wat de 20e eeuw heeft gescheiden, bieden wij de koninklijke familie onze oprechte deelneming aan.

(De vergadering neemt een minuut stilte in acht.)

Benoemingscommissies voor het notariaat - Ontslag en vervanging van een lid

De voorzitter. - Bij brief van 22 januari 2001 deelt de voorzitter van de Nederlandstalige Benoemingscommissie voor het notariaat mede dat begin dit jaar mevrouw Vanessa Vens haar ontslag indiende als lid niet-notaris in de Benoemingscommissies voor het notariaat.

Mevrouw Vanessa Vens werd, tijdens de plenaire vergadering van 6 april 2000, tot effectief lid van de Nederlandstalige Benoemingscommissie aangewezen, in de hoedanigheid van extern lid.

Overeenkomstig artikel 38, ß7, derde lid, van de wet van 25 ventŰse jaar XI op het notarisambt, zoals gewijzigd door de wet van 4 mei 1999, wordt zij van rechtswege opgevolgd door haar plaatsvervanger, de heer Dirk Meulemans.

De Senaat zal derhalve tijdens een volgende plenaire vergadering in de aanwijzing van een nieuw plaatsvervangend lid moeten voorzien.

Overeenkomstig artikel 83.2 van het Reglement van de Senaat heeft het Bureau beslist om kandidaatstellingen voor deze vacature te ontvangen tot uiterlijk 28 februari 2001. De vacature zal worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Samenstelling van commissies

De voorzitter. - Bij de Senaat is een voorstel ingediend om in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, de heer Jacques Santkin door de heer Jean-FranÁois Istasse te vervangen als effectief lid. (Instemming)

Inoverwegingneming van een voorstel

De voorzitter. - Aan de orde is de inoverwegingneming van het wetsvoorstel van mevrouw Taelman c.s. betreffende het recht van minderjarigen op toegang tot de rechter (2-626/1).

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vůůr het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat dit voorstel in overweging is genomen en verzonden naar de commissie voor de Justitie. (Instemming.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Frank Creyelman aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over ęhet gevaar van de extreemlinkse agitatie tegen het Westen in CongoĽ (nr. 2-476)

De voorzitter. - De heer Andrť Flahaut, minister van Landsverdediging, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.

De heer Frank Creyelman (VL. BLOK). - Enkele jaren geleden werden in Rwanda tienduizenden Tutsi's op de meest weerzinwekkende manier vermoord. Eťn van de aanstichters van de volkerenmoord was de vrije omroep Radio Tťlťvison Libres "Mille Collines" waarmee de Italiaanse Belg Giorgio Ruggio de Hutu's opriep om de Tutsi's af te slachten. In Congo speelt zich op dit ogenblik een scenario af dat sterke gelijkenissen vertoont met de situatie in Rwanda op de vooravond van de genocide. De afgelopen weken werd de voorman van de extreemlinkse PVDA, de Belg Ludo Martens, in de media opgevoerd als de grote kenner inzake het Congo van wijlen president Kabila. De PVDA-voorman behoort tot de intimi van het Congolese regime en heeft zelfs de status van presidentieel adviseur. De PVDA'er zaait haat tegen het Westen en vooral tegen BelgiŽ, Frankrijk en de Verenigde Staten. Hij roept zelfs op om Westerlingen aan te vallen. Martens wil blijkbaar een revolutionair klimaat creŽren om de installatie van een autoritair communistisch regime te vergemakkelijken. De invloed van deze antiwesterse agitatie kon reeds tijdens de begrafenis van Kabila door de Belgische delegatie zelf worden vastgesteld. In de situatie waarin Congo op dit ogenblik verkeert is een vonk voldoende om het kruitvat te laten ontploffen. Ik ben van mening dat er niet moet gewacht worden op een herhaling van de Rwandese volkerenmoord om alle wettelijke middelen in te zetten tegen het gestook van Ludo Martens en zijn PVDA in Congo.

Overweegt de Minister een onderzoek naar de agitatieactiviteiten van de PVDA en van Ludo Martens in Congo? Heeft de Minister aanwijzingen dat het `advies' van Ludo Martens aan de Congolese machthebbers de betrekkingen tussen Congo en de Belgische staat heeft geschaad? Welke middelen kan de Minister aanwenden om de invloed van de PVDA op het Congolese regime stop te zetten?

De heer Andrť Flahaut, minister van Landsverdediging. - De Belgische ambassade te Kinshasa is op de hoogte van de aanwezigheid en de activiteiten van de heer Ludo Martens aldaar. Hij treedt op als privť-persoon en maakt in deze context gebruik van zijn recht op vrije meningsuiting. Hij heeft nooit contact gezocht met onze ambassade. Hij bekleedt volgens onze ambassade geen officiŽle functie. Hij is vaak te horen en te zien op de audio-visuele media waar hij zijn gekende gedachtegoed benadrukt. Er zijn geen aanwijzingen bekend waaruit zou blijken dat hij invloed zou uitoefenen op het beleid van het Congolese regime. Ik neem geen matregelen. Deze vraag is dan ook zonder relevantie.

De heer Frank Creyelman (VL. BLOK). - Ik heb niets tegen de vrije meningsuiting. Onze partij is ťťn van de eersten om dat recht voor iedereen te bepleiten. Maar ook de heer Ruggio, die voor een stuk verantwoordelijk was voor de volkerenmoord, had eerst gebruik of misbruik gemaakt van het vrije recht op meningsuiting om mensen aan te zetten anderen te vermoorden. Als de minister zegt dat de heer Martens geen enkele activiteit aan de dag legt in Congo, dan wijs ik erop dat hij er presidentieel adviseur is en daar 130.000 frank per maand mee verdient. Ik hoop dat wij ongelijk krijgen. In dergelijke gevallen is het beter te voorkomen dan te genezen. Ik hoop ook dat de Belgische Staatsveiligheid de activiteiten van de heer Martens overal ter wereld beter gaat volgen naar analogie met wat er gebeurt tegenover het Vlaams Blok.

De heer Andrť Flahaut, minister van Landsverdediging. - Ik zal uw opmerkingen zeker mededelen aan mijn ambtgenoot van Buitenlandse Zaken.

Mondelinge vraag van mevrouw Erika Thijs aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over ęde ratificering van het aanvullend Protocol bij het KinderrechtenverdragĽ (nr. 2-481)

De voorzitter. - De heer Andrť Flahaut, minister van Landsverdediging, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.

Mevrouw Erika Thijs (CVP). - Op 25 mei 2000 nam de Algemene Vergadering van de VN een aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Rechten van het Kind aan. Hierdoor worden de gedwongen rekrutering en de rechtstreekse deelname aan gewapende conflicten van kinderen beneden de 18 jaar verboden. BelgiŽ heeft in dit debat steeds een vooruitstrevende rol gespeeld. Op 6 september 2000 heeft ons land dit aanvullend Protocol dan ook ondertekend. Dat het belangrijk is dat elk land het zo snel mogelijk ratificeert, ligt voor de hand. Tot op heden hebben slechts enkele landen waaronder Canada en Bangladesh dit gedaan.

Ten eerste, werd het Protocol reeds op de Ministerraad besproken? Zo ja, wat is de stand van zaken? Zal de regering het zo spoedig mogelijk ter ratificatie aan het parlement voorleggen?

Ten tweede, ik richt mij nu ook tot de minister van Landsverdediging, in welke mate moet de interne wetgeving, zoals de militiewetgeving en het statuut van de militaire school worden aangepast aan de nieuwe bepalingen van deze conventie? Indien dit het geval zou zijn, in hoeverre heeft de regering daartoe reeds maatregelen genomen?

De heer Andrť Flahaut, minister van Landsverdediging. - Ik lees het antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken.

Op 6 september heeft BelgiŽ, net als zijn partners van de Europese Unie, op de Millenniumtop van de Verenigde Naties, het facultatief Protocol bij de Conventie over de rechten van het kind getekend met betrekking tot het inzetten van kinderen in gewapende conflicten.

BelgiŽ heeft de nodige maatregelen getroffen om dit juridisch instrument, waaraan het het grootste belang hecht, te ratificeren. Er moet echter een coŲrdinatievergadering tussen de verschillende betrokken ministeries worden georganiseerd alvorens het dossier aan de Ministerraad wordt voorgelegd, teneinde aan een praktische vereiste betreffende de minimumleeftijd te kunnen beantwoorden.

Artikel 3, tweede lid, van het Protocol bepaalt immers dat elke verdragsluitende Staat bij de ratificatie van het Protocol of de toetreding tot dit instrument een bindende verklaring neerlegt die de minimumleeftijd vastlegt waarop het vrijwillig toetreden tot het nationale leger is toegestaan en waarin de garanties worden beschreven die erover moeten waken dat die toetreding niet met geweld of onder dwang geschiedt.

In de eerste helft van februari zal een interdepartementale vergadering plaatsvinden die de departementen van Buitenlandse Zaken, van Justitie en van Landsverdediging samenbrengt teneinde de instemming van alle betrokken partijen over de inhoud van de verklaring te krijgen. Het dossier zal vervolgens aan de Ministerraad worden voorgelegd.

Mijn departement is zich ten zeerste bewust van de noodzaak en de politieke opportuniteit om het Protocol zo snel mogelijk te ratificeren. Er dient te worden opgemerkt dat de lidstaten van de Europese Unie zich ertoe hebben verbonden het Protocol te ratificeren, indien mogelijk, vůůr de buitengewone zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties die gewijd is aan de rechten van het kind en plaatsvindt van 19 tot 21 september 2001 te New York, op het ogenblik dat BelgiŽ het Voorzitterschap van de EU waarneemt.

De eventuele aanpassing van de Belgische wetgeving naar aanleiding van het aannemen van het Protocol is een vraagstuk waarvoor mijn collega van Landsverdediging bevoegd is.

Het wetsontwerp waarover volgende week in de Kamer zou moeten worden gestemd, bevat inderdaad de bepalingen waarmee wij ons willen schikken naar het Protocol dat we nog moeten ratificeren. De leerlingen van de scholen voor onderofficieren die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt, mogen onder geen beding worden ingezet in gewapende conflicten of militaire operaties zoals die in Kosovo of Afrika.

Mevrouw Erika Thijs (CVP). - Ik dank de minister voor het antwoord namens de minister van Buitenlandse Zaken en voor zijn eigen antwoord.

Ik denk dat het goed is dat onze wetgeving zo snel mogelijk wordt aangepast, zodat we hierop niet kunnen worden gepakt door andere landen.

Mondelinge vraag van de heer Josy Dubiť aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over ęhet plan van de Verenigde Staten om een antirakettenschild uit te bouwenĽ (nr. 2-485)

De voorzitter. - De heer Andrť Flahaut, minister van Landsverdediging, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.

De heer Josy Dubiť (ECOLO). - Tijdens ťťn van zijn eerste publieke stellingnamen na zijn ambtsaanvaarding heeft de nieuwe president van de Verenigde Staten, de heer Georges Bush, bevestigd dat de uitbouw van een antirakettenschild ťťn van zijn prioriteiten op het gebied defensie bleef.

Dit zou ongetwijfeld de wapenwedloop weer op gang brengen, want het is volledig in strijd met het ABM-Verdrag dat in 1972 en later in 1974 met de Russen is gesloten en dat de raketafweer beperkt. Dit peperdure project zou het einde betekenen van de vermindering van de militaire uitgaven sedert de koude oorlog. Door het "evenwicht van de afschrikking" te verbreken in het voordeel van de Verenigde Staten zou het van dat land een supermacht maken die tegenover niemand nog rekenschap hoeft af te leggen, in het bijzonder niet tegenover haar NAVO-bondgenoten, waartoe wij behoren.

Dit vooruitzicht is min of meer krachtig veroordeeld door een aantal landen, in de eerste plaats Rusland, maar ook China, Canada, Frankrijk, Duitsland, enz.

Kan de minister ons zeggen wat het standpunt van BelgiŽ is met betrekking tot deze problematiek en welke maatregelen ons land zal nemen, eventueel in overleg met onze Europese partners? Zal de minister, wanneer BelgiŽ weldra het voorzitterschap van de Europese Unie op zich neemt, deze problematiek als prioriteit op de Europese agenda voor het buitenlands beleid plaatsen?

De heer Andrť Flahaut, minister van Landsverdediging. - Uit de eerste verklaringen van bepaalde leden van de nieuwe Amerikaanse regering blijkt dat het voornemen om een nationaal antirakettenschild te ontwikkelen een belangrijke plaats zal innemen in de besprekingen. Ik herinner eraan dat president Clinton vorige zomer beslist heeft de beslissing betreffende dit systeem uit te stellen.

In september vorig jaar reeds heeft de eerste minister in een brief aan president Clinton zijn bezorgdheid geuit over een unilaterale beslissing over een antirakettenschild, die gevolgen zou kunnen hebben voor onze ontwapeningsinspanningen.

Ik heb diezelfde bezorgdheid uitgedrukt voor de algemene vergadering van de Verenigde Naties. Wij vrezen immers voor de gevolgen van die beslissing op de belangrijke regeling inzake antiballistische raketten, ondertekend in 1972, maar ook op het geheel van onze betrekkingen met Rusland en op de strategische stabiliteit in de wereld.

BelgiŽ is niet principieel tegen het antirakettenschild. Ons land stelt alleen vast dat de politieke percepties, de analyse van de dreiging en de middelen om er het hoofd aan te bieden sterk variŽren. Er bestaat geen universeel antwoord op de dreiging. Een antirakettensysteem moet bijdragen tot de algemene stabiliteit en tot het wederzijdse vertrouwen. Beslissingen mogen niet alleen op een louter strategische basis worden genomen, maar moeten op een consensus berusten, zodat het grote politieke evenwicht behouden blijft.

Op 17 januari heeft de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, de heer Powell, zich er in de commissie voor de Internationale Betrekkingen van de Amerikaanse Senaat toe verbonden de raadplegingen met de geallieerde landen voort te zetten en andere landen, zoals Rusland en China, in te lichten over zijn intenties. Dat verheugt mij. Ik hoop dat de nieuwe Amerikaanse regering ons concrete voorstellen voor overleg doet. Ik verwacht ook dat ze met Rusland onderhandelingen start over de strategische verdediging in haar geheel.

Als minister van Landsverdediging voeg ik eraan toe dat dit punt ook is aangekaart in de Europese vergaderingen en in die van de NAVO. Ik heb destijds de aandacht van de minister van Buitenlandse Zaken, de heer Cohen, op deze kwestie gevestigd. Als ik mijn nieuwe Amerikaanse ambtgenoot ontmoet, zal ik hem dezelfde boodschap geven.

De heer Josy Dubiť (ECOLO). - Ik wilde ook weten of de minister van Buitenlandse Zaken, tijdens ons Europees voorzitterschap, dit punt als prioriteit van het Belgisch en Europees buitenlands beleid zal beschouwen.

De heer Andrť Flahaut, minister van Landsverdediging. - Daarop zou de minister van Buitenlandse Zaken zelf moeten antwoorden.

De heer Josy Dubiť (ECOLO). - Volgens de pers zou de kostprijs van dit eerste initiatief 60 miljard dollar bedragen. Als we conflicten willen voorkomen, zouden we eerder de oorzaken ervan moeten aanpakken. Die 60 miljard dollar zouden dus beter worden besteed om de oorzaken van de conflicten te bestrijden - ik denk in de eerste plaats aan de toenemende sociale kloof tussen arme en rijke landen -dan aan de uitbouw van een schild dat toch geen zin zal hebben.

De heer Andrť Flahaut, minister van Landsverdediging. - Ik ben daarvan overtuigd.

De voorzitter. - De 60 miljard dollar zijn al uitgegeven door de Verenigde Staten en staan dus los van de toekomstige begrotingen.

De heer Josy Dubiť (ECOLO). - Dat is nog erger!

De voorzitter. - Ik ben er persoonlijk van overtuigd dat de Verenigde Staten dit systeem zullen ontwikkelen. Ik stel dan ook voor dat de Senaat hierover binnenkort een grondig debat organiseert, zodat we ons kunnen voorbereiden op de besprekingen die zullen plaatshebben in het kader van onze betrekkingen met de Verenigde Staten en met Rusland en die waarschijnlijk jaren zullen duren.

De heer Josy Dubiť (ECOLO). - Dat wens ik ook.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Mijn fractie had het ook al over het belang van zulk een debat. Het zou dan ook nuttig zijn de tekst te laten ronddelen van de uiteenzetting die de heer George Mitchell van de Universiteit van Pitssburgh eergisteren gegeven heeft in het Hoger Instituut voor Defensie. Hij is erg kritisch over het antirakettenschild. Het zou zeer interessant zijn kennis te nemen van het grondige debat dat in de Verenigde Staten heeft plaatsgehad over de wijzigingen in de allianties die het zou kunnen teweegbrengen.

Ik vind dat wij niet naar ťťn Amerikaans standpunt moeten luisteren, maar dat we beide thesissen moeten horen.

Mondelinge vraag van de heer Francis Poty aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer, aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over ęde veiligheid van de Belgische stationsĽ (nr. 2-480)

De heer Francis Poty (PS). - De pers maakte onlangs de resultaten bekend van een recente studie over achtentwintig verkeersknooppunten in tien landen, vooral grote stations. Op die plaatsen brengen internationale treinen, pendeltreinen en metrostellen dagelijks tienduizenden reizigers aan.

Over het algemeen zijn de resultaten verbijsterend. We mogen niet uit het oog verliezen dat dit onderzoek plaatshad naar aanleiding van de recente rampen zoals die van de Mont Blanc en van Kaprun in Oostenrijk.

Voor BelgiŽ zijn de stations Brussel-Centraal en Brussel-Zuid onderzocht op een mogelijke snelle en massale evacuatie. Ook de aanduiding van de nooduitgangen is zorgvuldig bestudeerd. De beide stations krijgen inzake brandveiligheid de vermelding "gemiddeld". Inzake evacuatie krijgen ze daarentegen de vermelding "middelmatig". Beide stations herbergen evenwel verschillende vormen van openbaar vervoer, zodat de verantwoordelijk gedeeld is: NMBS, MIVB, Gewest, brandweer...

Heeft uw departement zich met dit dossier beziggehouden, naast de studie van de NMBS inzake evacuatiemogelijkheden in het Centraal-station?

Is voorzien in specifieke maatregelen om, in geval van een ramp in de belangrijkste stations van het land, de reizigers in de beste omstandigheden te evacueren?

Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. - De brandveiligheid in de stations is niet alleen een bezorgdheid van de NMBS, maar ook van andere actoren. Zo houden de MIVB, het Gewest en de brandweer zich in het algemeen ook met deze problematiek bezig, vooral in Brussel-Centraal en Brussel-Zuid.

Dat betekent niet dat de NMBS geen zorg draagt voor haar eigen installaties. Zo heeft ze zich niet beperkt tot een studie voor de twee betrokken stations, maar zorgt ze via concrete maatregelen voortdurend voor de veiligheid, in het bijzonder met betrekking tot de signalisatie inzake brandbeveiliging, inclusief het plaatsen van pictogrammen om de nooduitgangen aan te duiden en het aanbrengen van specifieke middelen voor brandbestrijding op plaatsen waar brand kan ontstaan.

De signalisatie waartoe de NMBS een jaar geleden heeft beslist, wordt thans aangebracht in Brussel-Zuid. Dit werk zou tegen 15 februari 2001 moeten zijn voltooid en zal de informatie aan het personeel en de reizigers verbeteren.

Vervolgens zullen die werken ook geschieden in Brussel-Centraal, Brussel-Noord en Luxemburg. Ze moeten tegen eind maart beŽindigd zijn. De gewone in- en uitgangen mogen in geval van nood ook als nooduitgang worden gebruikt, maar ze moeten wel duidelijk aangegeven zijn.

Naast de studie over de evacuatiecapaciteit in Brussel-Centraal heeft de NMBS ook de mogelijkheid van extra uitgangen bestudeerd en ze hoopt hiervoor de nodige bouwvergunningen te krijgen.

Het probleem van de brandveiligheid hangt af van de constructie van de stations, in het bijzonder van de toegankelijkheid ervan ondergronds. Volgens mij moet men, bij elke nieuwe infrastructuur, de voor- en nadelen van de ondergrondse bouw afwegen, niet alleen voor vervoerinstallaties, stations en dergelijke, maar voor alle ondergrondse installaties, omdat die per definitie voor meer problemen zorgen bij evacuaties.

Ik zal dit dossier dus blijven volgen, niet alleen wat de uitvoering van reeds genomen maatregelen of concrete acties op het terrein betreft, maar ook met betrekking tot het preventief operationeel overleg tussen de actoren. Voor elk station bestaat een rampenplan, dat is opgesteld door alle actoren, en een coŲrdinatie van de operaties. Die plannen zijn vooral opgesteld voor het geval van ontsporingen, maar ze hechten ook belang aan de evacuatie van reizigers en werknemers, vooral tijdens de spitsuren.

Het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft ook normen uitgevaardigd voor de nieuwe gebouwen en installaties, die aan strengere normen moeten voldoen.

Er bestaan ook licht aangepaste normen voor oude gebouwen.

Ook de burgemeesters zijn terzake bevoegd, en het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming, dat problemen regelt met betrekking tot de veiligheid van het personeel, is eveneens van toepassing.

Ik zal aandacht hebben voor de toepassing van de al genomen beslissingen, voor eventuele andere maatregelen in overeenstemming met de gevaren en voor het preventieve overleg met alle betrokkenen.

De heer Francis Poty (PS). - Ik dank de minister voor haar antwoord en voor haar levendige belangstelling voor dit dossier.

Mondelinge vraag van de heer Theo Kelchtermans aan de minister van Landsverdediging over ęde herlokalisatie van de 15e Wing te MelsbroekĽ (nr. 2-483)

De heer Theo Kelchtermans (CVP). - Een jaar geleden besliste de regering om een studie uit te voeren naar de mogelijkheden tot herlokalisatie van de 15de Wing te Melsbroek. Toen reeds werd in de media vooropgesteld dat een dergelijke herlokalisatie om en bij 7 miljard zou kunnen kosten en onlogisch zou zijn omdat de infrastructuur, wegens het frequent gebruik ervan door de regering en het Koningshuis, in de buurt van Brussel moet gelegen zijn. Sindsdien werden diverse scenario's van herlokalisatie gelanceerd. Zo ondermeer een overplaatsing naar Brustem, waar een verlaten infrastructuur voorhanden is. Anderen pretendeerden te weten dat de minister zelf alles in het werk stelde om een gehele dan wel gedeeltelijke overplaatsing naar Beauvechain te bewerkstelligen. Een tiental dagen geleden meende een lid van de meerderheid in de Kamer van volksvertegenwoordigers op de regionale TV wereldkundig te moeten maken dat hij wist wat de uitslag van het ingestelde onderzoek was, namelijk dat een herlokalisatie van de 15de Wing uit Melsbroek als niet opportuun werd beoordeeld wegens het kostprijsplaatje van 6 ŗ 8 miljard frank, afhankelijk van de plaats van herbestemming en wegens de noodzaak deze eenheid in de nabijheid van Brussel te houden.

Daarom vernam ik gaarne van de minister of het juist is dat de beoogde studie inmiddels is afgerond en tot welke conclusie ze komt? Welke repercussies heeft die conclusie in het kader van het "grote Zaventem-akkoord"? Wat blijft hiervan nog over?

De heer Andrť Flahaut, minister van Landsverdediging. - De studie over de eventuele verhuizing is inderdaad afgerond en de conclusies ervan zullen zeer binnenkort door de regering worden bekeken tijdens de bespreking van de Zaventem-problematiek in haar geheel. Het zou voorbarig zijn de resultaten van deze studie openbaar te maken in de besluitvormingsfase waarin de regering zich bevindt.

