5-2749/2 | 5-2749/2 |
2 APRIL 2014
I. PROCEDURE
Dit bicameraal wetsontwerp werd op 18 maart in de Senaat ingediend en verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Deze commissie heeft het besproken tijdens haar vergaderingen van 26 maart en 2 april 2014, in aanwezigheid van de minister van Justitie.
II. INLEIDENDE UITEENZETTING VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE
Het voorliggende wetsontwerp beoogt de instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en de drie Gemeenschappen met betrekking tot de uitoefening van de opdrachten van de justitiehuizen, ondertekend te Brussel op 17 december 2013.
Conform de Zesde Staatshervorming worden de Gemeenschappen in hoofdzaak bevoegd voor de organisatie, de werking en de opdrachten van de Justitiehuizen en blijft de federale staat bevoegd voor de gerechtelijke procedures en voor de uitvoering van de gerechtelijke beslissingen.
Voor zij u de inhoud van het samenwerkingsakkoord voorstelt, schetst de minister zeer kort de rol van de Justitiehuizen.
De Justitiehuizen zijn belast met de uitvoering van de maatschappelijke enquêtes die door de gerechtelijke overheden of door een opdrachtgevende administratieve overheid worden gevorderd. Zij oefenen het toezicht uit op de personen en begeleiden hen in het kader van hun strafrechtelijke opdrachten. Zij vervullen ook een belangrijke rol binnen hun penitentiaire opdrachten, het slachtofferonthaal en de eerstelijnswerking Zo voeren zij essentiële opdrachten uit voor de opdrachtgevende federale instanties en nemen zij deel aan de uitwerking en uitvoering van de gerechtelijke beslissingen.
Opdat de Justitiehuizen hun opdrachten op een zo efficiënte en kwaliteitsvol mogelijke wijze zouden kunnen blijven vervullen, is het noodzakelijk te voorzien in permanente overleg- en samenwerkingsmechanismen tussen de Federale Staat en de Gemeenschappen.
In het samenwerkingsakkoord wordt dan ook een Interministeriële Conferentie voor de Justitiehuizen opgericht waarin de Federale Staat en de Gemeenschappen overleg zullen plegen over problemen die verband houden met de uitoefening van de opdrachten van de justitiehuizen. Hoewel de Justitiehuizen dus zullen blijven functioneren binnen een kader dat grotendeels door de Federale Staat wordt afgebakend, zal de IMC Justitiehuizen kunnen voorkomen dat aan de Justitiehuizen wijzigingen in de regelgeving of nieuwe opdrachten worden opgelegd zonder dat zij daarin geraadpleegd zijn.
Er wordt ook een overlegorgaan opgericht dat de Justitiehuizen en de federale instanties moet samenbrengen teneinde inzonderheid hun samenwerking te evalueren en te optimaliseren. Dit orgaan zal ook aanbevelingen aangaande het beleid inzake de tenuitvoerlegging van straffen en het slachtofferonthaal kunnen formuleren. Voor de lokale justitiehuizen en de lokale federale instanties zullen ook op het niveau van de gerechtelijke arrondissementen overlegorganen worden opgericht.
De uitwisseling van informatie tussen de federale instanties en de Justitiehuizen blijft van wezenlijk belang voor de goede uitoefening van de verschillende bevoegdheden. Daarom behoudt het samenwerkingsakkoord de bestaande vormen van samenwerking en informatiedoorstroming, bijvoorbeeld inzake de toegang tot het Centraal Strafregister of tot het rijksregister.
Verder verbindt de Federale Staat zich ertoe de Justitiehuizen toegang te blijven verlenen tot de gerechtelijke en administratieve dossiers, wat belangrijk is voor de justitieassistenten die met het slachtofferonthaal belast zijn en voor de uitoefening van hun burgerlijke en strafrechtelijke opdrachten.
De Gemeenschappen zullen bovendien een systeem moeten invoeren voor de registratie van de door de federale instanties toevertrouwde opdrachten en zullen de uitwisseling van informatie tussen de justitiehuizen moeten waarborgen. Een correcte registratie van de minimale gegevens opgesomd in artikel 8 van het samenwerkingsakkoord waarborgt overigens niet alleen de goede werking van de Justitiehuizen, maar zal het ook mogelijk maken om onder meer vragen van Europese instanties te beantwoorden, wetenschappelijke onderzoeken te verrichten en ondersteuning te bieden aan het strafrechtelijk beleid.
Ten slotte zullen de gegevens die zijn opgeslagen in het informatiesysteem van het Nationaal Centrum voor elektronisch toezicht worden overgedragen aan de gemeenschappen, die samen met de Federale Staat een platform voor informatie-uitwisseling zullen oprichten om te zorgen voor een real time opvolging van de uitvoering van het elektronisch toezicht.
III. BESPREKING
De heer Anciaux heeft de indruk dat er soms iets verkeerd loopt in de uitoefening van de opdrachten van de Justitiehuizen door een gebrek aan communicatie tussen de verschillende juridische diensten. Spreker verwijst bijvoorbeeld naar het toezicht door de justitiehuizen op de uitvoering van werkstraffen. Het gebeurt wel eens dat het parket een dossier waarin een werkstraf door de rechtbank is bevolen, doorstuurt naar een Justitiehuis zonder dat de betrokkene daarvan op de hoogte is. Het komt wel eens voor dat het dossier naar een verkeerd justitiehuis wordt gestuurd. Op geen enkel ogenblik wordt de betrokkene op de hoogte gebracht van het moment waarop zijn werkstraf ingaat of op welke plaats ze dient te worden uitgevoerd. Welke waarborg heeft men dat voorliggend wetsontwerp deze communicatiestoornissen niet nog vergroot ? Of denkt men door de organisatie van het permanent overleg juist zulke misverstanden te voorkomen ? Men mag niet vergeten dat aan het niet uitvoeren van de werkstraf zware gevolgen kunnen zijn verbonden; meestal is immers een vervangende gevangenisstraf bepaald.
De minister antwoordt dat ze de opmerking van vorige spreker over een gebrek aan communicatie niet goed begrijpt. Het is immers de verblijf- of woonplaats van de veroordeelde die de bevoegdheid van het justitiehuis bepaalt. Wanneer dat Justitiehuis een dossier ontvangt, wordt de betrokkene in principe binnen de week opgeroepen op het vermelde adres. Het dossier kan afhankelijk van de verblijfplaats aan een ander Justitiehuis worden overgedragen.
Sinds de afname van de achterstand van de Justitiehuizen vindt die overdracht bijna automatisch plaats. Er zijn dus weinig problemen. Voorliggende tekst zal deze zeker niet vergroten.
Wanneer bijvoorbeeld iemand die tot een werkstraf veroordeeld is, van een gerechtelijk arrondissement naar een ander verhuist, wordt meestal door de probatiecommissie van de oorspronkelijke verblijfplaats rekening gehouden met de stand van zaken in de uitvoering van de werkstraf : het dossier van iemand die reeds 85 uren werkstraf verricht heeft op een totaal van 100 uren zal niet worden overgedragen. De speciale gevallen zullen geval per geval worden bekeken. Er bestaat in de justitiehuizen een informaticaprogramma (SIPAR) dat voorkomt dat er dubbele dossiers worden geopend; de dossiers worden permanent door de diverse assistenten gevolgd.
De heer Anciaux hekelt het feit dat er geen tegensprekelijke procedure is in de uitvoering van de werkstraffen. Dit brengt heel wat problemen met zich mee als er op administratief vlak iets fout loopt.
De heer Laeremans verwijst naar de debatten in de commissie Institutionele Aangelegenheden over de Staatshervorming en de wijziging van de bevoegdheden. Nu zijn er de eerste samenwerkingsovereenkomsten. Spreker wenst te weten in welke mate de vakbonden hierbij zijn betrokken; zij hadden destijds immers geprotesteerd tegen de bezuinigingen en het tekort aan mankracht in de Justitiehuizen.
Verder wil spreker weten welk bedrag de goedkeuring van deze samenwerkingsovereenkomst impliceert. Welk bedrag wordt overgeheveld naar de drie Gemeenschappen om de Justitiehuizen te beheren ? Hoeveel juist krijgen de Vlaamse, de Franstalige en de Duitstalige Gemeenschap ? Spreker hoopt dat de Gemeenschappen voldoende zijn ingelicht over de precieze financiële implicaties. Blijven er ambtenaren met een federaal statuut binnen de Justitiehuizen of worden zij allen overgeheveld naar de gemeenschapsadministraties ?
