4-107

4-107

Belgische Senaat

4-107

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 7 JANUARI 2010 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Onderzoek van de geloofsbrieven en eedaflegging van een nieuw lid

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Wetsontwerp houdende instemming met het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning, aangenomen te New York op 20 december 2006 (Stuk 4-1505)

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Franse Republiek betreffende de uitwisseling van informatie en van persoonsgegevens over houders van een inschrijvingsbewijs van voertuigen opgenomen in de nationale inschrijvings- en kentekenregisters, teneinde verkeersovertredingen te bestraffen, ondertekend te Parijs op 13 oktober 2008 (Stuk 4-1512)

Voorstel van resolutie inzake het Facultatief Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) (van mevrouw Olga Zrihen c.s.; Stuk 4-1475)

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het beschikbaarheidshonorarium voor dokters van wacht»(nr. 4-1326)

Vraag om uitleg van de heer Benoit Hellings aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over «de situatie in Georgië»(nr. 4-1338)

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de minister van Justitie over «geïnterneerden die psychiatrische hulp behoeven»(nr. 4-1334)

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de minister van Justitie en aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen en aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de procedure om op het internet aangeboden gestolen goederen terug te vorderen»(nr. 4-1335)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Onderzoek van de geloofsbrieven en eedaflegging van een nieuw lid

De voorzitter. - Bij de Senaat is het dossier aanhangig van de heer Yoeri Vastersavendts, senator-opvolger voor het Nederlandse kiescollege.

Het Bureau is zopas bijeengekomen om de geloofsbrieven van de heer Vastersavendts te onderzoeken.

Ik stel u voor onmiddellijk het verslag van het Bureau te horen.

Het woord is aan de heer Verwilghen om voorlezing te doen van het verslag van het Bureau.

De heer Marc Verwilghen (Open Vld), rapporteur. - Het Bureau heeft de geloofsbrieven onderzocht van de heer Yoeri Vastersavendts, derde opvolger van de lijst nr. 6 (Open Vld), die in aanmerking komt om de heer Patrik Vankrunkelsven te vervangen, die op 4 januari jongstleden ontslag heeft genomen als rechtstreeks verkozen senator.

Het Bureau heeft vastgesteld dat de senator-opvolger nog steeds de verkiesbaarheidsvoorwaarden vervult.

Bijgevolg heeft het Bureau de eer u voor te stellen de heer Yoeri Vastersavendts toe te laten als lid van de Senaat.

De voorzitter. - Daar niemand het woord vraagt, breng ik de besluiten van het verslag in stemming.

-De besluiten van het verslag worden aangenomen bij zitten en opstaan.

De voorzitter. - Ik verzoek de heer Vastersavendts de grondwettelijke eed af te leggen.

-De heer Yoeri Vastersavendts legt de grondwettelijke eed af.

De voorzitter. - Ik geef de heer Yoeri Vastersavendts akte van zijn eedaflegging en verklaar hem aangesteld in zijn functie van senator. (Algemeen applaus)

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Alain Courtois aan de minister van Justitie over «het veiligheidspersoneel bij de overbrenging en in de rechtbanken» (nr. 4-1012)

De heer Alain Courtois (MR). - Ik kom geregeld terug op de problematiek van het veiligheidskorps dat instaat voor de overbrenging van gedetineerden van de gevangenis naar het gerechtshof waar de correctionele zittingen plaatsvinden.

Ik verneem dat de situatie, vooral dan in Brussel, helemaal niet is verbeterd; zittingen van de rechtbank van eerste aanleg of van het hof van beroep beginnen te laat omdat men moet wachten op de gedetineerden.

Uit hoeveel personen bestaat het veiligheidskorps dat in het gerechtelijk arrondissement Brussel instaat voor de overbrenging van gedetineerden? Welke opleiding genoten ze? Op grond van welke criteria acht men ze geschikt om gedetineerden over te brengen naar en te bewaken tijdens de zitting?

In de rechtszalen is de federale politie niet of slechts in geringen getale aanwezig zodat het risico op agressies reëel is en de kans dat niet wordt overgegaan tot onmiddellijke aanhouding, groot. Wat denkt de minister van de aanwezigheid van de militaire politie in de rechtszalen, zoals ik naar het voorbeeld van hun aanwezigheid in onze parlementaire assemblees in een wetsvoorstel heb gesuggereerd? Zo zouden de magistraten zich veiliger voelen.

Ik begrijp niet waarom men de zaalwachters wil afschaffen; ze vormen de band tussen de rechtzoekende en het gerechtelijk apparaat, vooral dan bij zaken waarin de rechtzoekende persoonlijk dient te verschijnen.

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Het veiligheidskorps dat instaat voor de overbrenging van gedetineerden van de gevangenis naar de rechtbank, bestaat in het gerechtelijk arrondissement Brussel uit 124 beambten: 39 ervan zijn ingedeeld bij de politiezone Brussel-Zuid en 85 bij de politiezone Brussel-Hoofdstad-Elsene. Die beambten treden uiteraard alleen op in dossiers zonder bijzonder risico. Voor andere dossiers wordt een beroep gedaan op de federale politie.

Het koninklijk besluit van 1 juli 2003 betreffende de selectie, de opleiding en de aanwerving van veiligheidsbeambten bij het veiligheidskorps voor de politie van hoven en rechtbanken en voor de overbrenging van gevangenen bij de Federale Overheidsdienst Justitie bepaalt dat elke veiligheidsbeambte binnen de drie maanden na zijn indiensttreding een opleiding van 46 dagen moet volgen. Tijdens die verplichte opleiding verwerft de veiligheidsbeambte de vaardigheden die vereist zijn om al zijn opdrachten correct te kunnen vervullen. De opleiding behelst een theoretisch deel, een praktisch deel, en een stage. Bovendien kunnen de beambten met voortgezette opleidingen hun vaardigheden up-to-date houden.

De opdrachten en bevoegdheden van de veiligheidsbeambten zijn bepaald bij wet van 25 februari 2003 houdende de inrichting van de functie van veiligheidsbeambte met het oog op de uitvoering van taken die betrekking hebben op de politie van hoven en rechtbanken en de overbrenging van gevangenen. Samen met mijn collega van Binnenlandse Zaken zoek ik naar een evenwicht tussen die verschillende opdrachten.

Voor de rechtszittingen doen we in dossiers met een risico een beroep op de lokale politie. Dat is trouwens een van haar opdrachten.

Het probleem van de zaalwachters komt ter sprake in het raam van de besparingen bij het departement Justitie. Ik ben niet voornemens dat systeem af te schaffen, maar we moeten het wel opnieuw evalueren. Ik heb wel gevraagd dat men hun prestaties zou beperken, aangezien die sterk uiteenlopen al naargelang een rechtbank van dat systeem gebruik maakt.

De dienstverlening aan de burger en de organisatie van de rechtszittingen zullen in geen geval te lijden hebben onder die maatregel. Er is voldoende ondersteunend personeel beschikbaar en sinds de hervorming van het personeelsstatuut kunnen we personeelsleden van het vroegere niveau 4, voor wie een ontvangstprofiel is uitgetekend, nu ook inzetten voor de ontvangst van de rechtzoekende en bij de organisatie van de rechtszittingen.

Over dat alles zal overleg plaatsvinden met de betrokken korpschefs. Daartoe heb ik al eerder het initiatief genomen.

De heer Alain Courtois (MR). - Ik dank de minister voor zijn zeer precieze antwoorden. Hij zegt terecht dat hij met de maatregel inzake de zaalwachters de goede gang van zaken enigszins heeft verstoord. Het verheugt me dat er overleg plaatsvindt, want iedereen weet dat de zaalwachters een belangrijke rol spelen voor de rechtzoekende die zonder advocaat terechtkomt in een wereld waarmee hij niet vertrouwd is.

Ik kom terug op de zittingen van de strafrechtbank - eerste aanleg en beroep - waar bij afwezigheid van politie in de rechtszaal een probleem zou kunnen rijzen.

Vroeger waren er politieagenten aanwezig op de rechtszittingen en durfden de parketten de onmiddellijke aanhouding eisen. Vandaag durven ze dat niet meer. Sommige mensen met slechte bedoelingen zouden het gemunt kunnen hebben op een magistraat als die tijdens de uitoefening van zijn ambt een straf uitspreekt of een aanhouding eist.

U bent niet ingegaan op mijn suggestie om de militaire politie in onze rechtszalen in te zetten, maar ik blijf ervan overtuigd dat een dergelijke maatregel het overdenken waard is.

Mondelinge vraag van de heer Joris Van Hauthem aan de eerste minister, belast met de Coördinatie van het Migratie- en asielbeleid over «de verklaringen van de eerste minister dat deze regering geen staatshervorming meer zal doorvoeren» (nr. 4-1021)

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Bij zijn aantreden zei de premier dat hij het beleid van zijn voorganger zou voortzetten. Dat bestond uit vijf werven: het energiedossier, de begrotingsproblematiek, de staatshervorming, Brussel-Halle-Vilvoorde en het asiel- en migratievraagstuk.

Over de begroting kunnen we kort gaan: die is min of meer een puinhoop. In het energiedossier is er veel geklungeld. Voor het asiel- en migratievraagstuk is er absoluut geen afdoende oplossing gevonden. Er bleven voor de premier bijgevolg maar twee werven over, de staatshervorming en Brussel-Halle-Vilvoorde. Dat laatste dossier is intussen in de coulissen beland bij gewezen premier Dehaene. En over de staatshervorming zei de premier in recente interviews dat die niet meer voor deze legislatuur is.

In feite kan de premier er vandaag dus mee stoppen, want er blijven geen werven meer over, tenzij wat in gang is gezet een beetje beheren. Kortom alleen een beetje notaris spelen.

Ik begrijp niet goed dat de premier, die in 2004 als minister-president van de Vlaamse regering in het Vlaams Parlement een regeerakkoord indiende met bijzonder verregaande communautaire eisen inzake de staatshervorming en BHV, sinds hij naar het federale niveau is verkast, al die Vlaamse eisen in de koelkast steekt. Nochtans beweerde hij naar het federale niveau te willen gaan precies om de Vlaamse belangen beter te dienen. Vandaag verdedigt hij het samenwerkingsfederalisme, zeker op het vlak van tewerkstelling, terwijl hij over tewerkstellingsmaatregelen in het verleden al een paar keer in aanvaring is gekomen met de Vlaamse regering. Dat zal in de toekomst zonder twijfel nog gebeuren.

De premier pleit vandaag zelfs voor samenvallende verkiezingen, waarbij hij argumenteert dat zij die aparte verkiezingen als het summum van autonomie zien, het helemaal mis hebben. Premier, u sprak wel anders toen u Vlaams minister-president was!

De premier gaat dus zeer duidelijk voor het institutionele status-quo, terwijl zowat iedereen ervan overtuigd is dat een staatshervorming geen speeltje voor politici is, maar een ingreep met herverdeling van bevoegdheden, zodat een afdoend antwoord kan worden geboden aan de crisis die we vandaag meemaken. Dat antwoord moet namelijk op maat zijn van de verschillende deelstaten, omdat de problematiek in die deelstaten verschillend is. De premier heeft geen behoefte meer aan een staatshervorming vóór 2011 en hij voegt er zelfs aan toe dat het ook niet meer prioritair is voor de Vlaamse regering.

Ik kreeg van de premier dan ook graag antwoord op volgende vragen.

Bestaat er binnen de regering een consensus dat het onderdeel staatshervorming van het regeerakkoord niet wordt uitgevoerd?

Waarom stelt hij de staatshervorming uit, hoewel de premier zelf en zijn partij herhaaldelijk hebben gezegd dat een staatshervorming noodzakelijk is om de gevolgen van de crisis efficiënt en op maat te kunnen bestrijden?

Waar haalt de premier het vandaan dat de staatshervorming voor de Vlaamse regering niet belangrijk zou zijn, terwijl in het Vlaams parlement de minister-president het gisteren nog anders formuleerde?

Impliceert het opgeven van een staatshervorming tijdens deze legislatuur dat de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde kan en zal worden doorgevoerd los van een verdere staatshervorming?

De heer Yves Leterme, eerste minister, belast met de Coördinatie van het Migratie- en asielbeleid. - Allereerst wens ik iedereen hier aanwezig een gelukkig nieuwjaar, succes, een goede gezondheid en veel persoonlijk geluk.

Ik heb inderdaad enkele verklaringen afgelegd over het dossier van de staatshervorming. In de huidige economische context mogen we de moeilijkheden die we ondervinden bij het realiseren van dat belangrijke streven uit ons regeerprogramma niet als alibi gebruiken om geen maatregelen te nemen waarmee we stap voor stap de economische crisis te lijf gaan. Reeds een drietal jaren nemen we dergelijke maatregelen en ze leiden tot resultaat: uit alle internationale statistieken blijkt dat ons land tot nu toe beter dan andere lidstaten van de Europese Unie de economische recessie weerstaat. Daarom moeten we dat beleid doorzetten. Ik heb deze week dan ook opgeroepen tot samenwerking tussen de diverse maatschappelijke actoren, de diverse overheden van ons land en de sociale partners. Ik wil senator Van Hauthem op één punt corrigeren: de oproep tot samenwerkingsfederalisme heb ik vijf jaar geleden gedaan, namelijk op 5 maart 2005, als minister-president van de Vlaamse regering. Over samenvallende verkiezingen heb ik toen, en ook deze week gezegd dat ik voorstander ben van samenvallende verkiezingen. Op dat punt ben ik consequent bij mijn standpunt gebleven.

Wat de plaats van de staatshervorming in de politieke actie van de regering betreft, verwijs ik naar de regeringsverklaring van 25 november laatstleden. Ik citeer: `Institutionele discussies verlammen al te lang het optimaal functioneren van dit land.

Jean-Luc Dehaene werd belast met het maken van een voorstel ten gronde voor de eerste minister en de voorzitters van de meerderheidspartijen, die de onderhandelingen zullen voeren inzake institutionele problemen en in het bijzonder inzake Brussel-Halle-Vilvoorde. (...)

Het doel van de regering is het Belgische model te doen slagen door een akkoord dat het land institutionele rust brengt.' De regering wacht dus nu, zoals afgesproken, het resultaat af van de opdracht van de koninklijke opdrachthouder.

Laat daarover geen misverstand bestaan! Het blijft mijn vaste overtuiging dat het land nood heeft aan een staatshervorming, aan een herschikking van bevoegdheden, een vervollediging van bevoegdheden op onder meer gewestelijk vlak, en ook een herschikking van verantwoordelijkheden, onder meer financiële en fiscale verantwoordelijkheden. Dat is nodig om ons land goed toe te rusten om vandaag en in de toekomst de problemen, onder meer de sociaaleconomische problemen, terdege aan te pakken. Nogmaals, het feit dat tot nu toe op dat vlak geen resultaat is geboekt mag niet als alibi dienen, zoals soms is gebeurd in het verleden, om inactief te zijn in de bestrijding van de crisis.

Ik ben eerste minister van de federale regering. Die regering werkt en neemt beslissingen op een kordate en krachtdadige manier. Ik denk aan het deblokkeren van een ophanden zijnd belangenconflict, aan de krachtdadige beslissingen in verband met de verlenging van de crisismaatregelen, aan de punten die wekelijks op de agenda van de Ministerraad staan. Ik zal mij niet uitspreken over de prioriteiten van de Vlaamse regering. Ik stel wel vast dat de Vlaamse regering ook bereid blijft om in dialoog met de federale overheid en de andere gemeenschappen en gewesten een staatshervorming tot stand te brengen en de crisis te bestrijden. Ik sluit me overigens aan bij de woorden van collega Peeters gisteren in het Vlaams Parlement. Op het ogenblik blijkt een akkoord over de staatshervorming niet tot de mogelijkheden te behoren. Wat vandaag niet aan de orde is, kan dat morgen uiteraard wél zijn. Overigens heb ik vastgesteld dat de dialoog van gemeenschap tot gemeenschap, die op initiatief van de Vlaamse gemeenschap is opgestart, werd afgerond en dat sindsdien geen initiatieven meer zijn genomen.

Tot slot nog een paar woorden over het samenwerkingsfederalisme. Ik heb al verwezen naar mijn toespraak van 5 maart 2005 in het Europees Parlement en naar de tekst die ik heb verspreid. Het jaar 2010 blijft een jaar waar prioritair de impact van de crisis op de arbeidsmarkt moet worden beperkt. Maar daarnaast moet in 2010 op de verschillende bestuursniveaus, en ook het Europese, meer aandacht gaan naar een verdieping en aanpassing van ons economische beleid.

De bevoegdheden voor vier, vijf, zes domeinen van het structurele economische beleid die van doorslaggevend belang zijn voor onze toekomst, liggen versnipperd over de verschillende bestuursniveaus. Het is niet meer duidelijk wie waarvoor verantwoordelijk is. Ik denk bijvoorbeeld aan innovatie, onderzoek en ontwikkeling, maar ook aan het arbeidsmarktbeleid, waarover in december nog een belangenconflict was gerezen, dat we echter snel hebben kunnen ontmijnen.

Ik denk ook aan de infrastructuur van België als toegangspoort tot een Europese markt van 500 miljoen consumenten, de haven van Antwerpen, de haven van Luik en de rol van de federale spoorwegen in het beleid dat ook vanuit Vlaanderen wordt gevoerd om zijn logistieke mogelijkheden te ontwikkelen.

Voorts denk ik aan onze plaats op de internationale handelsmarkt, aan ons vermogen om investeringen aan te trekken en onze export te promoten, aan ons diplomatieke netwerk, dat faciliterend moet optreden voor de gewesten en de gemeenschappen, om zo hun belangen te verdedigen.

Voor al die voorbeelden moet het federalisme van de samenwerking een plus betekenen. Twee essentiële voorwaarden om hierin te slagen, zijn de goede wil om tot resultaten te komen en de wil om het voorlopig uitblijven van een staatshervorming niet te gebruiken als alibi voor inertie.

De federale regering bestuurt, neemt krachtdadig maatregelen om de sociaaleconomische crisis te bestrijden. Ze slaagt daarin zoals blijkt uit onder andere de statistieken van de Europese Unie en wil haar aanpak de komende weken en maanden volhouden.

Op het juiste moment zal de regering inzake de staatshervorming de vereiste initiatieven nemen en de nodige impulsen geven.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Het is juist dat de staatshervorming niet mag worden aangegrepen als alibi om niet op te treden tegen de gevolgen van de sociaaleconomische crisis, vooral dan op het vlak van de werkgelegenheid.

Vandaag spreekt de eerste minister zichzelf echter tegen. Hij gebruikt de sociaaleconomische crisis als argument om geen vooruitgang te hoeven boeken op het vlak van de staatshervorming, terwijl hij in het tweede deel van zijn betoog zelf in verschillende punten aangeeft hoe belangrijk een bevoegdheidsherverdeling wel is om de sociaaleconomische uitdagingen aan te gaan.

Is de staatshervorming belangrijk? `Neen, want dan kunnen we de crisis niet bekampen', zegt de premier eerst. `Ja, want om de crisis te kunnen bekampen moeten de bevoegdheden noodzakelijkerwijze duidelijker worden verdeeld', zegt hij daarna. Van tweeën één.

