3-199

3-199

Belgische Senaat

3-199

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 18 JANUARI 2007 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Overlijden van een oud-senator

Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa en Assemblee van de West-Europese Unie.

Onderzoek van de geloofsbrieven en eedaflegging van een nieuw lid

Inoverwegingneming van voorstellen

Actualiteitendebat

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Mobiliteit over ęde publicatie van een koninklijk besluit dat bromfietsers categorie B vanaf 1 maart toelaat om op het fietspad te rijdenĽ (nr. 3-2053)

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de Eerste minister en aan de minister van Buitenlandse Zaken over ęde mogelijke exploitatie van een nieuwe coffeeshop in Terneuzen vlakbij de Belgische grensĽ (nr. 3-2027)

Vraag om uitleg van de heer Josy Dubiť aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over ęde aanwezigheid van religieuze symbolen in hoven en rechtbankenĽ (nr. 3-2038)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over ęwoninginbrakenĽ (nr. 3-2028)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Buitenlandse Zaken over ęhet Amerikaanse offensief in SomaliŽĽ (nr. 3-2040)

Vraag om uitleg van de heer Frank Creyelman aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde import van hepatitis A door Noord-Afrikaanse migrantenĽ (nr. 3-2026)

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde potentiŽle gevaren van generieken bij geneesmiddelen onderhevig aan kritische dosesĽ (nr. 3-2039)

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęhet voorkomen van MRSA-infecties bij varkensĽ (nr. 3-2041)

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde ballonkyfoplastieĽ (nr. 3-2042)

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Mobiliteit over ęde veiligheid van de zwakke weggebruikersĽ (nr. 3-2030)

Regeling van de werkzaamheden

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin

(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)

Overlijden van een oud-senator

De voorzitter. - De Senaat heeft met groot leedwezen kennis gekregen van het overlijden van de heer Julien Dufaux, gewezen senator voor het arrondissement Hasselt-Tongeren-Maaseik.

Uw voorzitter heeft het rouwbeklag van de Vergadering aan de familie van ons betreurd gewezen medelid betuigd.

Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa en Assemblee van de West-Europese Unie.

De voorzitter. - De volgende wijziging wordt voorgesteld in de samenstelling van de Senaatsafvaardiging bij de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa en de Assemblee van de West-Europese Unie:

-Hiervan zal kennis worden gegeven aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de voorzitters van beide Europese vergaderingen.

Onderzoek van de geloofsbrieven en eedaflegging van een nieuw lid

De voorzitter. - Bij de Senaat is het dossier aanhangig van de heer Dany Vandenbossche, aangewezen als senator door de SP.A-SPIRIT-fractie van het Vlaams Parlement, ter vervanging van de heer Flor Koninckx, die ontslag heeft genomen.

Het Bureau is zopas bijeengekomen om de geloofsbrieven van de heer Vandenbossche te onderzoeken.

Ik stel voor onmiddellijk het verslag van het Bureau te horen. (Instemming)

Dan verzoek ik de heer Nimmegeers, rapporteur, het verslag van het Bureau voor te lezen.

De heer Staf Nimmegeers (SP.A-SPIRIT). - Het Bureau heeft kennis genomen van de aanwijzing die op 10 januari jl. werd gedaan door de SP.A-SPIRIT-fractie van het Vlaams Parlement, met toepassing van artikel 211, ß7, van het Kieswetboek, ten einde te voorzien in de vervanging van de heer Flor Koninckx, die ontslag genomen heeft.

Het Bureau heeft vastgesteld dat de lijst die aan de griffier van de Senaat werd betekend, ondertekend is door de meerderheid van de leden van de betrokken fractie.

Wat het eigenlijke onderzoek van de geloofsbrieven betreft, acht het Bureau deze procedure overbodig omdat dit onderzoek reeds door de bevoegde Assemblee is verricht.

Bijgevolg heeft het Bureau de eer u voor te stellen de heer Dany Vandenbossche als lid van de Senaat toe te laten.

De voorzitter. - Ik verzoek de heer Dany Vandenbossche de grondwettelijke eed af te leggen.

De voorzitter. - Ik geef de heer Dany Vandenbossche akte van zijn eedaflegging en verklaar hem aangesteld in zijn functie van senator. (Algemeen applaus)

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vůůr het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Actualiteitendebat

De situatie in Darfoer

De voorzitter. - Tijdens zijn vergadering van deze middag heeft het Bureau besloten een actualiteitendebat te houden over `de situatie in Darfoer'.

De heer Alain Destexhe (MR). - Senatoren van alle democratische politieke fracties zijn bezorgd over de situatie in Darfoer.

De cijfers verschillen naargelang van de bronnen, maar men mag aannemen dat er minstens tweehonderdduizend doden gevallen zijn, volgens sommige organisaties zelfs vierhonderdduizend. Er zijn ook minstens twee miljoen vluchtelingen. Op politiek vlak destabiliseert de situatie in Darfoer de gehele regio, met inbegrip van Tsjaad en de Centraal-Afrikaanse Republiek.

Nu BelgiŽ lid wordt van de Veiligheidsraad krijgt de minister van Buitenlandse Zaken een prominente rol in deze crisis, die door de nieuwe secretaris-generaal als zijn eerste prioriteit wordt beschouwd. Komende maandag en dinsdag komt de Raad Algemene Zaken van de Europese Unie overigens samen, en de minister zal daaraan deelnemen. Staat Darfoer op de agenda van die vergadering?

Met dit minidebat zouden we graag het standpunt van de minister te weten komen over de situatie in Darfoer.

VN-resolutie 1706, die voorziet in het inzetten van twintigduizend blauwhelmen in Soedan en Darfoer, werd nooit uitgevoerd. Wat zal de minister doen om die resolutie te doen toepassen?

Enkele weken geleden dacht de Britse eerste minister aan de invoering van een no-flyzone boven Darfoer. Ik vind dat heel belangrijk, want vandaag beschikken alleen Europa en de NAVO over de nodige technologieŽn en middelen om een dergelijke zone in te stellen en er bijvoorbeeld drones in gebruik te nemen, zoals we in Congo hebben gedaan. Die drones zijn uitermate precies en zouden zeer belangrijke instrumenten kunnen zijn voor de VN-operaties. Met die drones kan men immers de bewegingen van de bevolking en van de strijdkrachten volgen over een uitgestrekt grondgebied.

Met het invoeren van een no-flyzone en het inzetten van drones zouden we een beeld kunnen krijgen van de veiligheidssituatie op het terrein: we zouden kunnen zien wanneer een dorp wordt aangevallen, op welke wijze en hoe snel de milities zich verplaatsen. Het zou ook mogelijk worden om in een nieuwe resolutie te voorzien in de ontplooiing van een snelle interventiemacht van de VN, die zou optreden op basis van de waarnemingen van de drones.

Zelfs met twintigduizend manschappen is het zeer moeilijk om een gebied te controleren dat zo groot is als Frankrijk. Ik ben voorstander van de combinatie van een no-flyzone met een snelle interventiemacht ten dienste van de bevolking.

Ik heb ook een vraag in verband met aardolie. Volgens bepaalde bronnen zou Soedan de tweede snel groeiende economische wereldmacht zijn, met een fenomenale jaarlijkse groei van meer dan 12% van het BBP. Die groei is op enkele jaren tijd bijna verdubbeld. Khartoem, dat ik nog ken van mijn tijd bij Artsen zonder grenzen, gelijkt blijkbaar helemaal niet meer op het grote dorp van vijftien jaar geleden. Er worden zeer luxueuze en dus dure gebouwen opgetrokken. In welke mate kan aardolie de beslissingen van de VN beÔnvloeden? Heeft BelgiŽ oliebelangen in Soedan?

Ik ben een groot voorstander van specifieke sancties tegen de Soedanese leiders die betrokken zijn bij het conflict en bij machtsmisbruik: het bevriezen van de tegoeden en het instellen van een reisverbod.

Eventuele sancties moeten doelgericht zijn en mogen de burgerbevolking niet treffen. De Soedanese regering heeft echter een goede faam. De regeringsleiders reizen over de hele wereld en sommigen van hen halen waarschijnlijk aanzienlijke inkomsten uit aardolie. Op dat gebied zou de internationale gemeenschap kunnen optreden.

Graag vernam ik ook wat de minister denkt van het optreden van het internationale gerecht en de oprichting van een internationaal compensatiefonds dat door de VN zou worden beheerd.

We zijn echter nog het meest geÔnteresseerd in het standpunt dat de minister maandag zal innemen op de Raad Algemene Zaken van de Europese Unie. Ik moedig hem aan de standpunten te verdedigen die ik heb uiteengezet, namelijk steun bieden aan de bevolking van Darfoer, en niet alleen wanneer ze een vluchtelingenkamp hebben bereikt aan de grens met Tsjaad. We weten immers dat de Europese Unie de humanitaire operaties financiert. Het grootste probleem op dit ogenblik is echter de veiligheid van de bevolking en de bereikbaarheid, zodat de hulp ter plaatse raakt.

Senatoren van alle partijen hebben een ontwerp van resolutie ingediend in de zin van mijn uiteenzetting. Dat ontwerp wordt volgende week besproken in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging en zou eenparig kunnen worden goedgekeurd door onze assemblee.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Namens CD&V wil ik onze bezorgdheid uiten over de situatie in Darfoer. Het is belangrijk dat onze assemblee dit dossier van nabij probeert te volgen. Ik zal niet uitweiden over de onhoudbare situatie, die overigens door iedereen bekend is, en over de catastrofale humanitaire situatie. Ik beperk mij tot het standpunt van ons land, vooral in het licht van onze verantwoordelijkheden binnen de Veiligheidsraad. Welke houding zal ons land aannemen in het kader van de Europese Raad Algemene Zaken en Buitenlandse betrekkingen van komende maandag en dinsdag? Soedan staat zoals bijna altijd op de agenda van die vergadering. Nieuw is echter het feit dat Europa AMIS steunt. Ik meen begrepen te hebben dat de Europese middelen voor de ondersteuning van AMIS eigenlijk uitgeput zijn. De vraag rijst dus hoe de verdere financiering van AMIS kan worden gegarandeerd. Ik neem aan dat ons land prioriteit zal geven aan deze zaak, want anders weet ik niet hoe we nog vat kunnen krijgen op de situatie aldaar. Op welke perspectieven kunnen we rekenen? Klopt het dat dit actualiteitspunt aan de orde komt? Of kunnen we nog meer verwachten van de Europese Raad van volgende week?

Gelet op de rol die ons land wereldwijd speelt in het kader van zijn Afrikabeleid zou ik ook willen weten of er contacten zijn met de Afrikaanse Unie met het oog op de top van de Afrikaanse Unie in Addis Abeba eind deze maand. Die vergadering kan immers ook van groot belang zijn voor de evolutie van de situatie in Darfoer.

Collega Destexhe verwees naar resolutie 1706 van de Veiligheidsraad van augustus laatstleden waar beslist werd 20.000 manschappen onder VN-vlag naar Darfoer te sturen. Ik heb begrepen dat Soedan het daar niet mee eens is en dat vandaag niet meer rond dat scenario wordt gewerkt. In welke mate wordt nog vastgehouden aan die resolutie 1706? Of gaan we eerder verder op de weg van de hybride oplossing die secretaris-generaal Kofi Annan eind vorig jaar nog voorstelde en waarbij gepleit wordt voor een samenwerking tussen AMIS, de Afrikaanse Unie en de VN? Wat zijn de kansen om dat scenario eventueel door te drukken? Wat kunnen we vanuit onze positie in de Veiligheidsraad doen om dit terugvalscenario alle kansen te geven?

Ik heb gemerkt dat de Veiligheidsraad reeds in 2005 beslist heeft sancties te nemen via resolutie 1591 waarmee beslist werd tot een reisverbod en tot het bevriezen van eigendommen van leden van de Soedanese regering die in het conflict betrokken zouden zijn. In welke mate worden de genomen sancties werkelijk toegepast? Kan ervoor worden gezorgd dat die sancties echt worden aangewend om druk uit te oefenen op de Soedanese overheid?

Net als mijn collega's vind ik dat we de situatie in Darfoer moeten blijven opvolgen, dat we ons daar op diplomatiek en humanitair vlak moeten engageren en dat we alles moeten doen wat binnen onze beperkte middelen ligt om de situatie ten goede te doen evolueren.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Moeten we wachten tot de situatie in Darfoer ontspoort zoals destijds in Rwanda? Hoeveel doden, verkrachte vrouwen of vluchtelingen zijn er nodig voordat wordt erkend dat zich in Darfoer een drama afspeelt? Ik heb deze onhoudbare toestand een maand geleden al aangeklaagd. Eindelijk lijkt er een algemene actie op gang te komen. Het is goed dat de kwestie in de Senaat aan bod komt op de vooravond van de Raad Algemene Zaken maandag in Luxemburg.

Het optreden van de Verenigde Naties en de Afrikaanse Unie blijkt totaal inefficiŽnt. De humanitaire organisaties, die enorme risico's nemen, zijn soms verplicht Darfoer te verlaten. We kunnen hun dat niet verwijten want vaak zijn ze de enige om de bevolking hulp te bieden, terwijl de internationale gemeenschap al haar diplomatieke en militaire gewicht in de schaal zou moeten werpen.

Over hoofdstuk 6 is er genoeg gepraat. Het komt erop neer dat de strijdende partijen geen toestemming hebben gegeven.

We weten dat de Soedanese regering draalt. Er is gewezen op de oliebelangen. De situatie in Darfoer choqueert de internationale gemeenschap. Tot op heden is er echter nog niets gedaan, ook al kan niemand met de vinger worden gewezen. Men heeft het over de `internationale gemeenschap' in het algemeen, maar alle internationale instellingen moeten hierbij worden betrokken. Er liggen twee voorstellen van resolutie op tafel. Hopelijk nemen de democratische partijen ťťn ervan eenparig aan. Ze heeft betrekking op een noodinterventie, waarbij op een gegeven moment hoe dan ook geweld noodzakelijk zal zijn. Tegelijkertijd moeten de humanitaire organisaties hun activiteiten kunnen voortzetten. Ik heb in Adrť gewerkt op de grens tussen Darfoer en Tsjaad. We weten dat die zones door niemand worden gecontroleerd en moeilijk bereikbaar zijn. Controle door middel van drones is een interessant denkspoor, als tegelijkertijd wordt gezorgd voor humanitaire corridors die de hulporganisaties in staat stellen hun werk te doen en de burgerbevolking te helpen ontsnappen aan wie hen bedreigt, doodt, deporteert of de vrouwen verkracht. Tezelfdertijd moeten de diplomatieke inspanningen worden voortgezet om samen met de gewapende groepen en de regering in Khartoem een oplossing te vinden. De situatie in Darfoer is zeer complex. Het is ook heel belangrijk dat BelgiŽ en Europa gewapend kunnen optreden.

Er zijn heel wat crisissituaties in de wereld, maar de toestand in Darfoer is zeer ernstig.

Ten slotte verwijs ik naar het conflict in Palestina, dat momenteel niet op de internationale agenda staat. De minister zal morgen zijn Europese collega's ontmoeten. Ik hoop dat hij het Palestijnse probleem en het droevige lot van het Palestijnse volk zal aankaarten.

Ik herhaal wat we hebben gezegd naar aanleiding van de Belgische aanwezigheid in de Veiligheidsraad. Een eventuele boycot moet uitsluitend de Soedanese regering en degenen die rijk worden dankzij de olie-exploitatie treffen, en niet de Soedanese bevolking, die al onrustwekkend arm is.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ik heb de minister het afgelopen jaar meerdere keren over Darfoer ondervraagd. De situatie wordt dramatisch voor de bevolking en ze bedreigt de regionale vrede. Zo wordt Tsjaad geconfronteerd met een massale toevloed van vluchtelingen uit Darfoer. Er wordt gesproken over 220.000 Soedanese vluchtelingen. Bovendien zijn in Tsjaad 100.000 mensen in hun eigen land op de vlucht. Hun toestand is minstens even zorgelijk.

De humanitaire VN-agentschappen trekken aan de alarmbel. De hulpverleners die de getroffen bevolkingen proberen te helpen leven in grote onzekerheid. Ze hebben bijna geen toegang meer tot de burgerbevolking. In die omstandigheden zullen de slachtpartijen zonder twijfel doorgaan. De jongste zes maanden zijn meer dan 250.000 mensen voor het geweld gevlucht, de meeste voor de tweede of derde keer. Dorpen worden verbrand, geplunderd en gebombardeerd. Akkers en oogsten worden vernietigd. Het seksuele geweld tegen vrouwen bereikt in de regio een onrustwekkend niveau.

Er moet dringend een oplossing worden gevonden. We staan aan de vooravond van een Europese Raad. Nu BelgiŽ sinds 1 januari in de Veiligheidsraad zetelt, vraag ik de minister het Belgische standpunt toe te lichten.

Gaat BelgiŽ de tenuitvoerlegging steunen van de VN-resolutie van 31 augustus 2006, die voorzag in een ruimer mandaat en dus in een verhoging van de militaire aanwezigheid op het terrein? Of geeft BelgiŽ de voorkeur aan de methode waarvoor Europa heeft geopteerd, namelijk een regionale oplossing met de steun van de Afrikaanse Unie, ook al weten we dat de middelen ontoereikend zijn om de crisis op te lossen?

Als we de ene piste boven de andere verkiezen, betekent dat dan dat de Europese idee van een regionale oplossing tot mislukken is gedoemd en dat alleen de verregaande oplossing van de VN-resolutie nog een uitkomst biedt?

Beschikt de Europese Unie over de noodzakelijke financiŽle middelen om de bevolking in Darfoer te helpen?

Moet elke diplomatieke, politieke of juridische oplossing, gelet op de ernst van de toestand, niet met dwangmaatregelen gepaard gaan? Zo ja, hoe moeten die worden uitgewerkt en op wie moeten ze gericht zijn? Vanzelfsprekend niet op de burgerbevolking, die al voldoende getroffen is, maar op de rebellenbewegingen. Hoe moeten we dat realiseren? Moeten de financiŽle verantwoordelijken en de wapenhandelaars die de verschillende rebellenbewegingen bewapenen niet worden aangepakt? Zal de Europese Unie daar werk van maken?

Welke denksporen genieten de voorkeur van BelgiŽ, zowel op Europees vlak als op het niveau van de Veiligheidsraad?

Mevrouw Margriet Hermans (VLD). - Soms wil ik schreeuwen van woede over het selectieve geheugen van de politiek en de media, schreeuwen van woede omdat wij onvoldoende aandacht hebben voor de jammer genoeg nog veel te veel voorkomende genocides op onze planeet. Op zulke momenten vraagt men zich soms af waarom we niets doen, waarom we stilzitten?

Het kan ook anders. Soms, na lang stilzitten en lang schreeuwen in de duisternis, gebeurt er iets. Welnu, vandaag is zo een dag!

Het voorbeeld van de Democratische Republiek Congo is naar de mening van de VLD-fractie een typerend voorbeeld van hoe, met de nodige politieke wil, de nodige vastberadenheid en doorzettingsvermogen, met de nodige internationale steun, met een kordate en eerlijke dialoog, er plots licht kan schijnen in de duisternis. Tot 2002 had de gehele internationale gemeenschap Congo opgegeven, want het was verloren moeite en de quasi burgeroorlog was niet te stoppen. Ondertussen weten we wel beter. Langzaam maar zeker groeit de wederopstanding van het land. De hoop is teruggekeerd. Kindsoldaten worden gedemobiliseerd, enz.

