2-262

2-262

Belgische Senaat

2-262

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 16 JANUARI 2003 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Overlijden van oud-senatoren

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer Johan Malcorps aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «het gebruik van houtverduurzamingsmiddelen die arseen bevatten voor het vervaardigen van speeltuigen» (nr. 2-937)

Wetsontwerp tot wijziging van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wat de personen betreft die activiteiten mogen verrichten in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap (Stuk 2-1196) (Evocatieprocedure)

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Stemmingen

Vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de fusie van de oproepnummers 100 en 101» (nr. 2-936)

Vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «de terugbetaling van interferon in het kader van multiple sclerose» (nr. 2-929)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Justitie over «de juridische bijstand» (nr. 2-934)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Overlijden van oud-senatoren

De voorzitter. - De Senaat heeft met groot leedwezen kennis gekregen van het overlijden van:

Uw voorzitter betuigt het rouwbeklag van de vergadering aan de familie van onze betreurde gewezen medeleden.

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Sfia Bouarfa aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de beveiliging van paspoorten in de Belgische diplomatieke posten in het buitenland» (nr. 2-1198)

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Midden december 2002 werden er in het Griekse consulaat in Brussel 18.000 paspoorten en genummerde etiketten voor Schengenvisa gestolen. Dergelijke diefstallen gaan alle lidstaten van de Schengenruimte aan. Hoe is de situatie in de Belgische ambassades en consulaten in het buitenland?

De huidige internationale context leert ons dat er wel degelijk Belgische paspoorten gestolen worden voor minder eerlijke doeleinden. Kijk maar naar de moordenaars van commandant Massoud in Afghanistan die in het bezit waren van gestolen Belgische paspoorten.

Mijnheer de minister, een klein jaar geleden hebt u ons, in antwoord op een vraag van mevrouw Willame, meegedeeld dat er een systeem zou worden ingevoerd waarbij onvervalsbare paspoorten zouden kunnen worden gemaakt en de Belgische diplomatieke posten zouden worden beveiligd. U legde ook de nadruk op de termijn voor de invoering van dit nieuwe systeem, vooral door de kostprijs ervan.

Werden die beveiligings- en beschermingsmaatregelen voor de paspoorten in de Belgische diplomatieke posten genomen en/of versterkt? Bestaan er tussen de lidstaten van de Schengenruimte waarschuwingsprocedures wanneer paspoorten worden gestolen in een diplomatieke post van een van de lidstaten?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - De gecentraliseerde uitreiking van paspoorten voor Belgen in het buitenland is gerealiseerd. In de Belgische diplomatieke posten kan geen enkel paspoort nog met de hand worden ingevuld. Iedere aanvraag passeert langs Brussel. Een privé-firma brengt op een hoogtechnologische wijze de persoonlijke gegevens aan in de blanco boekjes.

Sedert de invoering van dit gesofistikeerd paspoort werd geen enkele vervalsing meer vastgesteld. In de diplomatieke en consulaire posten wordt trouwens geen enkel blanco document meer bewaard. Bij diefstal van een Belgisch paspoort wordt de Belgische federale politie op de hoogte gebracht en treedt het waarschuwingssysteem in werking. Niet alle lidstaten van de Schengenruimte volgen dezelfde procedure, maar het eindresultaat is hetzelfde.

Mondelinge vraag van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de oorlog in Irak en de Belgische directe en indirecte steun» (nr. 2-1205)

Mondelinge vraag van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de minister van Landsverdediging over «de Amerikaanse wapentransporten via België» (nr. 2-1204)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Deze week werd bekend dat ons land door de Verenigde Staten wordt gebruikt als transitland voor de militaire opbouw in de Golf. De Belgische regering werd bovendien zowel direct door de VS-ambassadeur in een bilaterale demarche als indirect in het kader van de NAVO gevraagd of en hoe ons land zal bijdragen aan een mogelijke actie tegen Irak.

Kan het transport via de haven van Antwerpen in de huidige omstandigheden als een routinetransport worden beschouwd? Is dat het unanieme standpunt van de regering? Dient een transport met een omvangrijk contingent soldaten en veel bijhorend materieel niet veeleer te worden beschouwd als een uitzonderlijk transport, zeker gelet op het feit dat volgens de verklaring van minister Flahaut de regering pas vorige donderdag werd geïnformeerd? Indien de regering meent dat het een uitzonderlijk transport betreft, heeft ze dit na beraadslaging bij consensus aanvaard? Wat is de concrete verdragsrechtelijke bepaling waarop ze dit transport legitimeert?

Welke concrete verdragsrechtelijke bepaling bepaalt dat een toestemming van de federale regering voor uitzonderlijk transport niet nodig is, zoals minister Flahaut beweert? Gelden de NAVO-verdragen niet enkel voor de bevoorrading van de NAVO-troepen en dus niet voor de voorbereiding van een VS-oorlog? Welke vragen werden rechtstreeks door de VS en via de NAVO gesteld in verband met steun aan een mogelijke oorlog?

Werd of wordt op deze vragen een antwoord geformuleerd? In welke zin heeft de regering geantwoord of zal zij antwoorden? Werd over deze vragen reeds overleg gepleegd binnen de regering? Heeft de regering overleg gepleegd over de verklaring die België onderschreef op de NAVO-top te Praag op 21 november 2002 inzake de solidariteit onder de bondgenoten van de NAVO? Waren alle regeringspartijen het ermee eens?

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik wil beginnen met een boutade. Het is bizar dat de vredesbeweging, die al decennia aandringt op het terugtrekken van troepen en materieel uit Europa, het er moeilijk mee heeft dat dit nu gebeurd. Het probleem is natuurlijk dat dit materieel niet naar de Verenigde Staten wordt getransporteerd, maar naar een ander deel van de wereld. De VS hebben veel militair materieel in Europa opgeslagen onder de noemer Army War Reserve 2. De Antwerpse haven dient als belangrijk transportknooppunt voor de doorvoer van dit en ook ander militair materieel van het Amerikaanse leger.

Welk Amerikaans militair materieel werd in 2002 en 2003 via de Antwerpse haven getransporteerd? Wat is de procedure voor dergelijke transporten. Welke civiele en militaire autoriteiten worden verwittigd en welke informatie krijgen ze over het transport? Vallen deze transporten binnen het NAVO-kader? Welke NAVO-overeenkomsten en welke bilaterale overeenkomsten met de Verenigde Staten hebben hierop betrekking? Kent de Belgische regering de bestemming van deze transporten en kan ze de doorgang weigeren? Welke logistieke ondersteuning leveren de Belgische militaire en civiele autoriteiten voor die trantsporten en wie draagt de financiële verantwoordelijkheid?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Het transport via de haven van Antwerpen wordt geregeld door de bestaande wetten en akkoorden. Die bevatten een flexibele procedure voor het overbrengen van troepen en materieel. Concreet vormt artikel 185 van de Grondwet de wettelijke basis voor de transit van NAVO-troepen. Dit artikel is ook de wettelijke basis voor de aanwezigheid van vreemde troepen op het Belgische grondgebied. Ik citeer: "Vreemde troepen mogen niet dan krachtens een wet tot de dienst van de Staat worden toegelaten, het grondgebied bezetten of er doorheen trekken."

De wet van 11 april 1965, die steunt op artikel 185 van de Grondwet, laat de transit en het verblijf van troepen van de NAVO-landen op het Belgische grondgebied toe. Ik citeer: "De troepen van de staten met België door het Noord-Atlantisch Verdrag verbonden mogen het nationale grondgebied doortrekken of er gestationeerd zijn binnen de grenzen en onder de voorwaarden voor elk geval vastgesteld in met de betrokken regeringen te sluiten uitvoeringsakkoorden."

Het basisakkoord van 1971 tussen België en de Verenigde Staten regelt de voorbereiding en de uitvoering van een Amerikaanse bevoorradingslijn, de lines of communication, in België. Daarnaast bestaan er een hele reeks bilaterale akkoorden en plannen. Hoewel de meeste ervan na het einde van de Koude Oorlog niet meer werden aangepast, blijven de principes en de bedingen ervan gelden.

Het document NATO Principles and Policies for Host Nation Support van 4 september 2000 geeft het kader aan voor steun die bondgenoten moeten bieden aan troepen van geallieerden op hun grondgebied. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen troepenbewegingen in NAVO-verband en bewegingen van troepen van bondgenoten buiten NAVO-verband. NAVO-bondgenoten dienen elkaar dus steun te verlenen bij troepenbewegingen onafhankelijk van het feit of die troepen worden ingezet in het kader van de NAVO of niet.

In het huidige stadium wordt de minister van Landsverdediging door de Amerikanen geïnformeerd. Wij hebben er ons dan ook van verzekerd dat wij in de toekomst regelmatig op de hoogte zullen worden gebracht. Het is niet uitgesloten dat op basis van de verdere informatie zal worden besloten dat wat door België transiteert, niet meer als een standaardtransport kan worden beschouwd. Deze transit gebeurt in het kader van de overbrenging van materieel van het Amerikaanse Europese Commando naar het Centrale Commando.

Inzake Irak hebben de NAVO-landen op de Top van Praag van 21 november 2002 in een politieke verklaring hun verbintenis bevestigd de tenuitvoerlegging van resolutie 1441 van de VN-Veiligheidsraad ten volle te steunen. Daarnaast werd Irak opgeroepen zich integraal en onmiddellijk te schikken naar deze resolutie. De politieke verklaring, die de nadruk legt op de tenuitvoerlegging van resolutie 1441, werd door de regeringspartijen onderschreven. Op 15 januari hebben de VS een verzoek gericht aan de NAVO-raad voor het onderzoeken van de mogelijke rol van de NAVO in Irak. Het betreft een verzoek om de NAVO-militairen toe te laten een voorzichtige planning te beginnen. Deze vraag wordt momenteel door ons bestudeerd. Ik wijs er op dat onze ambassadeur, daarin gevolgd door enkele van zijn collega's, onmiddellijk in de vergadering heeft opgemerkt dat tijd nodig was om de implicaties van deze vraag te bekijken. Ik wens alleszins te vermijden dat met dit verzoek de indruk wordt gewekt dat er inzake Irak nog slechts één spoor bestaat, namelijk het militaire.

Aan de heer Vankrunkelsven kan ik antwoorden dat er geregeld routinetransporten van diverse types van militair materieel zijn vanuit Europa naar de VS en andere bestemmingen en omgekeerd. In 2002 ging het onder andere om helikopters, tanks, gepantserde voertuigen, houwitsers, vrachtwagens en divers materieel. Het transport dat deze week in de actualiteit staat, betreft het materieel van een geniebataljon. In het kader van de concrete aanvragen van de Amerikanen, worden in de mate van het mogelijke de nodige militaire middelen ingezet om aan hun behoeften te voldoen. De inzet van de middelen van de burgerautoriteiten wordt meestal, hetzij door de burgerfirma's, hetzij door de Amerikaanse ambassades, rechtstreeks geregeld.

Voor kleine militaire transporten worden in principe geen specifieke maatregelen genomen. Voor grote operaties, bewegingen van rupsvoertuigen over de weg, escortes van zeer belangrijke personen, uitzonderlijk vervoer of een situatie waarin sprake is van dreiging, kan in een escorte van militaire politie worden voorzien. Het Amerikaanse leger kan vragen dat er veiligheidsmaatregelen worden genomen tijdens zijn activiteiten. Dit is in eerste instantie de bevoegdheid van de federale politie. Deze aanvraag wordt dan aan het coördinatie- en crisiscentrum van de regering overgemaakt. Eventueel kunnen Belgische militaire middelen worden ingezet of zelfs burgerfirma's.

Defensie factureert de kosten in een NAVO-factuur aan het Amerikaanse leger. Militaire politie-escortes en takeldiensten worden niet aangerekend. Defensie is nooit tussenpersoon voor het inhuren van diensten door derden in het voordeel van het Amerikaanse leger.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de minister omdat hij meerdere bronnen heeft aangeduid die duidelijkheid kunnen verschaffen. Rekening houdend met de huidige internationale context, ben ik er helemaal niet zeker van dat het om een routineoperatie gaat. Ik dring er op aan dat de Senaat binnenkort over deze belangrijke kwestie debatteert.

De voorzitter. - Mijnheer Vandenberghe, u hebt gelijk. Volgende week of de week daarna zal er in de Senaat gedebatteerd worden over de grond van de zaak en over de houding van België tegenover de Iraakse crisis.

Mondelinge vraag van de heer François Roelants du Vivier aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de manier waarop de Belgen die in het buitenland verblijven, zich moeten inschrijven om hun stem te kunnen uitbrengen bij de volgende federale parlementsverkiezingen» (nr. 2-1207)

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Ik wens ten eerste te benadrukken hoezeer ik apprecieer dat de in het buitenland verblijvende Belgen dankzij de nieuwe wetgeving gemakkelijker dan vroeger hun stem zullen kunnen uitbrengen. Met mijn vraag beoog ik de procedure nog te verbeteren.

Op de website van het ministerie van Buitenlandse Zaken lezen we: "Elke meerderjarige Belg (+18 jaar) die in het buitenland woont, niet uit het kiesrecht is ontzet en in de bevolkingsregisters van een ambassade of beroepsconsulaat is ingeschreven, wordt opgeroepen als kiezer voor de komende federale parlementsverkiezingen." Men vindt er ook de te volgen procedure.

Het is niet moeilijk om dit formulier te begrijpen en in te vullen, ook al is de term `beroepsconsulaat' niet zo evident. Kon dit niet duidelijker omschreven worden?

Het zou nuttig zijn dat de twee formulieren konden worden gedownload van de website van Buitenlandse Zaken. Er is enerzijds het formulier voor een Belg die pas naar het buitenland is verhuisd en nog niet in de bevolkingsregisters is ingeschreven of een Belg die niet weet of de ambassade of het beroepsconsulaat waarvan hij afhangt, zijn huidig adres kent. Anderzijds is er het bestaande formulier om aan de verkiezingen deel te nemen, dat uitsluitend met de post gestuurd wordt naar de Belgen die ingeschreven zijn in de bevolkingsregisters van een diplomatieke of consulaire post.

De formulieren moeten uiterlijk op 1 maart teruggestuurd zijn. Ik vind het daarom spijtig en een beetje ouderwets dat de in het buitenland verblijvende kiezer het formulier ad hoc met de post moet terugsturen of het persoonlijk op de ambassade of het beroepsconsulaat moet afgeven, eventueel samen met een volmacht.

Ik begrijp dat een fax uitgesloten is omdat er geen wettelijke waarborgen zijn voor de gegevens en handtekening van een dergelijk document. Waarom kan het formulier echter niet met de elektronische post verstuurd worden. Er is immers de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten. Die wet werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 september 2001. Kan de mededeling op de website vóór de uiterste datum van 1 maart in die zin aangevuld worden?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - De vormvoorschriften voor de kiesverrichtingen worden vastgesteld door het Kieswetboek. Elke verrichting niet-conform de regels zou aanleiding kunnen geven tot discussie of controversen over de regelmatigheid van de hele procedure.