Als de premier vaststelt dat er geen bereidheid is om gesprekken over de staatshervorming aan te gaan, zal hij wel bedoelen dat die niet bestaat aan Franstalige kant, maar dan vraag ik me af waarmee hij als premier bezig is. Als ik me goed herinner is hij van het Vlaamse naar het federale niveau overgestapt om de Vlaamse resoluties te realiseren op het niveau waar de beslissingen moeten worden genomen.

Nu hij de leiding heeft van het federale bestuursniveau, geeft hij de zaak uit handen, want Jean-Luc Dehaene is daarvoor ingeschakeld. En als sommigen zeggen: `On n'est demandeur de rien' en de Franstaligen zeggen dat ze evenmin vragende partij zijn, dan neemt de federale premier daar akte van en laat hij aan Vlaanderen weten dat de staatshervorming niet voor deze legislatuur zal zijn. Voor wanneer dan wel?

Drie `werven' zijn afgerond door Herman Van Rompuy, de twee die nog moesten worden afgerond, geeft de premier door. Dus doet de premier zelf niets meer.

Kortom, de voormalige Vlaamse minister-president is verveld tot Belgisch staatsman. Anderen hebben hem dat voorgedaan. Het bedroeft ons ten zeerste.

Mondelinge vraag van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Justitie over «de informatisering van Justitie en de herhaalde pannes» (nr. 4-1023)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Eergisteren lagen de computers van de 229 vredegerechten en politierechtbanken in ons land tot 11 uur plat als gevolg van een brandalarm in de centrale. Ik weet niet of er een brand was, maar er was in elk geval een alarm.

Deze panne is naar verluidt slechts het topje van de ijsberg. Door de trage en gebrekkige werking van het nieuwe MaCH-computersysteem moeten heel wat rechters en griffiers overwerken.

Op dit ogenblik zijn 195 van de 229 vredegerechten uitgerust met het nieuwe systeem. Tegen eind februari moet alles rond zijn.

De politierechtbanken en -parketten volgen nog dit jaar, daarna wordt gestart met de verdere uitrol.

Toch loopt die informatisering niet van een leien dakje. Men beweert dat al heel wat gerechtelijke uitspraken, getuigenverklaringen of gerechtelijke akten door incidenten verloren gingen.

Wat zijn de oorzaken van de recente incidenten bij de digitalisering van justitie?

Welke politiek voert de regering in het algemeen om deze digitalisering tot een goed einde te brengen?

Welk tijdschema zal worden gehanteerd om de digitalisering van alle hoven en rechtbanken te voltooien?

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - In de informaticaomgeving bij Justitie, met ongeveer 19 000 gebruikers, doen zich dagelijks incidenten voor. Dat is eigen aan informatica. Die worden ook dagelijks verholpen door de helpdesk en de ICT-stafdienst of door de externe leveranciers met wie wij overeenkomsten hebben gesloten.

Het incident van maandag was het gevolg van een brandalarm, dat later gelukkig vals bleek te zijn. Dat alarm heeft uiteraard de nodige veiligheidsprocedures in werking gesteld, waaronder het stilleggen van de servers en het afsluiten van de elektriciteit. Nadat uitgemaakt was dat het om een vals alarm ging, is onmiddellijk begonnen met het weer opstarten van de servers en omstreeks 11 uur was alles weer operationeel. Tot op heden werd ik niet in kennis gesteld van enige andere schade dan het tijdelijk niet ter beschikking zijn van de applicaties. Misschien hebt u in uw contacten met de vredegerechten andere informatie, maar ik denk dat alles genormaliseerd is.

Het incident van maandagochtend is atypisch en houdt geen verband met de uitrusting van de vredegerechten met de MaCH-applicatie, de eerste stap in de operationalisering van de Cheopsstrategie. Zoals ik reeds meermaals heb gezegd, zijn de vredegerechten over het algemeen tevreden over deze applicatie. Het Koninklijk Verbond van de vrede- en politierechters heeft mij dat gisteren, na het incident, nog bevestigd. Wel is het zo dat de snelheid van het netwerk en ook de stabiliteit van de verbindingen soms te wensen overlaten, zodat daaraan nog moet worden gewerkt. Daarom is vorig jaar gestart met een `upgrading' van de netwerkverbindingen, van de pc's en van de servers van het gehele netwerk van justitie. Het gaat hier over belangrijke investeringen, maar we zijn tevreden dat we in de begroting 2010 een belangrijke verhoging van de investeringen in ICT hebben verkregen.

De vernieuwing van de softwareapplicaties in alle rechtbanken en hoven moet tegen eind maart van dit jaar afgerond zijn. In de loop van deze maand zullen we de testen van de toepassingen in de politierechtbanken en de politieparketten evalueren. Als de resultaten positief zijn, kan de definitieve uitrol van de applicatie in de politierechtbanken en -parketten nog dit jaar gebeuren. Tegelijkertijd kan dan het hele proces ook bij de volgende rechtbanken verlopen, net zoals de analyse, de ontwikkeling en het testen bij de politierechtbanken en -parketten gebeurde tijdens de uitrol van de applicatie bij de vredegerechten. De ervaring met de uitrol wordt zo meegenomen van de ene naar de andere rechtbank. Ik heb het gevoel dat de zaken vlot verlopen en dat we overhaasting dienen te vermijden.

In tegenstelling tot wat de heer Vandenberghe beweert, zal de uitrol in alle vredegerechten niet tegen eind februari, maar tegen eind maart afgewerkt zijn.

Wij zijn niet op de hoogte dat er vonnissen zouden verloren gegaan zijn. Ik maak ook van de gelegenheid gebruik om de berichtgeving in De Morgen van vandaag te nuanceren. Het bericht heeft het over 120 klachten per dag. In werkelijkheid gaat het om 120 contacten die er dagelijks zijn met de helpdesk, wat iets helemaal anders is. De situatie is dus onder controle. De automatisering van justitie wordt met rustige vastheid voortgezet.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik ben uiteraard tevreden dat de omvang van de incidenten minder groot is dan werd voorgesteld. Mijn vraag was evenwel meer algemeen bedoeld. Ik had graag geweten welk tijdschema de regering hanteert voor de algehele digitalisering van rechtbanken en hoven. Die digitalisering zal immers een enorme bijdrage betekenen aan een efficiëntere besluitvorming.

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Ik kan geen precieze data doorgeven omdat een en ander afhangt van contracten, lastenboeken en openbare aanbestedingen die nog moeten worden afgerond. De ambitie is om tegen eind 2010, begin 2011 de vredegerechten, politierechtbanken en politieparketten te hebben afgewerkt en bezig te zijn met de rechtbanken van eerste aanleg. Ik laat mij evenwel niet vastpinnen op een einddatum voor het geheel. Alles wordt in het werk gesteld om in de basisbehoeften van alle rechtbanken op het gebied van software te voorzien.

Mondelinge vraag van de heer John Crombez aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen over «de premieverhoging van de hospitalisatieverzekering door DKV» (nr. 4-1017)

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, eerste ondervoorzitter.)

De heer John Crombez (sp.a). - Begin 2007 werd een wet goedgekeurd die de evolutie van de premies onder controle moest houden. Dat is echter niet gelukt. Zo steeg de premie van de hospitalisatieverzekering van een gepensioneerd koppel bijvoorbeeld met 1 600 euro per jaar.

De marktleider voor individuele hospitalisatieverzekeringen, DKV, kondigde een premieverhoging aan van 7,84% vanaf 1 januari. DKV zegt anders met verlies te werken.

Het gaat echter om een cirkelredenering. Zo maakt de stijging van de premies dat onder de premies wordt gefactureerd, de kosten oplopen en de premies opnieuw moeten worden verhoogd. Dat vermijden was precies de bedoeling van de wet.

Wat is het standpunt van de minister over deze premieverhoging? Is er ondertussen een akkoord van de CBFA voor deze premieverhoging? Wat zal de minister ondernemen tegen deze onwettige premieverhoging door de Belgische marktleider? De nieuwe wetgeving laat een premiestijging alleen toe op basis van de consumptieindex, de medische index, die nog steeds niet bestaat, of na goedkeuring van de CBFA. Als de CBFA haar goedkeuring verleent, zal de minister dan zelf ingrijpen? Wat kunnen consumenten die geconfronteerd worden met deze eenzijdige premieverhoging, doen opdat ze niet gedwongen worden deze verhoging te betalen?

De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen. - Het wettelijk kader laat een verzekeringsonderneming toe de contractuele voorwaarden van een ziekteverzekeringsovereenkomst te wijzigen en, meer bepaald, een tariefverhoging toe te passen.

Artikel 138bis-4 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, ingevoegd door de wet van 20 juli 2007 en onlangs vervangen door de wet van 17 juni 2009, beperkt de mogelijkheid voor de verzekeringsondernemingen om de technische grondslagen van de premie en de dekkingsvoorwaarden te wijzigen nadat een ziekteverzekeringsovereenkomst gesloten is.

Ten eerste kunnen zulke wijzigingen volgens paragraaf 1 van dat artikel bij wederzijds akkoord van de partijen gebeuren, op uitsluitend verzoek van de hoofdverzekerde en enkel in het belang van de verzekerden.

Ten tweede kunnen wijzigingen plaatsvinden op basis van de evolutie van de index van de consumptieprijzen, die het voorbije jaar negatief was.

Ten derde zijn wijzigingen mogelijk op basis van een specifieke medische index. Het ontwerp van koninklijk besluit dat de modaliteiten voor de berekening van de medische index vaststelt, zal in de loop van volgende week ter ondertekening aan de Koning worden voorgelegd. Vandaag heb ik de laatste, hiertoe vereiste adviezen ontvangen.

Los van deze mogelijkheden, kan de CBFA op grond van de controlewetgeving een tariefverhoging opleggen, wanneer ze vaststelt dat de toepassing van het tarief de financiële gezondheid van de onderneming in gevaar dreigt te brengen.

Op het ogenblik heeft de CBFA aan geen enkele verzekeringsmaatschappij een tariefverhoging op grond van die bepaling opgelegd.

De door DKV Belgium nv eenzijdig aangekondigde tariefwijzigingen vallen onder geen van de door de wet bepaalde en hierboven beschreven mogelijkheden. De wijzigingen zijn dan ook onwettig en nietig op het vlak van het overeenkomstenrecht. Verzekerden hoeven de verhoging van het tarief dus niet te betalen.

Het niet betalen van de tariefverhoging kan in geen geval aanleiding geven tot een opzegging van de polis of een schorsing van de dekking. Ik zal dat niet alleen DKV, maar ook de klanten duidelijk maken.

De heer John Crombez (sp.a). - De wetwijziging van juli 2007 had net tot doel grote en plotse tariefwijzigingen te vermijden. Natuurlijk kan de CBFA sinds de wetswijziging van juni 2009 zelf tariefwijzigingen opleggen om de financiële gezondheid van de ondernemingen te waarborgen. Die bepaling gaat natuurlijk in tegen de initiële bedoeling van de wet van 2007 om dergelijke plotse tariefaanpassingen te beperken. Als de premies worden verhoogd, kunnen meer kosten worden aangerekend, waardoor de verzekeraars, zoals nu, kunnen aangeven dat ze met verlies werken. De vierde optie moet volgens ons dan ook opnieuw worden bekeken.

De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen. - Het is met het oog op de concurrentiepositie van de ondernemingen logisch dat in een dergelijke mogelijkheid wordt voorzien. Tot nu toe heeft de CBFA nog geen tariefverhoging opgelegd.

Mondelinge vraag van de heer Paul Wille aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen en aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen over «het oprichten van een meldpunt in het kader van de problemen met Kobelco en Irish Life Insurance» (nr. 4-1018)

De heer Paul Wille (Open Vld). - Op 17 december 2009 stelde ik de minister al een vraag over de problemen met Kobelco en Irish Life Insurance. Toch zie ik mij genoodzaakt om de minister opnieuw een vraag te stellen omdat de ongerustheid bij de getroffen beleggers is toegenomen. Steeds meer klanten stellen vragen over de toekomst van hun producten, ongeacht of ze die via makelaars dan wel via banken hebben aangekocht. Dat is nochtans een groot verschil.

Inmiddels is ook duidelijk geworden dat de verzekeringsproducten van Irish Life Insurance, ILI, niet alleen onder die naam zijn verkocht, maar onder vele namen. De rode draad hierbij is dat 60% van de producten door Kobelco aan de man werden gebracht.

Er rijzen steeds meer vragen over de restwaarde van de ILI-producten. De schade wordt op 210 miljoen euro geschat. Bovendien loopt een strafrechtelijk onderzoek. De minister heeft inmiddels ook vernomen dat aan tussenpersonen geheime commissielonen werden betaald. Die commissielonen waren zo hoog dat duidelijk is dat de producten op zich niet rendabel kunnen zijn. Het vermoeden groeit dan ook dat het hier om woekerpolissen gaat.

De regering moet regeren. In dit dossier gaat het om landgenoten die beleggingen hebben gedaan.

Is de Economische Inspectie, of een andere instantie, bereid in dit dossier te interveniëren? Zo ja, hoe en wanneer? Zo neen, waarom niet?

Is de minister bereid om, al dan niet in samenspraak met andere regeringsleden, naar analogie van de inspanningen voor de gedupeerden van Lehman Brothers, voor alle verontruste beleggers een centraal meldpunt en/of informatiepunt op te zetten, bijvoorbeeld bij de FOD Economie,? Zo neen, waarom niet?

Gelet op de ongerustheid bij de beleggers, lijkt het me wenselijk om, eventueel samen met de CBFA, de talrijke producten van Kobelco eens tegen het licht te houden, al was het maar om de betrokkenen het gevoel te geven dat we begaan zijn met hun lot. Is de minister daartoe bereid?

De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen. - Op 17 december 2009 heb ik al een toelichting gegeven bij dit dossier. Ik deelde toen mee dat Irish Life Insurance een vennootschap naar Iers recht is, die op basis van de Europees bindende regels in België diensten kan aanbieden. Het toezicht op Irish Life Insurance geschiedt door de Ierse toezichthouder.

Desalniettemin heeft de CBFA in 2008 en 2009 binnen haar beperkte bevoegdheden een onderzoek gedaan naar de conformiteit met de Belgische wetgeving van de verzekeringsproducten die Irish Life Insurance in België aan de man brengt. Dit beperkt toezicht laat de CBFA evenwel niet toe om toezicht uit te oefenen op de waarde van de desbetreffende producten. De CBFA kan wel met de Ierse toezichthouder contact opnemen om meer informatie te bekomen. Op basis van concrete Europese afspraken kunnen toezichthouders onder strikte voorwaarden onderling informatie uitwisselen. Deze contacten tussen toezichthouders vallen onder het beroepsgeheim.

Hierdoor hebben we vandaag geen concrete elementen die ons toelaten te bevestigen dat er een probleem is met de betrokken levensverzekeringscontracten, maar ik ben bereid een meldpunt op te richten in samenwerking met de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen.

Klanten die vragen hebben over deze producten, moeten niet alleen terechtkunnen bij hun bemiddelaar, maar ook bij de betrokken verzekeringsonderneming zelf. Dit is niet eenvoudig wanneer het om buitenlandse verzekeringsondernemingen gaat, maar dat is nu eenmaal een rechtstreeks gevolg van de Europese regels inzake het vrije dienstenverkeer.

Het behoort tot de geplogenheden dat bemiddelaars van de verzekeringsonderneming een vergoeding ontvangen voor het plaatsen van levensverzekeringen, het commissieloon waarvan sprake is in de vraag. Het klopt dat deze vergoeding in sommige gevallen hoog oploopt en voor de betrokken klanten weinig of niet transparant is. Onder meer daarom heb ik in het wetsontwerp inzake de hervorming van het financieel toezicht een bepaling laten opnemen die de regels die vandaag al voor de financiële instrumenten van banken en beleggingsondernemingen gelden, de zogenaamde MiFID-bepalingen, uitbreidt naar de levensverzekeringsovereenkomsten. Deze Europese regels bevatten onder meer strenge transparantievereisten voor de vergoedingen van bemiddelaars in beleggingsproducten. Ook de klanten van verzekeringsbemiddelaars zullen in de toekomst dus inzicht krijgen in de omvang van deze plaatsingsvergoedingen. Dat is voor de toekomst, wanneer ik de twee ontwerpen in verband met de nieuwe organisatie van het toezicht bij het parlement indien.

De heer Paul Wille (Open Vld). - Ik dank de minister voor de toezegging. Ik hoef niet te weten hoe hoog de commissielonen zijn, maar als ze de benchmarking niet kunnen doorstaan en bovendien de leefbaarheid van het product onmogelijk maken, dan is er een probleem. De minister moet me het resultaat van de onderhandelingen met de Ieren niet meedelen, maar aan de geheime commissielonen moet een einde komen. Waarom moeten ze trouwens geheim zijn? Commissies moeten bekend zijn en, indien nodig, beoordeeld kunnen worden.

Tot slot wil ik graag zien dat er wordt onderhandeld met mogelijke overnemers - meer dan één - omdat een overname ook mogelijkheden schept om goede oplossingen te vinden voor de gedupeerden. Ik hoop dat de minister ook op dit punt iets zal ondernemen.

Mondelinge vraag van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over «Jemen» (nr. 4-1007)

Mevrouw Anne-Marie Lizin (Onafhankelijke). - Het probleem bestaat al jaren, maar krijgt nu internationaal weerklank ingevolge de recente terroristische actie: de aanwezigheid van georganiseerde manschappen, een basis die nog altijd wordt gebruikt door de familie Bin Laden, een land in verval. Verschillende maanden al controleert de regering alleen nog de hoofdstad. Dit dichtbevolkte land is, in tegenstelling tot sommige Golfstaten, geen kunstmatige constructie.

Wat is de Belgische houding in verband met de toestand in Jemen? We hebben de Franse stellingname gehoord. De Amerikaanse president heeft zijn standpunt uiteengezet, ingegeven door uitzonderlijke omstandigheden. Welke banden hebben wij met dit land?

Heeft de toestand in Jemen aanleiding gegeven tot een speciale bijeenkomst? De toestand kan immers gevolgen hebben voor onze vloot. Heeft het OCAM een vergadering georganiseerd? Werd de kwestie besproken door het OCAM? Hoeveel Jemenitische burgers leven er op dit ogenblik in België? Staan zij onder speciaal toezicht?

Wordt een actie in het vooruitzicht gesteld, al dan niet samen met de Verenigde Staten? Ik stel de vraag omdat bewegingen van Amerikaanse troepen in de regio worden vastgesteld. Met de in het vooruitzicht gestelde troepenverminderingen in Irak behoort een verplaatsing naar Jemen tot de mogelijkheden.

Zal men inzake de militaire deelname aan operaties dezelfde fouten blijven maken? Ik hoef de toestand van de vrouwen in dat land niet meer te beschrijven: zij worden er bijzonder hardhandig aangepakt, hebben geen rechten en zo meer. Zij zijn niet veel beter af dan de Afghaanse vrouwen. Zal men eindelijk begrijpen dat de maatschappij en de Staat zichzelf vernietigen door vrouwen op die manier te behandelen? Nochtans heeft Jemen inspanningen geleverd. Gedurende enkele jaren was een vrouw bevoegd voor de mensenrechten en heeft zij getracht een kader te creëren voor de ontplooiing van de vrouwenrechten. Na bedreigingen is zij naar de Verenigde Staten vertrokken.