De moeder van alle conflicten in Afrika is Darfoer. Deze schandvlek op het geweten van de internationale gemeenschap steekt steeds dieper. Reeds 200.000 mensen zijn gedood in dit conflict en vooral zijn er 2,5 miljoen mensen, waaronder vele vrouwen en kinderen, uit hun woonplaatsen verdreven door gevechten tussen enerzijds regeringstroepen en de Janjaweed en anderzijds bepaalde rebellen. Reeds in 2004 stelde het Amerikaanse Congres dat er een genocide plaatsvindt in Darfoer. Het vroeg om een resolutie van de VN-Veiligheidsraad voor sancties tegen het land. Onder internationaal recht, geldt dan ook een verplichting om in te grijpen. De VN, de Afrikaanse Unie en ook de Amerikaanse regering noemen het conflict echter nog steeds geen genocide.

Ondertussen bereiken ons de vreselijkste berichten uit Darfoer. Zo hebben vandaag 14 VN-agentschappen aangegeven dat de hulpverlening aan de vele vluchtelingen in Darfoer op de rand van de afgrond staat. Miljoenen mensen staan vandaag op het punt zonder hulp te vallen. De ondervoeding stijgt, de klassieke bolle buikjes van hongerende kinderen, het laatste stadium voor de dood, duiken opnieuw op.

De reden is niet ver te zoeken. Zogenaamde rebellen, eigenlijk milities gesteund door de Soedanese regering, vallen de vluchtelingen en dus de hulpverleners aan. Twaalf hulpverleners werden de laatste zes maanden vermoord. Dit is meer dan het totaal aantal gedode hulpverleners van de laatste twee jaar in de regio. Dertig kampplaatsen die werden gerund door moedige hulpverleningsorganisaties werden aangevallen door milities. Vrouwen worden op grote schaal verkracht als ze water en hout bijeensprokkelen. Ondertussen blijft de Soedanese regering stellen dat de cijfers overdreven zijn.

Ik wil dan ook de collega's senatoren die hebben aangedrongen op dit actualiteitsdebat uitdrukkelijk bedanken. BelgiŽ bekleedt vandaag een uitzonderlijk mandaat in de internationale gemeenschap. Als niet permanent lid van de VN-Veiligheidsraad kunnen wij, als we alles op alles zetten, dat kleine steentje bijdragen om de internationale gemeenschap mee op gang te trekken. De lang verwachte hybride vredesmacht van de VN en de Afrikaanse Unie in de regio Darfoer moet er eindelijk komen. De VN-Veiligheidsraad steunt deze piste, nu moet ze concreet worden ingevuld. Wij mogen hier niet op de zijlijn blijven staan. We moeten ervoor zorgen dat de hulpverleners hun werk kunnen blijven doen. Vrede is mogelijk.

Ondanks het vredesakkoord dat werd bereikt in mei 2006 tussen Khartoem en ťťn van de belangrijkste rebellengroepen, blijft de spiraal van geweld tussen de regeringstroepen, de door hen gesteunde Arabische Janjaweed en de rebellen voortduren. De Verenigde Naties besloten in augustus 2006 om troepen te sturen naar de regio om de troepen van de Afrikaanse Unie bij te staan. Ondanks de internationale druk, heeft Soedan echter nog steeds niet toegezegd dat de VN-vredesmacht in hun land mag opereren. Ondertussen dreigt de hele regio te worden meegesleurd in dit conflict. Laat ons, liever vandaag nog dan morgen, dat kleine steentje zijn dat de zaak aan het rollen brengt.

Welke inspanningen gaat BelgiŽ doen in de internationale fora en in het bijzonder binnen de VN-Veiligheidsraad om de Soedanese regering ertoe te brengen de VN-troepen toe te laten op hun grondgebied? Kan de minister dit concreet en uitvoerig toelichten? Hebben sancties hier enig nut?

Mocht het zover komen, zou BelgiŽ bereid zijn indien nodig troepen te sturen onder VN-mandaat naar Darfoer? Onder welke omstandigheden? Kan de minister het standpunt van de regering hieromtrent toelichten?

Hoe kan BelgiŽ de hulpverleners terplekke ondersteunen, opdat zij de vluchtelingen kunnen blijven helpen?

Wat kunnen we doen vanuit de Europese Unie?

De heer Josy Dubiť (ECOLO). - Net zoals mijn collega's ben ik uitermate ongerust over de toestand in die regio. VN-secretaris-generaal Kofi Annan had het net voor zijn aftreden over 300.000 doden. Dat is natuurlijk verschrikkelijk.

Net zoals de heren Mahoux en Destexhe ken ik dat deel van de wereld. Ik ben er verschillende keren geweest, meer bepaald tijdens de grote hongersnood in de jaren 80. Ik ben teruggekeerd bij het begin van de jaren 90. Daarom wil ik een vals gerucht uit de wereld helpen: de pers bestempelt de regio vaak als een woestijngebied en dat is absoluut verkeerd. Buiten periodes van droogte is de streek zeer vruchtbaar. Men vindt er de bekende Acacia Senegal, die de Arabische gom voortbrengt, ťťn van de belangrijkste inkomensbronnen van Soedan vůůr de ontdekking van aardolie in het begin van de jaren 90.

Het klopt dat de Veiligheidsraad in augustus 2006 met resolutie 1706 besliste dat er 20.000 Blauwhelmen worden ingezet op grond van hoofdstuk 7 van het VN-Handvest dat het gebruik van geweld toelaat om burgers, humanitaire medewerkers en soldaten van de vredesmacht te beschermen tegen fysiek geweld. Aanvankelijk deed de Soedanese regering alsof ze die resolutie aanvaardde, maar nu weigert ze Blauwhelmen op haar grondgebied.

Ik moet u toch waarschuwen. De resolutie laat inderdaad toe dat er troepen worden ingezet, maar voorzover ik weet zou het de eerste maal zijn in de geschiedenis dat de Verenigde Naties Blauwhelmen inzetten in een land dat er niet mee instemt...

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Neen, mijnheer Dubiť, dat was ook al zo in SomaliŽ.

De heer Josy Dubiť (ECOLO). - Inderdaad, maar SomaliŽ had toen nog nauwelijks een regering. Soedan beschikt over een sterk en goed uitgerust leger. Men moet dus op zijn hoede zijn.

Ik zou de voorkeur willen geven aan een diplomatieke oplossing. In mei 2006 werd een vredesakkoord ondertekend in Abuja. Dat akkoord moest in principe een einde maken aan het conflict in Darfoer en werd aanvaard door ťťn organisatie van opposanten tegen het regime in Khartoem, maar geweigerd door twee andere organisaties, die in hoofdzaak de Zaghawa vertegenwoordigen.

Het zou raadzaam zijn opnieuw diplomatieke gesprekken aan te knopen, want door Blauwhelmen in te zetten zouden er wel eens problemen kunnen rijzen. De vredessoldaten zouden geconfronteerd kunnen worden met geweld van het regime zelf.

De Europese Unie heeft al bijzondere gezanten naar moeilijke gebieden gezonden: de heer Moratinos is lang in het Midden-Oosten geweest, de heer Aldo Ajello is zeer doeltreffend te werk gegaan in het gebied van de Grote Meren. Zou het niet nuttig zijn, mocht de Europese Unie een bijzondere gezant naar het gebied sturen om te trachten de dialoog opnieuw op gang te trekken door de regering van Khartoem en de twee rebellenbewegingen die het akkoord van Abuja hebben geweigerd, rond de tafel te krijgen. Bovendien moet die opdracht mijns inziens aan een persoonlijkheid van formaat worden gegeven.

Daarom doe ik een voorstel. Vůůr zijn aftreden heeft VN-secretaris-generaal Kofi Annan publiekelijk verklaard dat het probleem Darfoer een van de belangrijkste mislukkingen was in de loop van zijn twee mandaten. Het zou misschien interessant zijn om Kofi Annan aan te spreken - toch onomstotelijk een man van internationaal formaat - om te trachten als bijzonder EU-gezant een diplomatieke oplossing te bereiken. Daarnaar moeten we vůůr alles streven.

BelgiŽ is trouwens niet-permanent lid geworden van de Veiligheidsraad. De andere leden delen niet noodzakelijkerwijze onze bezorgdheid. Zou de minister me kunnen zeggen welke belangen China in dat verband heeft?

De heer Mahoux heeft gewezen op het olieprobleem. Sinds 1990 is Soedan inderdaad een olieproducerend land. Het is de derde olieproducent van Afrika, na Nigeria en Angola. Volgens de informatie waarover ik beschik, zijn de enige oliebronnen die vandaag worden geŽxploiteerd echter in handen van de China National Petroleum Corporation, die 7% van haar volume in Soedan aanboort.

Het zijn Amerikaanse bedrijven, meer in het bijzonder Chevron, die in 1990 in Soedan aardolie hebben ontdekt en ook begonnen zijn met de exploitatie ervan. Ingevolge mensenrechtenschendingen hebben de Amerikanen zich onder druk van Amerikaanse, Canadese en andere mensenrechtenorganisaties uit de exploitatie teruggetrokken en paradoxaal genoeg werden ze afgelost door landen die het niet zo nauw nemen met de eerbiediging van de mensenrechten, zoals China, India en MaleisiŽ.

Mijnheer de minister, denkt u niet dat China zich wel eens zou kunnen verzetten tegen elke poging om een einde te maken aan het conflict?

Tot slot wil ik er nog op wijzen dat de oplossing om een no-flyzone in de regio af te bakenen zeer drastisch moet zijn want volgens de informatie waarover ik beschik, richten de Antonovvliegtuigen en de helikopters die het regime met oliegeld heeft gekocht, grote verwoestingen aan in de regio, meer bepaald onder de burgerbevolking.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Het debat over Darfoer komt op het geschikte moment. Maandag wordt het dossier door de Raad Algemene Zaken besproken met de bedoeling tot raadsbesluiten te komen. Nu BelgiŽ lid is van de Veiligheidsraad, ben ik ook geÔnteresseerd in debatten in uw assemblee over dossiers die door de Veiligheidsraad worden behandeld.

BelgiŽ heeft het sturen van Blauwhelmen naar Darfoer, zoals gevraagd in resolutie 1706 van de Veiligheidsraad, altijd ondersteund. De uitvoering van die resolutie is steeds op de weigering van de Soedanese regering gestuit. In tegenstelling tot wat de heer Dubiť heeft gezegd, zijn er in het verleden al interventies van VN-troepen geweest zonder dat de regering ermee instemde, in SomaliŽ bijvoorbeeld. We moeten echter vaststellen dat dergelijke operaties geen groot succes waren en dat de regering en het leger in Soedan goed georganiseerd zijn en de macht werkelijk in handen hebben.

De provincie Darfoer is zo groot als Frankrijk. Als we tegen de wil in van Khartoem willen optreden, moeten er geen 20.000, maar 150.000 manschappen worden ingezet.

Het is juist dat we getuige zijn van een echte genocide en dat in het nieuwe VN-handvest de `verantwoordelijkheid tot bescherming' (responsibility to protect) is opgenomen. De toestand in Darfoer is dan ook een echt testcase voor de toepassing van een resolutie van de Algemene Vergadering. De praktische moeilijkheden lijken evenwel onoverkomelijk.

Op dit ogenblik is het belangrijk dat de internationale gemeenschap diplomatieke druk blijft uitoefenen op de Soedanese regering om de ontplooiing van een hybride vredesmacht met militairen van de Afrikaanse Unie en van de Verenigde Naties, mogelijk te maken. Als Khartoem een dergelijke vredesmacht zou weigeren, kan de internationale gemeenschap bijkomende maatregelen in het vooruitzicht stellen, zoals bijvoorbeeld een no-flyzone boven Darfoer, zoals de heer Destexhe voorstelde, of maatregelen die de Soedanese petroleumsector treffen. De Verenigde Naties geven zichzelf tot eind maart de tijd om na te gaan of een hybride vredesmacht mogelijk is. Zo niet moeten andere maatregelen worden genomen.

Onze permanente vertegenwoordiger in New York onderhoudt geregelde contacten met de VN-leiding, waaronder de nieuwe gezant van de secretaris-generaal in Soedan, de heer Jan Eliasson en zijn team. Voormalig Zweeds minister van Buitenlandse Zaken Eliasson zat ook de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties voor. Het gaat dus om een vooraanstaande persoonlijkheid van wie verwacht wordt dat hij met grote betrokkenheid onderhandelingen zal voeren met de verschillende partijen.

Volgens de meest recente cijfers heeft het conflict in Darfoer het leven gekost aan 200.000 mensen, twee miljoen mensen zijn op de vlucht en 3,5 miljoen mensen hangen af van voedselhulp. Meer dan 4 miljoen mensen worden door dit conflict getroffen. Dat zijn indrukwekkende cijfers.

Sinds het begin van de crisis heeft BelgiŽ humanitaire hulp verleend aan de burgerbevolking, zowel via bijdragen aan niet-gouvernementele organisaties ter plaatse, zoals Artsen zonder Grenzen BelgiŽ en het Rode Kruis, als via de financiŽle ondersteuning van VN-instellingen zoals de FAO en het Wereldvoedselprogramma. Vanzelfsprekend zal ons land daar in de mate van het mogelijke mee doorgaan.

Het voorstel om een compensatiefonds voor de slachtoffers op te richten, lijkt mij heel interessant en ik ben bereid die mogelijkheid nader te onderzoeken. We zullen ook rekening moeten houden met de Soedanese context en met de maatregelen voor de slachtoffers van de burgeroorlog tussen het noorden en het zuiden van Soedan.

De Belgische houding tegenover Darfoer is helemaal niet beÔnvloed door eventuele oliebelangen in Soedan. Sancties zoals de bevriezing van de tegoeden en het reisverbod werden al opgenomen in resolutie 1591 van de Veiligheidsraad. Ik zal meer informatie inwinnen over de toepassing ervan. Normaal gaat een dergelijke resolutie altijd gepaard met de oprichting van een sanctiecomitť, dat wordt voorgezeten door een permanent of een niet-permanent lid van de Veiligheidsraad.

De oliebelangen van China beÔnvloeden uiteraard de houding van dat land in de Veiligheidsraad. China zou zich kunnen verzetten tegen strengere sancties. Hoewel de houding van China recent wat geŽvolueerd is en het land wat voorzichtiger is geworden, is het duidelijk dat zijn grondstoffenbelangen een rol spelen.

Het Internationaal Strafhof kreeg al met het dossier over de toestand in Darfoer te maken via resolutie 1593 van 31 maart 2005 van de Veiligheidsraad. Volgens mijn informatie zal de procureur in de komende weken een eerste dossier aan de rechter overmaken. De RAZEB van 22 januari zal conclusies over de toestand in Darfoer goedkeuren en zal zich in het bijzonder buigen over de financiering van de AMIS. Ondanks de vele tekortkomingen en de geringe impact ervan ter plaatse, bestaat er op dit ogenblik inderdaad geen alternatief voor een voortzetting van de steun aan de AMIS. De internationale aanwezigheid in Soedan moet worden versterkt en er moet blijvend druk worden uitgeoefend met het oog op de ontplooiing van de hybride vredesmacht van de Verenigde Naties en de Afrikaanse Unie.

We zijn inderdaad van mening dat een pragmatische benadering nodig is. We hebben op dit ogenblik geen andere keuze dan AMIS financieel te blijven ondersteunen, ondanks het zwakke mandaat en de problemen inzake uitrusting en commandostructuur. Een mogelijk vertrek in de nabij toekomst van AMIS uit Darfoer - Khartoem wil niet liever - zou de ontplooiing van een internationale vredesmacht naderhand moeilijker en de ontplooiing van een hybride VN-AU-operatie onmogelijk maken.

Wij hebben in het verleden al bijgedragen tot AMIS. Op de donorconferentie vorig jaar in Brussel werd een bijkomend bedrag van 1 miljoen euro aangekondigd. Wij zoeken momenteel of een bijkomende bijdrage mogelijk is.

De financiering van AMIS is inderdaad een probleem. Het Duitse voorzitterschap denkt aan de oprichting van een fonds waarin individuele EU-lidstaten hun bijdragen kunnen storten. Het Verenigd Koninklijk heeft reeds aangekondigd om voor de eerste zes maanden van 2007 een extra bijdrage van 15 miljoen Britse ponden aan AMIS te zullen geven. Ook Nederland zou van plan zijn financieel bij te dragen. Frankrijk liet weten voorstander te zijn van de organisatie van een nieuwe donorconferentie voor AMIS.

Een van de problemen van het buitenlands beleid van de EU is inderdaad de financiering en de ontoereikende begrotingsmiddelen. Het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid (EVDB) beschikt over onvoldoende middelen om in dit soort acties de leiding te nemen. De African Peace Facility 2007 is al opgebruikt. De vraag rijst dan ook op welke manier structureel in de nodige middelen voor het EVDB en out-of-area-operaties kan worden voorzien.

Gevraagd werd welke operatie op AMIS of op de niet totstandkoming van de no-flyzone zou volgen. Tevens werd ook geÔnformeerd naar de Belgische bijdrage. In de planning 2007 van de militaire acties, die vorige week door de regering werd goedgekeurd, komt Soedan niet voor. Deze vraag moet worden beantwoord op het ogenblik dat een dergelijk verzoek aan BelgiŽ wordt gericht. Op dit ogenblik kan ik echter geen ernstige toezeggingen doen.

De heer Alain Destexhe (MR). - Ik heb vier opmerkingen bij de interessante uiteenzetting van de minister.

Allereerst is het juist dat 20.000 manschappen naar Darfoer zenden, niet enorm veel is. De minister zegt dat er 150.000 nodig zijn, maar dat dit niet haalbaar is. Ik pleit ervoor om op korte termijn toch 20.000 manschappen in te zetten.

Voorts ben ik voorstander van de combinatie van een no-flyzone en een snelle interventiemacht. Het cijfer van 20.000 manschappen wordt dan wel betekenisvol. Net als sommige andere senatoren heb ik toch wat ervaring met vredeshandhavingsoperaties, ook in moeilijke omstandigheden.

Sommigen hier hadden al in 1992 gepleit voor een militaire interventie in BosniŽ, die uiteindelijk plaatsvond in september 1995 en een einde stelde aan het conflict. Hetzelfde geldt voor Rwanda. Iedereen is het er vandaag over eens dat men met 15 of 20.000 manschappen de genocide in Rwanda had kunnen tegenhouden. Ik pleit dus voor een no-flyzone en een snelle interventiemacht.

Ten tweede ben ik het niet eens met de minister dat hij de toestand in Darfoer als een genocide bestempelt. Het gaat ontegensprekelijk om misdaden tegen de menselijkheid, om oorlogsmisdaden, maar ik denk niet dat men kan spreken van genocide.

Dat debat is vandaag in elk geval niet het belangrijkste, omdat het ons op een verkeerd spoor zet: als het om een genocide gaat, moet men optreden; zo niet moet men zich van elke actie onthouden. Ik vind het belangrijk dat wordt opgetreden om een einde te stellen aan de misdaden tegen de menselijkheid.