De inschrijving op de kieslijsten en de keuze van de kiezer voor de manier van stemmen, en dus het eventuele gebruik van een volmachtsformulier, wordt geregeld door artikel 180bis van het Kieswetboek. Voor de termijn en de aard van het formulier verwijs ik naar §3 van artikel 180bis waarin staat dat de Belg het naar behoren ingevulde en ondertekende formulier persoonlijk afgeeft of per post naar de diplomatieke post stuurt. Aangezien onze ambassades daar niet kunnen van afwijken, voorkomt dit verbod iedere discussie over de regelmatigheid van de inschrijving van de kiezer op de gemeentelijke kieslijsten.

De informatie op de website van mijn departement beoogt de Belgische kiezer in het buitenland zo volledig mogelijk te informeren over zijn rechten. In de wet staat nog niet dat de communicatie met de kiezer elektronisch kan gebeuren. Ik ben bereid om deze suggestie ernstig te onderzoeken. Een specifieke regelgeving lijkt me niet nodig. Er moet aandacht aan besteed worden in het algemeen kader van de communicatie tussen de burger en de overheid.

Bovendien beschikken niet alle kiezers over een PC waarmee ze met de overheid zouden kunnen communiceren en in het buitenland is de internetverbinding niet overal even goed en veilig. Dat is echter geen excuus om het onderwerp niet verder te onderzoeken. Ik geef de bevoegde diensten dus onmiddellijk opdracht om hierover na te denken.

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Ik ken de problemen met betrekking tot het Kieswetboek. Aanleiding tot mijn vraag was onder meer het feit dat vele Belgen in het buitenland meer gebruik maken van de elektronische post dan de burgers in eigen land omdat een e-mail weinig kost. Ik zou blij zijn als er in de eerstvolgende weken een oplossing wordt gevonden.

Mondelinge vraag van de heer Jean Cornil aan de minister van Binnenlandse Zaken over «het getuigschrift van goed gedrag en zeden, model 2» (nr. 2-1199)

De heer Jean Cornil (PS). - De circulaire van 1 juli 2002 over de afgifte van het getuigschrift van goed zedelijk gedrag, model 2, dat noodzakelijk is voor alle beroepen met een rechtstreeks of onrechtstreeks contact met minderjarigen, wordt sedert de maand september toegepast en veroorzaakt moeilijkheden. Ik heb geen kritiek op de handelingen die nodig zijn om pedofiele daden te bestrijden en te voorkomen, maar er werden mij problemen gesignaleerd. Onderwijzers hebben mij verteld dat de nieuwe procedure voorziet in thuisbezoeken, ondervragingen over het privé-leven en zelfs buurtonderzoeken. Mijnheer de minister, meent u dat bepaalde democratische grondrechten, zoals het recht op privacy en het gelijkheidsbeginsel, in die omstandigheden wel degelijk worden gerespecteerd?

Is het aanvaardbaar dat het oordeel over het goed zedelijk gedrag kan afhangen van de willekeur van één enkele persoon, in weerwil van de objectieve gegevens van het strafregister? Wat denkt u over de negatieve vermeldingen op het certificaat van goed zedelijk gedrag, model 2, en over de moeilijkheid om de termijnen te respecteren? De onderwijzers moeten het document immers vóór 31 januari naar de Franstalige Gemeenschap sturen en sommige gemeenten geven het pas af na verloop van ettelijke weken.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen de uittreksels uit het strafregister en het getuigschrift van goed zedelijk gedrag. Het gaat om een systeem dat sedert 1962 van kracht is en waarbij de burgemeester, wanneer hij het nodig acht, een bijkomende appreciatie kan geven. Een veroordeling ingeschreven in het strafregister betekent niet noodzakelijk dat de eerbaarheid van de betrokkene is aangetast en vice versa.

Naar aanleiding van dramatische gebeurtenissen heeft de wetgever in 1997 bijkomende voorzorgen genomen. Op het uittreksel uit het strafregister dat moet worden voorgelegd bij elke kandidaatstelling voor een betrekking met rechtstreeks contact met jongeren - opvoeders, kinderbescherming, enzovoort - moeten meer veroordelingen vermeld worden dan normaal het geval is.

Ingevolge een circulaire van minister Van den Bossche van 1999 diende de korpschef een gemotiveerd advies uit te brengen bij de afgifte van een getuigschrift van goed zedelijk gedrag. Het gemotiveerde advies moest dus uitgebracht worden vóór de afgifte van elk certificaat van dit type.

In mijn circulaire van 1 juli 2002 staat dat dit gemotiveerd advies van de korpschef vereist is wanneer het getuigschrift aangevraagd wordt voor de uitoefening van een activiteit die valt onder opvoeding, psycho-medisch-sociale begeleiding, hulpverlening aan de jeugd, kinderbescherming, animatie of begeleiding van minderjaren (model 2, activiteit met minderjarigen). De circulaire van 1 juli 2002 is een versoepeling.

Zoals ik op 9 januari 2003 in de Kamer zei in antwoord op een vraag van de heer Decroly tijdens het actualiteitsdebat over hetzelfde onderwerp, bepaalt de circulaire van 1 juli 2002 geenszins dat wanneer het gemotiveerd advies van de korpschef vereist is, het moet worden voorafgegaan door een politieonderzoek, met name bij de aanvraag van het getuigschrift om een activiteit uit te oefenen die valt onder de omkadering van minderjarigen.

Het komt de korpschef of de door hem gedelegeerde officier toe om geval per geval te oordelen of een dergelijk onderzoek nodig is. Ik ben mij nochtans wel degelijk bewust van de moeilijkheden die de heer Cornil aanhaalt. Ik weet dat sommige burgers kritiek hebben op de vragen die hen bij een dergelijk onderzoek gesteld worden en die ervaren worden als een schending van het privé-leven.

Men heeft mij een aantal voorbeelden gegeven en ik heb kunnen bevestigen dat ze niets te maken hadden met het voorwerp van de aanvraag. Ik was verbaasd dat deze gegevens opnieuw voorkwamen in het advies van de korpschef en in bepaalde gevallen zelfs werden herhaald door de burgemeester. De huidige tijdsgeest draagt daar natuurlijk ook toe bij. Ik verwijs naar recente processen tegen onderwijzers. Ik neem aan dat de politiediensten enorm veel voorzorgen nemen omdat ze zichzelf willen beschermen. Ze oordelen waarschijnlijk dat het beter is één vraag te veel te stellen dan één te weinig.

Omdat ik weet dat er misbruiken kunnen zijn, heb ik mijn collega van Justitie gevraagd om mij te helpen bij het opstellen van een gemeenschappelijke bijkomende circulaire die de toepassingsbepalingen zou bevatten voor het gemotiveerd advies wanneer het vereist is. Deze circulaire zou vooral objectieve richtlijnen moeten geven voor het verloop van het eventuele politieonderzoek, bijvoorbeeld over het soort vragen dat kan worden gesteld.

Het afschaffen van de enquêtes zou een gemakkelijkheidsoplossing zijn. We moeten ervoor zorgen dat de personen die zich geroepen voelen om een beroep met kinderen uit te oefenen boven alle verdenking staan.

De heer Jean Cornil (PS). - Het verheugt mij dat de minister samen met zijn collega van Justitie in de nabije toekomst een bijkomende circulaire zal opstellen. Ik hoop ook dat de personen die moeilijkheden ondervonden hebben als gevolg van de huidige circulaire, onder de nieuwe richtlijn zullen vallen, met terugwerkende kracht.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik wil nog zeggen dat men nooit mag aarzelen om zijn burgemeester aan te spreken wanneer men vindt dat zijn gedrag of dat van een van zijn agenten te wensen overlaat. Zo nodig kan er altijd een tuchtdossier worden geopend. Het immers niet uitgesloten dat sommigen misbruik maken van hun macht.

Mondelinge vraag van de heer Yves Buysse aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de stand van zaken in het regularisatiedossier» (nr. 2-1200)

De heer Yves Buysse (VL. BLOK). - Volgens het kabinet van de minister zijn in het raam van de regularisatiecampagne 37.093 dossiers aangemaakt. Drie jaar na de start ervan blijkt de hele operatie nog steeds niet te zijn afgerond. Graag had ik dan ook geweten hoeveel dossiers nog moeten worden afgehandeld.

Hoeveel aanvragen werden afgewezen? Wat gebeurde er met de personen van wie de aanvraag werd afgewezen? Hoeveel afgewezenen hebben een bevel gekregen het land te verlaten? Hoeveel van hen werden er gerepatrieerd?

Hoeveel dossiers zijn momenteel nog hangende? Hoeveel zijn er door het parket in beslag genomen wegens een ernstig vermoeden van fraude? Hoeveel ervan behoren tot de categorie van de zogeheten rode dossiers en zijn geblokkeerd omdat tijdens het onderzoek is gebleken dat de betrokken persoon reeds eerder een veroordeling heeft opgelopen van meer dan zes maanden? Wat is de status quæstionis van de resterende dossiers? Wanneer denkt de minister de regularisatieprocedures eindelijk te kunnen afronden?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Met genoegen verstrek ik de door de spreker gevraagde statistieken. Ik beschik overigens over de cijfergegevens die tot en met vandaag werden bijgewerkt.

De Regularisatiecommissie had inderdaad 37.093 dossiers te behandelen. In januari 2000 werden 33.000 aanvragen tot regularisatie ingediend bij de gemeenten maar ongeveer 4.000 vroegere verblijfsaanvragen (artikel 9, 3e lid) werden door de Dienst vreemdelingenzaken eveneens overgemaakt aan de Commissie. Inmiddels zijn 35.970 dossiers definitief afgesloten. In 5.893 dossiers was er een weigering ten gronde, 3.974 dossiers werden geacht zonder voorwerp te zijn en 769 dossiers werden uitgesloten van de gunstmaatregel wegens redenen van openbare orde.

De termijn die mij evenwel werd opgelegd om bij de DVZ het nauwkeurige aantal bevelen om het grondgebied te verlaten en het precieze aantal repatriëringen te bekomen, laat mij niet toe de vragen te beantwoorden. De Dienst overhandigt een bevel het grondgebied te verlaten aan alle personen die werden uitgesloten of die uitgeprocedeerd zijn en geen enkele verblijfstitel meer hebben. De repatriëringen waren nog nooit zo talrijk als de voorbije jaren en betreffen eveneens de uitgeprocedeerden en de uitgeslotenen van de regularisatie. Het aantal hangende dossiers bedraagt 1.136.

Bij dat cijfer wil ik toch enige toelichting geven. Van die 1.136 dossiers werden er nu bijna twee jaar geleden 739 in beslag genomen door het parket van Brussel en dat van Antwerpen wegens fraude bij de aanvraag. In de commissie voor de Justitie werd aan mijn collega Marc Verwilghen een vraag gesteld over de stand van zaken van het gerechtelijk onderzoek betreffende die dossiers. Ik verwijs naar zijn antwoord op die vraag. Begin dit jaar waren er nog 800 zulke dossiers.

Een zestigtal dossiers werd onlangs door de gerechtelijke overheid vrijgegeven. Die dossiers komen bovenop het werk van de Commissie, die ze soms nog volledig moet onderzoeken. Dergelijke dossiers zullen nog gedurende meerdere maanden druppelsgewijs aan de regularisatiecommissie worden toegezonden, naarmate de gerechtelijke procedures vorderen. Het is dus onmogelijk te zeggen op welke datum de regularisatieoperatie zal zijn afgelopen. Dat hangt immers af van beslissingen van de gerechtelijke overheid.

Van de overige dossiers die nog moeten worden behandeld, worden er nog 112 onderzocht door de dienst Vreemdelingenzaken met het oog op een vermoedelijke uitsluiting wegens redenen van openbare orde. Ik ben evenwel voorzichtig op dat punt. Slechts 46 dossiers moeten nog volledig worden behandeld door de regularisatiecommissie. Dat zijn in hoofdzaak de dossiers die de parketten onlangs aan de Commissie hebben toegestuurd. Al de ander dossiers zitten in de pijplijn. Ze zullen worden behandeld zodra Justitie ze vrijgeeft.

Mondelinge vraag van de heer Ludwig Caluwé aan de minister van Binnenlandse Zaken over «het taalgebruik bij facturatie door de brandweer in de gemeente Voeren» (nr. 2-1206)

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Voeren, een eentalig Nederlandstalige gemeente met taalfaciliteiten, behoort tot de vierde brandweerzone van de Franstalige provincie Luik. De facturatie van door de brandweer geleverde prestaties - dat gaat van het opstellen van preventieverslagen tot het opruimen van wespennesten - gebeurt door de gemeente Herve in opdracht van de brandweerzone. De brandweer is een gewestelijke dienst in de zin van de vigerende taalwetgeving. Dit betekent dat, volgens de vigerende taalwet, de correspondentie met het gemeentebestuur van Voeren moet worden gevoerd in de taal van het taalgebied, dus in het Nederlands. Tot particulieren in taalgrensgemeenten, zoals de gemeente Voeren, moeten de diensten zich richten in de taal waarvan de betrokkenen zich hebben bediend of het gebruik hebben gevraagd. Bij gebrek aan een vraag van de betrokkene gebruikt de dienst de taal van het taalgebied, in casu dus het Nederlands.

Dat is de theorie. Wat blijkt nu in de praktijk? In alle bekende facturatie - of het nu gaat over het gemeentebestuur of particulieren - gebruikt de brandweerzone het Frans. Ik geef de minister het voorbeeld van de factuur gestuurd aan de Nederlandstalige muziekharmonie Sint-Cecilia. De facturen worden persoonlijk ondertekend door de burgemeester of de gemeentesecretaris van de gemeente Herve. Nochtans zijn de betrokkenen voldoende op de hoogte van het andersluidende advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht. Dit doet vermoeden dat het gaat om een bewuste provocatie.

Is de minister op de hoogte van de aanhoudende overtredingen van de taalwet door de brandweer in de gemeente Voeren, al dan niet via de gemeente Herve? Welke stappen zal de minister zetten om aan die overtredingen paal en perk te stellen? Vindt de minister het aanvaardbaar dat een burgemeester en zijn secretaris - na herhaaldelijke veroordelingen door de Vaste Commissie voor Taaltoezicht - bewust de taalwet, die van openbare orde is, met voeten blijft treden? Welke tuchtsancties overweegt de minister tegen dergelijke praktijken? Wat zijn de gevolgen van een niet-betaling van facturen door particulieren, die de inhoud van de facturatie niet begrijpen omdat ze in het Frans is opgesteld? Welke stappen zal de minister zetten om te voorkomen dat de burger de dupe wordt van een wetsovertreding door de brandweer?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - De brandweerdienst die de gemeente Voeren bedient, heeft zijn zetel te Herve en bedient ook meerdere andere gemeenten van de provincie Luik. Volgens artikel 32, eerste lid van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken gaat het om een gewestelijke dienst, daar zijn werkkring meer dan één gemeente, maar niet het hele land bestrijkt. Aangezien de werkkring van deze dienst gemeenten uit verschillende taalgebieden, behalve Brussel-Hoofdstad, bestrijkt en zijn zetel niet gevestigd is in een gemeente uit de streek van Malmedy of het Duitse taalgebied, valt hij onder de toepassing van artikel 36 van de vermelde gecoördineerde wetten.