Als men zou beslissen samen met de Verenigde Staten tegen Jemen op te treden, hoop ik dat men de monumentale vergissing uit Afghanistan om militairen elk contact met de bevolking te verbieden, niet opnieuw zal begaan. Op die weg voortgaan betekent een verspilling van geld en mensen en uiteindelijk de nederlaag. Wordt een dergelijke actie in het vooruitzicht gesteld? Zal België deelnemen aan de conferentie in Londen?

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen. - Ik dank u voor uw vragen en neem nota van uw opmerkingen.

U zegt dat ons land correcte betrekkingen onderhoudt met de Jemenitische Republiek. Wij hebben er geen ambassade, maar wel een ereconsul. Bovendien staan de Europese ambassades ter beschikking van onze landgenoten. De Belgische gemeenschap telt er slechts een twintigtal personen.

De reisadviezen en veiligheidsvoorschriften van Buitenlandse Zaken in verband met Jemen zijn van de restrictiefste.

Het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse - OCAM - heeft me vanmorgen bevestigd dat het de toestand in dit land van nabij volgt. Op initiatief van Buitenlandse Zaken zal volgende week een vergadering over Jemen plaatsvinden.

We hebben contact opgenomen met de Dienst Vreemdelingenzaken om te weten hoeveel Jemenitische burgers in België verblijven; gezien de korte tijd die was toegemeten, hebben we nog geen antwoord ontvangen. Ik stel voor dat u zich richt tot de minister van Binnenlandse Zaken, die bevoegd is voor de Dienst Vreemdelingenzaken.

De NAVO heeft de toestand in Jemen tot nog toe niet rechtstreeks besproken. Het is echter niet uitgesloten dat een of ander orgaan van de Alliantie dat binnenkort wel doet, al was het maar omdat Jemen grenst aan de NAVO-operatiezone Allied Provider. Die operatie is een onderdeel van de internationale inspanningen ter bestrijding van de piraterij in de Golf van Aden.

De Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van de Europese Unie bespreekt sinds oktober een versterking van de hulp aan Jemen, vooral inzake veiligheid: de strijd tegen het terrorisme, de controle over het grondgebied, de controle van de grenzen en de handvuurwapens en lichte wapens. De Commissie heeft al enkele zendingen ter plaatse gestuurd terwijl de Europese Unie de besprekingen over de hulp aan Jemen voortzet.

Het Politiek en Veiligheidscomité - PSC/COPS - van de Europese Unie plaatst Jemen sinds enkele weken op de agenda van zijn besprekingen. In de huidige stand van het dossier lijkt een politiek initiatief van de Europese Unie dat bijdraagt tot de stabilisering van de toestand in Jemen, niettemin realistischer. Een dergelijk initiatief zou veeleer uitgaan van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - GBVB - dan van operaties van het Europees veiligheids- en defensiebeleid.

Ik zal zelf deelnemen aan de conferentie over Afghanistan in Londen. Mevrouw Ashton, die ik enkele dagen geleden heb ontmoet, bevestigde dat deze ontmoeting waarschijnlijk zal worden voorafgegaan door een speciale vergadering over Jemen.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (Onafhankelijke). - Ik dank de minister voor dit gedetailleerde antwoord. De ereconsul doe uiteraard wat in zijn mogelijkheden ligt.

Al Qaida voelt zich in Jemen als een vis in het water. In Aden is de familie Bin Laden reeds lang actief in de bouwsector, net als in Soedan overigens.

Hun uitschakeling is niet alleen een militaire kwestie. De wederopbouw van de Staat moet is noodzakelijk. Daarvoor zijn echter competenter experts nodig dan die welke actief zijn in Afghanistan. In Londen zal zowel Afghanistan als Jemen ter sprake worden gebracht. Hopelijk kan zo vermeden worden dat in Jemen dezelfde fouten worden gemaakt.

Mondelinge vraag van de heer Pol Van Den Driessche aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over «de schending van de mensenrechten in China» (nr. 4-1015)

De heer Pol Van Den Driessche (CD&V). - Zoals u weet, veroordeelde de Chinese rechtbank de bekende dissident Liu Xiaobo op Kerstmis tot elf jaar cel. Samen met veel anderen in binnen- en buitenland ben ik geschokt door dit harde vonnis van een Chinese rechtbank. Het stuit tegen de borst dat een van de belangrijkste voorvechters van de mensenrechten op die manier wordt aangepakt door een land waarmee wij nauwe banden hebben. Bovendien beweren mensenrechtenorganisaties dat in de Volksrepubliek nogal wat basisrechten blijvend en grof met voeten worden getreden.

Nochtans was ons in de aanloop naar de Olympische Spelen van 2008 voorgehouden dat de situatie inzake mensenrechten in China zou verbeteren, onder meer door dit immense sportfeest. Ik herinner in dat verband aan de resolutie die op 12 juni 2008 door de Senaatscommissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging werd goedgekeurd.

De Belgische Senaat riep de federale regering daarin op om `kritisch' te reageren op de `herhaalde schendingen van de mensenrechten', er bij de Chinese regering op aan te dringen de rechten te respecteren en om haar steun te betuigen aan de voorvechters ervan.

Op de veroordeling van professor Xiaobo werd intussen afkeurend gereageerd door de Belgische overheid en de Europese Unie. Ik had echter een forser protest verwacht.

Ik heb dan ook volgende vragen.

Wat zult u ondernemen om Liu Xiaobo versneld vrij te krijgen?

Sprak u hierover met de Chinese ambassadeur in België?

Kloppen de beweringen van de mensenrechtenorganisaties dat de toestand van dissidenten er in de Volksrepubliek op achteruitgaat?

Liggen economische belangen aan de basis van de nogal lauwe reactie van de Europese Unie en van België?

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen. - Ik maak mij samen met mijn Europese collega's inderdaad zorgen over het strenge vonnis dat werd uitgesproken tegen de Chinese mensenrechtenverdediger Liu Xiaobo. Die uitspraak werd bekritiseerd door de belangrijkste westerse mogendheden, die overigens altijd tot zijn vrijlating hebben opgeroepen. Zo werd door het Zweedse voorzitterschap op 28 december jongstleden aan de Chinese autoriteiten een protestnota overhandigd waarin het lot van de Chinese dissident wordt aangeklaagd.

Sinds 1 december 2009 krijgt Europa, in het kader van het Verdrag van Lissabon, eindelijk de gelegenheid om als politieke macht op te treden.

We mogen de protestnota van het Zweedse voorzitterschap namens de Europese Unie dus niet beschouwen als een lauwe reactie omdat niet alle zevenentwintig landen er een kopie trachten van te maken. Ook de lidstaat België moet zich vertegenwoordigd voelen door de demarches van het Zweedse voorzitterschap. Ik ben het dus niet eens met de opinie van de heer Van Den Driessche dat België nog iets extra moet ondernemen, want daardoor zou de stem van Europa minder gehoord worden. Ons land is met de protestnota van het Zweedse voorzitterschap afdoende vertegenwoordigd.

Zoals u weet, hechten België en de EU veel belang aan de situatie van de mensenrechten in China. Sinds 1995 voert de EU tweemaal per jaar een mensenrechtendialoog met Beijing. Onder het Belgische Voorzitterschap van de EU tijdens het tweede semester van 2010, zal ook een dergelijke dialoog plaatsvinden. De laatste dialoog vond plaats in China op 20 november 2009. Toen werd de vrije meningsuiting besproken, alsook het gebrek aan transparantie rond de vele recente arrestaties en gerechtelijke veroordelingen in China.

Ter gelegenheid van de dialoog van november 2009 werd aan de Chinese autoriteiten een lijst bezorgd met individuele gevallen, waaronder ook het geval van Liu Xiaobo. De EU vraagt China aldus met aandrang een stand van zaken omtrent het lot van elk van die individuele mensenrechtenverdedigers, alsook hun onmiddellijke vrijlating.

Organisaties zoals Amnesty International en Human Rights Watch sloten zich aan bij de mening van de Europese Unie en wezen erop dat de mensenrechtensituatie in China erg zorgwekkend blijft.

Voor het overige beschik ik, noch de Belgische diplomatie, over enige informatie die een nieuw licht zou kunnen werpen op de situatie van de mensenrechten in China.

Ik bevestig dat de Belgische overheid er niet aan denkt om haar opinie over de mensenrechten in een soort van géométrie variable te laten afhangen van economische belangen. Die twee hebben met elkaar niets te maken en volgen elk een eigen logica.

De heer Pol Van Den Driessche (CD&V). - Als groot voorstander van de Europese Unie ben ik blij dat de minister naar Europa verwijst. Ik hoop dan ook dat de Unie met zijn 27 lidstaten even krachtig zal reageren als president Obama heeft gedaan namens zijn land, dat overigens kleiner is dan Europa en over minder mogelijkheden beschikt. Toen Obama in de Volksrepubliek op bezoek was, heeft hij zijn Chinese collega streng berispt en duidelijk gezegd dat hij zich zeer ernstig zorgen maakt over de evolutie van de mensenrechten.

Toch ben ik, net als minister Vanackere, zeer hoopvol en ik hoop dat ook hij deze lijn zal aanhouden.

Mondelinge vraag van mevrouw Myriam Vanlerberghe aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid over «de toekenning van een specifiek verlof voor ouders van een gehospitaliseerd kind» (nr. 4-1014)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, voor Migratie- en asielbeleid, voor Gezinsbeleid en voor de Federale Culturele Instellingen, antwoordt.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a). - Op 22 oktober vorig jaar heb ik de minister al eens ondervraagd over de voortgang in het opstellen van het koninklijk besluit betreffende een verlof voor ouders van een gehospitaliseerd kind en dit tot uitvoering van een advies dat in de NAR unaniem werd goedgekeurd. De minister antwoordde mij dat alles in december zou kunnen worden afgewerkt en dat ouders wier kind in het ziekenhuis ligt, vanaf 1 januari een specifiek verlof zouden kunnen krijgen. Dat werd ook zo meegedeeld aan de vakbonden, die dat op hun beurt aan de betrokkenen hebben laten weten.

Ik zie echter op de website van de NAR dat er bijkomende vragen zijn gesteld over de uitvoering van wat er op papier staat. Er is dus nog altijd geen definitieve tekst om deze maatregel te kunnen uitvoeren. Blijkbaar is men er in de voorbije acht maanden niet in geslaagd een koninklijk besluit te schrijven ter uitvoering van een in de NAR eenparig goedgekeurd advies. Nochtans zou je mogen verwachten dat er over eenparig uitgebrachte adviezen weinig interpretatieproblemen kunnen zijn.

De gevolgen zijn pijnlijk, temeer omdat er in deze koude wintermaanden nogal wat kinderen in een ziekenhuis zijn opgenomen. De ouders van die kinderen hadden verwacht dat alles geregeld zou zijn en nu blijkt dat er niets in orde is.

Waar zit het probleem? Zowel de sociale partners als de politieke wereld zijn immers voorstander van een dergelijke regeling. De vraag is vooral op welke datum dat koninklijk besluit effectief in werking zal treden, zodat mensen bij hun ziek kind in het ziekenhuis kunnen blijven.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, voor Migratie- en asielbeleid, voor Gezinsbeleid en voor de Federale Culturele Instellingen. - Ik lees het antwoord van minister Milquet.

De toekenning van een specifiek verlof aan ouders van een gehospitaliseerd kind is één van de prioriteiten die ik inzake een betere overeenstemming tussen het privé- en het beroepsleven naar voren heb geschoven. Ik wil dat verlof nog steeds zo snel mogelijk realiseren.

De realiteit is echter iets complexer dan in de vraag wordt beweerd. Na het advies nummer 1690 van de NAR van 20 mei 2009 werd een voorontwerp van koninklijk besluit opgesteld, conform de bewoordingen van dat advies. Dat voorontwerp van koninklijk besluit heb ik, voor een nieuw advies, aan de NAR voorgelegd. De reden daarvoor was tweeledig: ik vreesde dat het eerste advies niet volledig de correcte vertaling was van de bedoeling van de sociale partners enerzijds en, anderzijds, hebben de sociale partners in hun advies 1689 specifiek een nieuwe voorlegging gevraagd.

De sociale partners hebben in de NAR het voorontwerp bestudeerd en in advies 1715 van 15 december 2009 een aantal belangrijke verduidelijkingen en detailleringen gegeven die een aantal aanpassingen in het ontwerp van koninklijk besluit noodzakelijk maken. Voor de volledigheid som ik ze hier op: de toekenning van dit verlof moet voor de NAR niet langer gebonden zijn aan een effectieve hospitalisatie gedurende de hele periode waarop het verlof betrekking heeft; de Raad wenst de notie inzake de rechthebbende op het verlof, de notie `zware ziekte' en de mogelijkheid van de werknemer om de werkgever van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, correcter gepreciseerd te zien.

Het voorontwerp van besluit wordt dus momenteel aangepast aan het nieuw, vervolledigd en meer gedetailleerd advies van de NAR en zal zo snel mogelijk voor advies aan de Raad van State worden voorgelegd. Het zijn bijgevolg de verduidelijkingen en preciseringen van de NAR die oorzaak zijn van de vertraging.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a). - Een ontwerp waarover een unaniem advies werd gegeven plots opnieuw ter advies aan de NAR voorleggen, is volgens mij, als indiener van het wetsvoorstel, op zijn minst een onnodige vertraging. Iedereen wil hetzelfde. Het eerste advies is blijkbaar onvoldoende in het voorontwerp verwerkt, want in het tegengestelde geval zou de NAR zijn standpunt hebben gewijzigd, wat hopelijk niet het geval is.

Ik ben erg bezorgd. Ik heb immers geen antwoord gekregen op mijn vraag wanneer het koninklijk besluit er komt. Met het antwoord van de minister kunnen we nog maanden aan de gang blijven. Mijn vraag was of een definitieve datum voor het koninklijk besluit is vastgelegd. De minister heeft geen datum gegeven. Ik ga er vanuit dat ze dat niet kan omdat de regering niet kan zeggen wanneer het verlof er daadwerkelijk komt. Het is bijzonder jammer dat er geen concrete timing kan worden gegeven over iets dat al acht maanden geleden beslist had moeten zijn.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, voor Migratie- en asielbeleid, voor Gezinsbeleid en voor de Federale Culturele Instellingen. - Er zijn verschillende verduidelijkingen gevraagd. Ik verkies een tekst die in overeenstemming is met alle adviezen en zodoende de grootste rechtszekerheid biedt, in de eerste plaats voor de belanghebbende gezinnen.

Wij trachten dat zo snel en zo goed mogelijk te regelen. Ik sta liever garant voor rechtszekerheid dan voor een precieze datum.

Mondelinge vraag van de heer Berni Collas aan de minister van Justitie over «de uitvoering van de wet van 29 april 2009 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzake het corrigeren van de examens van kandidaat-magistraten» (nr. 4-1006)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, voor Migratie- en asielbeleid, voor Gezinsbeleid en voor de Federale Culturele Instellingen, antwoordt.

De heer Berni Collas (MR). - Op 12 maart 2009 keurde de Senaat eenparig een wetsvoorstel goed dat ik had ingediend. Na de goedkeuring door de Kamer werd de wet van 29 april 2009 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.

De wet biedt de Duitstalige kandidaat-magistraten de mogelijkheid het schriftelijke deel van het toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage en het examen inzake beroepsbekwaamheid in hun moedertaal af te leggen. Men had inderdaad vastgesteld dat een groot aantal Duitstalige kandidaten niet slaagde in het schriftelijke deel van de examens. Waarom? Sinds de hervorming van 1998 moeten de kandidaten de examens afleggen in de taal van het diploma van doctor of licentiaat in de rechten: meestal in het Frans, soms in het Nederlands.

Dat Duitstalige kandidaten vaak niet slaagden, zou te maken hebben met het feit dat ze problemen hadden met het gebruik van een andere taal dan hun moedertaal, bovenop de excellentiecriteria die worden toegepast door de Hoge Raad voor de Justitie. Dat was vooral een probleem bij de schriftelijke examens omdat die anoniem zijn en het taalgebied waaruit de kandidaat afkomstig is, niet bekend is.

De lage slaagpercentages van Duitstaligen voor de toelatingsexamens tot de magistratuur hebben tot gevolg dat er al minstens tien jaar een tekort is in het gerechtelijke arrondissement Eupen, waar de proceduretaal voor 95% het Duits is.

Om dat te verhelpen biedt de wet, de Hoge Raad voor de Justitie voortaan de mogelijkheid de voorbereiding en de correctie van het schriftelijke deel van de examens inzake beroepsbekwaamheid en de toelatingsexamens tot de gerechtelijke stage voor Duitstalige kandidaten op te dragen aan vier deskundigen. De HRJ behoudt evenwel zijn bevoegdheid om de magistraat te benoemen.

De examensessie voor het jaar 2009-2010 is begin november begonnen. De eerste schriftelijke proef van het examen inzake beroepsbekwaamheid vond plaats op zaterdag 14 november 2009. De eerste schriftelijke proef van het toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage ging door op zondag 29 november 2009. Die informatie staat op de website van de Hoge Raad voor de Justitie.

Mijn vragen hebben betrekking op de uitvoering van de wet die voortvloeide uit het voorstel dat ik had ingediend en op het verloop van de eerste proef na de invoering van de nieuwe examenregeling. Kon de regeling die voor de Duitstalige kandidaten in de wet werd uitgewerkt, worden toegepast bij deze eerste examensessie? Als de resultaten bekend zijn, hoeveel personen werden weerhouden voor de andere proeven van het examen?

Het is de bedoeling na te gaan of de nieuwe wettelijke regeling efficiënter en beter is dan de vorige.

(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, voor Migratie- en asielbeleid, voor Gezinsbeleid en voor de Federale Culturele Instellingen. - Ik lees het antwoord van de minister.

Uit de informatie die door de Hoge Raad voor de Justitie werd verstrekt, blijkt dat ingevolge de oproep tot kandidaten die op 1 september 2009 werd gepubliceerd, zich 16 Duitstalige kandidaten hebben ingeschreven voor het schriftelijke examen in het Duits.

Van 16 ingeschreven Duitstaligen, hebben er 13 deelgenomen aan het schriftelijke examen, waarvan 9 (op 11) aan de eerste schriftelijke proef van het examen inzake beroepsbekwaamheid en 4 (op 5) aan de eerste schriftelijke proef van het toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage.

De deliberatie over de resultaten van de eerste schriftelijke proef heeft plaats op 8 januari 2010. De laureaten zullen dan eind februari kunnen deelnemen aan de tweede schriftelijke proef.

De heer Berni Collas (MR). - Gezien de resultaten van de eerste schriftelijke proef pas morgen bekend zijn, zal ik hierop later terugkomen. Het verheugt me dat 13 Duitstalige kandidaten hebben deelgenomen aan het toelatingsexamen tot de magistratuur.

Mondelinge vraag van mevrouw Cécile Thibaut aan de minister van Justitie over «lineaire besparingsmaatregelen bij de gerechtelijke organen» (nr. 4-1024)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, voor Migratie- en asielbeleid, voor Gezinsbeleid en voor de Federale Culturele Instellingen, antwoordt.

Mevrouw Cécile Thibaut (Ecolo). - Enkele gerechtelijke overheden hebben onlangs aan de alarmbel getrokken naar aanleiding van een rondzendbrief die een reeks maatregelen inhoudt met het oog op het realiseren van lineaire besparingen op de begroting van 2010.

Zo zouden de bedragen, toegekend voor de inschakeling van bodes ter rechtszitting, met twee derden worden verminderd. Het gaat om een eervolle functie die past in de evolutie van de gerechtelijke opdrachten van de gerechtsdeurwaarders waarbij essentiële opdrachten worden verzekerd en talrijke rechtbanken de mogelijkheid wordt geboden vlot te functioneren. Het is bovendien goedkoper dan het inschakelen van andere middelen voor die dienst.

Bovendien heeft de minister bevestigd dat hij sedert 14 oktober 2009 de publicatie van vakante betrekkingen in de magistratuur heeft onderbroken.

Onze fractie heeft zich loyaal geëngageerd in het Atomiumoverleg tot hervorming van het gerecht. Een van de doelstelling ervan was een efficiënter gebruik van de aan de gerechtelijke instanties toegekende middelen. Wij voeren die reflectie met als duidelijk doel een betere rechtspraak, een beter imago en een efficiënte werking van het gerecht in ons land en, vooral, een verlaging van de drempel tot het gerecht voor alle burgers.

Onze fractie heeft dan ook met verbazing kennis genomen van de informatie over die toch wel bijzonder krenterige besparingen. De maatregel met betrekking tot de bodes ter rechtszitting riskeert op termijn in elk geval duurder uit te vallen.

Over welke concrete maatregelen gaat het in rondzendbrief nr. 154 van de FOD Justitie? Werden ze goedgekeurd na overleg? Wat stelt de minister voor ter vervanging van de inschakeling van de bodes ter rechtszitting? Wat is de kostprijs daarvan en werd daarmee rekening gehouden in de budgettaire raming?

Werd de richtlijn van de minister gepubliceerd of kan die worden geraadpleegd op de website van de FOD of van zijn kabinet? Welke achterstand heeft het moratorium van einde 2009 veroorzaakt in de benoemingen? Welke maatregelen heeft de minister genomen om de situatie te normaliseren en wanneer zal die achterstand zijn weggewerkt?

Ik heb deze vraag rond 10 uur ingediend. Alle andere parlementsfracties hebben de rondzendbrief nr. 154 ontvangen, terwijl ik zelf de nodige opzoekingen heb moeten doen om hem te krijgen.

Ik realiseer mij na het lezen van het document dat het probleem van de bodes ter rechtszitting slechts het topje van de ijsberg is. De bewuste rondzendbrief heeft immers zware gevolgen voor de werking van het gerecht en de reeds aanzienlijke gerechtelijke achterstand in ons land.

Maatregelen zoals de niet-vervanging van de vertrekken bij de FOD Justitie, de trage publicatie van de vakante betrekkingen of de beperkte vervanging van de tijdelijke afwezigen zijn zorgwekkend voor de gerechtelijke achterstand in onze justitie van de 21ste eeuw, die wordt beschouwd als een algemene openbare dienst.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, voor Migratie- en asielbeleid, voor Gezinsbeleid en voor de Federale Culturele Instellingen. - Ik lees het antwoord van de minister van Justitie.

De regering heeft beslist een belangrijke inspanning te doen om in de toekomst, en meer specifiek voor de begrotingsjaren 2010 en 2011, de uitgaven van de Staat beter te beheersen. Om dat doel te bereiken, moeten alle budgetten onder de loep worden genomen.

Aldus heeft de regering beslist dat de personeelskredieten in het jaar 2010 nog eens met 100 miljoen euro moeten dalen en dat die beweging ook in 2011 zal worden aangehouden. Die maatregel zal evenredig worden toegepast met de personeelskredieten van alle eenheden in de openbare sector. Voor Justitie komt dat neer op een vermindering met 19,755 miljoen euro. Ter vergelijking: het budget van Defensie daalt met 28,095 miljoen euro, dat van de federale politie met 11,822 miljoen euro en dat van de FOD Financiën met 21,380 miljoen euro.

Die maatregel komt bovenop de reeds ingevoerde vermindering met 0,7% op het totale personeelskrediet.

Voor de FOD Justitie leiden de beslissingen van de regering tot een besparing van ongeveer 25 miljoen euro op de personeelskosten.

Volledigheidshalve heeft de regering beslist om ook de kredieten voor de werkingsmiddelen met 1,6% te verminderen. Voor de FOD Justitie komt dat neer op een vermindering met ongeveer 5,7 miljoen euro.

Naast de opgelegde besparingen werd voorzien in bijkomende kredieten voor de realisering van een aantal prioritaire initiatieven. Aldus werd een bijkomend krediet van 49,517 miljoen euro verdeeld in 9,893 miljoen euro personeelskrediet en 39,624 miljoen euro werkingskrediet.

Die kredieten zijn bestemd voor bijkomende plaatsen voor: jeugddelinquenten in Saint-Hubert en in Tongeren; uitbreiding van het elektronisch toezicht tot 1000 enkelbanden; herziening van de carrière van de penitentiaire beambten; versnelde informatisering van Justitie; het onderscheppen van internetboodschappen en de juridische hulp in de tweede lijn.

Daarbij komt nog het project-Tilburg, waarvoor de nodige kredieten zullen worden gevraagd bij de begrotingscontrole.

Verschillende elementen maken dat het totale krediet van 1 739,470 miljoen euro voor de FOD Justitie in 2010 stijgt met 18,551 miljoen euro ten opzichte van de kredieten ingeschreven in de begrotingscontrole 2009.

Gelet op de beslissing van de regering, heb ik de voorzitter van het directiecomité van de FOD Justitie gevraagd welke uitgaven nodig zijn op het vlak van personeel en werkingsmiddelen. Op basis daarvan zullen een aantal beslissingen worden genomen om de uitgaven te beheersen.

Die beslissingen zijn opgesomd in mijn nota van 16 december 2009 aan het directiecomité en in de rondzendbrief nr. 154 van 23 december 2009 waarin de maatregelen zijn opgenomen die nodig zijn voor de beheersing van de personeelskredieten en de werkingsmiddelen voor de begrotingsjaren 2010 en 2011.

Het is uiteraard de bedoeling dat het totale toegekende bedrag niet wordt overschreden.

Er komt een monitoring van de evolutie en van de besteding van de kredieten om de gevolgen van de opgelegde maatregelen te evalueren. Aan de strategische cel zal maandelijks verslag worden uitgebracht over de effectieve realisering en de geraamde realisering op jaarbasis.

Op het vlak van personeelskredieten moet een grote inspanning worden gedaan. Zoals ik al meldde, zullen we de beschikbare middelen efficiënter moeten gebruiken. In dat opzicht hebben we gekozen voor een maximaal behoud van de bestaande functies. We kiezen niet voor een lineaire stop van de arbeidsverhoudingen, maar voor een selectieve aanpak.

Vervangingscontracten zullen niet worden vernieuwd, er zullen minder interne promoties zijn minder hogere functies, enzovoort. Het behoud van de werkgelegenheid geniet de voorkeur. De interne solidariteit moet een grote rol spelen. Daarom moet ze worden aangemoedigd, niet alleen met het oog op het maximale behoud van werkgelegenheid, maar ook voor de besteding en de verdeling van de steeds schaarser wordende middelen. De onderlinge samenwerking tussen de diensten en de efficiëntie moeten in belang toenemen.

Daarom is het, meer dan ooit, van essentieel belang dat de organisatie en de interne spelers op dat domein individueel en collectief verantwoordelijkheid opnemen.

Ik geef u ter informatie een overzicht van de voornaamste maatregelen die werden meegedeeld. Het is ook van belang te melden wat buiten de besparingen valt.

De maatregelen die buiten de besparingen vallen, hebben betrekking op het wettelijke kader van magistraten, het kader van het gerechtspersoneel, de omkadering van het bewakingspersoneel en de justitieassistenten en het organigram van de FOD Justitie, geplafonneerd op het huidige niveau.

Ik kom nu tot de voornaamste maatregelen, te beginnen met de maatregel inzake aanwervingen met het oog op de vervanging van magistraten. Die zijn gegroepeerd in vijf publicaties per jaar voor de magistraten. Voor het gerechtspersoneel wordt de publicatieperiode teruggebracht tot vier maanden. De volgende publicatie verschijnt begin februari.

De spreiding in de tijd en de vertragingen in de oproepen tot kandidaten doen dus geen afbreuk aan het invullen van de vacatures. Het fenomeen is trouwens niet nieuw. De publicaties worden trouwens, op verzoek van de Hoge Raad voor de Justitie, al jaren opgeschort in de vakantieperiodes, wat overigens nooit problemen heeft veroorzaakt noch enig commentaar heeft uitgelokt.

Tot nu toe stapelt het bewakingspersoneel de overuren op. De vakantiedagen worden niet volledig opgenomen. Er werden structurele maatregelen genomen om stijging van het aantal overuren tegen te gaan en het presteren van overuren te verminderen.

In de FOD worden de promoties één keer per jaar gegroepeerd. De organisatiepiramide van de FOD Justitie is beperkt tot het huidige niveau.

Voor de nieuwe aanwervingen is een algemene beperking van toepassing, met uitzondering van de afgewerkte selectieprocedures en de selectieve projecten, bijvoorbeeld in het kader van het nieuwe gerechtelijke landschap en de elektronische bewaking.

Voor de vervangingscontracten voor tijdelijke afwezigen is voortaan een dubbel plafond van toepassing: 25% van de afwezige weddenmassa en 50% van het aantal afwezigen.

Het bewakingspersoneel van het DG EPI is tot nader order niet aan die maatregel onderworpen. Andere uitzonderingen moeten voldoende gemotiveerd zijn. Een horizontale flexibiliteit tussen de rechtsmachten en een onderlinge solidariteit tussen de diensten zijn vereist.

De bodes ter rechtszitting vormen een afzonderlijke groep, naast de bedienden en de bewakings- en bestuursmedewerkers. Ze zijn slechts in een beperkt aantal rechtbanken aanwezig en hun aantal verschilt van rechtbank tot rechtbank. Het is op structureel vlak wenselijk om hun inzet op termijn te herzien. Ik zal een werkgroep oprichten om die problematiek nader te bestuderen. Afschaffing van de bodes ter rechtszitting in het beperkte aantal vredegerechten waar ze nog actief zijn en een beperking van de prestaties van de bodes tot een derde van het huidige niveau horen tot de onmiddellijke maatregelen.

Ook hier wordt flexibiliteit gepromoot om de onderlinge solidariteit tussen de rechtbanken mogelijk te maken.

In 2009 bedroeg de financiële kostprijs van de bodes ter rechtszitting 3 024 000 euro. Een vermindering van het aantal uren tot een derde levert dus een besparing op van ongeveer 2 miljoen euro. Dat betekent dat de bodes nog 100 000 uren zullen mogen presteren in 2010 in plaats van de 300 000 in 2009.

In de rechterlijke orde zal elke nieuwe aanvraag voor een opdracht tot een hoger ambt met redenen moeten worden omkleed. In de FOD Justitie zal een einde worden gemaakt aan een aantal opdrachten tot een hoger ambt na de vier wettelijke perioden van zes maanden.

Naast de genoemde maatregelen werden ook richtlijnen afgekondigd, zoals het niet aanstellen van bezoldigde studenten, het niet verlengen van de Rosettacontracten en de groepering en/of fusie van sommige diensten, waaruit voordelen en samenwerking voortvloeien.

Justitie neemt zijn verantwoordelijkheid op zich in de federale besparingen, maar raakt vrijwel niet aan zijn voornaamste opdrachten en de nieuwe prioriteiten.

De budgettaire druk is een uiterst belangrijk element in het realiseren van een efficiëntere organisatie op basis van de werklastmeting en het wegwerken van de gerechtelijke achterstand.

De huidige situatie onderstreept de voordelen van een nieuw gerechtelijk landschap waar het accent wordt gelegd op management, schaalvoordelen en interne flexibiliteit.

De directeur van mijn strategische cel heeft de maatregelen toegelicht in de laatste vergadering van de Algemene Raad van de partners van de Rechterlijke Orde. Alle gerechtelijke acteurs waren daar vertegenwoordigd, wat mij ertoe noopt kritisch te zijn over hun `onwetendheid'.

Tijdens die toelichting werd de klemtoon gelegd op het belang van een goed overzicht van de uitgaven, aangezien de beslissingen die in het laatste trimester van 2009 genomen zijn dat budget niet te veel belasten, maar volgend jaar een positief effect zullen hebben op het geheel van de uitgaven. Voor het begrotingsjaar 2010 is dus de nodige voorzichtigheid geboden.

De voorzitter. - Ik dank de ministers voor hun vaak uiterst nauwkeurige antwoorden. Toch moet ik er de ministers en senatoren op wijzen dat de ontwikkeling van de vragen en antwoorden de door het Reglement toegestane spreektijd ruim overschrijdt.

Mevrouw Cécile Thibaut (Ecolo). - Ik dank minister Wathelet voor het voorlezen van dit volledige en technische, maar apolitieke antwoord.

Mijnheer de voorzitter, ik wens toch een opmerking te maken. Er zijn voldoende ministers aanwezig. Minister De Clerck was vanaf 15 uur in de zaal en er werden veel vragen uitgesteld zodat hij zou kunnen antwoorden op andere vragen die aan hem werden gesteld. Ik ben erg ontgoocheld omdat hij ook mijn vraag niet zelf heeft kunnen beantwoorden. Men had de vragen die aan hem waren gesteld, kunnen samenvoegen.

Ik keer terug tot het onderwerp van mijn vraag. Logischerwijze had men een overleg moeten organiseren alvorens de rondzendbrief uit te vaardigen. Sommige fracties hebben die gekregen, maar ik heb er zelf naar moeten zoeken. Ik hoop dat de heer Wathelet hem alsnog zal ronddelen voordat hij de zaal verlaat.

De minister moet toegeven dat deze besparingen een politiek karakter hebben. Het gaat om een keuze van de meerderheid. Men kan fundamentele vragen stellen over die begrotingskeuzen, maar ook over de inkomsten en activiteiten die te weinig of helemaal niets bijdragen aan de financiering van de algemene overheidsdiensten. Ik denk aan de belasting van de financiële meerwaarden.

De lineaire besparingen waartoe de regering heeft beslist, hebben al belangrijke gevolgen voor de fundamentele opdrachten van de Staat, onder meer voor Justitie. Wat de bodes ter rechtszitting betreft, verliest weliswaar niemand zijn baan aangezien het gaat om hulppersoneel, maar uiteindelijk zal tweederde van de uren niet meer gepresteerd mogen worden. Die werklast moet voortaan dus worden gedragen door andere ambtenaren of door de magistraten. Dat is betreurenswaardig.

Ik realiseer mij na het lezen van de rondzendbrief dat dit slechts het topje van de ijsberg is. Er zijn nog andere zwaardere en zorgwekkender maatregelen aan de orde, met name het niet vervangen van de personeelsleden die in de FOD Justitie met pensioen gaan. Er zal worden aangeworven, maar er is al meer dan een jaar nodig om een basismedewerker van de griffie in dienst te nemen. Bovendien is er een vertraging van twee maanden voor de magistraten en tot vier maanden voor de griffie. Voor de anderen is er geen enkele beperking. Dat leidt in ons land, waar de gerechtelijke achterstand al zo groot is, tot een waanzinnig situatie.

De voorzitter. - Ik herinner eraan dat de repliek beperkt is tot een minuut.

Mevrouw Cécile Thibaut (Ecolo). - Ik zal besluiten, mijnheer de voorzitter.

De krenterige besparingen dreigen veel geld te kosten. Energiebesparingen in de justitiepaleizen, zouden meer hebben opgebracht. Het menselijk aspect van het gerecht gaat steeds meer verloren, en dat betreur ik.

Mondelinge vraag van mevrouw Nahima Lanjri aan de staatssecretaris voor Begroting, Migratie- en asielbeleid, Gezinsbeleid en Federale Culturele Instellingen over «de blijvende problematiek van de `Belgiëroute'» (nr. 4-1016)

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Over de problematiek van de Belgiëroute heb ik in de vorige zittingsperiode in de Kamer vragen gesteld aan de toenmalig bevoegde minister. Ook in deze zittingsperiode heb ik er minister Turtelboom in de Senaat meermaals over ondervraagd.

Uit een Vlaams rapport bleek onlangs nog dat die problematiek blijft aanslepen. Ongeveer een jaar geleden heeft minister Turtelboom geantwoord dat de Europese Commissie in 2009 ter zake concrete richtsnoeren zou uitvaardigen. Op grond van die richtsnoeren zou België het probleem dan aanpakken.

In afwachting kan ons land natuurlijk wel de nodige controles verrichten bij Nederlanders die zich tijdelijk in België vestigen om zich hier als EU-onderdaan te kunnen beroepen op de Europese regelgeving die inzake gezinshereniging veel soepeler is dan de Nederlandse.

Het regeerakkoord van september stelde een aanscherping van de criteria voor gezinshereniging in het vooruitzicht, maar dat brengt geen aarde aan de dijk. De Belgische criteria gelden immers alleen voor Belgische onderdanen en voor derdelanders.

In een krantenartikel gisteren lijkt de woordvoerder van de minister te suggereren dat de regering niet kan optreden.

Het klopt uiteraard dat België in zijn eentje in dit dossier niets vermag, maar in Europees verband zou ons land wel afspraken kunnen maken. Niet alleen ik heb daarop in het verleden aangedrongen, ook de Nederlandse politica Verdonk zit op die lijn.

Kan de minister het Belgische voorzitterschap aangrijpen om de thematiek van de Belgiëroute op de Europese agenda te zetten?

Belangrijk is dat de soepele EU-criteria voor gezinshereniging beter aansluiten op de algemeen geldende criteria in de meeste EU-lidstaten.

Zo kan eraan gedacht worden om ook voor de EU-onderdanen de minimumleeftijd op te trekken tot 21 jaar en ook aan EU-onderdanen een hogere inkomensgrens en criteria inzake behoorlijke huisvesting op te leggen.

Ook voor EU-onderdanen zou overigens de voorwaarde moeten gelden dat ze eerst een jaar in ons land moeten verblijven alvorens in aanmerking te kunnen komen voor een geldige aanvraag tot gezinshereniging, op voorwaarde dat dit in Europees verband wordt afgesproken.

Daarom volgende vragen:

Klopt het dat de staatssecretaris van mening is dat het probleem niet kan worden aangepakt?

Welke concrete richtsnoeren van de Europese Commissie kan de staatssecretaris aangrijpen om het probleem van de `Belgiëroute' aan te pakken? Zijn er al stappen gedaan?

Is de staatssecretaris bereid om de misbruiken inzake gezinshereniging, zoals de `Belgiëroute' - het kan evengoed een Duitsland- of een Frankrijkroute zijn - op de agenda te plaatsen tijdens het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie om te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van de soepeler EU-regelgeving?

Hopelijk komt er enig schot in dit dossier, want ik vraag al sinds 2005 of langer om dat probleem in Europees verband op te lossen.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, voor Migratie- en asielbeleid, voor Gezinsbeleid en voor de Federale Culturele Instellingen. - Ik herhaal hier dat ik de strijd tegen misbruiken inzake gezinsmigratie centraal stel. Ik verwijs hiervoor naar mijn beleidsnota en naar de beslissingen die de regering op 9 oktober 2009 heeft genomen.

Zoals ik in het parlement reeds vermeldde, werken mijn diensten momenteel de nodige juridische teksten uit. Meer bepaald zullen, conform de beslissing van de regering van 9 oktober 2009, bepalingen worden opgenomen in de wet van 15 december 1980 inzake de strijd tegen schijnpartnerschappen.

Het is dus niet correct te stellen dat het probleem niet kan worden aangepakt, maar het is ook belangrijk te benadrukken dat wij inzake gezinshereniging inderdaad bepaalde EU-regels moeten naleven. Meer bepaald moet in dit verband EU-richtlijn 2004/38/EG in acht worden genomen. Hierdoor bestaan weinig tot geen mogelijkheden om de voorwaarden voor gezinshereniging met EU-onderdanen aan te scherpen.

De voorwaarde van voldoende huisvesting is ingevoerd in het kader van de omzetting van de richtlijn 2003/86/EG die de gezinshereniging voor derdelanders betreft. Het betrof een optionele door de lidstaten op te leggen voorwaarde. Er geldt geen Europese verplichting in dit verband.

In de praktijk blijkt de toepassing van die huisvestingsvereiste echter onwerkbaar te zijn. De regering heeft er dan ook voor gekozen om bij de gezinshereniging voor derdelanders een inkomensvoorwaarde op te leggen die volgens ons efficiënter zal zijn.

Wat de leeftijdsvereiste betreft, moet worden opgemerkt dat de huidige wetgeving in de lijn ligt van de EU-regelgeving en dat de vermelde richtsnoeren hierop geen directe invloed blijken te hebben.

Wat we wel kunnen doen om misbruiken langs de zogenaamde `Belgiëroute' tegen te gaan, is een doorgedreven waakzaamheid hanteren bij het controleren of de voorwaarden van het vrije verkeer correct worden nageleefd.

De aanpak ligt in eerste orde in een goede samenwerking met de diverse betrokken instanties. Men kan controleren of de EU-burger daadwerkelijk beantwoordt aan de voorwaarden om een beroep te kunnen doen op het vrije verkeer.

Zo zal gezinshereniging bijvoorbeeld geweigerd kunnen worden aan de echtgenote van een Nederlander die in België enkel een fictief adres heeft en daadwerkelijk woont en werkt in Nederland. Het opsporen van die misbruiken vergt een nauw overleg en een goede samenwerking met de lokale en de regionale overheden en met de Nederlandse immigratiedienst.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - We weten dat het akkoord van 9 oktober 2009 geen effect heeft op de Belgiëroute omdat het alleen strengere voorwaarden voor gezinshereniging oplegt aan mensen van buiten de Europese Unie en niet aan onderdanen van een Europees land zoals België of Nederland.

Het probleem kan alleen op Europees niveau worden aangepakt. Ik ben uiteraard op de hoogte van het bestaan van de Europese richtlijn 2004/38/EG. De criteria van die richtlijn moeten echter worden herzien aangezien verschillende landen problemen hebben met de shopping die erdoor ontstaat. Dat was vroeger al afgesproken met minister Turtelboom. Ook in het programma van Stockholm staat een passage over de harmonisering van de criteria voor gezinshereniging. Ik vraag dus dat de staatssecretaris het probleem op de Europese agenda plaatst. België kan immers niet in zijn eentje voor een oplossing zorgen, maar wordt wel opgescheept met de gevolgen. In steden als Antwerpen en in gemeenten aan de grens met Nederland of Frankrijk komen buitenlanders zich voor enkele maanden in ons land vestigen en verdwijnen vervolgens weer. Onze wetgeving laat deze praktijk toe. Op die manier omzeilen ze echter wel de criteria van hun land. Ook onze buurlanden zullen dus baat hebben bij een verbeterd systeem.

Ik ben het er niet mee eens dat het akkoord bepaalt dat de vereiste van een degelijke huisvesting vervangen is door een inkomenscriterium. Er zijn weliswaar problemen met het woningcriterium - die opgelost dienen te worden - maar een degelijke woning blijft een geldige voorwaarde.

Mondelinge vraag van de heer Karim Van Overmeire aan de minister van Landsverdediging over «de mogelijke stopzetting van het Airbus A400M-programma» (nr. 4-1020)

De heer Karim Van Overmeire (VB). - Nog geen maand geleden woonde de minister in Sevilla de eerste testvluchten bij van de Airbus A400M, een nieuw militair transportvliegtuig, waarvan België er zeven voor zichzelf bestelde en één voor Luxemburg. Hoewel de minister zich tijdens de testen vrij enthousiast toonde, blijken er grote problemen met het toestel te zijn. Het feit dat de testvlucht achttien maanden na de geplande datum plaatsvond, spreekt eigenlijk al voor zich.

Het dossier kwam hier en in andere parlementen al eerder ter sprake wegens de benadeling van Vlaanderen op het vlak van de compensaties en de discussies rond de legitimiteit van het tijdelijke consortium Flabel en de positie van Barco hierin. Het probleem wordt nog acuter nu de topman van Airbus, Thomas Enders, ermee dreigt om de ontwikkeling van dit type vliegtuigen stop te zetten omdat het ten nadele zou gaan van toestellen voor de burgerluchtvaart.

Volgens de Financial Times in Duitsland zijn er al ingenieurs van het A400-project doorgeschoven naar het A380- en het A350-project.

De kosten voor de ontwikkeling van dit legervliegtuig zouden opgelopen zijn van 20 miljard tot 31,3 miljard euro. Airbus eist nu dat de helft van de meerkosten door de zeven afnemers worden gedragen. Airbus en de moedermaatschappij EADS zijn hierover al maanden aan het onderhandelen. Blijkbaar lopen de onderhandelingen bijzonder stroef en wil Airbus de druk opdrijven. In tegenstelling tot Frankrijk en Spanje, staat het Duitse ministerie voor Defensie naar verluidt bijzonder weigerachtig om een deel van de meerkosten te betalen en wil het land hoogstens afzien van de schadevergoeding voor de vertragingen die Airbus moet uitkeren.

Eind januari is opnieuw een vergadering met de zeven landen gepland. Airbus schat de kans dat een oplossing wordt gevonden op 50 procent.

Wat is de houding van ons land in dit dossier? Zullen de zeven landen met een gemeenschappelijk standpunt naar buiten komen?

Hoeveel bedragen de meerkosten voor ons land en is de regering van plan deze meerkosten te dragen en af te zien van de schadevergoeding voor laattijdige levering?

Hoeveel keer is het opvolgingscomité met de gewesten, dat wordt samengeroepen door de minister van Defensie, al samengekomen over de compensaties voor de aankoop van de A400M? Wat is de stand van zaken?

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - Op 31 januari 2010 zal de standstillperiode afgelopen zijn. Het is de bedoeling om in die periode een oplossing te zoeken voor alle problemen in het dossier: de vertraging, de technische capaciteit van het vliegtuig, de luchtvaardigheid en zo meer. Inmiddels weten we dat de testvlucht geslaagd is.

De onderhandelingen tussen de landen en de industrie over de aanpassing van het contract zijn goed gevorderd. Het struikelblok blijft de financiële impact van de vertraging.

Ik word van dit dossier noch warm noch koud. Het dossier van de A400M sleept al zeer lang aan. Het kwam voor het eerst op de regeringsagenda in het voorjaar van 1999. Voor België zijn de leveringen ten vroegste vanaf 2018-2019 gepland. België en Luxemburg hebben samen 8 toestellen besteld, 7,2 ten laste van ons land en 0,8 ten laste van Luxemburg.

De `Kerstverklaring' van de heer Enders is volgens mij vooral een psychologische demarche die ervoor moet zorgen dat de deelnemende landen zich engageren om het dossier voort te zetten.

Ik ben in dit dossier gematigd optimistisch, al ben ik niet zeker dat het project ooit zal slagen. Mijn Franse collega heeft namens Frankrijk laten weten dat zijn land achter het dossier blijft staan. Dat is begrijpelijk, want de Fransen zouden als eersten het nieuwe toestel in bezit krijgen. Dat is ook broodnodig want hun Transalltoestellen zijn tot op de draad versleten en moeten worden vervangen. Ik ga er dus van uit dat het dossier, dat een Europees dossier is, tot een goed einde zal worden gebracht.

Mocht het dossier toch stranden, dan zou dat voor het Belgische leger, meer bepaald voor de luchtcomponent, een groot probleem zijn. Het Belgische leger bezit gedateerde C-130's, die weliswaar werden geüpdatet. Van de dertien oorspronkelijke toestellen blijven er nog elf over. Eén toestel was betrokken bij een ongeval in Eindhoven en een ander is na een brand onbruikbaar.

Een mislukking van het project zou drie belangrijke gevolgen hebben. Ten eerste zou het bedrag dat België heeft betaald om aan het project te kunnen deelnemen, de ticketting, verloren gaan. Ten tweede zou voor heel wat Belgische, en dus ook Vlaamse ondernemingen een grote markt verloren gaan. Dergelijke militaire toestellen zijn immers altijd de voorhoede van toestellen voor de burgerluchtvaart. De heer Overmeire kent de Vlaamse en andere Belgische bedrijven die in dit dossier hebben geïnvesteerd. Ten derde zou het Belgische leger volstrekt onverwacht worden geconfronteerd met de noodzaak om de huidige transporttoestellen te vervangen door andere toestellen dan de A400M. De financiering en de technische keuze zouden heel wat problemen kunnen opleveren.

Ik hoop en geloof dat het dossier tot een goed einde kan worden gebracht. Dat zou betekenen dat België ten vroegste in 2018 of 2019 over nieuwe toestellen zal beschikken. De mogelijke financiële gevolgen zijn dubbel: ofwel houden we ons aan onze bestelling van de acht toestellen en betalen we meer, ofwel blijven we bij de vooropgestelde som en krijgen we maar zes of zeven toestellen.

Ik hoop zo snel mogelijk uitsluitsel te krijgen en de parlementsleden hierover te kunnen inlichten.

De heer Karim Van Overmeire (VB). - Ik dank de minister voor zijn uitgebreid antwoord. Hij zei dat dit dossier hem warm noch koud laat. Ik neem aan dat hij hiermee wil aangeven dat hij het dossier bij zijn aantreden van zijn voorganger heeft geërfd. De minister geeft immers zelf aan hoe belangrijk het dossier is, zoals het mogelijke financiële verlies en de gemiste kansen voor Vlaamse en andere Belgische bedrijven. Het belangrijkste is echter dat de transportcapaciteit van de luchtcomponent van het Belgische leger in het gedrang dreigt te komen en er zijn nu al heel wat problemen.

Mag ik uit het antwoord afleiden dat de minister al werk maakt van een plan B, dat haast niet anders kan zijn dan de aanschaf van nieuwe, Amerikaanse C-130's? Of zijn er nog andere mogelijkheden?

Zal de minister vooraf met de partnerlanden overleggen over een gemeenschappelijk standpunt? Wat bedoelt de minister met `de druk opvoeren'? Airbus is duidelijk aan het pokeren. Zullen de zeven landen dat ook doen?

Ik heb ook geen antwoord gekregen op mijn vraag over de compensaties en de verdeelsleutel tussen de gewesten in dit dossier.

De heer Pieter De Crem, minister van Landsverdediging. - De regering blijft het standpunt aanhouden dat het toestel A400M de C-130 zal vervangen. Pas na het aflopen van de standstillperiode, mocht blijken dat niet aan de voorwaarden kan worden voldaan, zal indien nodig een andere beslissing worden genomen. Het is niet uitgesloten dat er een vertraging zal zijn bij de levering van de eerste toestellen in 2011, 2012 en 2013, maar dat de volgende vliegtuigen op tijd zullen worden geleverd.

Ik heb gewezen op de C-130's die vooral voor buitenlandse operaties en rotaties worden ingezet. Voor elke C-130 die actief is, moet, gelet op de leeftijd van de toestellen, een andere aan de grond blijven voor een klein, middelgroot of groot onderhoud.

Op de vragen met betrekking tot de compensatieregeling en het overleg met de gemeenschappen en de gewesten kan ik nu geen antwoord geven, maar ik ben bereid dat zo spoedig mogelijk schriftelijk te doen.

Mondelinge vraag van de heer Franco Seminara aan de minister van KMO's, Zelfstandigen, Landbouw en Wetenschapsbeleid, aan de minister van Klimaat en Energie en aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen over «de vermelding van allergenen op de etiketten van voedingsmiddelen» (nr. 4-1009)

De heer Franco Seminara (PS). - Een recente Europese richtlijn verplicht industriëlen om in de samenstelling op voorverpakte voedingsmiddelen eventueel de allergenen te vermelden uit een groep van 14 die 90% van alle allergieën veroorzaken, zoals granen die gluten bevatten, aardnoten, soja, sesamzaad, enzovoorts.

Voor het Onderzoeks- en informatiecentrum van de verbruikersorganisaties, het OIVO, maar ook voor Test-Aankoop, is het van wezenlijk belang dat eventuele allergenen worden vermeld en betekent de vermelding een doorbraak voor al wie aan een voedselallergie lijdt. Het gaat om een grote groep mensen, namelijk 6 à 8% van de kinderen en 2 à 3% van de volwassenen; de risico's voor de gezondheid zijn reëel en de kosten voor de gezondheidszorg niet te verwaarlozen.

België heeft die richtlijn omgezet in een koninklijk besluit, maar heeft de toepassing ervan beperkt tot de voorverpakte voedingsmiddelen. In tegenstelling tot andere landen is de richtlijn in ons land dus niet van toepassing op onverpakte voedingsmiddelen bij de bakker, de slager of in een horecazaak.

Uit schrik om aansprakelijk te zijn voor eventuele allergieën, nemen industriëlen hun toevlucht tot vage vermeldingen zoals `kan ... bevatten', `eventueel sporen van ...', die het er voor allergische personen niet makkelijker op maken. Ik heb het dan niet eens over de leesbaarheid van de vermelding.

Het OIVO is van oordeel dat de exacte samenstelling van het product ondubbelzinnig op het etiket vermeld moet staan zonder daarom het risico op allergieën te overdrijven.

Is het niet raadzaam onze wetgeving uit te breiden tot de onverpakte voedingsmiddelen en zodoende te anticiperen op de volgende Europese regelgeving die de uitbreiding hoe dan ook aan België zal opleggen?

Zou een geregelde controle van de etiketten in de handel niet de geschikte aanpak zijn om de leesbaarheid ervan te garanderen?

Is het niet noodzakelijk een algemeen geldige standaardverificatiemethode vóór vermarkting van de eindproducten uit te werken om zo te kunnen waarborgen dat ze geen allergenen bevatten, zoals het OIVO adviseert?

De heer Paul Magnette, minister van Klimaat en Energie. - De vermelding van allergenen op etiketten is hoofdzakelijk een bevoegdheid van de minister van Volksgezondheid, maar omdat ik bevoegd ben voor de bescherming van de consument heb ik uiteraard grote aandacht voor het probleem. Ik ga zeer geregeld in op de voorstellen van het OIVO om de consument beter te beschermen.

De Europese Raad bespreekt momenteel een voorstel van verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorlichting van de consument inzake voedingsmiddelen. Dat voorstel komt ruimschoots tegemoet aan uw bekommernis, want het maakt de precieze vermelding van allergenen verplicht ongeacht de aard van de verpakking. De uiterst vage vermeldingen waarnaar u verwijst, zijn dan niet meer geldig.

Dat voorstel van verordening bevat tevens bepalingen over de verantwoordelijkheid van de operatoren en over de leesbaarheid die niet in de huidige wetgeving voorkomen. Het is inderdaad niet zeer nuttig nagenoeg onleesbare vermeldingen op te leggen.

Verordeningen treden in werking zodra ze zijn goedgekeurd. We hoeven dus niet te wachten op de omzetting ervan in ons nationaal recht. In dit stadium lijkt het ons dan ook niet nodig aanvullende nationale wetten te maken. We moeten wachten tot het Europese wetgevende proces afgerond is, tot we over de aangenomen tekst beschikken en kunnen nagaan of hij de consument optimale bescherming biedt, alvorens aanvullende nationale maatregelen te overwegen.

In de huidige stand van zaken blijkt de tekst tegemoet te komen aan de bekommernissen die u heeft geopperd.

De heer Franco Seminara (PS). - Ik dank de heer Magnette dat hij de andere bevoegde ministers van mijn vraag op de hoogte zal brengen. Ik wens hem geluk met zijn solidaire instelling, want op dit precieze domein zijn aanspreekbare verantwoordelijken slechts dun gezaaid.

Mondelinge vraag van mevrouw Helga Stevens aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de uitbreiding van de preventiecampagne over CO-vergiftiging naar de dovengemeenschap» (nr. 4-1013)

Mevrouw Helga Stevens (Onafhankelijke). - Ik wil van de gelegenheid gebruik maken om iedereen hier het allerbeste voor het nieuwe jaar te wensen.

Onlangs gaf minister Turtelboom in Gent het startschot voor een nieuwe preventiecampagne over CO-vergiftiging. Dat is een uitstekend initiatief want de cijfers leren dat er jaarlijks nog altijd vele honderden slachtoffers te betreuren zijn, waarvan enkele tientallen met dodelijke afloop.

De actuele campagne is specifiek gericht op bepaalde moeilijk bereikbare groepen in onze samenleving, enerzijds de kansarmen en anderzijds de culturele of taalkundige minderheden. Die groepen blijken zich vaak minder bewust te zijn van de gevaren van CO-vergiftiging omdat de traditionele campagnes aan hen voorbijgaan.

De campagnebrochure, een soort fotoverhaal, is beschikbaar in een tiental talen, waaronder het Arabisch, het Turks, het Pools en het Roemeens. Om de doelgroepen zo goed mogelijk te sensibiliseren, wordt ze verspreid in samenwerking met onder meer de armoedeorganisaties en minderhedenverenigingen. Dat kan ik uiteraard alleen maar toejuichen.

Graag wil ik de minister echter vragen twee bijzondere minderheden, de Vlaamse en de Franstalige dovengemeenschap in België, niet uit het oog te verliezen. Des te meer omdat een dove kennis van mij in 1996 overleed ten gevolge van CO-vergiftiging in een appartement in Gent. Ik denk daarom dat het zeer zinvol zou zijn om de campagne uit te breiden tot die twee gemeenschappen. De voorkeurtaal van veel dove mensen is respectievelijk de Vlaamse of de Frans-Belgische Gebarentaal. Velen onder hen beheersen het geschreven Nederlands of het geschreven Frans niet goed en zijn met andere woorden functioneel analfabeet. Bijgevolg gaan de traditionele campagnes, en ook de huidige preventiecampagne, compleet aan hen voorbij.

Concreet wil ik de minister voorstellen de informatie ook in de Vlaamse en de Frans-Belgische Gebarentaal ter beschikking te stellen via internet en/of dvd en brochures specifiek gericht op de dovengemeenschap aan te maken. Hiervoor kan ze eventueel samenwerken met de Vlaamse en Franstalige organisaties die gebarentaalgebruikers verenigen en vertegenwoordigen.

Ik kijk uit naar de reactie van de minister op mijn voorstel.

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Binnenlandse Zaken. - Ook ik wil natuurlijk van de gelegenheid gebruik maken om iedereen hier het allerbeste te wensen voor het nieuwe jaar.

Met onze CO-preventiecampagne willen we altijd zoveel mogelijk doelgroepen bereiken. Daarom hebben we dit jaar een extra inspanning gedaan om statistisch belangrijke risicogroepen over het gevaar te informeren. Die doelgroepen worden door de klassieke campagnes immers vaak niet bereikt. Naast de klassieke campagnes werken we daarom ook met een fotoroman met extra veel beelden, zodat de boodschap zo eenvoudig en duidelijk mogelijk wordt gepresenteerd, ook voor de mensen die een van de tien talen waarin onze klassieke campagne beschikbaar is, niet machtig zijn.

We hebben ook samengewerkt met heel wat kanalen, kringloopwinkels, ziekenfondsen, armoedeorganisaties enzovoort die ervoor kunnen zorgen dat de sensibiliserende informatie over CO-vergiftiging via de juiste distributiekanalen een goede verspreiding kent.

Uiteraard vinden we het belangrijk tegemoet te komen aan de behoeften van alle doelgroepen. Daarom zal mijn administratie overleg plegen met de Vlaamse en Franstalige verenigingen voor gebarentaalgebruikers. Op die manier kunnen we kijken welke acties we in de toekomst kunnen ondernemen om ook de doelgroep van de gebarentaalgebruikers te informeren via het meest geschikte kanaal. Ik wil mevrouw Stevens alvast bedanken voor de suggestie. We zullen er zeker rekening mee houden bij de volgende campagne rond CO-vergiftiging.

Mevrouw Helga Stevens (Onafhankelijke). - Ik dank de minister voor het positieve antwoord.

De minister wil overleg plegen met de betrokken organisaties. Er zal echter maar iets concreets gedaan worden tijdens de komende campagne.

Gelet op het risico van CO-vergiftiging is mijn vraag of het niet mogelijk is nog deze winter een initiatief te nemen voor de dovengemeenschap, bijvoorbeeld via het internet onder de vorm van streaming video?

Mondelinge vraag van de heer Dimitri Fourny aan de staatssecretaris voor Mobiliteit over «het rijverbod voor vrachtwagens bij zware sneeuwval» (nr. 4-1008)

De heer Dimitri Fourny (cdH). - Ik stel deze vraag na een verklaring van de minister van Openbare Werken van het Waals Gewest, de heer Benoît Lutgen, in het kader van de weersomstandigheden van de laatste weken die verschillende verkeersproblemen op wegen en autosnelwegen veroorzaakten, in het bijzonder in het zuiden van het land. Tijdens de eerste sneeuwval van drie weken geleden werd meer dan vijfhonderd kilometer file op de Belgische wegen vastgesteld.

Uiteraard wordt het zuiden van het land meer geteisterd door sneeuw en ijzel. Bij overvloedige sneeuwval of hevige sneeuwval gedurende korte periodes zijn er op de Waalse wegen en autosnelwegen, in het bijzonder op de E411 en E25, grote moeilijkheden.

Minister Lutgen, die in het Waals Parlement werd geïnterpelleerd, gaf zijn intentie te kennen om in welbepaalde gevallen het verkeer van sommige voertuigen, met name vrachtwagens, bij zware weersomstandigheden te verbieden. Hij zei u een brief te hebben geschreven met de vraag op dit voorstel te reageren. Wij hebben daarover gisteren nog in de plenaire vergadering gedebatteerd. Overweegt u om vrachtverkeer eenvoudigweg te verbieden op autosnelwegen bij slechte weersomstandigheden die zware hinder, zoals opstoppingen en ongevallen, veroorzaken?

Een alternatieve oplossing bestaat erin het Waals Gewest zogenaamde intelligente verkeersborden te laten plaatsen die slechts in bijzondere gevallen in werking treden. Die maatregel zou tot doel hebben om bij plots en ingrijpend erg slecht weer het vrachtverkeer op wegen en autosnelwegen te verbieden tot de wegen sneeuwvrij zijn gemaakt.

Welk antwoord zult u op het voorstel van minister Lutgen geven? Wat denkt u over de plaatsing van verkeersborden die tijdelijk het vrachtverkeer verbieden om het sneeuwruimen en het bestrooien van de wegen mogelijk te maken?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - U hebt een juiste analyse van de situatie en de mogelijke oplossingen gemaakt.

Toch lijkt me het opnemen in het verkeersreglement van een algemeen verbod van vrachtverkeer bij sterke sneeuwval opportuun noch doeltreffend.

Op het terrein kunnen de situaties sterk verschillen. Ik denk aan de staat van de weg, de hellingen en de bruggen. De geografische en weerkundige situatie verschilt ook van de ene tot de andere plaats.

Het komt dus de wegbeheerder - in dit geval het gewest -, die ook de verkeerscentra beheert, toe om, in samenwerking met de federale politie, de nodige maatregelen te nemen.

Zoals u zei, moeten de gewesten zelf de knelpunten op hun wegennet bepalen en er vaste of, beter nog, dynamische borden plaatsen met instructies of zelfs een rijverbod voor vrachtwagens. Die signalisatie mag slechts tijdelijk werken.

Ik sta in contact met mijn Waalse collega Benoît Lutgen om oplossingen uit te werken. Indien zou blijken dat de huidige, in het verkeersreglement opgenomen verkeersborden niet volstaan, ben ik bereid wijzigingen te onderzoeken, zoals nieuwe of aanvullende borden.

Mondelinge vraag van mevrouw Olga Zrihen aan de staatssecretaris voor Mobiliteit over «de verkeerssignalering van de nieuwe flitspalen op de Waalse autosnelwegen» (nr. 4-1011)

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - U weet dat zeven nieuwe flitspalen geïnstalleerd werden op de Waalse autosnelwegen en dat begin mei 2009 de eerste flitscamera werd ingehuldigd. Die flitspalen hebben echter tot geen enkel proces-verbaal geleid aangezien ze zich nog altijd in de proeffase bevinden.

De reden daarvoor is dat er voor elke nieuwe radarcontrole, ingevolge een beslissing van de gewestminister die voor deze materie bevoegd is, moet worden voorzien in signaleringsborden die de nieuwe controlezones duidelijk aangeven.

De gewestelijke overheden zouden in dat verband gewacht hebben - en nog wachten - op instructies van het federale niveau voor de installatie van de signaleringsborden.

Ondanks verschillende vragen om uitleg bij uw diensten heeft het Waals Gewest nog altijd geen nauwkeurig antwoord gekregen met betrekking tot de signaleringsborden. Het Gewest heeft dus een eenzijdige beslissing moeten nemen en heeft een aanbesteding uitgeschreven voor de aankoop van de borden in kwestie.

Hebben de gewestelijke overheden nauwkeurige instructies gekregen voor de productie van de betrokken signaleringsborden of genieten de deelstaten hieromtrent een zekere vrijheid? Dat zou kunnen verklaren waarom de apparatuur in het ene deel van het land al in werking is en in het andere nog niet.

Mochten er nog geen instructies zijn uitgewerkt of meegedeeld, wat is daarvoor dan de reden?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - Ik moet er u eerst en vooral aan herinneren dat de wegbeheerders bevoegd zijn voor de installatie van de flitspalen. Ze doen dat in overleg met het parket en de betrokken politiediensten.

Aangezien het gaat om een repressiemiddel dat valt onder de controles en vervolgingen, dat wil zeggen onder het strafrechtelijk beleid in verkeerszaken, moet de opportuniteit om signaleringsborden te plaatsen volgens mij ook worden opgenomen in dat overleg met het parket en de politie.

Aangezien dit een aanwijzingsbord is, kunnen de wegbeheerders, dus de Gewesten, zelf een dergelijk bord ontwerpen, voor zover het niet in de Wegcode staat, zoals de borden die wijzen op de aanwezigheid van flitspalen. Het gaat om een eenvoudig informatiebord dat het BIVV ongeveer tien jaar geleden al heeft aanbevolen en dat al geïnstalleerd is op veel plaatsen in de twee andere gewesten van het land.

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Ik dank de staatssecretaris voor dit duidelijke antwoord. Als de wegbeheerders die korte uitleg ook hadden gekregen, zou dat onze debatten en de situatie op het terrein hebben vereenvoudigd. Als gemeenschapssenator zal ik zijn antwoord onverwijld bezorgen aan mijn collega's in het Waals Parlement.

Mondelinge vraag van de heer Geert Lambert aan de minister van Pensioenen en Grote Steden over «de stand van zaken van de Pensioenconferentie» (nr. 4-1010)

De heer Geert Lambert (Onafhankelijke). - Een van de ambities die deze regering ooit had, naast goed bestuur, een staatshervorming en de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde, was de grondige aanpak van het Belgische pensioenstelsel. Van alle taken die de regering zichzelf in het regeerakkoord heeft opgelegd, is dit laatste bijzonder belangrijk.

We weten immers dat we niet voorbereid zijn om onze sociale zekerheid overeind en onze pensioenen betaalbaar te houden, temeer omdat de vergrijzing volgens bepaalde studies al vanaf het jaar 2010 op gang zal komen. De tijd dat de minister tot spoed moet worden aangemaand is voorbij evenals de tijd van onheilspellende rapporten. Het is tijd voor actie.

In oktober 2008 besliste de regering een pensioenconferentie in te stellen. Vanaf januari 2009 zou die een heel jaar worden voortgezet. Er zou via voorbereidende taskforces worden gewerkt. Er werd beslist om drie werkgroepen te belasten met het onderzoek van respectievelijk de modernisering van het wettelijk pensioen, van de aanvullende pensioenen en van het individuele pensioensparen.

We weten ondertussen wat de problemen zijn waarmee de pensioenstelsels kampen. We weten dat het systeem zwaar onder druk komt en dat het in de komende decennia erg moeilijk wordt om alles overeind te houden. De minister zelf zei ooit dat we ons tot 2015 geen zorgen hoefden te maken, maar hij vertelde er niet bij wat er na 2015 zou gebeuren.

Is de regering nog steeds van plan om tijdens deze regeerperiode de pensioenstelsels ingrijpend te hervormen, of kiest ze integendeel voor de gemakkelijke weg van het uitstel?

Een jaar na de start van de pensioenconferentie zou het stilaan duidelijk mogen zijn welke de krijtlijnen van de hervormingen zullen zijn. Kan de minister mij deze krijtlijnen schetsen?

Mochten er, niettegenstaande de hoogdringendheid, nog geen krijtlijnen bekend zijn, kan hij dan de stand van zaken van de pensioenconferentie geven? Wanneer is de conferentie en zijn de werkgroepen voor het laatst bijeengekomen en wanneer is de volgende vergadering gepland? Tegen wanneer zullen de werkzaamheden van de conferentie afgerond zijn? Wanneer verwacht de minister dat de hervormingen effectief zullen worden doorgevoerd?

Wat is het standpunt van de regering over de pensioenconferentie? Zitten alle meerderheidspartijen op dezelfde lijn of hebben ze beslist het niet eens te zijn en niets te doen?

De heer Michel Daerden, minister van Pensioenen en Grote Steden. - We zijn ons al jaren bewust van het probleem van de vergrijzing en van het feit dat onder de opeenvolgende regeringen het probleem onopgelost bleef. Gaat men daarmee akkoord? (Gelach)

Als we ons werkelijk over dit probleem willen buigen en het in zijn geheel willen bestuderen, lijkt het me niet goed overhaast te werk te gaan. Dat zou immers kunnen leiden tot puur demagogische en electorale schijnoplossingen. Sinds mijn aantreden heb ik contact opgenomen met de verschillende sociale gesprekspartners en de verschillende vertegenwoordigers van ouderenverenigingen om te proberen de zaak af te ronden.

Tot eind december werden er veel vergaderingen gehouden. De werkzaamheden vorderen goed. Ik hoop van harte in de komende weken een eerste tussentijdse verslag bij de regering te kunnen indienen. Dat verslag zal een soort groenboek worden dat hopelijk de goede vragen zal stellen. Over het groenboek zal vervolgens een brede discussie worden gevoerd die, wat mij betreft, in de verenigde commissies van Kamer en Senaat moet aanvangen.

Aan het einde van deze brede discussie hoop ik voor het einde van de eerste helft van 2010 een samenvattend verslag, een witboek, aan de regering te kunnen voorleggen. Dat zal ook dienen als vertrekpunt voor de discussie over het Belgische EU-voorzitterschap in de tweede helft van 2010.

De heer Geert Lambert (Onafhankelijke). - Het antwoord van de minister heeft enig gelach opgewekt. Het zou echter jammer zijn dat deze ernstige materie enkel plezier opwekt. Ik heb wel concreet vernomen dat de minister een groenboek zal starten, dat tot een witboek zal leiden. Ik hoop alleen dat de minister van zijn coalitiepartners geen rood licht krijgt om het witboek uiteindelijk om te zetten in een wetboek. Want dat is toch het uiteindelijke doel. Een hervorming van ons pensioenstelsel is dringend nodig. Ik heb in de voorbije weken in krantenberichten evenwel gelezen dat een parlementslid, dat deze materie voor een van de coalitiepartners nauwgezet opvolgt, pleit voor uitstel tot na de verkiezingen van 2011, omdat er geen overeenstemming is tussen de coalitiepartners. Ik hoop dat de pensioenen voor de komende generaties kunnen worden betaald.

Mondelinge vraag van mevrouw Martine Taelman aan de staatssecretaris voor de Coördinatie van de fraudebestrijding over «de publicatie van de wet op de kansspelen en het uitblijven van de publicatie over de samenstelling van de kansspelcommissie» (nr. 4-1019)

Mevrouw Martine Taelman (Open Vld). - Op 3 december jongstleden keurde de Kamer van Volksvertegenwoordigers het wetsontwerp inzake kansspelwetgeving definitief goed. De regering vroeg voor dit wetsontwerp de urgentiebehandeling. Nu, meer dan een maand na de goedkeuring van het ontwerp is de wet nog steeds niet in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.

De kansspelcommissie is sinds 15 oktober niet langer rechtmatig samengesteld en ze kan dus geen bindende beslissingen meer treffen.

Sinds die datum kan de kansspelcommissie alleen nog zogenaamde positieve beslissingen nemen. Over sancties, complexe dossiers of verhuizingen, kortom dossiers die problemen kunnen doen rijzen of beroepen uitlokken, kan de commissie niets meer beslissen.

In dezen was het arrest van de Raad van State van 13 april 2006 in de zaak Timmers duidelijk. Ik citeer: `... dat er vooralsnog geen reden toe lijkt de onwettige samenstelling van de kansspelcommissie bij het nemen van de voorliggende beslissing voorbij te zien omwille van het continuïteitsbeginsel ...; dat ... de continuïteit van de openbare dienst er niet van vrijstelt die continue werking in principe op een regelmatige wijze te verzekeren.'

Graag had ik van de minister vernomen wanneer de wet wordt gepubliceerd en wanneer de nieuwe samenstelling van de kansspelcommissie wordt gepubliceerd, die een belangrijk rol speelt in de toepassing van de wet.

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding en staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Het reces heeft voor enige vertraging gezorgd, maar al het nodige wordt gedaan opdat de wet zo snel mogelijk wordt gepubliceerd. Een aantal ministers zullen wellicht morgen in de marge van de wekelijkse Ministerraad hun handtekening plaatsen onder de wet.

Begin volgende week zal de nieuwe wet dan ter bekrachtiging aan de Koning worden voorgelegd. Enkele dagen later volgt de publicatie in het Belgisch Staatsblad.

De uitvoering van de wet is echter gebonden aan een hele reeks van koninklijke besluiten. Een eerste reeks ontwerpen van koninklijk besluit met betrekking tot de weddenschappen is bijna klaar. Zoals beloofd krijgen de commissies voor de Justitie van Kamer en Senaat vooraf inzage zodat ze opmerkingen kunnen formuleren. Dat zal vermoedelijk binnen een week of twee al gebeuren, zodat de wet snel in haar eerste uitvoeringsfase zal treden.

Ook voor de samenstelling van de kansspelcommissie is het ontwerp van koninklijk besluit klaar. De ontbrekende handtekeningen worden eveneens morgen geplaatst. Volgende week wordt het dan voorgelegd aan de Koning en vervolgens in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.

Tot slot wijs ik erop dat de kansspelcommissie in principe slechts maandelijks vergadert en dat tot op heden slechts twee vergaderingen niet hebben kunnen plaatsvinden. Het uitstel zal dus snel worden goedgemaakt.

Hoewel de samenstelling van de nieuwe commissie wat tijd heeft gevergd, meen ik toch te kunnen zeggen dat de continuïteit van de dienst goed is gerespecteerd en een vrij redelijke vergaderfrequentie is aangehouden.

Mevrouw Martine Taelman (Open Vld). - Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoord.

In de loop van volgende week verwacht ik dus de publicatie van de wet met hopelijk de juiste handtekeningen en in de juiste taal.

Mondelinge vraag van mevrouw Freya Piryns aan de staatsecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding over «de opvang van asielzoekers» (nr. 4-1022)

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Ik heb in deze assemblee de reputatie dat ik vaak dezelfde vragen stel. Ik heb dat gedaan bij mevrouw Turtelboom over de regularisatie en vandaag doe ik dat bij de staatssecretaris opnieuw. Ik hoop dat hij weet dat ik dit uit oprechte bezorgdheid doe en omdat ik het nodig acht dat telkens weer vragen worden gesteld over de opvang van asielzoekers.

Het is de laatste dagen koud; het sneeuwt en het vriest dat het kraakt. Toch slapen mensen in dit ontwikkelde, rijke land op straat en worden mensen op straat gezet.

Net voor Kerstmis deed premier Leterme een warme oproep aan de bevolking. In de christelijke traditie vroeg hij de bevolking om te helpen waar de overheid faalde, namelijk bij de opvang van nieuw aangekomen asielzoekers die Fedasil - volgens de premier noodgedwongen, maar daarover verschillen wij van mening - dakloos de straten van Brussel moest opsturen. Ik las en hoorde dat er heel wat positieve reacties op die oproep zijn gekomen. Dat is fantastisch.

Maar laten we niet vergeten wiens taak het is om voor opvang te zorgen, namelijk die van de overheid. De overheid beloofde op zeer korte termijn voor extra opvangplaatsen te zorgen. Vorig jaar hadden er al heel wat moeten bijkomen. Uiteindelijk zou de staatssecretaris in januari 2010 voor extra plaatsen zorgen.