Ten derde heb ik een probleem met het tijdschema. De minister zegt dat de VN zichzelf tijd geven tot einde maart, twee maanden dus. In twee maanden tijd stierven een half miljoen Rwandezen. In die tijdspanne kan het conflict tienduizenden slachtoffers maken, kunnen verkrachtingen plaatsvinden, kunnen nog meer mensen op de vlucht gaan.

Ik pleit voor een strakker tijdschema. De logica van de Veiligheidsraad en van Europa, die een logica is van termijnen, moet plaatsmaken voor een urgentielogica op zeer korte termijn. Het verheugt me dat BelgiŽ zijn inspanningen onder meer inzake financiering en humanitaire organisaties zal voortzetten.

Persoonlijk heb ik mijn humanitair engagement twaalf jaar geleden stopgezet om aan politiek te doen. Als arts zonder grenzen vond ik het spijtig te moeten vaststellen dat er geld van alle kanten kwam. De financiering van humanitaire acties is soms een alibi voor internationale inactiviteit. Dat is wat er in BosniŽ en in Rwanda is gebeurd en wat zich misschien nu ook in Darfoer voordoet: humanitaire organisaties worden ruim gefinancierd, maar ondertussen wordt geen rekening gehouden met het veiligheidsprobleem ter plaatse.

Ik besluit - en dat bleek niet uit de interventie van de minister - dat BelgiŽ als lid van de Veiligheidsraad een voortrekkersrol moet spelen, zowel in de Veiligheidsraad als in de Europese Unie, in de zin van de resoluties die door alle democratische fracties van de Senaat werden ingediend. Meerdere senatoren pleiten hiervoor en zoals u weet, organiseren wij zondag een manifestatie.

Ik verzoek de minister rekening te houden met de aanbevelingen van deze resoluties, die volgende week in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging worden besproken en die BelgiŽ ertoe oproepen een dringende actie in Darfoer te bepleiten.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Een krachtdadig optreden is inderdaad noodzakelijk. Even belangrijk is dat zo snel mogelijk wordt opgetreden.

De heer Josy Dubiť (ECOLO). - Ik dank de minister voor zijn zeer volledige uiteenzetting en ik begrijp zijn behoedzaamheid. Hij wees op het voorbeeld van SomaliŽ, waar tegen het advies van de regering een VN-macht naartoe werd gestuurd.

In die tijd was er echter geen regering in SomaliŽ, de macht was er verdeeld onder krijgsheren. Dat is overigens de reden waarom een VN-macht werd gestuurd.

Soedan is een uitgebouwde staat waarvan het leger jarenlang gevochten heeft in het zuiden. Ik stuur niet aan op een treffen tussen de Blauwhelmen en het Soedanese leger. Daarom vind ik dat er voorrang moet worden gegeven aan de diplomatie.

Ik ben enigszins ongerust over de rol van China in Soedan, gelet op de economische belangen van dat land, vooral op het gebied van aardolie. Ik vrees dat de houding van China het werk van de speciale gezant van de VN, wiens deskundigheid ik helemaal niet betwijfel, uiterst moeilijk maakt. De Europese Unie wil wel optreden.

Daarom zou ik graag hebben dat een speciale gezant van de Europese Unie zich met die zaak bezighoudt en de partijen samenbrengt om te pogen de tegenstellingen op te lossen. Het gaat daar immers duidelijk om een probleem van verdeling.

Soedan kent vandaag dankzij de oliewinning een buitengewone economische groei. Vorig jaar is het BBP met 12% gestegen. Die groei komt vooral de regio van Khartoem ten goede. Noch het zuiden, waar een broze vrede werd gesloten, noch het westen hebben baat bij die groei.

Als de huidige rijkdommen beter werden verdeeld, zou misschien een oplossing kunnen worden gevonden die tegemoetkomt aan de noden van de bevolking van Darfoer.

Ik dring er dan ook op aan dat Europa een diplomatieke actie onderneemt, in overleg met de speciale gezant van de VN. Ik wens echt dat Europa een invloedrijke speciale gezant aanstelt die, zoals in het gebied van de Grote Meren en zoals we het thans nog proberen in het IsraŽlisch-Palestijns conflict, uitzicht zou bieden op een diplomatieke oplossing.

Ik waarschuw de minister: het is een moeilijk toegankelijke regio en het zou helemaal niet gemakkelijk zijn een troepenmacht van 20.000 manschappen te bevoorraden in een gebied zo groot als Frankrijk. De spoorweg die tot Nyala loopt, zou van nut zijn voor de Soedanezen. De troepen zouden bijzonder weerloos zijn tegen een indrukwekkende militaire macht als het Soedanese leger.

Ik wens dus dat via diplomatieke weg geprobeerd wordt de Soedanese regering te doen instemmen met de ontplooiing van een VN-macht.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Het is zeer moeilijk om het grondgebied van Soedan te controleren, gelet op de uitgestrektheid ervan en de zeer grote demografische spreiding. Het luchtruim kan beter worden gecontroleerd.

Ik ben enigszins verbaasd over de opmerking van de heer Dubiť. Ik ben voorstander van diplomatieke oplossingen, maar nu wordt er gereageerd omdat de diplomatieke inspanningen mislukt zijn en er op het terrein helemaal niets veranderd is.

De controle van het luchtruim en economische maatregelen kunnen een dwangmiddel zijn om in te gaan tegen de slechte wil van de Soedanese regering.

De minister zegt dat tegen 31 maart een rapport wordt verwacht. Kofi Annan sprak destijds van 10.000 doden per maand. Kunnen wij ons dan beperken tot de diplomatieke agenda terwijl we weten dat zonder dwangmaatregelen de Soedanese regering nooit een onderhandelde oplossing zal aanvaarden?

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Verschillende sprekers hebben gewezen op de noodzaak van een onderhandelde oplossing en op de rol van de diplomatie. In dat kader heb ik de termijn van eind maart vermeld die de speciale vertegenwoordiger van de Afrikaanse Unie, de heer Salim Ahmed Salim, zichzelf heeft opgelegd. Die termijn is niet zonder belang, want begin februari gaat president Hu Jintao naar Khartoem, enkele weken na de ontmoetingen met de speciale gezant van de Verenigde Staten, de heer Natsios, in Peking. We kunnen dan ook hopen dat de Chinese president enige invloed zal aanwenden of druk zal uitoefenen op de regering in Khartoem.

Er zijn ook vragen gesteld over het instellen van een no-flyzone. Ik ben geen militair expert. Die vraag moet aan de heer Flahaut worden gesteld. Toch denk ik dat het instellen van die zone gepaard moet gaan met het sturen van een snelle interventiemacht. Dat is echter geen macht van de Afrikaanse Unie noch de hybride vredesmacht waaraan wij denken. Er is dus een bepaalde volgorde. Pas na het mislukken van een hybride vredesmacht zal worden overwogen om een no-flyzone in te stellen. Dat moet echter gepaard gaan met extra militaire maatregelen die door de Europese Unie en de Verenigde Staten worden genomen. Daarom wordt min of meer geaarzeld om een speciale gezant van de Europese Unie te sturen, want dat zou betekenen dat er tot actie moet worden overgegaan.

Ik heb nota genomen van wat hier gezegd is en ik zal er inspiratie uit putten op de Raad Algemene Zaken van komende maandag.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Sfia Bouarfa aan de minister van Buitenlandse Zaken over ęde status van de Palestijnse algemeen afgevaardigde in BelgiŽĽ (nr. 3-1363)

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - De situatie in Darfoer en het debat erover mogen ons de even dramatische toestand in Palestina niet doen vergeten.

Mevrouw Leila Shahid, Algemeen Palestijns Afgevaardigde te Brussel, geniet nog steeds geen statuut waarin ze haar opdracht ten volle kan volbrengen. Haar aanwezigheid in ons land baadt in een juridisch vacuŁm.

Gezien de moeilijke politieke context in het gebied is het belangrijk dat de Palestijnse gesprekspartner de diplomatieke mogelijkheden geniet die samengaan met de uitoefening van zijn belangrijke functie, meer bepaald wat de dialoog tussen de volkeren betreft.

De vaststelling van een duidelijk statuut is des te noodzakelijker nu Palestina een land is, of - voor wie dat verkiest - `een staat in wording' waarmee de federale regering de beste betrekkingen onderhoudt. Palestina staat op de ranglijst van elf landen die voorrang genieten inzake ontwikkelingssamenwerking.

Er dient tevens te worden op gewezen dat de Afvaardiging afhangt van het Uitvoerend Comitť van de PLO en niet van Hamas. Het zou dan ook niet bijzonder verstandig zijn om een verband te leggen tussen het statuut van de afvaardiging en de regeringsdeelname van een islamistische partij.

Mijnheer de minister, ik weet dat u een jurist van Buitenlandse Zaken hebt opgedragen een studie te maken over het statuut voor de Palestijnse Afvaardiging en om ter zake aanbevelingen te formuleren.

Wat wordt in het studierapport voorgesteld? Welke maatregelen bent u van plan te nemen om de Algemeen Palestijns Afgevaardigde, mevrouw Shahid, een statuut te bezorgen dat overeenstemt met haar functie en dat een echte politieke erkenning van het bestaan van Palestina inhoudt?

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - De Algemeen Palestijns Afgevaardigde in BelgiŽ, mevrouw Leila Shahid, geniet de bijzondere aandacht van de FOD Buitenlandse Zaken. Al van bij haar aankomst verlenen mijn diensten haar bijstand. De diplomatieke behandeling die wij haar toekennen, biedt haar de mogelijkheid om haar functies naar behoren uit te oefenen: haar protocollaire behandeling stemt overeen met die van de initiatieven die worden genomen voor het geaccrediteerde corps diplomatique in BelgiŽ. Op de diplomatieke ranglijst die wordt opgesteld door de protocollaire diensten van Buitenlandse Zaken, volgt ze overigens onmiddellijk na de leden van de ambassades onder de benaming `Algemeen Palestijns Afgevaardigde'.

Op administratief vlak heeft de algemeen afgevaardigde een speciaal identiteitsdocument ontvangen, dat door alle Belgische overheden wordt erkend.

Het klopt dat de algemeen afgevaardigde niet de immuniteiten en privilegies geniet uit hoofde van het Verdrag van Wenen. Onze Europese partners hebben voor het merendeel voorzien in een bijzondere behandeling die ongeveer overeenstemt met de onze.

Op dit ogenblik lijkt het me niet raadzaam het statuut van de Algemeen Palestijns Afgevaardigde in Brussel te wijzigen.

Ik erken uiteraard het bestaan van Palestina als een politiek feit. De PLO en de Palestijnse Autoriteit begonnen stilaan te beschikken over alle attributen van een `staat in wording'. De deelname van Hamas aan de regering van de Palestijnse Autoriteit heeft evenwel een heel nieuwe situatie geschapen. Onder leiding van Hamas verwijdert de regering van de Palestijnse Autoriteit zich van de PLO door haar weigering om de internationale grondbeginselen te eerbiedigen en om de akkoorden met IsraŽl te erkennen waardoor ze als `staat in wording' een gesprekspartner was geworden.

Ze erkent immers niet de akkoorden van Oslo die door de PLO werden gesloten. In die context lijkt het me momenteel niet raadzaam het statuut van de Algemeen Palestijns Afgevaardigde te wijzigen.

Ik kan u evenwel verzekeren dat mijn diensten erop toezien dat de Algemeen Palestijns Afgevaardigde haar officiŽle functies naar behoren kan uitoefenen. Ik volg zelf de politieke en diplomatieke ontwikkelingen in de Palestijnse gebieden op de voet om te gelegener tijd te kunnen beoordelen of het opportuun is het statuut van de Algemeen Palestijns Afgevaardigde te Brussel te wijzigen.

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Ik dank de minister voor de aandacht die hij heeft voor de Algemene Palestijnse Afvaardiging en omdat hij erop toeziet dat ze wordt behandeld zoals de andere leden van het corps diplomatique. Van mijn kant vrees ik echter dat de afgevaardigde met een aantal problemen heeft af te rekenen die de andere diplomaten in elk geval vreemd zijn, meer bepaald als het erop aankomt zich bij de uitoefening van haar functies door andere personen te laten begeleiden.

Hamas is mijns inziens een voorwendsel. Vůůr het aantreden van Hamas was de situatie van de vorige Algemeen Palestijns Afgevaardigde immers slechter. Hij had een ongelooflijk fantaisistisch statuut en beschikte alleen maar over een document van de ambassade van een ander Afrikaans land, namelijk MauritaniŽ.

De huidige afgevaardigde hangt af van de Palestijnse Autoriteit waarmee wij discussiŽren en onderhandelen. Hamas is democratisch verkozen - in aanwezigheid van Belgische waarnemers overigens - en ook al ben ik het oneens ben met een aantal van hun standpunten, toch moeten we een meer proactieve houding aannemen inzake het statuut van de Algemeen Palestijns Afgevaardigde.

Mondelinge vraag van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over ęde noodkreet van de gevangenisdirecteursĽ (nr. 3-1364)

De voorzitter. - De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - De Federatie van Vlaamse Gevangenisdirecteurs vraagt om de inwerkingtreding van de strafuitvoeringsrechtbanken op 1 februari uit te stellen. Ze erkent het belang van een reeks hervormingen voor het gevangeniswezen, maar de wijze waarop dit gebeurt legt een zware last op het proces van de vernieuwingen en dreigt de goede werking van de penitentiaire instellingen nog meer te verstoren.

De invoering van de strafuitvoeringsrechtbanken zal de werklast van de directeurs, de bedienden en de medewerkers van de psychosociale diensten gevoelig verhogen, terwijl de personeelsformaties niet worden aangepast en er evenmin sprake is van enige opleiding. De eerste rondzendbrief hierover moet nog worden geschreven.

Om die redenen vrezen we dat er minder in plaats van meer gevangenen zullen vrijkomen en dat de overbevolking in onze gevangenissen nog zal toenemen.

Hoe reageert de minister op de noodkreet van de gevangenisdirecteurs?

Is een beter voorbereide en geleidelijke invoering van de strafuitvoeringsrechtbanken, ook vanuit het oogpunt van de penitentiaire instellingen, niet raadzaam?

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

De strafuitvoeringsrechtbanken zullen effectief in werking treden op 1 februari 2007. Het betreft een essentiŽle hervorming van diverse aspecten van de gerechtelijke organisatie, waaronder betere rechtszekerheid, het rekening houden met het advies van de slachtoffers en de exclusieve bevoegdheid op dat vlak van de rechterlijke macht. Het werk van de gevangenisdirecteurs zal echter niet fundamenteel veranderen.

De directeurs nemen thans deel aan de personeelsconferentie van de gevangenis. Die beslist of een verzoek om toekenning van een bepaalde wijze van strafuitvoering aan de Commissie voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt overgemaakt. Uiteraard vertolken de directeurs in de conferentie en bij de opstelling van het advies een hoofdrol.

De wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie heeft de rol van de personeelsconferentie facultatief gemaakt. Voortaan is het de directeur van de gevangenis die rechtstreeks advies verstrekt over een verzoek voor het toekennen van een bepaalde wijze van strafuitvoering, op basis van de elementen die hij verzamelt, onder meer van het psychosociaal verslag van de PSD van de gevangenis.

De vermelde wet zal in twee keer van kracht worden, namelijk op 1 februari 2007 voor de straffen van meer dan drie jaar gevangenis en vanaf 2008 voor de straffen van minder dan drie jaar.

Met betrekking tot de straffen van minder dan drie jaar zal de aard van het werk van de gevangenisdirecteurs veranderen, aangezien ze adviezen zullen moeten geven over situaties die ze thans niet behandelen. De nodige personeelsuitbreiding zal worden ingeschreven in de begroting 2008. Hetzelfde geldt voor de psychosociale teams.

Zodra de wet was goedgekeurd, zijn er voor de gevangenisdirecteurs informatiesessies georganiseerd, vier halve dagen in juni 2006. De documenten die tijdens deze sessies werden voorgesteld, zijn daarna ter beschikking gesteld van alle directies.

Op 29 november 2006 werden aan de directeurs richtlijnen gegeven om het beheer van de dossiers mogelijk te maken tijdens de overgangsperiode van bevoegdheidsoverdracht van de Commissies voorwaardelijke invrijheidsstelling naar de strafuitvoeringsrechtbanken. De directeurs kregen toen onder meer het model waarop ze vanaf nu hun advies moeten uitbrengen. Op 24 januari kunnen ze bovendien deelnemen aan een nieuwe studiedag over de basiswet en de wet op de externe rechtspositie.

Het klopt dat ze nog een definitieve rondzendbrief moeten ontvangen. Daaraan wordt op het ogenblik de laatste hand gelegd. De rondzendbrief herneemt de zeer belangrijke bepalingen die werden goedgekeurd in het kader van de wet houdende diverse bepalingen, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 28 december. Het gaat onder meer om de bepaling dat de uitstelbeslissingen, zowel van de personeelsconferenties als van de Commissies voorwaardelijke invrijheidsstelling, geldig blijven na het van kracht worden van de wetten van 17 mei 2006. Deze bepaling heeft precies tot doel te voorkomen dat de gevangenisdirecteurs in een zeer korte tijdspanne heel veel adviezen moeten geven.

Zodra de wet was goedgekeurd, heb ik een werkgroep opgericht met de magistraten van de huidige Commissies voorwaardelijke invrijheidsstelling, inclusief het openbaar ministerie, met alle betrokken gerechtelijke actoren, en met vertegenwoordigers van de betrokken directoraten-generaal, dus ook van het Directoraat-generaal van de strafinrichtingen. Deze werkgroep komt geregeld samen om de start van de strafuitvoeringsrechtbanken voor te bereiden.

Omdat ik de voor het welslagen van de hervorming noodzakelijke dialoog wens te behouden, heb ik besloten in dezelfde zin door te gaan. Ik zal een begeleidingscomitť oprichten, waarin alle actoren, strafuitvoeringsrechtbanken, directoraten-generaal van de FOD, penitentiaire inrichtingen en justitiehuizen, betrokken zullen worden. Het comitť zal de implementatie van deze nieuwe beschikkingen en van de eventuele problemen die aan het licht komen regelmatig evalueren.

Afsluitend wil ik onderstrepen dat de wetten die de interne en externe rechtspositie van de gedetineerden nu duidelijk definiŽren een zeer belangrijke hervorming inhouden, die eindelijk vele problemen waarmee de gevangenissen al te lang worstelen, grondig aanpakken. Het is mijn verantwoordelijkheid om deze wetten uit te voeren. Ik word trouwens geregeld in het parlement geÔnterpelleerd door sommige collega's van mevrouw De Schamphelaere, die vinden dat de dingen op dat vlak niet snel genoeg vooruit gaan. Het is begrijpelijk dat al die veranderingen vragen en onrust oproepen, maar ik kan u verzekeren dat ik, in overleg met alle betrokken actoren, alles in het werk zal stellen om te zorgen dat deze hervormingen tot een goed einde worden gebracht.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Dat is een mooi antwoord, maar bepaalde initiatieven worden pas op dit ogenblik genomen en 1 februari is vlakbij. Wij vragen dat de mooie principes die in wetten worden gegoten en door het Parlement worden geloodst, ook in de praktijk een verandering teweegbrengen en resultaten opleveren. Wij hebben de indruk dat minister Onkelinx eerst de wet in werking wil laten treden, dan de problemen wil opsporen, dan het begeleidingscomitť wil samenroepen en op 31 januari de rondzendbrief wil rondsturen.