In zijn betrekkingen met de plaatselijke diensten uit zijn ambtsgebied dient hij de taal van het gebied waar de plaatselijke dienst gevestigd is te gebruiken, in dit geval het Nederlands, aangezien de gemeente Voeren in het Nederlandse taalgebied is gelegen. In zijn betrekkingen met particulieren gebruikt hij, volgens artikel 34, paragraaf 1 van de vermelde gecoördineerde wetten, de taal die is opgelegd aan de plaatselijke diensten van de woonplaats van de betrokken particulier, dit wil zeggen de taal waarvan de betrokkenen zich hebben bediend of het gebruik hebben gevraagd. Ik verwijs hiervoor naar artikel 12 derde lid van de vermelde gecoördineerde wetten. Het is mijn bedoeling aan de gouverneur van de provincie waarin de zetel van de betrokken brandweerdienst is gelegen, een verslag over deze materie te laten geworden.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - De minister heeft perfect de vigerende taalwetgeving geschetst en ik kijk uit naar het verslag dat hij van de gouverneur mag verwachten. Ik zal hem daarover te gelegener tijd opnieuw vragen stellen.

Mondelinge vraag van de heer Jacques Devolder aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «de ristorno's op remgelden van terugbetaalde geneesmiddelen» (nr. 2-1197)

De heer Jacques Devolder (VLD). - Een uitspraak op 18 december 2002 van het Hof van Beroep te Gent in een betwisting tussen de Algemene Pharmaceutische Bond, het Koninklijk Oost-Vlaams Apothekersgild, KOVAG, en enkele individuele apothekers, enerzijds, en de CVBA Vooruit Nr. 1 te Gent, anderzijds, maakt duidelijk dat het koninklijk besluit van 29 maart 2002 inzake de verplichte inning van remgeld op terugbetaalde geneesmiddelen niet waterdicht is.

Alhoewel het duidelijk de bedoeling van de wetgever was om geen ristorno's meer toe te kennen op remgelden van terugbetaalde geneesmiddelen en de minister in een schrijven van 23 april 2002 aan de voormelde coöperatie duidelijk stelde dat hij de controlediensten van het RIZIV zal vragen een onderzoek in te stellen met het oog op het nemen van sancties, oordeelde het hof van beroep dat het koninklijk besluit van 29 maart 2002 niet belet dat coöperaties van apothekers nog ristorno's op remgeld verlenen.

Het verbod op ristorno's op remgeld van terugbetaalde geneesmiddelen maakt deel uit van een algemeen akkoord tussen minister Vandenbroucke en het apothekerskorps. Alle andere coöperaties - al dan niet socialistisch - passen het koninklijk besluit correct toe. Graag vernam ik van de minister of hij bereid is op korte termijn een aanvullend besluit te nemen, zodat het wettelijk niet langer mogelijk is ristorno's te geven op remgeld van terugbetaalde geneesmiddelen.

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Het koninklijk besluit van 29 maart 2002 heeft de inning van het remgeld verplicht gemaakt voor magistrale bereidingen, gelijkgestelde producten en vergoedbare farmaceutische specialiteiten, die worden terugbetaald door de ziekteverzekering. De toepassing van deze regel wordt gecontroleerd door de diensten van het RIZIV.

De context van dit besluit was een akkoord met de apothekers om maatregelen te nemen waardoor de onderlinge concurrentie door middel van ristorno's kon stoppen. Ik kon dat enkel doen door de verplichting op te leggen het remgeld effectief te innen, daar de Europese regelgeving ons niet toestaat ristorno's als dusdanig te verbieden. Door de verplichting van inning op te leggen, door een retributie in te stellen en door de afdwingbaarheid van de toepassing van de verplichte inning door het RIZIV, dat sancties kan opleggen bij niet naleving van de bepaling, werd evenwel de facto een situatie gecreëerd die zou leiden tot het stopzetten van de praktijk van ristorno's.

Het arrest van het hof van beroep van 16 december 2002 heeft vastgesteld dat het verlenen van ristorno's in het door het hof beoordeelde geval niet strijdig is met het koninklijk besluit van 29 maart 2002. Het gaat hier om het verlenen van ristorno's aan coöperanten na een beslissing van de raad van bestuur van de coöperatie en afhankelijk van het resultaat van het boekjaar.

De controlediensten van het RIZIV onderzoeken echter in elk geval de klachten die ze hebben ontvangen. Momenteel zijn die onderzoeken nog aan de gang. Er wordt nagegaan of de remgelden effectief werden geïnd. Ik zie bijgevolg geen reden om een aanvullend besluit te nemen.

De heer Jacques Devolder (VLD). - Ik twijfel niet aan de goede trouw van de minister, want hij heeft een brief geschreven, ook aan de betrokken coöperatie. Advocaten zijn vindingrijk, maar ik zou het op prijs stellen indien in de toekomst alle achterpoortjes zouden worden gesloten. Als het nodig zou blijken, moet de minister opnieuw overleg plegen met de betrokken beroepsorganisaties. Vooral omdat ik denk dat er nog achterpoortjes zijn, bijvoorbeeld door te zeggen dat de apothekers verantwoordelijk zijn en niet de coöperatieve beheerders. Aangezien het koninklijk besluit al dateert van maart 2002, ging ik ervan uit dat het onderzoek al afgerond was.

Mondelinge vraag van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «angiografie en coronariografie» (nr. 2-1192)

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Mijn vraag gaat over een technisch onderwerp, dat veel van onze medeburgers vanaf een bepaalde leeftijd aanbelangt, met name de behandeling van patiënten die een hartaanval hebben gehad en uw verantwoordelijkheid terzake, mijnheer de minister.

Voor alle duidelijkheid breng ik even in herinnering dat het B3-programma de ziekenhuizen omvat die over een afdeling hartchirurgie beschikken, het B2-programma de ziekenhuizen die een niet-chirurgische interventionele therapie toepassen, met name angiografie, en het B1-programma de instellingen die een diagnose mogen stellen.

Kunnen de programma's B1 en B2 niet samengevoegd worden, zodat ziekenhuizen die enkel diagnostische cardiologie toepassen (B1) in dringende gevallen ook interventionele cardiologie zouden mogen doen? Vele professoren en de meeste technici zijn voorstander van een dergelijke oplossing. Ze willen ook een duidelijker onderscheid maken tussen het B2-programma en het B3-programma dat voorbehouden is voor universitaire ziekenhuizen die hartchirurgie toepassen. We willen dat de regionale ziekenhuizen een erkenning kunnen krijgen voor interventionele coronariografie zodat patiënten een behandeling kunnen krijgen die in overeenstemming is met de huidige normen.

Een cardioloog van een B1-ziekenhuis, die het B3-programma niet mag uitvoeren, moet bepaalde onderzoeken in een B3-instelling laten gebeuren. In Hoei of in Luxemburg duurt de transfer naar een ander ziekenhuis een twintigtal minuten. In die tijdspanne kan de patiënt overlijden. Vandaar mijn vraag, want naast de technische en financiële aspecten, is er de bekommernis om mensenlevens te redden dankzij een snellere interventie na een hartaanval.

Bent u van plan de samenvoeging van de B1 en B2-programma's toe te staan? Sommige universiteitsprofessoren, die een soort monopolie hebben inzake hartchirurgie, willen van geen opening horen, wat niet alleen onrechtvaardig is, maar ook financieel onaanvaardbaar. Zal u overleg plegen met de verantwoordelijken van de regionale ziekenhuizen en van de artsen-specialisten? Ik denk in het bijzonder aan professor Legrand. Op welke wijze en wanneer zal dat overleg plaatsvinden?

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Algemeen wordt elke politicus geconfronteerd met de vraag hoe een kwalitatief hoogstaande hulpverlening moet verzekerd worden in dun bevolkte gebieden.

Is het redelijk daarom een ziekenhuis te voorzien van een centrum voor interventionele cardiologie, gesteld dat het voldoende patiënten kan werven om aan de minimale kwaliteitseisen te voldoen? Die vraag moet onderzocht worden, rekening houdend met alle gegevens. Momenteel telt België relatief het grootste aantal ziekenhuizen die interventionele cardiologie aanbieden ter wereld. Ik denk dat de concentratie van die activiteiten bij bepaalde specifieke centra de kwaliteit beter waarborgt dan een spreiding van de middelen.

Vooraleer de cardiologische programma's ter discussie worden gesteld, moet eerst een cruciale vraag worden gesteld: zijn er voldoende centra voor interventionele cardiologie, rekening houdend met het standpunt van de patiënt, met de kwaliteit en met de toegankelijkheid van de zorgverlening en niet in de eerste plaats rekening houdend met de wensen van sommige ziekenhuizen? Het verlenen van meer toelatingen voor interventionele cardiologie zonder de mogelijkheid om hartchirurgie toe te passen, kan ertoe leiden dat meer centra interventionele cardiologie toepassen zonder aan de kwaliteitseisen te voldoen.

Voor zover ik weet, telt België niet te weinig centra voor interventionele cardiologie en zijn er geen gegevens die aantonen dat er op dit vlak een lagere consumptie zou zijn dan in andere Europese landen. Integendeel, volgens OESO-cijfers telt België vrij veel van die centra en volgens een recente studie in The Lancet is België samen met Duitsland koploper wat het aantal coronariografieën en revascularisatieprocedures betreft.

Uit verschillende wetenschappelijke studies blijkt dat er een duidelijk verband is tussen de resultaten qua overlevingskansen en risico's op verwikkelingen en het aantal patiënten dat een cardioloog jaarlijks behandelt. Daarom staat het voor mij vast dat een minimale activiteit, die in het B2-programma zeker niet te hoog is ingeschat, noodzakelijk is. In geval van deconcentratie ontstaat in dit verband een probleem dat gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van de zorg voor de patiënt.

Er kunnen ook problemen ontstaan wanneer een ziekenhuis zonder interventionele cardiologie niet voldoende patiënten doorverwijst naar een centrum met interventionele cardiologie. In dat geval zouden u en ik ons moeten buigen over stimulansen voor een meer adequate manier van doorverwijzen. Ik beveel u een recente Deense studie aan, die als eerste onderzoekt wat het effect is van het vervoer naar een ziekenhuis met interventionele cardiologie in vergelijking met een trombolyse in een `gewoon' ziekenhuis. De studie toont aan dat in een land als Denemarken, dat vergelijkbaar is met België, patiënten veilig naar een centrum kunnen worden vervoerd voor een primaire angioplastie.

De ziekenhuiswereld is constant in evolutie. Op geregelde tijdstippen moeten we ons afvragen hoe de reglementering kan verbeterd worden in het belang van de patiënt. Mijn kabinet onderhoudt geregelde contacten met cardiologen en met vertegenwoordigers van de ziekenhuizen. Wat de cardiologische programma's betreft, heb ik - bijvoorbeeld van de wetenschappelijke verenigingen voor cardiologie - geen aanwijzingen gekregen dat het verband tussen minimumactiviteit en kwaliteit niet zou gelden voor België. Ik ben bereid dit punt samen met de cardiologen te onderzoeken als zij over nieuwe elementen beschikken.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Ik ben het niet eens met uw analyse, mijnheer de minister. De cardiologen die ik aan het werk zie in de B1-ziekenhuizen kunnen zonder probleem erkend worden, want het zijn dezelfde artsen die hun patiënten begeleiden in de B3-ziekenhuizen. Met administratieve maatregelen schermt u in feite het monopolie van enkele professoren af.

Ik neem aan dat u vanuit wetenschappelijk oogpunt te goeder trouw bent. Persoonlijk ben ik meer vertrouwd met de praktijk en stel ik vast dat er gedurende twintig minuten een risico bestaat. In Luxemburg is het risico nog groter en is de vraag van de ziekenhuizen dezelfde.

We wensen dat u eens zou luisteren naar de specialisten die geen monopolie hebben. Het aantal hartaanvallen zal niet veranderen als de erkenningen veranderen. Aangezien het aantal hartaandoeningen beperkt is, wensen de grote bazen van de diensten voor cardiochirurgie van de universitaire ziekenhuizen ze voor zich te houden. We vinden dat, gelet op de evolutie van de technieken, deze behandeling ook in de regionale ziekenhuizen moet aangeboden worden.

Professor Legrand stelde voor om overleg te plegen zodat u misschien kon overtuigd worden. Daarom vraag ik u te luisteren naar diegene die een dergelijke wijziging voorstaan. Ze zal voor de Staat ongetwijfeld globaal minder duur zijn dan de huidige formule omdat ze een herverdeling tot stand brengt onder de mensen die werkelijk actief zijn in de sector.

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Mevrouw Lizin onderschat enigszins de manier waarop dergelijke beslissingen worden genomen. Uit verschillende wetenschappelijke studies blijkt dat er een echt verband bestaat tussen een minimum aan ervaring en de behaalde resultaten. De betrokken artsen moeten het probleem goed kennen dankzij een voortdurende en minimale ervaring.

Rivaliteit tussen ziekenhuizen komt niet alleen in België voor en werd ook elders onderzocht. Als de cardiologische wetenschappelijke verenigingen of de beroepsorganisaties van cardiologen dit standpunt verdedigen, ben ik bereid de discussie te openen. Maar eerst moeten de desbetreffende verenigingen er de internationale studies ter zake op nakijken. Als er andere wetenschappelijke argumenten voorhanden zijn, ben ik bereid tot discussie, maar ik kan me niet baseren op de opinie van één enkele persoon.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Ik vraag u niet mij te geloven. Ik verdedig ook geenszins de belangen van het desbetreffende ziekenhuis. Een dertigtal goede cardiologen in ons land begeleiden hun patiënten wanneer ze naar de diensten van de universiteitsprofessor moeten. Maar ze zien dat die reis overbodig is, omdat ze zelf over de nodige ervaring beschikken en de ingreep zouden kunnen uitvoeren in hun eigen ziekenhuis, dat geschikt is voor het verrichten van chirurgische ingrepen. Ik wou dat u ze zou horen.

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Ik wil dat ze eerst hun wetenschappelijke verenigingen overtuigen. In België zijn er veel meer dan dertig cardiologen.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Ik zal hen voorstellen om aldus te werk te gaan.

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Doe dat.

