5-2001/2 | 5-2001/2 |
6 NOVEMBER 2013
Nr. 1 VAN DE HEER ANCIAUX
Art. 5
In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :
1º) in § 1 de woorden « psychiatrisch of psychologisch deskundigenonderzoek » vervangen door de woorden « psychiatrisch-psychologisch deskundigenonderzoek »;
2º) in § 2 de woorden « psychiatrisch of psychologisch deskundigenonderzoek » vervangen door de woorden « psychiatrisch-psychologisch deskundigenonderzoek »;
3º) in § 2 de woorden « of van een forensisch psycholoog die de erkende titel van psycholoog draagt en geregistreerd is bij de Psychologencommissie » doen vervallen.
Verantwoording
Criminele feiten die tot internering leiden kunnen zowel psychiatrische als psychologische ontstaansgronden hebben, waardoor het imperatief lijkt steeds beide disciplines aan te spreken. Dit is ook de praktijk bij diegenen die een deskundigenonderzoek vandaag correct uitvoeren. De wettelijke bepaling ervan zou eigenlijk de actuele werking in de praktijk regulariseren. Met dit amendement komt men dus tot een verplichte dubbele rapportage.
Het koninklijk besluit dat moet genomen worden in uitvoering van artikel 5, § 3, zal in het model van expertise moeten aanduiden welke verrichtingen door de psychiater en welke verrichtingen door de psycholoog moeten uitgevoerd worden.
Er bestaat daarnaast ook onduidelijkheid over wie de leiding en de verantwoordelijkheid mag nemen over dit onderzoek. De Nationale Raad van de Orde van geneesheren is van mening dat dit enkel kan gebeuren onder leiding van een deskundige die voldoet aan de voorwaarden welke zijn gesteld in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen. Dit amendement geeft hier gevolg aan, met dien verstande dat klinische psychologen wellicht zullen erkend worden als een medisch beroep onder koninklijk besluit nr. 78.
Nr. 2 VAN DE HEER ANCIAUX
Art. 6
In § 1 de woorden « psychiatrisch of psychologisch deskundigenonderzoek » vervangen door de woorden « psychiatrisch-psychologisch deskundigenonderzoek ».
Verantwoording
Dit amendement sluit aan bij het eerdere amendement nr. 1 van senator Bert Anciaux met als doelstelling een verplichte dubbele psychiatrisch-psychologisch rapportage in te voeren.
Nr. 3 VAN DE HEER ANCIAUX
Art. 7
De woorden « psychiatrisch of psychologisch deskundigenonderzoek » vervangen door de woorden « psychiatrisch-psychologisch deskundigenonderzoek ».
Verantwoording
Dit amendement sluit aan bij het eerdere amendement nr. 1 van Senator Bert Anciaux met als doelstelling een verplichte dubbele psychiatrisch-psychologisch rapportage in te voeren.
Nr. 4 VAN DE HEER ANCIAUX
Art. 9
In de § 2 de woorden « psychiatrisch of psychologisch deskundigenonderzoek » vervangen door de woorden « psychiatrisch-psychologisch deskundigenonderzoek ».
Verantwoording
Dit amendement sluit aan bij het eerdere amendement nr. 1 van senator Bert Anciaux met als doelstelling een verplichte dubbele psychiatrisch-psychologisch rapportage in te voeren.
Nr. 5 VAN DE HEER ANCIAUX
Art. 33
In het tweede lid de woorden « psychiatrisch of psychologisch deskundigenonderzoek » vervangen door de woorden « psychiatrisch-psychologisch deskundigenonderzoek ».
Verantwoording
Dit amendement sluit aan bij het eerdere amendement nr. 1 van senator Bert Anciaux met als doelstelling een verplichte dubbele psychiatrisch-psychologisch rapportage in te voeren.
Nr. 6 VAN DE HEER ANCIAUX
Art. 52
In § 2 de woorden « psychiatrisch of psychologisch onderzoek » vervangen door de woorden « psychiatrisch-psychologisch deskundigenonderzoek ».
Verantwoording
Dit amendement sluit aan bij het eerdere amendement nr. 1 van senator Bert Anciaux met als doelstelling een verplichte dubbele psychiatrisch-psychologisch rapportage in te voeren.
Nr. 7 VAN DE HEER ANCIAUX
Art. 67
In § 3 de woorden « psychiatrisch of psychologisch onderzoek » vervangen door de woorden « psychiatrisch-psychologisch deskundigenonderzoek ».
Verantwoording
Dit amendement sluit aan bij het eerdere amendement nr. 1 van senator Bert Anciaux met als doelstelling een verplichte dubbele psychiatrisch-psychologisch rapportage in te voeren.
Nr. 8 VAN DE HEER ANCIAUX
Art. 76
In § 2 de woorden « psychiatrisch en/of psychologisch deskundigenonderzoek » vervangen door de woorden « psychiatrisch-psychologisch deskundigenonderzoek ».
Verantwoording
Dit amendement sluit aan bij het eerdere amendement nr. 1 van senator Bert Anciaux met als doelstelling een verplichte dubbele psychiatrisch-psychologisch rapportage in te voeren.
Nr. 9 VAN DE HEER ANCIAUX
Art. 78
De woorden « psychiatrisch of psychologisch deskundigenonderzoek » vervangen door de woorden « psychiatrisch-psychologisch deskundigenonderzoek ».
Verantwoording
Dit amendement sluit aan bij het eerdere amendement nr. 1 van senator Bert Anciaux met als doelstelling een verplichte dubbele psychiatrisch-psychologisch rapportage in te voeren.
Nr. 10 VAN DE HEER ANCIAUX
Art. 79
De woorden « psychiatrisch of psychologisch deskundigenonderzoek » vervangen door de woorden « psychiatrisch-psychologisch deskundigenonderzoek ».
Verantwoording
Dit amendement sluit aan bij het eerdere amendement nr. 1 van senator Bert Anciaux met als doelstelling een verplichte dubbele psychiatrisch-psychologisch rapportage in te voeren.
Nr. 11 VAN DE HEER ANCIAUX
Art. 80
In § 1 de woorden « psychiatrisch of psychologisch deskundigenonderzoek » vervangen door de woorden « psychiatrisch-psychologisch deskundigenonderzoek ».
Verantwoording
Dit amendement sluit aan bij het eerdere amendement nr. 1 van senator Bert Anciaux met als doelstelling een verplichte dubbele psychiatrisch-psychologisch rapportage in te voeren.
Nr. 12 VAN DE HEER ANCIAUX
Art. 100
In het voorgestelde artikel 603bis de woorden « of psychologisch deskundigenonderzoek » worden vervangen door de woorden « en psychologisch deskundigenonderzoek ».
Verantwoording
Dit amendement sluit aan bij het eerdere amendement nr. 1 van senator Bert Anciaux met als doelstelling een verplichte dubbele psychiatrisch-psychologisch rapportage in te voeren.
Nr. 13 VAN DE HEER ANCIAUX
Art. 3
In het 9º de woorden « aan de discretionaire bevoegdheid van de strafuitvoeringskamer wordt overgelaten en die » doen vervallen.
Verantwoording
Deze passage is overbodig, zie artikelen 55 en 56.
Nr. 14 VAN DE HEER ANCIAUX
Art. 35
In het laatste lid het woord « uitvoeringsmodaliteit » vervangen door het woord « strafuitvoeringsmaatregelen ».
Verantwoording
Het gaat om een meervoud.
Nr. 15 VAN DE HEER ANCIAUX
Art. 38
Dit artikel aanvullen met een tweede lid, luidende :
« In geval de geïnterneerde het voorwerp uitmaakt van een veiligheidsmaatregel zoals beschreven in artikel 17 wordt deze veiligheidsmaatregel ambtshalve opgelegd bij een invrijheidstelling op proef voor de duur van de proeftermijn.
Verantwoording
Dit is van belang is bij seining naar politiediensten, en in het kader van de opvolging en controle door het justitiehuis en de hulpverleningsvoorzieningen. Het betreft de verbodsvoorwaarden die door een onderzoeks- of vonnisgerecht kunnen worden opgelegd bij plegers van bepaalde seksuele delicten, dus bij de interneringsuitspraak. Deze verbodsvoorwaarden staan nu enkel vermeld in het oorspronkelijke vonnis/arrest en daar hebben de genoemde diensten geen weet van. Dit amendement wijzigt dit.
Nr. 16 VAN DE HEER ANCIAUX
Art. 58
In § 5 de woorden « aan de strafuitvoeringskamer, alsook aan de dienst Justitiehuizen » vervangen door de woorden « aan de justitieassistent ».
Verantwoording
Het is steeds de justitieassistent die over de begeleiding of behandeling rapporteert aan de SURB en een parallelle rapportage is overbodig. Dit is zo overgenomen uit de wet van 17 mei 2006 externe rechtspositie veroordeelden, i.c. art. 62 § 4, 2e lid, maar blijkt overbodig.
Nr. 17 VAN DE HEER ANCIAUX
Art. 59
In § 3 de het woord « beschikking » vervangen door het woord « beslissing ».
Verantwoording
Er is hier geen openbaarheid
Nr. 18 VAN DE HEER ANCIAUX
Art. 112
De woorden « , de invrijheidstelling op proef » vervangen door de woorden « of de invrijheidstelling op proef ».
Nr. 19 VAN DE HEER ANCIAUX
Art. 3
Het 3º vervangen als volgt :
« 3º hoofdgeneesheer : de hoofdpsychiater of zijn vervanger van een inrichting bedoeld in het 4º, c), of het 4º, d); »
Verantwoording
Betreft een foutje in de opmaak. In instellingen zoals bedoeld in 4 a) en b) is de directeur van de instelling de eindbeslisser. In een (private of gemeenschaps-) hulpverleningsvoorziening bedoeld in 4º c) en d) is de hoofdpsychiater de inhoudelijke « eindbeslisser ».
| Bert ANCIAUX. |
Nr. 20 VAN DE REGERING
Het wetsvoorstel vervangen door wat volgt :
Titel I — Algemene bepaling
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Titel II — Bepalingen tot wijziging van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis
Art. 2
In artikel 3 van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º punt 2, tweede streepje, wordt vervangen als volgt :
« De verantwoordelijke of de door de verantwoordelijke aangewezen persoon van een forensisch psychiatrisch centrum of van een door de bevoegde overheid erkende inrichting die is georganiseerd door een privé-instelling, door een gemeenschap of een gewest of door een lokale overheid, die in staat is aan de geïnterneerde de gepaste zorgen te verstrekken en met de minister van Justitie een samenwerkingsovereenkomst heeft afgesloten inzake de toepassing van deze wet; »
2º punt 3. wordt vervangen als volgt :
« 3. de inrichting :
— de psychiatrische afdeling van een gevangenis;
— de door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij;
— het door de federale overheid georganiseerd forensisch psychiatrisch centrum, aangewezen door koninklijk besluit op voorstel van de minister die Justitie en de minister die Volksgezondheid tot zijn bevoegdheid heeft;
— de door de bevoegde overheid erkende inrichting die is georganiseerd door een privé-instelling, door een gemeenschap of een gewest of door een lokale overheid, die in staat is aan de geïnterneerde de gepaste zorgen te verstrekken en met de minister van Justitie een samenwerkingsovereenkomst heeft afgesloten inzake de toepassing van deze wet; »
3º in punt 6. worden de volgende wijzigingen aangebracht :
— de bepalingen onder b) en c) worden vervangen als volgt :
« b) de natuurlijke persoon voor wie een vonnis of een arrest bepaalt dat er ten aanzien van hem strafbare feiten zijn gepleegd, of zijn wettelijke vertegenwoordiger;
— in de bepaling onder punt d), dat punt c) wordt, wordt het woord « gehoord » vervangen door de woorden « geïnformeerd en/of te worden gehoord ».
— de bepaling onder punt d) wordt vervangen als volgt :
« d) de nabestaande van een persoon van wie het overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door het strafbaar feit of de nabestaande van een overleden persoon die zich burgerlijke partij had gesteld : de nabestaande is de echtgenoot van de overleden persoon, de persoon die met hem samenleefde en met hem een duurzame affectieve relatie mee had, zijn bloedverwanten in opgaande of neerdalende lijn, zijn broers of zussen alsook anderen die van hem afhankelijk waren. »
Een nieuw punt e) wordt ingevoegd, luidende :
« e) de naaste van een niet-overleden slachtoffer die zich omwille van een situatie van materiële onmogelijkheid of kwetsbaarheid geen burgerlijke partij heeft kunnen stellen; onder naaste wordt verstaan : de echtgenoot van de overleden persoon, de persoon die met hem samenleefde en met hem een duurzame affectieve relatie heeft, zijn bloedverwanten in opgaande of neerdalende lijn, zijn broers of zussen alsook anderen die van hem afhankelijk waren. »
de zin « Ten aanzien van de in het eerste lid, 6., b), c) en d), genoemde categorieën, oordeelt de strafuitvoeringsrechter op hun verzoek, overeenkomstig de bepalingen van Titel III, of ze een direct en legitiem belang hebben.; » wordt vervangen als volgt :
« Ten aanzien van de in het eerste lid, 6., c), d) en e), genoemde categorieën, oordeelt de strafuitvoeringsrechter op hun verzoek, overeenkomstig de bepalingen van Titel III, of ze een direct en legitiem belang hebben.
Art. 3
In artikel 4 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º In § 1, eerste lid, worden de woorden « b), c) en d) vervangen door de woorden « c), d) en e) ».
2º § 4 wordt aangevuld met een lid, luidende :
« De beslissing wordt eveneens onverwijld meegedeeld aan de minister. »
Art. 4
In artikel 5 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in § 1, eerste lid, eerste zin, worden de woorden « kunnen de onderzoeksrechter en de onderzoeks- of vonnisgerechten een psychiatrisch deskundigenonderzoek bevelen » vervangen door de woorden « bevelen de procureur des Konings, de onderzoeksrechter en de onderzoeks- of vonnisgerechten een psychiatrisch deskundigenonderzoek »;
2º in § 1, punt 4, worden de woorden « dat en hoe de persoon » vervangen door de woorden « hoe de persoon desgevallend »;
3º in § 1, wordt een punt 5. ingevoegd, luidende :
« indien de tenlastelegging betrekking heeft op de in de artikelen 372 tot 378 van het Strafwetboek bedoelde feiten of de in artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek bedoelde feiten, indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, de noodzaak bestaat om een gespecialiseerde begeleiding of behandeling op te leggen. »;
4º in § 2, derde lid, worden de woorden « , op voorstel van de minister die Volksgezondheid en de minister die Justitie tot zijn bevoegdheid heeft », » ingevoegd tussen de woorden « de Koning » en de woorden « de voorwaarden »;
5º § 2 wordt aangevuld met een lid, luidende :
« Het deskundigenonderzoek kan ook in college of met bijstand van andere gedragswetenschappers worden uitgevoerd, onder leiding van de deskundige. »;
6º een § 2/1 wordt ingevoegd, luidende :
« Onverminderd de mogelijkheid van de bevelende instantie om een nieuw deskundigenonderzoek te laten uitvoeren overeenkomstig de bepalingen van deze wet, blijven de deskundigenonderzoeken die zijn uitgevoerd voor de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in het vorige lid, rechtsgeldig.
De bevelende instantie kan een actualisering van het deskundigenonderzoek vragen wanneer zij dit nodig acht. De deskundig maakt van de actualisering een verslag op, overeenkomstig het door de Koning vastgestelde model. »;
7º § 4 wordt opgeheven.
Art. 5
In Hoofdstuk 1. — Het psychiatrisch deskundigenonderzoek van Titel III. — De gerechtelijke fase van de internering, wordt een artikel 7/1 ingevoegd, luidende :
« Art. 7/1. § 1. Na afloop van zijn werkzaamheden stuurt de deskundige zijn bevindingen bij ter post aangetekende brief, waarbij hij reeds een voorlopig advies voegt, ter lezing aan de persoon die aan een psychiatrisch deskundigenonderzoek is onderworpen, aan zijn raadsman, aan het openbaar ministerie en aan de onderzoeksrechter of het onderzoeks- of vonnisgerecht dat het psychiatrisch deskundigenonderzoek heeft bevolen.
Tenzij de procureur des Konings, of in voorkomend geval de onderzoeksrechter of de onderzoeks — of vonnisgerechten een termijn hebben bepaald, bepaalt de deskundige, rekening houdend met de aard van de zaak, een redelijke termijn waarbinnen de persoon die aan een psychiatrisch deskundigenonderzoek is onderworpen, zijn raadsman en het openbaar ministerie hun opmerkingen moeten maken. Behoudens andersluidende beslissing van de procureur des Konings of in voorkomend geval de onderzoeksrechter of de onderzoeks- of vonnisgerechten of door de deskundige in zijn voorlopig advies bedoelde bijzondere omstandigheden, bedraagt die termijn ten minste vijftien dagen.
De deskundige ontvangt de opmerkingen vóór het verstrijken van deze termijn. De deskundige houdt geen rekening met de opmerkingen die hij te laat ontvangt. De rechter kan deze ambtshalve uit de debatten weren.
Wanneer de deskundige na ontvangst van de opmerkingen van de partijen nieuwe verrichtingen onontbeerlijk acht, verzoekt hij de rechter daarvoor om toestemming.
§ 2. Het eindverslag wordt gedagtekend. Het bevat ook een opgave van de stukken en de nota's die de raadsman van de persoon die aan het psychiatrisch deskundigenonderzoek is onderworpen aan de deskundigen heeft overhandigd en de opmerkingen hierop.
Het bevat bovendien een opgave van de stukken en nota's die de partijen aan de deskundigen hebben overhandigd; het mag de tekst ervan slechts overnemen in zoverre dat nodig is voor de bespreking.