Mondelinge vraag van de heer Joris Van Hauthem aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over ęde taalkennis van de Brusselse politiemanschappenĽ (nr. 3-1368)

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Zoals bekend is met de invoering van de politiehervorming ter uitvoering van het Octopusakkoord de taalkennis bij de Brusselse politiemanschappen pijlsnel achteruitgegaan. Dat akkoord stelde voor de manschappen die van de rijkswacht en andere federale politiediensten naar de Brusselse politiezones overstapten, een overgangsperiode van vijf jaar in om het taalbrevet van de tweede taal te behalen. Intussen is gebleken dat deze overgangsperiode geen stimulans is geweest om de tweetaligheid van de manschappen te bevorderen, maar integendeel een rem. Door het ontbreken van sancties voor de betrokkenen, het gebrek aan politieke wil en de laksheid van de beleidsvoerders werd het omgekeerde effect bereikt van wat officieel werd nagestreefd. De cijfers die de minister dienaangaande aan collega De Groote heeft bezorgd, spreken boekdelen. Nauwelijks 52% van de politiemanschappen zou aan de tweetaligheidseis voldoen.

De regering heeft daar echter geen lessen uit getrokken en heeft midden vorig jaar met terugwerkende kracht een nieuwe overgangsperiode van 1 jaar en 8 maanden ingesteld, dat wil dus zeggen tot 31 december 2007. Tegen dan zouden alle Brusselse politieagenten dus over een taalbrevet moeten beschikken. Gelet op het feit dat midden 2006 amper 52% van hen daarvan in het bezit was, is er dus nog heel wat werk aan de winkel.

Een derde van deze nieuwe overgangsperiode is intussen al verstreken. Als we ervan uitgaan dat alle Brusselse politiemensen op 31 december 2007 tweetalig moeten zijn, dan zou statistisch gezien op dit moment al 71% over het taalbrevet moeten beschikken. Het is dus interessant te vernemen waar we nu staan en of er het laatste half jaar een kentering is ingetreden in de bevordering van de tweetaligheid bij de Brusselse politiemanschappen.

De minister heeft hier bij monde van staatssecretaris Van Weert in antwoord op een vraag laten weten dat de veiligheid primeert. De taalwetgeving is ook een wetgeving van openbare orde. Wij maken ons geen illusies, maar stellen desalniettemin volgende vragen aan de minister.

Kan de minister mij, net zoals aan collega De Groote, het rapport met gedetailleerde cijfergegevens over de taalkennis van de Brusselse politie bezorgen?

Ik veronderstel dat dit rapport de situatie van de taaltoestand bij de Brusselse politie midden 2006 weergeeft. Inmiddels zijn we een half jaar verder en is reeds meer dan een derde van de nieuwe termijn verlopen. Wat is de huidige stand van zaken omtrent de taalkennis van de Brusselse politiemanschappen?

Worden er bijkomende maatregelen genomen om de tweetaligheid op te trekken, zodat we eind 2007 niet weer moeten vaststellen dat heel wat politieagenten niet aan de tweetaligheidsvereisten voldoen?

De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. - De gevraagde gegevens per politiezone werden vorige week aan Kamer en Senaat bezorgd en zijn dus beschikbaar. We hebben hierover de voorbije maanden trouwens al uitgebreid in het parlement gediscussieerd. Ik heb daarbij meermaals gezegd dat twee belangrijke premissen, veiligheid ťn tweetaligheid, zoveel mogelijk met elkaar moeten worden verzoend.

Onder meer volksvertegenwoordiger Laeremans, een collega van de heer Van Hauthem, heb ik al herhaaldelijk gevraagd wat volgens hem het alternatief voor de bestaande regeling kan zijn, maar dan zonder dat de Brusselse politiepersoneelsformaties, die na de politiehervorming voor het eerst bijna volledig zijn ingevuld, opnieuw onvolledig worden. Moeten we misschien al de agenten die niet tweetalig zijn, de deur wijzen? Hierdoor zou de veiligheid in Brussel ernstig gehypothekeerd worden. En dan zou de heer Van Hauthem mij zonder twijfel vragen wat ik ga doen om de veiligheid in Brussel te verhogen. Ik wil in geen geval een situatie waar de veiligheid in Brussel opnieuw in het gevaar komt.

De personeelsformaties van de Brusselse zones konden worden ingevuld dankzij federale maatregelen. De Brusselse zones krijgen ook de nodige middelen om hun agenten in staat te stellen opleidingen met het oog op het bereiken van de tweetaligheid te volgen. De zones moeten er dan ook voor zorgen dat de agenten deze opleiding effectief volgen.

Inzake nieuwe rekruteringen van tweetalige agenten herhaal ik dat tweetalige kandidaten nauwelijks of niet beschikbaar zijn. Dat zijn feiten waar ik niet omheen kan. Ook daarover hebben we in het parlement uitgebreid gediscussieerd. De vraag daarbij was wie een taalopleiding moet aanbieden. Is dat een taak van de politie of van het gewone taalonderwijs? Als er zich onvoldoende kandidaten met de vereiste tweetaligheid aanmelden, dan moeten we ook eens durven na te gaan of er niet een en ander schort aan het taalonderwijs. Dan moeten we daar samen met de gemeenschappen een debat over voeren.

Het is duidelijk dat de situatie alleen geleidelijk kan evolueren naarmate de taalopleidingen effect beginnen te krijgen.

We moeten ook een onderscheid maken tussen de wettelijke tweetaligheid en de functionele tweetaligheid. De laatste is vaak heel wat hoger dan de cijfers aangeven.

Uit de ervaringen van de zones blijkt dat het volgen van taallessen in combinatie met werken soms moeilijk te organiseren valt. De zones moeten voldoende flexibele mechanismen uitwerken, maar toch laat ik onderzoeken of we de taalopleiding niet voorafgaand aan de indiensttreding kunnen organiseren. Vraag is dan wie dat zal financieren. Als de lat bij de taalexamens hoog ligt, dan moeten we misschien kiezen voor een ander systeem, waarbij de nieuwe rekruut kan beginnen met een minimaal niveau aan de start en trapsgewijs kan evolueren. Het systeem van taalpremies zou daarop kunnen worden afgestemd.

Deze mogelijkheden worden momenteel grondig bekeken. In overleg met de politiezones en met de federale politie wil ik inspanningen blijven leveren om de beoogde tweetaligheid vorm te geven.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - De minister verschuilt zich achter het argument dat de veiligheid in het gedrang komt als hij de taalwetgeving toepast. Dat is al te gemakkelijk. In Nederland werd een trein tegengehouden omdat de conducteur onvoldoende Nederlands kende, want anders kwam de veiligheid in het gedrang. Het argument van de veiligheid kan dus even goed worden ingeroepen om de taalwetgeving wel toe te passen.

Een ander voorbeeld is de problematiek van de MUG in Halle. Er kan geargumenteerd worden dat er bij gebrek aan tweetalig personeel beter een MUG met Franstalig personeel rijdt dan helemaal geen MUG. Er is echter een geval geweest van een MUG met eentalig Frans personeel die naar een verkeerde plaats reed. Wordt de veiligheid, of in dit geval de gezondheid, dan nog gegarandeerd? In Brusselse ziekenhuizen komt het voor dat dokters de patiŽnten niet begrijpen, hoewel ze daartoe wettelijk gezien in staat moeten zijn. Dat heeft al geleid tot sterfgevallen. Het is dus te gemakkelijk het argument van de veiligheid in te roepen. Er zal altijd wel een reden zijn waarom de taalwetgeving niet kan worden toegepast.

Ik kan geloven dat er te weinig tweetalige kandidaten zijn, maar dat was twintig jaar geleden niet het geval en ook toen werd de tweetaligheid van de politiediensten niet gegarandeerd.

De taalwetgeving is een wet van openbare orde. Indien al de benoemingen van niet-tweetalige politieagenten zouden worden aangevochten voor de Raad van State, zouden er ook te weinig politiemensen zijn. Dat wil uiteraard niemand, zoals de minister zegt.

De minister stelt de vraag of het wel een federale taak is om tijdens de politieopleiding taallessen te organiseren, aangezien taalonderwijs een taak van de gemeenschappen is. Die vraag is terecht. Als echter een minimale functionele tweetaligheid nodig wordt geacht voor de functie van politieagent, dan is er geen reden waarom de federale overheid geen taalopleiding in de opleiding voor politieagent zou invoeren.

Als de minister geen taalopleiding organiseert, dan schuift hij het probleem af op de gemeenschappen. De gemeenschappen zijn inderdaad bevoegd voor het onderwijs, en dus ook voor taalonderwijs, maar het taalonderwijs in het algemeen moet niet gericht zijn op eventuele toekomstige politieagenten.

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - De huidige situatie verschilt wel grondig van die van twintig jaar geleden. Destijds was er sprake van Franstalige onwil en konden de Nederlandstalige burgers nooit in hun taal worden geholpen. Nu rijst er een probleem in beide richtingen. Uit de cijfers die ik aan de Senaatsvoorzitter heb meegedeeld, blijkt dat er nagenoeg even vaak Nederlandstaligen zijn die het Frans niet machtig zijn, als omgekeerd.

Brussel is inmiddels geŽvolueerd tot een internationale stad bij uitstek. De klassieke tegenstelling Vlaams versus Franstalig heeft dus een heel andere dimensie gekregen.

De heer Van Hauthem kan wellicht een aantal voorbeelden geven van situaties waarin de veiligheid in het gedrang komt omdat een politiebeambte de tweede landstaal onvoldoende beheerst, maar niemand wenst vandaag politiebeambten die niet aan de wettelijke vereisten inzake tweetaligheid beantwoorden, naar een andere politiezone over te plaatsen, want dan komen er in Brussel binnen de kortste tijd tientallen vacatures.

Tweetaligheid blijft het doel dat we nastreven. De overgangsperiode is inmiddels wel verlengd. Vraagsteller heeft dat gehekeld. Zelf stel ik vast dat tweetaligheidspremies niet of in onvoldoende mate hebben gewerkt. Mijns inziens moet ook de attitude in het gewone onderwijs onder de loep worden genomen. Als tweetaligheid via de politieopleiding moet worden bereikt, dan leggen we die opleiding taken op waarvoor het niet wordt ingericht.

Tweetaligheid zal de vrucht van vereende inspanningen zijn. Ik pleit niet er niet voor om het probleem af te wentelen op de gemeenschappen. De ministers van Onderwijs delen wel in de verantwoordelijkheid.

Waarom wordt tweetaligheid niet van bij de rekrutering als norm gesteld voor een voortgangsproces doorheen de loopbaan? Voortgang inzake tweetaligheid beÔnvloedt dan de loopbaan en in die context zullen tweetaligheidspremies wel effect sorteren.

Mocht de heer Van Hauthem vandaag op mijn stoel zitten - ik mag het niet dromen - en vaststellen dat het aan tweetalig politiepersoneel ontbreekt, dan zie ik hem nooit instemmen met een halvering van het politiepersoneel in Brussel. Hij stelt echter liever vragen of geeft liever kritiek.

Noch de Kamer, noch de Senaat heeft mij een alternatief aangereikt om binnen zes maanden de tweetaligheidsvereisten bij het politiepersoneel in Brussel te bereiken. De heer Van Hauthem heeft evenmin een oplossing. Tot daar mijn vaststelling.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - De minister speelt wat te licht met de keuze tussen veiligheid of tweetaligheid. De problematiek bestaat al van bij de invoering van de taalwetgeving. Nu stemt de minister steeds opnieuw in met de verlenging van de periode waarin uitzonderingsbepalingen gelden.

Er is een structurele ingreep nodig. Mijn alternatief bestaat erin om de taalopleiding op te nemen in de opleiding tot politieagent, aangezien de functie van politieman in Brussel tweetaligheid vereist.

Ik stel vast dat de opeenvolgende ministers van Binnenlandse Zaken al twintig jaar lang een wetgeving van openbare orde overtreden. De overheid neemt er vrede mee dat de inwerkingtreding van de taalwetgeving steeds wordt uitgesteld.

Een voortgangsproces? Ik wil wel, maar wordt een politieman met bijvoorbeeld vier jaar ervaring zomaar op straat gezet? Uit het verleden weten we dat zulks in Brussel nooit gebeurt, noch bij de politie, noch bij het gemeentepersoneel, noch bij het OCMW-personeel. Men laat de toestand gewoonweg verrotten. De situatie vandaag verschilt uiteraard van die van twintig jaar geleden. Daarom stel ik ook voor om in de opleiding tot politieagent een pakket functionele tweetaligheidsvorming op te nemen.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Mobiliteit over ęde publicatie van een koninklijk besluit dat bromfietsers categorie B vanaf 1 maart toelaat om op het fietspad te rijdenĽ (nr. 3-2053)

Mondelinge vraag van mevrouw Christine Defraigne aan de minister van Mobiliteit over ęhet koninklijk besluit van 28 december 2006 dat bestuurders van bromfietsen klasse B toestaat het fietspad te gebruikenĽ (nr. 3-1361)

De voorzitter. - Ik stel voor de vraag om uitleg en de mondelinge vraag samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - De minister nam op 28 december jl. een besluit waardoor vanaf 1 maart bestuurders van bromfietsen klasse B, die maximaal 45 km/u rijden, het fietspad mogen gebruiken. Bovendien zijn die bromfietsers verplicht op het fietspad rijden in zones waar de toegelaten snelheid meer dan 50 km/u is.

Ik heb er alle begrip voor, mijnheer de minister, dat u de kwetsbare weggebruiker wil beschermen. Vaak zijn het jongeren die dreigen te worden aangereden door voertuigen op de rijweg. Het is dus goed bedoeld, maar in de praktijk rijden bromfietsers klasse B sneller dan 45 km/u.

Ik ben ongerust over de gevolgen van die beslissing. Op de fietspaden bevinden zich immers niet alleen kwetsbare weggebruikers, maar ook zwakke weggebruikers zoals bedoeld in artikel 29bis: gezinnen, jonge kinderen, enz. Wat mij zorgen baart is dat er een verschil is tussen een fietser die, als alles goed gaat, zowat 30 km/u rijdt, en de bestuurder van een bromfiets klasse B, die tot 75 km/u kan halen. Dat kan u moeilijk ontkennen.

Sommige fietsersverenigingen zijn misnoegd over het gebrek aan voorafgaand overleg. Ze doen een constructief voorstel om het gedeeld gebruik van de fietspaden te beperken tot de zones waar dat wegens specifieke gevaren echt gegrond is. Ze stellen voor om een kadaster van risicozones op te stellen en daar onder het bord D7 dat een fietspad aanduidt, een bijkomend bordje M6 te plaatsen, dat een verplichting inhoudt voor bromfietsers.

Beschikken de diensten van de minister over een objectieve evaluatie van de effecten van deze maatregel, met name wat betreft: de toename van het gevaar voor de fietsers, de vermindering van het gevaar voor de bromfietsers en het aantal gevallen waarin zich een gevaarlijke situatie kan voordoen?

Is de minister het voorstel van de fietsersverenigingen gunstig gezind en kan de tekst in die zin worden geamendeerd?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De Vlaamse Fietsersbond en zijn Waalse tegenhanger zijn niet te spreken over het koninklijk besluit dat op 10 januari 2007 in het Belgisch Staatsblad is gepubliceerd en vanaf 1 maart in werking treedt. Dat koninklijk besluit bepaalt dat bromfietsers categorie B binnen de bebouwde kom voortaan op het fietspad mogen rijden. Buiten de bebouwde kom zijn ze dat zelfs verplicht.

Volgens de Fietsersbond kunnen de bromfietsers 45 km per uur rijden, waardoor hun snelheid in de buurt komt van die van het gemotoriseerd verkeer binnen de bebouwde kom. Het verschil tussen een bromfiets en een fiets die ongeveer 15 tot 20 km per uur rijdt, is volgens de fietsersbond veel groter. De bond vreest dat de veiligheid van de fietsers daardoor in het gedrang komt.

Welke conclusies trekt de minister uit de opmerkingen van de Fietsersbond?

Acht de minister het wenselijk maatregelen te nemen die de veiligheid van de fietsers garandeert?

Acht de minister het raadzaam hierover overleg te plegen met de betrokken actoren?

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - Ik denk dat er een aantal misverstanden bestaan.

Na een koninklijk besluit met betrekking tot fietsers kwam er een ander besluit voor de bromfietsers. De procedure was dezelfde. Ze duurde bijna een jaar. Er werd overleg gepleegd met de gewesten en de gemeenten. Deze nieuwe regel werd ingevoerd op vraag van de gemeenten.

In de regeling die vandaag geldt, wordt het criterium bebouwde kom gebruikt om de situatie van de lichte bromfietsen te regelen. In werkelijkheid is het criterium bebouwde kom niet meer adequaat, aangezien vele gemeenten binnen de bebouwde kom een 70 km-zone hebben ingevoerd langs bepaalde stroken van de weg. Omdat een reglementswijziging van de bebouwde kom een ingewikkeld procedure impliceert, is een vlottere reglementering uitgewerkt voor het variŽren van de snelheid. De gemeenten mochten de kleine bromfietsers die maximum 45 km per uur rijden dus niet meer toelaten op de fietspaden, want dat was verboden in de bebouwde kom. In zones waar 70 km per uur toegelaten is, moesten de bromfietsers dus tussen het gemotoriseerde verkeer rijden. Op de tweevaksbanen rond de steden, waar een snelheidsbeperking van 50 km per uur geldt, mochten de kleine bromfietsers evenmin op de goed uitgeruste fietspaden rijden.

Daarom hebben we in eerste instantie het criterium snelheid genomen, namelijk 50 km per uur, als een onderscheidend criterium, wat ook het oorspronkelijk criterium was voor een bebouwde kom. Ik begrijp wel enigszins de opmerkingen van de Fietsersbond.

De tweede wijziging is het uitgangspunt om rekening te houden met gevaarlijke situaties. We gaan ervan uit dat de bromfietser de veiligste weg kiest en vooral dat de gemeenten de specifieke gevaarlijke situaties regelen.

Daar waar men geblokkeerd zat omdat kleine bromfietsen niet op het fietspad mochten rijden, bieden we nu de gemeenten de mogelijkheid om die zaak te regelen in het belang van de veiligheid van de fietsers, bromfietsers en andere weggebruikers.

Ik ben blij dat u oog heeft voor mijn goede bedoelingen. Ik wil inderdaad de verkeersveiligheid verhogen. Als fietser die soms snelheden van meer dan 50 km/u kan halen, streef ik dezelfde doelstellingen na als de fietsersverenigingen. Ik ben zeker bereid tot overleg, vooral om de getroffen maatregel technisch toe te lichten. Ik wil een oplossing vinden voor moeilijke en gevaarlijke situaties. Met dat doel voor ogen hebben we de regels gewijzigd. Ze waren te strikt en wellicht veeleer om politieke redenen ingegeven dan de pragmatische correctie die ik nu doorvoer.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - Mijnheer de minister, u bedoelt het goed, maar we weten dat de weg naar de hel geplaveid is met goede voornemens...