Mondelinge vraag van de heer Michel Barbeaux aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «de gevolgen van de toepassing van het kunstenaarsstatuut voor de uitgeverijen» (nr. 2-1202)

De heer Michel Barbeaux (CDH). - Meerdere uitgevers hebben onze aandacht gevestigd op de regeling in verband met het kunstenaarsstatuut in de programmawet die we op 23 december goedkeurden. De programmawet werd snel doorgedrukt en vandaag merken we wat de gevolgen daarvan zijn, meer bepaald voor verschillende categorieën van kunstenaars. Het bureau van de Senaat heeft vanmorgen zelfs beslist de kunstenaars te ontvangen om deze kwestie met hen te bespreken.

Volgens de uitgeverijen dreigt deze wet averechtse gevolgen te hebben met dramatische economische gevolgen, zowel voor de Belgische schrijvers als voor de hele uitgeverijsector in België en dus ook voor de mensen die er werken. Bij gebrek aan Europese harmonisering zal België het enige land zijn dat een wet invoert die de publicatie van Belgische auteurs door Belgische en buitenlandse uitgeverijen belemmert. De verhoging van de werkgeverslasten zal onvermijdelijk een weerslag hebben op de productiekosten van boeken en dus ook op het verbruik. Boeken van Belgische uitgevers zullen heel wat duurder zijn dan die van hun concurrenten, zowel op de Belgische als op de buitenlandse markt, zodat hun uitvoerpositie in het gedrang komt.

Hoewel ze vinden dat scheppende kunstenaars moeten worden beschermd, vrezen de uitgevers dat, als geen rekening gehouden wordt met de specifieke kenmerken van de uitgeverijsector, zowel de creatie als de uitgeverijen in ons land zullen verdwijnen.

Welke waarborgen kan de minister geven aan de uitgevers opdat de literaire productie en uitgeverij niet door het nieuwe kunstenaarsstatuut worden gehinderd?

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - De reglementering die recent door het Parlement werd goedgekeurd, voorziet in een belangrijk innovatie: alle kunstenaars zullen voortaan voor al hun activiteiten onder hetzelfde socialezekerheidsstelsel vallen, namelijk dat van de werknemers of dat van de zelfstandigen. Uit een enquête van het Nationaal Kunstenaarsplatform is gebleken dat iets meer dan de helft van de kunstenaars verschillende kunstdisciplines cumuleert en zowel met creatie als met uitvoering bezig is.

Er bestaan blijkbaar misverstanden over de inhoud van deze reglementering. Sommigen lijken te denken dat het nieuwe statuut de kunstenaars ertoe dwingt voor hun artistiek werk het statuut van werknemer aan te nemen. Uiteraard is dat niet het geval. De kunstenaars die hun activiteiten niet uitoefenen in gelijkaardige voorwaarden als die waarin een werknemer zich ten opzichte van zijn werkgever bevindt, kunnen zich wat de sociale zekerheid betreft, ook als zelfstandige vestigen. De toelichting bij het wetsontwerp somt een aantal indicatoren op die in aanmerking kunnen worden genomen voor de evaluatie van het statuut.

Gepreciseerd wordt dat elke van die indicatoren afzonderlijk niet determinerend is. Het geheel van de verhoudingen die de kunstenaars met hun opdrachtgevers verbinden, moet in aanmerking worden genomen. Eén van de indicatoren is de aansluiting van de kunstenaar bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen. Uit de toelichting blijkt dat dit element de wil en de bedoeling van de kunstenaar uitdrukt. Voor schrijvers die vroeger aangesloten waren bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen en dus hun bijdragen konden betalen, verandert er derhalve niet veel.

Voor de kunstenaars die onder het werknemersstatuut vallen, biedt de nieuwe reglementering het bijkomende voordeel dat de werkgeversbijdragen aanzienlijk worden verminderd, daar een bedrag van 35 euro per aangegeven werkdag wordt vrijgesteld. Dit voordeel is ook van toepassing op creatieve activiteiten.

Als de kunstenaars per opdracht worden betaald, moet dit bedrag worden omgezet in een fictief aantal werkdagen die bij de RSZ moeten worden aangegeven, zoals dat het geval is voor andere werknemers die stukwerk verrichten.

Het aantal dagen zal door de kunstenaar en de opdrachtgever samen worden overeengekomen. Om in aanmerking te komen voor een bijdragevermindering mag het aangegeven dagloon niet lager zijn dan het dagequivalent van het maandelijks leefloon.

Bovendien moeten op auteursrechten geen sociale bijdragen worden betaald en wijzigt de nieuwe wetgeving artikel 5 van het koninklijk besluit van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen volstrekt niet. Volgens dit artikel zijn de auteursrechten vrijgesteld van sociale bijdragen als de betrokkene minstens een gelijkwaardige sociale bescherming geniet als een zelfstandige. Deze bescherming kan zelfs bestaan uit afgeleide sociale rechten die betrokkene geniet omdat zijn of haar partner werkt.

De vraag rijst dus of de uitgeverijen, rekening houdend met de verlaging van de werkgeversbijdragen, financieel niet bij machte zijn een aantal elementaire verplichtingen na te komen, waaronder de sociale bescherming van hun auteurs. We moeten ons ook afvragen wie financieel het zwakst staat: de uitgeverij of de auteur?

De heer Michel Barbeaux (CDH). - Ik dank de minister voor de technische elementen die hij aanreikt. Soms wordt de wet verkeerd begrepen, maar soms zijn er ook toepassingsproblemen. Het is alleszins nuttig dat het bureau van de Senaat met de kunstenaars een hoorzitting organiseert waarop de minister meer uitleg kan geven. Ik ben het ermee een dat de kunstenaars verdedigd moeten worden, ook tegenover de uitgeverijen. Als die daarvoor geld genoeg hebben, moeten ze de zwakste, de auteur dus, beschermen. Ik wilde vooral bekomen dat de auteurs hun werken tegen een aanvaardbare prijs kunnen verkopen. Ik hoop dat dit het geval zal zijn en dat de auteurs bovendien een betere sociale bescherming kunnen genieten.

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - De Senaat moet beslissen of hij al dan niet hoorzittingen organiseert. Omdat we nu bezig zijn met de uitvoering van de nieuwe wet, zou ik het appreciëren als u mijn medewerkers mogelijke toepassingsproblemen zou signaleren.

De voorzitter. - Zoals de heer Barbeaux zei, ontvangen wij allemaal heel wat brieven over dit onderwerp. We zullen dus hoorzittingen houden. Mijnheer de minister, we zullen u de resultaten daarvan meedelen.

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Als u een hoorzitting organiseert, zou het wellicht interessant zijn een minister uit te nodigen. Aan Franstalige kant is onrustwekkend weinig geweten over het ontwerp. Een debat over de concrete problemen zou zeker nuttig zijn.

De voorzitter. - U bent dus bereid aan een dergelijk debat deel te nemen? (Instemming van de minister). Ik dank u.

Mondelinge vraag van de heer Michiel Maertens aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de beschermingsmaatregelen in de mariene natuurgebieden» (nr. 2-1203)

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - In uitvoering van de wet van 20 januari 1999 heeft de minister van Leefmilieu op 4 december 2002 in Oostende aangekondigd dat hij over een paar weken een koninklijk besluit zou uitvaardigen dat de beschermde mariene gebieden zou vastleggen. Dat besluit zou evenwel nog geen invulling geven aan concrete beschermende maatregelen omdat de minister die pas na een rijp maatschappelijk debat wil nemen. De minister wil ook een wetenschappelijke adviesraad de opdracht geven de beheersmaatregelen en beheersplannen te begeleiden. In feite wil hij de hele kwestie in de volgende legislatuur in alle rust kunnen afwerken. Persoonlijk vind ik dat een goede zaak, maar op het terrein ontstaat er enige ongerustheid. Die stel ik onder meer vast bij bepaalde kustburgemeesters, die een zekere graad van politieke dementie beginnen te vertonen. Anderen maken zich ongerust omdat het koninklijk besluit dat de natuurgebied moet afbakenen, na bijna twee maanden nog altijd niet is gepubliceerd. Nu beslist is de verkiezingen wat te vervroegen, vrezen ze dat het er niet meer van zal komen. Vanuit hun bevoegdheid voor de reddingsdiensten zeggen sommige burgemeesters zelfs dat ze niet eens meer weten waar de mensen nog zullen mogen zwemmen.

Persoonlijk heb ik het volste vertrouwen in de minister wat de afbakening van de natuurgebieden betreft. Maar gelet op de zure oprispingen van een aantal kustburgemeesters, lijkt het me wenselijk dat de minister duidelijkheid brengt op een aantal punten.

Wil hij het bewuste koninklijk besluit nog voor begin april uitvaardigen?

Waarop zal hij de afbakening van de beschermde mariene gebieden steunen?

Welke maatregelen in algemene zin zal hij nemen om die afbakening concreet in te vullen?

Op welke wijze zal de minister het maatschappelijk debat of het open forum, zoals hij het zelf noemt, organiseren? Is hij van plan de kustburgemeesters daarbij te betrekken? Blijkbaar willen ze het debat helemaal naar zich toe trekken, ook al reikt hun bevoegdheid slechts tot aan de laagwaterlijn.

Welk tijdschema stelt de minister voor?

Hoe wil hij de adviesraad samenstellen? Aangezien de materie zowel een federale als een gewestelijke bevoegdheid is, moet die raad een zeer ruime samenstelling kennen om goed te kunnen functioneren. Als we het debat in de volgende legislatuur willen laten plaatsvinden, is het bovendien wenselijk dat de adviesraad nog voor april wordt samengesteld.

De heer Jef Tavernier, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De kustburgemeesters hebben met vertraging gereageerd op mijn aankondiging van begin december dat er mariene gebieden als beschermde gebieden zullen worden afgebakend. Mijn boodschap is blijkbaar ook slecht begrepen. De inhoud van mijn mededeling was de volgende: ten eerste, er zullen beschermde mariene gebieden bij koninklijk besluit worden afgebakend; ten tweede, de maatregelen ingevolge die afbakening zullen later worden gepreciseerd; ten derde, dat zal gebeuren na overleg met alle betrokkenen - onder meer de lokale besturen en dus de kustburgemeesters - en op basis van wetenschappelijke gegevens.

Bedoeling is gebieden af te bakenen waarvoor het natuurbehoud een belangrijke factor voor hun ontwikkeling. Activiteiten in die gebieden zullen worden getoetst op hun duurzaam karakter. Die toetsing zal uitgebreider zijn dan voor andere gebieden.

Voor de afbakening van die gebieden heb ik mij gebaseerd op wetenschappelijke gegevens, hoofdzakelijk de aanwezigheid van bepaalde vogelsoorten. Die gegevens werden onder meer verstrekt door het Vlaams Instituut voor Natuurbehoud.

Voor de bepaling van de beperkingen die aan een marien gebied zullen worden opgelegd, zullen alle betrokkenen worden uitgenodigd. Dat werd voorgesteld door de Europese Commissie op een werkvergadering in dat verband in september 2002. Er zal dus een breed maatschappelijk debat worden gevoerd. Heel wat groepen en individuen hebben al hun interesse laten blijken.

In het ontwerp van koninklijk besluit zal worden vermeld dat er een adviescommissie wordt opgericht. Die zal bestaan uit vertegenwoordigers van alle betrokken en bevoegde overheden, zowel federale, gewestelijke als provinciale; vertegenwoordigers van verenigingen voor natuurbehoud, en vertegenwoordigers van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven. Daarnaast zullen er experts en belanghebbenden worden uitgenodigd. Het is de bedoeling dat de kustburgemeesters een structurele vertegenwoordiging krijgen.

Ik had gehoopt het voorontwerp van koninklijk besluit vóór einde 2002 klaar te hebben. De betrokken diensten waren niet klaar en waren bovendien de laatste weken volop bezig met de bestrijding van een mogelijke olievervuiling in de Noordzee ten gevolge van de aanvaring van de Vicky.

Uit ervaring weten we dat het opstellen van een beheersplan drie tot vijf jaar duurt.

Er is een heel duidelijk verschil tussen natuurreservaten en afgebakende mariene beschermde gebieden. In die laatste gebieden gaat de bescherming minder ver en is ze algemener.

Het is natuurlijk mogelijk dat er in die gebieden beperkte stukken natuurreservaat worden aangewezen. De bestaande activiteiten kunnen behouden blijven. De nieuwe activiteiten zullen worden getoetst op hun duurzaamheid en op het risico van het aantasten van de natuurwaarde.

Tenzij ik mij vergis, schaadt zwemmen in zee de natuur en het milieu niet. Het is een gezonde en duurzame activiteit. Kustburgemeesters die zich daarover zorgen maken, kan ik geruststellen. Ik heb de indruk dat er meer zones zijn waar je niet mag zwemmen omdat de burgemeesters het bij gebrek aan bewaking terecht verbieden, dan zones waar dat niet kan met het oog op de bescherming van de natuurwaarde. Ook zeilen is een activiteit met een duurzaam en natuurvriendelijk karakter.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Ik dank de minister voor zijn antwoord, maar ik ben voor een stuk op mijn honger gebleven.

Op mijn vraag of het koninklijk besluit nog in de lopende zittingsperiode zal worden gepubliceerd, kreeg ik geen antwoord.

De minister heeft verwezen naar het werk dat zijn diensten hadden met de bestrijding van een mogelijke olievervuiling op zee. Dat is geen goed excuus voor het uitblijven van het voorontwerp van koninklijk besluit. Over `mariene reservaten' heb ik het zelf niet gehad.

Wie de duurzaamheid van het marien milieu bestudeert, moet niet alleen kijken naar wat zich boven de zeespiegel bevindt, maar ook naar wat daaronder leeft. Zo moet ook rekening worden gehouden met heel kleine vissen en schelpsoorten, ook al zijn die vanuit commercieel oogpunt niet interessant. Wordt daarmee wel rekening gehouden?

Bij de burgemeesters is inderdaad in zekere mate sprake van geheugenverlies. De betrokkenen moeten zich inderdaad beter informeren en hadden de teksten die de minister bij zijn persconferentie heeft meegedeeld, beter moeten lezen.

Ten slotte zou ik graag van de minister vernemen of het koninklijk besluit nog in deze legislatuur wordt gepubliceerd, want anders hebben we niets in de hand.

De heer Jef Tavernier, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Op enkele punten kan ik bijkomende concrete informatie verschaffen.

De betrokken burgemeesters worden op 22 januari op mijn kabinet uitgenodigd voor overleg.

Ten tweede, zal het ontwerp van koninklijk besluit eind deze maand klaar zijn en voor advies worden voorgelegd aan onder andere de Raad van State. Ik hoop dus dat het koninklijk besluit in de loop van de maand maart zal kunnen worden gepubliceerd.