Het verslag wordt op straffe van nietigheid door de deskundige ondertekend.
De handtekening wordt, op straffe van nietigheid, voorafgegaan door de volgende eed :
« Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb. »;
Of
« Je jure avoir rempli ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité. »;
Of
« Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und erlich erfüllt habe. ».
§ 3. De minuut van het verslag en een gedetailleerde staat van de kosten en de vergoedingen van de deskundige, bepaald overeenkomstig de bepalingen inzake de gerechtskosten in strafzaken, worden ter griffie neergelegd.
Op de dag van de neerlegging van het verslag, zendt de deskundige bij een ter post aangetekende brief een afschrift van het verslag aan het openbaar ministerie, aan de persoon die aan het psychiatrisch deskundigenonderzoek is onderworpen en aan zijn raadsman.
De originele stukken die de partijen aan de deskundige bezorgden, worden hen terugbezorgd. »
Art. 6
Artikel 12, § 2, tweede lid, van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt :
« Het beroep wordt ingesteld in de vormen en binnen de termijnen die bepaald worden bij de artikelen 203, 203bis, 204 en 205 van het Wetboek van strafvordering. »
Art. 7
Artikel 13, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, wordt aangevuld met de volgende zin :
« « Staat het vast dat de beschuldigde tengevolge van de geestesstoornis opnieuw misdrijven zal plegen ? » »
Art. 8
In dezelfde wet wordt een artikel 13/1 ingevoegd, luidende :
« Art. 13/1. Behalve in de gevallen waarin de openbaarheid gevaarlijk wordt geacht voor de orde en de goede zeden, is de zitting van de onderzoeksgerechten openbaar indien de verdachte erom verzoekt. Voor de vonnisgerechten, waar de openbaarheid de regel is, kan het vonnisgerecht de sluiting der deuren gelasten indien de verdachte het verzoekt en het openbaar ministerie zich er niet tegen verzet. »
Art. 9
In artikel 15, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º § 1 wordt aangevuld met een 4º, luidende :
« 4º te wonen, te verblijven of zich op te houden in de door de bevoegde rechter bepaalde aangewezen zone. De oplegging van die maatregel moet met bijzondere redenen worden omkleed en rekening houden met de ernst van de feiten en met de reclasseringsmogelijkheden voor de geïnterneerde. »;
2º in § 2, eerste lid, wordt het woord « ontzetting » vervangen door het woord « veiligheidsmaatregel »;
3º in § 2, tweede lid, wordt het woord « ontzetting » telkens vervangen door het woord « veiligheidsmaatregel »;
4º in § 3 wordt het woord « ontzetting » vervangen door het woord « veiligheidsmaatregel ».
Art. 10
Artikel 16 van dezelfde wet wordt aangevuld met de volgende zin :
« De onderzoeks- of vonnisgerechten kunnen de burgerlijke belangen aanhouden overeenkomstig artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering. »
Art. 11
Artikel 17 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt
« Art. 17. De plaatsing is de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank tot aanwijzing van de inrichting waar de internering, overeenkomstig de behandelingsadviezen die op de geïnterneerde van toepassing zijn, ten uitvoer dient te worden gelegd.
De overplaatsing is de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank tot aanwijzing van de inrichting waarnaar de geïnterneerde, overeenkomstig de behandelingsadviezen die op de geïnterneerde van toepassing zijn, wordt overgebracht.
De inrichting wordt gekozen uit hetzij de door de federale overheid georganiseerde inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij, hetzij de door de federale overheid georganiseerde forensische psychiatrische centra, aangewezen door de Koning, hetzij, overeenkomstig de modaliteiten vermeld in de samenwerkingsovereenkomst, uit de door de bevoegde overheid erkende inrichtingen die georganiseerd zijn door een prive-instelling, door een gemeenschap of een gewest of door een lokale overheid, die in staat is aan de geïnterneerde de gepaste zorgen te verstrekken en met de minister van Justitie een samenwerkingsovereenkomst heeft afgesloten inzake de toepassing van deze wet. »
Art. 12
In artikel 18, § 2, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in punt 3. wordt de zin « Deze uitgaansvergunningen kunnen met een bepaalde periodiciteit worden toegekend. » opgeheven;
b) § 2 wordt aangevuld als volgt :
« Deze uitgaansvergunningen kunnen met een bepaalde periodiciteit worden toegekend. »
Art. 13
În artikel 21, § 1, van dezelfde wet, wordt het woord « twaalf » vervangen door het woord « zestien ».
Art. 14
In artikel 24 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in 1. wordt tussen het vijfde en het zesde gedachtestreepje een nieuw gedachtestreepje ingevoegde, luidende :
« - de door de geïnterneerde geleverde inspanningen om de burgerlijke partij te vergoeden, rekening houdend met de vermogenssituatie van de geïnterneerde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij geïnterneerd is. »;
2º in 1., laatste gedachtestreepje, wordt in de Nederlandse tekst het woord « aan » geschrapt.
Art. 15
Artikel 25 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 16
In dezelfde wet wordt het opschrift van Hoofdstuk II van Titel IV vervangen als volgt :
« Hoofdstuk II. — De beslissing tot plaatsing, tot toekenning van een uitgaansvergunning, van een verlof, van een beperkte detentie, een elektronisch toezicht of een invrijheidsstelling op proef ».
Art. 17
Het opschrift van « Afdeling I. — De beslissing tot plaatsing », van dezelfde wet, wordt opgeheven.
Art. 18
Artikel 26 van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt :
« Art. 26. § 1. Het openbaar ministerie bij het gerecht dat het in kracht van gewijsde getreden vonnis of arrest heeft uitgesproken, zendt binnen de maand die volgt op het in kracht van gewijsde treden van de beslissing het dossier, dat ten minste bestaat uit het vonnis of arrest tot internering, de uiteenzetting van de feiten, een uittreksel uit het strafregister en de verslagen van het deskundigenonderzoek, over aan de strafuitvoeringsrechtbank, het openbaar ministerie en aan de directeur indien de geïnterneerde gedetineerd is.
Het openbaar ministerie bij het gerecht dat het in kracht van gewijsde getreden vonnis of arrest heeft uitgesproken, vat eveneens binnen de maand die volgt op het in kracht van gewijsde treden van de beslissing, de Dienst Justitiehuizen teneinde de gekende slachtoffers, die door haar in de vatting worden aangeduid, te contacteren.
§ 2. Indien de geïnterneerde gedetineerd is, bezorgt de directeur binnen de twee maanden na de ontvangst van het dossier een psycho-medisch verslag aan de strafuitvoeringsrechtbank en aan het openbaar ministerie. Dit verslag omvat :
— In voorkomend geval, een advies omtrent de aanwijzing van de inrichting die in staat is om de gepaste zorgen te verstrekken;
— een advies omtrent de toekenning of afwijzing van de in de artikelen 18, § 2, 3º, 19, 21, 22 en 23 bepaalde uitvoeringsmodaliteiten en, in voorkomend geval, de bijzondere voorwaarden die hij nodig acht op te leggen aan de geïnterneerde. De directeur kan desgevallend de dienst Justitiehuizen hiertoe opdragen een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête te houden. De Koning bepaalt de inhoud van dat beknopt voorlichtingsrapport en van die maatschappelijke enquête. De Dienst Justitiehuizen bezorgt binnen de maand na de ontvangst van de opdracht het beknopt voorlichtingsrapport of de maatschappelijke enquête aan de directeur, die deze aan het dossier voegt.
§ 3. Indien de geïnterneerde niet gedetineerd is, geeft het openbaar ministerie de Dienst Justitiehuizen van de federale overheidsdienst Justitie de opdracht een maatschappelijke enquête uit te voeren. De inhoud van deze maatschappelijke enquête wordt door de Koning bepaald en omvat, indien nodig, een advies omtrent de aanwijzing van de inrichting die in staat is om de gepaste zorgen te verstrekken. De Dienst Justitiehuizen bezorgt binnen de twee maanden na de ontvangst van de opdracht de maatschappelijke enquête aan de strafuitvoeringsrechtbank, het openbaar ministerie, de geïnterneerde en zijn raadsman.
§ 4. Binnen een maand na de ontvangst van het psycho-medisch verslag of, indien de geïnterneerde niet gedetineerd is, na de ontvangst van de maatschappelijke enquête, stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op omtrent in voorkomend geval de aanwijzing van de inrichting die in staat is om de gepaste zorgen te verstrekken en omtrent de toekenning of afwijzing van de uitvoeringsmodaliteit en, in voorkomend geval, over de bijzondere voorwaarden die het nodig acht op te leggen aan de geïnterneerde, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechtbank en deelt het in voorkomend geval in afschrift mee aan de directeur.
§ 5. De zaak wordt behandeld op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechtbank. Deze zitting moet plaatsvinden uiterlijk vier maanden nadat het vonnis of arrest tot internering in kracht van gewijsde is gegaan. Indien het advies van het openbaar ministerie niet wordt toegezonden binnen de bij § 4 bepaalde termijn, dient het openbaar ministerie zijn advies schriftelijk uit te brengen voor of tijdens de zitting.
De geïnterneerde, zijn raadsman en de directeur, indien de geïnterneerde gedetineerd is, worden bij gerechtsbrief in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
Het slachtoffer wordt ook bij gerechtsbrief in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
§ 6. Het dossier, dat door het openbaar ministerie wordt samengesteld en ten minste bestaat uit het vonnis of arrest tot internering, de uiteenzetting van de feiten, een uittreksel uit het strafregister, de verslagen van het deskundigenonderzoek en in voorkomend geval, de slachtofferverklaring, het psycho-medisch verslag en de maatschappelijke enquête wordt gedurende ten minste vier dagen voor de rechtsdag ter inzage gehouden van de geïnterneerde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, indien de geïnterneerde gedetineerd is, op de griffie van die gevangenis.
De geïnterneerde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen. Ook de raadsman van de geïnterneerde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier krijgen.
Op advies van de psychiater van de inrichting kan de strafuitvoeringsrechter de geïnterneerde inzage en afschrift van zijn dossier ontzeggen wanneer dit een klaarblijkelijk ernstig nadeel voor zijn gezondheid kan meebrengen. »
Art. 19
Artikel 27 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Art. 27. De strafuitvoeringsrechtbank kan met het oog op het toekennen van een uitvoeringsmodaliteit voorzien in de artikelen 18, § 2, 3º, 19, 21, 22 en 23 respectievelijk de Dienst Justitiehuizen of het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht de opdracht geven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren. De inhoud van dit beknopt voorlichtingsverslag en van deze maatschappelijke enquête wordt door de Koning bepaald. »
Art. 20
Artikel 28 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Art. 28. De strafuitvoeringsrechtbank hoort de geïnterneerde en zijn raadsman en het openbaar ministerie, en, indien de geïnterneerde gedetineerd is, de directeur.
De geïnterneerde verschijnt persoonlijk. Hij wordt door zijn raadsman vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.
Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval de directeur, lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben geformuleerd in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen. »
Art. 21
Artikel 29 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Art. 29. De zitting vindt plaats met gesloten deuren. »
Art. 22
Artikel 30 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Art. 30. De strafuitvoeringsrechtbank kan de behandeling van de zaak eenmaal uitstellen tot een latere zitting, zonder dat die zitting meer dan twee maanden na het uitstel mag plaatsvinden. »
Art. 23
Artikel 31 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Art. 31. § 1. De strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
§ 2. Behoudens ingeval van toekenning van een elektronisch toezicht of van een invrijheidsstelling op proef, bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank in welke inrichting de internering ten uitvoer dient te worden gelegd.
Indien de strafuitvoeringsrechtbank aan de plaatsing geen uitvoeringsmodaliteit voegt zoals bedoeld in de artikelen 18, 19 of 21, is artikel 56, § 1, van toepassing
§ 3. In geval van een beslissing tot plaatsing, kan de strafuitvoeringsrechtbank tevens de in de artikelen 18, 19 of 21 bedoelde uitvoeringsmodaliteit toekennen.
Ingeval van toekenning van een uitgaansvergunning, is artikel 51 van toepassing.
Ingeval van toekenning van een verlof, is artikel 52 van toepassing.
Ingeval van toekenning van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht, is artikel 53 van toepassing.
Ingeval van toekenning van een invrijheidstelling op proef, is artikel 54 van toepassing.
In voorkomend geval is artikel 50 van toepassing.
De artikelen 48, 49 en 56 zijn van toepassing. »
Art. 24
Artikel 32 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Art. 32. Indien overeenkomstig artikel 15, § 1, 4., aan de geïnterneerde het recht werd ontzegd te wonen, te verblijven of zich op te houden in de door de bevoegde rechter bepaalde aangewezen zone, neemt de strafuitvoeringsrechtbank een beslissing over de uitvoering van deze veiligheidsmaatregel. De strafuitvoeringsrechtbank kan de nadere regels of voorwaarden van de veiligheidsmaatregel aanpassen, de duur van de ontzetting verminderen of de uitvoering schorsen of beëindigen.
De strafuitvoeringsrechtbank houdt hierbij rekening met tegenaanwijzingen die betrekking hebben op het risico dat de geïnterneerde de slachtoffers zou lastig vallen. »
Art. 25
De artikelen 33, 34, 35, 36 en 37 van dezelfde wet, worden opgeheven.
Art. 26
In artikel 38 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in § 1 worden de woorden « in artikel 18, § 2, 3, bedoelde » opgeheven;
2º in § 2 worden de woorden « Op zijn vroegst tien maanden en uiterlijk twaalf maanden na de eerste beslissing tot plaatsing » vervangen door de woorden « Zes maanden na de beslissing tot plaatsing »;
3º in § 2 worden de woorden « § 2, 3º » opgeheven.
Art. 27
Artikel 39 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Art. 39. § 1. De directeur bezorgt een dossier aan de strafuitvoeringsrechtbank en deelt dit in een afschrift mee aan het openbaar ministerie. Dit dossier omvat het volgende :
— in voorkomend geval, een afschrift van de opsluitingsfiche;
— een psycho-medisch verslag dat een advies omtrent de toekenning of afwijzing van de in de artikelen 18, § 2, 3º, 19, 21, 22 en 23 bepaalde uitvoeringsmodaliteiten omvat en, in voorkomend geval, de bijzondere voorwaarden die hij nodig acht op te leggen aan de geïnterneerde, en in voorkomend geval een advies omtrent de overplaatsing. De directeur kan desgevallend de dienst Justitiehuizen hiertoe opdragen een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête te houden. De Koning bepaalt de inhoud van dat beknopt voorlichtingsrapport en van die maatschappelijke enquête. De Dienst Justitiehuizen bezorgt binnen de maand na de ontvangst van de opdracht het beknopt voorlichtingsrapport of de maatschappelijke enquête aan de directeur, die deze aan het dossier voegt;
— indien de betrokkene geïnterneerd is voor de in de artikelen 372 tot 378 van het Strafwetboek bedoelde feiten of voor de in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek bedoelde feiten indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, het met redenen omkleed advies dat een beoordeling van de noodzaak om een behandeling op te leggen omvat en dat opgesteld is door een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de diagnostische expertise van seksuele delinquenten.
§ 2. Het openbaar ministerie vult in voorkomend geval het dossier verder aan met een recent uittreksel uit het strafregister en een maatschappelijk enquête of een beknopt voorlichtingsverslag en desgevallend de slachtofferverklaring. »
Art. 28
Artikel 40 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Art. 40. Binnen een maand na de ontvangst van het dossier van de directeur stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op tot toekenning of afwijzing van de uitvoeringsmodaliteit en, in voorkomend geval, over de bijzondere voorwaarden die het nodig acht op te leggen aan de geïnterneerde en zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechtbank en deelt het in afschrift mee aan de directeur. »
Art. 29
In artikel 41 van dezelfde wet worden de woorden « van de federale overheidsdienst Justitie » opgeheven.
Art. 30
Artikel 42, § 3, tweede lid, van dezelfde wet, dat gedeeltelijk vernietigd is bij arrest nr. 154/2008 van het Grondwettelijk Hof, wordt aangevuld met de volgende zin :
« Ook de raadsman van de geïnterneerde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier krijgen. »
Art. 31
Artikel 43, derde lid van dezelfde wet wordt aangevuld met de volgende zin :
« Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval de directeur, lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben geformuleerd in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen. »
Art. 32
In artikel 46 van dezelfde wet worden de woorden « bij artikel 18, § 2, 3º, bepaalde » opgeheven.
Art. 33
Artikel 47 tweede zin, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« De inrichting wordt gekozen uit hetzij de door de federale overheid georganiseerde inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij, hetzij de door de federale overheid georganiseerde forensische psychiatrische centra, aangewezen door de Koning, hetzij, overeenkomstig de modaliteiten vermeld in de samenwerkingsovereenkomst, uit de door de bevoegde overheid erkende inrichtingen die georganiseerd zijn door een prive-instelling, door een gemeenschap of een gewest of door een lokale overheid, die in staat is aan de geïnterneerde de gepaste zorgen te verstrekken en met de minister van Justitie een samenwerkingsovereenkomst heeft afgesloten inzake de toepassing van deze wet. »
Art. 34
In artikel 48 van dezelfde wet, worden de woorden « bij artikel 18, § 2, 3º, bepaalde » opgeheven.
Art. 35
Artikel 50, tweede lid, wordt opgeheven.