Ik geef toe dat hier een pragmatische aanpak nodig is. U wees erop dat de vorige regeling te strikt was. Het zou een stap in de goede richting zijn als we de gevaarlijkste zones zouden identificeren en geval per geval zouden bekijken hoe de belangen van de fietsers en van de bromfietsers het best met elkaar worden verzoend.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik blijf het gevaarlijk vinden dat een bromfietser naast een fietser mag rijden op het fietspad, gelet op het mogelijke snelheidsverschil. Hoe sneller een bromfietser rijdt, hoe groter het risico dat hij een fietser raakt. Bij een aanrijding is de fietser de zwakke weggebruiker die beschermd moet worden, want dat is het uitgangspunt van de wet.

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - Ik wil dat nuanceren. Tussen de wagens en vrachtwagens is de bromfietser de zwakke weggebruiker. Als hij wordt aangereden kunnen de gevolgen heel ernstig zijn. Dat hebben we al meermaals gezien.

Ik begrijp het uitgangspunt van de Fietsersbond en ik weet ook dat aparte wegstroken voor fietsers, bromfietsers, wagens en vrachtwagens het ideaal zou zijn. Helaas is dat niet haalbaar.

Het is niet consequent bromfietsers in een zone 70 op de fietspaden te laten rijden en dat te verbieden in een zone 50, terwijl het fietspad altijd hetzelfde blijft.

Ik vraag dus begrip voor de bromfietsers - die tenslotte geen motards zijn - en vind dat men ze beter niet tussen het groot verkeer laat rijden. Voortaan moeten de bromfietsers in de bebouwde kom niet meer tussen de auto's rijden. Verder heb ik vertrouwen in de gemeentelijke autonomie. Het niveau dat daarvoor het meest geschikt is moet oordelen over wat de meest veilige situatie is voor iedereen.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Mobiliteit over ęde implementatie van ecodriving in zijn beleidĽ (nr. 3-1369)

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Samen met zijn Vlaamse collega van Mobiliteit, mevrouw Kathleen Van Brempt, heeft de minister met veel belangstelling het proefproject gevolgd dat de Bond Beter Leefmilieu bij zeven grote Vlaamse bedrijven heeft uitgevoerd. Daarin werd gepeild naar de gevolgen van een ecologische rijstijl bij vrachtwagens.

Ecodriving steunt op volgende principes: tijdig naar de juiste versnelling schakelen, proactief rijden, op de motor remmen, een optimaal gebruik van de boordapparatuur, regelmatige controle van de bandenspanning, rustig rijden en zoveel mogelijk constante snelheden aanhouden.

Ecodriving gaat verder dan defensief en preventief rijden en is vooral aan te bevelen bij wagens met een brandstofinjectiesysteem. De principes ervan zijn echter ook grotendeels toepasbaar op oudere wagens en op motorfietsen.

De conclusies van het onderzoek waren hoopgevend: op termijn daalt het brandstofverbruik met 7%. Bij personenwagens kan dat zelfs oplopen tot 10%, wat een leuke financiŽle opsteker betekent.

Ecodriving biedt ook nog de volgende voordelen: een schoner leefmilieu door de verminderde CO2-uitstoot, minder ongevallen en een betere doorstroming van het verkeer.

De rijstijl kan worden aangeleerd in een vier uur durende cursus.

De minister zou die rijstijl aanmoedigen door ecodriving te promoten bij alle Belgische bedrijven, onder meer via een themastand op de vakbeurs Truck & Transport en door de invoering van dat rijgedrag in zijn eigen FOD Mobiliteit.

Uiteraard mag het daarbij niet blijven. De bewustmaking van alle chauffeurs is essentieel.

Welke initiatieven zal de minister nemen om de ecologische rijstijl op ruime schaal te promoten? Overweegt hij een informatiecampagne of de ondersteuning van workshops en cursussen rond ecologisch verantwoord rijden?

Acht hij het ook niet raadzaam om ecodriving op korte termijn op te nemen in de rijopleiding en de toepassing ervan te evalueren in het rijexamen?

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - Uit een project dat ik samen met de Vlaamse minister van Mobiliteit en de Bond Beter Leefmilieu heb georganiseerd, blijkt dat ecodriving voor een vervoersbedrijf gemakkelijk 7% kostenbesparingen oplevert. Voor personenwagens is zelfs een besparing van 10% mogelijk.

Met die cijfers in de hand tracht de BBL nu verschillende bedrijven te overtuigen om in de opleiding van hun chauffeurs een pakket ecodriving op te nemen.

De bedrijven moeten om de drie jaar de mobiliteitsgegevens over hun personeel aan mijn administratie meedelen. Daaruit blijkt dat in 2005 nog altijd 72% van de werknemers met de auto van en naar het werk rijdt. Het multiplicatoreffect zou bijgevolg bijzonder groot zijn als de BBL erin slaagt een groot aantal bedrijven van het nut van ecologisch rijden te overtuigen.

Wie een rijbewijs wil behalen, moet kunnen bewijzen dat hij of zij milieuvriendelijk rijdt. Die vereiste staat sinds 1998 in de wetgeving en zou dus moeten geÔntegreerd zijn in de vragen voor het rijexamen. Ik stel vast dat GOCA dat aspect wel in de theorievragen heeft verwerkt, maar in het praktische gedeelte kan het niet duidelijk worden teruggevonden. Ook de rijscholen hebben nog niet het automatisme aangekweekt om ecodriving aan te leren. Nochtans is het oordeelkundige gebruik van de rem- en de gaspedaal niet alleen milieuvriendelijk, het komt ook de verkeersveiligheid ten goede. Bovendien is het relatief eenvoudig: men moet vooral de toerenteller en de weg goed in het oog houden.

Ik zal de examencentra alleszins vragen om na te gaan in welke mate ecodriving deel uitmaakt van hun examensysteem. Ook de rijscholen zal ik aansporen om bij de rijopleiding met het ecologische aspect rekening te houden.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Ecodriving is inderdaad sinds 1998 in de regelgeving opgenomen. Op het terrein blijft het aspect echter zowel in de theoretische als in de praktijklessen onderbelicht.

In BelgiŽ zijn ontzettend veel personenwagens als bedrijfswagen ingeschreven. Precies de chauffeurs van die voertuigen kijken niet op een kilometer omdat ze zelf niet voor de kosten opdraaien. Er bestaan reeds stimuli om de bedrijfswagens zelf zo ecologisch mogelijk te houden. Misschien kunnen de bedrijven ook worden gestimuleerd om hun werknemers een opleiding inzake ecodriving te geven. De bedrijven moeten dan wel een kleine financiŽle inspanning doen, maar ze kunnen 10% terugverdienen door een verminderd brandstofverbruik.

Ecodriving kan worden opgenomen in de rijopleiding van nieuwe chauffeurs. De meeste bestuurders van oudere, meer vervuilende wagens hebben echter geen keuze omdat het meestal gaat om mensen die het sociaal-economisch moeilijk hebben en zich geen nieuwe wagen kunnen permitteren. Toch willen ook zij ecologisch rijden en tegelijkertijd geld uitsparen. We moeten een manier zoeken om ook hen met ecodriving vertrouwd te maken. Misschien kan de minister ook dat aspect op een interministerieel overleg aankaarten.

Mondelinge vraag van de heer Luc Willems aan de minister van Landsverdediging en aan de minister van Werk over ęde beveiliging van overheidswebsitesĽ (nr. 3-1359)

De voorzitter. - De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

De heer Luc Willems (VLD). - Op zondag 14 januari 2007 is een groep Turkse nationalisten erin geslaagd de website van de FOD Defensie te kraken. De hackers, die zichzelf de kleinkinderen van het Ottomaanse Rijk noemen, hadden de normale onthaalpagina vervangen door een eigen tekst. Hierin verdedigden ze de islam, stelden ze dat er geen Koerdisch probleem is in Turkije en verwezen ze naar de Armeense genocide van 1915-1917, waarvoor ze de schuld bij de ArmeniŽrs legden.

De FOD Defensie maakte eerder reeds bekend klacht in te dienen tegen de groep Turkse nationalisten. Hoewel de bewuste website naar verluidt geen vertrouwelijke gegevens bevat, wijst dit voorval toch op de kwetsbaarheid van het systeem.

Uit het antwoord op mijn schriftelijke vraag van 22 mei 2006 blijkt dat er nog geen uniforme voorschriften voor de federale overheid bestaan inzake de beveiliging van databestanden. Elke FOD is hier zelf verantwoordelijk voor. Hierdoor is de beveiliging van websites, databestanden op computers en mobiele apparatuur, zoals laptops, niet identiek voor alle ambtenaren en alle FOD's. Dit is uiterst risicovol in een tijdperk waarin elk systeem verbonden met het internet aan voortdurende aanvallen is onderworpen en internetfraude elk jaar met 60% toeneemt. De beveiliging van elektronische informatie en vertrouwelijke gegevens zou dan ook prioritair moeten worden aangepakt.

Welke extra maatregelen zal de minister nemen om een herhaling van deze feiten te voorkomen? Welk budget zal hiervoor worden vrijgemaakt?

Erkent de minister de nood aan overkoepelende veiligheidsvoorschriften voor alle FOD's? Zo ja, welk initiatief zal hij nemen om deze uniforme voorschriften door te drukken?

Hoeveel inbraken of pogingen tot inbraken werden geregistreerd op het federale computernetwerk van de FOD Defensie sinds 2003?

De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Ik lees het antwoord van minister Flahaut.

Er werd door het departement reeds klacht ingediend bij het federaal parket. Dat impliceert dat in dit dossier actief zal worden samengewerkt met de Federal Computer Crime Unit van de federale politie.

De betrokken diensten binnen Landsverdediging hebben voor het terug online plaatsen van de website de nodige maatregelen genomen om een herhaling van dergelijke praktijken te voorkomen. In eerste instantie werd nagegaan wat de zwakke punten zijn van het systeem. Nadien werden de scripts herschreven om indringing in de site maximaal te vermijden.

Er dienen hiervoor geen extra budgettaire middelen te worden vrijgemaakt.

Landsverdediging erkent de behoefte aan overkoepelende veiligheidsvoorschriften voor alle federale diensten en werkt actief mee aan het opstellen van een white paper voor het Overlegplatform voor informatieveiligheid. Dat heeft onder meer als opdracht overkoepelende veiligheidsvoorschriften voor de inter- en intranetten van alle federale diensten uit te werken.

Op het netwerk van Landsverdediging werd sinds 2003 slecht ťťn belangrijk incident vastgesteld.

Tegen de website van Landsverdediging, meer in het bijzonder www.mil.be, zijn er dagelijks ettelijke aanvallen waartegen Landsverdediging zich optimaal weet te beschermen. Bovendien bevat deze website informatie bestemd voor het grote publiek en gaat het dus niet om vertrouwelijke gegevens.

Mondelinge vraag van mevrouw Stťphanie Anseeuw aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over ęde aankoop van vervoersbewijzen voor de NMBS per smsĽ (nr. 3-1358)

Mevrouw Stťphanie Anseeuw (VLD). - Wie in Vlaanderen in de bus stapt, hoeft in de toekomst geen kaartje meer te kopen, maar kan de chauffeur een sms tonen. De Lijn begint daarvoor komende zomer een proefproject met gsm-concern Proximus. Passagiers sturen vůůr hun busrit een sms naar een bepaald nummer en krijgen dan een sms terug. Dat berichtje geldt als vervoerbewijs. De passagier betaalt dus via de gsm-rekening.

Deze nieuwe vorm van communicatie en dienstverlening vanuit de overheid en de overheidsbedrijven vallen onder de term M-government. Reeds in april 2006 bepleitte ik deze toepassing onder meer in het departement van de staatssecretaris. Toen al gaf hij aan dat de NMBS de mogelijkheden inzake ticketting zou onderzoeken en de marktevoluties zou volgen. Daarom heb ik volgende vragen.

Hoe staat de staatsecretaris tegenover het initiatief van De Lijn, dat een concrete invulling van M-government is? Kan hij dit uitvoerig toelichten?

Is hij bereid voor de NMBS een gelijkaardig initiatief te nemen en kan hij concreet aangeven tegen wanneer dit initiatief van start gaat? Zullen er proefprojecten aan voorafgaan?

Tegen wanneer zal dit initiatief voor het hele land worden ingevoerd en welke operatoren zullen eraan meewerken?

Zal dat via een PPS gebeuren?

Ziet de staatsecretaris eventueel nog andere toepassingen?

De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - De NMBS onderzoekt een aantal mogelijke toepassingen voor de reiziger waarbij gebruik wordt gemaakt van het gsm-toestel. Het gaat onder andere over de mogelijkheid om via gsm een vervoerbewijs te bestellen. De afronding van de interne evaluatie van deze voorstellen is gepland in de loop van het eerste kwartaal van 2007. Het is de bedoeling in het verdere verloop van 2007 een eerste proef te organiseren.

Gezien de rol van de NMBS als nationale vervoerder zal het gebruik van `mobiele' tickets mogelijk moeten zijn op het gehele binnenlandse net. Het gebruiken van een gsm-toestel om met de trein te reizen zal in eerste instantie beperkt worden tot ťťn of twee tariefsoorten en zal dus niet noodzakelijk tegemoetkomen aan de behoeften van alle reizigers. Er wordt eerst bij een beperkte gebruikersgroep getest.

Het NMBS-onderzoek heeft tot doel een oplossing te vinden waarbij de aankoop en het gebruik van een gsm-kaartje zo eenvoudig mogelijk blijven. Om zoveel mogelijk potentiŽle gebruikers te kunnen bereiken zal de oplossing ook zo open mogelijk moeten zijn, ook al wordt niet uitgesloten dat de operationele uitwerking van de voorstellen niet met elke mobiele telefoonoperator overal even snel zal kunnen worden gerealiseerd.

Er wordt geen bijzondere juridische structuur opgezet voor het invoeren van het gsm-kaartje, omdat dit valt onder het bestaande verkoopsbeleid en er alleen een bijkomend verkoopskanaal wordt aangeboden, zoals dit eerder al het geval was bij het ontwikkelen en lanceren van de verkoop van vervoerbewijzen via internet.

Mondelinge vraag van de heer Joris Van Hauthem aan de eerste minister over ęde grondwettelijkheid van de verkiezingenĽ (nr. 3-1370)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - De kogel is door de kerk: de federale verkiezingen zullen plaatshebben op 10 juni. Dat is een zekerheid.

Er zijn echter ook twee onzekerheden. Wie vandaag grondwetspecialist Paul Van Orshoven leest, stelt toch wel enkele vragen bij de datum van de verkiezingen. Professor Van Orshoven zegt namelijk dat de verkiezingsdatum eigenlijk ongrondwettelijk is. In feite moeten de verkiezingen plaatsvinden vůůr 18 mei, de datum waarop ze vier jaar geleden werden gehouden. Het eerste probleem is dus de verkiezingsdatum zelf.

Er is verder ook de vraag of we naar deze verkiezingen kunnen gaan zonder dat de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde is gesplitst. Nogal wat mensen beweren dat er volgens het Arbitragehof juridisch geen probleem is als de federale verkiezingen worden gehouden vůůr de uiterlijke datum van vier jaar na de vorige verkiezingen.

Dat zou los staan van het politieke probleem, maar ik ben het daar niet mee eens.

In het arrest van het Arbitragehof van 26 mei 2003 staat onder punt B.9.8.: `Om die redenen kan worden aanvaard dat de door de bestreden wet gemaakte indeling in kieskringen behouden blijft gedurende de door artikel 65 van de Grondwet bepaalde termijn van vier jaar die aanvangt op het in artikel 105 van het Kieswetboek bepaalde ogenblik'.

Artikel 65 van de Grondwet stipuleert dat Kamer en Senaat om de vier jaar verkozen moeten worden. Artikel 105 bepaalt wanneer de termijn van vier jaar begint te lopen, met name de eerste zondag die volgt op het verstrijken van een termijn van vier jaar die ingaat op de dag waarop de gecoŲpteerde senatoren bij de vorige verkiezingen werden aangewezen.

Dit is evenwel een arrest van 2003. We hebben intussen al verkiezingen met de oude kieskring gehad. Het Arbitragehof heeft gezegd dat het nog ťťn keer kon. Tegen de volgende keer moet het geregeld zijn. Welnu, die ene keer is gepasseerd in mei 2003.

Wat is het antwoord van de regering op de analyse van professor Van Orshoven?

Is het grondwettelijk dat er federale verkiezingen worden georganiseerd met een niet-gesplitste kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde? Het Arbitragehof had immers nog ťťn kans gegeven en die werd al benut in 2003.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de eerste minister.

In de eerste plaats moesten we rekening houden met de Grondwet en met de Kieswet waarin wordt bepaald dat de verkiezing van de kamerleden en van de rechtstreeks verkozen senatoren op dezelfde dag plaatsvindt, artikel 70 van de Grondwet, met name de eerste zondag die volgt op het verstrijken van een termijn van vier jaar die ingaat op de dag waarop de gecoŲpteerde senatoren bij de vorige verkiezingen werden aangewezen, artikel 105 van het Kieswetboek.

In beginsel zouden de verkiezingen dus moeten plaatsvinden op zondag 24 juni 2007. De gecoŲpteerde senatoren werden bij de jongste verkiezingen immers aangewezen op 19 juni 2003.

Het Arbitragehof echter heeft in zijn arrest van 26 mei 2003, in punt B. 9.8 gesteld: `Om die redenen kan worden aanvaard dat de door de bestreden wet gemaakte indeling in kieskringen behouden blijft gedurende de door artikel 65 van de Grondwet bepaalde termijn van vier jaar die aanvangt op het in artikel 105 van het Kieswetboek bepaalde ogenblik'.

Bijgevolg moeten we, volgens de redenering van de regering, vier jaar tellen te rekenen vanaf de datum van 19 juni 2003.

Uit deze overwegingen vloeit voort dat de verkiezingen op basis van de huidige kieskringen alleen nog kunnen worden georganiseerd voor 19 juni 2007. Dat is precies ook de overweging die professor Van Orshoven heeft gemaakt. In zijn analyse van het arrest van het Arbitragehof verwijst hij naar de periode van vier jaar na de datum van 19 juni 2003. Dat is ook de houding die de regering aanneemt.

De heer Van Hauthem beweert nu dat de regering noch in mei noch in juni verkiezingen kan organiseren met de huidige kieskring, omdat ze de enige gelegenheid die ze daarvoor van het Arbitragehof kreeg, al heeft genomen. De regering blijft erbij dat verkiezingen houden op 10 juni volledig in lijn ligt van het arrest van het Arbitragehof van 26 mei 2003.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Ik had van de regering geen ander antwoord verwacht, maar het doet me deugd dat staatssecretaris Van Quickenborne er voor een keer wat bedenkingen bij formuleert.

Mijn vraag ging over twee aspecten. Het eerste sloeg op de datum van de verkiezingen. Daarover zegt professor Van Orshoven dat die ten laatste op 18 mei moeten plaatsvinden.