Vraag om uitleg van de heer Johan Malcorps aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «het gebruik van houtverduurzamingsmiddelen die arseen bevatten voor het vervaardigen van speeltuigen» (nr. 2-937)

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - In een richtlijn van de Europese Commissie van 6 januari 2003 wordt het gebruik van arseen in verduurzaamd hout dat bestemd is voor alle residentiële toepassingen, voor alle toepassingen waarbij regelmatig huidcontact optreedt, en voor alle toepassingen in de landbouw verboden. Er zijn enkel uitzonderingen voor op industriële wijze met arseencomponenten geïmpregneerd hout in toepassingen zoals bruggenbouw, geluidswallen en dergelijke meer, en dan nog mits strikte veiligheidsvoorzieningen worden getroffen. Deze strenge beperkingen zijn er gekomen na een wetenschappelijke rapport dat stelt dat koper, chroom en vooral arseen in met CCA-zouten verduurzaamd hout een risico vormen voor de gezondheid. Dat werd door een wetenschappelijk comité bevestigd.

Het rapport verwijst uitdrukkelijk naar kinderen die in speeltuinen spelen op houten speeltuigen die verduurzaamd werden met CCA. Ook de grond wordt onder andere doordrenkt met arseen en chroom. Bewezen werd dat dit een ontoelaatbaar risico inhoudt voor kinderen, die heel veel met dergelijk speelgoed in aanraking komen.

Ook in de Verenigde Staten denkt men er zo over. Op 22 februari 2002 kondigde het Amerikaans Milieubureau aan dat er met de industrie een vrijwillige overeenkomst was bereikt om vanaf 1 januari 2004 het gebruik van CCA-zouten voor residentiële doeleinden of voor speeltuigen stop te zetten. Men wilde niet langer wachten op rapporten over het al dan niet schadelijke karakter van de CCA-zouten. Men achtte de risico's verbonden aan arseen, een stof die bekend staat als kankerverwekkend voor de mens, voldoende evident om tot een snellere actie over te gaan. Bovendien werd actie ondernomen om de mensen ten stelligste af te raden met CCA bewerkt hout te verbranden, bijvoorbeeld in de open haard, in allesbranders of in vuren in open lucht. Het Amerikaans Milieubureau verspreidt ook informatie over mogelijke alternatieven voor met CCA bewerkt hout.

We zijn in de Europese Unie nog niet zover. Er is echter al wel een principebeslissing genomen die tegen 30 juni 2003 in nationaal recht moet worden omgezet en tegen 30 juni 2004 effectief moet worden toegepast.

Kan de minister mij meedelen welke maatregelen hij ingevolge de internationale en Europese ontwikkelingen op korte termijn zal nemen ter bescherming van de gezondheid van, onder meer, kinderen die spelen op speeltuigen bewerkt met CCA, en van huisgezinnen tegen houten hekken, meubelen, afdaken en carports in met CCA behandeld hout?

Is het niet mogelijk het gebruik van CCA-zouten meteen te verbieden in de risicoklassen 1, 2 en 3 of kan het gebruik van CCA-zouten voor speeltuigen niet gewoon verboden worden?

Wat met het gebruik van CCA-zouten voor de risicoklasse 4? Moet op zijn minst het gebruik van arseen niet sneller verboden worden? In welke mate kunnen zouten met boor een alternatief bieden voor zouten met chroom?

Hoe staat het met de verstrenging van de technische goedkeuring ATG in verduurzamingsstations, bijvoorbeeld door de opname van de `best beschikbare technologie'-studie van de Vito? Krijgt de sector een doorlopende vrijwillige certificatie opgelegd en zo ja, vanaf wanneer? Vanaf wanneer komt er een verbod op het in de handel brengen van verduurzaamd hout dat niet voldoet aan de eisen inzake certificatie en technische goedkeuring?

Welke informatiecampagnes worden in overleg met de gemeenschappen ondernomen om de mensen afdoende in te lichten over de risico's verbonden aan met CCA bewerkt hout of ander chemisch verduurzaamd hout. Denk bijvoorbeeld ook aan met creosoot bewerkte biels die gebruikt worden in privé-tuinen, en aan de risico's wanneer ze verbrand worden.

De Europese Commissie benadrukte in de nieuwe richtlijn dat met CCA bewerkt hout als gevaarlijk afval dient te worden beschouwd en behandeld. Dat geldt trouwens voor alle verduurzaamd hout. Zijn er bijgevolg garanties dat chemisch bewerkt hout in de drie gewesten inderdaad verwijderd wordt volgens de regels die gelden voor gevaarlijk afval?

De heer Jef Tavernier, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Uit de vraag van de heer Malcorps leid ik af dat ik hem alvast niet meer moet overtuigen van het schadelijke karakter van de CCA-zouten.

Het gebruik van die zouten werd sedert 1989 geregeld, conform een Europese richtlijn. In 2000 nam mijn voorgangster al contact met de houtsector om het gebruik van die zouten te verminderen. Gelet op de Europese vrije markt konden wij op federaal niveau geen maatregelen uitvaardigen die verder gingen dan de bestaande Europese rechtsregels. We konden alleen proberen een vrijwillige overeenkomst te sluiten. De sector wilde of durfde jammer genoeg niet ingaan op haar vraag en verkoos te wachten op een strengere Europese regelgeving.

We zijn bijgevolg bijzonder gelukkig dat de nieuwe richtlijn 2003/3/EEG van de Commissie op 9 januari 2003 eindelijk gepubliceerd werd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en dat het op de markt brengen en het gebruik van arseenhoudende houtbeschermingsmiddelen en van daarmee behandeld hout beperkt wordt.

In de richtlijn staat dat alleen nog anorganisch koper, chroom en arseenverbindingen van het type C - dit zijn de stoffen die het best in het hout gefixeerd worden - zullen worden toegelaten en niet langer het nu nog toegelaten brede gamma van CCA-zouten.

Bovendien mag het behandelde hout alleen voor industriële en professionele toepassingen worden gebruikt wanneer de structurele integriteit van het hout vereist is voor de veiligheid van mensen en vee en het niet waarschijnlijk is dat mensen er gedurende de levensduur van het hout mee in aanraking komen.

Om bijkomende problemen wegens een plotse toevloed van arseenhoudend afvalhout uit afbraak te voorkomen, is de richtlijn niet van toepassing op hout dat reeds geplaatst is.

Het is van groot belang dat het gebruik in België van hout voor toepassingen die het Wetenschappelijk Comité voor de toxiciteit, de ecotoxiciteit en het milieu als risicovol beschouwt, zo spoedig mogelijk wordt beperkt om een toename van het reeds bestaande risico te voorkomen. Daarom zal binnenkort een spoedadvies aan de adviesraden worden voorgelegd.

In de Europese richtlijn wordt de notie van de indeling van hout in risicoklassen niet gehanteerd. Met arseen behandeld hout mag in geen geval worden gebruikt voor woningbouw, afdaken, tuinafrasteringen, bloembakken rond het huis en speeltuigen, dus ongeacht de risicoklasse.

Het verstrengen van de technische goedkeuring behoort tot de bevoegdheid van de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. Persoonlijk ben ik alvast gewonnen voor een verstrenging van die goedkeuring. Het op de markt brengen van hout dat niet voldoet aan de eisen inzake certificatie en technische goedkeuring, maar dat op basis van de richtlijn wel met arseen mag worden behandeld, kan niet worden verboden, gelet op de bepalingen van de richtlijn en van het Verdrag van Rome. Zo'n verbod lijkt me daarom niet opportuun.

Aangezien op industriële wijze met arseencomponenten geïmpregneerd hout alleen nog in industriële toepassingen zal kunnen worden gebruikt, is een algemene federale campagne om de bevolking te wijzen op het gevaar van met arseen behandeld hout niet prioritair. De geplande verbodsbepalingen moeten evenwel zo snel mogelijk worden ingevoerd teneinde te voorkomen dat niet-professionele gebruikers nog met arseen behandeld hout in handen krijgen.

De afvalproblematiek is een materie die tot de bevoegdheid van de gewesten behoort. Aan Vlaamse zijde worden reeds belangrijke inspanningen geleverd om ervoor te zorgen dat chemisch behandeld hout uitsluitend als gevaarlijk afval wordt behandeld. Het bovenvermelde federaal opgelegde etiket zal daartoe zeker een bijdrage leveren.

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Het verheugt mij dat het gebruik van met arseen behandeld hout in de woningbouw, in tuinen en speeltuinen zal worden verboden.

Tot nu toe werd met arseen behandeld hout zeer frequent gebruikt, onder meer voor speeltuinen, hekken en carports. Uit onderzoek in Europa en in de Verenigde Staten is gebleken dat het gebruik van dat hout gezondheidsrisico's meebrengt. We moeten de mensen erop wijzen dat ze best niet te veel met dat hout in aanraking komen en dat ze bij voorkeur voor alternatieven moeten kiezen, die overigens in ruime mate voorhanden zijn. Het is de taak van de gemeenschappen om de bevolking te informeren.

-Het incident is gesloten.

Wetsontwerp tot wijziging van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wat de personen betreft die activiteiten mogen verrichten in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap (Stuk 2-1196) (Evocatieprocedure)

Voorstel tot terugzending

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Ik wil even de antecedenten van dit voorstel in herinnering brengen. Het betreft een CD&V-wetsvoorstel van de heer Leterme en mevrouw D'Hondt dat vreemdelingen, die vallen onder artikel 2 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf op het grondgebied van het Rijk en die een aanvraag tot regularisatie van hun verblijf hebben ingediend, de mogelijkheid wil geven om arbeid te verrichten in het kader van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap. Wanneer heeft iemand toegang tot het PWA? Dat kan voor iemand die arbeid heeft verricht en gedurende twee jaar uitkeringsgerechtigd werkloos is voor iemand die jonger is dan 45 jaar en zes maand voor iemand die ouder is dan 45 jaar. De mensen die door het voorstel worden beoogd, voldoen dus niet aan de toelatingsvoorwaarden. Wij vroegen in de commissie een advies van de NAR. Die vond dat de tekst gunstig was voor de integratie van de betrokken personen, maar dat die geen rekening hield met die toetredingsvoorwaarden.

De cijfers van Binnenlandse Zaken van 18 oktober 2002, 26 november 2002 en 13 januari 2003 wijzen op een daling van het aantal afgehandelde regularisatiedossiers. Het grootste aantal van de overblijvende dossiers bestaan uit de 112 zogenaamde `rode dossiers'. Zij betreffen personen die een veroordeling van meer dan zes maanden hebben opgelopen. De 736 dossiers die zijn opgevraagd door de parketten van Antwerpen en Brussel zijn dossiers waarin een vermoeden bestaat van zeer ernstige fraude. Die mensen toelaten tot de PWA's en tot het verrichten van werk in de huizen van burgers is niet verantwoord. Ik heb in de commissie dan ook een aantal amendementen ingediend. Zij werden niet goedgekeurd.

Ik heb ook het advies van de Raad van State gevraagd. Deze heeft in zijn advies van 18 december gesteld dat het voorstel een discriminatie `installeert' tussen de aanvragers van regularisatie en andere categorieën van vreemdelingen. De Raad antwoordt echter niet op de discriminatie die wordt gecreëerd ten aanzien van Belgen die in het verleden hebben gearbeid en lang moeten wachten vooraleer te worden toegelaten tot de PWA. Het advies van de Raad van State is dan ook onvolledig. Het voorstel bevat een grove schending van het gelijkheidsbeginsel. We bieden niet de hulp die we zouden moeten bieden. We moeten die mensen helpen, maar niet via een stelsel dat een discriminatie invoert met andere burgers en zelfs met andere vreemdelingen.

Eigenlijk betreft het een pervers voorstel omdat het de bedoeling heeft om vreemdelingen via de PWA in te schakelen in het arbeidsproces en hen te laten doorstromen naar een reguliere job, terwijl we weten dat de PWA een werkloosheidsval is.

Vandaar dat ik een aantal voorwaarden stel. De opheffing van de vrijstellingsmogelijkheid voor PWA'ers, de opheffing van de bepaling dat de maanden waarin een werkloze minimaal 30 uur per maand in de PWA presteert, niet in rekening worden gebracht voor artikel 80 (schorsing wegens lange duur) en de beperking in de tijd van de tewerkstelling door een PWA, zijn drie voorwaarden die ervoor moeten zorgen dat de PWA's geen werkloosheidsval zijn.

De collega's van PS en SP.A waren terecht fier op de goedkeuring van de antidiscriminatiewet. Nu wordt ons een ontwerp voorgelegd dat niet alleen de Belgen, maar ook de vreemdelingen discrimineert. Ik vraag dan ook dat dit voorstel wordt teruggestuurd naar de commissie en dat een bijkomend advies van de Raad van State wordt gevraagd.

De gehele PWA-werking moet dringend worden geëvalueerd zodat we de nodige bijsturingen kunnen doen en de PWA's niet langer een werkloosheidsval zijn.

De heer Michel Barbeaux (CDH). - In de commissie heeft mevrouw Leduc de discriminatie van de Belgen in het ontwerp sterk benadrukt. De Raad van State vond dat er geen discriminatie was en wees daarentegen op een discriminatie van de vreemdelingen naargelang ze al dan niet een asielaanvraag hebben ingediend.

Ik heb een amendement ingediend dat tegemoetkomt aan de opmerking van de Raad van State en dat ertoe strekt de vreemdelingen van wie de asielaanvraag werd geweigerd, de toegang tot de PWA's te ontzeggen.

De Raad van State heeft de discriminatie waarover mevrouw Leduc het had, helemaal niet bevestigd. Wij hebben in de commissie gezegd dat er geen discriminatie was. Mogelijk bevalt het advies van de Raad van State mevrouw Leduc niet.

Ik stel voor dat we straks over mijn amendement stemmen; de eindstemming kan dan volgende week plaatsvinden.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Er bestaat wel degelijk een discriminatie. Zowel Belgen van allochtone afkomst als Belgen die hier geboren zijn, moeten voldoen aan een aantal voorwaarden: ze moeten twee jaar uitkeringsgerechtigd werkloos zijn als ze jonger zijn dan 45 jaar en zes maanden uitkeringsgerechtigd werkloos als ze ouder zijn dan 45 jaar. De discriminatie bestaat dus wel degelijk.

De voorzitter. - We moeten de zaak nu niet ten gronde bespreken. Mevrouw Leduc heeft een voorstel tot terugzending gedaan. Vraagt iemand het woord over de al dan niet terugzending?

De heer Frans Lozie (AGALEV). - We gaan akkoord met de terugzending op voorwaarde dat het heel snel gebeurt.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - De uiteenzetting van mevrouw Leduc en haar verzoek tot terugzending, heeft me overtuigd. Als ik de tekst van haar uiteenzetting in ons ledenblad zou publiceren, hangt ons een proces van de heer Verhofstadt boven het hoofd.

-Tot terugzending wordt besloten.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie (Stuk 2-1376) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - We stemmen eerst over amendement 6 van de heer Caluwé.

Stemming 1

Aanwezig: 51
Voor: 15
Tegen: 35
Onthoudingen: 1

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 17 van de heer Vandenberghe.