Zoals ik vorige week al antwoordde in de Kamer, werd met alle aspecten rekening gehouden, onder meer met de economische, de sociale, de technische en de veiligheidsaspecten. Alle mogelijkheden over heel het grondgebied werden onderzocht en de kostprijs loopt natuurlijk in de miljarden.

De beste oplossing zou er uiteraard in bestaan niet uit Melsbroek weg te gaan.

Ik ben vooral bekommerd om de veiligheid van de piloten. Ik heb er geen enkel belang bij dat de gekozen locatie zich in mijn kiesarrondissement bevindt. Alleen objectieve criteria zijn van belang: de kostprijs, de veiligheid en vooral de mening van het militaire personeel te Melsbroek, dat niet zal worden overgeplaatst zonder dat het wordt geraadpleegd.

De heer Theo Kelchtermans (CVP). - Met evenveel woorden heeft de minister in feite gezegd dat hij zal voorstellen niet te verhuizen.

De heer Andrť Flahaut, minister van Landsverdediging. - De verschillende voorstellen moeten trapsgewijs worden onderzocht evenals de mogelijkheid om in Melsbroek te blijven.

Mondelinge vraag van de heer Johan Malcorps aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over ęhet milieubeleidĽ (nr. 2-478)

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Het World Economic Forum publiceerde zopas een studie over het milieubeleid in de wereld. Daaruit blijkt dat BelgiŽ met een 79ste plaats zeer slecht scoort. We situeren ons tussen AlbaniŽ op de 78ste en RoemeniŽ op de 80ste plaats. BelgiŽ zou ook verschillende gegevens niet gemeld hebben aan het Forum.

We moeten dit wel enigszins nuanceren. De cijfers dateren van 1996. BelgiŽ is ook een zeer dichtbevolkt land. Er kunnen dus wel wat objectieve gronden voor deze slechte cijfers worden aangehaald. Maar dit neemt niet weg dat we ons toch zorgen moeten maken over de watervervuiling door overmatig pesticidengebruik en overbemesting en over de achterstand in de zuivering van het stedelijk afvalwater in Vlaanderen en vooral in Brussel.

Ook wat de luchtvervuiling betreft zijn we een hot spot regio, niet alleen door de uitstoot van het verkeer, maar ook van de industrie.

Een zeer slechte score - 10 op 100 en dus ruim gebuisd - kregen we voor ons nationaal milieu- en duurzaamheidsbeleid. Er moet een prioriteitenplan worden opgesteld in overleg tussen de federale overheid en de gewesten. Een dergelijk plan gaat verder dan het federaal plan voor duurzame ontwikkeling dat inmiddels tot stand kwam.

Het World Economic Forum vraagt BelgiŽ van het milieu- en duurzaamheidsbeleid een prioriteit te maken. Hoe zullen de minister en de regering dit aanpakken?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Het is duidelijk dat de resultaten die gepubliceerd zijn in de studie van het World Economic Forum voor BelgiŽ bijzonder negatief uitvallen. Er is geen enkele reden om dit te verstoppen.

De heer Malcorps zegt dat een aantal factoren inmiddels geŽvolueerd zijn. De cijfers over de waterkwaliteit bijvoorbeeld dateren van 1996. Sindsdien werd in Brussel en in Vlaanderen veel geÔnvesteerd. Volgens rapporten van het Vlaams Gewest evolueren we van een slechte naar een middelmatige waterkwaliteit. Dit is uiteraard niet voldoende. Het Vlaams Gewest wil tegen 2015 een goede kwaliteit bereiken. Het Brussels Gewest is een nieuw waterzuiveringsstation aan het bouwen, waarvan we over enkele jaren de resultaten zullen zien. Maar het blijft een feit dat we inzake waterkwaliteit zeer slecht scoren. Dit punt verdient dus veel aandacht.

Het verbaast ons dat we inzake luchtkwaliteit beter scoren: we staan op de 27ste plaats, onmiddellijk na Denemarken.

De heer Malcorps heeft verwezen naar de twee belangrijke oorzaken van watervervuiling: de meststoffen en de pesticiden. Er zijn al beslissingen genomen om de mestproblematiek aan te pakken. Als lid van het Vlaams Parlement is de heer Malcorps hiervan beter op de hoogte dan ikzelf. Het Brussels gewest heeft op ťťn boerderij na geen landbouw. In WalloniŽ is de situatie mij minder bekend, maar iedereen weet dat de kwaliteit van het leefmilieu er in het algemeen beter is.

Wat de pesticiden betreft, zijn de gewesten bevoegd om het gebruik ervan te beperken. Op federaal niveau is vooral een taak weggelegd voor het ministerie van Landbouw. Binnenkort zal ik de Ministerraad een koninklijk besluit over biociden voorleggen waarin strengere normen voor pesticiden worden voorgesteld.

De kern van de zaak is dat er een federaal plan voor milieubeleid moet komen. Er bestaat al een plan duurzame ontwikkeling. Dat moet verder worden uitgewerkt en tegen eind juli moeten op federaal vlak beslissingen worden genomen om het concreet toe te passen. De regionalisering van vele milieubevoegdheden maakt het opstellen van een federaal plan milieubeleid moeilijk. Het is mijn bedoeling na te gaan of dit plan kan worden geÔntegreerd in het plan duurzame ontwikkeling. Daarvan gaat zo een signaal uit dat de federale regering niet anders zal kunnen dan duidelijk te maken hoe ze daarmee wil omgaan. Wat de federale bevoegdheden betreft, zijn wij volkomen bij machte om zelf beslissingen te nemen. Voor de materies waarvoor de gewesten bevoegd zijn of waarvoor er samenwerking nodig is, zullen we overleg plegen. Ik ben van plan terzake initiatieven te nemen.

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Ik hoop dat het rapport voor alle overheden een signaal zal zijn om van het milieubeleid en de duurzame ontwikkeling een prioriteit te maken zodat we in de toekomst niet meer hoeven te blozen.

Mondelinge vraag van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over ęhet medisch gebruik van cannabisĽ (nr. 2-484)

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - In de pers heb ik vernomen dat de minister een koninklijk besluit voorbereidt om het medisch gebruik van cannabis te regelen. Dit is een goed initiatief. Het draagt ertoe bij dat ook in ons land een groot taboe wordt doorbroken.

Uit wat ik in de pers heb vernomen, krijg ik de indruk dat het koninklijk besluit een aantal verregaande randvoorwaarden bevat die een operationeel voorschrijven van cannabis kunnen bemoeilijken. Ik heb dan ook de volgende vragen.

Blijkbaar worden in het koninklijk besluit een aantal indicaties opgesomd. Om welke gaat het? Is de lijst limitatief? Voor zover ik weet, zijn bepaalde chronische pijnen als artrose, reuma en andere niet in de lijst opgenomen.

Blijkbaar is er een randvoorwaarde die bepaalt dat alleen artsen van een erkende dienst in een erkend ziekenhuis gemachtigd zijn cannabis voor te schrijven.

Hierdoor kunnen problemen ontstaan. Ik denk bijvoorbeeld aan een MS-patiŽnt die in behandeling is bij een neuroloog die niet aan zo'n erkende dienst of aan een ziekenhuis verbonden is, maar niettemin van oordeel is dat zijn patiŽnt met cannabis moet worden behandeld. Volgens de bepalingen van het koninklijk besluit zou hij dat evenwel niet kunnen voorschrijven.

Kunnen huisartsen nooit een behandeling met cannabis opstarten, ook al achten ze dat nodig? Het kan toch niet dat een terminale kankerpatiŽnt die thuis wordt verzorgd, naar een erkende dienst voor oncologie moet worden getransporteerd vooraleer de huisarts de behandeling kan opstarten.

Volgens de minister zou de bevoorrading uit Nederland moeten komen. Toen ik daar mijn licht opstak, antwoordde men me echter dat het nog jaren kan duren vooraleer daar een effectieve en sluitende regeling zal zijn, wat betekent dat wij ook zo lang moeten wachten. Hadden we niet zelf een regeling kunnen uitdokteren? We hebben hieromtrent overigens een wetsvoorstel ingediend, zodat plantages onder licentie in ons land voor apotheken zouden kunnen produceren.

Werden de apothekers betrokken bij het uitwerken van de distributiekanalen?

De minister heeft steeds vooropgesteld dat bijkomend wetenschappelijk onderzoek naar het klinisch effect van cannabis nodig is. Is de minister bereid daartoe de kredieten te verschaffen en, zo ja, over welke bedragen gaat het?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Het ontwerp van koninklijk besluit is besproken in de Ministerraad en werd, zoals gebruikelijk, doorverwezen naar de Raad van State, waar het nog steeds in behandeling is. Het is niet de eerste keer dat de regering op een advies van de Raad van State moet wachten. Ik dring in elk geval aan op een spoedige behandeling.

In het koninklijk besluit is een limitatieve lijst met indicaties opgenomen, maar het is niet correct dat er geen chronische pijnklachten in voorkomen. Worden vermeld op de lijst: misselijkheid en malaise bij chemotherapie en radiotherapie, glaucoom, spasticiteit - multiple sclerose dus -, aids wasting syndrom en chronische pijnklachten na het falen van andere pijnbehandelingen. Het spreekt voor zich dat, indien de wetenschappelijke gegevens terzake evolueren, het besluit zal worden aangepast.

Het voorschrijven kan in deze fase alleen in het kader van het uitvoeren van een klinische proef met betrekking tot de hierboven genoemde therapeutische indicaties. Daarom wordt in het besluit bepaald dat enkel de artsen die verbonden zijn aan een universitair ziekenhuis of aan een ziekenhuis dat over een of meer diensten beschikt die erkend zijn voor de behandeling van de beoogde indicaties, deze voorschriften mogen opstellen. Het uitvoeren van een klinische proef veronderstelt immers het gunstig advies van een ethisch comitť over de klinische proef en zo'n comitť is altijd verbonden aan een ziekenhuis.

Het besluit bepaalt geenszins dat alleen specialisten bevoegd zijn voor het opstellen van die voorschriften. Alle artsen, in zover zij in het kader van de klinische proef verbonden zijn aan een van de beoogde ziekenhuizen, zijn gemachtigd cannabis voor te schrijven.

Er worden enkele voorwaarden verbonden aan het opstellen van de voorschriften, namelijk het vermelden dat het om een klinische proef gaat en het bijvoegen van een verklaring van een arts die garandeert dat het voorgeschreven wordt binnen het wettelijk kader. Het voorschrift en de verklaring moeten zowel door de apotheker als de arts worden bijgehouden. Het gaat evenwel niet om opvolgvoorschriften.

Het verbaast me dat de heer Vankrunkelsven uit contacten met Nederland heeft begrepen dat de mogelijkheid tot bevoorrading nog jaren zou duren. Persoonlijk heb ik contact gehad met een van de ambtenaren die belast is met de uitvoering van de eerder genomen beslissingen, en hij heeft me verzekerd dat normaal gezien in april van dit jaar wordt gestart met de kweek in de plantages, waarover reeds een politieke beslissing werd genomen. Precies met het oog op de timing leek het ons dus een voordeel te kunnen aansluiten bij een lopend initiatief. Sindsdien heb ik overigens vernomen - en dat is een nieuw element waarover ik nog niet beschikte toen ik het ontwerp van koninklijk besluit uitwerkte - dat er in Engeland op het ogenblik uitvoerige klinische proeven lopen. In Engeland is er een firma die cannabisproducten medisch en farmaceutisch gecontroleerd gebruikt in het kader van deze klinische proeven. Intussen hebben we uiteraard ook met deze firma contact opgenomen, zodat we een uitweg hebben, indien de zaken in Nederland niet vooruitgaan.

Het klopt dat de beroepsorganisaties van de apothekers niet werden geraadpleegd. Aan de aflevering van dit product als geneesmiddelen door de apotheker zijn immers geen specifieke problemen verbonden. Zodra er een leverancier is en het koninklijk besluit kan worden uitgevoerd, wordt het product afgeleverd zoals elke andere grondstof. Indien zou blijken dat er wel specifieke problemen rijzen, zullen deze uiteraard met de betrokken beroepsorganisaties worden besproken en zo goed mogelijk opgelost.

De gegevens van de klinische proeven zullen aan de Farmaceutische Inspectie worden doorgegeven, die ze dan ter onderzoek aan de Geneesmiddelencommissie zal voorleggen, zodat advies kan worden gegeven in verband met de doeltreffendheid. Hiervoor werd tot op heden geen bijkomend budget uitgetrokken, maar indien dat wel nodig zou blijken te zijn, zullen we zeker maatregelen nemen.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik dank de minister in elk geval voor haar antwoord. Mijns inziens is het cruciale element in het hele koninklijk besluit dat cannabis enkel kan worden voorgeschreven in het kader van een klinische proef. Dat zal tot gevolg hebben ofwel dat bepaalde artsen nepproeven opzetten, ofwel dat heel wat patiŽnten niet de mogelijkheid hebben cannabis te gebruiken. Zo creŽert de regering twee categorieŽn van patiŽnten: zij die het voordeel hebben in behandeling te zijn bij een arts die een klinische proef rond cannabis opzet, en zij die dat geluk niet hebben. Dit lijkt me onaanvaardbaar in een land waar iedereen gelijk is voor de wet.

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Bij het uitwerken van het systeem is er inderdaad uitdrukkelijk voor gekozen te werken in het kader van klinische proeven. Wanneer daarmee ervaring is opgebouwd, kunnen we de zaak opnieuw bekijken. Ook in andere landen zien we die werkwijze en ik vind het dus een verantwoorde keuze. Ik denk overigens dat het niet zo moeilijk zal zijn voor bijvoorbeeld huisartsen om contact op te nemen met artsen die betrokken zijn bij een klinische proef, zodat voor de patiŽnten de nodige schikkingen kunnen worden getroffen.

Mondelinge vraag van mevrouw Jeannine Leduc aan de minister van Binnenlandse Zaken over ęhet verzaken van een individueel mandataris aan de uitbetaling van (een deel van) zijn wedde, vakantiegeld of eindejaarspremieĽ (nr. 2-477)

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Volgens de wet kan een burgemeester of schepen enkel afstand doen van zijn wedde of een gedeelte daarvan indien een volledige uitkering van die wedde hem financieel zou schaden. Meer bepaald voorziet artikel 19, paragraaf 1 van de nieuwe gemeentewet in de mogelijkheid dat de Koning de mandatariswedde kan verminderen op voorwaarde dat die wedde tot gevolg heeft dat andere reglementaire bezoldigingen, vergoedingen of toelagen verminderd worden of vervallen. Deze vermindering wordt dan geregeld via een koninklijk besluit. Alle andere gevallen van vrijwillige verminderingen worden niet door de wet geregeld.

Toen de heer Donnay in december 1981 de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken hierover interpelleerde, nam deze het standpunt in dat een burgemeester of schepen niet aan zijn wedde kan verzaken.

Het lijkt mij bezwaarlijk dat niet kan worden tegemoetgekomen aan de uitdrukkelijke vraag van een mandataris om de gelden, die voor uitbetaling van de wedde worden uitgetrokken, te besteden aan een hoger belang. Zou zouden deze middelen kunnen worden aangewend voor de bevoegdheden die onder het mandaat vallen.

Welke interpretatie geeft de minister aan de bedoelde passus in artikel 19 van de nieuwe gemeentewet?

Overweegt hij, desgevallend, een bestemming aan deze gelden te koppelen?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - De wedde van burgemeesters en schepenen wordt bepaald door artikel 19, paragraaf 1, van de nieuwe gemeentewet, gewijzigd door de wet van 4 mei 1999 tot verbetering van de bezoldigingsregeling en van het sociaal statuut van de lokale verkozenen.

De vraag of een burgemeester of schepen kan verzaken aan haar of zijn wedde wordt niet uitdrukkelijk door de wet geregeld. Nochtans bepaalt artikel 255 van de gemeentewet dat de gemeenteraad verplicht is elk jaar op de begroting van de uitgaven alle uitgaven die aan de gemeenten zijn opgelegd te brengen, inzonderheid de volgende: "5į de wedden van de burgemeester en schepenen."

Deze wedde is derhalve een verplichte uitgave die de gemeente dient uit te voeren. Een burgemeester of schepen kan er niet aan verzaken. Hij kan vanzelfsprekend vrij over de bestemming ervan beschikken. Ingeval een burgemeester of schepen de wedde van zijn mandaat cumuleert met andere wettelijke of reglementaire inkomsten en deze verminderd worden, kan hij de toepassing vragen van de volgende procedures: artikel 19, paragraaf 1, zevende lid van de gemeentewet, zoals gewijzigd door de wet van 28 december 1989: "Wanneer het vaststellen van de wedden overeenkomstig het eerste en het tweede lid tot gevolg heeft dat andere wettelijke of reglementaire bezoldigingen, vergoedingen of toelagen verminderd worden of vervallen, kan de Koning op een door hem te bepalen wijze de wedden van de burgemeester of schepen verminderen, op voorwaarde dat deze daarom verzoekt." De aanvraag dient te worden gericht aan het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Artikel 19, paragraaf 1, achtste lid, van de gemeentewet, zoals ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999: "In gemeenten met minder dan 50.000 inwoners kan de gemeente, op de door de Koning te bepalen wijze de wedde van de burgemeester of de schepen die geniet van wettelijke of reglementaire bezoldigingen, pensioenen, vergoedingen of toelagen, aanvullen met een bedrag ter compensatie van het inkomensverlies op voorwaarde dat de mandataris daar zelf om verzoekt. De wedden van de burgemeester of schepen, aangevuld met het bedrag ter compensatie van het inkomensverlies, kan nooit hoger zijn dan de wedde respectievelijk van een burgemeester of schepen van een gemeente met 50.000 inwoners." De aanvraag dient te worden gericht aan de gemeenteraad.

De uitvoeringsmodaliteiten van beide mogelijkheden zijn vastgesteld door de koninklijke besluiten van 23 juli 1990 en 29 maart 2000.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Ik had de bedoeling de weddeverhoging die ik als schepen ontvang, te besteden aan noden die onder mijn bevoegdheid vallen, namelijk milieu, cultuur, toerisme en senioren. Misschien was ik iets te naÔef toen ik dat voorstelde en heb ik onvoldoende rekening gehouden met de nieuwe verplichtingen die aan de gemeenten worden opgelegd, zoals de politiehervorming.

Ik overweeg een parlementair initiatief om die bedoeling in de toekomst te kunnen realiseren. Het louter terugstorten lijkt me dan weer overdreven, aangezien ik dan zou belast worden op een inkomen dat ik nooit heb gekregen.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - U bent vrij om te doen en te laten wat u goed dunkt, maar in uw plaats zou ik zeer voorzichtig zijn en de zaak eerst even voorleggen aan de minister van FinanciŽn.

Mondelinge vraag van de heer Jan Remans aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over ęde uitbreiding van het gebruik van de SIS-kaart naar andere zorgverleners buiten de sector van de ziekenhuizen en de apothekersĽ (nr. 2-475)

De heer Jan Remans (VLD). - Op 19 januari 2000 vroeg ik van op deze tribune wanneer een aanvang wordt gemaakt met de uitbreiding van het gebruik van de SIS-kaart naar zorgverleners buiten de sector van ziekenhuizen en apothekers.

De minister heeft mij toen geantwoord dat het de bedoeling is bij de verruiming vrij snel te werk te gaan, rekening houdend met de werkgroep "Evaluatie van de invoering van de SIS-kaart", die op 17 januari 2000 vergaderde en op basis van de bespreking op 3 februari 2000 omtrent de modaliteiten voor het uitbreiden van de aflevering van de SAM-kaart, die nodig is om de SIS-kaartgegevens te kunnen lezen, naar andere verstrekkers.

Graag verneem ik wanneer de uitbreiding van het gebruik van de SIS-kaart naar andere zorgverleners zal gebeuren? Wat zullen de modaliteiten zijn voor het afleveren van de SAM-kaart aan deze zorgverleners? Welke reglementaire aanpassingen zullen er daarbij gebeuren?

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Zoals verleden jaar rond dezelfde periode werd meegedeeld, heeft de werkgroep over de evaluatie van de invoering van de SIS-kaart zijn werkzaamheden verder gezet.

Het principe van de uitbreiding van het gebruik van de SIS-kaart naar andere zorgverleners dan de verpleeginrichtingen en de apothekers, maar dan op vrijwillige basis, werd daarin aanvaard. Dit principe vergt een aantal wettelijke en reglementaire aanpassingen, alsmede praktische uitvoeringsmaatregelen.

Een eerste stadium bestond erin om het gebruik van de SIS-kaart mogelijk te maken voor alle zorgverleners, ongeacht of zij de derdebetalersregeling toepassen. Om dit te realiseren heeft de programmawet van 12 augustus 2000 een aanpassing doorgevoerd van het artikel 5 van het koninklijk besluit van 18 december 1996, houdende maatregelen met het oog op de invoering van een sociale identiteitskaart ten behoeve van alle sociaal verzekerden, in toepassing van de artikelen 38, 40, 41 en 49 van de wet van 26 juli 1996 houdende modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de wettelijke pensioenstelsels.

Vervolgens werd een ontwerp van koninklijk besluit opgemaakt tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 februari 1998 houdende uitvoeringsmaatregelen inzake de sociale identiteitskaart, dat werd goedgekeurd door het Verzekeringscomitť van het RIZIV op 6 november 2000. Dit ontwerp wordt momenteel voorgelegd aan het Beheerscomitť van de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid en dient eveneens te worden voorgelegd aan de Raad van State.

De praktische modaliteiten van uitreiking van de beroepskaart - de zogenaamde SAM-kaart, die nodig is om de SIS-kaart te kunnen lezen - worden heden uitgewerkt en zullen in principe en in grote lijnen dezelfde zijn als de modaliteiten die worden toegepast voor de verpleeginrichtingen en de apotheken.

Gelet op de adviezen die wettelijk nog moeten worden ingewonnen, is het nu echter nog niet mogelijk om een precieze datum te geven voor de uitbreiding.

Mondelinge vraag van mevrouw Marie-Josť Laloy aan de minister van Landbouw en Middenstand over ęhet afslachten van 275 runderen te Corroy-le-GrandĽ (nr. 2-479)

De voorzitter. - De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie, antwoordt namens de heer Jaak GabriŽls, minister van Landbouw en Middenstand.

Mevrouw Marie-Josť Laloy (PS). - Afgezien van de problematiek rond de afslachting in Corroy-le-Grand, heeft mijn vraag betrekking op de veiligheid van de consument en op de mogelijkheid voor de veehouders om in behoorlijke omstandigheden te werken.

Op een landbouwbedrijf in Corroy-le-Grand in Waals-Brabant, waar een dier positief werd bevonden aan BSE, werden onmiddellijk 275 runderen, jonge kalveren en volgroeide dieren afgeslacht.

Deze afslachting heeft heel wat opschudding verwekt in landbouwmiddens maar ook bij de bevolking in het algemeen.

Zijn er wetenschappelijk gegronde redenen om zo drastisch te werk te gaan?

Nu alle risicodieren, dit wil zeggen runderen ouder dan 30 maanden, aan een test worden onderworpen, is het afslachten van de hele veestapel dan nog echt een bijkomende waarborg voor de veiligheid van de consument?

Bij alle BSE-gevallen die tot op vandaag werden vastgesteld, schijnt telkens slechts ťťn dier van een kudde te zijn besmet. Kan de minister in het licht van deze vaststelling al dan niet bevestigen of de ziekte aanstekelijk is?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ik zal het antwoord van mijn collega voorlezen.

Zoals u ongetwijfeld weet, worden in BelgiŽ sinds 1 januari 2001 alle slachtrijpe runderen ouder dan 30 maanden getest. Tot nu toe werden er 30.000 testen uitgevoerd en werden er een veertigtal verdachte testresultaten genoteerd. Op de verdachte hersenstalen wordt dan een klassieke BSE-test uitgevoerd. Als die positief is, wordt de BSE-besmetting bevestigd en de veestapel waarvan het dier afkomstig was, wordt volledig vernietigd. Sinds de ontdekking van het eerste geval te Havelange in 1997, werden er nog 22 andere BSE-besmettingen vastgesteld. Telkens werd de gehele veestapel vernietigd en werden de hersenen van alle dieren ouder dan 2 jaar uit die veestapel aan een BSE-onderzoek onderworpen. Er werd nooit een tweede besmet dier ontdekt.

In Engeland daarentegen, waar reeds meer dan 180.000 koeien met BSE werden geteld, werden er op sommige veehouderijen bijkomende besmettingen vastgesteld. Wetenschappers houden overigens de hypothese aan dat dieren die worden gefokt in dezelfde omstandigheden als een besmet dier, aan dezelfde besmettingsrisico's zijn blootgesteld. Uit voorzorg werd tot nu toe de veestapel waar een met BSE besmet dier werd ontdekt volledig vernietigd, maar ik durf te beweren dat BelgiŽ met die totale vernietigingen de consument geen extra waarborg biedt voor de voedselveiligheid. We moeten echter rekening houden met de feitelijke situatie. Als ik vandaag zou beslissen dat de veestapel op een melkveehouderij waar een dolle koe is ontdekt, niet langer volledig moet worden vernietigd, dan kan ik u verzekeren dat de melkindustrie zal weigeren om nog langer melk op te halen bij dat bedrijf. De toepassing van het voorzorgsprincipe werd immers dermate in de media overdreven dat melk afkomstig van dat bedrijf, die nochtans volkomen geschikt is voor consumptie, onverkoopbaar is, zelfs aan de melkindustrie.

Dezelfde redenering gaat op voor de productie van mestvee. Zou een vleeshandelaar volgens u bereid zijn om rundvlees te verhandelen afkomstig van een bedrijf waar een BSE-geval is ontdekt, zelfs als hij ervan overtuigd is dat het vlees geen enkel risico inhoudt voor de volksgezondheid?

Ik begrijp zeer goed dat de vernietiging van een veestapel, die vaak een levenswerk is, werkelijk een drama is voor het gezin van de betrokken veehouder.

Ik ben bereid om elk Europees initiatief tot voorkoming van de volledige vernietiging te steunen. In afwachting hebben wij, in het belang van de landbouwers en om economische redenen, geen andere keuze dan verder de gehele veestapel te vernietigen. Het is immers de enige methode om te voorkomen dat een landbouwbedrijf voor het leven met BSE-besmetting wordt geassocieerd.

Mevrouw Marie-Josť Laloy (PS). - Ik neem akte van de informatie die de minister mij heeft verstrekt. Net als de heer GabriŽls en de hele regering ben ik me ervan bewust dat het afslachten opschudding verwekt bij de bevolking en een tragedie betekent voor het betrokken landbouwbedrijf. Ik zal nauwgezet toekijken op de ontwikkeling in de Europese richtlijnen terzake want BelgiŽ kan maar optreden voor zo ver Europa beslissingen neemt.

Mondelinge vraag van de heer Jean-Marie Dedecker aan de minister van Justitie over ęde ministeriŽle omzendbrief van 4 januari 2001 inzake de kansspelenĽ (nr. 2-482)

De heer Jean-Marie Dedecker (VLD). - Dinsdag antwoordde de minister in de Kamercommissie voor de Justitie dat hij zijn omzendbrief van 4 januari 2001 inzake de kansspelen zou aanpassen, onder meer inzake de 500 meter-regel voor kansspelinrichtingen klasse II.

Aangezien het parket op basis van de bepalingen van de omzendbrief van 4 januari 2001, die de minister wil wijzigen, processen-verbaal opstelt en kansspelen in beslag neemt, zou ik willen vernemen wanneer deze circulaire zal worden verspreid.

Wat gebeurt er met de PV's die op basis van de omzendbrief van 4 januari 2001 opgesteld werden, met de in beslag genomen kansspelen en het geld dat eventueel in de geldmechanismen zat? Zullen deze PV's geseponeerd worden en zullen de in beslag genomen kansspelen en gelden worden vrijgegeven?

De kansspelcommissie deelde de sector begin januari mee dat automatische toestellen zoals slots en gelijksoortige spelen die omgevormd worden tot een spel dat aan de speler of gokker geen ander voordeel oplevert dan het recht om maximaal vijf keer gratis verder te spelen, mochten worden geŽxploiteerd.

In een nieuwe omzendbrief stelt de kansspelcommissie dat de minister na grondige studie van mening is dat dergelijke omgevormde toestellen vallen onder artikel 2, 1į van de wet op de kansspelen en bijgevolg niet langer mogen worden geŽxploiteerd.

Waarom zijn dergelijk omgevormde spelen een kansspel? Artikel 3 van de wet stelt immers duidelijk: "Geen kansspelen in de zin van deze wet zijn: spelen die aan de speler of gokker geen ander voordeel opleveren dan het recht om maximaal vijf keer gratis verder te spelen.".

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ik stel vast dat de materie van de kansspelen de publieke opinie blijft beroeren. Ik weet natuurlijk ook dat een sector die met nieuwe wettelijke maatregelen wordt geconfronteerd, soms een bijzonder grote inventiviteit aan de dag legt om de wet langs allerlei wegen te omzeilen. Dat is een vast gegeven dat voor alle sectoren geldt.

De circulaire van 4 januari 2001 kon aanleiding geven tot een andere interpretatie dan die welke ik voor ogen had. Daarom heb ik dinsdag in de Kamer aangekondigd dat er een aanpassing zou komen. Deze aanpassing werd op 31 januari 2001 verspreid.

De processes-verbaal die al werden opgesteld, zullen natuurlijk in het licht van de nieuwe richtlijn moeten worden geÔnterpreteerd.

Na grondig overleg met de Kansspelcommissie werd een eenduidig standpunt ingenomen, gebaseerd op vier accenten.

De nadruk wordt gelegd op het feit dat kansspelen zoals slots en de afleidingen daarvan zoals symbolix, pay-slots, en pentium die omgevormd worden en die aan de speler of gokker geen ander voordeel opleveren dan het recht om maximaal vijf keer gratis verder te spelen, strijdig zijn met artikel 2 van de wet op het spel, die een duidelijke definitie van kansspelen bevat. Een spel kan immers eerst als een kansspel worden gepresenteerd en na omvorming aangeboden worden met een andere formule van uitbetaling, namelijk maximaal vijf keer gratis verder spelen. Inherent hieraan is het grote gevaar dat de jetons die een dergelijk omgevormd spel zou kunnen opleveren - dat zijn dan de materiŽle voordelen - zouden worden uitbetaald. Dan valt het spel opnieuw onder de wet op het spel. Bovendien is het geheel bijzonder verwarrend. Er zijn immers oude uitbetalende slots en nieuwe omgevormde slots wat de controle door de politiediensten bijna onmogelijk maakt. Er was dus nood aan een duidelijk beleid.

De kansspelinrichtingen van klasse II zouden zich bij voorkeur niet langer mogen bevinden binnen een straal van minstens 500 van een school, met inbegrip van universiteiten, ziekenhuizen, vrijetijds-, sport- en vakantiecentra, speelpleinen, plaatsen waar erkende erediensten worden gehouden en gevangenissen. De dimensie van 500 meter was richtinggevend. Uiteraard kunnen de gemeenten het begrip "in de nabijheid van" volledig autonoom invullen.

Als er op deze basis inbreuken worden vastgesteld, moet de toestand worden geregulariseerd door de betrokken autoriteiten.

Dit artikel had betrekking op de overgangsmaatregelen. Er is geen enkele termijn vastgesteld voor personen of firma's die vůůr 31 januari 2001geen dossier hebben ingediend bij de kansspelcommissie. Wat de dossiers betreft die wel binnen de vooropgestelde termijn zijn ingediend, zal de kansspelcommissie eerst nagaan of ze volledig zijn en beslissen over het al dan niet verlenen van een licentie. Bij een weigering dient men uiterlijk 3 maanden na ontvangst van de aangetekende melding, de exploitatie van de spelen stop te zetten.

De wedkantoren die in aparte lokalen automatische toestellen uitbaatten en die nu voor deze lokalen aanvragen indienen voor inrichtingen klasse B of speelautomatenhallen, moeten hiertoe de normale procedure volgen.

Ik besef ten volle dat alle partijen die bij dit dossier betrokken zijn, mijn antwoord vanuit hun eigen positie trachten te interpreteren. Het was de bedoeling van de wetgever om de misbruiken in deze sector uit de weg te ruimen. De wet van 1999 draagt hier ongetwijfeld toe bij.

Wetsontwerp tot wijziging van de wetgeving betreffende het verlof voor de uitoefening van een politiek mandaat, wat de burgemeester, schepenen en OCMW-voorzitter betreft en tot invoering van een suppletief sociaal statuut voor de OCMW-voorzitter (Stuk 2-608) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Het woord is aan de heer Malcorps voor een mondeling verslag.

De heer Johan Malcorps (AGALEV), rapporteur. - Dit optioneel bicameraal wetsontwerp werd op 12 december ingediend in de Kamer van Volksvertegenwoordigers door kamerleden van verschillende fracties. Het werd door de Kamer op 21 december 2000 eenparig aangenomen en op 15 januari 2001 door de Senaat geŽvoceerd.

De onderzoekstermijn van dit ontwerp loopt ten einde op 16 maart 2001, maar gelet op het urgentieverzoek van de Kamer van volksvertegenwoordigers werd het reeds in de Commissie voor de Sociale Aangelegenheden behandeld op 31 januari 2001.

Minister Onkelinx deelde mee dat dit wetsontwerp aan werknemers, tewerkgesteld in de particuliere sector, de mogelijkheid wil verlenen om tijdens de uitoefening van hun politiek mandaat als burgemeester, schepen of OCMW-voorzitter een beroep te doen op een volledig of gedeeltelijk politiek verlof.

Naast de regeling van het politiek verlof heeft dit ontwerp ook tot doel de voorzitters van het OCMW dezelfde sociale bescherming te verlenen als de burgemeesters en schepenen.

De heer Remans en mevrouw Vanlerberghe dienden een amendement in dat ertoe strekt het opschrift van het ontwerp te wijzigen. Zij stellen voor het toepassingsgebied voor, de reglementering van het politieke verlof uit te breiden tot de voorzitters of leden van het bureau van een districtsraad.

Wat de procedurele aspecten betreft, merkt de minister evenwel op dat een amendering een vertraging van de publicatie van onderhavig ontwerp zal impliceren. Gezien de urgentie van het ontwerp - de nieuwe gemeenteraden zijn immers net geÔnstalleerd - pleit ze er daarom voor om te werken met een apart wetsvoorstel.

Ondanks de urgentie van dit ontwerp willen de indieners hun amendementen toch handhaven. Ze vinden het immers opportuun de regeling voor het politiek verlof nu reeds uit te breiden tot de voorzitter en de leden van het bureau van de districtsraden aangezien een aantal van deze districten toch een aanzienlijke omvang kennen.

Om de vertraging te beperken, stellen ze daarom voor om dit geamendeerde ontwerp zo snel mogelijk aan de plenaire vergadering ter stemming voor te leggen, waarna het opnieuw kan worden overgezonden naar de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Ook andere leden vonden het belangrijk dat in de districtsraden, die een nieuwe instelling zijn, de voorzitters van het bureau - een soort "loco-burgemeesters" - en de leden van het bureau - een soort schepenen - ook een politieke verlofregeling zouden kennen.

Het eerste, tweede en derde amendement werden eenparig aangenomen door de acht aanwezige leden.

Twee leden dienden vervolgens een amendement in dat ertoe strekt ook het toepassingsveld van de wet van 18 september 1986 tot instelling van een politiek verlof voor de personeelsleden van overheidsdiensten uit te breiden tot de voorzitter en de leden van het bureau van een districtsraad.

De minister merkt op dat deze materie behoort tot de bevoegdheid van de minister van Ambtenarenzaken, die eerstdaags een ontwerp tot wijziging van bovenstaande wet in de Kamer van Volksvertegenwoordigers zal indienen. Zij stelt daarom voor dit amendement uit te stellen tot de bespreking van dat nieuwe ontwerp. Het amendement werd daarop ingetrokken.

Vandaag kwam de commissie opnieuw bijeen omdat een vijfde amendement het geheel coherent moest maken. Het amendement strekt ertoe in artikel 3 van de wet van 19 juli 1976 tot instelling van een verlof voor de uitoefening van een politiek mandaat, de uitzonderingsregel eveneens van toepassing te maken op de voorzitter of een lid van een bureau van een districtsraad. Immers, aangezien in het artikel 4bis van deze wet het politiek verlof wordt bepaald van onder andere de voorzitter of leden van het bureau van de districtraad, is het logisch de Koning geen toelating meer te verlenen voor het bepalen van het politiek verlof van deze categorieŽn. Het amendement werd eenparig aangenomen door de acht aanwezige leden.

Het geamendeerde wetsontwerp werd eveneens eenparig aangenomen door de acht aanwezige leden.

De commissie aanvaardde ook een tekstverbetering. In punt B van artikel 10 worden in het derde lid de woorden "zouden genieten" vervangen door de woorden "kunnen genieten".

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, zie stuk 2-608/7.)

De voorzitter. - Ik herinner eraan dat de commissie een nieuw opschrift voorstelt: Wetsontwerp tot wijziging van de wetgeving betreffende het verlof voor de uitoefening van een politiek mandaat, wat de burgemeester, schepenen, de voorzitter en leden van het bureau van de districtsraden en OCMW-voorzitter betreft en tot invoering van een suppletief sociaal statuut voor de OCMW-voorzitter.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 19bis in de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (van de heer Philippe Monfils, Stuk 2-427)

Algemene bespreking

De heer Louis Siquet (PS), rapporteur. - Er rijden steeds meer motorrijtuigen op onze wegen zonder aansprakelijkheidsverzekering. Bij de inschrijving van het voertuig wordt een bewijs van verzekering gevraagd, maar daarna is er vrijwel geen controle meer.

Uit statistieken blijkt dat het aantal niet-verzekerde voertuigen toeneemt. In voorkomend geval worden de slachtoffers vergoed door het Gemeenschappelijk Waarborgfonds. Deze procedure heeft echter een aantal nadelen waarover meer details in het verslag.

De gegevensbank Veridass werd opgericht bij wet van 9 juli 1995 betreffende de controle der verzekeringsmaatschappijen. Het is een interessant instrument dat alle inlichtingen van de Dienst voor de Inschrijving van Voertuigen en van de verzekeringsmaatschappijen groepeert. Zo kan worden vastgesteld wie verzekerd is en wie niet.

Voor de minister zijn er drie categorieŽn van niet-verzekerden: de onverbeterlijken, de verstrooiden die vergeten te betalen, en zij die niet kunnen betalen. Ik zou daaraan de uitgesloten chauffeurs willen toevoegen. Om dit probleem op te lossen werd een amendement ingediend tot oprichting van een tariferingsbureau. Chauffeurs die door de verzekeringsmaatschappijen worden uitgesloten, kunnen zich alleen tegen een zeer hoge prijs opnieuw verzekeren. Het bureau zal een premie vaststellen rekening houdend met het risico, maar ook met het omslaan van de premie over alle verzekerden en bepaalt de voorwaarden waartegen de verzekeringsmaatschappij verplicht is het risico te dekken.

Alle amendementen werden eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden met uitzondering van amendement nr. 1 dat werd aangenomen met 8 stemmen bij 1 onthouding.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van het verslag. Ik dank het secretariaat voor het geleverde werk.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Ik wil de rapporteur van harte danken, niet alleen voor zijn verslag maar ook voor zijn amendementen waardoor een nieuw hoofdstuk aan het wetsvoorstel werd toegevoegd. Verder wil ik ook de heer De Grauwe, commissievoorzitter, danken. "Speedy" De Grauwe verstaat de kunst om zeer snel een aantal wetsvoorstellen te bespreken en toch alle parlementsleden in een diepgaande discussie over het onderwerp te betrekken. Op enkele vergaderingen hebben we zodoende een tiental wetsvoorstellen besproken.

Ik heb dit voorstel niet ingediend uit ontgoocheling over de afhandeling van een frontale botsing met een niet-verzekerd automobilist. Ik kan u geruststellen, mijn gebroken arm is het gevolg van een ongeval met een autoped.

Het aantal niet-verzekerde automobilisten neemt echter onrustwekkend toe. Wanneer de tegenpartij niet verzekerd is en het slachtoffer in zijn recht is, moet hij niet alleen de franchise dragen, maar moet hij ook heel wat formaliteiten vervullen.

Het Gemeenschappelijk Waarborgfonds wordt gefinancierd door de verzekeringsmaatschappijen die deze uitgave recupereren via de verzekeringspremies. De gewetensvolle bestuurder die wel een verzekering heeft, draait dus op voor wie niet betaalt. Om dat te verhelpen werd dit wetsvoorstel ingediend.

Iedereen heeft de plicht zijn voertuig op regelmatig wijze in het verkeer te brengen. Hij moet daartoe onder andere een aansprakelijkheidsverzekering afsluiten. Via de gegevensbank Veridass kan enkel bij een ongeval worden nagegaan of een voertuig verzekerd is. Het komt me voor dat dit te allen tijde mogelijk moet zijn.

In sommige gevallen kan het niet hernieuwen van een verzekering volkomen verantwoord zijn, bij voorbeeld voor een tweede wagen of voor een wagen uit een verzameling die slechts occasioneel gebruikt wordt. Er werden terzake overigens amendementen ingediend die eenparig werden aangenomen. In het nieuwe systeem zal gevraagd worden naar de reden van niet-verzekering. Als het antwoord voldoening schenkt, zal er geen vervolging worden ingesteld. Is dat niet zo en bevindt het voertuig zich in het verkeer, dan moeten gepaste sancties worden genomen.

Op het ogenblik wordt een niet-verzekerd voertuig dat bij een ongeval betrokken is, in beslag genomen. Voortaan zullen, naast de inbeslagname van de nummerplaten en de inbeslagname van het voertuig, nog een reeks andere maatregelen kunnen worden genomen. De sanctie zal dus verschillen naar gelang van de begane inbreuk, wat in de lijn ligt van de recente evolutie in het strafrecht

Er wordt ook een tariferingsbureau opgericht dat de verzekeringspremies kan vastleggen voor de personen die zijn uitgesloten of zich enkel nog voor een zeer hoge prijs kunnen verzekeren.

In dit systeem wordt de last van de schadegevallen die voortkomen uit het door het bureau getarifeerde risico opgenomen in de rekening van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds. De verzekeringsmaatschappijen zijn enkel belast met het beheer van de dossiers.

De voorwaarden die het tariferingsbureau aan de verzekerde kan opleggen om het risico te beperken, moeten binnen de grenzen van het verzekeringscontract blijven. Het bureau mag dus niet optreden als rechtbank. De premieverhogingen moeten vergelijkbaar blijven met wat een verzekeringsmaatschappij zou opleggen.

Dit wetsvoorstel bevat een reeks coherente maatregelen die het aantal voertuigen dat zonder verzekering rijdt, aanzienlijk kunnen terugdringen.

Ik dank de minister voor zijn positieve bijdrage. Ik hoop dat hij in de Kamer van Volksvertegenwoordigers dezelfde houding aanneemt en dat hij er een goed woordje over heeft voor de senatoren die dit belangrijk probleem hebben aangepakt.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - De CVP-fractie zal zich bij de stemming onthouden, niet omdat ze het niet eens is met de doelstellingen die collega Monfils heeft uiteengezet, maar omdat ze vindt dat de bevoegdheden van de Koning terzake veel te ruim zijn en dat bovendien de bevoegdheden van het tarificatiebureau problemen doen rijzen.

De heer Charles Picquť, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Ik kan alleen bevestigen dat wat ik in de commissie over dit wetsvoorstel heb gezegd, in de lijn ligt van wat de heer Monfils hier naar voren heeft gebracht.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de FinanciŽn en de Economische Aangelegenheden, zie stuk 2-427/5.)

De voorzitter. - Ik herinner eraan dat de commissie een nieuw opschrift voorstelt: Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen en tot wijziging van artikel 31 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.

-De artikelen 1 tot 6 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over ębeendermeel in gelatine voor menselijke consumptieĽ (nr. 2-321)

Mevrouw Erika Thijs (CVP). - De Europese Unie heeft beslist dierenmeel uit de voeding van dieren te bannen. Beendermeel dat tot gelatine verwerkt wordt en voor menselijke consumptie dient, vormt blijkbaar geen probleem. In de krant De Morgen van 20 december 2000 laat de minister weten dat beendermeel onder geen voorwaarde gebruikt mag worden in charcuterie. Gelatine wordt niet enkel in charcuterie verwerkt, maar het is ook terug te vinden in snoepgoed en patisserie en het wordt gebruikt in de farmaceutische industrie bij de aanmaak van geneesmiddelencapsules.

Op 21 december 2000 is in het Staatsblad een koninklijk besluit gepubliceerd waarin de voorwaarden opgesomd worden waaraan gelatine vanaf 1 januari 2001 zal moeten voldoen. Beenderen, ligamenten, pezen en huiden van als huisdier gehouden herkauwers, varkens, pluimvee en wild en de huid en de graten van vissen mogen nog worden gebruikt als ingrediŽnten. Deze grondstoffen mogen uitsluitend afkomstig zijn van dieren die na keuring geschikt zijn verklaard voor menselijke consumptie. Oude gelatine mag nog tot 31 maart 2001 verkocht worden en tot eind juni 2001 verwerkt worden. Het Europees Wetenschappelijk Comitť onderzoekt of gelatine niet op de lijst van hoog risicomateriaal moet bijgeschreven worden.

Als de minister stelt dat beendermeel niet in charcuterie mag worden gebruikt, waarom is dan tot gelatine omgevormd beendermeel in snoepgoed, patisserie en farmaceutische producten wel toegestaan? Kan er een concrete lijst opgesteld worden van alle voedingsmiddelen waarin beendermeel of tot gelatine omgevormd beendermeel een bestanddeel is? Wat gebeurt er concreet met charcuterie en vleesbereidingen waarin totnogtoe beendermeel gebruikt werd? Worden deze voedingsmiddelen uit de handel genomen? Was de minister niet beter met een schone lei begonnen door vanaf 1 januari 2001 enkel de gelatine van beendermeel afkomstig van na keuring gezond verklaarde dieren te gebruiken en te verkopen? Indien enkel runderen ouder dan 30 maanden getest worden vanaf 1 januari 2001, hoe zit het dan met beendermeel afkomstig van jongere dieren? Mag dit ongecontroleerd gebruikt worden?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De Senaat heeft de ministers gevraagd kort op de vragen te antwoorden. Blijkbaar vallen ook mijn antwoorden geregeld te lang uit. Ik zal dus nu pogen het beknopt te houden.

Over beendermeel is al enorm veel foute informatie verspreid. In BelgiŽ is het sinds 1975 verboden om beendermeel te gebruiken in charcuterie of welk product ook bestemd voor menselijke consumptie. Beendermeel is een product bekomen na verwerking van door erkende ophalers en verwerkingsbedrijven in slachthuizen en vleesbedrijven opgehaalde beenderen tot poeder. Dit werd gebruikt in veevoeders, maar niet in menselijke voeding, wegens de slechte smaak. Dit was dus al zo los van de BSE-context.

Gelatine wordt niet gemaakt uit beendermeel, maar onder meer op basis van ontvette beenderen, die bovendien een speciaal procťdť hebben doorlopen dat mogelijke risico's voor de volksgezondheid uitsluit. De spraakverwarring ontstaat omdat die beenderen bij het begin van het proces vermalen worden om dit speciaal productieprocťdť efficiŽnt te laten verlopen. Het is evenwel niet zo dat de stukjes als dudsdanig in de gelatine zitten.

Het Europese wetenschappelijk comitť heeft jaren geleden precieze regels uitgewerkt in verband met het procťdť dat moet gevolgd worden. Sedert 1995 wordt dat in BelgiŽ ook strikt nageleefd. Wat dit betreft is er dus helemaal geen probleem. Vandaag nog op de persconferentie met de heer Beernaert werd in aanwezigheid van twee professoren van de universiteiten van Gent en van Luik bevestigd dat de voorgeschreven procedures voor gelatine geen risico inhouden.

Een exhaustieve lijst geven van producten waarin beendermeel of tot gelatine omgevormd beendermeel wordt gebruikt, is onbegonnen werk. Ik kan wel de grote categorieŽn van producten geven: confiserie, zuivelproducten, vleesindustrie, visindustrie, sauzen, soepen. Blijkbaar wordt dit product ook gebruikt voor het uitklaren van wijn.

Beendermeel vormt noch in zijn zuivere vorm, noch verwerkt tot gelatine een bestanddeel van voedingsmiddelen. Er is dus geen reden om voedingsmiddelen uit de handel te nemen.

De veiligheid van de gelatine hangt volledig af van het gebruikte materiaal en van de technische behandeling zoals beschreven in het koninklijk besluit van 5 december 2000. Gelatine geproduceerd volgens dit procťdť is volgens het huidige advies van het Europees Wetenschappelijk Comitť veilig. Het is dus niet juist dat op dit ogenblik een voorstel wordt bestudeerd om dit procťdť, dat sinds 1995 in BelgiŽ wordt toegepast, uit te schakelen. Het is dan ook niet nodig overgangsmaatregelen te nemen.

In de praktijk is er nooit besmetting vastgesteld bij runderen jonger dan 24 maanden. De testen op 30 maanden kunnen vaststellen wat klinisch had kunnen worden vastgesteld zes maanden voordien. Vandaar de Europese beslissing om te testen vanaf 30 maanden. Ook hier zitten we dus veilig. BelgiŽ is in februari 1998, tijdens de vorige regering, al begonnen met het wegnemen van risicomateriaal bij alle runderen. We hebben dus niet gewacht tot oktober 2000 zoals vele andere landen.

Mevrouw Erika Thijs (CVP). - Ik ben blij met het antwoord, maar hoe komt het dan dat Patrick Cras, een bekende Antwerpse professor, zegt dat hij het vreemd vindt dat gelatine nog altijd in snoepgoed en gebak wordt gebruikt. Ook in de televisie-uitzending Koppen werd hierop gewezen. Volgens al deze mensen rijst er een probleem, maar de minister zegt dat er geen probleem is. Wie moeten we geloven?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De beenderen, die voor de productie van gelatine worden gebruikt, worden verbrijzeld in stukjes van 2 ŗ 3 centimeter. Het beendermeelpoeder, dat een vermenging is van beenderen met uiteinden van zenuwen, pezen en vlees, kwam zonder enige bewerking rechtstreeks in de dierenvoeding terecht.

Voor de gelatine worden de beenderbrokjes in oplossingen met basen en zuren gelegd. Volgens het vakblad van de Gentse faculteit voor diergeneeskunde doodt deze bewerking elk prion.

Als het procťdť op een goed wijze wordt afgewerkt, kan geen enkel probleem rijzen. Dat is ook het standpunt van het Europees Wetenschappelijk Comitť, dat wij altijd als leidraad hebben gebruikt. De heer Vanopdenbosch, die op dit vlak een autoriteit is omdat hij sinds 1986 dagelijks met de materie is begaan, heeft beweerd dat uitspraken van professor Cras volgens hem niet klopten. Het blijft dus een voorwerp van discussie, maar met de huidige kennis van zaken ben ik ervan overtuigd dat mijn mededeling verantwoord is.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over ęhet gebruik en de verkoop van medicijnen op natuurlijke basisĽ (nr. 2-322)

Mevrouw Erika Thijs (CVP). - Steeds meer Amerikaanse, en wellicht ook Belgische kinderen slikken antidepressiva, afslankmiddelen, prestatieverhogende stoffen en pillen tegen hyperactiviteit, die allemaal op "natuurlijke basis" zouden worden gefabriceerd.

Op Amerikaanse middelbare scholen laten sportcoaches hun teams creatine gebruiken. Gisteren stond in een krant een artikel over dit middel en de gevolgen ervan. Er werd zelfs beweerd dat creatine kanker zou kunnen veroorzaken. Franse onderzoekers stellen: "Het gebruik van creatine levert risico's op die tot nog toe onvoldoende onderzocht en geŽvalueerd werden...niet alleen cardiovasculaire problemen, maar ook problemen met de spijsvertering en spierletsels". En alsof dat nog niet voldoende is: "Gebruikers lopen het risico op kanker".

Nu weten we dat creatine in bijna elke sport wordt gebruikt en vaak wordt het als legaal steroÔde bestempeld. Dit doet toch vragen rijzen. Creatine is toegelaten. Het bevordert de spieropbouw, maar het kan ook spierkrampen, uitdroging en misselijkheid veroorzaken. We moeten ons dus afvragen wat voor een product dit nu juist is. Blijkbaar werd tot nog toe alleen in Frankrijk onderzoek gedaan.

In welke mate wordt op de Belgische markt de verkoop van medicijnen op natuurlijke basis gecontroleerd? Hoe zit het met de verkoop van deze producten door personen zonder een medische opleiding? Wordt de inname- en aankoophoeveelheid van creatine gecontroleerd? Zo ja, kan dit worden verantwoord?

Wordt voldoende gecontroleerd of de samenstelling van medicijnen op natuurlijke basis overeenkomt met hetgeen op de verpakking staat? Is er een controle op de hoeveelheid van het medicijn op natuurlijke basis, die een volwassene of een kind mag innemen? Vandaag kan het medicijn onbeperkt worden aangekocht. Bestaat er een mogelijkheid om de negatieve gevolgen ook in BelgiŽ te onderzoeken? Kan het product worden verboden als de eventuele resultaten van het onderzoek hiertoe aanleiding geven? Ik vraag me af of we onze sporters niet tegen dit product moeten beschermen.

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De producten die pretenderen curatieve of preventieve eigenschappen te bezitten of toegediend kunnen worden om een organische functie te herstellen, te verbeteren of te wijzigen worden als geneesmiddel beschouwd, of het nu om chemische producten gaat dan wel om natuurlijke stoffen. Zo staat het immers in artikel 1 van de wet op de geneesmiddelen van 25 maart 1964.

Deze geneesmiddelen worden voorafgaand geregistreerd, na advies van de geneesmiddelencommissie. Hierbij worden strenge eisen gesteld op het vlak van kwaliteit, doeltreffendheid en veiligheid. Aan de hand van de ingediende klinische studies stelt de geneesmiddelencommissie de gebruiksdosis vast.

Als een product niet als geneesmiddel wordt beschouwd, is de wetgeving op de eetwaren van toepassing. Op grond daarvan kunnen een aantal natuurlijke producten op de markt worden gebracht via een notificatiedossier.

Het betreft hier bepaalde planten, die opgesomd staan in het koninklijk besluit van 29 augustus 1997, en ook vitaminen, mineralen en oligo-elementen, tot een bepaalde dosis onderworpen aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 3 maart 1992. Bij de notificatie wordt onderzocht of het niet om een verkapt geneesmiddel gaat. De Farmaceutische Inspectie wordt erbij betrokken als de vraag rijst. De wetten en besluiten inzake samenstelling en etikettering van voedingsmiddelen zijn hier van toepassing. Zoals voor alle eetwaren worden geregeld controles uitgevoerd door de Eetwareninspectie.

Er is geen toezicht op de ingenomen hoeveelheden, noch op de aangekochte hoeveelheden. Om het even wie mag deze producten verkopen en vermits ze het distributiekanaal via de apotheek niet volgen, kan er evenmin sprake zijn van een medisch voorschrift.

De vragen met betrekking tot creatine werden niet vermeld in het interpellatieverzoek. Vandaar een algemeen antwoord op hoe geneesmiddelen en andere producten worden behandeld.

Ik zal laten onderzoeken of de Franse studie bij ons bekend is en welke conclusies daaruit moeten worden getrokken. Dit aspect zal ik alleszins verder opvolgen.

Mevrouw Erika Thijs (CVP). - Het doet me genoegen dat de minister dit aspect zal opvolgen. Volgens het rapport, dat we intussen hebben opgevraagd, heeft creatine vergaande gevolgen, niet alleen op het vlak van kanker. Indien het inderdaad echt gevaarlijk is en daarenboven niet kan worden opgespoord via de dopingcontrole, is extra aandacht zeker aangewezen.

BelgiŽ mag niet achterlopen en zou het bestaande onderzoek kunnen aanvullen, zodat maatregelen kunnen worden genomen.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over ęzijn aanwezigheid op de begrafenis van president KabilaĽ (nr. 2-331)

De voorzitter. - Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.

De heer Georges Dallemagne (PSC). - Ik vind het jammer dat de minister van Buitenlandse Zaken hier alweer niet aanwezig is. Ik weet dat hij een zware agenda heeft, maar ik vind het van essentieel belang dat wij in de Senaat kunnen debatteren over het buitenlands beleid van deze regering.

Ik heb enkele vragen over de situatie in Congo.

De minister van Buitenlandse Zaken verklaart dat hij, door de informatie die hij tijdens zijn reis naar Congo verzameld heeft, de situatie aldaar nu correcter kan inschatten.

Sommige tekenen wijzen erop dat de buitenlandse troepen zich uit dit conflictgebied willen terugtrekken. Dat geldt zowel voor de geallieerden van Kinshasa als voor Rwanda en Uganda. De rebellen wachten op een signaal van Kinshasa. Nieuwe omstandigheden kunnen misschien voor een nieuw evenwicht zorgen en een vredesproces op gang brengen. De verenigde Staten steunen Rwanda en Uganda tegenwoordig op een discretere wijze.

Wij zijn het eens met de boodschap die de minister van Buitenlandse Zaken aan het nieuwe regime heeft gestuurd inzake zijn legitimiteit, de noodzaak van een politieke opening, de verdieping van de inter-Congolese dialoog, de voortzetting van het Lusakaproces, de vrijlating van politieke gevangenen en vooral de noodzakelijke liberalisering van de politieke activiteiten.

Tijdens zijn eerste toespraak kondigde de heer Joseph Kabila een grotere openheid aan van het regime dat hij van zijn vader heeft geŽrfd. Hij somde enkele prioriteiten op: het herstel van de vrede door de onmiddellijke en onvoorwaardelijke terugtrekking van alle bezettingsmachten, de normalisering van de democratie door de versterking van de rechtstaat, een goed bestuur en vrije en transparante verkiezingen, de economische liberalisering en, tot slot, een grotere diplomatieke openheid ten opzichte van de Europese Unie.

Wij vinden dat deze boodschap de goede richting uitgaat, hoewel wij het liever iets ambitieuzer hadden gezien. We moeten echter over daden oordelen en niet over woorden. Toch waren wij enigszins verrast te horen dat president Kabila, niettegenstaande de inspanningen van de Belgische eerste minister, eerst Frankrijk als partnerland vermeldde en niet BelgiŽ. Gisteren bezocht hij trouwens Frankrijk, vandaag bevindt hij zich in Washington, vrijdag bezoekt hij de Veiligheidsraad en zaterdag beŽindigt hij zijn rondreis in BelgiŽ.

President Kabila wenst vruchtbare relaties met BelgiŽ. Hij zet daar echter geen enkel engagement tegenover met betrekking tot de eisen die de minister van Buitenlandse Zaken heeft geformuleerd. Die boodschap zou in Kishasa trouwens niet in goede aarde gevallen zijn.

De minister wil BelgiŽ opnieuw zijn plaats geven in Afrika. Dit discours heeft zeker een impact op de Belgische publieke opinie, maar is dat ook zo voor de Afrikaanse scŤne en voor de bevordering van de vrede in Congo?

Een eerste vaststelling is dat BelgiŽ en zijn minister van Buitenlandse Zaken erg geÔsoleerd zijn van Frankrijk en de Verenigde Staten. Het is niet voldoende zich op te werpen als onmisbare partner, men moet als zodanig ook nog erkend worden en dat is lang niet zo zeker.

De minister beweert vaak dat BelgiŽ ťťn van de enige landen is dat de internationale gemeenschap mobiliseert. Het kan echter blijkbaar alleen zichzelf mobiliseren, op bezoek en zonder middelen.

Dit bezoek is ook niet gebeurd namens of in overleg met de Europese Unie.

De heer Michel heeft de reis van de heer Aldo Ajelo, gezant van de Europese Unie in het Gebied van de Grote Meren, gewoon overgedaan.

Ik heb ook vragen bij de coŲrdinatie tussen de westerse actoren. Zijn Frankrijk, de Verenigde Staten en de Verenigde Naties bereid de Belgische minister even nauwgezet in te lichten over hun contacten met Congo als hij dat zelf doet?

Waarom ging de heer Michel ook niet naar Parijs en Washington om de mening te horen van de mogendheden die in het Gebied van de Grote Meren bijzonder invloedrijk zijn?

Was het echt nodig de begrafenis van Laurent-Dťsirť Kabila bij te wonen? Was het nodig naar Congo te reizen? Deze twee vragen moeten duidelijk van elkaar worden gescheiden. Voor ons bestaat er een fundamenteel verschil tussen een rondreis in Afrika om zich ter plaatse te informeren en het aangrijpen van een "window's opportunity" om hulde te brengen aan een dictator, wat in Congo trouwens nog niet eens werd gewaardeerd. Het argument dat hij het Congolese volk zijn medeleven wilde betuigen, lijkt mij ook erg vreemd. Is Kabila sinds drie jaar niet verantwoordelijk voor de politieke verdrukking, de schending van de burgerlijke en politieke rechten van het Congolese volk en voor de ontkenning van de rechtstaat door willekeurige arrestaties?

De politieke, economische en sociale balans van het beleid van Kabila is rampzalig. De Verenigde Naties brachten twee rapporten uit waarin hij wordt beschuldigd van ernstige schendingen van de mensenrechten. Hij belette facilitateur Masirť te werken. Hij heeft de inter-Congolese dialoog niet georganiseerd, hij werkte de export van de natuurlijke rijkdommen van Congo in de hand. Hij remde de toepassing van de akkoorden van Lusaka af. De sociaal-economische toestand van Congo is slechter dan ooit. Door zijn desastreus valutabeleid wurgde hij de enkele economische operatoren die er nog wilden werken. De nieuwe president heeft dat beleid trouwens al gewijzigd.

De erkenning van het regime van Laurent-Desirť Kabila, zelfs al was dat niet de bedoeling, lijkt ons erg inopportuun. Men huldigt geen dictators. Hoe moet dat overkomen bij de andere dictators in de wereld?

Ik heb het nog even over het anti-Belgische of anti-westerse klimaat dat in Congo heerste en misschien nog altijd heerst. Ik maak me in dat verband vooral zorgen over de uitlatingen van minister Yerodia over de betrokkenheid van BelgiŽ bij de moord op Laurent-Dťsirť Kabila.

Ik heb bijgevolg vragen bij de objectiviteit en de ijver in het door Yerodia geleide onderzoek naar de verantwoordelijkheden in deze moord.

Ik resumeer mijn vragen.

Wat heeft de minister van Buitenlandse Zaken gedaan om te voorkomen dat zijn bezoek zou overkomen als een hulde aan dictator Laurent-Dťsirť Kabila?

Heeft hij dit bezoek met zijn Europese partners besproken?

De Belgische pers heeft anti-Belgische gevoelens waargenomen? Hoe interpreteert hij deze situatie?

Hoe beoordeelt hij de wil van het nieuwe regime om de inter-Congolese dialoog tot stand te brengen en de akkoorden van Lusaka nieuw leven in te blazen?

Welke duidelijk politieke signalen heeft hij het nieuwe regime gestuurd?

Welke nieuwe verbintenissen heeft de nieuwe president aangegaan tijdens zijn onderhoud van enkele minuten met het hoofd van de Belgische diplomatie?

Hoe evolueert de minister de situatie na zijn rondreis in de regio?

Over welke informatie beschikt hij met betrekking tot de moordenaars van Laurent-Dťsirť Kabila en hun motieven?

Ik heb nog twee bijkomende vragen. We zien thans een echte proliferatie van speciale gezanten naar het Gebied van de Grote Meren en BelgiŽ geeft het voorbeeld. Wie doet wat namens BelgiŽ in Centraal-Afrika? De heer Michel gaf de indruk het Centraal-Afrikaans dossier naar mevrouw Neyts door te schuiven en nu neemt hij het weer over. Betekent dat een verloochening van de aanpak van mevrouw Neyts?

Gewezen ambassadeur De Coninck is speciaal gezant voor de regio. De heer Moreels is speciaal gezant van de heer Michel voor de humanitaire situatie, waarover ik mij verheug, maar wat is dan de rol van de heer Boutmans, die toch de touwtjes van de Belgische ontwikkelingsbeurs in handen houdt?

Dit alles maakt weliswaar indruk, maar is niet altijd duidelijk.

Hoe kan BelgiŽ in die omstandigheden met ťťn stem spreken? Wie is de facilitateur van de inter-Congolese dialoog? Omar Bongo, president van Gabon wordt genoemd als co-facilitateur naast de heer Masirť, die door Laurent-Dťsirť Kabila werd geboycot. De minister zou de heer Bongo gevraagd hebben die rol te spelen. Deed hij dat namens BelgiŽ, de Europese Unie of de Verenigde Naties?

Ik eindig met de laatste verklaringen van de minister over een mogelijke herlezing van de akkoorden van Lusaka. Welke onderhandelingsmarge is er daar? Aan welke elementen kan niet worden geraakt? Welke elementen zou de minister graag gewijzigd zien?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De minister van Buitenlandse Zaken heeft mij gevraagd het volgende antwoord mee te delen.

Mijn aanwezigheid in Kinshasa was noch een postume, noch een nieuwe legitimatie. Ze lag in de lijn van het regeringsbeleid.

Het zou onbegrijpelijk zijn indien BelgiŽ bij deze onverwachte en dramatische wijziging in het Congolese politieke landschap zijn stem niet had laten horen om de vredesdialoog te steunen en de veiligheid van onze landgenoten ter plaatse te verzekeren. We moesten onze Congolese onderhandelingspartners ook uitleggen waarom we bepaalde militaire voorzorgsmaatregelen genomen hadden in een conjunctuur die erg onzeker is en nog ingewikkelder geworden is door de aanwezigheid van verschillende buitenlandse contingenten met een aanvankelijk slecht omschreven taak.

Door onze aanwezigheid tijdens de begrafenis van de overleden president, de gesprekken die we met de nieuwe beleidsverantwoordelijken in Kinshasa hebben gevoerd, alsook de vruchtbare contacten met alle partijen die bij het Lusakaproces betrokken zijn, hebben we ons standpunt duidelijk kunnen maken, ons engagement in dienst van de vrede en de dialoog kunnen bevestigen en kunnen uitmaken of er werkelijk een opening kan komen in een proces dat tot voor kort nog totaal geblokkeerd was. Volgens mij is de balans positief, op voorwaarde dat alle partijen zich concreet engageren op het vlak van de dialoog. Dat hangt natuurlijk niet alleen van BelgiŽ af.

Ik heb mijn bezoek besproken met mijn collega's van de Europese Unie, zoals blijkt uit de conclusies van de Raad Algemene Zaken op de vooravond van mijn vertrek. Ik had trouwens gevraagd de situatie in Congo op de agenda te plaatsen. Ik had ook de secretaris-generaal van de Verenigde Naties verwittigd. Na mijn terugkomst hebben de eerste minister en ikzelf met hem trouwens een onderhoud gehad.

Er waren incidenten in Kinshasa en Lubumbashi, maar die waren veeleer toe te schrijven aan de verwarring die er heerste dan aan anti-Belgische gevoelens. Ik ontken echter niet dat er bepaalde anti-westerse of anti-blanke gevoelens aanwezig zijn die door kwaadwilligen kunnen worden uitgebuit.

Mijn boodschap aan Joseph Kabila, die ik na mijn aankomst in Kinshasa ontmoet heb, was duidelijk en kan als volgt worden samengevat: om vooruit te komen, moeten er openingen komen en moet de basis voor een echte dialoog worden gelegd. Dat betekent de vrijlating van politieke gevangenen, de liberalisering van politieke activiteiten en het leggen van contacten met facilitateur Masire teneinde de inter-Congolose dialoog te starten. Het is niet voldoende de terugtrekking van vreemde troepen te vragen, ook de hindernissen voor het opstellen van een VN-missie moeten uit de weg worden geruimd. Ik heb eveneens duidelijk gemaakt dat het onaanvaardbaar was militaire operaties te beginnen om misbruik te maken van de huidige toestand. Ik heb eraan toegevoegd dat deze boodschap bestemd was voor alle partijen in het conflict. Naar deze boodschap, die tijdens de diverse contacten naar alle niveaus van het beleid is overgezonden, is geluisterd en ik heb alle redenen om aan te nemen dat ook de nieuwe president ze heeft begrepen.

Ik stel met genoegen vast dat president Joseph Kabila in zijn toespraak na zijn eedaflegging voor het Hooggerechtshof op een open beleid en op het economische vlak zelfs op een breuk met het verleden aanstuurt. Het zal alleen nog moeten blijken op welke wijze en binnen welke termijn deze intentie in concrete daden zal worden omgezet. De overgangsploeg die Joseph Kabila omringt, is zeker niet homogeen. De overtuigde voorstanders van een opening en zij die zich terughoudend opstellen, zullen in de loop van de volgende weken moeten uitmaken wat ze willen. Het verwondert mij bijgevolg niet dat de toespraak van 26 januari ook elementen van continuÔteit en duistere passages bevatte.

Het belangrijkste op dit ogenblik is de vaststelling dat de wil tot opening aanwezig is. Iedereen moet een bijdrage leveren om die opening groter te maken, in de wetenschap dat er tijd nodig is om de resultaten te boeken waarnaar de Congolezen, de regionale partijen en de internationale gemeenschap vurig verlangen.

Wat is de balans van deze Afrikaanse rondreis tijdens dewelke ik president Sassou van Congo-Brazzaville, de minister van Buitenlandse Zaken van Angola, president Mugabe, president Kagame, de Ugandese minister, president Bongo, de rebellen, Bemba voor het MLC, Ruberwa voor RCD Goma, de secretaris-general van de Verenigde Naties, president Mbeki, mijn Tunesische collega die deze maand de Veiligheidsraad voorzit, de heer Boutros Ghali, de secretaris-generaal van de Francofonie en talrijke vertegenwoordigers van de Congolese diaspora heb ontmoet?

Ik stel vast dat iedereen het ermee eens is dat de overgang in Kinshasa een gelegenheid biedt die moet worden aangegrepen om het Lusakaproces te reactiveren en dat de inter-Congolese dialoog in deze context absoluut moet worden voortgezet. Iedereen wacht op daden vanuit Kinshasa.

Bovendien beweren alle buitenlandse partijen dat ze de oorlog beu zijn en dat ze die willen beŽindigen, ook wanneer ze daarvoor zekere nuances en voorwaarden moeten aanvaarden zoals veiligheidsgaranties voor Rwanda, vooral door de neutralisatie van de negatieve krachten, de Interahamwe. Angola vraagt stabiliteitsgaranties voor zijn grenzen, dus geen bemoeiing ten voordele van UNITA. Zimbabwe wil Rwanda geen vrij spel geven. Uganda is solidair met Rwanda. Het is dus een uiterst moeilijke oefening.

De diplomatieke stappen van BelgiŽ worden begrepen en gewaardeerd, wat natuurlijk niet betekent dat we de sleutel voor een oplossing in handen hebben, want die hangt van de Congolezen en de Afrikanen zelf af.

De heer Georges Dallemagne (PSC). - Ik zal geen uitgebreide repliek geven aangezien de minister van Buitenlandse Zaken niet aanwezig is. Op het diplomatieke vlak is er een zekere coherentie nodig. Ik maak mij zorgen over de prioriteiten die de regering naar voren heeft gebracht. Die zijn lovenswaardig wat de verdediging en bevordering van de rechten van de mens betreft, maar ik maak mij zorgen over de sterke incoherentie in de daden van de regering op dat vlak. Er was geen enkele andere Europese minister op de begrafenis van de heer Kabila aanwezig. Dat was niet de taak van de vice-eerste minister. Men blijft weg op de begrafenis van Kabila zoals men is weggebleven op de begrafenis van Mobutu en geen hulde zal brengen aan de heer Pinochet.

In het Afrikaans dossier moet er pro-actief worden gewerkt, maar slechts weinigen doen dat. Pro-actief is niet hetzelfde als een gebrek aan coŲrdinatie. Bij een pro-actieve benadering wordt er naar efficiŽntie gestreefd. Het is belangrijk dat BelgiŽ, dat op het punt staat het voorzitterschap van de Europese Unie op zich te nemen, probeert de Europese diplomatie, bijvoorbeeld de trojka, bij zijn inspanningen te betrekken, want anders lopen we het risico inefficiŽnt te zijn.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Josy Dubiť aan de minister van Justitie over ęde omzetting in de Belgische rechtsorde van de UNO-Overeenkomst van 10 december 1984 tegen foltering en andere straffen of wrede, onmenselijke of vernederende behandelingenĽ (nr. 2-328)

Vraag om uitleg van de heer Philippe Mahoux aan de minister van Justitie over ęde omzetting in de Belgische rechtsorde van de UNO-Overeenkomst van 10 december 1984 tegen foltering en andere straffen of wrede, onmenselijke of vernederende behandelingenĽ (nr. 2-339)

De voorzitter. - Ik stel voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)

De heer Josy Dubiť (ECOLO). - Op 25 juni 1999 ratificeerde BelgiŽ de UNO-Overeenkomst van 10 december 1984 tegen foltering en andere straffen of wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen. Onze strafwet is nog steeds niet gewijzigd, foltering wordt door het Belgische recht dus nog steeds niet veroordeeld.

Het wetsontwerp tot omzetting in de Belgische rechtsorde van de UNO-Overeenkomst van 10 december 1984 had in september 2000 klaar moeten zijn. Blijkbaar heeft de Ministerraad dit ontwerp nog steeds niet besproken.

Sedert dit jaar is ons land lid van de mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties. Graag had ik dan ook van de minister vernomen of het wetsontwerp tot omzetting in de Belgische rechtsorde van de UNO-Overeenkomst klaar is. Wanneer zal dit ontwerp ter goedkeuring aan de Senaat worden voorgelegd?

De heer Philippe Mahoux (PS). - Vanuit een zeker maatschappelijk ongeduld wil ik u ondervragen over de omzetting in de Belgische rechtsorde van de bepalingen van de UNO-Overeenkomst van 10 december 1984. Toen het wetsontwerp tot bekrachtiging van de Overeenkomst in de Senaat werd ingediend, heeft de toenmalige regering zich ertoe verbonden tijdig het nodige te doen om het Belgisch recht in overeenstemming te brengen met de bepalingen van de Overeenkomst. De Raad van State heeft een advies uitgebracht, dat luidt dat sommige bepalingen niet moeten worden omgezet omdat ze reeds deel uitmaken van onze rechtsorde. Dit geldt niet voor het geheel van de tekst.

De heer Dubiť heeft erop gewezen dat er reeds een wetsontwerp bestaat en dat het enkel nog door de Ministerraad moet worden goedgekeurd. Wat is de oorzaak van de vertraging? Toen BelgiŽ de Overeenkomst in 1999 goedkeurde, was Ierland de enige van de 107 ondertekenende staten die dat nog niet had gedaan. Kunt u ons meedelen wanneer het wetsontwerp in het Parlement zal worden ingediend?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Mijn departement heeft een voorontwerp van wet voorbereid tot omzetting in de Belgische rechtsorde van de UNO-Overeenkomst van 10 december 1984 tegen foltering en andere straffen of wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen. Het zal op 16 februari 2001 in de Ministerraad worden onderzocht. Ik weet niet waar u het haalt dat de tekst al in september klaar was. Dit zou immers betekenen dat de tekst in de twee talen beschikbaar is, dat er vergaderingen tussen de kabinetten hebben plaatsgevonden en dat de Inspectie van FinanciŽn haar advies heeft uitgebracht. Ik verklaar formeel dat dit niet het geval is. Het heeft me overigens heel wat moeite gekost om ervoor te zorgen dat het voorontwerp op 16 februari klaar zal zijn.

De krachtlijnen van het voorontwerp zijn de volgende. Het eerste hoofdstuk van Titel VIII van het tweede deel van het Strafwetboek wordt grondig herwerkt. Er wordt een nieuwe afdeling ingevoegd onder de titel: "Over foltering, onmenselijke behandeling en vernederende behandeling". Deze afdeling bevat nieuwe en specifieke overtredingen met betrekking tot foltering, onmenselijke behandeling en vernederende behandeling, waarvoor straffen zijn vastgesteld die aan de aard en de ernst van de inbreuk zijn aangepast. Er wordt tevens bepaald dat het bevel van een meerdere of van een overheid geen enkele strafbare handeling rechtvaardigt. De andere bepalingen van het Strafwetboek met betrekking tot foltering, namelijk verzwarende omstandigheden zoals gijzelneming, aanranding van de eerbaarheid of verkrachting, zullen dienovereenkomstig worden aangepast.

Het voorontwerp van wet bevat geen precieze omschrijving van de begrippen foltering, onmenselijke en vernederende behandeling. Dit biedt het voordeel dat de interpretatie van deze begrippen in de rechtspraak kan evolueren. In de toelichting wordt duidelijk onderstreept dat de Belgische rechter die deze bepalingen moet toepassen, zich moet baseren op de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens inzake de toepassing van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.

Zodra het voorontwerp van wet door de Ministerraad is goedgekeurd, zal het voor advies aan de Raad van State worden voorgelegd. Het wetsontwerp, dat een aangelegenheid regelt zoals bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, zal dan in de Kamer van Volksvertegenwoordigers of in de Senaat worden ingediend.

Het zal normaal gezien vůůr het Belgisch voorzitterschap van de Europese Unie worden aangenomen.

De heer Josy Dubiť (ECOLO). - Het verheugt mij dat het voorontwerp nog deze maand in de Ministerraad zal worden besproken. BelgiŽ heeft de Overeenkomst overigens in 1999 geratificeerd, twaalf jaar na de inwerkingtreding ervan. Het wordt tijd dat we over de instrumenten beschikken om de bepalingen van de Overeenkomst te kunnen toepassen.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Gelukkig wordt hier nog geen traagheidsrecord gebroken. Twaalf jaar is inderdaad lang. Misschien moeten we onderzoeken wat de reden van deze vertraging is.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Het verheugt me dat dit probleem zowel op de agenda van de regering als op die van het Parlement staat. Deze aangelegenheid moet immers dringend worden geregeld.

We mogen blij zijn dat het voorzitterschap van de Europese Unie nu eindelijk schot in de zaak brengt.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Justitie over ęde toepassing van de nieuwe regels inzake de nationaliteitĽ (nr. 2-320)

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Mijn vraag handelt over de nationaliteit, meer in het bijzonder over de nieuwe wet op de nationaliteit, die in allerijl werd goedgekeurd.

Hoever staat het met de evaluatie van de nieuwe procedure? Eťn van de belangrijkste gevolgen van de nieuwe wet was de wijziging van de termijnen binnen dewelke de procureurs des Konings en de bevoegde instanties hun advies moeten verstrekken over de naturalisatieaanvragen. Er werd lang gedebatteerd over de termijn van een maand. Iedereen verlangde een versnelling van de procedure in het belang van de aanvrager, maar we realiseerden ons niet dat het voor de parketten zeer moeilijk is om deze termijn te respecteren.

Alvorens een voorstel tot wetswijziging in te dienen, had ik graag vernomen of er een evaluatieprocedure bij de parketten is opgestart. Wat vinden de verschillende parketten - de toestand in Brussel is niet dezelfde als elders - van de herziening van deze termijn? Vinden ze dat een verhoging van de middelen noodzakelijk is om de taak die hun bij wet is opgelegd, correct te vervullen?

Bij de voorbereiding van de wet had de minister een rondzendbrief aan de parketten aangekondigd om naturalisatieaanvragen met een vals of een crimineel doel gemakkelijker te kunnen opsporen.

Beschikken de bevoegde instanties - parketten, dienst Vreemdelingenzaken - over voldoende middelen om hun opdracht te vervullen?

Bij de goedkeuring van de nieuwe procedure zijn ook de kosten ervan ter sprake gekomen. Iedereen was het erover eens dat de procedure gratis moest zijn en het verheugt me dat de nieuwe wet aan deze wens is tegemoetgekomen. Er is echter iets anders: sommige gemeenten vragen een bijdrage voor het indienen van een aanvraag tot het verwerven van de nationaliteit op een andere manier dan door naturalisatie. Met het oog op een vereenvoudiging van de procedure had ik graag vernomen of u, in samenwerking met de minister van Binnenlandse Zaken, een rondzendbrief naar de gemeenten hebt gestuurd over de bijdragen die ze mogen heffen op aanvragen tot het verwerven van de nationaliteit.

De heer Philippe Moureaux (PS). - Ze mogen geen bijdrage vragen.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - In theorie niet, maar sommige gemeenten doen het toch.

De heer Philippe Moureaux (PS). - Dat is onwettig.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Ik dring erop aan dat de minister van Binnenlandse Zaken de gemeenten tot de orde roept.

De heer Philippe Moureaux (PS). - De minister van Justitie is terzake bevoegd.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Ik heb de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Justitie hierover reeds herhaaldelijk ondervraagd. Het is een echt pingpongspel en ik zou nu eindelijk willen weten of er al een beslissing is genomen.

Werd er een evaluatie opgestart van deze nieuwe procedure, die in allerijl door het Parlement werd goedgekeurd? Staan de parketten, vooral de grote parketten zoals het Brusselse, voor onoverkomelijke moeilijkheden om binnen de maand een advies te verstrekken?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - De termijn voor de uitvoering van een evaluatie bedraagt een jaar. Deze wet is sedert 1 mei van kracht. Op 1 december heb ik de EHSAL en de ULB verzocht een onderzoek in te stellen voor de periode van 1 december 2000 tot 31 maart 2001 ten einde de efficiŽntie van de nieuwe wet op de nationaliteit van 1 maart 2000 te kunnen evalueren. De resultaten van dit onderzoek worden verwacht tegen eind maart van dit jaar.

Uw tweede vraag heeft betrekking op de manier waarop de parketten deze materie behandelen. Ik heb de EHSAL en de ULB verzocht dienaangaande een evaluatie uit te voeren waarbij alle instanties op het terrein worden betrokken.

Op 14 april 2000 werd aan alle parketten een rondzendbrief bezorgd met het oog op de bestrijding van naturalisatieaanvragen met een crimineel doel.

Aangezien de evaluatie nog aan de gang is, beschik ik niet over voldoende gegevens om uw derde vraag te beantwoorden.

De vierde en de vijfde vraag hebben hoofdzakelijk betrekking op de termijnen die de instanties nodig hebben om een advies te formuleren. De Staatsveiligheid ondervindt geen moeilijkheden om de termijn te respecteren. Bij de dienst Vreemdelingenzaken is er blijkbaar wel een probleem. Daarom werden daar op 1 januari 2001 veertien mensen in dienst genomen. De studie die thans wordt uitgevoerd, zal moeten uitwijzen of deze uitbreiding van de personeelsformatie toereikend is en of de dienst in staat is binnen de termijn van een maand een advies uit te brengen.

De dienst naturalisaties van de Kamer heeft mij meegedeeld dat het grootste deel van de parketten de termijn van een maand respecteert. Sommige parketten hebben overigens bijkomend personeel in dienst genomen om het hoofd te bieden aan de toename van het aantal aanvragen tot het verwerven van de Belgische nationaliteit.

Ik denk in het bijzonder aan de parketten van de grote steden, zoals Brussel. Het onderzoek zal zich ook op dit punt toespitsen. Zo zullen wij een duidelijker beeld hebben van de toestand en van de maatregelen die eventueel moeten worden genomen.

Sedert 1 februari 2000, de datum van inwerkingtreding van de wet van 24 december 1999 houdende fiscale en andere bepalingen, zijn de registratierechten voor de naturalisatieaanvragen afgeschaft en zijn de akten en bewijsstukken die erbij moeten worden gevoegd, vrij van zegelrecht. De vrijstelling van zegelrecht geldt niet voor de andere procedures tot verwerving van de Belgische nationaliteit, namelijk de nationaliteitsverklaring en de nationaliteitskeuze. Voor deze procedures blijft het zegelrecht behouden. Deze materie behoort tot de bevoegdheid van de minister van FinanciŽn, die een wetsontwerp voorbereidt tot uitbreiding van de vrijstelling van het zegelrecht tot andere procedures. Ik verwijs in dit verband naar het antwoord van de minister van FinanciŽn op een vraag van de heer Coenen in de Kamer. De steden en gemeenten mogen geen zegelrecht eisen voor de aanvragen tot het verwerven van de Belgische nationaliteit. Deze aangelegenheid is het onderwerp van een gezamenlijke rondzendbrief van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - De eerste mei zal ik samen met de minister het wetsontwerp evalueren en nagaan welke wijzigingen er noodzakelijk zijn.

-Het incident is gesloten.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisieomroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad (Stuk 2-602) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De heer Louis Siquet (PS), rapporteur. - De commissie is vandaag bijeengekomen om de twee amendementen te bespreken die werden ingediend als gevolg van een resolutie in de Brusselse Hoofdstedelijke Raad over de distributienetten voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisieomroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.

Het eerste amendement strekte ertoe artikel 13 te doen vervallen.

Het tweede amendement strekte ertoe hetzelfde artikel te wijzigen.

Het eerste amendement werd met acht tegen drie stemmen verworpen.

Het tweede amendement werd met acht tegen drie stemmen aangenomen.

De heer Olivier de Clippele (PRL-FDF-MCC). - De Senaat krijgt de gelegenheid dit wetsontwerp grondig te herlezen. Het bevatte inderdaad een anomalie, in die zin dat het alleen aan het Brussel Gewest een - weliswaar geringe - belasting oplegde om een biculturele instelling te financieren, wat toch een zekere discriminatie inhield. Dit wordt verholpen door een samenwerkingsakkoord met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op te leggen. Ik hoop dat de Senaat hiermee kan aantonen dat hij in de Kamer goedgekeurde teksten kan wijzigen.

De heer Ludwig Caluwť (CVP). - Dit ontwerp strekt ertoe Europese richtlijnen in de Belgische wetgeving om te zetten. De kabelmaatschappijen krijgen echter heffingen opgelegd die volgens de Europese richtlijnen niet hoefden en waardoor het voor hen moeilijker wordt om met de telefonieoperatoren te concurreren.

In het oorspronkelijk ontwerp werd, alleen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de kabelmaatschappijen een belasting opgelegd van 1 euro per abonnee. Deze bijdrage zal waarschijnlijk worden doorgerekend aan de abonnees. De kabelmaatschappijen zouden de heffingen doorstorten aan een fonds voor het bicultureel audiovisueel patrimonium, bijvoorbeeld voor het Filmarchief. Men ligt die heffing op aan de kabelmaatschappijen omdat dit in concurrentie is met de film. Als men televisie kijkt gaat men minder naar de bioscoop.

Eigenlijk gaat het hier om een discriminatie want momenteel is het ook mogelijk televisie te kijken via een schotelantenne of zelfs via de PC. De kabelmaatschappijen wordt een bijkomend heffing opgelegd, de telefonieoperatoren niet. Het amendement dat ik in de commissie indiende om artikel 13 te schrappen werd bij staking van stemmen verworpen.

De Brusselse Hoofdstedelijke Raad heeft evenwel een resolutie aangenomen. Ze protesteert tegen de heffing die alleen de Brusselaars treft. Ze vraagt de belasting te schrappen en overleg te plegen met de Vlaamse en Franse Gemeenschap, de federale overheid en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Vandaag werd hier in de commissie een amendement ingediend dat tegen de resolutie ingaat. Het strekt ertoe de belasting opnieuw in te voeren en voor de besteding een samenwerkingsakkoord aan te gaan met de autoriteiten die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegd zijn voor culturele aangelegenheden.

Ik wil de heer de Clippele er wel even op wijzen dat niet de Brusselse Hoofdstedelijke regering of de Brusselse Raad bevoegd zijn voor cultuur, maar wel de Vlaamse en de Franse Gemeenschap en zij alleen. Hier vraagt men in feite dat er een samenwerkingsakkoord komt tussen de federale regering en de Vlaamse en de Franse gemeenschapregering. We moeten dat goed beseffen. Ook de heer Moureaux heeft dat vanochtend in de commissie erkend.

De Brusselse Hoofdstedelijke Raad vraagt de schrapping, het amendement gaat akkoord met de invoering van deze belasting, maar vraagt over de besteding een samenwerkingsakkoord.

De CVP-fractie protesteert dat men deze belasting opnieuw invoert en dat men hier tewerk gaat op een manier die compleet ingaat tegen al onze bevoegdheidsrechtelijke regels. Men wil immers de gemeenschappen verplichten tot een samenwerkingsakkoord, iets wat volgens de meest elementaire beginselen van ons grondwettelijk recht niet kan. We kunnen de gemeenschappen en gewesten alleen via een bijzondere meerderheid verplichtingen opleggen. Omdat sommigen blijkbaar twijfelen aan wat volgens mij pure evidentie is, wil ik een paar citaten voorlezen uit het boek van Jan Velaers De Grondwet en de Raad van State, Afdeling Wetgeving. Er staan een achttiental adviezen van de Raad van State in, die allemaal in dezelfde richting gaan. Ik geef er maar enkele, bijvoorbeeld deze passus over de passieve autonomie: "De gemeenschappen en gewesten kunnen niet tegen hun wil betrokken worden bij het federale beleid. Gemeenschappen- en gewestoverheden kunnen niet bij de toepassing van een federale regelgeving betrokken worden. Gemeenschappen en gewesten kunnen niet verplicht worden om advies te geven. Het autonomiebeginsel houdt in dat de gemeenschappen niet kunnen verplicht worden, tenzij bij een bijzondere meerderheid, om een advies te geven. Aangezien de bevoegdheden van de staat, de gemeenschappen en de gewesten exclusief zijn, miskent de nationale wetgever zijn eigen bevoegdheid door het toekennen van een vergunning door een nationale overheid te onderwerpen aan het verplicht advies van de Vlaamse regering en de Franse gemeenschapsregering en begeeft hij zich op het terrein van de gemeenschappen door hun een medewerking op te leggen, waarin alleen bij een bijzondere wet zou kunnen worden voorzien." Citaten als dit staan legio in dit boek, ik zou er wel achttien kunnen aanhalen.

Op basis van deze argumentatie hebben we drie amendementen ingediend. Het eerste strekt ertoe de titel van deze wet zodanig te veranderen dat het duidelijk wordt dat het niet om een gewone, maar om een bijzondere wet gaat.

Ten tweede willen we in artikel 1 duidelijk maken dat dit niet slaat op artikel 78 van de Grondwet, maar wel op artikel 77.

In ons belangrijkste amendement pleiten we voor de schrapping van dat artikel 13, zodat men deze belasting niet invoert. Ik begrijp echt de vier Brusselaars niet die dit amendement hebben ingediend en die koste wat kost willen dat de Brusselaars en alleen zij deze belasting betalen. (Rumoer). Daar is mijn verstand te klein voor. Tenzij - maar dat is misschien overdreven achterdocht - de achterliggende bedoeling is de biculturele instellingen alleen met Brusselse gelden te financieren, teneinde die later over te hevelen naar het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en dat culturele bevoegdheden te verlenen. Daar willen we iedereen voor waarschuwen, daarom vragen we de schrapping van dat artikel 13. Dat is het enige verstandige dat wij terzake kunnen doen.

Trouwens, zelfs als we al de bepalingen van het ontwerp goedkeuren, zullen die euro's toch nooit betaald worden. De kabelmaatschappijen zullen de zaak namelijk onmiddellijk voor het Arbitragehof brengen en dat zal dit ontwerp prompt vernietigen. (Applaus)

De heer Michel Barbeaux (PSC). - De heer Caluwť heeft onze argumenten al ontwikkeld. Ik zal ze in vier punten samenvatten.

Het ontwerp voert een federale belasting in, maar dan alleen voor de Brusselaars. Zoals ook de Raad van State in zijn advies aangeeft, is dit niet in strijd met de bevoegdheidsverdeling.

Anders is het gesteld met de wenselijkheid van een dergelijke belasting. De heer de Clippele, die vroeger altijd tegen welke belasting ook gekant was, ....

De heer Olivier de Clippele (PRL-FDF-MCC). - Ik protesteer, dat is niet zo.

De heer Michel Barbeaux (PSC). - ... heeft een amendement ingediend waarin hij voorstelt deze discriminatie op te heffen.

Nochtans is het de federale Staat die alleen Brusselaars die aangesloten zijn op het kabeldistributienet, een belasting oplegt.

Het ontwerp stelde voor de opbrengst van die belasting aan te wenden om de biculturele instellingen in Brussel te financieren. Dit was duidelijk een federale bevoegdheid. Het voorgestelde amendement wil gemeenschapsbevoegdheden met federale middelen financieren. Hier rijst een grondwettelijk probleem.

Hetzelfde amendement verbindt de uitoefening van een federale bevoegdheid aan een akkoord tussen de twee grote gemeenschappen. Daarvoor is een bijzondere meerderheid nodig. Dit is een tweede grondwettelijk probleem.

Voor het samenwerkingsakkoord waarin het ontwerp voorziet, is een bijzondere meerderheid nodig. Ook daar zijn we het eens met het amendement van de heer Caluwť. Artikel 92bis van de bijzondere wet heeft de gemeenschappen met een bijzondere meerderheid bepaalde samenwerkingsakkoorden opgelegd. Andere samenwerkingsakkoorden zijn mogelijk, maar niet verplicht. Het ontwerp legt de gemeenschappen zulk een akkoord op. Als de twee grote gemeenschappen weigeren dit samenwerkingsakkoord te ondertekenen, volgt hieruit dat de federale staat de opbrengst van de belasting niet kan gebruiken en zijn bevoegdheden niet kan uitoefenen.

Via een gewone wet de twee gemeenschappen bij de uitoefening van federale bevoegdheden betrekken is in strijd met de Grondwet.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de FinanciŽn en de Economische Aangelegenheden, zie stuk 2-602/9.)

De voorzitter. - Op het opschrift heeft de heer Caluwť amendement nr. 4 ingediend (zie stuk 2-602/10) dat luidt:

Artikel 1 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Caluwť amendement nr. 5 ingediend (zie stuk 2-602/10) dat luidt:

De voorzitter. - Artikel 13 luidt:

De heer Caluwť stelt voor dit artikel te schrappen (amendement nr. 1, zie stuk 2-602/2).

-De stemming over de amendementen wordt aangehouden.

-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

Samenstelling van commissies

De voorzitter. - Bij het Bureau zijn voorstellen ingediend tot wijziging van de samenstelling van bepaalde commissies:

In de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden:

zou de heer Jan Steverlynck, de heer Jean-Luc Dehaene als effectief lid vervangen;

In het Federaal Adviescomitť voor Europese Aangelegenheden:

zou de heer Jan Steverlynck, de heer Jean-Luc Dehaene als effectief lid vervangen;

In de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden:

zou de heer Jan Steverlynck, de heer Jean-Luc Dehaene als plaatsvervangend lid vervangen;

In de commissie voor de Justitie:

zou de heer Jan Steverlynck, de heer Jean-Luc Dehaene als plaatsvervangend lid vervangen;

In de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging:

zou de heer Jan Steverlynck, de heer Jean-Luc Dehaene als plaatsvervangend lid vervangen;

In de commissie voor de Justitie:

zou mevrouw Myriam Vanlerberghe, mevrouw Kathy Lindekens als effectief lid vervangen;

zou mevrouw Fatma Pehlivan, mevrouw Myriam Vanlerberghe als plaatsvervangend lid vervangen;

In de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging:

zou mevrouw Fatma Pehlivan, mevrouw Kathy Lindekens als plaatsvervangend lid vervangen;

In de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden:

zou mevrouw Fatma Pehlivan, mevrouw Kathy Lindekens als plaatsvervangend lid vervangen;

In de commissie voor de Sociale Aangelegenheden:

zou mevrouw Fatma Pehlivan, mevrouw Myriam Vanlerberghe als effectief lid vervangen;

zou mevrouw Myriam Vanlerberghe, mevrouw Kathy Lindekens als plaatsvervangend lid vervangen;

In het Adviescomitť voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen:

zou mevrouw Fatma Pehlivan, mevrouw Kathy Lindekens als effectief lid vervangen;

In de controlecommissie betreffende de verkiezingsuitgaven en de boekhouding van de politieke partijen:

zou de heer Jacques Devolder, de heer Andrť Geens als plaatsvervangend lid vervangen;

In de commissie voor politieke vernieuwing:

zou mevrouw Jeannine Leduc, mevrouw Mimi Kestelijn-Sierens als plaatsvervangend lid vervangen;

zou de heer Paul Wille, de heer Paul De Grauwe als plaatsvervangend lid vervangen.

(Instemming)

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 8 februari 2001

's ochtends om 10 uur

E-government op het vlak van de federale, provincie- en gemeentebesturen; Stuk 2-564/1.

's namiddags om 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Mondelinge vragen.

Evocatieprocedure - Artikel 79, eerste lid, van de Grondwet

Wetsontwerp betreffende de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken; Stuk 2-422/11 tot 13. (Pro memorie)

Vanaf 16.30 uur: Naamstemming over het afgehandelde agendapunt in zijn geheel.

Vragen om uitleg:

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisieomroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad (Stuk 2-602) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - We stemmen eerst over amendement nr. 4 van de heer Caluwť.

Stemming nr. 1

Aanwezig: 53

Voor: 16

Tegen: 37

Onthoudingen: 0

-Het amendement is niet aangenomen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen nr. 5 en 1 van de heer Caluwť. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming nr. 2

Aanwezig: 53

Voor: 37

Tegen: 16

Onthoudingen: 0

-Het ontwerp werd geamendeerd en zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen en tot wijziging van artikel 31 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst (van de heer Philippe Monfils, Stuk 2-427) (Nieuw opschrift)

Stemming nr. 3

Aanwezig: 53

Voor: 46

Tegen: 0

Onthoudingen: 7

-Het wetsvoorstel is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp tot wijziging van de wetgeving betreffende het verlof voor de uitoefening van een politiek mandaat, wat de burgemeester, schepenen, de voorzitter en leden van het bureau van de districtsraden en OCMW-voorzitter betreft en tot invoering van een suppletief sociaal statuut voor de OCMW-voorzitter (Stuk 2-608) (Evocatieprocedure) (Nieuw opschrift)

Stemming nr. 4

Aanwezig: 53

Voor: 53

Tegen: 0

Onthoudingen: 0

-Het ontwerp werd geamendeerd en zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Moties ingediend tot besluit van de vragen om uitleg van de heren Ludwig Caluwť en Joris Van Hauthem aan de eerste minister over ęhet Lambermont-akkoordĽ (nrs 2-336 en 2-337), gesteld in plenaire vergadering op 25 januari 2001

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Een week geleden noemde de eerste minister hier het Lambertmontakkoord een historisch akkoord. Na enkele dagen bleek reeds dat deze uitspraak zal worden opgenomen in het groot citatenboek van de historische vergissingen. Hij onderstreepte dat het er niet op aankomt akkoorden te sluiten, maar wel ze uit te voeren, waarvoor hij zich borg stelde. (Geroep op verschillende banken) Volgens de eerste minister was de kritiek die door de CVP-fractie werd geuit, een storm in een glas water. De akkoorden zijn klinisch dood. Er blijft alleen nog een therapeutische hardnekkigheid om ze politiek kunstmatig in het leven te houden. Het glas water is verdwenen, de storm is gebleven.

Hoe radeloos, hoe hulpeloos de meerderheid is geworden blijkt uit haar bewering dat de PSC er morgen zal voor zorgen dat de bijkomende eisen van de Volksunie zullen worden gerealiseerd. (Applaus)

Er worden staatsmansredevoeringen gehouden om te waarschuwen voor historische vergissingen. Hannibal zou voor de poorten van het parlement staan. Hannibal ante portas. Niet Hannibal staat voor de poorten van het parlement, maar de begrafenisondernemer van de meerderheid.

De CVP zal het Lambermontakkoord met niet aflatende hardnekkigheid bestrijden te land, ter zee en in de lucht, in het federale, het Vlaamse en het Brusselse Parlement. We stemmen tegen!

De voorzitter. - We stemmen over de gewone motie die voorrang heeft.

Stemming nr. 5

Aanwezig: 53

Voor: 37

Tegen: 11

Onthoudingen: 5

-De gewone motie is aangenomen.

De heer Renť Thissen (PSC). - De PSC heeft zich inderdaad onthouden, niet omdat zij de Polycarpus-akkoorden goedkeurt, maar omdat men een tegenstem had kunnen interpreteren als een steunbetuiging aan de motie van de CVP en het Vlaams Blok. Deze motie verdedigt een kleine minderheid van de inwoners van ons land. Vooraleer ons uit te spreken, willen we het advies van de Raad van State zien.

Vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over ęde besmetting door het gebruik van het inactieve antisepticum Cidex in een aantal ziekenhuizenĽ (nr. 2-318)

Vraag om uitleg van de heer Alain Destexhe aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over ęde verdere opvolging van de Cidex-crisisĽ (nr. 2-324)

De voorzitter. - Ik stel voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)

De heer Georges Dallemagne (PSC). - Naar aanleiding van mijn vraag om uitleg in december beloofde de minister tegen half januari een volledig verslag over de besmetting van patiŽnten die werden onderzocht met instrumenten die werden gespoeld met een gebrekkige Cidex-oplossing. In antwoord op mijn vraag van 30 november zegde zij dat op 9 november het voorbereidende verslag zijn voltooiing naderde. Haar medewerker, dokter Snacken, heeft verschillende malen in het openbaar gezegd dat er een verslag bestaat. De minister zelf gaf gisteren informatie over de Cidex-besmetting aan de pers.

Beschikt zij nu over een volledig verslag? Zo ja, waarom werd het nog niet verspreid? Dat dit verslag nog niet bekend werd gemaakt, doet het ergste vrezen. Heeft zij informatie kunnen krijgen over besmettingen door het HIV-virus of de Koch-bacil, waarvan men weet dat hij zeer resistent is? Zij zegde dat er op initiatief van bepaalde ziekenhuizen bij 9.461 personen onderzoek was gedaan naar HIV-besmetting. Zij heeft daarentegen niet gezegd waarom er geen systematisch onderzoek werd gedaan bij de risicopopulatie, terwijl het risico op HIV-infectie door slecht ontsmette instrumenten reŽel is.

Inzake tuberculose werd tot 30 november 2000 geen enkel systematisch onderzoek verricht, terwijl op de website van Volksgezondheid wordt gezegd dat er wel degelijk gevaar bestaat voor besmetting met de Koch-bacil.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

De minister zei eerst dat er voor andere kiemen geen risico bestond. Ik geloofde daar niets van geloofde en heb bijkomende onderzoeken gevraagd, waarmee ze heeft ingestemd. Op 30 november erkende zij dat er een oorzakelijk verband bestond tussen bacteriologische infecties en chirurgische en endoscopische ingrepen met slecht ontsmette instrumenten. Zij sprak van zeven gevallen op basis van enquÍtes, zonder uit te weiden over de methodologie en de omvang van die enquÍtes. Zijn er op dat vlak systematische onderzoeken gebeurd?

Hoe staat het met de schadeloosstelling, met name van de families van personen die zijn overleden of die gevolgen ondervinden van het gebruik van Cidex? Werd een speciale procedure ingesteld voor de schadeloosstelling? Hoe is de firma Johnson & Johnson betrokken bij deze procedure? Hoe staat het met de oprichting van een schadefonds waarover werd gesproken met de vereniging van de slachtoffers?

Er werd een vereniging opgericht met de naam "Collectief van slachtoffers van Cidex". Die mensen achten zich benadeeld door het gebrek aan openheid en begrip bij de diensten van de minister. Zij maken zich terecht ongerust. Volgens deze vereniging met 300 leden hebben 11 ervan hepatitis B opgelopen, 22 hepatitis C, 1 het HIV-virus en 32 een bacteriologische aandoening, waaronder ťťn geval van tuberculose. Zij wijzen ook op 10 verdachte sterfgevallen. Ik vraag nogmaals volledige duidelijkheid over deze zaak. De slachtoffers van deze grove fout moeten een behoorlijke voorlichting en schadeloosstelling krijgen.

De heer Alain Destexhe (PRL-FDF-MCC). - Dit is mijn vierde vraag om uitleg over deze kwestie. De besmetting gebeurde ongeveer een jaar geleden. Wij verwachtten in januari een volledig en gedetailleerd verslag. Dat is toch niet de nota van twee bladzijden die de minister gisteren bekendmaakte en die inderdaad een aantal interessante inlichtingen bevat? Wij verwachten uiteraard een meer gedetailleerd document, zowel aangaande de kwantitatieve als de kwalitatieve evaluatie van het ongeval en zijn gevolgen. Wat zijn de intenties van de minister terzake?

Ik zou commentaar willen geven op de gisteren bekendgemaakte cijfers. Zij lijken mij zorgwekkender dan de optimistische lezing die de minister - althans volgens Belga en de pers - zou hebben gegeven. Ik stel vast dat 9.181 personen, dat is 27%, niet op de vragenlijst hebben geantwoord. Wij kennen hun serologische toestand dus niet. We kunnen ten minste proberen die personen op te sporen via het Rijksregister.

Uit de cijfers heb ik kunnen afleiden dat op zijn minst 241 personen na de test hebben vernomen dat ze hepatitis C hebben opgelopen. Volgens het verslag van de minister komt dit overeen met het te verwachten percentage voor de hele bevolking. Dat betekent niet dat sommige van die personen niet door Cidex zijn besmet. Een belangrijk deel van die 241 personen zullen bovendien een chronische cirrose of leverkanker krijgen.

Vernemen dat men besmet is met het hepatitis B- of het hepatitis C-virus is een psychologische klap voor het merendeel van die patiŽnten, die nu het gevoel hebben met een zwaard van Damocles boven het hoofd te leven.

De minister erkende gisteren ook dat er zeven verdachte gevallen van bacteriologische besmetting bestaan en twee gevallen van tuberculose. Over HIV spreekt ze zich niet uit. Die informatie is onvoldoende en niet volledig nieuw. Zoals het collectief van de slachtoffers zegde, zijn er op 300 personen 32 met bacteriologische infecties. Dat cijfer moet nog worden bevestigd, maar het cijfer van zeven lijkt me noch geloofwaardig, noch ernstig, zeker als men het vergelijkt met de ministeriŽle cijfers over hepatitis. Er moet een retroactief onderzoek naar die bacteriologische infecties gebeuren. Van de 226 personen uit het onderzoek die sinds de tests zijn overleden, moet men de doodsoorzaak achterhalen. In de gevallen waarin bloedvergiftiging werd vastgesteld, moet worden nagegaan of er een verband is met Cidex. Maar blijkbaar wenst men geen gedetailleerd onderzoek naar de sterfgevallen en de bacteriologische infecties.

De minister kent mijn houding over de schadevergoeding. Haar voorstel staat daar ver van af. Zij stelt voor dat een comitť van deskundigen een oorzakelijk verband vaststelt tussen Cidex en de bacteriologische of virale infectie. Dat verband is zeer moeilijk te bewijzen. Ik betwijfel of de deskundigen tot een hoge graad van waarschijnlijkheid kunnen besluiten. Ten hoogste zal men kunnen zeggen dat het verband niet onmogelijk is. In dat geval zal de firma Johnson & Johnson gemakkelijk kunnen beweren dat haar aansprakelijkheid niet is bewezen. Wat de minister voorstelt, is te verkiezen boven de onzekerheid van enkele maanden geleden, maar het zou veel verstandiger zijn te bepalen dat recente besmettingen met hepatitis B, hepatitis C, tuberculose, AIDS of bacteriologische besmettingen door bloedvergiftiging verondersteld worden te zijn veroorzaakt door Cidex.

Dank zij de gisteren meegedeelde cijfers hebben we nu een beter zicht op de zaak. We weten nu dat het om enkele honderden patiŽnten gaat en niet om duizenden. Het zou goed zijn die enkele honderden systematisch een schadevergoeding te geven via het schadefonds van Johnson & Johnson, veeleer dan af te gaan op de onzekere aanbevelingen van een comitť van deskundigen of op nog onzekerder en dure gerechtelijke beslissingen.

Ik vestig de aandacht op het niet erg ethische gedrag van Johnson & Johnson. Ze vragen aan de patiŽnten een individueel dossier op te sturen en laten mondeling verstaan dat een schadevergoeding mogelijk is. Ze doen telefonisch vage beloften en doen geloven dat, wanneer de patiŽnt een dossier opstuurt, een schadevergoedingsprocedure wordt opgestart. Er bestaat echter geen enkel schriftelijk spoor. Sommigen verkozen een schadevergoeding van 2.000 frank. In welke mate zullen hun toekomstige rechten daardoor worden geschaad?

Is het juist dat het van in het begin mogelijk was voor hepatitis C een "PCR-test" uit te voeren? Dat zou een snellere en juistere diagnose mogelijk hebben gemaakt, in het bijzonder over de recente aard van de hepatitis C.

Kan het uitstekende wetsontwerp dat de minister voorbereidt over de schadeloosstelling van slachtoffers van therapeutische ongevallen, nog gelden voor de slachtoffers van Cidex?

Tot slot herhaal ik mijn vragen aangaande de actieve opsporing van 9.181 personen die de oproep niet beantwoordden, het onderzoek naar de doodsoorzaak van de 226 overleden personen en naar de bacteriologische infecties, de systematische schadeloosstelling van alle recente gevallen, de oprichting door Johnson & Johnson van een onafhankelijk fonds. De vergoeding van de morele schade van de 35.000 betrokken personen moet redelijk zijn, in de orde van enkele duizenden franken, dus geen honderdduizenden franken.

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid beschikt over een voorlopig verslag met de resultaten van de eerste reeks tests voor alle betrokkenen. Het gaat om voorlopige resultaten want toen het verslag werd opgesteld, beschikten nog niet alle ziekenhuizen over alle informatie. Ondertussen hebben alle ziekenhuizen de resultaten van de eerste reeks tests meegedeeld. We beschikken nog niet over alle resultaten van de tweede reeks tests. In november en december hebben we een nieuwe oproep gedaan. Sommige personen hebben zich eind december, begin januari aangemeld. We zullen pas over een volledig verslag kunnen beschikken als de resultaten van deze tests binnen zijn. Dan zullen we ook de ware omvang kennen van deze ongelukkige geschiedenis.

De resultaten van de eerste reeks tests zijn als volgt.

Voor hepatitis B geeft de test HBsAg een prevalentie van 0,48% aan en de test anti-HBc een prevalentie van 7,01%. Voor hepatitis C geeft de test anti-HCV een prevalentie van 1,33% aan op basis van niet bevestigde resultaten, inclusief de valse positieve tests.

Deze resultaten komen overeen met de cijfers voor seroprevalentie van andere representatieve tests bij de algemene bevolking. Het gaat om een statistische vaststelling. In 1997 hebben de heer Beutels en anderen een studie gepubliceerd in het gerenommeerde Journal europťen de l'…pidemiologie. We mogen aannemen dat de toegepaste methode goed was. Bovendien is er geen enkele klinische aanwijzing voor een verhoging van het aantal klinische gevallen van besmetting met hepatitis B of C. Geen enkel ziekenhuis heeft een geval van besmetting met hepatitis B of C gemeld dat in verband zou staan met het Cidex-probleem.

Geen enkel ziekenhuis heeft melding gemaakt van een HIV-infectie die rechtstreeks in verband zou staan met Cidex. Hoewel de Hoge Gezondheidsraad, die begin mei was bijeengekomen, het niet had aanbevolen, hebben veel ziekenhuizen de test uitgevoerd bij alle patiŽnten of bij de patiŽnten die hierom vroegen. In totaal hebben 27 ziekenhuizen de resultaten van 9.830 tests meegedeeld. Hiervan waren er drie positief. Eťn ervan had betrekking op een oude zaak en de twee andere moeten nog worden bevestigd en in voorkomend geval erkend. Om diverse, met name anamnestische redenen wordt ervan uitgegaan dat deze gevallen van vůůr de Cidex-crisis dateren.

Twee tuberculosepatiŽnten hebben een risico-onderzoek ondergaan. Bij alle patiŽnten die een onderzoek hebben ondergaan met hetzelfde toestel of met een instrument dat tegelijkertijd was gereinigd, is gezocht naar tuberculose-infectie. Bij twee patiŽnten was de krasjestest positief en deze patiŽnten kregen een chemo-profylaxe. Twee ziekenhuizen hebben bacteriŽle infecties vastgesteld na een ingreep waarbij instrumenten werden gebruikt die waren gereinigd met Cidex van het lot 0001. Zo hebben twee patiŽnten last van artritis na een artroscopie aan de knie; ťťn patiŽnte lijdt aan endometritis na een curettage; een andere lijdt aan salpingitis na een tubaire ligatuur; bij nog eens drie anderen zijn complicaties opgetreden na de implantatie van een borstprothese. Van die drie laatste patiŽnten weten we alleen dat het om een bacteriŽle infectie kan gaan.

We weten dat de PCR-test niet hetzelfde meet als de test naar HCV-antistoffen die door de Hoge Gezondheidsraad wordt aanbevolen voor de opsporing. Een positief PCR-resultaat wijst op een virale replicatie die kan worden opgespoord bij de bloedafname. Het resultaat van de PCR-test is zeer veranderlijk en hangt af van de virale activiteit. Veel patiŽnten met HCV scoren bijgevolg negatief voor de PCR-test. Er wordt een tweede bloedafname na zes maanden aangeraden teneinde te vermijden dat recente infecties over het hoofd zouden worden gezien die omwille van de lange incubatietijd voor HCV nog geen opspoorbare antistoffen hebben verwekt.

De Hoge Gezondheidsraad heeft om verschillende redenen gekozen voor de anti-HCV-test: de PCR-test is geen opsporingstest; veel patiŽnten met een HCV-infectie zouden negatief scoren in de PCR-test; de laboratoria konden in een kort tijdsbestek geen PCR-tests doen voor de duizenden betrokken patiŽnten; de kosten zouden niet in verhouding staan tot de efficiŽntie vermits het risico op HCV-infectie klein was, hetgeen werd bevestigd door de resultaten van de eerste tests; het resultaat van de PCR-test zou niet meer informatie hebben opgeleverd over de mogelijkheid van een infectie wegens de Cidex.

Aan de ziekenhuizen werd gevraagd de resultaten van de tweede reeks tests tegen eind december door te sturen. Een aantal ziekenhuizen hebben deze termijn overschreden omdat veel patiŽnten zich in december en januari niet meer hebben gemeld voor een tweede bloedafname. Momenteel heeft ongeveer de helft van de betrokken ziekenhuizen de gedetailleerde resultaten van de tweede reeks tests bezorgd aan het Wetenschappelijk Instituut voor de Volksgezondheid, dat alle gegevens verzamelt en analyseert.

De voortgang van de epidemiologische opvolging hangt af van de tijd die de ziekenhuizen nodig hebben om de gegevens te verzamelen en door te sturen.

Wat de schadeloosstelling betreft hebben de contacten tussen mijn kabinet en de firma Johnson & Johnson in december tot het volgende voorstel geleid. Een groep van onafhankelijke wetenschappelijke deskundigen zal elk dossier onderzoeken dat op vraag van de patiŽnt door de arts wordt overhandigd. Deze deskundigen zullen evalueren hoe waarschijnlijk het oorzakelijk verband is. Ze kunnen elk bijkomend onderzoek vragen dat wordt nodig geacht, met inbegrip van de nieuwste opsporingstechnieken inzake genomen, zoals PCR. De firma zal de kosten van deze evaluatie dragen en het Wetenschappelijk Instituut voor de Volksgezondheid zal de dossiers beheren. Voor elk dossier zullen de deskundigen hun conclusie meedelen aan de arts die op zijn beurt de patiŽnt en Johnson & Johnson inlicht. De firma staat in voor de verdere afwikkeling van het dossier met de patiŽnt, inclusief de morele schadeloosstelling. Als geen overeenstemming kan worden bereikt, kunnen de patiŽnten gebruik maken de gewone gerechtelijke procedures. In de transactie die aan de patiŽnt wordt voorgesteld, zal ook rekening worden gehouden met mogelijke complicaties op lange termijn.

Het wetsontwerp betreffende de schadeloosstelling van slachtoffers van medische fouten, dat door mijn kabinet wordt voorbereid, zal vůůr het zomerreces in het Parlement worden ingediend. De Cidex-slachtoffers zullen op deze procedure een beroep kunnen doen zodra de wet is afgekondigd. De patiŽnten zullen altijd nog kunnen kiezen voor een gerechtelijke procedure.

Wat de vraag over een nieuwe oproep tot alle patiŽnten betreft, meen ik dat iedereen die vreest het slachtoffer te kunnen zijn van deze fout zich heeft kunnen melden. Iedereen heeft een uitnodiging gehad en de pers heeft veel aandacht besteed aan dit probleem. Wie zich niet heeft gemeld, kan dit enkel bewust hebben gedaan.

Zodra we over de definitieve gegevens van de tweede reeks tests beschikken, kunnen we de resultaten in alle openheid meedelen. Volksgezondheid beschikt al over een voorlopig verslag. Ik ben bereid het te overhandigen aan de leden van de commissie voor de Sociale Aangelegenheden en Volksgezondheid. Wie het gelezen heeft, zegt dat er omzichtig mee moet worden omgesprongen. Dit bleek recent nog met de studie naar de invloed op de gezondheid van de aanwezigheid van chloor in zwembaden. Als de gegevens onoordeelkundig worden gebruikt, dreigen er problemen te ontstaan.

Vanmiddag heb ik in de Kamer gezegd dat het verslag van professor Bernard geen enkel analysegegeven bevat over het gebruik van chloor in zwembaden. In de methodologie, bij het vastleggen van de doelstellingen en bij de uitgevoerde tests wordt gewoon niet over chloor gesproken. Pas in het besluit wordt een hypothese naar voren geschoven.

De heer Georges Dallemagne (PSC). - Ik ben het met de minister eens dat de bevolking niet onnodig moet worden verontrust met informatie die later onjuist blijkt te zijn. Dit is hier echter niet het geval aangezien de minister heeft erkend dat heel wat informatie over infecties en schadelijke gevolgen van het gebruik van slechte Cidex gegrond was.

Dit lijkt me helemaal anders dan wat met het chloor is gebeurd. Cidex heeft voor heel wat patiŽnten aangetoonde negatieve gevolgen gehad.

Een tweede reden waarom ik meen dat de vergelijking niet opgaat, is dat we in de Cidex-zaak reeds maanden op informatie wachten, met name over de methodologie die werd gevolgd om de gevolgen van het gebruik van het product te analyseren.

Bij het onderzoek naar het Balkan-syndroom was de wil aanwezig om snel klaarheid te scheppen en een commissie van experts aan te stellen met een methodologie die bekend was, met een reeks vragenlijsten en vergelijkingen tussen groepen die aan de risico's waren blootgesteld en groepen die dat niet waren. Ik zal het voorlopig verslag met veel aandacht lezen, maar op basis van de informatie waarover ik nu beschik, weet ik nog altijd niet welke methodologie werd gevolgd voor de bacteriŽle infecties of voor tuberculose. Ik weet niet of vergelijkingen werden gemaakt tussen groepen van de bevolking die aan het risico waren blootgesteld en groepen die het niet waren en of retrospectieve studies werden gemaakt.

De informatie die de minister vandaag gaf, kan moeilijk op haar waarde worden geschat. De minister heeft het over zeven gevallen in twee ziekenhuizen. Ik kan moeilijk geloven dat slechts twee instellingen met bacteriŽle infecties werden geconfronteerd. Veel waarschijnlijker is dat de twee betrokken ziekenhuizen de zaak grondig hebben onderzocht en dat het probleem zich ook in andere ziekenhuizen heeft voorgedaan. Het gaat om schattingen want we weten nog altijd niet of er een systematisch onderzoek naar bacteriŽle infecties is geweest.

Het probleem van deze infecties is statistisch gezien veel groter dan de virale infecties want we weten dat een virus gemakkelijk kan worden vernietigd door zeepoplossingen of een spoeling met water vůůr het Cidexbad. We moeten ons dus niet beperken tot de onderzoeken naar virale infecties. We zijn voldoende geÔnformeerd over de verschillende vormen van hepatitis, maar dat geldt niet voor de andere problemen.

Het verbaasde mij ook dat zelfs voor virale infecties de Hoge Gezondheidsraad van oordeel was dat niet naar het HIV-virus moest worden gezocht. Sommige ziekenhuizen hebben dit uit eigen beweging toch gedaan omdat veel artsen meenden dat er wel een risico was en dat er dus een onderzoek nodig was. Het verbaasde me dat de minister geen opmerking heeft gemaakt over dit standpunt van de Hoge Gezondheidsraad.

Ik ben blij te horen dat het rapport bestaat en ik hoop het spoedig te kunnen inkijken. Het is van zeer groot belang dat in deze zaak een sluitende methode wordt gehanteerd. Ik denk dat het goed zou zijn zich te baseren op de methodologie die werd ontwikkeld voor het onderzoek van het Balkansyndroom bij militairen die een opdracht in Kosovo hebben vervuld.

Ik wil kort terugkomen op hepatitis C. De minister vermeldde een prevalentiecijfer van 1,33%, wat hoger is dan bij de rest van de bevolking, ofschoon daar eventueel `valse' positieve gevallen bij kunnen zijn. Ik wil zekerheid hebben dat de terugbetaling ook voor die mensen zal gelden en zelfs voor personen die hepatitis B ontwikkelen, los van de vraag of er een hogere mate van infectie of prevalentie is dan bij de rest van de bevolking. De nieuwste geneesmiddelen waarmee de verwikkelingen van hepatitis C doeltreffend kunnen worden behandeld, worden immers slechts gedeeltelijk door de sociale zekerheid terugbetaald. Ik vraag met aandrang dat van deze nieuwe generatie van geneesmiddelen gratis ter beschikking wordt gesteld van de Cidex-slachtoffers, zelfs indien het oorzakelijk verband niet met zekerheid kan worden vastgesteld.

De heer Alain Destexhe (PRL-FDF-MCC). - Ik vraag de minister het verslag van het Wetenschappelijk Instituut voor de Volksgezondheid te bezorgen aan de commissie voor de Sociale Aangelegenheden zodat wij het zo snel mogelijk zouden kunnen inkijken.

Wat de ziekenhuizen betreft, zie ik twee grote problemen. In vele instellingen worden de rechten van de patiŽnt helemaal nog niet erkend, zoals ze binnenkort zullen vastgelegd worden in de teksten die de minister voorbereidt. De artsen zijn zeer terughoudend in verband met het verstrekken van informatie en het terbeschikkingstellen van de resultaten van geneeskundige onderzoeken. PatiŽnten botsen nog al te vaak op een muur. Voorts doen ziekenhuizen niet graag aangifte van gevallen van bacteriŽle infecties, uit vrees om bij de Cidex-affaire betrokken te geraken. Ik ben ervan overtuigd dat niet alle gevallen van bacteriŽle infecties werden aangegeven. Voor hepatitis B en C zijn de risico's duidelijk. Het begrip "bacteriŽle infectie" daarentegen is veel ruimer. Persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat de meeste ziekenhuizen geen systematische opsporing gedaan hebben van bacteriŽle infecties bij de mensen die een endoscopie hebben ondergaan waarbij Cidex werd gebruikt. Het werd hen ook niet uitdrukkelijk gevraagd en er is ook nooit sprake van geweest in het epidemiologisch onderzoek.

Er moet niet alleen aangifte worden gedaan van de bacteriŽle infecties maar er moet ook een echte epidemiologische studie komen zoals voor hepatitis B en C.

Derde en laatste punt: ik ben het niet eens met de minister over de procedure voor de schadevergoeding en ik zal een andere formule blijven verdedigen. Ik vind dat er een onevenwicht bestaat tussen de patiŽnten en Johnson & Johnson, deels om de redenen die ik in mijn vraag heb uiteengezet, maar ook omdat Johnson & Johnson zich moreel heeft geŽngageerd. Ik vraag mij af wat nog van dat engagement zal overblijven wanneer bij gebrek aan wetenschappelijk vaststaande zekerheid enkel een bepaalde graad van waarschijnlijkheid bestaat. Inzake bacteriŽle infecties, zoals inzake virussen, is er alleen maar waarschijnlijkheid en geen zekerheid.

Tot slot heb ik nog twee vragen. Kan de minister ons zeggen wanneer het comitť van deskundigen zal worden samengesteld? Zal aan alle betrokkenen, in het bijzonder de mensen met hepatitis B of C, worden meegedeeld dat ze een beroep kunnen doen op een groep van wetenschappelijke deskundigen?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Ik zal mij in de komende weken buigen over de samenstelling van de groep van deskundigen.

Op basis van de definitieve resultaten van de tweede reeks tests zal de toestand duidelijker worden: alle betrokkenen zullen dan bekend zijn.

Tijdens de onderhandelingen tussen mijn kabinet en de firma Johnson & Johnson wisten wij al dat er nooit absolute wetenschappelijke zekerheid zou bestaan. Er werd dus wel degelijk in termen van probabiliteit gediscussieerd. Persoonlijk acht ik het ondenkbaar dat een bedrijf als Johnson & Johnson, dat vorig jaar 24% winst heeft geboekt en dat een moreel engagement op zich heeft genomen, het zich zou kunnen veroorloven elk verzoek om schadevergoeding af te wijzen. Ik zal hoe dan ook dit dossier zeer nauwgezet opvolgen, zoals ik dat van meetaf aan heb gedaan.

Het probleem in januari is begonnen, maar de ware draagwijdte ervan raakte pas in april bekend. Begin mei werden de experts samengeroepen.

De heer Dallemagne vraagt zich af waarom door deze experts bepaalde onderzoeken werden voorgeschreven en andere niet.

Het departement van Volksgezondheid heeft de beste Belgische experts samengeroepen opdat zij zouden bepalen wat er moest worden gedaan. Het hele dossier zal aan de leden van de commissie voor de Sociale Aangelegenheden worden meegedeeld, zodat ze kennis kunnen nemen van alle maatregelen waarvan ik hier enkel een overzicht heb gegeven.

Aan de hand van de volledige en definitieve resultaten zullen wij andere acties kunnen ondernemen en de werkelijke gevolgen van deze besmetting toelichten.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Justitie over ęadoptie en de nieuwe mediaĽ (nr. 2-329)

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - De adoptie van een Amerikaanse tweeling via het internet veroorzaakte de voorbije weken in Groot-BrittanniŽ een storm van protest en heel wat deining in de wereld. Ook in ons land rijzen er vragen. Ik weet dat onze adoptiewetgeving in beweging is. Daarom zou ik van de minister willen vernemen hoever het daarmee staat en wat hij daarover denkt

Is in BelgiŽ adoptie via het internet mogelijk? Heeft de minister een zicht op het aantal internetadopties en wat zijn desgevallend de problemen? Uit de gegevens die door Kind en Gezin voor Vlaanderen bekend werden gemaakt, heb ik begrepen dat de helft van de adopties via de officiŽle procedure gebeuren. Dat betekent dat de andere helft op een vrije basis gebeurt, ook veel via het internet. Kan de minister daarover een duidelijk beeld geven?

De ratificatie van het Haags Adoptieverdrag van 1993 door BelgiŽ zou voor een deel kunnen tegemoetkomen aan de problematiek. We behoren tot de laatste landen die dit verdrag nog moeten ratificeren. Nochtans heeft de Ministerraad een voorontwerp van ratificatie in 1999 goedgekeurd. Wachten we op de nieuwe adoptiewet om het verdrag te ratificeren? Er is toch wel enige spoed nodig.

De huidige federale wetgeving is duidelijk niet afgestemd op de nieuwe media. Overweegt de minister een wetswijziging aan het Parlement voor te leggen? We weten allemaal dat een nieuwe wet in voorbereiding is. Ligt de tekst nog bij de Raad van State? Wordt hij weldra ingediend? De administratie werkt al jaren aan een nieuwe wettekst. De recente feiten tonen aan dat de tijd dringt. Volgens de BBC wil de Britse regering zo snel mogelijk een nieuwe wetgeving invoeren om te voorkomen dat mensen in het buitenland kinderen adopteren. In Groot-BrittanniŽ belooft de regering tegen eind april een nieuwe wet. Volgens de nieuwe wet is het verboden kinderen in het buitenland te adopteren of zonder toestemming van de Britse adoptie-autoriteiten het land binnen te brengen. Er zouden gevangenisstraffen komen van maximum drie maanden.

Wanneer kunnen wij een regeringsontwerp verwachten? De Senaat is vragende partij en kijkt uit naar een constructief debat met de regering. Op gebied van adoptie moet de federale regering zelfs meer doen dan een ontwerp indienen. Vandaag hebben enkel ambtenaren recht op adoptieverlof. Dat moet uitgebreid worden tot andere categorieŽn. Ik pleit ook voor fiscale aftrekbaarheid van de adoptiekosten. Ik heb over deze twee punten een wetsvoorstel ingediend. Er is inzake adoptie dus nog heel wat te doen op federaal niveau, maar het verwachte ontwerp is toch wel cruciaal. Ik kijk uit naar wat de minister daarover nu al kan meedelen.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - In BelgiŽ wordt een adoptie enkel bij een rechterlijke uitspraak vastgesteld. Het is de rechtbank van eerste aanleg of de jeugdrechtbank - wanneer de geadopteerde minderjarig is - die een adoptieakte, die vooraf door een vrederechter of notaris werd opgesteld, homologeert, of die de adoptie uitspreekt wanneer een van de vereiste goedkeuringen ten onrechte werd geweigerd.

Zoals bekend bieden bepaalde buitenlandse zogenaamde adoptieagentschappen via het internet kinderen ter adoptie aan aan potentiŽle adoptieouders. Momenteel is er niets dat laatstgenoemden belet zelf stappen te doen om kinderen die ze via het internet gekozen hebben, te adopteren. In bepaalde landen hebben zij het niet moeilijk om de procedure tot een goed einde te brengen. Wanneer zij naar BelgiŽ terugkeren om de beslissing die in het buitenland werd genomen en naar de vorm correct is, te laten erkennen, hebben wij daar geen vat meer op. Het probleem wordt dan ook terecht aangesneden.

Er zijn geen gegevens beschikbaar over adopties via het internet in BelgiŽ. Het zou mij niet verbazen dat er ook in BelgiŽ langs die weg kinderen worden geadopteerd.

Het probleem met dit soort praktijk is dat er helemaal geen controle bestaat op het verloop van de contacten tussen de potentiŽle adoptanten, het kind, zijn familie of de tussenpersonen. Aan deze praktijk zijn zeker risico's verbonden, zoals de bemiddeling van weinig scrupuleuze tussenpersonen of zelfs mensenhandelaars.

De federale wetgeving legt de basisvoorwaarden, de procedure en de gevolgen van de adoptie en de volle adoptie vast. De wetgeving zegt niets over de wijze waarop de contacten tussen de adoptanten en het kind en zijn oorspronkelijke familie tot stand moeten komen.

De ratificatie door BelgiŽ van de Conventie van Den Haag van 29 mei 1993 inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking inzake internationale adoptie zal het mogelijk maken wanpraktijken tegen te gaan. Zo verbiedt de Conventie, zolang een aantal voorwaarden niet is vervuld, elk contact tussen de adoptanten en de oorspronkelijke familie van het kind of degene die er de hoede over heeft.

De Conventie laat de adoptanten niet toe een kind "uit te kiezen", maar voorziet daarentegen wel in een samenwerkingssysteem tussen de centrale autoriteiten van de staten van herkomst en onthaal. Volgens dat systeem vertrouwen de centrale autoriteiten zelf, op basis van zeer omstandige verslagen, een kind toe aan adoptanten die het meest geschikt lijken om tegemoet te komen aan de noden van het kind.

Het opzet van het ontwerp tot hervorming van de adoptie is de garanties en dit type procedure uit te breiden tot alle adopties die een internationale verplaatsing van een kind meebrengen. Wanneer aan de voorwaarden niet wordt voldaan, zou de adoptie niet worden uitgesproken, noch worden erkend in BelgiŽ. We hebben dus een reden te meer om de Conventie van Den Haag te ratificeren.

Dan kom ik tot de reden waarom dit nog niet is gebeurd. Zoals mevrouw de Bethune terecht zei, is het departement van Justitie al jaren bezig met de voorbereiding van deze materie die ik bij mijn ambtsaanvaarding heb overgeŽrfd van mijn voorganger. Omdat de regering vooruit wou heb ik het wetsontwerp in ongewijzigde vorm door de Ministerraad laten goedkeuren. Het werd voor advies overgezonden naar de Raad van State, maar dat advies was vernietigend. Ik wil de schuld niet in de schoenen van mijn voorganger schuiven. Het was onze keuze om dit dossier te deblokkeren. Het voordeel van dat negatieve advies is wel dat we het kunnen aanpassen. Daaraan wordt nu de laatste hand gelegd. Ik heb vandaag de Franstalige tekst gekregen. Deze bevat de internationale adoptieregeling die we tot stand wensen te brengen, regelt de adoptie in het nationale recht en houdt rekening met het advies van de Raad van State. Die tekst moet nu nog worden vertaald en worden besproken door de interkabinettenwerkgroep. Daarna moet opnieuw, bij hoogdringendheid, het advies van de Raad van State worden gevraagd. Waarom duurt dit hier zoveel langer dan in Groot-BrittanniŽ? Welnu, laten we niet vergeten dat het grote verschil tussen de Belgische wetgeving en de common law is dat onze wetgeving, die gebaseerd is op het Romeins recht, alles tot in de details regelt terwijl de common law alleen een kader schetst. Ik hoop dat we dit werk zullen kunnen afronden. Ik meen dat dit wetsontwerp best samen kan worden besproken met de door mevrouw de Bethune ingediende wetsvoorstellen. Op die manier zullen we erin slagen deze materie te regelen en kunnen we tegelijk een antwoord bieden op de misbruiken die kunnen ontstaan bij adopties via het Internet.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Justitie over ęde informaticamiddelen die ter beschikking worden gesteld van de griffie van de Rechtbank van koophandel te BrusselĽ (nr. 2-334)

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Het verslag dat de rechtbank van koophandel van Brussel aan de parlementsleden heeft overgelegd, doet vragen rijzen over de informaticamiddelen die de griffie van deze rechtbank ter beschikking heeft. In de regio Brussel-Halle-Vilvoorde verdwijnen jaarlijks 1.000 ondernemingen omwille van financiŽle, commerciŽle en andere moeilijkheden. Een groot aantal van deze faillissementen had vermeden kunnen worden als de bedrijfsleiders tijdig hadden gereageerd.

De wet van 17 juli 1997 over het gerechtelijk akkoord geeft de rechtbanken van koophandel de opdracht de bedrijfsleiders te helpen een faillissement te voorkomen. Volgens artikel 10, ß1, kunnen de rechtbanken de toestand van de debiteurs in moeilijkheden volgen en ambtshalve nagaan of ze voldoen aan de voorwaarden van een akkoord. Daartoe werden kamers voor handelsonderzoek en een administratieve ondersteuningsdienst opgericht. Deze laatste bestaat uit een afdeling voor handelsonderzoek, die informatie over de ondernemingen in moeilijkheden moet inzamelen, en een afdeling voor economische analyse. Sommige inlichtingen moeten automatisch naar de griffie van de rechtbank van koophandel worden doorgestuurd zoals de berichten van beslag, de protesten, de veroordelingen uitgesproken tegen kooplieden, de lijst van de handelaars die de RSZ-bijdragen aan of de BTW niet meer betalen, de beslissingen tot klasseverlaging, schorsing of intrekking van de erkenning van aannemers.

De afdeling handelsonderzoeken van de griffie van de rechtbank van koophandel te Brussel zou meer dan 35.000 van dergelijke signalen ontvangen hebben. Maandelijks zouden 3.000 gegevens manueel moeten worden ingevoerd, ook de RSZ- en BTW-gegevens die nochtans elektronisch beschikbaar zijn.

Welke maatregelen heeft de minister genomen om het mogelijk te maken dat deze gegevens efficiŽnter verwerkt kunnen worden?

Op 18 mei 2000 heeft de Senaat een wetsontwerp goedgekeurd houdende oprichting van een centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht en collectieve schuldenregeling, alsook tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. Overeenkomstig artikel 29 moet de Koning de datum van inwerkingtreding van elke bepaling vaststellen.

Werden de tien koninklijke besluiten al gepubliceerd? Zo niet, waarom niet? Ik zou willen weten of deze zeer technische wet, die door het Parlement snel werd afgehandeld, daadwerkelijk wordt toegepast.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Het eerste gedeelte van de vraag om uitleg van mevrouw Nyssens heeft betrekking op de werking van de rechtbank van koophandel te Brussel. Als alle rechtbanken op dezelfde manier werkten als deze, zou er geen gerechtelijke achterstand meer bestaan.

Het ministerie van Justitie krijgt computerbestanden van de RSZ, het ministerie van FinanciŽn en de BTW-administratie. Hierbij wordt het BTW-nummer als identificatiesleutel gebruikt. Bij de griffies is de sleutel het nummer van het handelsregister.

Hoewel de structuur van de bestanden dit mogelijk maakt, gebruiken de griffies niet altijd het BTW-nummer. De bestanden van Justitie en FinanciŽn kunnen dus niet automatisch met elkaar in verband worden gebracht.

Sinds april 2000 krijgen we ook computergegevens van de Nationale Bank met zowel het BTW-nummer als het handelsregisternummer. Op die manier kunnen de bestanden van Justitie en FinanciŽn met elkaar worden verbonden en kunnen we deze dus ook meer systematisch gebruiken.

Sinds november 2000 worden op de rechtbank van koophandel te Brussel nieuwe programma's getest. De manuele gegevensinvoer zal daardoor tot het minimum worden beperkt, zodat de diensten van de rechtbank efficiŽnter kunnen werken.

Ook de andere rechtbanken van koophandel zullen in de toekomst gebruik maken van deze programma's.

Eens het "enig nummer" voor bedrijven zal zijn ingevoerd, zal het identificatieprobleem tot het verleden behoren.

Het tweede gedeelte van de vraag ging over de bepalingen betreffende het centraal bestand. De bedoelde wet werd op 9 augustus 2000 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.

In augustus vorig jaar stelde mijn administratie een ontwerp van koninklijk besluit op dat een onderscheid invoerde tussen de bepalingen betreffende het geautomatiseerde bestand van berichten van beslag en de algemene bepalingen. De eerste reeks bepalingen kan immers pas in werking treden nadat de automatisering is beŽindigd.

Ook moest de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders om advies worden gevraagd. Het advies, dat de kamer op 9 oktober 2000 uitbracht en waarvoor ze een beroep deed op verschillende deskundigen, bevatte een groot aantal uiteenlopende meningen, zodat een tweede bespreking van het ontwerp van koninklijk besluit nodig was.

Eind december heeft de regering de Raad van State om een spoedadvies verzocht binnen de drie dagen. De Raad van State verwierp de urgentie. De ministerraad van 19 januari besliste de Raad van State te verzoeken binnen de maand een advies uit te brengen.

Het dossier zal dus binnenkort aan de Raad van State worden overgezonden. Ik heb de begeleidende brief al ondertekend.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Het verheugt me dat de werkzaamheden opschieten, vooral wat betreft de uitvoering van de wet over de berichten van beslag.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Jan Remans aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over ęhet programma rond informatiebeheer, informatieverspreiding en kwaliteitsevaluatie van de medische praktijkenĽ (nr. 2-327)

De heer Jan Remans (VLD). - De ziekenfondsen doen studies in het kader van de responsabilisering van de beheerskosten en de financiŽle verantwoordelijkheid inzake gezondheidszorg. Om deze studies mogelijk te maken, krijgen de ziekenfondsen subsidies en investeren ze in informatica (datawarehousing, datamining-technieken, dure specialisten, grote computers, nieuwe technologieŽn, ...). Het lijkt me niet zinvol dat elke verzekeringsinstelling dezelfde investeringen doet. Verzekeringsinstellingen met een klein marktaandeel kunnen nooit grote correcte epidemiologische studies uitvoeren. Elke verzekeringsinstelling legt een andere klemtoon en onderhandelt op zijn eigen manier en met een eigen boodschap met verstrekkers, ziekenhuizen en RIZIV.

Hoeveel bedragen deze subsidies per ziekenfonds? Wie controleert de aanwending van deze subsidies? Waar vinden we de resultaten terug? In welke mate beÔnvloeden deze studies beslissingen van de administratie? Waarom worden de projecten niet nationaal gestuurd?

Informatiebeheer, informatieverspreiding en kwaliteitsevaluatie moeten op een transparante en eenduidige wijze worden gestuurd. De voorbije jaren zijn in de begroting telkens nieuwe budgetten vrijgemaakt voor dit soortvan activiteiten binnen de administratie. Hoeveel werd hiervoor gebudgetteerd en hoeveel werd effectief uitgegeven voor deze analytische en ondersteunende activiteiten? Welke beheersmaatregelen vloeiden hieruit voort? Waar vind ik deze maatregelen terug?

Het was de bedoeling van de minister de werkzaamheden te ondersteunen door cellen van experts, die de deskundigheid van het RIZIV en het ministerie van Volksgezondheid samenbrengen. Zijn deze experts al benoemd en actief? Is de minister voor de integratie van het RIZIV in de administratie van het ministerie van Sociale Zaken of dat van Volksgezondheid?

Het voorbije jaar heeft de minister zichzelf onder tijdsdruk gezet bij het bepalen van de agenda om medische gegevens die een inzicht geven in de grote heterogeniteit van de medische praktijken, te verzamelen en beschikbaar te stellen. Omdat daarbij achterstand werd opgelopen, wens ik te vernemen wat de nieuwe tijdsgebonden agenda is voor Farmanet en de gegevensbank die de minimale klinische en financiŽle gegevens koppelt.

Wat Farmanet betreft, werd de koppeling van de data inzake geneesmiddelenvoorschriften 1998 aan de patiŽntengegevens 1998 volgens de geaggregeerde info van de ziekenfondsen, met een feedback naar de voorschrijvende LOK-groepen, in maart 2000 verwacht. In oktober 2000 zou het unieke spoor, namelijk de koppeling geneesmiddelenvoorschriften en patiŽntengegevens op individueel niveau zijn gerealiseerd.

Wat is de agenda voor de gegevensbank die de koppeling van de minimale klinische gegevens en de minimale financiŽle gegevens met betrekking tot de ziekenhuisopnames koppelt? Deze zogenaamde MKG-MFG-databank zou het mogelijk maken per pathologie - de patiŽnten zijn ingedeeld in een 600 homogene groepen - een overzicht te geven van de omvang en spreiding van de medische consumptie inzake klinische biologie, medische beeldvorming, technische prestaties, verblijfsduur en geneesmiddelen.

In maart 2000 was een voorstel van koninklijk besluit over de informatieverspreiding gepland. In april 2000 moesten de gegevens 1996 beschikbaar zijn. In mei 2000 zou dan de presentatie volgen van de verschillen, met feedback naar de individuele instellingen. Einde 2000 ten slotte zouden de gegevens voor het jaar 1997 operationeel zijn.

Ik waardeer de inspanningen van de minister en de regering om rekening te houden met de echte behoeften inzake de gezondheidszorg en tot kwaliteitsverbetering.

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Ik dank de heer Remans voor zijn woorden van waardering en zijn zeer precieze vragen waarop ik een uitgebreid antwoord zal geven.

In het raam van de informatie van het geneesherenkorps over de gegevens van hun voorschriften inzake geneesmiddelen werd op basis van de databank farmanet in december 2000 een feedback naar de huisartsen georganiseerd.

Zij werden hierbij geÔnformeerd over de gegevens met betrekking tot het jaar 1998 - hier ging het om gecorrigeerde gegevens - en 1999. Deze gegevens werden nog niet aan de patiŽntengegevens gekoppeld. De valideringsprocedures van deze laatste gegevens voor de jaren 1996-97-98 en 99 werden in november 2000 beŽindigd. Thans wordt gewerkt aan de integratie van de farmanet-gegevens in de patiŽntengegevens.

Dit brengt mij bij de gegevensbank. Een eerste punt is het voorstel van koninklijk besluit aan de regering betreffende informatieverspreiding. Dit heeft meer bepaald betrekking op de toepassing van artikel 156 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen. Dit koninklijk besluit, dat de reglementaire basis geeft voor de verspreiding van de MKG-MFG-gegevens, werd voor advies voorgelegd aan de commissie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Die bracht op 10 juli 2000 haar advies nr. 23-2000 uit.

Ondertussen werd de juridische basis van het ontwerp van koninklijk besluit evenwel gewijzigd door de wet van 12 augustus 2000, de sociale programmawet, zodat opnieuw het advies van de commissie diende ingewonnen te worden. Op dit ogenblik wordt het advies verwacht.

Een tweede punt is de beschikbaarheid van de MKG-MFG-gegevens 1996, die tegen april 2000 in het vooruitzicht was gesteld. Die gegevens waren tegen de vooropgestelde datum inderdaad beschikbaar voor de technische cel die tot taak had te zorgen voor de implementatie van het concept van feedback naar de ziekenhuizen, zoals dit door de werkgroep ad hoc van de overlegstructuur was goedgekeurd.

Dit brengt mij bij de presentatie van de verschillen in de medische praktijk met een feedback naar de ziekenhuizen die tegen mei 2000 was gepland. De presentatie van het feedback-concept en de presentatie van diverse medische onderwerpen hebben wel degelijk plaatsgevonden. Alle verantwoordelijken van de betrokken ziekenhuizen werden uitgebreid ingelicht op basis van samengevoegde gegevens op een symposium gehouden te Brussel op 15 mei 2000.

De uitvoering van de nationale en de individuele feedbacks heeft wegens technische problemen evenwel heel wat vertraging opgelopen. Oorspronkelijk waren de feedbacks immers ontwikkeld op basis van een reporting-softwareprogramma. Het belangrijkste probleem was dat geen enkele expert erin geslaagd is de percentielen te integreren in de feedbacks die op basis van dat programma waren verwezenlijkt. Aangezien de presentatie van de percentielen essentieel werd geacht, diende dus een oplossing te worden gevonden. Daartoe moest een ander softwareprogramma worden aangeschaft en geÔmplementeerd, moesten de feedbacks volledig worden geherprogrammeerd, en moest personeel worden aangeworven en opgeleid.

Thans is men bijna rond met het herprogrammeren en in de loop van februari 2001 zal een eerste draft van de nationale feedback beschikbaar zijn.

Wat de gegevens betreft voor het jaar 1997 die operationeel dienden te zijn tegen het einde van 2000, beschikken wij nu reeds over de gekoppelde MKG-SHA-gegevens 1997. SHA staat voor Sťjour Hospitalier Anonyme, wat eigenlijk hetzelfde is als MFG, maar met een andere bron, want het gaat om gegevens die door het RIZIV worden opgesteld. Die gegevens dienen nog aan een laatste reeks controles te worden onderworpen om zeker te zijn van hun betrouwbaarheid. Binnenkort zullen de MKG-SHA-gegevens 1997 kunnen worden geŽxploiteerd. De vertraging van twee maanden is te wijten aan het feit dat sommige verzekeringsinstellingen herhaaldelijk gegevens hebben ingestuurd die fout bleken te zijn na de uitvoering van de basiscontroles.

Sommige vragen betroffen de expertise, die we inderdaad absoluut moeten versterken willen we onze beleidsambities verwezenlijken.

In de begrotingen 2000 en 2001 van het RIZIV werd een bedrag ingeschreven van 180 miljoen met betrekking tot uitgaven voor de ondersteuning van de expertise. Voor het jaar 2000 werd dit krediet als volgt geaffecteerd: 74 miljoen voor de geneesmiddelencel, 22 miljoen voor de ziekenhuizen en 25 miljoen voor het RIZIV.

Sta me toe die rubrieken meer in detail toe te lichten.

Voor wat de geneesmiddelencel betreft werd 50 miljoen ter beschikking gesteld van het Belgisch centrum voor farmacotherapeutische informatie, met het oog op het verrichten van wetenschappelijke analyses rond rationeel geneesmiddelengebruik, het opstellen van wetenschappelijke informatie, met het oog op informatiecampagnes, in eerste instantie inzake antibiotica, onderzoek ter ondersteuning van de consensusconferenties en het standaardiseren van informatie aan zorgverstrekkers, wat de identificatie betreft van de specialiteiten op het vlak van de verpakking, enzovoort.

Aan het geneesmiddelenfonds van het ministerie van Volksgezondheid werd 20 miljoen overgemaakt, waarvan 10 miljoen voor objectieve informatie en 10 miljoen voor promotie van generieken.

Voor een opleidingsproject voor moderatoren van LOK-groepen in verband met NSAID werd 0,3 miljoen aangewend.

Voor een overeenkomst betreffende de financiering van het project NSAID-kwaliteitsregistratie, gesloten met het Wetenschappelijk Instituut Louis Pasteur, werd 3,8 miljoen voorzien.

Het bedrag van 22 miljoen voor de ziekenhuizen is als volgt samengesteld: 10 miljoen voor de uitgaven in verband met de aanpassing van het datawarehouse Volksgezondheid, met het oog op de koppeling van de financiŽle en klinische gegevens; 7 miljoen voor de wetenschappelijke ondersteuning van de kwaliteitsprojecten van de ziekenhuizen voor de aanwerving van 4 geneesheren; 5 miljoen voor de versterking van de technische cel - afdeling volksgezondheid - voor de aanwerving van 2 geneesheren en 4 economisten.

Het bedrag van 25 miljoen voor het RIZIV is als volgt samengesteld: 5 miljoen voor de versterking van de technische cel - afdeling RIZIV - voor de aanwerving van 3 geneesheren, waarvan 2 nog in aanwervingsprocedure zijn; 10 miljoen voor informatica-ontwikkeling gekoppelde gegevens en 10 miljoen voor de uitbouw van informatiecel-accreditering voor de aanwerving van 3 personen.

De overige 59 miljoen waren bestemd voor het onderzoek in verband met de permanente doorlichting van de nomenclatuur en voor de ondersteuning van de LOK's.

Ten slotte kan ik meedelen dat door het RIZIV, naast de reeds vermelde Farmanetcampagne, onlangs volgende informatiecampagnes werden gerealiseerd:
- Voorschrijven door algemeen geneeskundigen van terugbetaalde farmaceutische producten afgeleverd via publieke officina's (november 1998)
- Variabiliteit in het gebruik van de verstrekking aanwezigheid van de pediater bij de risicobevalling (maart 1999)
- Voorgeschreven en verrichte medische beeldvorming gehospitaliseerde patiŽnten (mei 1999)
- Verbruik anti-microbiŽle middelen ziekenhuis (november 1999)
- Voorschrijven door algemeen farmaceutische producten afgeleverd via publieke officina's (december 1999). Informatie aan LOK's (januari 2000).
- Algemene informatie aan Verenigingen geneesheren-specialisten. Contactvergaderingen (november 1999 - februari 2000)

- Pre- en peri-operatieve cardiologische onderzoeken (maart 2000).
- Aantal verrichte prestaties door tandheelkundigen (september 2000).
- Daghospitalisaties in algemene ziekenhuizen (in voorbereiding).

Dat zijn toch wel heel wat recente informatiecampagnes van het RIZIV. Ik wil hiervan niet in detail een balans maken, maar dit toont toch aan dat er stilaan een zekere praktijk wordt ontwikkeld.

De heer Remans heeft ook vragen gesteld over de ziekenfondsen. In toepassing van artikel 195, paragraaf 1, van de gecoŲrdineerde wet wordt voor de forfaitaire administratiekosten, toegekend aan de vijf landsbonden, als basis 24,1 miljard frank voor het jaar 1996 genomen. Dit forfait wordt jaarlijks aangepast, rekening houdend met de evolutie van de index, de evolutie van de lonen in de overeenstemmende sectoren en met de wettelijke opdrachten van de verzekeringsinstellingen. De wet bepaalt ook dat een gedeelte van dit forfait maar toegekend wordt in de mate waarin de verzekeringsinstellingen hun wettelijke opdrachten correct uitvoeren. De Raad van de Controledienst voor de ziekenfondsen is belast met de evaluatie van de beheersprestaties van de verzekeringsinstellingen.

In 1999 bedroeg het forfait 26,1 miljard frank, waarvan een variabel gedeelte van 1 miljard. Dat is precies het deel dat samenhangt met de doeltreffendheid van de ziekenfondsen. Van dit variabel gedeelte werd 985,7 miljoen effectief toegekend, zodat het totaal toegekend bedrag 26.108,7 miljoen bedroeg, als volgt onderverdeeld per landsbond: 11.045,6 miljoen voor de christelijke landsbond, 1.176,9 miljoen voor de neutrale landsbond, 7.859,9 miljoen voor de socialistische landsbond, 1.868,3 miljoen voor de liberale landsbond en 4.158 miljoen voor de onafhankelijke landsbond. De wet bepaalt dat alle uitgaven die voortvloeien uit de toepassing van deze wet, met uitsluiting van de prestaties voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, als administratiekosten worden beschouwd.

Voor de evaluatie van het variabel gedeelte van het forfait werden zes criteria vastgelegd in het koninklijk besluit van 29 april 1993. Een van deze criteria houdt verband met het gezondheidsbeleid en "de verwezenlijkte inspanningen met het oog op het bevorderen van de gezondheidsopvoeding en het aanmoedigen van het gebruik van minder dure geneeskundige verzorgingsformules". Voor de beoordeling van dit criterium houdt de Controledienst rekening met een aantal acties van de landsbonden zoals publicaties van forums, cursussen of conferenties, informatiecentra voor de leden.

In 1999 werd 562,2 miljoen frank besteed aan dergelijke acties, als volgt onderverdeeld per landsbond: 273,9 miljoen voor de christelijke landsbond, 20,9 miljoen voor de neutrale landsbond, 147,3 miljoen voor de socialistische landsbond, 37,9 miljoen voor de liberale landsbond en 82,2 miljoen voor de onafhankelijke landsbond. Zonder enige volledigheid te beogen kan ik meedelen dat recent door verschillende ziekenfondsen interessante analyses werden verricht met betrekking tot het gezondheidsbeleid. Het is duidelijk dat deze onderzoeken nuttige informatie kunnen bevatten om het beleid bij te sturen of te hervormen. Zelf heeft de heer Remans verwezen naar de studie over heupprothesen verricht door de Landsbond van Christelijke Mutualiteiten en naar de studie inzake hysterectomie uitgevoerd door het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten. Ook ander verzekeringsinstellingen hebben nuttige analyses verricht. Ik weet wel dat dergelijke zaken ook altijd een beetje controverse en debat meebrengen, maar ik denk onder meer aan sommige publicaties door de Landsbond van Onafhankelijke Ziekenfondsen in het kader van de Fax medica.

Zoals ik in mijn beleidsnota heb aangegeven, hebben de verzekeringsinstellingen een belangrijke rol op het vlak van de bevordering van de doelmatigheid van de geneeskundige verzorging. Ze dragen een aanzienlijke financiŽle verantwoordelijkheid in het beheer van de ziekteverzekering. Deze instellingen, die nauw betrokken zijn bij de uitwerking van het gezondheids- en verzekeringsbeleid zowel op het macro- als op het microterrein, moeten initiatieven ontwikkelen die kunnen bijdragen tot een meer doelmatig systeem.

Het is daarbij zeer belangrijk dat de verzekeringsinstellingen zich inschakelen in de systemen van gegevensverzameling en kwaliteitsevaluatie die binnen de ziekteverzekering en door het ministerie van Volksgezondheid worden opgezet. Even belangrijk is de gelijkvormigheid van hun optreden. Tegenover de verstrekkers moeten ze uitgaan van een consensus over medisch handelen die op een collectieve wijze tot stand is gekomen en dus niet door elke verzekeringsinstelling afzonderlijk en anders kan worden ingevuld. Zo kunnen zij bijvoorbeeld studies van bepaalde medische praktijken uitvoeren die - in samenwerking met de verstrekkers - kunnen bijdragen tot aanbevelingen omtrent goede medische praktijk en de controle van de implementatie van de in consensus uitgewerkte richtlijnen. De uitdaging voor de toekomst is de ontwikkeling van spelregels die deze gelijkvormigheid en consensus tot stand brengen en tegelijkertijd toelaten dat doelmatigheidsbevorderende projecten en initiatieven hun plaats kunnen vinden. Dat beantwoordt aan uw zorg, met name een eenvormig kader waarbinnen dergelijke studies zich situeren, zodat de wetenschappelijke objectiviteit is gegarandeerd en dat men niet in om het even welke richting conclusies kan trekken. We gaan ervan uit dat de ziekenfondsen zich ook in deze filosofie inschakelen.

Zoals reeds gezegd werden verschillende expertencellen gecreŽerd waarin de deskundigheid van het RIZIV en het ministerie van Volksgezondheid worden gebundeld, met name

de technische cel voor de koppeling van gegevens - daarin zijn 5 specialisten actief - en een informatiecel in het kader van accreditering voor de artsen, waar 4 specialisten actief zijn.

Op dit ogenblik kan geen sprake zijn van de integratie van het RIZIV in het ministerie van Volksgezondheid, gelet op de nauwe verwevenheid van de verzekering geneeskundige verzorging met de sociale zekerheid.

Ook de Copernicushervorming heeft dergelijke integratie niet weerhouden. De bruggen tussen het ministerie van Volksgezondheid, het ministerie van Sociale Zaken en het RIZIV moeten worden versterkt en de coherentie en de samenwerking moeten groter worden. In de loop van dit jaar zal er een debat worden georganiseerd tussen alle betrokkenen, de artsenorganisaties, de ziekenfondsen en het departement over de evolutie van deze verhouding.

De heer Jan Remans (VLD). - Ik dank de minister voor zijn heel gedetailleerd antwoord.

-Het incident is gesloten.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergaderingen vinden plaats op donderdag 8 februari om 10 uur en om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 20.05 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw De Schamphelaere, de heren Devolder, Roelants du Vivier en Colla, in het buitenland, mevrouw Kestelijn-Sierens en de heer Maertens, met opdracht in het buitenland, de heer Ceder, om persoonlijke redenen.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming nr. 1

Aanwezig: 53
Voor: 16
Tegen: 37
Onthoudingen: 0


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwť, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Clotilde Nyssens, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Renť Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen.


Tegen

Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubiť, Paul Galand, Andrť Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-FranÁois Istasse, Meryem KaÁar, Marie-Josť Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille.


Onthoudingen

N.

Stemming nr. 2

Aanwezig: 53
Voor: 37
Tegen: 16
Onthoudingen: 0


Voor

Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubiť, Paul Galand, Andrť Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-FranÁois Istasse, Meryem KaÁar, Marie-Josť Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille.


Tegen

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwť, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Clotilde Nyssens, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Renť Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen.


Onthoudingen

N.

Stemming nr. 3

Aanwezig: 53
Voor: 46
Tegen: 0
Onthoudingen: 7


Voor

Michel Barbeaux, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubiť, Paul Galand, Andrť Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-FranÁois Istasse, Meryem KaÁar, Marie-Josť Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, Renť Thissen, Louis Tobback, Joris Van Hauthem, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.


Tegen

N.


Onthoudingen

Ludwig Caluwť, Sabine de Bethune, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ingrid van Kessel.

Stemming nr. 4

Aanwezig: 53
Voor: 53
Tegen: 0
Onthoudingen: 0


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwť, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubiť, Paul Galand, Andrť Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-FranÁois Istasse, Meryem KaÁar, Marie-Josť Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, Renť Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille.


Tegen

N.


Onthoudingen

N.

Stemming nr. 5

Aanwezig: 53
Voor: 37
Tegen: 11
Onthoudingen: 5


Voor

Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubiť, Paul Galand, Andrť Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-FranÁois Istasse, Meryem KaÁar, Marie-Josť Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille.


Tegen

Ludwig Caluwť, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Wim Verreycken.


Onthoudingen

Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Clotilde Nyssens, Renť Thissen, Magdeleine Willame-Boonen.

Indiening van voorstellen

De volgende voorstellen werden ingediend:

Wetsvoorstellen:

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, wat de berechting bij verstek betreft (van de heer Philippe Monfils; Stuk 2-640/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, wat de tussenpersonen betreft (van de heer Philippe Monfils; Stuk 2-641/1).

In overweging genomen voorstel

Wetsvoorstel

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsvoorstel betreffende het recht van minderjarigen op toegang tot de rechter (van mevrouw Martine Taelman c.s.; Stuk 2-626/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

van de heer Frans Lozie aan de minister van Landsverdediging over "de gevolgen van het transport van militair materieel via de haven van Zeebrugge voor de gezondheid van het havenpersoneel" (nr. 2-338)

van de heer Georges Dallemagne aan de minister van Landsverdediging over "het feit dat BelgiŽ bepaalde anti-ontmijningsonderdelen produceert" (nr. 2-340)

van mevrouw Mimi Kestelijn-Sierens aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over "de functieclassificatie en de oprichting van een adviesorgaan inzake gelijkekansenbeleid" (nr. 2-341)

van de heer Jean-Marie Happart aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en aan de minister van Landbouw en Middenstand over "de kwaliteitscontroles voor groot wild" (nr. 2-342)

van de heer Jean-Marie Happart aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en aan de minister van Landbouw en Middenstand over "de financiŽle kost van de veterinaire kwaliteitscontroles" (nr. 2-343)

van mevrouw Marie Nagy aan de minister van Binnenlandse Zaken over "de cumulatie van het ambt van minister of lid van een executieve met dat van als verhinderd beschouwd burgemeester" (nr. 2-344)

van de heer FranÁois Roelants du Vivier aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over "het syndroom van de overdekte zwembaden" (nr. 2-345)

van de heer FranÁois Roelants du Vivier aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over "de in aanmerking genomen leeftijdsgroep voor de stelselmatige algemene opsporing van borstkanker" (nr. 2-346)

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Evocatie

De Senaat heeft bij boodschap van 26 januari 2001 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van natuurlijke personen en van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis ten gevolge van de nieuwe structuren van de balie (Stuk 2-620/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 25 januari 2001 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsontwerp betreffende de betwistingen over de inkomensgarantie voor ouderen (Stuk 2-637/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsontwerp tot beteugeling van het kennelijk onrechtmatig beroep bij de afdeling administratie van de Raad van State (Stuk 2-638/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 190, 194, 259bis-9, 259bis-10, 259octies en 371 van het Gerechtelijk Wetboek, tot invoeging van artikel 191bis in het Gerechtelijk Wetboek en tot wijziging van artikel 21 van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en werving van magistraten (Stuk 2-639/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen (Stuk 2-636/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 26 januari 2001; de uiterste datum voor evocatie is maandag 12 februari 2001.

Artikel 79 van de Grondwet

Wetsontwerp betreffende de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken (Stuk 2-422/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 26 januari 2001; de onderzoekstermijn, die overeenkomstig artikel 79, eerste lid, van de Grondwet 15 dagen bedraagt, verstrijkt op maandag 12 februari 2001.

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Kennisgeving

Wetsontwerp tot goedkeuring van het Protocol tot wijziging van het Verdrag van 9 februari 1994 inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ter voldoening aan Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen ondertekend te Brussel op 22 maart 2000 door de regeringen van het Koninkrijk BelgiŽ, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden, en tot wijziging van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van voormeld Verdrag en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 (Stuk 2-583/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 25 januari 2001 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - PrejudiciŽle vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Verzoekschrift

Bij verzoekschrift uit Halle zendt de burgemeester van deze stad aan de Senaat een motie betreffende het Rijkswachtdistrict Asse-Halle, aangenomen door het college van burgemeester en schepenen op 19 december 2000.

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.