Totaal los hiervan is er de vraag over de kieskringen. Daarover verwijst de regering naar het arrest van het Arbitragehof dat zegt: `om die redenen kan worden aanvaard dat de door de bestreden wet gemaakte indeling in kieskringen behouden blijft gedurende de (...) termijn van vier jaar (...).' Hier speelt de datum wel een belangrijke rol en is de vraag welke datum: 18 mei of 19 juni 2003. Artikel 105 van het kieswetboek zegt dan weer dat die periode aanvangt op het ogenblik dat de gecoŲpteerde senatoren zijn aangewezen, niet dat ze de eed hebben afgelegd. Welnu, ook deze senatoren zijn aangewezen door de verkiezingen van 18 mei. Nu weet ik ook wel dat het parlement in volle soevereiniteit beslist over de geldigheid van verkiezingen. Verkiezingen die het parlement geldig verklaart, zijn dat, ook al zijn ze compleet onwettig.

Desondanks blijf ik erbij dat de regering inzake de kieskringen van het Arbitragehof nog ťťn kans heeft gekregen om met de huidige kieskring verkiezingen te organiseren. Ze heeft dat gedaan in 2003, zodat ze dat in 2007 niet nog eens kan doen. Dat is mijn interpretatie van wat het Arbitragehof heeft gezegd. Zij die beweren dat het nog eenmaal mogelijk is, zijn fout. Dergelijke verkiezingen zijn ongrondwettig.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V) (persoonlijk feit). - Mevrouw de voorzitter, ik was de eerste verzoeker die bij het Arbitragehof de schorsing van een kieswet heeft kunnen bekomen. Dat was in 2003 een feit zonder voorgaande. Het hield de vernietiging in van deze bepalingen en van de dubbele kandidatuur. Ik herinner me dat de heer Vande Lanotte in zijn hoedanigheid van professor constitutioneel recht met alle mogelijke middelen mij heeft proberen te overtuigen dat ik mij in mijn analyse vergiste. Maar in een democratisch land heeft alleen de rechterlijke macht het laatste woord. Perseverare diabolicum est, dat geldt zeker voor deze regering: ze heeft niets bijgeleerd. Ze geeft een interpretatie aan de overweging B. 9.8 van het Arbitragehof die niet correct is.

De overweging van het Arbitragehof heeft niets te maken met een termijn voor de regering om het probleem op te lossen. Het Arbitragehof heeft gewoon willen zeggen dat de grondwettelijke samenstelling van de Kamers tijdens deze regeerperiode door het arrest wordt gedekt. Het Hof stelt dat het feit dat er in Brussel-Halle-Vilvoorde arrondissementele kieskringen zijn en elders provinciale, een discriminatie is. Het Hof heeft zich niet uitgesproken over de vraag of het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde moet worden gesplitst. De overweging gaat erover dat in de provincie West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen en Antwerpen provinciale kieskringen werden ingevoerd die niet bestonden. De vorige verkiezingen zijn constitutioneel gedekt. Daartegen is geen juridisch verhaal mogelijk.

Artikel 65 van de Grondwet, samen met artikel 105 van het Kieswetboek, houdt in dat er geen constitutioneel probleem is voor de samenstelling van de Kamers voor deze regeerperiode.

Er staat `... kan worden aanvaard dat de door bestreden wet gemaakte indeling in kieskringen behouden blijft gedurende de door artikel 65 van de Grondwet bepaalde termijn van vier jaar die aanvangt op het in artikel 105 van het Kieswetboek bepaalde ogenblik'. Er staat aanvangt, dus begint, en niet eindigt. De termijn bepaald in artikel 105 voor de bepaling van de verkiezingsdag moet uiteraard worden berekend vanaf 18 mei 2003. De datum in artikel 105 is immers de aanvang van de termijn vanaf de kiesdatum die telt voor de lopende regeerperiode van vier jaar.

We zullen ons dus, zoals in 2003, opnieuw moeten wenden tot de rechterlijke macht om te verhinderen dat er ongrondwettelijke verkiezingen worden gehouden.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Professor Van Orshoven stelt dat de verkiezingen grondwettelijk zijn als ze ten laatste op 18 mei 2007 plaatsvinden. De heer Van Hauthem zegt dat ook dat ongrondwettelijk is.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Er zijn twee problemen. Het probleem van de datum en dat van de kieskringen.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - De indeling in kieskringen die in de wet is bepaald, dus inclusief Brussel-Halle-Vilvoorde, blijft behouden gedurende een bepaalde termijn. Zolang die termijn niet is verstreken, kunnen er grondwettelijk verkiezingen worden georganiseerd. Op die manier interpreteert de regering het arrest. We zouden uren over dat probleem kunnen debatteren, maar ik vraag me af welke partijen, wat de uitslag ook is, protest zullen aantekenen tegen hun eigen verkiezingsresultaat.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - We zullen uiteraard vůůr de verkiezingen protest aantekenen.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Het Arbitragehof heeft niet gesteld dat Brussel-Halle-Vilvoorde moet worden gesplitst, maar wel dat het bestreden artikel betreffende de indeling in kieskringen niet meer geldt. Het Arbitragehof heeft verder gesteld dat nog ťťn keer op dezelfde wijze verkiezingen mogen worden georganiseerd, maar daarna niet meer. Daar zit het verschil in interpretatie.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de Eerste minister en aan de minister van Buitenlandse Zaken over ęde mogelijke exploitatie van een nieuwe coffeeshop in Terneuzen vlakbij de Belgische grensĽ (nr. 3-2027)

De voorzitter. - de heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De Nederlandse gemeente Terneuzen wordt overspoeld door drugstoeristen.

Volgens de burgemeester van de grensgemeente zouden gemiddeld 2.500 drugstoeristen per dag Terneuzen aandoen. Zestig procent van het cliŽnteel zou uit de modelstaat BelgiŽ komen, dertig procent uit Frankrijk.

In een petitie werden 5.700 handtekeningen verzameld van inwoners die vinden dat de grens bereikt is.

De bewoners klagen over de kostprijs van de extra politiebewaking, een speciaal aangestelde ambtenaar en extra parkeerwachters.

Om de overlast te spreiden denkt Terneuzen nog steeds aan een derde, nieuwe coffeeshop buiten de stad, aan de Belgische grens. De beslissing hierover zou in het voorjaar vallen. Dat brengt uiteraard bezorgdheid teweeg.

Wordt op dit ogenblik intensief overleg gepleegd of gepland met de Nederlandse overheid over de inplanting van de derde coffeeshop vlakbij de Belgische grens?

Welke maatregelen wil de minister nemen om in ieder geval de mogelijke overlast van de nieuwe coffeeshop tegen te gaan?

(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van beide bevoegde ministers.

Op 10 januari 2007 is de Veiligheidsraad van de Euregio Scheldemond bijeengekomen te Middelburg. Eerste punt op de agenda was het plan van de burgemeester van Terneuzen, Jan Lonink, om een derde coffeeshop te gedogen op het grondgebied Terneuzen, maar dan dicht tegen de Belgische grens aan.

Over dit punt had gouverneur Denys op 18 december 2006 te Gent al een voorbereidende bijeenkomst van de Oost-Vlaamse burgemeesters en politiechefs van de grensgemeenten georganiseerd.

Die vergadering besloot het Oost-Vlaamse standpunt aan te scherpen en steunde zich hiervoor onder andere op artikel 71,2 van de slotakte bij de uitvoeringsovereenkomst van het Schengenverdrag.

De vergadering in Middelburg, in aanwezigheid van beide gouverneurs van Oost- en West-Vlaanderen, van alle justitie- en politieoverheden van beide provincies, van een delegatie van de burgemeesters van de grensgemeenten, van de veiligheidsadviseur van de eerste minister en van vertegenwoordigers van de Beneluxraad, is zeer constructief verlopen.

Burgemeester Lonink heeft verklaard open te staan voor alle opties die de drugsoverlast in zijn gemeente kunnen terugdringen inclusief het intrekken van de vergunning van de twee bestaande coffeeshops. Hoe dan ook sluit hij eenzijdige initiatieven uit en is er geen sprake meer van een locatie dicht tegen de Belgische grens.

Tussen alle aanwezige autoriteiten is overeengekomen om een gemengd BelgischNederlandse werkgroep te installeren, die tegen volgende vergadering, in maart, een geÔntegreerd actieplan uitwerkt om het drugstoerisme naar- en van Terneuzen aan te pakken en de drugsoverlast in Terneuzen terug te dringen en om de cannabisplantages die aan beide zijden van de grens door Nederlandse criminele organisaties worden opgezet en/of gefinancierd en waarvan de opbrengst voor een groot deel bestemd is voor de coffeeshops, met vereende krachten aan te pakken.

Het is de bedoeling om drie trajecten te volgen, een bestuurlijk, een politieel en een justitieel, en daarbij zowel preventieve, als repressieve maatregelen te nemen. De grensoverschrijdende aanpak wordt beschouwd als een proefproject voor de Benelux. Dat kan later misschien inspirerend werken voor andere Euregio's zoals de Euregio Maas-Rijn.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Als voorzitter van de sectie BelgiŽ-Nederland heb ik in 2006 meermaals met parlementsleden van de Nederlandse Eerste en Tweede Kamer overleg gepleegd over het vergelijkbare probleem aan de Limburgse grens. De Nederlandse overheden gaan veel strenger optreden tegen de drughandel. Door verschuiving gaan wij nu met de problemen opgescheept zitten. De oplossing in Nederland is gekoppeld aan de oplossing in BelgiŽ en omgekeerd. Ik dring aan op een gezamenlijke actie die gericht is op een ander drugbeleid dan het huidige halfslachtige beleid dat handel verbiedt, maar persoonlijk gebruik toelaat en in de praktijk onhoudbaar is.

Vraag om uitleg van de heer Josy Dubiť aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over ęde aanwezigheid van religieuze symbolen in hoven en rechtbankenĽ (nr. 3-2038)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Josy Dubiť (ECOLO). - Televisiekijkers die de verslaggeving volgen over het proces dat in Hasselt wordt gevoerd over de fraude bij de zeemacht, hebben kunnen vaststellen dat in de zittingszaal een groot kruisbeeld hangt.

De aanwezigheid van dat religieuze symbool, dat verwijst naar een welbepaalde godsdienst, kan voor anders- of ongelovigen aanstootgevend zijn.

De Justitie moet neutraal zijn, net zoals ons land dat officieel is. De aanwezigheid van een kruisbeeld is daarom onaanvaardbaar. Dat geldt ook voor een islamitische halvemaan, een joodse menora of een maÁonnieke winkelhaak.

Welke maatregelen overweegt de minister om een einde te maken aan deze, voor een groot deel van de bevolking, onaanvaardbare situatie en in alle rechtbanken van het land de neutraliteit te handhaven die passend is voor een serene rechtsgang, los van enige ideologische of religieuze verwijzing?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Er is uiteraard geen enkele betwisting mogelijk over het feit dat de rechtspraak dient te geschieden in een omgeving die de neutraliteit van de staat tot uitdrukking brengt. Er zijn echter rechtbanken waar bepaalde tekenen, en niet alleen religieuze tekenen, werden aangebracht in een bepaalde historische context van eeuwen geleden. De Grondwet bepaalt dat er geen onderscheid mag worden gemaakt onder de burgers naargelang van de stand. Toch moet ik soms pleiten in zalen waar beelden aanwezig zijn die adellijke titels uitdrukken, alsook het onderscheid der standen dat in de feodaliteit gebruikelijk was. Ik zou dan ook kunnen aanvoeren dat ik tegen die indeling van de mensen in standen ben.

Ik vraag mij ook af of het verbod op de tekenen lineair wordt ingevuld, dan wel of rekening wordt gehouden met de context van het gebouw en de omstandigheden.

Ik wijs collega Dubiť er overigens op dat in bepaalde zalen van de rechtbank in Brussel glazen werden aangebracht die verwijzen naar de tekenen van de vrijmetselarij.

Als ik vanuit het Parlement naar de Warande kijk, zie ik ook de tekenen van de vrijmetselarij. Volgens mij is de aanwezigheid van die tekenen in een park tussen het Parlement en het Koninklijk Paleis een schending van de neutraliteit van de staat. Moet ik de regering nu vragen die tekenen te verwijderen? Ik meen dat alles zijn waarde heeft in een bepaalde historische context. Als de Warande vandaag opnieuw werd aangelegd, zou ik daar een andere mening over hebben. Daarmee bedoel ik dat men in een samenleving de traditie, die tot het collectieve geheugen behoort, niet van de tafel moet vegen. Ik wil mij hiermee niet uitspreken over de vraag betreffende de rechtbank van Hasselt, waar het proces van de XXIe eeuw reeds heeft plaatsgehad. Ik wil gewoon een nuance aanbrengen en vraag de collega's daar even over na te denken.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de minister.

In een circulaire van 28 april 2004 heb ik aan alle verantwoordelijken voor gerechtelijke gebouwen precieze richtlijnen gegeven met betrekking tot de aanwezigheid van religieuze symbolen, met name in de hoven en rechtbanken.

Alle lokalen in de gerechtsgebouwen, met inbegrip van de zittingszalen, moeten op elk ogenblik neutraal zijn wat betreft de religieuze, filosofische of morele overtuiging.

Om de overtuiging van onze medeburgers niet de schofferen dienen rechtszaken te verlopen in lokalen die vrij zijn van om het even welke afbeelding.

De richtlijnen zijn als volgt:

1. Geen religieuze symbolen in nieuwe gebouwen of bij renovatie.

2. In gerechtelijke gebouwen en vooral in zittingszalen moeten in principe alle symbolen worden verwijderd. Enkel beelden die verwijzen naar de rechtspraak worden geduld.

3. In monumentenpanden of beschermde historische gebouwen mag niet aan de inrichting worden geraakt als ze deel uitmaakt van het beschermde geheel. We kunnen bepaalde kunstwerken wel aan het zicht onttrekken. Zo werd in het Hof van Beroep van Bergen een gordijn opgehangen voor een religieus kunstwerk.

4. Kunstwerken die al jarenlang in een lokaal aanwezig zijn en die verwijzen naar de religie of naar filosofische overtuigingen, maar bijdragen aan de luisterrijke inrichting van de desbetreffende zaal, mogen onder de verantwoordelijkheid van de korpschef behouden worden. De korpschefs moeten daarover evenwel overleggen met alle betrokken rechtspractici en rekening houden met eventueel protest van de rechtsonderhorigen.

Ik weet niet of het kruisbeeld in de zaal die voor het proces in Hasselt werd gebruikt in ťťn van deze twee categorieŽn valt.

Ik heb aan mijn administratie gevraagd om de nodige verificaties te doen en ik zal op basis daarvan oordelen of de gerechtelijke autoriteiten in Hasselt aan de richtlijnen moeten worden herinnerd.

De heer Vandenberghe heeft zelf al het antwoord op zijn vraag gegeven, namelijk dat, ofschoon de specifieke situatie van Hasselt hem niet bekend is, men altijd rekening moet houden met de historische context.

De heer Josy Dubiť (ECOLO). - Het antwoord van de minister stelt me tevreden. Ik begrijp ook de reactie van de heer Vandenberghe. Ik ben geen fanaticus. Indien zich een kruisafneming van Rubens in een zittingszaal zou bevinden, zal ik niet vragen dat die wordt vernietigd.

Ik apprecieer dat in het antwoord wordt bevestigd dat er in nieuwe gebouwen geen religieuze of ideologische symbolen aanwezig mogen zijn en dat ze in de oude gebouwen verwijderd moeten worden. Ik ben het ermee eens dat men geen kunstwerken mag beschadigen. Ik ben geen beeldenstormer. Er mogen geen kunstwerken sneuvelen louter opdat zou worden voldaan aan de neutraliteit van de justitie in ons land, hoe na dat beginsel mij ook aan het hart ligt.

Ik wil wel weten welke concrete maatregelen in Hasselt zullen worden genomen. Iedereen heeft het kruisbeeld gezien; het zou me verbazen dat het een interessant kunstwerk is.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Kunst is subjectief!

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over ęwoninginbrakenĽ (nr. 3-2028)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Uit cijfers van de politiediensten blijkt dat in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om de 57 minuten inbrekers in een woning binnendringen. Nadat het aantal woninginbraken in 2004 daalde, steeg het in 2005 met tien procent. Deze stijging heeft zich in 2006 doorgezet. In 2006 werden bijna 6.000 inbraken genoteerd tegenover een kleine 4.500 het jaar voordien. In 2006 werd ook op nationaal niveau een stijging van het aantal woninginbraken met vijf procent genoteerd tegenover 2005. Niettegenstaande minister van staat Tobback in de stad Leuven de orde probeert te handhaven, stellen we ook in het arrondissement Leuven spijtig genoeg vast dat het aantal woninginbraken stijgt en dat de tactiek van de inbrekers erin bestaat in de namiddag of in de vooravond toe te slaan in plaats van 's nachts.

Deze vaststellingen zouden in de lijn liggen van een aantal werkhypothesen die binnen de federale politie worden onderzocht. Een van die hypothesen is dat het werkgebied van de rondtrekkende dievenbendes die een groot deel van de woninginbraken plegen, zich verplaatst van het platteland naar de grootsteden en hun randgemeenten. Zij verkiezen bovendien almaar meer appartementen boven gewone huizen en villa's, wellicht omdat de sociale controle er minder groot is. De inbrekers stelen vooral juwelen, geld, videotoestellen, computers en kleine elektronica.

Welke conclusies trekt de minister uit deze cijfergegevens?

Zijn er duidelijke aanwijzingen en gegevens die de hypothese van de verplaatsing van het werkgebied van de rondtrekkende dievenbendes bevestigen?

Acht de minister het wenselijk maatregelen te treffen om het aantal woninginbraken te doen dalen?

Acht de minister het wenselijk met de verschillende actoren overleg te plegen om ervoor te zorgen dat de mensen hun woningen beter beveiligen?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken.

Het aantal woninginbraken in ons land is in de periode 2002-2005 gevoelig gedaald. In 2002 registreerden de politiediensten over het hele land ongeveer 70.000 woninginbraken. In 2005 waren dat er ongeveer 50.000. Vanaf 2005 neigt deze dalende trend tot stabilisering. Voor 2006 wordt een stijging met ongeveer 5 procent in het vooruitzicht gesteld. Uit analyse blijkt dat die stijging in grote mate toe te schrijven is aan een toename van het aantal diefstallen in de grote agglomeraties.

De stijging van het aantal diefstallen in de grootstad kan door verschillende factoren worden verklaard. Rondtrekkende daders houden zich op in de grootstad. De verschuiving kan het gevolg zijn van een verhoogde sociale waakzaamheid op het platteland met de buurtinformatienetwerken, de FIPA-controles op de toegangswegen en doorgedreven gerechtelijk onderzoek.

Sinds enige tijd komen meer en meer minderjarigen in beeld die diefstallen plegen in de grootstad of in de onmiddellijke omgeving ervan. Zij worden bewust ingezet door een bepaald type van daders.

De bestaande criminele populatie binnen de grootstad pleegt meer en meer diefstallen voor drugs, omdat dit een gemakkelijke manier is om aan geld te komen.

Het is momenteel nog te vroeg om een eenduidige oorzaak van deze stijging te geven.