Stemming 2

Aanwezig: 51
Voor: 12
Tegen: 35
Onthoudingen: 4

-Het amendement is niet aangenomen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de volgende amendementen:

-Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 34 van de heer Thissen en mevrouw Willame-Boonen.

Stemming 3

Aanwezig: 51
Voor: 16
Tegen: 35
Onthoudingen: 0

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 9 van de heer Caluwé.

Stemming 4

Aanwezig: 51
Voor: 11
Tegen: 35
Onthoudingen: 5

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 37 van mevrouw Lizin.

Stemming 5

Aanwezig: 51
Voor: 17
Tegen: 33
Onthoudingen: 1

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 10 van de heer Caluwé.

Stemming 6

Aanwezig: 52
Voor: 12
Tegen: 36
Onthoudingen: 4

-Het amendement is niet aangenomen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de volgende amendementen:

-Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 36 van de heer Thissen en mevrouw Willame-Boonen.

Stemming 7

Aanwezig: 52
Voor: 16
Tegen: 35
Onthoudingen: 1

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 39 van de heer Thissen en mevrouw Willame-Boonen.

Stemming 8

Aanwezig: 51
Voor: 15
Tegen: 34
Onthoudingen: 2

-Het amendement is niet aangenomen.

De heer René Thissen (CDH). - Ik steun uiteraard mijn amendement, maar ik heb me onthouden om een stemverklaring te kunnen afleggen.

In artikel 9 staan verschillende komma's verkeerd, waardoor de Franse tekst onverstaanbaar wordt, terwijl de Nederlandse tekst duidelijk is. Ik heb de regering en de meerderheid voorgesteld een technisch amendement in te dienen, zodat het ontwerp niet opnieuw naar de Kamer moet. De staatssecretaris heeft het echter niet nodig gevonden hierop in te gaan. Ik dien mijn amendement opnieuw in om later interpretatieproblemen te vermijden. Ik ben bereid het als een technisch amendement te aanvaarden. Ik vraag alleen dat men blijk geeft van wat goede wil door een komma te schrappen.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Ik ben het eens met de heer Thissen dat artikel 9, dat het mechanisme van overmacht op gang brengt, essentieel is voor de bevoorradingszekerheid. De heer Thissen heeft het bij het rechte eind als hij zegt dat de Franse tekst juridisch onbegrijpelijk is en tot interpretatieproblemen kan leiden. We hebben andere amendementen op artikel 9 ingediend om het mechanisme van overmacht op gang te kunnen brengen. Het voorstel van de heer Thissen is echter het minimum minimorum om het mechanisme van de overmacht ook maar een beetje doeltreffend te maken.

De voorzitter. - De stemming heeft plaatsgevonden, maar uw stemverklaringen zijn van nut voor de voorbereidende werkzaamheden en voor de interpretatie van de tekst.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 13 van de heer Caluwé.

Stemming 9

Aanwezig: 52
Voor: 12
Tegen: 35
Onthoudingen: 5

-Het amendement is niet aangenomen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor amendement 12 van de heer Caluwé. Het amendement is dus niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 38 van mevrouw Lizin.

Stemming 10

Aanwezig: 51
Voor: 17
Tegen: 33
Onthoudingen: 1

-Het amendement is niet aangenomen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor amendement 5 van mevrouw Lizin. Het amendement is dus niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 20 van de heer Vandenberghe.

Stemming 11

Aanwezig: 52
Voor: 16
Tegen: 35
Onthoudingen: 1

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

De heer Philippe Mahoux (PS). - We zullen deze tekst goedkeuren in het bijzonder ook wegens de reserves die er uitdrukkelijk zijn in opgenomen.

Die reserves zijn bepalend voor de toepassing van de tekst omdat ze de veilige bevoorrading van ons land verzekeren. Als we ons in het buitenland moeten bevoorraden, moeten we er natuurlijk voor zorgen dat de elektriciteit afkomstig is van veilige installaties.

We vragen ook dat ervoor gewaakt wordt dat de uitvoering van deze tekst de veiligheid van de bestaande nationale installaties niet in gevaar brengt. We vinden dit een cruciaal element.

We zijn bijzonder gevoelig voor dit veiligheidsaspect, vooral omdat een lid van onze fractie burgemeester is van een gemeente die een kerncentrale op haar grondgebied heeft.

Bovendien hebben we tijdens de hoorzittingen vernomen dat meerdere sprekers vreesden dat de technische en wetenschappelijk kennis van ons land inzake kernenergie verloren zou gaan. We moet ervoor zorgen dat we die knowhow kunnen behouden. Ik herinner aan de uiteenzetting van de heer Philippe Busquin, Europees commissaris voor wetenschappelijk onderzoek, over de Europese investeringen in kernonderzoek en kerntechnologie en over de verwachtingen die hij wekte zowel wat de verwerking van het bestaande als van het toekomstige nucleaire afval als wat de industriële aanwending van kernfusie betreft.

Het voorbehoud in de tekst is dus even fundamenteel als de tekst zelf.

De heer Didier Ramoudt (VLD). - Veeleer dan het voorliggend ontwerp dat een geleidelijke uitstap uit de kernenergie regelt, zou een ontwerp houdende de voorwaarden aan dewelke kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie moet voldoen, onze voorkeur hebben weggedragen. Omdat op middellange termijn de duurzame voorziening van energie naar ons aanvoelen onvoldoende gegarandeerd wordt, is een regeringsinitiatief noodzakelijk dat conform artikel 9 van voorliggend ontwerp bepaalt dat bij koninklijk besluit en na advies van de Commissie voor de regulering van elektriciteit en gas, de bevoorradingszekerheid garandeert, rekening houdend met economische imperatieven. In deze wetenschap zullen de collega's Devolder, Remans, Kestelijn, De Grauwe, Wille, Van Quickenborne en ikzelf de meerderheidsconsensus niet afvallen, in de overtuiging dat de regering met onze rechtmatige verzuchting voldoende rekening zal houden.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Dat is een doekje voor het bloeden!

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Ik feliciteer de regering. De goedkeuring van dit ontwerp geeft een belangrijk signaal aan de economische sector, die nu met gerust gemoed kan investeren in nieuwe technologieën van energieproductie.

De heer René Thissen (CDH). - Daarop zat de sector inderdaad te wachten...

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Het debat toont ook aan dat het bewustzijn groeit dat de Kyoto-normen moeten worden gerealiseerd.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - De stemverklaringen van de heer Mahoux en van de heer Ramoudt illustreren perfect wat we hier doen. Formeel gaan we stemmen over een wetsontwerp, maar in feite gaat het om een zuiver politieke tekst die de groenen wordt gegund zodat ze aan hun kiezers kunnen zeggen dat ze toch iets gerealiseerd hebben. Eigenlijk zeggen de liberalen en de socialisten dat, zodra ze kunnen, ze een en ander zullen terugschroeven omdat dit wetsontwerp onuitvoerbaar is. Mevrouw Nagy zegt dat in feite ook, want zij had het over een signaal aan de sector om tot investeren aan te zetten. Zij zegt niet dat dit wetsontwerp zal worden uitgevoerd.

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Door de interpretatie die u aan mijn woorden geeft, bewijst u de beperktheid van uw redenering.

Het gaat om een wetsontwerp dat men niet zo gemakkelijk zal wijzigen. In deze belangrijke economische sector werden al belangrijke investeringsbeslissingen genomen, waarvan de uitvoering zowel in Vlaanderen als in Wallonië al gestart is.

De heer Ludwig Caluwé (CD&V). - Ook de repliek van mevrouw Nagy illustreert perfect dat dit spelletje gevaren inhoudt omdat, wanneer de situatie niet snel wordt rechtgezet, wij in een onomkeerbaar proces terechtkomen dat de bevolking bijzonder veel geld zal kosten.

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Het MR is een loyale fractie die zich gewoonlijk houdt aan de akkoorden die binnen de meerderheid werden afgesloten.

Aan de uitstap uit de kernenergie verbindt de meerderheid als voorwaarde dat België zijn internationale verbintenissen respecteert, namelijk de Conventie van Rio en het Protocol van Kyoto over de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen.

Het MR vindt dus dat de uitstap uit de kernenergie gepaard moet gaan met het veiligstellen van de bevoorradingszekerheid van ons land, met de eerbieding van onze internationale verbintenissen aangaande de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, met sluitende veiligheidswaarborgen voor de kerncentrales tot ze volledig zijn ontmanteld en met het behoud van onze nucleaire knowhow.

De heer Johan Malcorps (AGALEV), corapporteur. - Ik ben uiteraard een tevreden man omdat het mijn diepste overtuiging is dat kernenergie geen duurzame manier is om energie te produceren.

Toch is dit niet het moment voor triomfalisme, want we staan inderdaad voor een grote uitdaging. Dat is in de loop van de bespreking in de commissie en in de plenaire vergadering ook gebleken. Het gaat immers over een ernstige zaak, over veiligheid.

Terecht is gewezen op het Verdrag van Kyoto en de klimaateffecten. We worden geconfronteerd met overstromingen en met klimaatverstoringen ten gevolge van het broeikaseffect. Ik hoop dat het enthousiasme dat in de loop van de discussies is gebleken om Kyoto effectief uit te voeren, niet zal wegebben. Voor Agalev is er geen tegenstelling tussen het uitvoeren van Kyoto en het afbouwen van kernenergie.

Ook voor ons is de nucleaire veiligheid op korte termijn zeer belangrijk. In een overgangsfase mogen we, zoals mevrouw Lizin met vuur verdedigde, geen enkel risico nemen. Het Federaal Agentschap Nucleaire Controle heeft de zware taak erop toe te zien dat de expertise en knowhow niet verloren gaan en dat de veiligheid werkelijk gegarandeerd blijft.

De belangrijkste troef qua veiligheid op lange termijn is echter dat levensbedreigende installaties worden afgebouwd, zodat het veiligheidsprobleem van de ioniserende stralen definitief wordt opgelost.

De heer René Thissen (CDH). - Ik herinner mijn collega's die vanmorgen niet aanwezig waren, aan wat professor Berger, een eminent klimatoloog die het protocol van Kyoto goed kent en erg vertrouwd is met de problematiek van de opwarming van aarde, aan de eerste minister schreef. Volgens hem is een uitstap uit de kernenergie in het begin van de 21ste eeuw niet alleen een anachronisme, maar ook de grootste vergissing die een regering in België ooit beging.

We zullen dit ontwerp om drie redenen niet goedkeuren.

Allereerst omwille van een ideologische reden: de interventies van de meerderheid tonen duidelijk aan dat deze beslissing om ideologisch redenen wordt genomen en dat het helemaal niet zeker is dat de wet in de toekomst gehandhaafd blijft. Redelijke mensen zullen ze zeker aanpassen.

Vervolgens omwille van het gebrek aan realisme: op het ogenblik bestaat er nog geen programma dat moet toelaten de doelstellingen te verwezenlijken.

Ten slotte omwille van de onverantwoordelijkheid: niet alleen bestaan er nog geen programma's, we zullen bovendien onze energieafhankelijkheid nog vergroten. Het belangrijkste probleem van de 21ste eeuw, namelijk de opwarming van de aarde, wordt niet opgelost, wel integendeel.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - We hebben inderdaad te maken met een symbolische wet die tegemoetkomt aan de verzuchtingen van de tegenstanders van kernenergie, tot dewelke ik mezelf nog altijd reken. Deze wet geeft echter een volmacht aan de volgende regering - en dat is in wetgevend werk uitzonderlijk - om de beslissingen ongedaan te maken. De staatssecretaris voor Energie kon me ook niet garanderen dat er in uitvoering van deze wet geen nieuwe klassieke elektriciteitscentrales komen die met fossiele brandstof worden gestookt en dus zouden bijdragen tot de verhoging van de CO2-uitstoot.

Hoewel ik een fervent tegenstander van kernenergie ben, moeten we volgens mij ootmoedig toegeven dat de opwarming van ons klimaat ons de afgelopen jaren voor nieuwe, grote uitdagingen heeft geplaatst. We moeten daarmee rekening houden; nieuwe klassieke centrales bouwen kan dus niet. We hadden vandaag verder kunnen staan als we de elektriciteitsmaatschappijen die wilden doorgaan met kerncentrales, hadden gedwongen om tegelijkertijd zwaar te investeren in energiebesparing en in alternatieve technieken, een terrein waarvoor er in deze wet nu geen garanties zijn opgenomen.

Ik zal de meerderheid volgen, zij het met een beetje pijn in het hart.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Men zou inderdaad een aantal elementen naar voren kunnen brengen in verband met dit wetsontwerp, maar dat hebben we in de commissie al gedaan. Ik zou het kunnen hebben over de werkgelegenheid in Hoei en over het ontbreken van een oplossing voor een groot deel van het afval dat ter plaatse achterblijft, maar de Senaat is geen lokaal forum.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Dat is nieuw!

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Men zou het over Kyoto kunnen hebben, of over de veiligheid van de bevoorrading en de afhankelijkheid van het land, over de prijs voor de consument of over het risico dat hij over enkele jaren misschien niet langer op een continue levering kan rekenen. Men zou het ook nog kunnen hebben over de technische onmogelijkheid om voor alternatieven te zorgen. Maar daarover hebben we allemaal gehad tijdens de hoorzittingen. Men zou nog de technologische en industriële achteruitgang van ons land kunnen betreuren en spreken namens hen die niet werden gehoord. Men zou eveneens de afwezigheid van de heer Bodson kunnen betreuren.

De heer François Roelants du Vivier (MR). - En van u? U was er vanochtend ook niet.

De leden van de CD&V- en CDH-fracties. - Bodson, Bodson, Bodson!

De heer Philippe Moureaux (PS). - De heer Bodson komt enkel voor belangrijke stemmingen!

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Men zou het kunnen hebben over de grote hypocrisie van het discours. In de amendementen die u hebt verworpen, vraag ik duurzame en voldoende investeringen om de veiligheid van de bevolking te verzekeren. In de commissie werd mij geantwoord dat daarvoor procedures in het vooruitzicht worden gesteld. Via de pers vernemen we echter dat de staatssecretaris heeft verklaard dat er uiteraard niet meer wordt geïnvesteerd. Dat geloof ik trouwens ook.

Het wetsontwerp brengt een grondige verandering van de veiligheidsvoorwaarden met zich omdat het de rentabiliteitsvoorwaarden wijzigt. Voor het eerst wordt met een wet een einde gemaakt aan een industrieel proces. Meestal gebeurt dat door de logische wetmatigheden van de rendabiliteit. Ik weet niet wanneer men werkelijk zal kiezen voor de sluiting, maar ik weet wel dat het vóór 2015 zal zijn, in omstandigheden die dus nog moeilijker zullen zijn voor werknemers en verbruikers. Vanaf morgen al zal er steeds meer een beroep worden gedaan op onderaanneming en zal de deskundigheid in die sector dus sterk afnemen.