Van organisaties als Vluchtelingenwerk hoor ik echter dat er, zelfs in deze ijzige kou en met de sneeuw die er overal ligt, nog mensen door Fedasil de straat op worden gestuurd. Dat tart toch elke verbeelding. Het is zo koud dat de gemiddelde Belg er alles aan doet om zo min mogelijk buiten te hoeven komen, en dan hebben wij - uiteraard is dat de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris - het lef om in dit weer nog steeds mensen aan hun lot over te laten!

Heeft de staatssecretaris er een idee van hoeveel mensen op dit moment bij particulieren worden opgevangen? Wordt dit systematisch aan Fedasil gemeld?

Hoever staat het met de creatie van extra opvangplaatsen? In de eerste plaats heb ik het dan over noodopvang, die vandaag broodnodig is, en waarvoor de staatssecretaris overheidsgebouwen zou opeisen. Tevens wil ik van de staatssecretaris horen hoe het staat met de planning van extra structurele opvang.

Vindt hij niet dat de regering ervoor moet zorgen dat tijdens deze gure wintermaanden geen énkele persoon de straat op gestuurd wordt? Is dat niet onze, en vooral zijn morele plicht?

Weet hij hoeveel mensen er op dit moment op straat slapen? Voor hoeveel mensen is er vandaag nog oplossing in zicht?

De heer Philippe Courard, staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding. - Om te beginnen wens ik iedereen het beste voor het nieuwe jaar.

Voor zover ik weet, zijn er geen asielzoekers die bij privépersonen gehuisvest zijn, in tegenstelling tot sommige daklozen die op initiatief van de burgemeester in Sint-Niklaas worden opgevangen.

Ik geef hierna een overzicht van de nieuwe opvangplaatsen die worden gecreëerd. Ik zal trouwens wekelijks op de Ministerraad voor een overzicht zorgen.

Fedasil en de opvangpartners hebben twee bijkomende opvangplaatsen geopend. Het Rode Kruis zorgde in Heusden-Zolder voor opvang voor 94 asielzoekers. Het Croix-Rouge opende eind december een centrum in Banneux voor 140 asielzoekers. Daarnaast zorgden plaatselijke opvanginitiatieven voor bijkomende opvang voor 260 asielzoekers. In Dinant werd op 21 december een opvang geopend in een gebouw dat eigendom is van de Regie der Gebouwen. Deze opvang telt 236 plaatsen en wordt geleid door het Rode Kruis.

Hier volgt een overzicht van de plaatsen die binnenkort operationeel zullen zijn:

Er zullen weldra appartementen worden opengesteld die toebehoren aan de Regie en verspreid zijn over het gehele grondgebied. Het gaat om minimaal 70 plaatsen. Het ministerie van Defensie stelt een gebouw in Langemark-Poelkapelle ter beschikking dat begin februari zal opengaan en dat in een eerste fase tot 100 personen zal kunnen herbergen en later, na uitgebreide werkzaamheden, 200 personen.

Er werden ook gebouwen ter beschikking gesteld door privépersonen. Het gaat om meer dan 125 plaatsen, meer bepaald in Eupen en Ukkel. Twee appartementen in Ciergnon die tot de Koninklijke Schenking behoren, zullen na enkele kleine herstellingswerken worden vrijgemaakt.

Daarnaast heeft de Regie der Gebouwen een overheidsopdracht voor de aankoop van woonmodules uitgeschreven. Met deze maatregel zouden 518 nieuwe plaatsen gecreëerd worden in geprefabriceerde modules. Ze komen bovenop de 130 tijdelijke plaatsen van hetzelfde type die al in 2009 werden geopend. Bovendien zal de Regie rationeler omspringen met de bestaande ruimte in gebouwen die nu al gebruikt worden. Op die manier zullen nog eens 256 plaatsen vrijkomen.

De regering zal blijven nagaan waar nog bijkomende opvangplaatsen kunnen worden gecreëerd.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Ik weet dat de staatssecretaris het niet apprecieert als ik hem persoonlijk op zijn verantwoordelijkheid als staatssecretaris wijs. Als hij echter zijn antwoord begint met te zeggen dat hij niet weet dat er particulieren zijn die asielzoekers opvangen, dan bewijst dit dat hij het dossier onvoldoende beheerst. Toen mijn medewerkster in de Antwerpse gemeenteraad mijn verhalen hoorde over asielzoekers die de straat op werden gestuurd, vroeg ze mij op welke manier ze kon helpen. Dat was nog vóór de oproep van de premier. Zij heeft een appartement ter beschikking gesteld. Fedasil, de dienst die onder de bevoegdheid van de staatssecretaris valt, heeft een vrouw met twee kinderen naar haar huis gestuurd. Zij is overigens niet de enige particulier die een verblijfplaats ter beschikking stelt.

Nu zegt hij dat er geen mensen door particulieren worden opgevangen en dan zou ik nog steeds moeten geloven dat hij dit dossier belangrijk vindt en dat hij dag na dag, van 's morgens tot 's avonds, naar oplossingen zoekt!

Ik wil best geloven dat een oplossing, dat het zoeken naar opvangplaatsen niet eenvoudig is, maar die opvangplaatsen zullen er niet vanzelf komen. De regering bewijst nu dat haar inspanningen niet volstaan.

Wetsontwerp houdende instemming met het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning, aangenomen te New York op 20 december 2006 (Stuk 4-1505)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Wille verwijst naar zijn schriftelijke verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 4-1505/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Franse Republiek betreffende de uitwisseling van informatie en van persoonsgegevens over houders van een inschrijvingsbewijs van voertuigen opgenomen in de nationale inschrijvings- en kentekenregisters, teneinde verkeersovertredingen te bestraffen, ondertekend te Parijs op 13 oktober 2008 (Stuk 4-1512)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Mevrouw Tindemans verwijst naar haar schriftelijke verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 4-1512/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Voorstel van resolutie inzake het Facultatief Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) (van mevrouw Olga Zrihen c.s.; Stuk 4-1475)

Bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging, zie stuk 4-1475/1.)

De voorzitter. - De heer Mahoux en mevrouw Schelfhout verwijzen naar hun schriftelijke verslag.

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - De essentie van een democratische samenleving is iedere burger, ongeacht waar hij zich ook bevindt en wat ook zijn afkomst is, tot welke etnische of religieuze groep hij ook behoort en ongeacht zijn filosofische overtuiging of seksuele geaardheid, de mogelijkheid te geven te genieten van de vooruitgang en meest elementaire realisaties inzake politieke, burgerlijke, economische, sociale en culturele rechten.

Hoewel er internationale juridische instrumenten bestaan die het unieke karakter en het belang van deze elementaire rechten omschrijven waarvan alle volkeren en individuen moeten kunnen genieten, moet helaas worden vastgesteld dat die fundamentele rechten al te vaak met voeten worden getreden.

Het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten, IVESCR, is één van die internationale instrumenten.

Samen met het Universele Verklaring voor de rechten van de mens en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten vormt het IVESCR het Internationaal Handvest voor de rechten van de mens en de corebusiness, de bron van alle internationale verdragen inzake mensenrechten.

Het IVESCR werd aangenomen in 1966, trad in werking in 1976 en is momenteel geratificeerd door 159 staten. Het blijft evenwel een internationaal instrument dat niet wordt toegepast.

In theorie heeft het IVESCR kracht van wet en vormt het een juridische verplichting voor alle lidstaten. In de praktijk blijkt daar niets van.

De staten staan onder erg zware druk om de internationale handelsakkoorden naar de letter na te leven. Dat is echter niet het geval voor de verbintenissen die zij hebben aangegaan door het IVESCR te ratificeren. Erger nog: hun voortdurende onderwerping aan de handelsregels gaat dikwijls ten koste van het IVESCR en leidt zelfs tot flagrante schending van de erin vervatte rechten, alsof dat verdrag geen enkele juridische waarde heeft.

Dit voorstel betreft meer bepaald het Facultatief Protocol behorend bij het IVESCR. Dit concretiseert de ondeelbaarheid van alle mensenrechten door het IVESCR een controlemechanisme te geven dat, naar het voorbeeld van wat voor de burgerrechten en politieke rechten bestaat, een klachtenprocedure instelt die kan leiden tot de ontwikkeling van een uitgebreide rechtspraak in dat verband.

Door de ratificatie van het Facultatief Protocol kunnen de economische, sociale en culturele rechten eindelijk dezelfde prioriteit krijgen als de politieke en burgerrechten:

De ratificatieprocedure van het Facultatief Protocol behorend bij het IVESCR is gestart in maart 2009. Ze is des te belangrijker omdat de goedkeuring van het Protocol door de Algemene Vergadering van de VN geen dwingend karakter heeft. Het Facultatief Protocol kan daar wel voor zorgen.

België heeft het Facultatief Protocol in september 2009 ondertekend. Dit voorstel vraagt de regering om, in het kader van de bilaterale betrekkingen en van de voorbereidende contacten voor het Belgische EU-voorzitterschap, op te roepen tot een ratificatie en een snelle ondertekening van het Facultatief Protocol.

Mijnheer de Voorzitter, mevrouwen, mijne heren, gelet op de hiervoor ontvouwde elementen en op de unanieme goedkeuring van de voorgelegde tekst in de commissie, hoop ik dat alle democratische politieke families zich zullen aansluiten bij dit initiatief.

De heer Karim Van Overmeire (VB). - Onze fractie zal het voorstel van resolutie niet goedkeuren. Ten eerste is de tekst een voorbeeld van de proliferatie van allerlei rechten die ertoe leidt dat de echt fundamentele rechten aan belang inboeten. Ten tweede is het recht op deelname aan het culturele leven gekoppeld aan de rechtstreekse werking van het verdrag voor de nationale rechtbanken. Dat doet bij ons, gelet op de Belgische discussies over de goedkeuring van het minderhedenverdrag en andere, allerlei alarmlichten knipperen.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Ook de N-VA zal tegen het voorstel van resolutie stemmen. De intentie van de tekst is voor ons niet duidelijk. Zo wordt gesproken over de nationale implicaties. Voor culturele rechten geldt het territorialiteitsprincipe en niet het personaliteitsbeginsel. Dat is zeer belangrijk voor een harmonieuze samenleving.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Dat is ongelooflijk!

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp houdende instemming met het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning, aangenomen te New York op 20 december 2006 (Stuk 4-1505)

Stemming 1

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is eenparig aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Franse Republiek betreffende de uitwisseling van informatie en van persoonsgegevens over houders van een inschrijvingsbewijs van voertuigen opgenomen in de nationale inschrijvings- en kentekenregisters, teneinde verkeersovertredingen te bestraffen, ondertekend te Parijs op 13 oktober 2008 (Stuk 4-1512)

Stemming 2

Aanwezig: 60
Voor: 60
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is eenparig aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Voorstel van resolutie inzake het Facultatief Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) (van mevrouw Olga Zrihen c.s.; Stuk 4-1475)

Stemming 3

Aanwezig: 59
Voor: 49
Tegen: 10
Onthoudingen: 0

-De resolutie is aangenomen. Zij zal worden meegedeeld aan de eerste minister en aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen.

De voorzitter. - Ik feliciteer mevrouw Zrihen.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Dat is een stemming van de democraten.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 14 januari 2010 om 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

Wetsontwerp tot aanpassing van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, aan de benaming "Grondwettelijk Hof"; Stuk 4-513/3 en 4.

Ontwerp van bijzondere wet tot aanpassing van verschillende bepalingen aan de benaming "Grondwettelijk Hof"; Stuk 4-514/5 en 6.

Art. 81, derde lid, en art. 79, eerste lid, van de Grondwet
Wetsontwerp tot aanpassing van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, aan de benaming "Grondwettelijk Hof"; Stuk 4-515/6 en 7.

Herziening van de Grondwet
Voorstel tot herziening van de Grondwet teneinde in titel II van de Grondwet een artikel 22ter in te voegen dat het recht waarborgt van personen met een handicap op aangepaste maatregelen die hun zelfstandigheid en culturele, maatschappelijke en professionele integratie garanderen (van de heren Philippe Monfils en Francis Delpérée); Stuk 4-1531/1 tot 4.

Voorstel van resolutie betreffende uitbreiding van het systeem van de sociale derde betaler (van mevrouw Nahima Lanjri c.s.); Stuk 4-1185/1 tot 4. (Pro memorie)

Vanaf 17.30 uur:

Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Naamstemming over het ontwerp van bijzondere wet (Stemming met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet).

Naamstemming over de afgehandelde grondwetsbepaling (Stemming met de meerderheid bepaald in artikel 195, laatste lid, van de Grondwet).

Vragen om uitleg:

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het beschikbaarheidshonorarium voor dokters van wacht»(nr. 4-1326)

De voorzitter. - De heer Philippe Courard, staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding, antwoordt.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Sinds enkele jaren bestaat er een beschikbaarheidshonorarium voor artsen van wacht. Dat honorarium wordt voor ongeveer elf disciplines toegekend, maar de neurochirurgie valt daar niet onder. Nochtans hoef ik niet te onderstrepen dat die discipline ook levensreddende permanenties verzekert. Dat het beschikbaarheidshonorarium niet aan neurochirurgen wordt toegekend, leidt in sommige ziekenhuizen tot ontevredenheid en zelfs tot discussies waar de honoraria al dan niet worden toegekend. Er wordt met andere woorden duidelijk een onderscheid gemaakt tussen de heelkunde in het algemeen en de neurochirurgie.

Oftalmologen, ORL-artsen en radiologen kunnen dan weer wel rekenen op een beschikbaarheidshonorarium, maar klinisch biologen niet. Het beschikbaarheidshonorarium voor internisten zit ook in één pot met als gevolg dat het ontoereikend is.

Wat zijn de juiste vereisten om in aanmerking te komen voor een beschikbaarheidshonorarium? Welke logica zit achter de lijst van de disciplines die voor een beschikbaarheidshonorarium in aanmerking komen? Is de minister op de hoogte van het probleem? Is ze van plan om de lijst van disciplines die van het beschikbaarheidshonorarium gebruik kunnen maken aan te passen?

De heer Philippe Courard, staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Het koninklijk besluit van 29 april 2008 heeft betrekking op de honoraria die het RIZIV betaalt aan welbepaalde artsen van welbepaalde disciplines voor het vergoeden van de effectieve beschikbaarheid extra muros, door hen verzekerd in het kader van een medische wachtdienst in een ziekenhuis dat beschikt over een erkende functie van gespecialiseerde spoedgevallenzorg en/of intensieve zorg. Met andere woorden, het koninklijk besluit heeft betrekking op alle artsen-specialisten van de elf specialiteiten bedoeld in artikel 10 van het koninklijk besluit van 27 april 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" moet voldoen om te worden erkend. In dit artikel wordt geen onderscheid gemaakt tussen de specialiteiten in de heelkunde, zoals gastro-intestinale chirurgie, vasculaire chirurgie of cardiochirurgie.

Dit probleem wordt besproken in de Technisch Geneeskundige Raad van de commissie artsen-ziekenfondsen, in het meer algemene kader van de herziening van het vergoeden van de beschikbaarheid van de artsen die intra en extra muros ziekenhuispermanenties verzorgen.

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, eerste ondervoorzitter.)

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Ik hoop dat de minister werk maakt van een meer logisch opgestelde lijst die, indien budgettair mogelijk, zelfs zou kunnen worden uitgebreid. Sommige artsen, die vaak zware wachtdiensten vervullen, zouden immers ook een beschikbaarheidshonorarium moeten kunnen genieten.

Vraag om uitleg van de heer Benoit Hellings aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over «de situatie in Georgië»(nr. 4-1338)

De voorzitter. - De heer Philippe Courard, staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding, antwoordt.

De heer Benoit Hellings (Ecolo). - In de zomer van 2008 brak er een conflict uit tussen Rusland en Georgië in Zuid-Ossetië en Abchazië. Achteraf gezien blijkt duidelijk dat Georgië de agressor was. Toch blijven er vele vragen open aan de vooravond van het Belgische EU-voorzitterschap. De federale regering zou ertoe genoopt kunnen worden voor de EU de gevolgen van dit diplomatiek-politieke conflict te beheren, zoals het Franse voorzitterschap dat heeft gedaan op het ogenblik van de eerste militaire manoeuvres in die streek.

Het rapport van de senatoren Josy Dubié (Ecolo) en Christine Defraigne (MR) maakte gewag van de mogelijkheid van oorlogsmisdrijven en van `etnische zuivering', zelfs genocide.

Hoever staat het met de idee van een internationaal onderzoek van dit conflict en zijn gevolgen? Welke rol kan België hierin spelen? Georgië heeft de zaak aanhangig gemaakt bij het Internationaal Strafgerechtshof. Hoever staat die procedure? Volgens de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de VN hebben ongeveer 163 000 mensen hun huis moeten ontvluchten tijdens het conflict. Zijn zij naar hun woning kunnen terugkeren?

Indien de spanning in die regio opnieuw zou toenemen, zou België als EU-voorzitter een gelijkaardige rol als die van Frankrijk moeten kunnen spelen.

De heer Philippe Courard, staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding. - Ik lees het antwoord van de minister.

Het onafhankelijke internationale onderzoek van het Georgische conflict, waartoe werd beslist door de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 15 september 2008 en dat wordt geleid door de Zwitserse diplomate Tagliavini, resulteerde in conclusies die eind september 2009 werden ingediend. Het onderzoek had tot doel de feiten vast te stellen en niet om aanbevelingen te doen. Het was een middel om de twee partijen te tonen dat zij in de gaten worden gehouden door de internationale gemeenschap en ook, waarschijnlijk, hen ertoe te brengen hun oorlogslogica te vervangen door gesprekken en onderhandelingen. België heeft dit Europees initiatief ondersteund. Eén van de onderzoekers van het team van mevrouw Tagliavini was een Belg.

Het bureau van de procureur van het Internationaal Strafgerechtshof maakt preliminaire analyses van de situatie sinds 14 april 2008. Rusland en Georgië werken in het kader van die analyses op bevredigende wijze samen met het Hof.

Volgens informatie van gespecialiseerde internationale organisaties zijn ongeveer 30 000 vluchtelingen in Georgië nog niet naar hun woning kunnen terugkeren en zijn er in de Noordelijke Kaukasus nog ongeveer 70 000 vluchtelingen.

De European Union Monitoring Mission (EUMM), waarvan het mandaat het hele Georgische grondgebied beslaat, heeft nog steeds geen toegang tot de separatistische zones. Een dergelijke toegang wordt gegarandeerd door de akkoorden van 12 augustus en 8 september 2008 die door Rusland, Georgië en de EU werden gesloten, maar wordt nog altijd geblokkeerd door de separatistische autoriteiten, die daarin door Rusland worden gesteund. De EU en haar lidstaten blijven er bij Moskou op aandringen dat Rusland zijn verbintenissen ingevolge de vermelde akkoorden volledig zou nakomen. De EUMM beschikt over de vereiste middelen om zijn huidig mandaat uit te voeren, zoals het hoofd van de missie in zijn laatste halfjaarlijks rapport onderstreept.