Art. 36
In Titel IV, Hoofdstuk III, Afdeling I, Onderafdeling II, van dezelfde wet, wordt een artikel 50/1 ingevoegd, luidende :
« Art. 50/1. Indien overeenkomstig artikel 15, § 1, 4º, aan de geïnterneerde het recht werd ontzegd te wonen, te verblijven of zich op te houden in de door de bevoegde rechter bepaalde aangewezen zone, neemt de strafuitvoeringsrechtbank een beslissing over de uitvoering van deze veiligheidsmaatregel. De strafuitvoeringsrechtbank kan de nadere regels of voorwaarden van de veiligheidsmaatregel aanpassen, de duur van de ontzetting verminderen of de uitvoering schorsen of beëindigen.
De strafuitvoeringsrechtbank houdt hierbij rekening met tegenaanwijzingen die betrekking hebben op het risico dat de geïnterneerde de slachtoffers zou lastig vallen. »
Art. 37
In artikel 51 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º het woord « bedoelde » wordt opgeheven;
2º de woorden « in artikel 18, § 2, 3º, » worden opgeheven.
Art. 38
In artikel 53 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º § 4, vierde lid, van dezelfde wet, dat gedeeltelijk vernietigd is bij arrest nr. 154/2008 van het Grondwettelijk Hof, wordt aangevuld met de volgende zin :
« Ook de raadsman van de geïnterneerde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier krijgen. »;
2º § 5, derde lid, wordt aangevuld met de volgende zin :
« Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval de directeur, lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben geformuleerd in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen. »
Art. 39
In artikel 54 van dezelfde wet worden de woorden « van twee jaar » vervangen door de woorden « van minimum twee jaar en maximum vijf jaar ».
Art. 40
In artikel 55, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden « bedraagt minimum zes maanden en » opgeheven.
Art. 41
In artikel 56, § 1, tweede lid, worden de woorden « binnen vierentwintig uur schriftelijk » vervangen door de woorden « zo snel mogelijk geïnformeerd en in elk geval binnen vierentwintig uur via het snelst mogelijke, schriftelijk communicatiemiddel ».
Art. 42
In artikel 58 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in § 1 worden de woorden « met de uitvoeringsmodaliteit zelf of » ingevoegd tussen de woorden « onverenigbaar is » en de woorden « met de voorwaarden »;
2º § 3, tweede lid, dat gedeeltelijk vernietigd is bij arrest nr. 154/2008 van het Grondwettelijk Hof, wordt aangevuld met de volgende zin :
« Ook de raadsman van de geïnterneerde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier krijgen. »;
3º § 4, vierde lid, wordt aangevuld met de volgende zin :
« Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval de directeur, lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben geformuleerd in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen. »
Art. 43
In artikel 59 van dezelfde wet worden de volgende wijzingen aangebracht :
1º in de §§ 1, 2 en 3, wordt het woord « strafuitvoeringsrechter' » telkens vervangen door het woord « strafuitvoeringsrechtbank »;
2º in § 3 wordt het woord « voorlopige » opgeheven;
3º § 3 wordt aangevuld met een lid, luidend als volgt :
« Dit vonnis is onmiddellijk uitvoerbaar. »;
4º § 4 wordt opgeheven.
Art. 44
In artikel 60 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in het eerste lid worden de woorden « of zijn gemachtigde » ingevoegd tussen de woorden « de minister » en « de voorlopige overplaatsing »;
2º in het eerste lid worden de woorden « van een geïnterneerde naar een federale inrichting » vervangen door de woorden « van een geïnterneerde verblijvende in een inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij naar een gelijkaardige inrichting »;
3º in het tweede lid worden de woorden « 26, 27, 28, 29 en 30 » vervangen door het woord « 59 ».
Art. 45
In artikel 61 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in § 1 worden de woorden « , § 2, 1º en 2º, » opgeheven,
2º in § 1 wordt het woord « strafuitvoeringsrechter' » vervangen door het woord « strafuitvoeringsrechtbank »;
3º in § 1 worden de woorden « om dringende redenen » ingevoegd tussen het woord « wordt » en het woord « toegekend »;
4º in § 3 wordt het woord « strafuitvoeringsrechter' » vervangen door het woord « strafuitvoeringsrechtbank »;
5º § 3 wordt aangevuld met een lid, luidende :
« Dit vonnis is onmiddellijk uitvoerbaar. »
Art. 46
In het opschrift van Afdeling III — Opvolging en controle van de in de artikelen 18, § 2, 3º, 19, 20, 21, 22 en 23 bedoelde modaliteiten, van Hoofdstuk III. — Verder beheer van de internering, van dezelfde wet, worden de woorden « , § 2, 3º » opgeheven.
Art. 47
In artikel 64 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in § 1 worden de woorden « § 2, 3 ° » opgeheven;
2º in § 2 worden de woorden « , een beperkte detentie » ingevoegd tussen de woorden « op proef » en de woorden « of een elektronisch toezicht »;
3º in § 3 wordt de eerste zin, die aanvangt met de woorden « De directeur' » en eindigt met de woorden « hem erom verzoekt » vervangen als volgt :
« De directeur meldt de niet naleving van de voorwaarden van de met een bepaalde periodiciteit toegekende uitgaansvergunning of het verlof aan de strafuitvoeringsrechtbank wanneer hij het nuttig acht. »
Art. 48
In het opschrift van « Afdeling IV — De Herroeping, de schorsing en de herziening van de in de artikelen 17, 18, § 2, 3º, 19, 21, 22 en 23 bedoelde modaliteiten », van dezelfde wet, worden de woorden « 17, » en « § 2, 3º » opgeheven.
Art. 49
In artikel 65 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º § 3, tweede zin, wordt aangevuld met de volgende zin :
« Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval de directeur, lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben geformuleerd in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen. »;
2º in § 4, eerste lid, tweede zin, worden de woorden « en aan het slachtoffer, indien het voorwaarden betreft die in het belang van het slachtoffer zijn opgelegd, » opgeheven;
3º § 4, eerste lid, wordt aangevuld met de volgende zin :
« Indien het voorwaarden betreft die in het belang van het slachtoffer zijn opgelegd, wordt het slachtoffer zo snel mogelijk geïnformeerd en in elk geval binnen vierentwintig uur via het snelst mogelijke, schriftelijk communicatiemiddel. »
Art. 50
In artikel 66 van dezelfde wet, wordt een 7º ingevoegd, luidende :
« 7º wanneer de geïnterneerde het programma van de concrete invulling van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht, zoals bepaald overeenkomstig artikel 53, § 2, niet naleeft. »
Art. 51
Artikel 68 van dezelfde wet wordt aangevuld met een § 4, luidende :
« § 4. Indien de strafuitvoeringsrechtbank beslist tot schorsing van de modaliteit, kan zij tevens een uitgaansvergunning of een verlof toekennen overeenkomstig de artikelen 48, 49, 51 en 52 van deze wet. »
Art. 52
In artikel 70 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º § 3, derde lid, wordt aangevuld met de volgende zin :
« Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval de directeur, lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben geformuleerd in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen. »;
2º in § 5, tweede lid, worden de woorden « binnen vierentwintig uur schriftelijk » vervangen door de woorden « zo snel mogelijk geïnformeerd en in elk geval binnen vierentwintig uur via het snelst mogelijke, schriftelijk communicatiemiddel ».
Art. 53
In artikel 71, eerste zin, van dezelfde wet worden de woorden « of het openbaar ministerie van de strafuitvoeringsrechtbank » ingevoegd tussen de woorden « zich bevindt » en de woorden « , zijn voorlopige aanhouding ».
Art. 54
Artikel 72 van dezelfde wet wordt aangevuld met twee leden, luidende :
« Onder voorbehoud van de toepassing van het eerste lid, wordt van rechtswege de definitieve invrijheidsstelling toegekend na verloop van vijf jaar na de toekenning van een invrijheidsstelling op proef aan een geïnterneerde zonder recht op verblijf op het grondgebied van het Rijk.
Indien de geïnterneerde terugkeert voor de definitieve invrijheidstelling van rechtswege is tussengekomen, kan het openbaar ministerie de strafuitvoeringsrechtbank vatten met het oog op een herroeping, schorsing of herziening overeenkomstig de procedure van artikel 70. »
Art. 55
In artikel 73 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º de eerste twee leden vormen § 1;
2º in § 1, ingevoegd door het 1º, wordt het tweede lid vervangen als volgt :
« Vier maanden voor het einde van de proeftermijn laat het openbaar ministerie een nieuw psychiatrisch onderzoek uitvoeren. »;
3º § 1, ingevoegd door 1º, wordt aangevuld met twee leden, luidende :
« Drie maanden voor het einde van de proeftermijn maakt de Dienst Justitiehuizen een syntheseverslag over aan de strafuitvoeringsrechtbank, dat in kopie aan het openbaar ministerie wordt gezonden.
Twee maanden voor het einde van de proeftermijn stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechtbank en deelt het in afschrift mee aan de geïnterneerde en zijn raadsman. »;
4º § 3, tweede lid, dat gedeeltelijk vernietigd is bij arrest nr. 154/2008 van het Grondwettelijk Hof, wordt aangevuld met de volgende zin :
« Ook de raadsman van de geïnterneerde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier krijgen. »
Art. 56
Artikel 79 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Indien de strafuitvoeringsrechtbank de definitieve invrijheidsstelling niet toekent, verlengt zij de proeftermijn voor een hernieuwbare termijn van minimum twee jaar en maximum vijf jaar, onder dezelfde voorwaarden als voorheen of, in voorkomend geval, onder aangepaste voorwaarden, zonder dat zij deze echter kan verstrengen. »
Art. 57
In artikel 81, § 1, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden « binnen vierentwintig uur schriftelijk » vervangen door de woorden « zo snel mogelijk geïnformeerd en in elk geval binnen vierentwintig uur via het snelst mogelijke, schriftelijk communicatiemiddel ».
Art. 58
Titel V van dezelfde wet, die de artikelen 82 tot 113 bevat, wordt opgeheven.
Art. 59
Artikel 114 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Een persoon die zowel een vrijheidsstraf als een internering ondergaat, wordt geplaatst in een federale instelling die wordt aangewezen door de strafuitvoeringsrechtbank.
De bepalingen van deze wet zijn op hem van toepassing.
De toekenning van een uitgaansvergunning, verlof, beperkte detentie, elektronisch toezicht en invrijheidstelling op proef is slechts mogelijk overeenkomstig de tijdsvoorwaarden zoals bepaald door de artikelen 4, § 3, 7, 23, § 1, 25 of 26 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten.
In geval van invrijheidsstelling op proef mag de door de strafuitvoeringsrechtbank te bepalen termijn niet korter zijn dan de proeftermijn waaraan de persoon, indien hij uitsluitend een vrijheidsstraf zou ondergaan, zou zijn onderworpen overeenkomstig artikel 71 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten. »
Art. 60
Het opschrift van Titel VII van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Titel VII — Rechtsmiddelen ».
Art. 61
In Titel VII, van dezelfde wet wordt een hoofdstuk I ingevoegd, luidende :
« Hoofdstuk I — Verzet tegen een vonnis tot herroeping bij verstek gewezen ».
Art. 62
In Hoofdstuk I, van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 61, wordt een artikel 114/1 ingevoegd, luidende :
« Art. 114/1. Tegen de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank tot herroeping bij verstek gewezen overeenkomstig artikel 70, § 4, tweede lid, kan in verzet worden gekomen binnen een termijn van 15 dagen na de betekening van de beslissing. Is de betekening van het vonnis niet aan de geïnterneerde in persoon gedaan, dan kan deze in verzet komen tegen de beslissing tot herroeping binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen. Indien hij hiervan kennis heeft gekregen door de betekening van een Europees aanhoudingsbevel of een uitleveringsverzoek of indien de lopende termijn van vijftien dagen nog niet verstreken was op het ogenblik van zijn aanhouding in het buitenland, kan hij in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij werd overgeleverd of in het buitenland terug in vrijheid werd gesteld. Het verzet wordt betekend aan het openbaar ministerie. Indien het verzet niet is betekend binnen een termijn van vijftien dagen na de betekening van het vonnis, kunnen de beslissingen ten uitvoer gelegd worden; ingeval cassatieberoep is ingesteld door het openbaar ministerie, kan de behandeling in cassatie voortgang vinden.
Ten gevolge van het verzet wordt de herroeping voor niet bestaande gehouden; de door het verzet veroorzaakte kosten en uitgaven, met inbegrip van de kosten van uitgifte en van de betekening van het vonnis, blijven evenwel ten laste van de eiser in verzet, indien het verstek aan hem te wijten is. »
Art. 63
In Hoofdstuk I van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 61, wordt een artikel 114/2 ingevoegd, luidende :
« Art. 114/2. Het verzet brengt van rechtswege dagvaarding mee tegen de eerstkomende terechtzitting na het verstrijken van een termijn van vijftien dagen, of van drie dagen indien de eiser in verzet zich in hechtenis bevindt.
Het wordt als ongedaan beschouwd indien de eiser in verzet, of zijn raadsman niet verschijnt, en het vonnis, op het verzet gewezen, kan door de partij die verzet heeft gedaan, alleen worden bestreden door cassatieberoep, zoals verder wordt bepaald. »
Art. 64
In Titel VII van dezelfde wet, wordt een Hoofdstuk II ingevoegd, luidende :
« Hoofdstuk II — Het cassatieberoep ».
Art. 65
Hoofdstuk II van dezelfde wet, ingevoegd door artikel 64, omvat de artikelen 115 tot en met 117.
Art. 66
In artikel 116, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, vernietigd bij arrest nr. 154/2008 van het Grondwettelijk Hof en gewijzigd door de wet van 21 januari 2009, worden de woorden « vijftien dagen » vervangen door de woorden « vijf dagen ».
Art. 67
Artikel 121 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Art. 121. De door de bevoegde overheid erkende inrichtingen die georganiseerd zijn door een privé-instelling, door een gemeenschap of een gewest of door een lokale overheid, die in staat zijn aan de geïnterneerde de gepaste zorgen te verstrekken en met de minister van Justitie een samenwerkingsovereenkomst hebben afgesloten inzake de toepassing van deze wet, ontvangen, in geval van plaatsing van een geïnterneerde, voor de administratieve activiteiten verricht in het kader van deze wet een vergoeding ten laste van de begroting van de federale Staat. De Koning bepaalt het bedrag van de vergoeding en de uitvoeringsmodaliteiten. »
Art. 68
In Titel VIII, Hoofdstuk I, van dezelfde wet wordt een artikel 121/1 ingevoegd, luidende :
« Art. 121/1. De onderhoudskosten van de personen die met toepassing van artikel 8 geïnterneerd zijn en overeenkomstig artikel 17 verblijven in een in artikel 3, punt 3, vierde streepje, vermelde inrichting, komen onder de door de Koning gestelde voorwaarden ten laste van de geïnterneerde zelf of van de personen die in hun levensonderhoud zijn verschuldigd. De Koning bepaalt de kosten die in geval van onvermogen ten laste vallen van de federale Staat. »
Art. 69
Artikel 123 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 70
In Titel VIII, Hoofstuk II, Afdeling III, van dezelfde wet wordt een artikel 125/1 ingevoegd, luidende :
« Art. 125/1. In artikel 595, 2º, van het hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juni 2009, worden de woorden « ten aanzien van abnormalen op grond van de wet van 1 juli 1964 » vervangen door de woorden « op grond van de wet van 21 april 2007 ».
Art. 71
Artikel 126 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Art. 126. In artikel 76, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 mei 2006, worden volgende wijzigingen aangebracht :
— in de eerste zin worden de woorden « alsmede in de strafinrichtingen, de inrichtingen tot bescherming van de maatschappij en de zorginstellingen » vervangen door de woorden « alsmede in de gevangenissen en de inrichtingen zoals omschreven in artikel 3, eerste lid, 3, van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis »;
— er wordt een tweede zin toegevoegd, luidende :
Behoudens voor de uitspraak van vonnissen waarvoor zij zitting hebben in elke rechtbank van eerste aanleg die is gevestigd in het rechtsgebied van het hof van beroep, houden de strafuitvoeringskamers zitting in de gevangenis ten aanzien van de veroordeelden die in de gevangenis verblijven en ten aanzien van geïnterneerden die verblijven in de inrichtingen zoals omschreven in artikel 3, eerste lid, eerste, tweede en derde streepje van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis, in deze inrichtingen. Ten aanzien van veroordeelden die niet in de gevangenis verblijven, kunnen ze zitting houden in de gevangenis of in elke rechtbank van eerste aanleg gevestigd in het rechtsgebied van het hof van beroep. Ten aanzien van geïnterneerden die verblijven in de inrichtingen zoals omschreven in artikel 3, eerste lid, vierde streepje, van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis kunnen zij zetelen in deze inrichting of in elke rechtbank van eerste aanleg gevestigd in het rechtsgebied van het hof van beroep. Wanneer toepassing wordt gemaakt van artikel 36 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, houden ze zitting in elke rechtbank van eerste aanleg gevestigd in het rechtsgebied van het hof van beroep. »
Art. 72
Artikel 127 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 73
Artikel 129 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Art. 129. In artikel 635 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 17 mei 2006, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in § 1, tweede lid, worden de woorden « eensluidend advies « vervangen door de woorden « voorafgaand akkoord »;
2º het artikel wordt aangevuld met een § 2, luidende :
« § 2. Behoudens de door de Koning bepaalde uitzonderingen, ressorteren de geïnterneerden onder de bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechtbank die gevestigd is in het rechtsgebied van het hof van beroep waar het onderzoeks- of vonnisgerecht dat de internering heeft bevolen zich bevindt. Indien ten aanzien van hen meerdere interneringsbeslissingen zijn genomen, wordt de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank bepaald op grond van de oudste actieve internerneringsbeslissing, in zoverre de geïnterneerde nog niet definitief in vrijheid is gesteld.