Vanaf morgen zal ik voor de centrale staan en geconfronteerd worden met ongeruste werknemers en inwoners. Ik betreur dat ik argumenten heb horen uitspreken door mensen waarvan ik zeker ben dat ze anders hadden willen stemmen. Ik ben blij dat ik tot op het einde heb deelgenomen aan het parlementaire werk en dat ik een keuze durf te maken: ik ben tegen deze wet.

(Applaus van CD&V, CDH en Vlaams Blok)

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 23 januari 2003

's ochtends om 10 uur

Evocatieprocedure

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Stuk 2-1367/1 tot 3.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 71 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Stuk 2-1368/1 en 2.

Evocatieprocedure

Wetsontwerp betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen; Stuk 2-1357/1 tot 3.

Evocatieprocedure

Wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen inzake het politiek verlof voor de personeelsleden van de overheidsdiensten; Stuk 2-1369/1 tot 3.

Art. 81, derde lid, en art. 79, eerste lid, van de Grondwet

Wetsontwerp houdende regeling van de autopsie na het onverwachte en om medisch onverklaarbare redenen overlijden van een kind van minder dan achttien maanden; Stuk 2-409/7 tot 12.

Evocatieprocedure

Wetsontwerp houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid; Stuk 2-1402/1 tot 3. (Pro memorie)

's namiddags om 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Mondelinge vragen.

Hervatting van de agenda van de ochtendvergadering.

Vragen om uitleg:

Vanaf 19 uur:

Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Stemmingen

Wetsontwerp houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie (Stuk 2-1376) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming 12

Aanwezig: 52
Voor: 34
Tegen: 16
Onthoudingen: 2

-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de fusie van de oproepnummers 100 en 101» (nr. 2-936)

De heer Georges Dallemagne (CDH). - De verdedigers van de mensenrechten en het privé-leven maken zich zorgen over de eventuele fusie van de diensten 100 en 101. Ik weet niet of men dat plan zal doorzetten.

Op 15 juli 2002 heeft de groep van experts, samengesteld uit ambtenaren van de ministeries van Volksgezondheid en van Binnenlandse Zaken, een eensgezind advies geformuleerd over een eventuele fusie tussen de diensten 100 en 101. De volgende elementen worden daarin onderstreept: de gegevens die aan de hand van het oproepsysteem 100 werden verzameld, mogen in geen geval aan andere diensten worden meegedeeld; een lid van de politiediensten mag in geen geval een oproep naar het nummer 100 beantwoorden; het centrum van de dienst 100, dat bij wet werd belast met het beheer van de oproepen om dringende medische hulp, mag in geen geval een tweedelijnsdispatching zijn.

Het privé-bedrijf dat werd belast met het opstellen van het verslag, heeft de notulen van de vergaderingen van experts evenwel niet in het verslag opgenomen. Voorts werden het verslag noch de conclusies aan alle leden van de groep bezorgd om ze vóór de verspreiding ervan te bespreken.

Er bestaat een Europese richtlijn over een centraal oproepnummer 112. Die richtlijn verplicht de Staten weliswaar de noodoproepen naar het nummer 112 door bevoegde centra te laten behandelen, eventueel via een parallel oproepsysteem, maar de organisatie van een centraal oproepsysteem voor de politie, het ziekenvervoer en de brandweer is niet verplicht.

In het ontwerp van de minister van Binnenlandse Zaken is tevens sprake van een enige en neutrale meldkamer die de noodoproepen naar de gespecialiseerde meldkamers van de politiediensten, de brandweer en het ziekenvervoer zou leiden. In het ontwerp staan geen bijzonderheden over opleiding, bevoegdheid of prerogatieven van de centralisten. Bovendien wordt met dit systeem een medische tweedelijnsdispatching geïntroduceerd die niet beantwoordt aan de eisen van de moderne medische hulp bij spoedgevallen.

Ten slotte kan men zich afvragen welk verband er is tussen het plan voor de fusie van de oproepnummers 100 en 101 en het ASTRID-systeem. Het uitbouwen van een telecommunicatienetwerk voor de noodhulp- en veiligheidsdiensten komt misschien wel tegemoet aan de behoeften van de politiediensten, maar vereist een dispatching die zeer duur is voor de medische hulpdiensten. Bovendien zijn de huidige problemen van ASTRID bij een recente audit aan het licht gekomen. Tijdens de commissiebesprekingen over de oprichting van ASTRID is duidelijk gezegd dat het telecommunicatienetwerk ASTRID niet zou leiden tot de fusie van de oproepnummers 100 en 101. Tot op heden is de toestand nog altijd niet duidelijk.

Wat zijn uw plannen ter zake? Hoever staat het met de besprekingen? Wat is de meerwaarde van een fusie van de oproepnummers 100 en 101? Volgens de sector zou de fusie geen noemenswaardige verbetering betekenen tegenover het huidige systeem. Ze zou niet beantwoorden aan de behoeften van de gebruikers en aanleiding geven tot problemen inzake het medisch geheim.

Wat is het verband tussen het nieuwe centrale oproepsysteem en het ASTRID-netwerk?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - De Ministerraad van 20 maart 2002 heeft beslist een medische werkgroep van experts samen te stellen onder de leiding van de minister van Volksgezondheid. De heer Dallemagne verwijst naar het eindverslag van die werkgroep. Als hij twijfelt aan de getrouwe weergave van het advies van de werkgroep, verzoek ik hem zich tot de minister van Volksgezondheid, de heer Tavernier, te richten.

Besluit 91/396/EEG van 29 juni 1991 bepaalt inderdaad enkel dat de lidstaten een gemeenschappelijk Europees oproepnummer moeten invoeren. Het is evenwel de bedoeling dat er op termijn een centraal Europees oproepnummer komt. In sommige van onze buurlanden, zoals Nederland, is die trend duidelijk ingezet.

De Ministerraad van 16 oktober 2002 heeft beslist in Luik en in Antwerpen van november 2002 tot december 2005 een proefproject te organiseren met het oog op de totstandbrenging van een geïntegreerd communicatiesysteem voor de hulpdiensten. Daartoe worden een reeks van werkgroepen opgericht waarin de medische diensten evenredig vertegenwoordigd zijn. De juridisch-administratieve werkgroep en de functionele werkgroep zullen bepalen aan welke eisen inzake opleiding en vaardigheden de centralisten moeten beantwoorden. Ze zullen ook nagaan in hoeverre het voorgestelde systeem verenigbaar is met de huidige dringende medische hulpverlening.

Ik onderstreep dat het om een proefproject gaat en dat de dringende medische hulpverlening enkel in een dergelijk systeem kan worden geïntegreerd als de Ministerraad daartoe beslist, na evaluatie van het proefproject en op gezamenlijk voorstel van de betrokken bevoegde ministers.

De meerwaarde van een GMS - Geïntegreerd Meldkamersysteem - is het gevolg van de schaalvergroting op verschillende niveaus.

Het gebruik van dezelfde infrastructuur, zoals zendmasten en lokalen, en gezamenlijk beheer zullen op termijn een besparing opleveren. In absolute cijfers kan het om een aanzienlijk bedrag gaan, gelet op de vrij hoge werkings- en investeringskosten verbonden aan de werking van een noodoproepcentrale.

Het samenbrengen van de dag en nacht bemande oproepcentra leidt tot een meer rationele inzet van het beschikbare personeel. Door de invoering van de intelligente CAD - Computer Aided Dispatching - wordt de werklast verlaagd en kunnen de in te zetten middelen beter worden beheerst. Door de invoering van een uitgebreid beveiligings- en controlesysteem worden de stress bij de werknemers en de kans op menselijke fouten tot een minimum teruggebracht.

Thans bestaat er reeds een schaalvergroting voor de noodoproepcentrales naar het provinciale niveau. Aangezien de behoeften inzake technische middelen, infrastructuur, personeel en beheer van beide centra - zowel 100 als 101 - gelijklopend zijn, is de integratie van beide centra in één GMS per provincie het sluitstuk van dit schaalvergrotingsproces.

Het uitgebreide registratiesysteem van de CAD biedt de mogelijkheid om op zeer eenvoudige wijze allerhande cijfergegevens op te vragen. Aan de hand van deze gegevens kunnen zowel het dagelijks bestuur als de overheid inspelen op de specifieke behoeften.

De bijkomende voordelen van het systeem zijn: snellere communicatie tussen de verschillende diensten die nu in twee verschillende noodoproepcentrales werken; betere coördinatie bij grootschalige incidenten tussen de bevelvoerders van de verschillende diensten die hun informatie van dezelfde CAD ontvangen; meer duidelijkheid voor de bevolking die geen onderscheid meer moet maken tussen 100 en 101.

Wat het medisch geheim betreft, vermeldt de beslissing van de Ministerraad tot het opstarten van het proefproject voor een GMS dat uit de evaluatie van het proefproject moet blijken dat het medisch geheim volstrekt gewaarborgd is. De mogelijkheid van gescheiden toegang van de noodoproepen tot het systeem, de gescheiden behandeling van de oproepen en de granulariteit van de toegang tot de onderliggende databases maken het technisch mogelijk de geheimhouding te verzekeren.

De vertegenwoordigers van de medische wereld moeten er binnen de verschillende werkgroepen voor zorgen dat ze inzake het medisch geheim de nodige waarborgen krijgen.

Dezelfde Ministerraad besliste tevens tot het opstarten van een proefproject in Luik en Antwerpen voor de periode november 2002-december 2005 met het oog op de totstandbrenging van een geïntegreerd communicatiesysteem voor de hulpdiensten, gebaseerd op de tetra-technologie en de Computer Aided Dispatching van de NV ASTRID. Dat betekent dat de NV ASTRID haar technologie en expertise ten dienste stelt van het proefproject.

De heer Georges Dallemagne (CDH). - Ik heb begrepen dat het een proefproject betreft en ik heb de argumenten van de minister voor een fusie van de oproepnummers 100 en 101 genoteerd.

Ik heb evenwel bedenkingen bij het aspect van de besparingen. Er zijn veel klachten over de investeringen voor het ASTRID-systeem, die ten laste vallen van de politie, de gemeenten en eventueel ook van de medische hulpdiensten.

Er moet op zijn minst worden nagegaan of de basishypothese wel klopt.

Naast de schaalvergroting en de betere coördinatie moeten we ook rekening houden met de medische deontologie, het medisch geheim en de efficiëntie. Sommige mensen zullen misschien aarzelen om medische hulp in te roepen omdat ze een misdrijf of een overtreding hebben begaan.

Ik dring erop aan dat deze problemen verder worden onderzocht en dat er geen maatregelen worden genomen die contraproductief werken.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Het is mij er in de eerste plaats om te doen de coördinatie van de noodhulp zo goed mogelijk te organiseren.

Wie op de weg een ongeluk krijgt, wil zo vlug mogelijk worden geholpen. Wie het slachtoffer te hulp komt, is niet belangrijk. Wat telt, is dat er hulp opdaagt. Die hulp moet zo professioneel mogelijk worden georganiseerd. Dat is het uiteindelijke doel.

Op dat vlak moeten er een aantal problemen worden opgelost. Het enige voorbeeld dat wordt aangehaald om het probleem van het medisch geheim te illustreren, is dat van de gedrogeerde die de hulpdiensten niet durft te bellen omdat hij bang is dat de politiediensten het bericht zullen onderscheppen.

Ook al is dat het enige voorbeeld, toch moeten we er aandacht voor hebben.

Men heeft mij verzekerd dat het probleem kan worden opgelost doordat het medisch geheim gewaarborgd is.

Het proefproject zal meer dan twee jaar duren en we zullen ons ervan vergewissen of ter zake alle noodzakelijke maatregelen zijn genomen.

Er zijn overigens nog andere geheimen die bewaard moeten blijven. Het is technisch gezien mogelijk dat er ook gerechtelijke tussenkomsten plaatsvinden. Met dit systeem kan het niveau van de dienstverlening aan burgers in nood worden verbeterd.

De heer Georges Dallemagne (CDH). - Ik deel uw bezorgdheid. Het is mogelijk dat de spoeddiensten van ziekenhuizen patiënten binnenbrengen die een misdrijf hebben gepleegd. Veel artsen vrezen dat er verwarring zal ontstaan wanneer ze te maken krijgen met personen die ze uit deontologische overwegingen moeten verzorgen, ongeacht het feit dat ze een misdrijf hebben gepleegd. Iemand die zich bij het plegen van een inbraak zwaar heeft verwond, mag niet afzien van medische verzorging omdat hij vreest dat hij zal worden vervolgd. We moeten zulke reacties voorkomen.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «de terugbetaling van interferon in het kader van multiple sclerose» (nr. 2-929)

De heer Georges Dallemagne (CDH). - Sommigen zullen mijn vraag misschien onbelangrijk vinden, maar voor de slachtoffers van multiple sclerose, vooral de minderjarigen, is ze dat allerminst.

Voor de behandeling van de relapsing-remitting beloopsvorm van multiple sclerose wordt in multicentrische Europese en Amerikaanse studies het gebruik aangeraden van Rebif 44 µg - bèta-interferon - driemaal per week, wat de aanvallen met ongeveer 30% doet afnemen.

Hoewel dit bemoedigende vaststellingen zijn - rekening houdend met de beperkte mogelijkheden om multiple sclerose te behandelen - worden ze niet aanvaard door het Comité voor Terugbetaling van Geneesmiddelen. Rebif 44 µg wordt in alle landen van de Europese Unie, in Canada en de Verenigde Staten terugbetaald, maar niet in België!

In afwachting van terugbetaling door het RIZIV heeft de firma Serono, die Rebif produceert, uit medelijden beslist om tot einde 2002 Rebif 44 ter beschikking te stellen van de patiënten.

Wat de neurologen vreesden en waarvoor ze u in een brief van juli 2002 waarschuwden, werd bewaarheid. Het koninklijk besluit, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 20 september 2002, erkent de terugbetaling van Rebif 22 µg, maar niet van Rebif 44 µg!

Die beslissing leidt tot drie problemen:

Een ethisch en farmacologisch probleem: de verschillende multicentrische studies zijn gebaseerd op het toedienen van drie injecties per week van 44 µg. We weten niet of zes injecties van 22 µg hetzelfde resultaat hebben.

Een probleem voor de patiënt: de injecties zijn pijnlijk en twee injecties van 22 µg om de twee dagen brengen onnodig veel lijden teweeg, naast de psychologische aspecten van het steeds weer aan de ziekte te worden herinnerd.

Een aanzienlijke toename van de kosten van de gezondheidszorg. Mits de controlerend geneesheer akkoord gaat, betaalt het RIZIV per week zes dosissen Rebif 22 µg terug.

De firma Serono vraagt voor Rebif 44 µg een prijs die 125% bedraagt van de prijs van Rebif 22 µg. De totale prijs van de behandeling zou dus twee derden bedragen van de huidige prijs.