Om de stijging ongedaan te maken, moet zowel de lokale als de federale overheid maatregelen nemen.

Aan de federale politie heb ik opdracht gegeven het probleem van de minderjarigen in kaart te brengen en mij maatregelen voor te stellen. Ik zal ook overleg plegen met mijn collega van Justitie om na te gaan welke bijkomende maatregelen federaal nog mogelijk zijn.

Inbraakpreventie blijft voor mij een prioriteit en geniet mijn volle aandacht. Omdat inbraak een van de belangrijkste criminaliteitsvormen in BelgiŽ is, werd een nationaal overleg met privť- en publieke partners in het leven geroepen. Deze taskforce Inbraakpreventie werkt aan een nationaal actieplan voor inbraakpreventie.

Om particulieren aan te moedigen hun woning te beveiligen, wordt vanaf 1 januari 2007 een belastingvermindering doorgevoerd voor investeringen in brand- en inbraakbeveiliging.

Daarnaast is en blijft mijn preventiebeleid steunen op de objectieve veiligheidsadviezen die door specifiek daartoe opgeleide technopreventieve adviseurs worden gegeven. Op eenvoudig verzoek geven zij iedereen kosteloos advies inzake de beveiliging van woningen, beroepslokalen en bedrijfsterreinen.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Buitenlandse Zaken over ęhet Amerikaanse offensief in SomaliŽĽ (nr. 3-2040)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Na de grondoperatie van het Ethiopische leger zijn de Amerikaanse strijdkrachten op 7 en 8 januari begonnen met een offensief op Somalisch grondgebied, dat volgens hun zeggen gericht was op leden van Al Qaeda. Er zouden tientallen doden zijn gevallen. Andere aanvallen op 9 januari in het zuiden hebben twintig slachtoffers gemaakt. De Amerikaanse strijdkrachten ontkennen dat zij aan de basis liggen van die tweede reeks aanvallen.

De secretaris-generaal van de Verenigde Naties verklaarde ongerust te zijn over de situatie.

Hoe rechtvaardigen de Ethiopische en de Amerikaanse regeringen die aanvallen? Wat is de houding van BelgiŽ ter zake? Welke initiatieven zal Europa in SomaliŽ nemen?

Is het proces van dialoog en nationale verzoening dat door Louis Michel werd ingeleid, nog altijd actueel?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - De Ethiopische regering geeft drie redenen aan voor de luchtaanvallen op het Zuid-Somalische grondgebied: steun voor de Somalische Federale Overgangsregering (TFG), verdediging van zijn grondgebied en een aanval tegen een internationale islamitische alliantie (meer dan 5.000 buitenlanders streden inderdaad aan de zijde van Unie van Islamitische Rechtbanken). De Verenigde Staten wilden de terroristische dreiging verminderen door een gebied te treffen waar zich Al Qaeda-aanhangers zouden bevinden.

Net als vele andere leden van de internationale gemeenschap is BelgiŽ zeer bezorgd over de aanvallen in het zuiden van SomaliŽ. Gezien het aantal burgerdoden is een escalatie niet denkbeeldig.

Verschillende Europese initiatieven verdienen onze aandacht. De leden van de EU-contactgroep inzake SomaliŽ waarvan Duitsland, Zweden, Frankrijk, ItaliŽ, Groot-BrittanniŽ en de Commissie lid zijn - ook Noorwegen was aanwezig - kwamen op 3 januari 2007 in Brussel bijeen, in aanwezigheid van Duits minister van Buitenlandse Zaken Steinmeier.

Onderstreept werd dat een overgangsregering waaraan alle partijen deelnemen, noodzakelijk is. De ontplooiing van een Afrikaanse vredesmacht hangt af van de vooruitgang van het politieke proces, dat voorrang heeft. De Commissie heeft sinds 2006 vijftien miljoen euro voor een vredesmacht ingeschreven op de begrotingslijn African Peace Facility en reserveert nog eens 36 miljoen euro voor het humanitaire gedeelte.

Op 5 januari had in Nairobi een ministervergadering plaats van de Internationale contactgroep voor SomaliŽ, in aanwezigheid van mevrouw Frazer, de Amerikaanse onderminister van Afrikaanse Zaken. BelgiŽ was als waarnemer op die vergadering aanwezig. De snelle ontplooiing van een vredesmacht en de wenselijkheid van een donorconferentie waren de belangrijkste conclusies.

Het proces van dialoog en nationale verzoening dat door Louis Michel werd gelanceerd, is nog steeds actueel. Op 14 januari heeft hij in Brussel de heer Sharif Hassan Sheikh Adan, voorzitter van het overgangsparlement, ontvangen. Op 15 januari vond in het Europees Parlement ook een speciale zitting plaats over SomaliŽ in aanwezigheid van commissaris Michel.

Ten slotte zal de Europese Raad op 22 januari conclusies over SomaliŽ goedkeuren waarin hij zich bereid verklaart het vredesproces te ondersteunen op voorwaarde dat alle hoofdrolspelers bij de dialoog worden betrokken.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ik dank de minister voor dit uitvoerige antwoord.

Vraag om uitleg van de heer Frank Creyelman aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde import van hepatitis A door Noord-Afrikaanse migrantenĽ (nr. 3-2026)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Frank Creyelman (VL. BELANG). - In een wetenschappelijk opgevat artikel in het laatste nummer van 2006 van het Vlaams infectieziektebulletin werd gewezen op de gevaren van de verspreiding van hepatitis A na een bezoek van migranten aan hun familie in Noord-Afrika, en bij uitbreiding Turkije.

Het artikel is gebaseerd op een gevalstudie van wat eind vorig jaar in Mechelen gebeurde. Tijdens de grote vakantie waren twee migrantenfamilies samen voor enkele weken naar hun thuisland geweest. Tijdens dat verblijf liep een zevenjarig meisje een hepatitis A-infectie op. Dat is een gevaarlijke, besmettelijke ziekte die des te gevaarlijker is omdat de besmette personen derden kunnen besmetten voordat bij hen het ziektebeeld opduikt. Dat bleek uit het verdere verloop van dit geval want in de onmiddellijke omgeving werden veertig personen, met name van 9 migranten en van 31 Vlamingen, besmet. Het besmettingsrisico in de buurt van de woonplaats van dit kind lag dan ook 67 maal hoger dan normaal.

Uit onderzoek in Nederland is gebleken dat een van de belangrijkste risicogroepen voor besmetting met hepatitis A jonge kinderen zijn die tijdens de vakantie bij familie in Noord-Afrika en Turkije verblijven. Zo wordt gemeld dat niet minder dan ťťn derde van de hepatitis A-gevallen in Nederland verband houdt met een bezoek aan Marokko en Turkije. Tevens is het een feit dat zich in Nederland in het najaar pieken voordoen wat het uitbreken van hepatitis A betreft, om de eenvoudige reden dat dan de meeste migrantengezinnen terug zijn gekeerd van een verblijf in hun thuislanden, waar een aantal onder hen het hepatitis A-virus heeft opgelopen. Men mag dus aannemen dat de Nederlandse bevindingen ook voor ons land gelden.

Uit het artikel blijkt ook dat de respons van heel wat risicopersonen - het gaat dan om mensen die in de buurt wonen, de kinderkribbe- of schoolomgeving, bedrijven die in contact met risicopersonen kwamen - aan wie werd voorgesteld om zich preventief in te enten, heel erg verschillend was. Bij de migranten was de respons op de vaccinatieadviezen nul; ook bij de Vlaamse gezinnen werden de vaccinatieadviezen maar zeer beperkt opgevolgd. Als reden daarvoor stelden de onderzoekers dat een hepatitisvaccin vrij duur is en niet wordt terugbetaald. Om de verdere verspreiding van de ziekte zo veel mogelijk in te dijken is het nochtans belangrijk dat die adviezen worden opgevolgd.

De auteurs stellen een aantal maatregelen voor om de risico's van dergelijke besmettingen te voorkomen: een actief vaccinatiebeleid ten aanzien van hepatitis A, een systematische verplichte vaccinatie van migrantenkinderen die tijdens de vakantie bij familieleden in Noord-Afrika verblijven en een subsidiŽring van de vaccinatie tegen hepatitis A, met andere woorden een zekere vorm van terugbetaling door de ziekteverzekering.

Ik weet dat preventieve gezondheidszorg en voorlichtingscampagnes een gemeenschapsaangelegenheid zijn. Toch behoort een aantal aspecten, zoals de terugbetaling van de vaccins, tot de bevoegdheid van de federale overheid.

Overweegt de minister vanuit zijn bevoegdheidsdomeinen maatregelen te nemen om voor deze problematiek een oplossing te vinden? Zo ja, welke?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.

In 2005 heeft het netwerk van peillaboratoria van het Instituut voor volksgezondheid 243 nieuwe gevallen van besmetting met hepatitis A vastgesteld. Een dergelijke besmetting kan op elke leeftijd worden opgelopen. De helft van de Belgische bevolking tussen 30 en 35 jaar is reeds door het virus besmet en is bijgevolg immuun. Onder de personen bij wie in 2005 een besmetting werd vastgesteld bevinden zich 25 kinderen tussen 5 en 14 jaar en 72 volwassenen tussen 25 en 44 jaar.

Het preventieve vaccinatiebeleid is hoofdzakelijk op risicogroepen gericht, die werden vastgelegd in het advies van de Hoge Raad voor HygiŽne van 2003. Vaccinatie wordt aanbevolen voor iedereen die naar Afrika, AziŽ of Latijns-Amerika reist, en vooral als het om een reis van langer dan twee weken gaat.

Dit geldt ook voor personen die omwille van hun werk worden blootgesteld, voor jongeren die internaten en gebouwen van gespecialiseerd onderwijs bezoeken en voor jonge kinderen van emigranten die terugkeren naar hun land van herkomst.

Aangezien de preventie van hepatitis A bij kinderen controversieel blijft, moet eraan worden herinnerd dat het belangrijk is om dit met de ouders te bespreken.

In september 1999 werd de systematische vaccinatie van twee groepen kinderen in ons land ingevoerd, meer in het bijzonder van baby's en preadolescenten van 11 tot 12 jaar. Er werd voor deze strategie van systematische vaccinatie van twee leeftijdsgroepen gekozen omdat ze, indien goed toegepast, zorgt voor een maximale efficiŽntie tussen kosten en voordelen.

Met betrekking tot de vraag over een eventuele tegemoetkoming door het RIZIV, kan ik meedelen dat tot op heden nog geen dossier hierover werd ingediend bij de Commissie tegemoetkoming geneesmiddelen.

De heer Frank Creyelman (VL. BELANG). - Ik ben me ervan bewust dat het budget van Volksgezondheid onder zware druk staat en dat prioriteiten moeten worden vastgesteld. Desalniettemin verwijs ik naar Nederland, waar de overheid beslist heeft kinderen van Noord-Afrikaanse en Turkse oorsprong preventief te vaccineren tegen hepatitis A en in terugbetaling te voorzien.

Ik pleit dan ook voor het in ons land preventief vaccineren van risicopersonen tegen een sterk verminderd tarief. Aangezien een vaccinatie ongeveer 100 euro kost en de risicogroep veelal uit kinderrijke gezinnen bestaat, betekent zo'n vaccin immers een grote hap uit het budget.

Daarenboven zou de inenting moeten worden verplicht, omdat de doelgroep niet gewend is preventief te laten vaccineren. Ik vrees dat anders vroeg of laat dodelijke slachtoffers zullen vallen.

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde potentiŽle gevaren van generieken bij geneesmiddelen onderhevig aan kritische dosesĽ (nr. 3-2039)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Ik heb deze vraag omgevormd tot een vraag om uitleg omdat ik geen antwoord kreeg op de schriftelijke vraag die ik drie maanden geleden heb ingediend. Als de minister binnen de vooropgestelde termijn zou antwoorden, zou het aantal vragen om uitleg kunnen worden gereduceerd.

Door het systeem van referentieterugbetaling en de controle op het voorschrijfgedrag is er de voorbije jaren een gestage stijging van het voorschrijven en het gebruik van generieken van geneesmiddelen waarvan het patent verstreken is.

Toch blijven vragen bestaan over de vervangbaarheid van sommige geneesmiddelen met een nauwe therapeutisch toxische grens, de zogenaamde critical dose drugs, door generische equivalenten, omdat de biodisponibiliteit verschillend kan zijn, vooral voor geneesmiddelen waarbij het belangrijk is dat de patiŽnt steeds dezelfde dosis inneemt of toegediend krijgt. Een kleine verandering in plasmaconcentratie kan aanleiding geven tot belangrijke wijzigingen in doeltreffendheid en ongewenste effecten.

Volgens een publicatie in de Folia Pharmacotherapeutica van februari 2006 is het veiliger voor dergelijke geneesmiddelen niet over te schakelen van het ene naar het andere middel, of het nu gaat om een originele specialiteit, een generiek of een kopie. Studies hebben aangetoond dat bijvoorbeeld bij orgaantransplantaties het overschakelen van een originele cyclosporine naar een generiek een significante verhoging kan veroorzaken van orgaanafstoting, waarbij dan moet worden overgegaan tot een nieuwe transplantatie, met alle risico's en kosten die daaraan verbonden zijn.

Om die reden zijn er landen die official warnings opnemen in hun formularium voor de noodzakelijke voorzichtigheid bij het omschakelen naar andere merken.

Zo hebben zowel het British National Formulary als het Danish Medicines Agency zo een waarschuwing opgenomen voor de omschakeling van cyclosporines.

De regering heeft al verschillende campagnes gevoerd om generieken te promoten. De boodschap daarbij is dat een generiek hetzelfde product is als het origineel geneesmiddel, maar wel goedkoper. Nochtans wordt bij de registratie van generieken wordt de bio-equivalentie enkel getest bij gezonde proefpersonen. Ook de hulpstoffen kunnen bij critical dose drugs een rol spelen bij de biologische beschikbaarheid.

Hierover wil ik de minister dan ook de volgende vragen stellen. Zijn er nog onderzoeken gedaan naar de bio-equivalentie en therapeutische equivalentie en de veiligheid van generieken? Zijn er geneesmiddelen waarvoor met het oog op de gezondheid van de patiŽnt, een speciale waarschuwing naar het medisch korps over de risico's bij omschakeling verantwoord is? Worden er bij de registratie van generieken voorwaarden gesteld aan de hulpstoffen of wordt onderzoek gedaan naar eventuele interferentie van die hulpstoffen? Is dat niet noodzakelijk voor een aantal kwetsbare patiŽntengroepen zoals bijvoorbeeld transplantatiepatiŽnten? Kan hierover een advies worden gevraagd aan de Nationale Raad voor Transplantatie?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Alle geneesmiddelen die in de handel worden gebracht, voldoen aan dezelfde wetenschappelijke normen, zowel generieken als originelen. Ze worden goedgekeurd volgens de gecentraliseerde of de wederzijdse erkenningsprocedure, de gedecentraliseerde of de nationale procedure. De experts van de verschillende betrokken instanties evalueren de veiligheid, doelmatigheid en kwaliteit van de geneesmiddelen op grond van de wetenschappelijke gegevens van de firma en steunen hierbij op Europese wetenschappelijke normen. Die normen zijn opgenomen in de richtsnoeren uitgevaardigd door de verschillende werkgroepen van het Europees Geneesmiddelenagentschap.

De aanbevelingen over de bio-equivalentie en de therapeutische equivalentie staan in het document Note for Guidance on the Investigation of Bioequivalence and Bioavailability. Dit document wordt besproken en geregeld bijgewerkt door de relevante werkgroepen van het Europees Agentschap om de interpretatie van de aanbevelingen in alle lidstaten op een lijn te brengen. Er wordt ook rekening gehouden met de wetenschappelijke ontwikkelingen op dit vlak en met internationale contacten, meer bepaald met de Amerikaanse FDA en de Canadese instanties.

De veiligheid van generieke middelen wordt in bio-equivalentiestudies getest op vrijwilligers, ervan uitgaande dat het gaat om een welbekende molecule waarvan het innoverende bedrijf al jaren geleden heeft aangetoond dat ze onschadelijk is. De eigenlijke bio-equivalentie, namelijk de doeltreffendheid en veiligheid, van generieke geneesmiddelen met een smalle therapeutische marge wordt gecontroleerd volgens aangepaste, strikte en strenge criteria die de andere geneesmiddelen doelmatigheid, veiligheid en een evenwaardige kwaliteit garanderen.

Zoals in de Folia Pharmacotherapeutica van februari 2006 stond, zijn originele specialiteiten, generieken en kopieŽn met eenzelfde sterkte en eenzelfde farmaceutische vorm in vele gevallen zonder problemen onderling uitwisselbaar. Toch zijn er situaties waarbij overschakelen van de ene specialiteit naar de andere beter niet gebeurt, of voorzichtig moet gebeuren. Voor geneesmiddelen met een smalle therapeutisch-toxische marge en voor geneesmiddelen met een niet-lineaire kinetiek kan zelfs een kleine wijziging in de plasmaconcentratie aanleiding geven tot grote veranderingen in de doeltreffendheid en de bijwerkingen. Voor zulke geneesmiddelen is het veiliger niet over te schakelen van de ene specialiteit naar de andere, ongeacht of het een originele specialiteit, een generiek of een kopie betreft. Indien toch wordt overgeschakeld, moet de patiŽnt tijdens de overgangsperiode van nabij worden gevolgd en moet de dosis eventueel worden aangepast. Bij het starten van een behandeling bestaat dit probleem vanzelfsprekend niet.

Er moet bovendien op worden gewezen dat bij sommige patiŽnten het overstappen van een product waarin een bepaald excipiens ontbreekt, naar een merkgeneesmiddel dat dit wel bevat ook problemen kan veroorzaken. Het gaat dan bijvoorbeeld om overgevoeligheid voor een bepaald bewaarmiddel of een kleurstof, problemen veroorzaakt door aspartaam bij patiŽnten met fenylketonurie. De vulmiddelen staan steeds in de bijsluiter.

De invloed van veelgebruikte excipientia op de darmabsorptie en -permeabiliteit wordt door talloze onderzoeksgroepen bestudeerd, onder meer door de Biopharmaceutics Classification System Working Group van de FDA. Sommige excipientia kunnen inderdaad de absorptie van het geneesmiddel beÔnvloeden. Indien de bio-equivalentie tussen twee medicamenten is bewezen, betekent dit dat ze tot dezelfde concentraties in het organisme leiden. Met andere woorden, hun biologische beschikbaarheid, en bijgevolg hun absorptie, is gelijk en wordt niet beÔnvloed door de vulmiddelen.

Interne experts belast met het evalueren van geneesmiddelen werken samen met externe deskundigen, hoogleraars en andere Belgische of buitenlandse wetenschappers om relevante adviezen te verstrekken over de kwaliteit, de doeltreffendheid en de veiligheid van geneesmiddelen. Samenwerking met en overleg tussen de instanties van Volksgezondheid en de leden van de Nationale Transplantatieraad kan er inderdaad toe bijdragen dat wordt geanticipeerd op de vragen van voorschrijvers van generische immunosuppressors voordat die middelen verkrijgbaar zijn.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Ik stel vast dat de minister voor een deel mijn bezorgdheid deelt. Vooral bij kwetsbare groepen, transplantatiepatiŽnten met immunosuppressie, is voorzichtigheid geboden. Bij een omschakeling van het ene geneesmiddel naar het andere kunnen kleine wijzigingen ernstige gevolgen hebben.