Ten slotte verwijst spreker naar het NCET, het Nationaal centrum voor elektronisch toezicht. Spreker blijft het onlogisch vinden dat dit werd afgesplitst en onder de Justitiehuizen valt, en aldus een taak van de Gemeenschappen is. Elektronisch toezicht is immers een vorm van detentie en valt onder de strafinrichtingen. Dit is onlogisch tenzij men het gehele gevangeniswezen zou overhevelen naar de Gemeenschappen. De opsplitsing leidt tot een disparaat en weinig transparant beleid. De vraag rijst in welke mate de federale overheid nog enige inmenging heeft in het NCET ?In welke mate kunnen federale parlementsleden er nog vragen over stellen ? Hoe verloopt de financiering ? Hoe beheren de Gemeenschappen deze fondsen ? Wat is het statuut van de personeelsleden van het NCET ? Is dit een statuut sui generis ?
De voorliggende tekst is rudimentair en schept geen enkele duidelijkheid.
De minister onderstreept dat het hier om een samenwerkingsakkoord gaat. De meeste punten die werden opgeworpen, hebben met de bevoegdheidsoverdrachten te maken en worden geregeld door de wet betreffende die overdracht en door de financieringswet. Het gaat om twee verschillende zaken.
Het doel van het samenwerkingsakkoord is een goede samenwerking en een goede strafuitvoering te handhaven voor alle opdrachten die door de Justitiehuizen worden gevolgd.
In verband met het tekort aan personeel, en hoewel dat probleem eveneens met de financieringswet te maken heeft, is het interessant te weten dat de inspanningen die de regering de hele regeerperiode geleverd heeft, ertoe hebben geleid dat de achterstand van de justitiehuizen aanzienlijk is afgenomen en dat de dossiers veel beter en sneller worden behandeld.
In verband met de vragen over het Nationaal Centrum voor elektronisch toezicht en de penitentiaire instellingen is het zo dat het Centrum, zoals voor alle opdrachten van de Justitiehuizen, werkt in het raam van de strafuitvoering of van een opdracht die door een magistraat (opdrachtgever) is gevraagd. Men zal de strafuitvoering bijvoorbeeld niet gebruiken voor het slachtofferonthaal, maar er is een opdrachtgever, de procureur des Konings.
De doelstelling is een goede samenwerking te handhaven tussen alle Justitiehuizen en het Nationaal Centrum voor elektronisch toezicht. Er is geen verschil tussen het Nationaal Centrum voor elektronisch toezicht en de andere opdrachten. Voor het Centrum zal evenwel een afzonderlijke overeenkomst worden gesloten, want het is mogelijk dat het voor een aantal gevallen tot een verstandhouding komt tussen het Franstalig en Nederlandstalig niveau of zelfs met het Duitstalig niveau. Wanneer men bijvoorbeeld zestien wagens koopt voor het Nationaal Centrum voor elektronisch toezicht, dan kan het coherenter lijken dat men overgaat tot een enkele overheidsopdracht voor het geheel, in plaats van tot twee of drie afzonderlijke. Er zal dus verder samengewerkt moeten worden.
De heer Laeremans blijft op zijn honger zitten wat betreft de financiële consequenties en de wijze waarop de fondsen door de gemeenschappen zullen worden beheerd. Gaan deze gelden via de gemeenschappen of rechtstreeks naar het NCET ? Wat kost het NCET ? Ook over het statuut van het personeel van de Justitiehuizen wordt gen duidelijkheid gegeven.
De minister herhaalt dat de financieringswet in alle punten voorziet die vorige spreker heeft aangehaald.
Wat het statuut betreft, wordt het personeel integraal naar de Gemeenschappen overgeheveld. Het koninklijk besluit van 1989 zal nogmaals worden toegepast. De statuten worden in dat koninklijk besluit gepreciseerd.
IV. STEMMINGEN
Artikel 1 wordt aangenomen met 7 stemmen bij 3 onthoudingen.
De artikelen 2 en 3, alsook het wetsontwerp in zijn geheel, worden aangenomen met 8 stemmen bij 3 onthoudingen.
Het verslag werd goedgekeurd met 8 stemmen bij 4 onthoudingen.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Bert ANCIAUX. | Alain COURTOIS. |