De maritieme geschillen moeten worden beslecht in de besprekingen van Genève, die de verschillende protagonisten bijeenbrengen onder het covoorzitterschap van de EU. Het is langs deze weg dat deze kan blijven optreden.

Wat de Russische Federatie betreft, staat België het behoud van een kritische en constructieve dialoog voor die het vinden van akkoorden in sommige domeinen mogelijk maakt, zelfs als er op andere vlakken meningsverschillen blijven bestaan.

Ik kan me echter niet uitspreken namens de EU. Het Verdrag van Lissabon vertrouwt de leiding van het GBVB immers toe aan mevrouw Ashton en het wisselend voorzitterschap bestaat op dat vlak niet meer. Ik kan u echter verzekeren dat België bij de 27 zal optreden om zijn gezichtspunt te ondersteunen. Bovendien zal het Belgische voorzitterschap werken aan de invoering van een actieplan voor een beleid van goed nabuurschap met Georgië en aan een nieuwe associatieovereenkomst tussen de EU en dat land.

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de minister van Justitie over «geïnterneerden die psychiatrische hulp behoeven»(nr. 4-1334)

De voorzitter. - De heer Philippe Courard, staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding, antwoordt.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Uit cijfers blijkt dat in onze Belgische gevangenissen 1070 geïnterneerden zonder gepaste medische hulp wegkwijnen. Er is geen plaats meer in de psychiatrie, zodat psychiatrische patiënten een plaats krijgen in onze strafinstellingen en verkommeren zonder degelijke medische bijstand. We hebben vernomen dat een oplossing in de maak is en dat er aparte instellingen zouden worden gebouwd.

De dagprijs in een psychiatrisch centrum bedraagt vandaag een slordige 180 euro per patiënt. Los van de infrastructuur wordt het totale budget voor alle geïnterneerden in België op meer dan 70 miljoen euro per jaar - 180 × 365 × 1070 - geraamd. De FOD Justitie plant voor de komende jaren de bouw van twee instellingen voor forensische psychiatrie, één in Gent en één in Antwerpen, goed voor een 400-tal plaatsen, minder dan de helft van de geïnterneerden die in aanmerking komen.

Heeft de minister hierover overleg gepleegd met andere overheden in ons land? Zo ja, met welke overheden? Kan de minister de vergaderingen en de resultaten daarvan toelichten?

Welke maatregelen plant de minister op korte termijn om de opvang te verbeteren van geïnterneerden die medische, vooral psychiatrische hulp behoeven? Welk budget trekt de minister daarvoor uit hic et nunc?

Wanneer mogen we de nieuwe instellingen forensische psychiatrie precies verwachten?

Zal in de nabije toekomst meer therapeutische aandacht worden besteed aan de drugsgeïnduceerde psychiatrische patiënten? Zo ja, welke maatregelen mogen we ter zake voor die geïnterneerden verwachten?

Zijn er al voorbereidingen getroffen of is er al een werkgroep opgericht om uit te maken wie de zorg van de geïnterneerden op zich gaat nemen en wie die gaat betalen, gezien het enorme bedrag?

Is in begrotingsgesprekken reeds over de te verlenen kredieten overleg gepleegd?

De heer Philippe Courard, staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding. - Ik lees het antwoord van minister De Clerck.

Over het probleem van de interneringen gaf ik al uitleg aan de heer Louis Ide op 17 december jongstleden. Op het gevaar af in herhaling te vallen, schets ik de huidige stand van zaken.

Er vertoeven inderdaad in de gevangenissen nog te veel geïnterneerden over wie de Commissies tot bescherming van de maatschappij beslist hebben dat ze op proef kunnen worden vrijgelaten, onder beding van opname in een aangepaste psychiatrische setting.

Eind 2006 zaten er 862 geïnterneerden in de gevangenissen. Eind 2007 waren dat er 965. Op 22 december 2009 was dit cijfer opgelopen tot 1094. Dat betekent een stijging met 232 in drie jaar.

Door het gebrek aan opvangplaatsen in het forensisch psychiatrisch zorgcircuit blijven vele geïnterneerden langer in de gevangenis zitten dan vanuit veiligheidsoogpunt noodzakelijk is. Aangezien de gevangenissen niet de omkadering hebben waarover psychiatrische ziekenhuizen wel beschikken, blijven vele geïnterneerden verstoken van een adequate behandeling.

Toch zijn in het recente verleden enkele belangrijke initiatieven genomen om hun situatie te verbeteren.

Zo is in het voorjaar van 2009 in Merksplas de gloednieuwe afdeling De Haven in gebruik genomen, met 60 plaatsen voor personen met een mentale handicap. Eind oktober vorig jaar heb ik in de gevangenis van Paifve een vernieuwde afdeling met 41 plaatsen voor geïnterneerden geopend. Begin 2008 ging in Turnhout een afdeling open met een aangepast behandelingsprogramma voor psychotische geïnterneerden. De plaatsen van de in 2007 opgerichte zorgequipes werden in 2008 en 2009 verder ingevuld.

In de gevangenissen te Gent en te Merksplas wordt samengewerkt met externe centra voor mentaal gehandicapten, die aangepaste zorgprogramma's aanbieden. Deze initiatieven zullen verder worden uitgebreid. In samenwerking met mijn collega van Volksgezondheid ijver ik voor een verdere uitbreiding van het aantal forensische bedden in de externe zorgsector.

Ten slotte zullen tegen eind 2012 te Gent en te Antwerpen twee gesloten forensisch psychiatrische centra met een totale capaciteit van 450 plaatsen worden opgericht.

Ook aan de drugsgeïnduceerde psychiatrische patiënten en dubbeldiagnosepatiënten in het algemeen zal aandacht besteed worden. Er bestaan trouwens al concrete initiatieven voor deze doelgroep, zoals in het psychiatrisch centrum te Sleidinge in Oost-Vlaanderen. Ook in de forensisch psychiatrische centra te Gent en te Antwerpen zullen deze patiënten worden opgevangen. In het externe forensische zorgcircuit zijn vandaag circa 1000 gesubsidieerde forensische plaatsen voorhanden. Deze plaatsen worden gefinancierd door het RIZIV.

Eind 2008 hebben de ministers van Justitie en van Volksgezondheid een bijkomend vierjarenplan uitgewerkt tot verdere uitbreiding van dit forensisch zorgcircuit. Dit plan voorziet trapsgewijs, onder voorbehoud van budget, in nogmaals 560 extra plaatsen voor geïnterneerden. Een eerste fase daarvan werd gerealiseerd in 2009 voor een totaal budget van 3,8 miljoen euro. Deze maand zal ik opnieuw met mijn collega van Volksgezondheid in overleg treden over de verdere implementatie van dat plan.

De financiële middelen voor de bouw van de twee forensisch psychiatrische centra te Gent en te Antwerpen waartoe de regering in 2008 besliste, zijn opgenomen in het kader van de realisatie van het masterplan voor een gevangenisinfrastructuur in humane omstandigheden. Ik zal op korte termijn overleg plegen met minister Onkelinx over de financiering van de exploitatie van deze twee centra.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Ik dank de minister voor het uitgebreide antwoord. Wat wordt precies bedoeld met het externe zorgcircuit? Is dat een tegenhanger van een `intern zorgcircuit'? Wie betaalt dan wat?

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de minister van Justitie en aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen en aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de procedure om op het internet aangeboden gestolen goederen terug te vorderen»(nr. 4-1335)

De voorzitter. - De heer Philippe Courard, staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding, antwoordt.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Er doet zich op het internet een nieuw fenomeen voor om gestolen goederen op verkoopsites te koop aan te bieden. Indien het slachtoffer hier in het zeldzame geval kennis van neemt, staat hem een lange, oneffen weg te wachten om zijn gestolen goed terug te claimen. Afhankelijk van waar het slachtoffer en de verkoper, de onrechtmatige eigenaar, van het item gedomicilieerd zijn, worden de plaatselijke politiediensten ingezet, wat zelden vlot verloopt en voor communicatieve problemen tussen de diensten zorgt. Indien informatie over de verkoper opgevraagd dient te worden, moet dit via de procureur gaan en is het item reeds verkocht voordat de administratieve rompslomp rond is.

Is de minister van dit fenomeen op de hoogte?

Welke maatregelen heeft ze al genomen om de betreffende procedure te vereenvoudigen, vooral voor wat de politiediensten betreft?

Welke maatregelen om de betreffende procedure te vereenvoudigen, mogen wij eventueel nog verwachten en wanneer? Kan de minister die maatregelen toelichten?

De heer Philippe Courard, staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding. - Ik lees het antwoord van de minister.

Het aanbieden van gestolen goederen voor heling via verkoops- en zoekertjessites is geen nieuw fenomeen. Door de opmars van het internet en de anonimiteit die het medium biedt, zien we wel dat dit fenomeen de laatste jaren steeds meer voorkomt.

De identificatie van internetgebruikers is niet eenvoudig. Om de privacy van de eindgebruiker maximaal te garanderen, heeft de wetgever een tweetrapssysteem uitgewerkt. Voor loutere identificatie is een vordering van een procureur nodig. Voor nog diepgaander onderzoek, bijvoorbeeld het opvragen van connectiegegevens of interceptie, moet men een vordering van een onderzoeksrechter kunnen voorleggen.

Deze procedure geldt enkel rechtstreeks indien het artikel wordt aangeboden op een Belgische website of een website die op een Belgische server is gehost. Als de website zich in het buitenland bevindt, moet bovendien gewerkt worden met een internationaal rechtshulpverzoek, een langdurige procedure die niet garandeert dat men de gevraagde informatie krijgt.

Aangezien elke dienstenaanbieder op het internet een deeltje van de informatie bezit, is de identificatie door de internetprovider in vele gevallen slechts een eerste stap en heeft men vaak nog een tweede vordering tot identificatie nodig, ditmaal voor de internetoperator.

Wanneer de verkregen informatie leidt tot een persoon, kan de procureur des Konings de betrokkene laten verhoren.

Om dit moeizame proces te versnellen en te faciliteren, zijn de laatste jaren een aantal instrumenten ontwikkeld om zowel bij de politie als bij de magistratuur sneller informatie te kunnen opvragen en uit te wisselen.

Zo werden bijvoorbeeld versnelde procedures uitgewerkt met buitenlandse internetproviders die een Belgische vestiging hebben, zoals Google en Hotmail, zodat niet steeds een rechtshulpverzoek nodig is om identificatiegegevens te bekomen.

De `Leidraad Internetfraude' is een handleiding die ter beschikking werd gesteld van de eerstelijnspolitiemensen, zodat zij snel en adequaat kunnen reageren wanneer klachten over dit soort feiten worden ingediend.

Bovendien werden verschillende informatiesessies inzake internetrecherche georganiseerd om zoveel mogelijk politiemensen de nodige kennis van opsporingen en identificaties op het internet bij te brengen en werd een referentienetwerk van politiemensen met een grondige kennis van die materie opgezet.

Aangezien het succes van opsporing en vervolging van criminelen in cyberspace in grote mate afhankelijk is van de sporen die zich bevinden bij de internetproviders, is het voor de toekomst belangrijk dat EU-richtlijn 2006/24/EG betreffende de bewaring van gegevens zo snel mogelijk in Belgisch recht wordt omgezet. Die wetgeving inzake bewaring van gegevens zal duidelijk bepalen wat de internetoperatoren precies dienen te bewaren en hoe lang. Om opsporingen op het internet mogelijk te maken, is het cruciaal om de termijn voor de bewaring van gegevens voor de internetproviders ruim genoeg te bepalen. De regering is hier momenteel mee bezig.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Ik dank de staatssecretaris voor de uitleg. Wij hebben onlangs zelf een geval van heling via internet meegemaakt. Er worden immers niet alleen fietsen, maar ook dure auto's aangeboden. De telefoonnummers zijn onbruikbaar of vervalst, zodat noodzakelijkerwijs via e-mail contact moet worden genomen. Het opsporen van de data via de providers lijkt mij een goede oplossing te zijn.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

Ik maak van de gelegenheid gebruik om het personeel mijn beste wensen aan te bieden voor het nieuwe jaar.

De volgende vergadering vindt plaats op donderdag 14 januari om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 18.50 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de heer Ceder, om gezondheidsredenen, mevrouw Lijnen, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Wouter Beke, Yves Buysse, Marcel Cheron, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, José Daras, Armand De Decker, Jean-Jacques De Gucht, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Caroline Désir, Alain Destexhe, Jan Durnez, Philippe Fontaine, Richard Fournaux, Dimitri Fourny, Cindy Franssen, Céline Fremault, Benoit Hellings, Louis Ide, Nele Jansegers, Zakia Khattabi, Geert Lambert, Nahima Lanjri, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Fatma Pehlivan, Caroline Persoons, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Franco Seminara, Ann Somers, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Marleen Temmerman, Cécile Thibaut, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Bart Tommelein, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Luckas Vander Taelen, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Els Van Hoof, Myriam Vanlerberghe, Karim Van Overmeire, Tony Van Parys, Yoeri Vastersavendts, Marc Verwilghen, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 2

Aanwezig: 60
Voor: 60
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Wouter Beke, Yves Buysse, Marcel Cheron, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, José Daras, Armand De Decker, Jean-Jacques De Gucht, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Caroline Désir, Alain Destexhe, Jan Durnez, Philippe Fontaine, Richard Fournaux, Dimitri Fourny, Cindy Franssen, Céline Fremault, Benoit Hellings, Louis Ide, Nele Jansegers, Zakia Khattabi, Geert Lambert, Nahima Lanjri, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Fatma Pehlivan, Caroline Persoons, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Franco Seminara, Ann Somers, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Marleen Temmerman, Cécile Thibaut, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Bart Tommelein, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Luckas Vander Taelen, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Els Van Hoof, Myriam Vanlerberghe, Karim Van Overmeire, Tony Van Parys, Yoeri Vastersavendts, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 3

Aanwezig: 59
Voor: 49
Tegen: 10
Onthoudingen: 0

Voor

Wouter Beke, Marcel Cheron, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Marie-Hélène Crombé-Berton, José Daras, Armand De Decker, Jean-Jacques De Gucht, Francis Delpérée, Caroline Désir, Alain Destexhe, Jan Durnez, Philippe Fontaine, Richard Fournaux, Dimitri Fourny, Cindy Franssen, Céline Fremault, Benoit Hellings, Zakia Khattabi, Nahima Lanjri, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Fatma Pehlivan, Caroline Persoons, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, Els Schelfhout, Franco Seminara, Ann Somers, Guy Swennen, Martine Taelman, Marleen Temmerman, Cécile Thibaut, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Bart Tommelein, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Luckas Vander Taelen, Els Van Hoof, Myriam Vanlerberghe, Tony Van Parys, Yoeri Vastersavendts, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille, Olga Zrihen.

Tegen

Yves Buysse, Hugo Coveliers, Michel Delacroix, Louis Ide, Nele Jansegers, Helga Stevens, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, teneinde schuldoverlast te voorkomen (van de heren Philippe Fontaine en Berni Collas; Stuk 4-1576/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de programmawet (I) van 24 december 2002, wat de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen betreft (van mevrouw Vanessa Matz; Stuk 4-1577/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek om de aanvaarding van het meemoederschap bij homoseksuele vrouwen mogelijk te maken (van de heer Jean-Jacques De Gucht c.s.; Stuk 4-1580/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij, om te verbieden dat minderjarigen deelnemen aan de spelen die de Nationale Loterij aanbiedt (van mevrouw Vanessa Matz; Stuk 4-1581/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel betreffende het lot van de onderhoudsschulden in het kader van een collectieve schuldenregeling en het invoeren van een effectieve invordering van alimentatieschulden door de Dienst alimentatievorderingen (van mevrouw Els Schelfhout c.s.; Stuk 4-1583/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel en de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming van het welzijn der dieren, strekkende tot een verbod op het ritueel slachten (van mevrouw Anke Van dermeersch; Stuk 4-1585/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wat betreft de buitenlandse inkomsten onderworpen aan het progressievoorbehoud (van de heer Wouter Beke c.s.; Stuk 4-1587/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel op de beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor aannemers van werken in onroerende staat (van de heer Wouter Beke c.s.; Stuk 4-1588/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 433quinquies van het Strafwetboek teneinde de definitie van mensenhandel uit te breiden tot seksuele uitbuiting (van mevrouw Nahima Lanjri c.s.; Stuk 4-1589/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Voorstellen van bijzondere wet

Artikel 77 van de Grondwet

Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van artikel 49, §1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (van de heer Jean-Jacques De Gucht c.s.; Stuk 4-1579/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Voorstellen van resolutie

Voorstel van resolutie betreffende de strijd tegen malaria (van mevrouw Nele Lijnen; Stuk 4-1578/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Voorstel van resolutie inzake de rechtspositie van de reiziger die rechtstreeks boekt via een luchtvaartmaatschappij (van de heer Dirk Claes c.s.; Stuk 4-1582/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Voorstellen tot herziening van het Reglement

Voorstel tot wijziging van het reglement van de Senaat, inzake de orde in de Senaat en op de tribunes (van mevrouw Anke Van dermeersch; Stuk 4-1584/1).

-Verzonden naar het Bureau.

Samenstelling van commissies

Bij de Senaat zijn voorstellen ingediend tot wijziging van de samenstelling van bepaalde commissies:

Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden:

Commissie voor de Justitie:

Commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden:

Controlecommissie betreffende de verkiezingsuitgaven en de boekhouding van de politieke partijen:

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Niet-evocaties

Bij boodschappen van 5 januari 2010 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen:

Wetsontwerp tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol) wat betreft de benoeming in de graad van aanstelling van bepaalde personeelsleden van de algemene directie van de gerechtelijke politie (Stuk 4-1518/1).

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst wat de schuldsaldoverzekeringen voor personen met een verhoogd gezondheidsrisico betreft (Stuk 4-1519/1).

Wetsvoorstel tot opheffing van de wet van 9 februari 1999 tot oprichting van het Belgisch Overlevingsfonds en tot oprichting van een Belgisch Fonds voor de voedselzekerheid (Stuk 4-1520/1).

-Voor kennisgeving aangenomen.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 22 en 23 december 2009 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp ter ondersteuning van de werkgelegenheid (Stuk 4-1560/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 23 december 2009; de uiterste datum voor evocatie is maandag 18 januari 2010.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 22 december 2009.

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Artikel 80 van de Grondwet

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen (Stuk 4-1553/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 23 december 2009; de uiterste datum voor evocatie is vrijdag 8 januari 2010.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 22 december 2009.

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsontwerp tot aanpassing van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, aan de benaming "Grondwettelijk Hof" (van de heer Francis Delpérée; Stuk 4-515/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 23 december 2009; de onderzoekstermijn, die overeenkomstig artikel 79, eerste lid, van de Grondwet 15 dagen bedraagt, verstrijkt op maandag 18 januari 2010.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 22 december 2009.

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Verdrag inzake de rechten van het kind

Bij brief van 23 december 2009 heeft de minister van Justitie, aan de Senaat overgezonden, overeenkomstig artikel 2 van de wet van 4 september 2002 tot instelling van een jaarlijkse rapportage over de toepassing van het Verdrag inzake de rechten van het kind, het jaarverslag voor 2007-2009.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.