Sommige ziekenfondsen hebben uw vertegenwoordigers in het Comité voor de Terugbetaling van Geneesmiddelen gewezen op de onredelijke gevolgen van het koninklijk besluit van september 2002.

Mijnheer de minister, graag had ik vernomen of u in het licht van de aangehaalde argumenten overweegt Rebif 44 µg in de toekomst terug te betalen, naar het voorbeeld van de andere Europese landen en van Noord-Amerika?

Is dat niet het geval, geeft u zich dan wel rekenschap van de financiële en farmacologische consequenties en van het nutteloos lijden van de patiënten wier behandeling niet wordt terugbetaald?

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Bij de evaluatie van het dossier Rebif 44 in juni 2002 heeft het Comité voor de Terugbetaling van de Geneesmiddelen voorgesteld de terugbetaling gelijk te stellen aan die van Rebif 22 aangezien de therapeutische meerwaarde van Rebif 44 ten opzichte van Rebif 22 niet bewezen is.

Rekening houdend met de kostprijs is een behandeling van vier weken met Rebif 44, 56% duurder dan met Avonex of Betaferon en Rebif 44 is bijna 49% duurder dan Rebif 22.

Aangezien er geen enkel prijsakkoord bestaat, komt deze specialiteit niet in aanmerking voor terugbetaling.

De terugbetaling van Rebif 44 in België blijft mogelijk tegen dezelfde prijs als de andere vergelijkbare producten. De meerwaarde ten opzichte van andere behandelingen is immers niet aangetoond.

De heer Georges Dallemagne (CDH). - De minister heeft mijn vragen niet volledig beantwoord.

De geneesheren die multiple sclerose behandelen, zijn het erover eens dat Rebif 44 zijn nut heeft bewezen. De resultaten zijn algemeen erkend en het is in alle Europese landen, behalve in België, de standaardbehandeling geworden.

U zegt dat er geen verschil is tussen Rebif 22 en Rebif 44, maar met die opvatting ben ik het niet eens. Ze is niet alleen in strijd met de gegevens uit de medische literatuur, maar ook met de medische gegevens en praktijk in heel Europa en Noord-Amerika. Misschien moet u uw opvattingen herzien.

De geneesheren kiezen voor deze behandeling omdat ze volgens hen de beste is. Uiteindelijk valt een behandeling met Rebif 22 duurder uit. Ik vraag u nogmaals uw beslissing te herzien.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Justitie over «de juridische bijstand» (nr. 2-934)

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Zoals u weet, mijnheer de minister, passen de balies de wet op de juridische bijstand met veel zorg en enthousiasme toe. Toch moeten we eens bekijken hoe het staat met de middelen die de advocaten ontvangen om deze taak te volbrengen.

1. Hoe is het aantal dossiers waarin juridische bijstand wordt toegekend, de jongste jaren geëvolueerd?

2. Wat is de verdeling van deze dossiers over de balies?

3. Hoe evolueert het totaal bedrag van de enveloppe voor juridische bijstand? Dat is een belangrijke vraag, want ik heb soms de indruk dat het een gesloten enveloppe is en dat de middelen die worden toegekend aan de advocaten die meewerken aan de juridische bijstand, slinken.

4. Hoe is de waarde van het punt de jongste jaren geëvolueerd? Ieder dossier wordt onderzocht en het aantal punten hangt af van de aard van het dossier.

Mijnheer de minister, enkele maanden geleden had u het over een nieuw ontwerp dat de drempel voor de juridische bijstand zou verhogen. Kan dat ontwerp nog worden afgewerkt? Als de drempels voor de juridische bijstand hoger wordt, zou het aantal aanstellingen wel eens kunnen toenemen. Wordt een herwaardering van de waarde van het punt uw inziens dan niet nog onontbeerlijker?

Ik weet dat de verschillende balies hun berekeningen maken over de waarde van het punt en dat er met de verdeling van de enveloppes problemen beginnen te rijzen.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Mijn antwoord zal uiteraard technisch zijn.

Als antwoord op de eerste en tweede vraag: het aantal zaken bedraagt 56.534 voor het gerechtelijk jaar 1997-1998, 58.710 voor 1998-1999 en 69.110 voor 200-2001.

Voor de verdeling beperk ik me tot de cijfers voor de balie van Brussel: 14.994 dossiers in 1999, 13.283 in 2000 en 13.817 in 2002. Ik zal u het document met de verdeling voor heel het land bezorgen.

Uw derde vraag had betrekking op de evolutie van de enveloppe voor de financiering van de juridische bijstand. De begrotingsenveloppe bedraagt 580 miljoen frank voor het gerechtelijk jaar 1997-1998, 758 miljoen frank voor 1998-1999, 908 miljoen frank voor 1999-2000 en 25,274 miljoen euro, of meer dan een miljard frank voor 2001-2001.

Een punt was goed voor 677,19 frank in het gerechtelijk jaar 1997-1998, voor 837,984 frank in 1998-1999, voor 918,56 frank in 1999-2000 en voor 21,14 euro in 2000-2001.

Op uw laatste vraag betreffende de eventuele herwaardering van de waarde ten gevolge van de regeringsontwerpen houdende verhoging van de drempels tot de juridische bijstand, kan ik antwoorden dat de budgetten voor de gerechtelijke tweedelijnsbijstand in stijgende lijn gaan. Het door de ministerraad goedgekeurd ontwerp voorziet niet in een verhoging van de inkomensschalen voor de rechthebbenden van de gerechtelijke tweedelijnsbijstand. Vanzelfsprekend moeten we de evolutie van de budgetten blijven volgen.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik zal alle cijfers die u mij bezorgt, aandachtig doornemen. De balies beschikken misschien over andere cijfers. Dit vergt een diepgaande analyse. Ik wilde weten of de waarde van het punt niet daalde, omdat ik mij zorgen maak over de ontmoediging van al wie vrijwillig meewerkt aan de juridische tweedelijnsbijstand.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Wij stellen vast dat ondanks een toename van de begroting, ook het aantal zaken toeneemt, wat een weerslag heeft op de waarde van het punt.

Wij moeten dit zeer aandachtig blijven volgen en in de toekomst moeten er misschien bijkomende inspanningen worden geleverd.

-Het incident is gesloten.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergaderingen vinden plaats donderdag 23 januari 2003 om 10 uur en om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 18.10 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de heren Colla en Moens, met opdracht in het buitenland, de heer Dubié, in het buitenland, de heer Malmendier, om persoonlijke redenen, mevrouw Cornet d'Elzius, om gezondheidsredenen, en de heer Vandenbroeke, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 51
Voor: 15
Tegen: 35
Onthoudingen: 1

Voor

Michel Barbeaux, Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen.

Tegen

Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Jean Cornil, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Jacques Devolder, Paul Galand, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Martine Taelman, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.

Onthoudingen

Anne-Marie Lizin.

Stemming 2

Aanwezig: 51
Voor: 12
Tegen: 35
Onthoudingen: 4

Voor

Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Anne-Marie Lizin, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Wim Verreycken.

Tegen

Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Jean Cornil, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Jacques Devolder, Paul Galand, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Martine Taelman, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.

Onthoudingen

Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, René Thissen, Magdeleine Willame-Boonen.

Stemming 3

Aanwezig: 51
Voor: 16
Tegen: 35
Onthoudingen: 0

Voor

Michel Barbeaux, Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Anne-Marie Lizin, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen.

Tegen

Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Jean Cornil, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Jacques Devolder, Paul Galand, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Martine Taelman, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.

Stemming 4

Aanwezig: 51
Voor: 11
Tegen: 35
Onthoudingen: 5

Voor

Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Wim Verreycken.

Tegen

Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Jean Cornil, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Jacques Devolder, Paul Galand, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Martine Taelman, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.

Onthoudingen

Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Anne-Marie Lizin, René Thissen, Magdeleine Willame-Boonen.

Stemming 5

Aanwezig: 51
Voor: 17
Tegen: 33
Onthoudingen: 1

Voor

Michel Barbeaux, Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jean-Marie Happart, Anne-Marie Lizin, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen.

Tegen

Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Jean Cornil, Olivier de Clippele, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Jacques Devolder, Paul Galand, Michel Guilbert, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Martine Taelman, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.

Onthoudingen

Armand De Decker.

Stemming 6

Aanwezig: 52
Voor: 12
Tegen: 36
Onthoudingen: 4

Voor

Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Anne-Marie Lizin, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Wim Verreycken.

Tegen

Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Jean Cornil, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Jacques Devolder, Paul Galand, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Martine Taelman, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.

Onthoudingen

Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, René Thissen, Magdeleine Willame-Boonen.

Stemming 7

Aanwezig: 52
Voor: 16
Tegen: 35
Onthoudingen: 1

Voor

Michel Barbeaux, Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Anne-Marie Lizin, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen.

Tegen

Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Jean Cornil, Olivier de Clippele, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Jacques Devolder, Paul Galand, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Martine Taelman, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.

Onthoudingen

Armand De Decker.

Stemming 8

Aanwezig: 51
Voor: 15
Tegen: 34
Onthoudingen: 2

Voor

Michel Barbeaux, Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Anne-Marie Lizin, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen.

Tegen

Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Jean Cornil, Olivier de Clippele, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Jacques Devolder, Paul Galand, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Martine Taelman, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.

Onthoudingen

Armand De Decker, René Thissen.

Stemming 9

Aanwezig: 52
Voor: 12
Tegen: 35
Onthoudingen: 5

Voor

Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Anne-Marie Lizin, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Wim Verreycken.

Tegen

Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Jean Cornil, Olivier de Clippele, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Jacques Devolder, Paul Galand, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Martine Taelman, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.

Onthoudingen

Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Armand De Decker, René Thissen, Magdeleine Willame-Boonen.

Stemming 10

Aanwezig: 51
Voor: 17
Tegen: 33
Onthoudingen: 1

Voor

Michel Barbeaux, Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jean-Marie Happart, Anne-Marie Lizin, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen.

Tegen

Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Jean Cornil, Olivier de Clippele, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Jacques Devolder, Paul Galand, Michel Guilbert, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Martine Taelman, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.

Onthoudingen

Armand De Decker.

Stemming 11

Aanwezig: 52
Voor: 16
Tegen: 35
Onthoudingen: 1

Voor

Michel Barbeaux, Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Anne-Marie Lizin, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen.

Tegen

Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Jean Cornil, Olivier de Clippele, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Jacques Devolder, Paul Galand, Michel Guilbert, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Martine Taelman, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.

Onthoudingen

Armand De Decker.

Stemming 12

Aanwezig: 52
Voor: 34
Tegen: 16
Onthoudingen: 2

Voor

Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Jean Cornil, Olivier de Clippele, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Jacques Devolder, Paul Galand, Michel Guilbert, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Martine Taelman, Jacques Timmermans, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille.

Tegen

Michel Barbeaux, Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Anne-Marie Lizin, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen.

Onthoudingen

Armand De Decker, Jean-Marie Happart.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsvoorstel betreffende de instelling, de organisatie, de bevoegdheid en de werkwijze van de administratieve rechtbanken (van mevrouw Clotilde Nyssens c.s.; Stuk 2-1419/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997 met betrekking tot de procedure van verificatie van schuldvorderingen (van mevrouw Martine Taelman; Stuk 2-1418/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Voorstel van resolutie

Voorstel van resolutie betreffende de nood aan een wettelijk kader inzake de uithuisplaatsing van daders van intrafamiliaal geweld (van mevrouw Meryem Kaçar c.s.; Stuk 2-1420/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft de volgende vraag om uitleg ontvangen:

van de heer Georges Dallemagne aan de eerste minister over "het standpunt van de Belgische regering over de toestand in Irak" (nr. 2-942)

-Deze vraag wordt naar de plenaire vergadering verzonden.

Non-evocatie

Bij boodschap van 10 januari 2003 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de koninklijke bekrachtiging, het volgende niet geëvoceerde wetsontwerp:

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen met betrekking tot de veralgemening van de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (Stuk 2-1406/1).

-Voor kennisgeving aangenomen.

Indiening van wetsontwerpen

De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds, en de Regering van Roemenië, anderzijds, betreffende de Overname van onregelmatig binnengekomen of verblijvende personen, en met de Aanhangsels I en II, ondertekend te Boekarest op 6 juni 1995 (Stuk 2-1415/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende Internationale akten:

1. Het Verdrag nr. 180 betreffende de werktijden van de zeevarenden en de bemanning van schepen aangenomen te Genève op 22 oktober 1996 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar vierentachtigste zitting;

2. Het Protocol van 1996 betreffende de koopvaardijschepen (minimumnormen) van 1976, aangenomen te Genève op 22 oktober 1996 door de Internationale Arbeidsconferentie tijdens haar vierentachtigste zitting. (Stuk 2-1416/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van het Koninkrijk Noorwegen inzake het leggen van de "Norfra" gaspijpleiding op het Belgische continentaal plat, en met de Bijlagen 1, 2 en 3, ondertekend te Brussel op 20 december 1996 (Stuk 2-1417/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationaal luchtvervoer, gedaan te Montreal op 28 mei 1999 (Stuk 2-1421/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Amortisatiekas

Bij brief van 18 december 2002 heeft de eerste voorzitter van het Rekenhof, overeenkomstig artikel 8 van de wet van 2 augustus 1955 houdende opheffing van het Fonds tot delging der staatsschuld, aan de Senaat overgezonden, de beheersrekening van de Amortisatiekas over het jaar 2001.

-Neergelegd ter Griffie.

Bestrijding van de mensenhandel

Bij brief van 8 januari 2003 heeft de minister van Justitie aan de Senaat overgezonden, overeenkomstig artikel 12 van de wet van 13 april 1995 houdende bepalingen tot bestrijding van de mensenhandel en van de kinderpornografie, het verslag van de Regering inzake de bestrijding van mensenhandel en kinderpornografie en de toepassing van de wet van 13 april 1995.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie en de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Centrale Raad voor het Bedrijfsleven

Bij brief van 19 december 2002 heeft de voorzitter van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, overeenkomstig artikel 1 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven aan de Senaat overgezonden, het advies van de Bijzondere Raadgevende Commissie voor het Papier betreffende het voorontwerp federaal richtplan-productiebeleid en milieu (2003-2005), goedgekeurd tijdens zijn plenaire vergadering van 19 december 2002.

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Kruispuntbank van de sociale zekerheid

Bij brief van 16 december 2002 heeft de voorzitter van het Toezichtscomité bij de Kruispuntbank van de sociale zekerheid, overeenkomstig artikel 46, 9º, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, aan de Senaat overgezonden, het activiteitenverslag van het Toezichtscomité bij de Kruispuntbank van de sociale zekerheid voor 2002.

Het activiteitenverslag kan ook geraadpleegd worden op het volgende webadres:
http://www.ksz-bcss.fgov.be/documentation/nl/organisation/Verslag-n.pdf

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.