Indien de strafuitvoeringsrechtbank het in uitzonderlijke gevallen, voor een bepaalde geïnterneerde, evenwel aangewezen acht om de bevoegdheid over te dragen aan een andere strafuitvoeringsrechtbank, neemt zij een met redenen omklede beslissing na het voorafgaand akkoord te hebben verkregen van die strafuitvoeringsrechtbank gegeven binnen vijftien dagen. »
Art. 74
Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling VI, van dezelfde wet, die artikel 131 omvat, wordt vervangen als volgt :
« Afdeling VI — Wijziging van de wet van 19 december 1939 inzake de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders
Art. 131. In artikel 56, voorlaatste lid van de wet van 19 december 1939 inzake de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gewijzigd door de wet van 22 februari 1992, worden de woorden « wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers » vervangen door de woorden « wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis. »
Art. 75
Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling IX, van dezelfde wet, die de artikelen 138 tot en met 144, wordt vervangen als volgt :
« Afdeling IX — Bepaling tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis
Art. 138. In artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) Een § 2/1 wordt ingevoegd, luidende :
« § 2/1. De voorlopige invrijheidsstelling kan ook worden aangevraagd door degene die opgesloten is ingevolge een na beslissing tot internering uitgesproken bevel tot onmiddellijke opsluiting, mits er tegen de beslissing tot internering zelf hoger beroep, verzet of cassatieberoep is aangetekend. Zij kan in dezelfde voorwaarden worden aangevraagd door wie opgesloten is ingevolge een veroordeling bij verstek, waartegen verzet binnen de buitengewone termijn is aangetekend. »;
b) § 3, laatste lid, wordt aangevuld met de volgende zin :
« De beslissing tot verwerping van een verzoek overeenkomstig § 2/1, wordt gemotiveerd met inachtneming van hetgeen voorgeschreven is in artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis. »
Art. 76
Afdeling IX, van dezelfde wet, die de artikelen 138 tot en met 144 omvat, wordt opgeheven.
Art. 77
In artikel 145 van dezelfde wet worden de woorden worden de woorden « § 2,3 ° » opgeheven.
Art. 78
In Titel VIII, Hoofdstuk II, van dezelfde wet, wordt een afdeling X/1 ingevoegd, die het artikel 145/1 omvat, luidende :
« Afdeling X/1 — Wijziging van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994
Art. 145/1. In artikel 56, § 3, ingevoegd door de wet van 11 juli 2005, worden de woorden « de artikelen 14 en 18 van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten » vervangen door de woorden « de artikelen 17 en 23 van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis. »
Art. 79
In Titel VIII, Hoofdstuk II, van dezelfde wet, wordt een afdeling X/2 ingevoegd, die het artikel 145/2 omvat, luidende :
« Afdeling X/2 — Wijziging van de wet van 10 april 2003 tot regeling van de rechtspleging voor de militaire rechtscolleges en tot aanpassing van verscheidene wettelijke bepalingen naar aanleiding van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd
Art. 145/2. In artikel 11 van de wet van 10 april 2003 tot regeling van de rechtspleging voor de militaire rechtscolleges en tot aanpassing van verscheidene wettelijke bepalingen naar aanleiding van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd worden de woorden « krachtens de artikelen 1, 6, 7 en 9 van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten » vervangen door de woorden « krachtens de artikelen 5, 6, 8, 9, 10 en 11 van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis. »
Art. 80
Artikel 149 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 81
In Titel VIII, Hoofdstuk II, van dezelfde wet, wordt een afdeling XI/1 ingevoegd, die het artikel 153/1 omvat, luidende :
« Afdeling XI/2 — Bepaling tot wijziging van de Programmawet (II) van 27 december 2006
Art. 153/1. In artikel 2, 4º, van de Programmawet (II) van 27 december 2006, worden de woorden « de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten » vervangen door de woorden « de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis. »
Art. 82
In artikel 155 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in § 1 worden de woorden « de zaken die bij de commissies tot bescherming van de maatschappij aanhangig zijn en de dossiers van de geïnterneerden die op proef in vrijheid zijn gesteld » vervangen door de woorden « alle dossiers van geïnterneerden waarvoor de commissies tot bescherming van de maatschappij bevoegd zijn »;
2º § 3 wordt vervangen als volgt :
« De beslissing tot internering van veroordeelden die door de minister van Justitie overeenkomstig artikel 21 van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten werd genomen voor de inwerkingtreding van deze wet, blijft geldig.
Met uitzondering van het eerste lid is artikel 114 van toepassing op deze geïnterneerde veroordeelden. »;
3º in § 4, eerste lid worden de woorden « nadat de geïnterneerde voor de commissies tot bescherming van de maatschappij verschenen is » vervangen door de woorden « na de laatste beslissing van de commissie tot bescherming van de maatschappij »;
4º § 4 wordt aangevuld met een lid, luidende :
Indien zes maanden na de laatste beslissing van de commissie tot bescherming van de maatschappij geen advies werd uitgebracht, vat het openbaar ministerie de strafuitvoeringsrechtbank. »;
5º een § 5 wordt ingevoegd, luidende :
« Onverminderd artikel 17, kunnen de geïnterneerden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet geplaatst zijn in een inrichting die niet door de bevoegde overheid erkend is er gedurende één jaar geplaatst blijven na de inwerkingtreding van deze wet. »
Verantwoording
Algemene inleiding
De wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis werd op 13 juli 2007 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De inwerkingtreding van elk van de bepalingen van deze moet worden bepaald door de Koning. De oorspronkelijk uiterste datum van inwerkingtreding was voorzien op de eerste dag van de achttiende maand na die waarin de wet is bekendgemaakt, met name 1 januari 2009. Deze uiterste datum van inwerkingtreding werd verschillende keren uitgesteld. In 2008 werd deze datum verschoven naar 1 januari 2013, en in 2012 naar 1 januari 2015.
De redenen voor het uitstel van de inwerkingtreding van de wet zijn gelegen in het vervullen van de noodzakelijke randvoorwaarden om de wet, zoals geconcipieerd in 2007, op een degelijke manier in werking te kunnen laten treden. Het vervullen van de randvoorwaarden heeft enerzijds een belangrijk budgettair aspect, dat in de afgelopen jaren met budgettaire restricties, niet volwaardig te vervullen was. Bovendien moet rekening worden gehouden met het feit dat de uitvoering van de wet een belangrijke interdepartementale samenwerking vereist tussen het departement Volksgezondheid en het departement Justitie, waarbij aldus ook rekening moet worden gehouden met de beperkingen en behoeften van deze beide departementen. Daarnaast is ook de private sector een belangrijke partner, gelet op het feit dat bepaalde zorg voor geïnterneerden enkel of beter kan worden verleend door privé-instellingen.
Anderzijds hebben deze randvoorwaarden ook betrekking op een aantal technische vereisten die moeten vervuld zijn opdat de wet in werking kan treden. Zo moeten er verschillende uitvoeringsbesluiten worden opgesteld, bijvoorbeeld met betrekking tot de erkenning van deskundigen die kunnen op treden in het kader van deze wet. Ook de strafuitvoeringsrechtbanken moeten worden uitgebreid omdat zij bevoegd worden voor het interneringscontentieux. Gelet op het feit dat deze aspecten ook een budgettaire impact hebben, moeten deze ook worden voorbereid rekening houdend met de budgettaire restricties van de afgelopen jaren.
Hoewel de wet van 21 april 2007 een belangrijke stap vooruit betekende voor de zowel de verbetering van de juridische status van de geïnterneerde als voor de zorgomkadering die de geïnterneerde behoeft, met daarbovenop de bevoegdheidstoebedeling aan de strafuitvoeringsrechtbank, werden sinds de publicatie van de wet een aantal belangrijke opmerkingen geformuleerd vanuit verschillende invalshoeken.
Aan de opeenvolgende ministers van Justitie werden bemerkingen overgemaakt komende van onder meer een werkgroep internering binnen het College van Procureurs-generaal, de Orde van Geneesheren, de Orde van Vlaamse Balies, de Orde van Franstalige en Duitse Balies, de zorgsector en andere personen.
Deze bemerkingen en aanbevelingen tot wijziging zijn zeer waardevol en dragen bij tot een verdere verfijning van de wet van 2007.
Daarnaast is er ook het arrest nr. 154/2008 van het Grondwettelijk Hof van 6 november 2008 dat een aantal bepalingen van de wet van 2007 vernietigt. Het betreft de volgende bepalingen :
— de artikelen 39, § 3, en 40, in zoverre zij niet erin voorzien dat het advies van de directeur en het advies van het openbaar ministerie worden meegedeeld aan de raadsman van de geïnterneerde;
— de artikelen 26, § 4, tweede lid, 34, tweede lid, 42, § 3, tweede lid, 53, § 4, vierde lid, 58, § 3, tweede lid, 70, § 2, tweede lid, 73, § 3, tweede lid, 85, § 2, tweede lid, en 98, § 3, tweede lid, in zoverre zij niet erin voorzien dat een afschrift van het dossier kan worden aangevraagd en verkregen door de raadsman van de geïnterneerde;
— artikel 116, § 1, tweede lid.
Het voorliggende wetsontwerp beoogt niet te raken aan de krijtlijnen van de wet van 21 april 2007, maar heeft tot doel enerzijds de bepalingen aan te passen die werden vernietigd door het Grondwettelijk Hof en anderzijds de bepalingen van de wet verder te verfijnen rekening houdend met de opmerkingen en verzuchtingen die vanuit de verschillende actoren werden geformuleerd.
Artikelsgewijze bespreking
Artikel 1
Dit artikel bepaalt de constitutionele bevoegdheidsgrondslag.
Art. 2
Dit artikel beoogt een aantal definities voorzien in artikel 3 aan te passen.
Vooreerst moet de definitie van « directeur » worden aangepast wat betreft de omschrijving van de verantwoordelijke van de privé-instellingen die de zorg voor een geïnterneerde op zich neemt. Deze aanpassing hangt samen met de gewijzigde omschrijving van privé-instelling in het volgende punt.
Het tweede punt van dit artikel voorziet immers een aanpassing van het punt 3 van artikel 2.
De gehanteerde definitie van inrichting dient aangepast te worden op een aantal punten.
Zo moet de definitie worden uitgebreid naar « forensisch psychiatrisch centrum ». Immers, de door de federale overheid georganiseerde forensische psychiatrische centra, die gebouwd worden in Gent en Antwerpen, zijn tevens inrichtingen waar geïnterneerden geplaatst kunnen worden.
Deze zullen worden aangewezen bij een koninklijk besluit op voorstel van de minister die Justitie en de minister die Volksgezondheid tot zijn bevoegdheid heeft.
Vervolgens wordt de verwijzing in de definitie naar de voorwaarden inzake veiligheid waaraan de instelling moet voldoen geschrapt. Aan ziekenhuizen moeten geen veiligheidsvoorwaarden worden opgelegd. Elke instelling heeft hieromtrent een eigen visie en structuur. Deze passen bovendien in een zorgtraject op maat van de persoon met een geestesstoornis.
Tot slot zullen met de instellingen die niet door de federale overheid georganiseerd worden en die bereid zijn geïnterneerden op te nemen onder het statuut van een plaatsing samenwerkingsovereenkomsten afgesloten worden, waarbij de modaliteiten van de samenwerking tussen Justitie en deze instellingen worden vastgelegd. Zo zal onder andere worden vastgelegd : het aantal geïnterneerden dat de instelling onder de vorm van plaatsing wil opnemen, de pathologieën die in aanmerking komen, de procedure volgens de welke tot plaatsing overgegaan kan worden (op basis van verslaggeving, intake, ...), ...
Het laatste punt van dit artikel betreft een aanpassing van het punt 6º van dit artikel dat betrekking heeft op de definitie van slachtoffer. Gelet op het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten en tot wijziging van artikel 76 van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de positie van de slachtoffers in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten (DOC 53 2999/001) dat een verruiming voorziet van de definitie van slachtoffers in het kader van de strafuitvoering, past het een gelijkaardige verruiming van de definitie te voorzien voor de slachtoffers in het raam van de uitvoering van de internering. Aangezien de definitie zoals voorzien in de actuele tekst mutatis mutandis geïnspireerd was op de definitie van deze van de wet van 17 mei 2007, lijkt het gepast deze nu ook in lijn te brengen met de nieuwe definitie van deze wet.
Tot de aanpassing van de definitie van « slachtoffer » in de wet van 17 mei 2006 werd beslist omdat uit de praktijk bleek dat de huidige definitie van artikel 2, 6º van deze wet niet voldoende ruim was ondanks het feit dat ze reeds verregaander was dan deze voorzien in de oorspronkelijke wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling door geen onderscheid meer te maken tussen de slachtoffers, in functie van de aard van de feiten die hen schade hebben berokkend.
De definitie in artikel 2, 6º van de wet van 17 mei 2006 omvatte drie categorieën waarop de definitie van slachtoffer in de voorliggende wet mutatis mutandis was gebaseerd : de categorie van de natuurlijke persoon wiens burgerlijke partijstelling ontvankelijk en gegrond is verklaard, de categorie van de persoon die minderjarig, verlengd minderjarig of onbekwaam was op het ogenblik van de feiten en voor de wettelijke vertegenwoordiger zich geen burgerlijke partij heeft gesteld en de categorie van de natuurlijke persoon die zich omwille van een situatie van materiële onmogelijkheid of kwetsbaarheid geen burgerlijke partij heeft kunnen stellen. Deze twee laatste categorieën moeten een verzoek indienen gericht aan de strafuitvoeringsrechter opdat deze zou kunnen oordelen of ze een direct en legitiem belang hebben om te worden geïnformeerd en gehoord in het kader van de strafuitvoering.
Artikel 3, 6º van de voorliggende wet vertrekt van dezelfde categorieën en principes, met toevoeging van één categorie van slachtoffers specifiek voor het kader van de internering, met name het punt d)van artikel 3, 6º dat de categorie betreft van de « natuurlijke persoon die nadat de internering werd bevolen door een onderzoeksgerecht zijn wens om als slachtoffer te worden gehoord kenbaar maakt ».
Uit de praktijk van toepassing van de wet van 17 mei 2006 blijkt dat de definitie niet volstaat om alle directe slachtoffers te omvatten en dat ze bovendien weinig ruimte biedt voor nabestaanden van slachtoffers om onder de voorziene categorieën te vallen, zonder zich burgerlijke partij te stellen.
Het wetsontwerp 53-2499 voorziet dan ook een belangrijke uitbreiding van de definitie van slachtoffer om aan deze vastgestelde tekortkomingen tegemoet te komen. Ook de definitie van slachtoffer in het kader van de internering moet op dezelfde wijze worden aangepast.
Er wordt niet geraakt aan de punten a) en d) van artikel 3, 6º. Deze categorieën worden behouden, mits een kleine technische aanpassing van het huidige punt d) van de definitie — dat in de nieuwe definitie het punt c) zal worden — waar moeten verduidelijkt dat het slachtoffer niet alleen zijn wens om te worden gehoord kenbaar kan maken, maar ook zijn wens om te worden geïnformeerd. Het slachtoffer heeft immers de keuze om te worden geïnformeerd en/of gehoord.
Twee nieuwe categorieën worden ingevoegd, gebaseerd op de besprekingen van het wetsontwerp 53-2499 in de Kamercommissie Justitie.
Onder het punt d) wordt een nieuwe categorie ingevoegd teneinde de nabestaanden in te sluiten die zich geen burgerlijke partij hebben gesteld evenals de nabestaanden van een overleden persoon die zich burgerlijke partij had gesteld. De bepaling geeft een omschrijving van de notie nabestaanden, die geïnspireerd is door de definitie van « familieleden » zoals bepaald door artikel 2, a), ii) en b) van de richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ.
Een nieuwe categorie e) wordt ingevoegd teneinde de naasten van een niet overleden slachtoffer te omvatten, die zich omwille van een situatie van materiële onmogelijkheid of kwetsbaarheid geen burgerlijke partij hebben kunnen stellen.
De categorieën c), d) en e) moeten een verzoek richten aan de strafuitvoeringsrechter om te worden erkend als zijnde « slachtoffer » in het kader van de strafuitvoering.
Art. 3
Het eerste punt van dit artikel betreft een technische wijziging genoodzaakt door de aanpassing van de definitie van slachtoffer in het vorige artikel. De categorieën c), d) en e) moeten een verzoek richten tot de strafuitvoeringsrechter.
Het tweede punt van dit artikel beoogt de tekst van artikel 4 van de wet in lijn te brengen met de tekst van artikel 3, § 4, tweede lid, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten dat de mededeling van de beslissing van strafuitvoeringsrechter ook aan de minister voorziet.
Art. 4
Dit artikel beoogt het artikel 5 van de wet op een aantal punten aan te passen.
De eerste aanpassing beoogt het mogelijk te maken dat ook de procureur des Konings een deskundigenonderzoek kan bevelen. Deze aanpassing werd aanbevolen door de werkgroep binnen het College van Procureurs generaal die de wet van 2007 analyseerde. Actueel kan de procureur des Konings enkel een deskundigenonderzoek bevelen ingeval van ontdekking op heterdaad. Deze beperking heeft als uitgangspunt het evenwicht tussen de respectieve prerogatieven van de onderzoeksrechter en de procureur des Konings. In het kader van de voorliggende wet, is het deskundigenonderzoek een verplichte voorwaarde om over te kunnen gaan tot internering. Er moet worden vastgesteld dat in een aantal dossiers de saisine van de onderzoeksrechter enkel gemotiveerd is door de vereiste een deskundigenonderzoek te bekomen, wat zelfs met de figuur van de mini-instructie een bron van vertraging is zonder een reële meerwaarde. Tevens wordt de formulering aangepast in die zin dat het bevelen van het deskundigenonderzoek niet meer facultatief is maar verplicht eens een toestand zoals omschreven in dit artikel bij een persoon wordt vastgesteld.
Het tweede punt van dit artikel is een tekstuele verduidelijking van het punt 4 van § 1 van artikel 5, met het oog op verduidelijking. Immers, het kan ook voorvallen dat met het deskundigenonderzoek wordt vastgesteld dat er geen mogelijkheid tot behandeling, begeleiding of verzorging met het oog op re-integratie in de maatschappij bestaat. Dit moet dan ook aldus in het deskundigenonderzoek worden vermeld.
Vervolgens wordt een nieuw punt 5 ingevoegd, dat betrekking heeft op tenlasteleggingen inzake bepaalde seksuele delicten gepleegd op minderjarigen of met hun deelneming. In deze gevallen zal het deskundigenonderzoek ook de noodzaak moeten nagaan om een gespecialiseerde begeleiding of behandeling op te leggen opdat de strafuitvoeringsrechtbank reeds vanaf de eerste zitting bij de beslissing tot plaatsing of bij de toekenning van uitvoeringsmodaliteiten rekening kan houden met dit gespecialiseerd advies. Deze invoeging ligt ook in lijn met de tekst van artikel 32 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtpositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten.
Het punt 4 van dit artikel wijzigt de bepaling van het derde lid van artikel 5, § 2. Het lijkt immers gepast dat de voorwaarden voor de erkenning van de deskundigen worden bepaald bij koninklijk besluit dat gezamenlijk wordt voorgesteld door de minister die bevoegd is voor Volksgezondheid en de minister die bevoegd is voor Justitie.
Het punt vijf van dit artikel voegt een nieuw lid in de paragraaf 2 van het artikel 5 om expliciet duidelijk te stellen dat de aangestelde deskundige het onderzoek ook in college of met bijstand met andere gedragswetenschappers kan uitvoeren, onder zijn leiding. Hoewel de actuele tekst van de wet dit niet uitsluit, wordt deze verduidelijking ingeschreven op expliciete vraag van het terrein zodat over deze mogelijkheid geen twijfel kan bestaan.
Het punt zes van voorliggend artikel betreft de invoeging van een nieuwe § 2/1 die ook zijn oorsprong vinden in een vraag van het terrein. Vooreerst werd vastgesteld dat de voorliggende wet geen overgangsregeling voorzag voor deskundigenonderzoeken uitgevoerd onder de actuele regeling maar waarvan de beslissing tot internering pas tussenkomt na de inwerkingtreding van de voorliggende wet. Het is aldus van belang te bepalen dat de deskundigenonderzoeken die werden uitgevoerd onder de actuele regeling hun rechtsgeldigheid behouden eens de voorliggende wet in werking treedt en zij aldus tot basis kunnen dienen om een beslissing tot internering te nemen.
Vervolgens werd vanuit de praktijk ook opgemerkt dat er soms geruime tijd verloopt tussen de uitvoering van het deskundigenonderzoek en de uiteindelijke fase waarin de beslissing om al dan niet te interneren moet worden genomen. Het lijkt nuttig en noodzakelijk te voorzien dat de bevelende overheid een actualisering kan vragen van het deskundigenonderzoek wanneer zij dit nodig acht. Deze bepaling voegt deze mogelijkheid expliciet in en stelt voor dat daartoe ook een model bij uitvoeringsbesluit zal worden bepaald.
Het laatste punt betreft de opheffing van de vierde paragraaf van artikel 5. Vooreerst is er een discrepantie tussen het dispositief van deze paragraaf en de memorie van toelichting. De wet bepaalt namelijk dat de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt van toepassing is op het deskundigenonderzoek, terwijl de memorie van toelichting net het tegenovergestelde stelt. De wet van 22 augustus 2002 dient inderdaad niet van toepassing verklaard te worden op het deskundigenonderzoek; mocht de wet wel van toepassing zijn, betekent dit dat de persoon het deskundigenonderzoek zou kunnen weigeren zodat niet kan worden overgegaan tot internering, wat niet de bedoeling kan zijn. Er is echter geen noodzaak om uitdrukkelijk te bepalen dat de wet van 22 augustus 2002 niet van toepassing is op het deskundigenonderzoek aangezien deze wet sowieso enkel betrekking heeft op de behandeling.
Art. 5
Een deskundigenonderzoek in het stadium van het opsporings — of gerechtelijk onderzoek is in principe niet tegensprekelijk.
Zowel in de praktijk als in de rechtsleer bestaat echter de vraag om een minimale tegensprekelijkheid in te voeren, met toepassing van de algemene principes die in deze materie van toepassing zijn.
Voorliggend artikel beoogt aan deze verzuchting tegemoet te komen en de noden van het opsporings- en gerechtelijk onderzoek te verzoenen met de algemene bepalingen van tegensprekelijkheid van het deskundigenonderzoek zoals die worden bepaald in het Gerechtelijk Wetboek. Daartoe wordt voorgesteld een nieuw artikel 7/1 in de wet in te voegen. Het is van belang voor de noden van het onderzoek dat de bevelende instantie meester blijft en aldus de agenda en timing van het deskundigenonderzoek kan leiden. Hiertoe voorziet het artikel in de mogelijkheid dat zij een termijn kan bepalen waarbinnen het deskundigenonderzoek moet worden uitgevoerd.
Art. 6
Dit artikel beoogt een aanpassing van artikel 12, paragraaf 2, van de wet teneinde deze bepaling te verduidelijken. Immers, de artikelen 203, 203bis en 204 van het Wetboek van strafvordering betreffen het algemeen principe dat de verklaring van hoger beroep gedaan wordt op de griffie van het gerecht dat uitspraak heeft gedaan. Artikel 205 van het Wetboek van strafvordering betreft de uitzondering dat het openbaar ministerie bij de beroepsinstantie het hoger beroep instelt voor dewelke dan een bijzondere procedure is voorzien. De wet van 25 juli 1893 waarnaar het artikel verwijst, stelt de verklaringen die op de griffie van de gevangenis worden gedaan, gelijk aan deze die worden gedaan op de griffie van het gerecht dat uitspraak heeft gedaan. Deze laatste is strikt genomen dus geen uitzondering op het de principes zoals opgenomen in de artikelen 203 en volgende van het Wetboek van strafvordering maar een gelijkschakeling. Het artikel wordt aldus in die zin geherformuleerd.
Art. 7
De werkgroep internering van het College van Procureurs generaal merkt op dat de wet geen vraagstelling voorziet aan de jury omtrent de sociale gevaarlijkheid op het ogenblik van haar beslissing. Nochtans is een dergelijk gevaar een voorwaarde om tot internering te kunnen beslissen. Deze bepaling voorziet aldus de invoeging van deze vraagstelling aan de jury.
Art. 8
De wet heeft de bepaling van artikel 9, tweede lid van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten, niet hernomen. Deze bepaling betreft enerzijds de mogelijkheid om de zitting voor de onderzoeksgerechten openbaar te houden wanneer ze beslissen over een internering en anderzijds de mogelijkheid voor de vonnisgerechten om de zitting achter gesloten deuren te houden. Dit artikel voorziet in de invoeging van deze bepaling overeenkomstig de huidige regeling.
Art. 9
Dit artikel beoogt twee wijzigingen door te voeren.
Vooreerst wordt de mogelijkheid ingeschreven om ook ten aanzien van geïnterneerden een woonverbod op te leggen, en dit overeenkomstig artikel 4 van de wet van 14 december 2012 tot verbetering van de aanpak van seksueel misbruik en feiten van pedofilie binnen een gezagsrelatie dat dergelijke mogelijkheid inschrijft in artikel 382quater van het Strafwetboek voor wat veroordeelden betreft.
De tweede wijzigingen betreft een taalkundige wijziging om doorheen het hele artikel steeds de « veiligheidsmaatregel » te gebruiken.
Art. 10
Dit artikel beoogt de belangen van de burgerlijke partijen veilig te stellen door de bepalingen van artikel 4 Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering ook van toepassing te verklaren wanneer de onderzoeks — of vonnisgerechten een internering uitspreken. Zij zullen ambtshalve de belangen van de burgerlijke aanhouden wanneer zij beslissen tot een internering.
Art. 11
Deze bepaling beoogt de definitie van plaatsing en overplaatsing aan te passen gelet op de nieuwe definitie die door artikel 2, 2º, wordt gegeven van inrichting. Tevens wordt ook expliciet ingeschreven dat de strafuitvoeringsrechtbank bij haar beslissing tot plaatsing of overplaatsing rekening moet houden met de behandelingsadviezen die voor de geïnterneerde werden gegeven. Het spreekt voor zich dat bij de plaatsing van geïnterneerden rekening dient te worden gehouden met het behandelaanbod waarover de zorginstelling beschikt. De plaatsingen dienen daarom voorbereid te worden tussen de psychosociale diensten van de gevangenissen en de zorgsector, wat resulteert in behandelingsadviezen aan de srafuitvoeringsrechtbank.
Voor de instellingen die niet door de federale overheid georganiseerd worden dient door de strafuitvoeringsrechtbank bij de plaatsing en overplaatsing tevens rekening gehouden te worden met de samenwerkingsovereenkomsten die met de instellingen afgesloten zijn.
Art. 12
Deze bepaling beoogt dat alle uitgaansvergunningen, ongeacht hun finaliteit, door de strafuitvoeringsrechtbank met een zekere periodiciteit zouden kunnen worden toegekend wanneer zij dit nodig of wenselijk acht. De wet van 2007 voorziet deze mogelijkheid enkel voor de uitgaansvergunningen die worden toegekend om de sociale re-integratie voor te bereiden.
Wat betreft geïnterneerden lijkt het echter gepast dat alle uitgaansvergunningen met periodiciteit kunnen worden toegekend, ongeacht de finaliteit ervan.
Art. 13
De uitgaansvergunning laat de geïnterneerde toe de gevangenis te verlaten voor een duur van maximum zestien uur; de beperkte detentie laat dit slechts toe voor maximum twaalf uur. Er bestaat echter geen gerechtvaardigde reden om de maximumduur van de beperkte detentie te beperken tot twaalf uur. Deze termijn riskeert trouwens te kort te zijn voor geïnterneerden die voor het werk, de opleiding of behandeling langere trajecten dienen af te leggen.
Art. 14
Het eerste punt van deze bepaling heeft tot doel om expliciet in te schrijven in het artikel 24 van deze wet dat bij de toekenning van een uitvoeringsmodaliteit van de internering de al dan niet geleverde inspanningen om de burgerlijke partij te vergoeden een element is dat ook in rekening moet worden gebracht en dat als een tegenaanwijzing voor deze toekenning kan gelden. Deze invoeging vloeit voort uit de aanpassing van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten en tot wijziging van artikel 76 van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de positie van de slachtoffers in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten die wordt geviseerd door het wetsontwerp zoals vervat in het parlementaire stuk DOC 53 2999/001.
In het kader van de wet van 17 mei 2006 werd beslist om deze bepalingen expliciet op te nemen omdat de bedoeling van de wetgever, met name het feit dat dit element werd beschouwd als zijnde ingesloten te zijn in de tegenaanwijzing « de houding van de veroordeelde ten aanzien van de slachtoffers van de misdrijven die tot zijn veroordeling hebben geleid » in de praktijk tot misverstanden aanleiding bleek te geven. Aangezien de voorliggende wet dezelfde bewoordingen hanteert, lijkt het aldus gepast om ook hier deze verduidelijking in te voegen. Daarbij wordt ook de invoeging overgenomen voorzien in voornoemd wetsontwerp dat bij de beoordeling hiervan rekening moet worden gehouden met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld is. De invoeging van deze passage heeft tot doel te expliciteren dat mogelijke handelingen die de geïnterneerde heeft gesteld die er toe leiden dat de vergoeding van de burgerlijke partijen worden bemoeilijkt, mee in rekening moeten worden gebracht bij de beoordeling van de tegenaanwijzingen.
Het tweede punt van dit artikel betreft een taalkundige verbetering van de Nederlandse versie van de tekst.
Art. 15
Dit artikel beoogt de opheffing van artikel 25 van de wet dat bepaalt dat een invrijheidsstelling op proef slechts kan worden toegekend indien de geïnterneerde reeds een andere door de wet voorziene uitvoeringsmodaliteit heeft genoten.
Alle actoren op het terrein zijn echter van mening dat een invrijheidsstelling op proef reeds op de eerste zitting mogelijk moet zijn : waarom zou men immers de vrijheidsberoving verplicht maken wanneer de behandeling eveneens op ambulante wijze kan plaatsvinden ? Het is ook vandaag reeds mogelijk om onmiddellijk een invrijheidstelling op proef toe te kennen en de Commissies tot bescherming van de maatschappij doen dit ook regelmatig. Het behoud van de verplichte vrijheidsberoving riskeert bovendien een tekort aan gesloten capaciteit voor geïnterneerden te veroorzaken. Om dit mogelijk te maken, moet artikel 25 opgeheven worden. Om redenen van coherentie moet het ook mogelijk zijn om vanaf de eerste zitting een uitgaansvergunning of een verlof toe te kennen.
Artt. 16, 17 en 18
Deze artikelen beogen het hoofdstuk betreffende de eerste zitting van de strafuitvoeringsrechtbank volledig te hervormen. De actuele tekst voorziet immers dat de eerste zitting van de strafuitvoeringsrechtbank beperkt is tot een beslissing over de plaatsing van de geïnterneerde. De strafuitvoeringsrechtbank moet dus verplicht via een plaatsing passeren. Men moet in de praktijk echter vaststellen dat een plaatsing niet altijd de best geschikte optie is voor een geïnterneerde om tegemoet te komen aan de behandelingsadviezen die in het belang van de geïnterneerde werden geformuleerd.
Er is een duidelijke vraag van de praktijk om de mogelijkheden voor de strafuitvoeringsrechtbank op deze eerste zitting uit te breiden en hen niet verplicht via een plaatsing te laten passeren. Voorliggend wetsontwerp gaat in op deze terechte vraag en opteert aldus de eerste zitting open te trekken door de strafuitvoeringsrechtbank de mogelijkheid te geven alle mogelijke opties in overweging te nemen : plaatsing, al dan niet gecombineerd met een uitgaansvergunning, een verlof of een beperkte detentie, een elektronisch toezicht of een invrijheidstelling op proef. Op deze wijze kan de strafuitvoeringsrechtbank een beslissing nemen die het beste aansluit bij de noden en behoeften van de geïnterneerde.
Nadat de beslissing tot internering in kracht van gewijsde is getreden, moet het dossier ten laatste vier maanden erna voor de strafuitvoeringsrechtbank worden gebracht opdat deze zo snel als mogelijk kan beslissen over de wijze van uitvoering van internering.
Het wetsontwerp voorziet in het artikel 26, dat volledig wordt herschreven, een planning zodat het dossier binnen de vier maanden volledig is zodat de strafuitvoeringsrechtbank een beslissing kan nemen over de wijze van uitvoering van de interneringsbeslissing.
De wet van 21 april 2007 voorziet een termijn van twee maanden binnen dewelke de eerste zitting moet plaatsgrijpen. Voorliggend wetsontwerp verlengt deze termijn met twee maanden. Deze verlenging is het rechtstreeks gevolg van het opentrekken van de mogelijkheden waarover de strafuitvoeringsrechtbank in het nieuwe concept vanaf de eerste zitting beschikt. Deze opentrekking van de mogelijkheden, die vermijdt dat men verplicht via een plaatsing moet passeren alvorens over te kunnen gaan tot het toekennen van een uitvoeringsmodaliteit, is in het belang van de geïnterneerde, maar vergt een relatief korte meer-tijd teneinde het dossier in orde te brengen om dergelijke afweging op een weloverwogen manier mogelijk te maken in hoofde van de strafuitvoeringsrechtbank.
Het openbaar ministerie bij het gerecht dat de het in kracht van gewijsde getreden vonnis of arrest tot internering heeft genomen, speelt hierbij een sleutelrol. Binnen de maand moet het dossier worden overgezonden aan de strafuitvoeringsrechtbank, het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank en aan de directeur indien de geïnterneerde gedetineerd is. De samenstelling van dit dossier blijft ongewijzigd in vergelijking met de wet van 2007.
Het openbaar ministerie moet binnen de maand tevens de Dienst Justitiehuizen vatten en de namen van de gekende slachtoffers meedelen, opdat dit de slachtoffers onmiddellijk zou kunnen contacteren. Immers, ook zij zullen binnen dit korte tijdsbestek een beslissing moeten nemen over de vraag of zij al dan niet wensen te worden geïnformeerd en of gehoord over de uitvoeringsmodaliteiten van de internering en over de vraag of zij voorwaarden die in hun belang moeten worden opgelegd wensen te formuleren. Gelet op het korte tijdsbestek, vier maanden, dat er verloopt tussen de beslissing tot internering en de eerste verschijning voor de strafuitvoeringsrechtbank, kiest het wetsontwerp voor een actieve benadering van de slachtoffers in het kader van de internering. Deze actieve benadering van de gekende slachtoffers is ingegeven niet alleen om dit alles binnen de korte termijn mogelijk te maken, maar ook en vooral omwille van het feit dat juist door deze korte termijn tussen de uitspraak en de eerste verschijning voor de strafuitvoeringsrechtbank, het slachtoffer een onmiddellijke omkadering van het gebeuren zou kunnen worden geboden.
Indien de veroordeelde gedetineerd is, heeft de directeur twee maanden na de ontvangst van het dossier om een psycho-medisch verslag te bezorgen aan de strafuitvoeringsrechtbank en het openbaar ministerie. Dit verslag bevat een advies omtrent de aanwijzing van de inrichting waar de geïnterneerde het best geplaatst wordt en omtrent de toekenning of afwijzing van uitvoeringsmodaliteiten. Indien de plaatsing geadviseerd wordt in een inrichting die georganiseerd wordt door een privé-instelling, door een gemeenschap, gewest of lokale overheid, zal de Psychosociale dienst voorafgaandelijk met deze inrichting contact opnemen overeenkomstig de samenwerkingsafspraken die opgenomen zijn in de samenwerkingsovereenkomst.
Dit verslag wordt niet onmiddellijk meegedeeld aan de geïnterneerde. De geïnterneerd heeft inzage van dit verslag vier dagen voor de zitting van de strafuitvoeringsrechtbank, tenzij de voorzitter van de strafuitvoeringsrechtbank, op advies van de psychiater, de inzage van het dossier ontzegt omdat deze inzage een klaarblijkelijk nadeel voor de gezondheid van de geïnterneerde kan teweegbrengen, zoals bepaald in het laatste lid van paragraaf 6 van dit artikel.
Conform de uitspraak nr. 154/2008 van 6 november 2008 van het Grondwettelijk Hof, voorziet het wetsontwerp dat het psycho-medisch verslag van de directeur ook wordt overgemaakt aan de raadsman van de geïnterneerde.
Indien de geïnterneerde niet gedetineerd is, geeft het openbaar ministerie de Dienst Justitiehuizen de opdracht een maatschappelijk enquête uit te voeren. Indien nodig zal deze enquête een advies omvatten omtrent de aanwijzing van een inrichting die het meest geschikt is om de geschikte zorgen aan de geïnterneerde te bieden. Dit advies laat toe om de inlichtingen in te winnen bij de inrichting of de instelling die de geïnterneerde die niet gedetineerd is volgt wat betreft de mogelijkheden tot behandeling en voor de wat betreft de soorten van uitvoeringsmodaliteiten van de internering waartoe de inrichting of de instelling zich kan engageren.
Na de ontvangst van het psycho-medisch verslag van de directeur of de maatschappelijke enquête moet het openbaar ministerie binnen de maand haar advies geven. Dit advies moet met redenen omkleed zijn. Indien het openbaar ministerie een plaatsing noodzakelijk acht zal zij in haar advies de inrichting aanwijzen die zij geschikt meent om de gepaste zorgen te verstrekken. Het openbaar ministerie wordt tevens gevraagd te adviseren over de toekenning of afwijzingen van uitvoeringsmodaliteiten en in dien zij dat nodig acht over de bijzondere voorwaarden die er volgens haar aan moeten worden gekoppeld. De formulering van deze paragraaf houdt rekening met de wijzigingen aangebracht in de respectievelijke bepalingen van de wet van 17 mei 2006 door de wet van 17 maart 2013 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten.
De zaak moet worden behandeld op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechtbank die uiterlijk plaatsvindt binnen de vier maanden na het in kracht van gewijsde getreden zijn van de beslissing tot internering, Het ontwerp voorziet tevens de invoeging van de bepaling dat ingeval het openbaar ministerie haar advies niet tijdig geeft, zij dit schriftelijk moet uitbrengen voor of tijdens de zitting. Deze bepaling is ook voorzien in de artikelen 34 en 52 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten.
Het artikel voorziet verder dat het openbaar ministerie instaat voor het garanderen van een volledige samenstelling van het dossier, overeenkomstig de vorige bepalingen, dat ter inzage van de geïnterneerde en zijn raadsman wordt gehouden, die tevens een afschrift van dit dossier kunnen vragen.
Het wetsontwerp wijzigt aldus niet de krachtlijnen van het inzagerecht in het dossier van de geïnterneerde en het recht van de geïnterneerde om een afschrift van het dossier te vragen zoals voorzien in de wet van 2007, met uitzondering dan van de aanpassing van deze bepalingen aan het arrest nr. 154/2008 van 6 november 2008 van het Grondwettelijk Hof dat een aantal bepalingen van de wet van 21 april 2007 heeft vernietigd in zoverre deze niet voorzagen dat een afschrift van het dossier kan worden gevraagd en verkregen ook door de raadsman van de geïnterneerde.
Art. 19
Dit artikel voorziet dat ook de strafuitvoeringsrechtbank respectievelijk de Dienst Justitiehuizen of het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht de opdracht kan geven een maatschappelijke enquête of een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen indien zij meent meer informatie nodig te hebben om te kunnen beslissing over een uitvoeringsmodaliteit van de internering.
Art. 20
Artikel 28 betreft de zitting van de strafuitvoeringsrechtbank. Deze bepaling herneemt de krachtlijnen van de wet van 21 april 2007. Ten aanzien van de slachtoffers echter, voert de tekst een belangrijke nieuwe bepaling in die geënt is op de aanpassing van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten en tot wijziging van artikel 76 van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de positie van de slachtoffers in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten die wordt geviseerd door het wetsontwerp 53 2999 dat hangende is. Het betreft hier de bepaling inzake het slachtoffermoment.
Net zoals voor de zitting van de strafuitvoeringsrechtbank met betrekking tot het nemen van een beslissing over de strafuitvoeringsmodaliteiten van een veroordeelde, is het van belang om ook ten aanzien van de zitting van de strafuitvoeringsrechtbank wanneer deze een beslissing moet nemen over de uitvoeringsmodaliteiten van de internering, een slachtoffermoment te creëren op de zitting.
De creatie van een geëxpliciteerd slachtoffermoment op de zitting van de strafuitvoeringsrechtbank in het kader van de strafuitvoering werd ingegeven naar aanleiding van een aantal recente dossiers waarbij de vraag van de slachtoffers om toegang te krijgen tot het strafuitvoeringsdossier dwingender werd geformuleerd. Dit is een delicate zaak die met de nodige omzichtigheid en met respect naar alle betrokkenen toe in overweging moet worden genomen, daarbij ook rekening houdend met de opties van de wetgever in 2006, en van de wetgever in 2007 bij de wet van 21 april 2007 die vertrok van hetzelfde uitgangspunt. Tijdens de parlementaire besprekingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, is dit aspect ruimschoots bediscussieerd geworden. Het uitgangspunt van de wetgever was duidelijk : het slachtoffer is als dusdanig geen partij in het geding dat bij de strafuitvoeringsrechtbank aanhangig wordt gemaakt. De belangen van de samenleving en dus ook van het slachtoffer worden er vertegenwoordigd door het openbaar ministerie. Het slachtoffer echter moet wel de mogelijkheid en ruimte hebben om zijn kijk te geven op de zaak, wat de rechter kan helpen bij het nemen van de uiteindelijke beslissing. Het slachtoffer moet de mogelijkheid worden geboden om zijn ervaringen, verwerkingen, angsten en verwachtingen te kunnen voorleggen. Deze geven een inzicht in het waarom het slachtoffer vraagt bepaalde slachtoffergerichte voorwaarden op te leggen. De inzage in het dossier lijkt daar niet de beste weg toe. Net zoals het strafuitvoeringsdossier bevat ook het interneringsdossier vele elementen die betrekking hebben op de sociale reclassering van de veroordeelde, maar ook over de gezondheidstoestand en de behandeling van de geïnterneerde. Het is niet verkieslijk dat het slachtoffer daar inzage in zou hebben. Bovendien is het meer in lijn met het opzet van de wetgever in 2006, overgenomen in door de wetgever in 2007, dat het slachtoffer deze voorwaarden formuleert vanuit zijn eigen situatie, enkel rekening houdend met zijn eigen noden.
Het lijkt dan ook veel zinvoller om aan de verwachtingen van de slachtoffers tegemoet te komen door te voorzien in een specifiek debat voor de strafuitvoeringsrechtbank waarin de tijd wordt genomen om deze slachtoffergerichte voorwaarden aan bod te laten komen. Bovendien, in het kader van de uitvoering van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten werd vastgestelde dat de actuele bepaling aanleiding gaf tot divergente praktijken bij de verschillende strafuitvoeringsrechtbanken voor de aanwezigheid van het slachtoffer op de zitting. Immers, bepaalde strafuitvoeringsrechtbanken laten toe dat het slachtoffer de hele zitting bijwoont, andere laten het slachtoffer alleen toe om hen te horen over de slachtoffergerichte voorwaarden die zij vragen. Door deze bepaling in te schrijven in de wet van 21 april 2007 worden dergelijke divergente praktijken vermeden.
Voorliggende bepaling stelt aldus voor om op de zitting van de strafuitvoeringsrechtbank een moment te bepalen dat volledig gewijd is aan de slachtofferthematiek, waarbij het slachtoffer de mogelijkheid krijgt om de slachtoffergerichte voorwaarden die het vraagt toe te lichten en te kaderen in zijn ervaringen en verwerkingen. Tevens wordt voorgesteld dat het openbaar ministerie, en in voorkomend geval ook de directeur indien deze slachtoffergerichte voorwaarden in zijn advies heeft geformuleerd, op dit moment op de zitting, in aanwezigheid van het slachtoffer toelichting zullen geven bij het « waarom » van hun voorstel tot slachtoffergerichte voorwaarden. Hiertoe kan een echt debat ontstaan dat de strafuitvoeringsrechtbank toe laat om de slachtoffergerichte voorwaarden op een aangepaste en verfijnde manier te formuleren. Het slachtoffer is op de zitting aanwezig voor de tijd nodig voor deze bespreking.
Art. 21
Dit artikel bepaalt dat de zitting van de strafuitvoeringsrechtbank zal plaatsvinden met gesloten deuren en herneemt aldus het huidige artikel 36 van de wet van 21 april 2007.
Art. 22
Dit artikel herneemt het huidige artikel 29 van de wet van 21 april 2007
Art. 23
Dit artikel herneemt mutatis mutandis artikel 37 van de wet van 21 april 2007.
In § 1 wordt bepaald dat de strafuitvoeringsrechtbank een beslissing neemt binnen de veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
Gelet op het opentrekken van de mogelijkheden die aan de strafuitvoeringsrechtbank ter gelegenheid van de eerste zitting worden geboden, moet de paragraaf twee in die zin worden omschreven. De strafuitvoeringsrechtbank moet beslissen in welke inrichting de internering ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij ze beslist een elektronisch toezicht of een invrijheidstelling op proef op te leggen.
De paragraaf drie omvat dan, bij wege van verwijzing, de toepasselijke bepalingen waarmee de strafuitvoeringsrechtbank rekening moet houden wanneer zij een beslist tot plaatsing of tot toekenning van een uitvoeringsmodaliteit.
Indien de strafuitvoeringsrechtbank beslist tot plaatsing, zal zij meteen ook in de gelegenheid zijn een beslissing te nemen omtrent de al dan niet toekenning van een uitgaansvergunning, een verlof of een beperkte detentie. Deze mogelijkheid bestond niet in het oorspronkelijke opzet van de wet van 2007. Het lijkt echter niet opportuun de strafuitvoeringsrechtbank de mogelijkheid te ontzeggen deze uitvoeringsmodaliteiten reeds te laten toekennen op de eerste zitting indien zij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat dit in het belang van de geïnterneerde is. In het opzet van de wetgever van 2007 kon de directeur pas ten vroegste tien maanden en uiterlijk 12 maanden na de beslissing tot plaatsing een advies uitbrengen over de wenselijkheid om een uitgaansvergunning, een verlof of een invrijheidsstelling op proef toe te kennen.
Ingeval de strafuitvoeringsrechtbank bij een beslissing tot plaatsing op de eerste zitting ook beslist om reeds een uitgaansvergunning toe te kennen, is artikel 51 van toepassing en zal de strafuitvoeringsrechtbank aldus ook een beslissing nemen over de duur van de uitgaansvergunning en, in voorkomend geval, de periodiciteit ervan.
Ingeval de strafuitvoeringsrechtbank beslist een verlof toe te kennen, zal zij net zoals in het kader van het verder beheer van de internering zoals bepaald door artikel 52 van de wet, een beslissing nemen omtrent het aantal verlofdagen dat per maand wordt toegekend.
Net zoals voor de beslissing tot toekenning van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht op een later tijdstip dan de eerste zitting, zal de strafuitvoeringsrechtbank bij de toekenning ervan op de eerste zitting een beslissing nemen overeenkomstig artikel 53 van de wet.
En ingeval van een beslissing tot toekenning van een invrijheidsstelling op proef op de eerste zitting, zal het artikel 54 van toepassing zijn. De strafuitvoeringsrechtbank zal aldus de geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden bepalen waaraan de geïnterneerde onderworpen is gedurende een verlengbare termijn van minimum twee jaar en maximum vijf jaar.
Wanneer de geïnterneerde de veiligheidsmaatregel van internering ondergaat voor een van de in de artikelen 372 tot 378 van het Strafwetboek bedoelde feiten, of voor de in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek bedoelde feiten indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, kan de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig artikel 50 van de wet de voorwaarde opleggen van het volgen van een begeleiding of een behandeling bij een dienst die in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten gespecialiseerd is.
Tot slot bepaalt het artikel 30 dat de artikelen 48, 49 en 56 van toepassing zijn op hun beslissing. Deze artikelen betreffen de bepaling van de algemene voorwaarden waaraan de geïnterneerde is onderworpen bij toekenning van een uitvoeringsmodaliteit, de mogelijkheid tot bepaling van geïndividualiseerde voorwaarden en de kennisgeving van de beslissing.
Art. 24
Deze bepaling is nieuw en betreft de invoering van de veiligheidsmaatregel van het woonverbod die door de aanpassing van artikel 15 van deze wet ook mogelijk wordt gemaakt in het kader van de internering, net zoals artikel 4 van de wet van 14 december 2012 tot verbetering van de aanpak van seksueel misbruik en feiten van pedofilie binnen een gezagsrelatie dat dergelijke mogelijkheid inschrijft in artikel 382quater van het Strafwetboek voor wat veroordeelden betreft. De strafuitvoeringsrechtbank zal aldus ook een beslissing moeten nemen over de uitvoering van het woonverbod.
Art. 25
Dit artikel betreft de opheffing van de artikelen 32, 33, 34, 35, 36 en 37 van de wet. Door de hervorming van de eerste zitting van de strafuitvoeringsrechtbank tot een « volwaardige » zitting waardoor de strafuitvoeringsrechtbank over meer kan beslissen dan enkel een plaatsing, zijn deze artikelen overbodig geworden en kunnen ze aldus worden opgeheven.
Art. 26
Dit artikel beoogt een aanpassing van artikel 38 op drie punten.
Het eerste en derde punt van dit artikel betreft de verwijzing naar artikel 18, § 2, 3º, die moet worden vervangen door een verwijzing naar het artikel 18 in zijn totaliteit gelet op de aanpassing aan artikel 18 door het artikel 12 van het ontwerp waardoor alle uitgaansvergunningen met een zekere periodiciteit kunnen worden toegekend.
Tot slot beoogt dit artikel de termijn waarbinnen de directeur een advies kan uitbrengen over de toekenning van een uitvoeringsmodaliteit aan te passen. Een wachttermijn van één jaar voor geïnterneerden alvorens er opnieuw beslist kan worden over de toekenning van een uitvoeringsmodaliteit is lang in vergelijking met de huidige situatie zodat een herleiding van de termijn naar zes maanden gerechtvaardigd voorkomt, temeer dat dit een regelmatige evaluatie van de geestestoestand van de betrokkene beter mogelijk maakt.
Art. 27
Dit artikel beoogt de samenstelling van het dossier dat moet worden bezorgd aan de strafuitvoeringsrechtbank te herformuleren. Deze rapportage moet immers gebeuren zowel in federale als in niet federale instellingen en moet dus aangepast zijn aan de eigenheden van deze instellingen. Vandaar dat er voor wordt geopteerd om het dossier dat door de instelling wordt bezorgd te herleiden tot een psycho-medisch verslag en een gespecialiseerd advies. De overige stukken worden gevoegd door het openbaar ministerie.
Art. 28
Dit artikel vervangt het huidige artikel 40 teneinde het aan te passen aan de bewoordingen zoals deze werden ingevoegd door de wet van 17 maart 2013 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, aan de overeenkomstige bepalingen van de wet van 17 mei 2006. Deze aanpassing beoogt te komen tot een eenvormige afsluiting van het psycho-medisch verslag van de directeur en het advies van het openbaar ministerie.
Art. 29
Dit artikel betreft een technische aanpassing.
Art. 30
Dit artikel beoogt artikel 42, § 3, tweede lid, van de wet aan te passen aan het arrest arrest nr. 154/2008 van 6 november 2008 van het Grondwettelijk Hof dat een aantal bepalingen van de wet van 21 april 2007 dat deze bepaling heeft vernietigd in zoverre deze niet voorzagen dat een afschrift van het dossier kan worden gevraagd en verkregen ook door de raadsman van de geïnterneerde.
Art. 31
Deze bepaling betreft de invoeging van het « slachtoffermoment » op de zitting in artikel 43, derde lid, van de wet. Voor het overige wordt verwezen naar de toelichting gegeven onder artikel 20.
Art. 32
Dit artikel beoogt in artikel 46 van de wet de verwijzing naar artikel 18, § 2, 3º, te vervangen door een verwijzing naar het artikel 18 in zijn totaliteit gelet op de aanpassing aan artikel 18 door het artikel 12 van het amendement waardoor alle uitgaansvergunningen, ongeacht hun finaliteit, met een zekere periodiciteit kunnen worden toegekend.
Art. 33
Dit artikel beoogt artikel 47, tweede zin, van de wet aan te passen in functie van de nieuwe definitie die dit amendement geeft aan « inrichting » onder het punt 3. van artikel 3 van deze wet, waarnaar aldus wordt verwezen voor verdere toelichting.
Art. 34
Dit artikel beoogt in artikel 48 van de wet de verwijzing naar artikel 18, § 2, 3º, te vervangen door een verwijzing naar het artikel 18 in zijn totaliteit gelet op de aanpassing aan artikel 18 door het artikel 12 van het amendement waardoor alle uitgaansvergunningen, ongeacht hun finaliteit, met een zekere periodiciteit kunnen worden toegekend.
Art. 35
Artikel 50, tweede lid, wordt opgeheven.
Art. 36
Deze bepaling is nieuw en betreft de invoering van de veiligheidsmaatregel van het woonverbod die door de aanpassing van artikel 15 van deze wet ook mogelijk wordt gemaakt in het kader van de internering. Net zoals artikel 4 van de wet van 14 december 2012 tot verbetering van de aanpak van seksueel misbruik en feiten van pedofilie binnen een gezagsrelatie dat dergelijke mogelijkheid inschrijft in artikel 382quater van het Strafwetboek voor wat veroordeelden betreft. De strafuitvoeringsrechtbank zal aldus ook een beslissing moeten nemen over de uitvoering van het woonverbod.
Art. 37
Dit artikel brengt twee wijzigingen aan in artikel 51. De eerste wijziging betreft de schrapping van het woord « bedoelde » dat overbodig is geworden gelet op de nieuwe definitie van « inrichting » die in dit ontwerp wordt gegeven.
De tweede wijziging betreft de wijziging van de uitgaansvergunningen die allen periodiek kunnen worden toegekend, ongeacht de finaliteit.
Art. 38
Dit artikel beoogt vooreerst artikel 53, § 4, vierde lid, van de wet aan te passen aan het arrest nr. 154/2008 van 6 november 2008 van het Grondwettelijk Hof dat een aantal bepalingen van de wet van 21 april 2007 dat deze bepaling heeft vernietigd in zoverre deze niet voorzagen dat een afschrift van het dossier kan worden gevraagd en verkregen ook door de raadsman van de geïnterneerde.
De tweede wijziging betreft de invoeging van het « slachtoffermoment » op de zitting in de § 5, derde lid van dit artikel. Voor het overige wordt verwezen naar de toelichting gegeven onder artikel 20.
Art. 39
Dit artikel beoogt de strafuitvoeringsrechtbank meer flexibiliteit te bieden in het bepalen van de proeftermijn ingeval ze beslist tot een invrijheidsstelling op proef.
De artikelen 72 en volgenden bepalen immers dat voorafgaand aan het verstrijken van de proeftermijn telkens een beslissing genomen dient te worden omtrent de al dan niet definitieve invrijheidstelling, na het laten uitvoeren van een nieuw psychiatrisch deskundigenonderzoek. De regering onderschrijft de opmerking van het college van procureurs-generaal dat een proeftermijn van twee jaar, na dewelke steeds een expertise dient te gebeuren om uitspraak te kunnen doen over de verlenging van de proeftermijn, te kort is.
De strafuitvoeringsrechtbank is het best geplaatst om, binnen de grenzen die de wet bepaalt, op basis van het individuele dossier de proeftermijn te plaatsen.
Art. 40
Dit artikel beoogt de opheffing van de minimumtermijn van zes maand alvorens de directeur een nieuw advies moet uitbrengen ingeval de strafuitvoeringsrechtbank de invrijheidsstelling op proef niet toekent.
Deze opheffing van de minimumtermijn moet de strafuitvoeringsrechtbank toelaten om rekening houdend met de noodwendigheden van het dossier de meest aangepaste termijn te bepalen waarop het dossier opnieuw onderzocht moet worden.
Art. 41
Dit artikel beoogt de tekst van artikel 56, § 1 eerste lid aan te passen overeenkomstig de aanpassing van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten en tot wijziging van artikel 76 van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de positie van de slachtoffers in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten die wordt geviseerd door het wetsontwerp 53 2999/001, wat betreft de snelle communicatie van de beslissing aan het slachtoffer.
De voorliggende bepaling voorziet dat het slachtoffer schriftelijk op de hoogte gebracht wordt via gewone brief. Uit de praktijk van de toepassing van de wet van 17 mei 2006 blijkt echter dat dergelijke bepaling problematisch kan zijn. Een brief kan er soms een paar dagen over doen vooraleer hij het slachtoffer effectief bereikt, vb. omwille van een weekend, zodat het in het kader van de strafuitvoering voorkwam dat het slachtoffer de gedetineerde vaak al ontmoette nog voordat de brief hem bereikte of dat het slachtoffer via de media op de hoogte werd gebracht van de vrijlating. Om dit te vermijden moet de bepaling worden aangepast zodat het slachtoffer zo snel als mogelijk op de hoogte wordt gebracht en in elk geval binnen vierentwintig uur via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, zoals bijvoorbeeld mail, fax of eventueel brief.
Art. 42
Dit artikel beoogt artikel 58 van de wet op twee punten aan te passen.
Vooreerst wordt een verduidelijking ingevoegd opdat het artikel ook de hypothese zou omvatten ingeval er zich een situatie voordoet die onverenigbaar is met de strafuitvoeringsmodaliteit zelf die werd toegekend. In zijn huidige lezing is dit artikel beperkt tot de hypothese dat zich een situatie voordoet die onverenigbaar is met de voorwaarden die in de toekenning van de uitvoeringsmodaliteit werden bepaald.
Op de tweede plaats beoogt dit artikel de § 3, tweede lid, aan te passen aan het arrest arrest nr. 154/2008 van 6 november 2008 van het Grondwettelijk Hof dat een aantal bepalingen van de wet van 21 april 2007 dat deze bepaling heeft vernietigd in zoverre deze niet voorzagen dat een afschrift van het dossier kan worden gevraagd en verkregen ook door de raadsman van de geïnterneerde.
Tot slot wordt ook hier het « slachtoffermoment » op de zitting ingevoegd in de vierde paragraaf van dit artikel. Voor het overige wordt verwezen naar de toelichting hierover gegeven onder artikel 20.
Art. 43
Artikel 59 van de wet betreft de overplaatsing van geïnterneerden omwille van dringende redenen..
Het wordt aangewezen geacht om deze beslissing toe te vertrouwen aan de voltallige strafuitvoeringsrechtbank, waarbij tevens gesteund kan worden op de specifieke expertise van de assessoren. Proceseconomisch is het bovendien rationeler om deze beslissingen onmiddellijk toe te vertrouwen aan de strafuitvoeringsrechtbank dan wel eerst de strafuitvoeringsrechter een beslissing te laten nemen, die dan nadien bevestigd moet worden door de strafuitvoeringsrechtbank
Art. 44
Aangezien enkel de inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij ressorteren onder de bevoegdheid van de minister van justitie, wordt dit artikel in deze zin herzien.
Art. 45
In artikel 61 wordt vooreerst de beslissing tot toekenning van de uitgaansvergunning wegens dringende redenen toegekend aan de strafuitvoeringsrechtbank in plaats van aan de strafuitvoeringsrechter. Deze wijziging hangt samen met de wijziging voorgesteld in artikel 59 om de beslissing tot overplaatsing te laten nemen door de strafuitvoeringsrechtbank. Het is dan ook coherent dat de beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning wordt toegekend aan de strafuitvoeringsrechtbank. Gelet op de wijzingen aangebracht in artikel 18 van de wet inzake de periodiciteit van de uitgaansvergunningen moet dit artikel verwijzen naar artikel 18 in zijn geheel. Tevens wordt ingevoegd dat deze beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank onmiddellijk uitvoerbaar is.
Art. 46
Dit artikel beoogt de aanpassing van het opschrift wat betreft de verwijzing naar de periodieke uitgaansvergunning die gelet op de wijziging aan artikel 18 van de wet zal kunnen worden toegekend ongeacht de finaliteit waarmee de uitgaansvergunning wordt toegekend. Er moet dan ook naar artikel 18 in zijn totaliteit worden verwezen.
Art. 47
Dit artikel beoogt artikel 64 van de wet op verschillende punten aan te passen.
Vooreerst moet in § 1 de verwijzing naar artikel 18, § 2, 3º, worden vervangen door een verwijzing naar het artikel 18 in zijn totaliteit gelet op de aanpassing aan artikel 18 door het artikel 12 van dit amendement waardoor alle uitgaansvergunningen met een zekere periodiciteit kunnen worden toegekend.
Vervolgens, in punt 2 wordt bepaald dat de bepalingen inzake opvolging en controle ook gelden voor de beperkte detentie.
Het punt 3 van dit artikel herformuleert de rapporteringsverplichting van de directeur ten aanzien van de strafuitvoeringsrechtbank. De directeur meldt de niet naleving van de voorwaarden van de met een bepaalde periodiciteit toegekende uitgaansvergunning of verlof aan de strafuitvoeringsrechtbank wanneer hij dit nuttig acht.
Art. 48
Dit artikel wijzigt het opschrift van de afdeling IV. De verwijzing naar het artikel betreffende de plaatsing moet worden geschrapt en de verwijzing naar de uitgaansvergunningen moet betrekking hebben op alle uitgaansvergunningen gelet op het feit dat dit ontwerp voorziet dat allen, ongeacht hun finaliteit met een zekere periodiciteit kunnen worden toegekend.
Art. 49
Dit artikel beoogt artikel 65 van de wet op twee punten te wijzigen overeenkomstig de aanpassingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten en tot wijziging van artikel 76 van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de positie van de slachtoffers in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten die worden geviseerd door het wetsontwerp 53 2999.
De eerste wijziging betreft de invoeging van het slachtoffermoment op de zitting van de strafuitvoeringsrechtbank zoals bepaald in de § 3 van dit artikel. Wat betreft het slachtoffermoment wordt verder verwezen naar de toelichting hierover gegeven onder artikel 20.
De tweede wijziging betreft de snelle mededeling van de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank aan het slachtoffer. Wat betreft deze snelle mededeling wordt verwezen naar de toelichting hierover gegeven onder artikel 41.
Art. 50
Dit artikel voegt in artikel 66 van de wet een nieuw punt 7º in opdat de niet naleving door de geïnterneerde van het programma van de concrete invulling van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht, zoals bepaald overeenkomstig artikel 53, § 2, van de wet een reden kan zijn voor het openbaar ministerie om de zaak aanhangig te maken bij de strafuitvoeringsrechtbank met het oog op herroeping. Dergelijke bepaling werd ook ingevoerd in de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten.
Art. 51
Dit artikel beoogt de strafuitvoeringsrechtbank de mogelijkheid te geven om wanneer zij beslist een uitvoeringsmodaliteit te schorsen, zij tevens kan beslissen een uitgaansvergunning of een verlof toe te kennen voor de periode van de schorsing. Het toekennen van een uitgaansvergunning of een verlof dient de geïnterneerde in staat te stellen de nodige stappen te ondernemen (bijvoorbeeld zoektocht naar een andere verblijfplaats, opleidingscentrum) zodat de toegekende doch geschorste modaliteit na de schorsing kan worden voortgezet.
Art. 52
Dit artikel beoogt artikel 70 van de wet op twee punten te wijzigen overeenkomstig de aanpassingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten en tot wijziging van artikel 76 van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de positie van de slachtoffers in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten die worden geviseerd door het wetsontwerp zoals vervat in het parlementaire stuk DOC 53 2999.
De eerste wijziging betreft de invoeging van het slachtoffermoment op de zitting van de strafuitvoeringsrechtbank zoals bepaald in de § 3 van dit artikel. Wat betreft het slachtoffermoment wordt verder verwezen naar de toelichting hierover gegeven onder artikel 20.
De tweede wijziging betreft de snelle mededeling van de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank aan het slachtoffer. Wat betreft deze snelle mededeling wordt verwezen naar de toelichting hierover gegeven onder artikel 41.
Art. 53
Dit artikel beoogt artikel 71 van de wet aan te passen opdat ook het openbaar ministerie van de strafuitvoeringsrechtbank zelf moet kunnen overgaan tot een voorlopige aanhouding wanneer zij dit noodzakelijk achten. Deze mogelijkheid is nu beperkt tot de procureur des Konings van de rechtbank van het rechtsgebied waar de geïnterneerde zich bevindt. Eenzelfde aanpassing gebeurde ook in het artikel 71 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten door de wet van 27 december 2012 tot wijziging van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het kader van de strafuitvoeringsmodaliteiten en van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
Art. 54
Dit artikel beoogt een oplossing te bieden voor de problematiek van geïnterneerden zonder geldige verblijfstitel.
De gemeenrechtelijke regels inzake de invrijheidsstelling op proef kunnen niet in hun totaliteit worden toegepast op geïnterneerden zonder geldige verblijfstitel. Het is niet mogelijk de regel omtrent de al dan niet toekenning van de definitieve invrijheidsstelling onverkort toe te passen op geïnterneerden die verwijderd zijn uit het land. Vandaar dat het ontwerp opteert om, voor zover zij niet teruggekeerd zijn naar België, de definitieve invrijheidsstelling toe te kennen van rechtswege na een termijn van vijf jaar. Ingeval van terugkeer naar België voor de definitieve invrijheidsstelling, kan het openbaar ministerie het dossier opnieuw aanhangig kan maken bij de strafuitvoeringsrechtbank met het oog op een beslissing inzake herroeping, schorsing of herziening van de voorwaarden.
Art. 55
Dit artikel beoogt een aantal aanpassingen door te voeren in artikel 73 van de wet dat de definitieve invrijheidsstelling van de geïnterneerde betreft.
Het punt 1 betreft een technische wijziging teneinde de huidige tekst van het artikel de eerste paragraaf te laten vormen.
De volgende punten passen vervolgens de procedure aan om deze efficiënter en met inbreng van alle actoren te laten verlopen.
Zo voorziet de huidige tekst dat de strafuitvoeringsrechtbank de opdracht moet geven een nieuw psychiatrisch onderzoek uit te voeren één maand voor het einde van de proeftermijn waaraan de geïnterneerde is onderworpen. Voorliggend ontwerp voorziet dat de opdracht daartoe wordt gegeven door het openbaar ministerie en dit vier maanden voor het einde van de proeftermijn. Deze anticipatie laat toe dat er meer ruimte is om het onderzoek grondiger te voeren. Vervolgens voorziet voorliggend ontwerp ook een inbreng van de Dienst Justitiehuizen die de betrokkene doorheen de proeftermijn hebben begeleid. Vier maanden voor het einde van de proeftermijn maken zij een syntheseverslag hiervan op. Tot slot geeft ook het openbaar ministerie zijn advies.
De laatste wijziging die wordt voorgesteld, betreft de aanpassing van de tekst aan het arrest nr. 154/2008 van 6 november 2008 van het Grondwettelijk Hof dat een aantal bepalingen van de wet van 21 april 2007 dat deze bepaling heeft vernietigd in zoverre deze niet voorzagen dat een afschrift van het dossier kan worden gevraagd en verkregen ook door de raadsman van de geïnterneerde.
Art. 56
Deze bepaling beoogt het artikel 79 van de wet te herschrijven teneinde de strafuitvoeringsrechtbank meer flexibiliteit te geven in het bepalen van de nieuwe proeftermijn indien zij beslist om niet tot een definitieve invrijheidsstelling over te gaan. De huidige tekst van de bepaling voorziet dat deze termijn maximum twee jaar mag zijn, hernieuwbaar. Het ontwerp stelt voor deze beslissing aan de strafuitvoeringsrechtbank over te laten met een hernieuwbare termijn van minimum twee jaar en maximum vijf jaar. Deze ruimte laat de strafuitvoeringsrechtbank toe haar beslissing zoveel als mogelijk aan te passen aan de concrete omstandigheden van de zaak. Tevens wordt voorzien dat de strafuitvoeringsrechtbank ook de mogelijkheid krijgt om de voorwaarden aan te passen wanneer zij dit nodig acht, echter zonder ze te kunnen verstrengen.
Art. 57
Dit artikel beoogt de tekst van artikel 81, § 1, tweede lid aan te passen overeenkomstig de aanpassing van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten en tot wijziging van artikel 76 van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de positie van de slachtoffers in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten die wordt geviseerd door het wetsontwerp zoals vervat in het parlementaire stuk DOC 53 2999 wat betreft de snelle communicatie van de beslissing aan het slachtoffer. Voor de verdere toelichting wordt verwezen naar de toelichting gegeven onder artikel 41.
Art. 58
Deze bepaling beoogt de opheffing van de Titel V van de wet betreffende de internering van veroordeelden. De wet geeft aan de strafuitvoeringsrechtbank de bevoegdheid om veroordeelden bij wie tijdens de hechtenis door de psychiater een geestesstoornis wordt vastgesteld die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden teniet doet of ernstig aantast én ten aanzien van wie het gevaar bestaat dat hij ten gevolge van zijn geestesstoornis opnieuw misdrijven zal plegen, op advies van de directeur, te interneren. Indien de veroordeelde geïnterneerd wordt, wordt deze geplaatst in een door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij (Merksplas, Turnhout, Brugge of Paifve). De strafuitvoeringsrechtbank zou dan aan deze geïnterneerde veroordeelden uitgaansmodalieiten toekennen overeenkomstig de wet internering en voor zover tevens voldaan is aan de tijdsvoorwaarden bepaald in de wet externe rechtspositie. Indien voor het verstrijken van de straf de geestesstoornis voldoende verbeterd is, wordt de internering opgeheven en keert de betrokkene terug naar de gevangenis. Indien de internering niet wordt opgeheven en bij einde straf blijkt dat de geïnterneerde-veroordeelde ten gevolge van zijn geestesstoornis een ernstige bedreiging vormt voor andermans leven of integriteit voorziet de wet dat het openbaar ministerie aan de vrederechter de toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke vraagt.
Deze regelgeving werd door de wetgever in 2007 voorzien op advies van de toenmalige commissie Internering, die hevige kritiek formuleerde op de huidige procedure van internering van veroordeelden, het artikel 21 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten. Deze kritiek had betrekking op het statuut van de geïnterneerde veroordeelde, voor dewelke geen invrijheidstelling op proef mogelijk zolang de straf niet verstreken is, als op het feit dat de internering van de veroordeelde zich in de tijd verder kan uitstrekken dan de duur van de straf indien voor strafeinde geen einde wordt gemaakt aan de internering.
Hoewel het systeem dat de wet van 2007 voorziet een vooruitgang betekende ten aanzien van de huidig geldende regeling, kunnen er toch belangrijke kanttekeneningen bij worden geplaatst.
Vooreerst is er de vraag naar de werkelijke meerwaarde van de procedure voorzien in de wet van 2007 waarbij een tussenkomst van de strafuitvoeringsrechtbank wordt genoodzaakt om veroordeelden met een geestesstoornis te interneren en hen vervolgens in een federale inrichting te plaatsen. Is deze tussenkomst werkelijk noodzakelijk om deze personen tijdelijk te plaatsen in een inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij ?
Uit een nazicht van de situatie van veroordeelden met psychiatrische stoornissen in de ons omringende landen blijkt dat, wanneer psychiatrische stoornissen worden vastgesteld bij veroordeelde gedetineerden, nergens wordt overgegaan tot de internering van veroordeelden, maar dat gefocust wordt op de behandeling van de veroordeelden hetzij binnen de penitentiaire sector, hetzij binnen de reguliere gezondheidszorg.
Voorliggend wetsontwerp heeft dan ook tot doel om dergelijke benadering in België in te voeren. Veroordeelden die tijdens de detentie komen te lijden aan een psychiatrische stoornis moeten hiervoor worden verzorgd, net zoals ze verzorgd dienen te worden voor fysieke problemen. Dit betreft een zuiver medische aangelegenheid, waarvoor de rechterlijke macht niet dient tussen te komen en voor dewelke de tussenstap van internering een overbodige stap is.
Vandaar dat wordt voorgesteld Hoofdstuk V op te heffen. Veroordeelden die tijdens de detentie komen te lijden aan een ernstige geestesstoornis, dienen hiervoor behandeld te worden. Dit kan onder meer gebeuren in een psychiatrische afdeling van een gevangenis, een inrichting of afdeling bescherming maatschappij, een penitentiaire psychiatrische ziekenhuisafdeling (bijvoorbeeld de toekomstige gevangenis van Haren zal over een psychiatrische eenheid beschikken die ondermeer 24 bedden intensieve psychiatrie zal tellen).
Aangezien deze personen niet meer het voorwerp uitmaken van een internering maar onder het statuut van veroordeelde blijven, blijft ook de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten van toepassing op hen. Zo zal de veroordeelde een voorwaardelijke invrijheidsstelling kunnen vragen, waaraan dan bijvoorbeeld een residentiële of ambulante begeleiding kan worden gekoppeld.
Indien bij strafeinde blijkt dat de veroordeelde ten gevolge van zijn geestesstoornis een ernstige bedreiging vormt voor andermans leven of integriteit, meldt de directeur dit aan de procureur des Konings, die aan de vrederechter de toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke kan vragen. Op dit punt sluit de door het ontwerp voorgestelde regeling aan bij de regeling zoals voorzien door de wet van 2007, zonder echter de tussenstap van een interneringsbeslissing door de strafuitvoeringsrechtbank te voorzien.
Op 1 januari 2013 telde de databank SIDIS 54 geïnterneerde veroordeelden, waarvan 25 veroordeelden wier straf nog niet verstreken is.
Ten aanzien van deze personen moet dan ook een overgangsregeling worden uitgewerkt. Deze overgangsregeling is voorzien in de artikelen 82 van dit amendement.
Art. 59
Dit artikel beoogt het artikel 114 van de wet te verfijnen. Dit artikel regelt het statuut van personen die tegelijkertijd het voorwerp uitmaken van de uitvoering van een vrijheidsstraf en de uitvoering van een interneringsmaatregel. Het is belangrijk dat slechts één instantie bevoegd is voor personen die dergelijk dubbel statuut hebben.
Het ontwerp voorziet dat deze persoon geplaatst wordt in een federale instelling die door de strafuitvoeringsrechtbank wordt aangewezen.
Verder wordt bepaald dat het statuut van deze personen wordt geregeld overeenkomstig de bepalingen van deze wet, met twee uitzonderingen. Aangezien deze persoon zowel een vrijheidsstraf als een interneringsmaatregel ondergaat, is het gepast te bepalen dat de persoon pas van de uitvoeringsmodaliteiten van deze wet kan genieten, als hij voldoet aan de tijdsvoorwaarden die op hem van toepassing zijn overeenkomstig de relevante bepalingen, de artikelen 4, § 3, 7, 23, § 1, 25 en 26, van de wet van 17 mei 2006 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten.
Ook voor wat de proeftermijn betreft dewelke de strafuitvoeringsrechtbank moet bepalen in geval ze deze persoon een invrijheidsstelling op proef toekent, wordt teruggegrepen naar de termijn zoals deze bepaald is in artikel 71 van de wet van 17 mei 2006 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten. Indien een invrijheidstelling op proef wordt toegekend, kan de proeftermijn niet korter zijn dan deze die voorzien is in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
Art. 60
Dit artikel beoogt het opschrift van Titel VII te veranderen gelet op de invoeging door dit wetsontwerp van bepalingen inzake het verzet tegen vonnissen tot herroeping die bij verstek zijn gewezen. Hierdoor worden de rechtsmiddelen uitgebreider dan enkel het cassatieberoep zoals voorzien door de wet van 2007.
Art. 61
Dit artikel betreft de invoeging van een nieuw hoofdstuk in de Titel VII dat de bepalingen omzat inzake het verzet tegen een vonnis tot herroeping bij verstek gewezen.
Het wetsontwerp opteert voor de invoeging van deze bepalingen volgend op het arrest nr. 37/2009 van 4 maart 2009 van het Grondwettelijk Hof inzake het ontbreken van dergelijke bepalingen in de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten. Het Grondwettelijk Hof antwoordt hierin op een prejudiciële vraag dat artikel 96 van de voornoemde wet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het de veroordeelde die niet is verschenen, niet toestaat verzet aan te tekenen tegen de beslissing van de strafuitvoeringsrechter of van de strafuitvoeringsrechtbank, met betrekking tot de herroeping van een uitvoeringsmodaliteit van zijn straf.
Aangezien de bepalingen van de wet van 2007 op de bepalingen van de wet van 17 mei 2006 geënt zijn, lijkt het gepast deze in de zin van de rechtspraak van het Grondwettelijk aan te passen.
Art. 62
Dit artikel voegt een nieuw artikel 114/1 in betreffende de verzetsprocedure inzake de vonnissen tot herroeping van een uitvoeringsmodaliteit van de internering die bij verstek gewezen zijn. De bewoordingen van artikel 114/1 zijn geënt op de gemeenrechtelijke procedure zoals bepaald in artikel 187 van het Wetboek van strafvordering.
Art. 63
Dit artikel herneemt mutatis mutandis de bepaling van artikel 188 van het Wetboek van strafvordering.
Art. 64
Volgend op de herschikking van de structuur van de Titel VII door de invoering van een verzetsprocedure tegen een vonnis tot herroeping bij verstek gewezen, brengt dit artikel de bepalingen inzake het cassatieberoep onder één hoofdstuk samen te brengen.
Art. 65
Dit artikel betreft een technische wijziging door de herschikking van de structuur.
Art. 66
Dit artikel beoogt de termijn waarbinnen de raadsman van de geïnterneerde cassatieberoep kan instellen te veranderen van vijftien dagen naar vijf dagen. De oorspronkelijke tekst van artikel 116, § 1, tweede lid, die voorzag een termijn van vierentwintig uur voorzag, werd vernietigd bij het arrest nr. 154/2008 van het Grondwettelijk Hof. De wet van 21 januari 2009 wijzigde hierop deze termijn naar vijftien dagen. Het cassatieberoep tegen de toekenning van een uitvoeringsmodaliteit heeft echter schorsende kracht zodat de geïnterneerde opgesloten dient te blijven tot het verstrijken van de cassatietermijn. De termijn van vijftien dagen staat niet in verhouding met de finaliteit die met de aanpassing in 2009 werd nagestreefd, met name het garanderen van de uitoefening van de rechten van verdediging. Een termijn van vijf dagen komt voor als een goed evenwicht tussen enerzijds de situatie van vrijheidsberoving en anderzijds de bescherming van de rechten van verdediging.
Art. 67
Dit artikel beoogt de criteria voor de toekenning van een vergoeding aan niet-federale instellingen die geïnterneerden opvangen onder de vorm van een plaatsing te wijzigen In de plaats van de categorieën van geïnterneerden te definiëren waaronder een subsidie kan worden toegekend, wordt er voor geopteerd om de inrichtingen die geïnterneerden opnemen, ingevolge een beslissing tot plaatsing van de strafuitvoeringsrechtbank, te vergoeden voor de bijkomende administratieve werklast die een dergelijke plaatsing met zich meebrengt (bijvoorbeeld de rapportage naar de strafuitvoeringrechtbank).
Art. 68
Dit artikel herneemt artikel 27 van de wet bescherming maatschappij en heeft een tweeledige bedoeling :
- geïnterneerden die over financiële middelen beschikken, dienen zelf in te staan voor de kosten van levensonderhoud;
- ingeval van onvermogen betaalt de overheid die kosten waarvan bij koninklijk besluit werd bepaald dat ze door de overheid gedragen zullen worden.
Actueel betaalt Justitie zowel voor de vermogende als de onvermogende geïnterneerden. De kosten die door de instellingen gefactureerd worden zijn zeer uiteenlopend. Het is belangrijk om dit te harmoniseren
Art. 69
Volgend op de aanbevelingen van de werkgroep internering bij het College van Procureurs generaal, heft dit ontwerp het artikel 123 van de wet op. Dit artikel introduceerde de terminologie inzake de definiëring van internering, en meer bepaald de notie « geestesstoornis » in plaats van « krankzinnigheid », in artikel 71 van het Strafwetboek betreffende de « onweerstaanbare dwang ». Terecht werd opgemerkt dat door deze aanpassing het toepassingsgebied van artikel 71 sterk zou worden uitgebreid.
Art. 70
Dit artikel beoogt de verwijzing in artikel 592, 2º, van het Strafwetboek naar de huidig geldend regeling aan te passen naar de wet van 2007.
Art. 71
Dit artikel beoogt een wijziging van artikel 126 van de wet dat artikel 76, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek wijzigt dat betrekking heeft op de plaats waar de strafuitvoeringsrechtbanken zetelen.
In het eerste lid wordt de terminologie aangepast aan de nieuwe definitie van het begrip inrichting. Bedoeling is dat de strafuitvoeringsrechtbanken kunnen zetelen in alle inrichtingen, zowel federale als niet-federale, waar geïnterneerden verblijven.
In het tweede lid worden de principes inzake de plaats waar de strafuitvoeringsrechtbanken moeten zetelen in het kader van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten doorgetrokken naar de voorliggende wet. Ingeval de geïnterneerden verblijven in een inrichting zoals omschreven door artikel 3, eerste lid, tweede en derde streepje — dit betreft psychiatrische afdelingen van een gevangenis, de door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij en de forensische psychiatrische centra — dan zullen de strafuitvoeringsrechtbanken daar zetelen, behoudens wat betreft hun uitspraken. Ingeval de geïnterneerde verblijft in een inrichting zoals omschreven door artikel 3, eerste lid, vierde streepje van deze wet — dit betreft de door de overheid erkende inrichtingen georganiseerd door een privé-instelling, een gemeenschap, gewest of lokale overheid en die een samenwerkingsovereenkomst heeft afgesloten met de minister van Justitie — kunnen zij zetelen in de inrichting of in de gerechtsgebouwen. Immers, deze inrichtingen zullen misschien niet altijd de infrastructuur ter beschikking hebben om dergelijke zitting te kunnen laten plaatsgrijpen.
Wanneer geïnterneerden verblijven in niet-federale inrichtingen wordt de keuze van de plaats van de zitting overgelaten aan de strafuitvoeringsrechtbank. Gelet op het feit dat geïnterneerden zeer verspreid kunnen zijn over diverse zorginstellingen in het land, is het, que tijdsinvestering die degelijke verplaatsingen met zich mee zouden brengen, niet haalbaar om de zittingen van de strafuitvoeringsrechtbank met het oog op de behandeling van het dossier altijd in deze instellingen te laten plaatsvinden.
Het spreekt voor zich dat de strafuitvoeringsrechtbank bij de keuze van de plaats waar de zitting zal plaatsvinden wel rekening houdt met het vermogen van elke individuele geïnterneerde om met verplaatsingen om te gaan.
Art. 72
Dit artikel wordt opgeheven nu de wet, ingevolge de wijziging van de artikelen 59 en 61, niet langer beslissingen toevertrouwt aan de alleenzetelende rechter.
Art. 73
Dit artikel wijzigt artikel 635 van het Gerechtelijk Wetboek dat betrekking heeft op de territoriale bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechtbank. Deze wijziging komt tegemoet aan een lacune in de wet, met name de situatie van de geïnterneerde ten aanzien wie meerdere beslissingen tot internering bestaan. In dat geval wordt de bevoegdheid bepaald door de oudste interneringsbeslissing die nog actief is.
Art. 74
Dit artikel vervangt artikel 131 dat in zijn huidige bewoordingen geen zin meer heeft door de inwerkingtreding op 1 januari 2012 van de wet van 26 april 2007 betreffende de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank. Het nieuwe artikel 131 vervangt een verwijzing naar de huidige geldende wetgeving door een verwijzing naar de wet van 21 april 2007 in de wet van 19 december 1939 inzake de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders.
Art. 75
Verschillende actoren merkten op dat hoewel de wet in artikel 9 wel een mogelijkheid tot « onmiddellijke opsluiting » voorziet geënt op de onmiddellijke aanhouding in het kader van de reguliere procedure, de wet geen mogelijkheid voorziet dat de geïnterneerde een verzoek tot invrijheidsstelling kan indienen zoals dit echter wel voorzien is in artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis. De voorliggende bepaling voegt dan ook deze mogelijkheid in ten aanzien van de geïnterneerde. Hiertoe wordt het artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende voorlopige hechtenis aangepast.
Art. 76
Gelet op de opheffing van Titel V door artikel door artikel 58 van dit amendement, moet deze afdeling worden geschrapt.
Art. 77
Gelet op het feit dat voorliggend wetsontwerp voorziet dat alle uitgaansvergunningen, ongeacht de finaliteit waarmee ze worden toegekend, met een zekere periodiciteit kunnen worden toegepast, moet de verwijzing in artikel 19 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt dienovereenkomstig worden aangepast, aangezien het toezicht van de politiediensten was voorbehouden voor de uitgaansvergunningen toegekend met periodiciteit.
Art. 78
Deze nieuwe afdeling die wordt ingevoegd beoogt een verwijzing naar de huidige geldende wetgeving te vervangen door een verwijzing naar de wet van 21 april 2007 en dit in de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994.
Art. 79
Deze nieuwe afdeling die wordt ingevoegd beoogt een verwijzing naar de huidige geldende wetgeving te vervangen door een verwijzing naar de wet van 21 april 2007 en dit in de wet van 10 april 2003 tot regeling van de rechtspleging voor de militaire rechtscolleges en tot aanpassing van verscheidene wettelijke bepalingen naar aanleiding van de afschaffing van de militaire rechtscolleges in vredestijd.
Art. 80
Dit artikel beoogt de opheffing van artikel 149 van deze wet. Deze wijziging aan artikel 41 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten werd reeds ingevoerd door de wet van 27 december 2006.
Art. 81
Deze nieuwe afdeling die wordt ingevoegd beoogt een verwijzing naar de huidige geldende wetgeving te vervangen door een verwijzing naar de wet van 21 april 2007 en dit in de Programmawet (II) van 27 december 2006 wat betreft de bepaling inzake de gerechtskosten.
Art. 82
Dit artikel beoogt artikel 155 van de wet, dat betrekking heeft op de overgangsbepalingen, aan te passen gelet op de wijzigingen aangebracht door de voorliggende tekst. Zo wordt de overgangsregeling aangepast wat betreft de veroordeelden die door de minister van Justitie overeenkomstig artikel 21 van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten zijn geïnterneerd aan de door deze voorgestelde nieuwe regeling. Er wordt een overgangsmaatregel voorzien voor de zaken ten aanzien van dewelke na de laatste beslissing van de commissie tot bescherming van de maatschappij geen advies werd uitgebracht. In dit geval zal het openbaar ministerie de strafuitvoeringsrechtbank vatten opdat deze een beslissing kan nemen. Tot slot wordt een nieuwe paragraaf ingevoegd teneinde een regeling te voorzien voor geïnterneerden die actueel in een inrichting verblijven die niet wordt erkend door de bepalingen van deze wet. De overgangsbepalingen voorziet dat ze er gedurende één geplaatst kunnen blijven na de inwerkingtreding van deze wet, opdat in tussentijd een nieuwe inrichting voor hen kan worden gevonden.
| De minister van Justitie, | |
| Annemie TURTELBOOM. | |