Mijn concrete vraag of dat niet op een of andere manier aan de zorgverleners moet worden meegedeeld, werd evenwel niet beantwoord. Ik zal die vraag dus opnieuw moeten stellen.

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęhet voorkomen van MRSA-infecties bij varkensĽ (nr. 3-2041)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Uit Nederlands onderzoek is gebleken dat varkens in Nederland massaal besmet zijn met de ziekenhuisbacterie, MRSA (Meticilline-resistente Staphylococcus aureus). Wellicht heeft dat iets te maken met het gebruik van antibiotica in veevoeders. Ik heb de voorgangers van minister daarover vaak geÔnterpelleerd.

Ook in ons land zou de besmetting voorkomen.

Er zijn heel wat vragen over de gevolgen voor de mensen. Volgens het FAVV zou het eten van vlees van besmette varkens geen problemen opleveren voor de gezondheid van de consument. Mensen die intensief met besmette varkens in contact komen kunnen wel besmet raken. In West-Vlaanderen zou een slachter besmet zijn.

1. Is er al onderzoek gebeurd naar de besmetting van onze varkensveestapel?

2. Welke zijn de mogelijke oorzaken van die besmetting?

3. Zullen er maatregelen genomen worden ten aanzien van de varkensboeren en de slachters?

4. Welke garanties zijn er dat de bacterie niet wordt doorgegeven door consumptie van varkensvlees?

5. Moet de aanpak van MRSA in ziekenhuizen worden aangepast?

6. Bij vroegere vragen en interpellaties, ook aan de voorgangers van de minister, hebben we steeds gewezen op de gevaren van het gebruik van antibiotica in veevoeder als groeibevorderaar. Dat kan tot resistentie leiden, niet alleen tegen antibiotica voor dierenziekten, maar kan ook kruisresistentie veroorzaken bij de mens. Een verbod op het gebruik van antibiotica als groeibevorderaar werd in het verleden om economische en ecologische redenen - het remt de mestproductie af - niet opportuun geacht. Dergelijke beslissing kan alleen op Europees vlak worden genomen.

Wat is de houding van BelgiŽ?

Hoe evolueert het standpunt van Europa?

Moet het feit dat MRSA-besmetting is vastgesteld niet worden aangegrepen om de gezondheid van mens en dier voorrang te geven op kortetermijnbelangen op economisch vlak?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.

Ik ben op de hoogte van deze problematiek en mij ten zeerste bewust van de mogelijke implicaties voor de volksgezondheid en de veterinaire sector. Daarom heb ik op 10 januari een vergadering belegd met vertegenwoordigers van het Belgian Antibiotic Policy Coordination Committee, (BAPCOC), het Federaal Platform voor ziekenhuishygiŽne, het Wetenschappelijk Instituut volksgezondheid, het Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en Agrochemie (CODA), het referentielaboratorium voor MRSA, het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (FAVV) en de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leef milieu. Tijdens deze vergadering werden concrete afspraken gemaakt.

Ten eerste zal de Hoge Gezondheidsraad gevraagd worden aanbevelingen te doen ten behoeve van ziekenhuizen en huisartsen omtrent de aanpak van patiŽnten uit deze risicogroep - varkenshouders, slachters, slagers, dierenartsen en hun directe omgeving - bij wie infecties vastgesteld worden die te wijten kunnen zijn aan Staphylococcus aureus.

Ten tweede zal op korte termijn een studie worden opgezet om de prevalentie van MRSA-dragerschap na te gaan bij bovenvermelde risicogroep, maar ook bij de varkens zelf. Op basis van de bevindingen van deze studie zal de verdere aanpak van het probleem bepaald worden. Een belangrijke kwestie hierbij is inderdaad de vraag of de ziekenhuizen moeten worden aangemoedigd om bij opname van een risicopatiŽnt systematisch te screenen naar MRSA-dragerschap. Zoals reeds aangegeven wil ik snel werk maken van aanbevelingen van de Hoge Gezondheidsraad ten behoeve van ziekenhuizen en huisartsen omtrent de aanpak van patiŽnten uit deze risicogroep. Op basis van een verdere analyse van de omvang van het probleem, zowel bij mens als dier, zullen dan de nodige bijkomende maatregelen genomen worden, zoals het verstrengen van de systematische MRSA-screening bij opname in het ziekenhuis.

Ik wijs erop dat deze bijkomende maatregelen geŽnt worden op de reeds bestaande initiatieven. Ik verwijs bijvoorbeeld naar de geplande versterking van de ziekenhuishygiŽneteams, de campagnes rond handhygiŽne en de werking van de antibiotherapiebeleidsgroepen in onze ziekenhuizen. Zoals reeds vermeld, wil ik werk maken van een studie om de prevalentie van MRSA-dragerschap na te gaan en dit zowel bij de varkens als bij de mensen die beroepshalve in contact komen met deze dieren. Er wordt momenteel reeds gewerkt aan het protocol voor deze studie.

In 2003 werd door Europa verordening 1831/2003 uitgevaardigd die van 1 januari 2006 af het gebruik van groeibevorderende antimicrobiŽle middelen in de veevoeding verbiedt. Om tot een volledig beeld van de antibioticaresistentie in BelgiŽ te komen, is het onontbeerlijk de resistentie zowel bij dieren als bij mensen te bekijken. Beide biotopen zijn immers sterk met elkaar verbonden, met als sterkste link het door de mens geconsumeerde voedsel van dierlijke oorsprong.

Het was dus belangrijk een structuur te creŽren om een beter zicht op de antibioticatherapie te krijgen. De bedoeling is dus de dierengezondheid te optimaliseren met een gericht gebruik van antibiotica.

De voornaamste doelstellingen van de BAPCOC-werkgroep Diergeneeskunde zijn het in kaart brengen van de antibioticaresistentie bij kiemen van dierlijke oorsprong. Meer informatie hierover is te vinden op de website van BAPCOC.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Het ontgoochelt me dat we zo weinig zicht krijgen op de situatie van onze varkensveestapel. Komt antibioticaresistentie bij ons voor? Nederland geeft wel cijfers over de besmetting. In BelgiŽ is alleen bij toeval een besmette slager ontdekt. En dus weten we totaal niet in hoeverre onze veestapel is aangetast. Dat is nochtans de eerste vraag die we moeten stellen. Alle andere volgen hieruit, ook al heeft de minister uit voorzorg terecht alle betrokkenen rond de tafel bijeengebracht.

Het gaat natuurlijk wel heel ver als we alle mensen die beroepshalve met varkens in aanraking komen, zoals slachters en kwekers, per definitie als risicopatiŽnten gaan behandelen als ze in een ziekenhuis worden opgenomen. Men kan dat doen, als cijfermatig is bewezen dat ze een risico vormen. Wat dat betreft is het echter nog wachten op cijfers over de besmetting van onze varkensveestapel.

Het is goed dat de minister initiatieven aankondigt om de zaak op de voet te volgen. Minister Demotte is enkele jaren geleden naar Canada geweest om er te gaan kijken hoe die ziekenhuisbacterie er wordt bestreden. Het probleem doet zich in ziekenhuizen overal ter wereld voor. Door de resistentie dreigt het gevaar dat kwetsbare patiŽnten niet meer kunnen worden geholpen. Dat probleem zal in slechte zin evolueren als we niet veel doelmatiger met antibiotica omgaan. Ik ondersteun de acties van de minister die gericht zijn naar alle groepen die antibiotica voorschrijven en toedienen. Helaas bestaan er nog altijd circuits die al die goede raad proberen te omzeilen.

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde ballonkyfoplastieĽ (nr. 3-2042)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Op vroegere vragen in verband met de terugbetaling van ballonkyfoplastie bevestigde de minister dat er al in april 2002 een terugbetalingsdossier werd ingediend. Ballonkyfoplastie is het inbrengen van een ballonnetje tussen wervelschijven die ingedeukt zijn door slijtage of door een accident. Vervolgens wordt een soort cement ingespoten waardoor de wervels terug uit elkaar gaan en aan de pijn wordt verholpen.

Tijdens de vergadering van het Verzekeringscomitť van 19 december 2005 werd een voorstel tot wijziging van de nomenclatuur voor terugbetaling van het materiaal goedgekeurd, onder voorbehoud van goedkeuring van het voorstel tot invoering van een nieuw nomenclatuurnummer voor de medische akte, dus voor de plaatsing van het materiaal.

Dit voorstel werd reeds goedgekeurd door de Technisch Geneeskundige Raad en zou nog onderzocht worden door de Nationale Commissie Geneesheren-Ziekenfondsen.

De minister verwees in zijn antwoord op mijn vraag naar een studie van het Federaal Kenniscentrum terzake, waarvan hij de resultaten wou afwachten alvorens over de voorstellen tot terugbetaling definitief te beslissen.

Het Kenniscentrum stelde in het rapport over de nieuwe technologieŽn voor de behandeling van lage rugpijn dat wetenschappelijke studies aantonen dat ballonkyfoplastie voordelen heeft ten opzichte van niet-chirurgische behandeling. Ze biedt volgens het kenniscentrum een verhoogde levenskwaliteit met minder pijn en meer beweeglijkheid, althans voor het eerste jaar, en is relatief veilig. De kostprijs voor deze technologie zou voor BelgiŽ geschat zijn op 2,8 miljoen euro. Over andere technieken maakt het KCE een aantal opmerkingen inzake complicaties en werkzaamheid.

Het kenniscentrum heeft dus bevestigd dat ballonkyfoplastie een zinvolle therapie is. De kostprijs kan gedeeltelijk worden gerecupereerd door de patiŽnten een betere levenskwaliteit te bieden en ervoor te zorgen dat ze bijvoorbeeld productief kunnen blijven. Het gezondheidseconomisch denken wordt niet altijd mede in rekening gebracht.

Welke conclusies trekt de minister uit deze studie?

Zal op basis daarvan de voorziene nomenclatuur worden goedgekeurd en in een terugbetaling worden voorzien?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.

Uit de beleidsaanbevelingen van het Kenniscentrum betreffende ballonkyfoplastie kan ik concluderen dat het mogelijk zinvol is om voor die techniek onder duidelijke criteria in terugbetaling te voorzien.

Preliminaire studies tonen inderdaad aan dat die behandeling de pijn bij patiŽnten met niet-traumatische wervelindeukingsfracturen vermindert.

De Technische Raad Implantaten heeft een gunstig advies uitgebracht voor de tegemoetkoming in de kosten van medisch materiaal. Eind deze maand is er een gemeenschappelijke werkgroep tussen de Technische Raad Implantaten en de Werkgroep Heelkunde van de Technisch Geneeskundige Raad gepland. Nadien moeten de voorstellen nog besproken worden in de Commissie Artsen-Ziekenfondsen.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Het antwoord geeft me een beetje hoop, maar intussen weet ik ook al hoe lang de weg is die van een principiŽle beslissing naar een daadwerkelijke terugbetaling loopt.

Ik hoor dat de minister het mogelijk zinvol vindt om in de kosten van de behandeling tegemoet te komen. Er moeten dus nog een aantal stappen worden gedaan.

Ik kan er alleen bij de minister op aandringen om die stappen zo snel mogelijk te doen. Sommige patiŽnten kunnen de techniek betalen, anderen met een bescheiden inkomen zitten te wachten tot de techniek wordt terugbetaald en lijden intussen pijn. De minister mag daarvoor niet ongevoelig blijven en moet ervoor zorgen dat de terugbetaling snel wordt geregeld.

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Mobiliteit over ęde veiligheid van de zwakke weggebruikersĽ (nr. 3-2030)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Berni Collas (MR). - In de wintermaanden, wanneer de zichtbaarheid beperkt is, staan de zwakke weggebruikers aan grotere gevaren bloot dan de andere.

Toch zijn er verschillende manieren om de risico's te beperken, zoals het dragen van een fluojasje, een lichtje of een fluoband.

De zwakke weggebruikers beseffen vaak niet welke risico's ze lopen, vooral op slecht verlichte wegen, en ze dragen geen beschermende uitrusting.

Met welke maatregelen of campagnes kan de regering zowel de automobilisten als de zwakke weggebruikers sensibiliseren voor de veiligheid van de zwakke weggebruikers?

Is het niet raadzaam om de zwakke weggebruikers te verplichten in het donker een fluojasje te dragen om de verkeersveiligheid te verbeteren?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid speelt een belangrijke rol in de communicatie met de bevolking. Het voert elk jaar verschillende campagnes inzake de veiligheid van de zwakke weggebruikers.

Hiervoor maakt het BIVV gebruik van grote affiches langs de autowegen, brochures voor het grote publiek, brochures voor de professionele weggebruikers, didactisch materiaal enzovoort.

Op de website van het BIVV staat een catalogus met alle materiaal dat het instituut verspreidt. Het is meestal gratis of zeer goedkoop; iedereen kan het dus aanschaffen.

Het BIVV is ook verantwoordelijk voor de `ikbenvoor.be'-campagne die het grote publiek wil motiveren en mobiliseren om alle acties inzake verkeersveiligheid actief te steunen.

De zwakke weggebruikers zijn vaak niet voldoende zichtbaar. Een fluojasje of andere fluohulpmiddelen op de kleding kunnen zeer nuttig zijn om de zichtbaarheid op de openbare weg te vergroten.

Samen met het instituut worden regelmatig campagnes gevoerd om de weggebruikers te informeren over de noodzaak om in het verkeer zichtbaar te zijn.

Ik ben er geen voorstander van om de zwakke weggebruikers te verplichten in het donker een fluojasje te dragen. Het lijkt me beter hen te wijzen op maatregelen die hen beter zichtbaar kunnen maken in het verkeer in plaats van verplichtingen op te leggen die het leven moeilijker maken en controles nodig maken. De zwakke weggebruikers moeten vooral door bewustmaking worden overtuigd om hun gedrag aan te passen. We kunnen niet alles reglementeren.

De heer Berni Collas (MR). - Ik vind het goed dat het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid inspanningen doet om de verkeersveiligheid van de zwakke weggebruikers te verbeteren.

Vooral in de wintermaanden, wanneer de zichtbaarheid beperkt is, worden we gewezen op de gevaren in het verkeer. Een automobilist kan soms opeens een fietser of een voetganger voor zijn voertuig zien opduiken. Een ander punt is de fietshelm. Onlangs viel een meisje door een mechanisch probleem van haar fiets. Ze droeg geen helm en moest per helikopter naar het ziekenhuis worden gebracht. Ik vroeg me dan ook af of het dragen van de fietshelm niet moet worden verplicht. Dat moet worden bekeken, ook al kan niet alles worden gereglementeerd.

Ik leid uit het antwoord van de minister af dat het dragen van een fluojasje wordt aangeraden, maar niet verplicht is. We kunnen het publiek hoogstens sensibiliseren. Uiteindelijk moeten de weggebruikers kiezen.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Voorzover ik heb begrepen, moeten autobestuurders vanaf 1 februari een fluojasje in hun wagen hebben. Misschien kan de heer Collas de minister vragen wat het verschil tussen beide situaties is.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 25 januari 2007 om 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de geschillen inzake de toewijzing, de herziening en de weigering van de materiŽle hulp; Stuk 3-1939/1 tot 4.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 6 april 1995 betreffende de voorkoming van verontreiniging van de zee door schepen met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet; Stuk 3-1943/1 en 2. (Pro memorie)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, wat de gerechtelijke procedures betreft; Stuk 3-1959/1 en 2. (Pro memorie)

Vanaf 17 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Vragen om uitleg:

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats op donderdag 25 januari 2007 om 15.00 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 18.50 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de heren Vandenberghe, Van den Brande en Wille, in het buitenland, mevrouw Jansegers en de heer Wilmots, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 168 van het Gerechtelijk Wetboek, houdende de organisatie van het secretariaat van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie (van de heer Hugo Vandenberghe; Stuk 3-2021/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel betreffende het commercialiseren van menselijke weefsels en cellen (van mevrouw Myriam Vanlerberghe; Stuk 3-2017/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot opheffing van artikel 60, ß2, vierde lid, van de gecoŲrdineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, teneinde de discriminatie op grond van leeftijd wat de benoeming van de leden van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht betreft af te schaffen (van de heer Joris Van Hauthem; Stuk 3-2019/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen, teneinde criteria in te voeren waaraan een tegensprekelijk debat tussen de kamers van de erkenningscommissies van geneesheren-specialisten en de Hoge Raad moet voldoen (van de heer Jacques Brotchi; Stuk 3-2020/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Voorstellen van resolutie

Voorstel van resolutie om het veralgemeend gebruik van een ICE-nummer (In Case of Emergency) in het gsm-geheugen te bevorderen (van de heren Flor Koninckx en Ludwig Vandenhove; Stuk 3-2011/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie betreffende eerlijke handel (van de heer Pierre Galand c.s.; Stuk 3-2016/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Voorstel van resolutie tot uitbreiding van de regeling van het klein verlet teneinde de discriminaties op dit vlak tussen de erkende godsdiensten weg te werken (van mevrouw Fatma Pehlivan; Stuk 3-2018/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie betreffende de onafhankelijke toegang van Europa tot de ruimte (van de heer FranÁois Roelants du Vivier c.s.; Stuk 3-2023/1).

-Verzonden naar de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Evocatie

De Senaat heeft bij boodschap van 16 januari 2006 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:

Wetsontwerp tot vaststelling van het statuut van de militairen van het actief kader van de Krijgsmacht (Stuk 3-2014/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Niet-evocaties

Bij boodschappen van 13 en 16 januari 2007 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, de volgende niet geŽvoceerde wetsontwerpen:

Wetsontwerp betreffende de bijdrage van BelgiŽ aan de veertiende wedersamenstelling van de werkmiddelen van de Internationale Ontwikkelingsassociatie (Stuk 3-1996/1).

Wetsontwerp tot bestraffing van graffiti en van beschadiging van onroerende eigendommen en tot wijziging van de nieuwe gemeentewet (Stuk 3-1998/1).

Wetsontwerp tot bekrachtiging van het koninklijk besluit van 13 december 2005 tot wijziging, wat De Post betreft, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven (Stuk 3-1999/1).

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen (Stuk 3-2007/1).

Voor kennisgeving aangenomen.

Boodschap van de Kamer

Bij boodschap van 11 januari 2007 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals het ter vergadering van dezelfde dag werd aangenomen:

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging, wat de regeling van het erfrecht van de langstlevende wettelijk samenwonende betreft, van het Burgerlijk Wetboek en van de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuÔteit (Stuk 3-2015/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 12 januari 2007; de uiterste datum voor evocatie is maandag 29 januari 2007.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - PrejudiciŽle vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Belgisch-Kongolees fonds voor delging en beheer

Bij brief van 16 januari 2007 heeft de voorzitter van het Belgisch-Kongolees Fonds voor delging en beheer, overeenkomstig artikel 2 van de wet van 8 september 1983 aan de Senaat overgezonden het jaarverslag van het Belgisch-Kongolees Fonds voor delging en beheer voor 2005-2006.

-Verzonden naar de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden.