5-2445/3 | 5-2445/3 |
26 MAART 2014
I. INLEIDING
Het wetsvoorstel houdende de vaststelling van de afstamming van de meeouder (stuk Senaat, nr. 5-2445/1) werd op 21 januari 2014 door de heren De Gucht, Mahoux en Swennen en door mevrouw Defraigne c.s. ingediend en op 23 januari 2014 in overweging genomen. Het werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Aan de commissie werd ook het wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, ter regeling van de vaststelling van het lesbisch meemoederschap voorgelegd, dat op 27 oktober 2010 door de heer Swennen werd ingediend (stuk Senaat, nr. 5-399/1), evenals het wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de invoering van een statuut voor meeouders betreft, dat op 13 februari 2014 door mevrouw Van Hoof c.s. werd ingediend (stuk Senaat, nr. 5-2483/1).
De commissie heeft tijdens haar vergadering van 5 februari de bespreking van het wetsvoorstel nr. 5-2445 aangevat. Voor het verdere verloop van de werkzaamheden werden de wetsvoorstel nr. 5-399 en nr. 5-2483 toegevoegd aan wetsvoorstel nr. 5-2445. Deze wetsvoorstellen werden gezamenlijk besproken tijdens de vergaderingen van 26 februari, 12 maart, 19 maart en 26 maart 2014, in aanwezigheid van de minister van Justitie.
II. INLEIDENDE UITEENZETTINGEN DOOR DE INDIENERS VAN DE WETSVOORSTELLEN
A. Wetsvoorstel houdende de vaststelling van de afstamming van de meeouder (stuk Senaat, nr. 5-2445)
De heer Mahoux licht toe dat het wetsvoorstel, waarvan hij mede-ondertekenaar is, ertoe strekt een juridische afstammingsband vast te stellen ten aanzien van de echtgenoot of echtgenote of partner van hetzelfde geslacht, zonder dat enige adoptieprocedure of een andere specifieke gerechtelijke procedure moet worden gevolgd.
Voor een gedetailleerde beschrijving van de problematiek en de voorgestelde oplossing, verwijst spreker naar zijn wetsvoorstel. Het wetsvoorstel is genderneutraal en richt zich op alle koppels van hetzelfde geslacht. In de onmiddellijke praktijk zal het echter enkel van toepassing zijn op lesbische koppels, vermits in geval van een homoseksueel paar ook rekening gehouden moet worden met een derde persoon, de biologische moeder.
B. Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, ter regeling van de vaststelling van het lesbisch meemoederschap (stuk Senaat, nr. 5-399)
De heer Guy Swennen licht toe dat zijn voorstel dateert van 2010 en dat er sindsdien andere, meer uitgebreide, wetsvoorstellen over dezelfde materie zijn ingediend, waaronder één waarvan spreker mede-ondertekenaar is.
Het burgerlijk recht, en inzonderheid het huidige familierecht, is nog grotendeels afgestemd op het klassieke gezin en beantwoordt niet meer aan een nieuwe maatschappelijke realiteit, maar enkel de afstammingsband genereert per definitie rechten en plichten. In de vorige legislatuur werd een debat gewijd rond een overkoepelende regeling inzake het zorgouderschap, zonder evenwel een consensus te bereiken. Daarom opteerde senator Swennen ervoor dit wetsvoorstel in te dienen, dat een eerste stap inhoudt.
Het wetsvoorstel regelt de erkenning van het lesbisch meeouderschap door het in te schrijven in het Burgerlijk Wetboek. Voor de volledige invulling verwijst spreker naar het wetsvoorstel 5-399/1. De heer Swennen stipt aan dat door de voorgestelde wijziging het lesbische meemoederschap snel, eenvoudig en juridisch correct geregeld wordt. Spreker wijst er op dat dergelijke erkenning reeds heel wat jaren geleden door verschillende landen of staten werd doorgevoerd, bijvoorbeeld Zweden, IJsland, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, Québec, Zuid-Afrika en verschillende staten van Australië en van de Verenigde Staten. Het gaat wel degelijk om een nieuwe werkelijkheid met een specifieke problematiek die in andere systemen van positief recht reeds zijn ingang gevonden heeft.
De heer Swennen hoopt dat er nog tijdens deze legislatuur een regeling goedgekeurd wordt die een einde maakt aan de huidige schrijnende toestanden.
C. Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de invoering van een statuut voor meeouders betreft (stuk Senaat, nr. 5-2483)
Mevrouw Van Hoof licht haar voorstel 5-2483 toe. Het wetsvoorstel herneemt het wetsvoorstel 53-3303/001 dat in de Kamer werd ingediend door mevrouw Sonja Becq c.s.. Het is duidelijk dat adoptie als oneerlijk wordt ervaren in geval van medisch begeleide voortplanting (MBV) want in dergelijke situatie kan er nooit een afstammingsband verkregen worden ten aanzien van de biologische vader. De adoptieprocedure kan maar twee maanden na de geboorte opgestart worden terwijl er op voorhand al toestemming is van de meeouder. Dat is niet goed voor de rechtsbescherming van het kind dat belang heeft bij dubbelzijdige afstammingsbanden vanaf de geboorte, ook met het oog op de integratie in het gezin. De adoptieprocedure is daartoe ontoereikend, vandaar dit wetsvoorstel betreffende de invoering van een statuut van meeouders.
Concreet baseren de indieners zich op het Burgerlijk Wetboek inzake de afstammingsregels en plaatsen ze de meemoeder op gelijke voet met de man die niet de biologische vader is van het kind. De gewone afstammingsregels worden uitgebreid naar de situatie waarin het kind wordt geboren uit een gelijkslachtige relatie en waarbij de rechten van de biologische vader gevrijwaard blijven. Een aanvraag tot meeouderschap is niet mogelijk wanneer er al een afstammingsband is met een biologische vader. De biologische vader heeft dus nog alle rechten indien er geen donorschap was in het kader van de wet op de medisch begeleide voortplanting. Het wetsvoorstel bepaalt ook dat er slechts twee afstammingsbanden kunnen ontstaan. Op het moment dat er een vaderschapsband komt vast te staan heeft de meeouder niet het recht dit te betwisten.
Het voorliggende wetsvoorstel creëert geen regeling voor homoseksuele paren. Dat houdt geen waardeoordeel in over hun capaciteiten als opvoeders, maar heeft alles te maken met het ontbreken van een regeling inzake draagmoederschap. Dergelijke regeling is noodzakelijk vooraleer over te gaan tot een erkenning in het kader van meeouderschap.
Senator Van Hoof legt vervolgens uit dat het wetsvoorstel een apart hoofdstuk betreffende de vaststelling van de afstamming van meeouderszijde invoegt in boek I, titel VII van het Burgerlijk Wetboek. De kernpunten van dit nieuwe hoofdstuk zijn dat het volledig parallel loopt met de bestaande regelgeving betreffende afstamming voor heterokoppels. Verder is er enkel juridische zekerheid in geval van medisch begeleide voortplanting. Bij gewone verwekking moeten immers ook de rechten van de biologische vader gerespecteerd worden. Ten derde is het niet van toepassing op homokoppels omdat er in hun geval altijd een moeder aanwezig is die het kind moet afstaan. Daarvoor lijkt de adoptieprocedure in de huidige stand van zaken nog steeds het meest adequate systeem, zeker zolang er geen burgerrechtelijke regeling is voor het draagmoederschap.
Het uitgangspunt is het volledig parallelle verloop met de afstammingsregels in het Burgerlijk Wetboek in geval de vader niet de biologische vader is. Er is een vermoeden van meeouderschap bij medisch begeleide voortplanting binnen het huwelijk en erkenning is mogelijk wanneer er geen medisch begeleide bevruchting was en er een relatie ontstaat tussen twee vrouwen waarvan één vrouw de moeder van het kind is. Er zijn in beide gevallen ook betwistingsmogelijkheden, volledig gelijklopend met het huidig Burgerlijk Wetboek inzake de afstammingsregels. Ten slotte is een onderzoek naar meeouderschap mogelijk wanneer er geen wettelijk vermoeden of erkenning is.
Door zich te baseren op het huidige Burgerlijk Wetboek vanaf artikel 315 en een parallellisme tot stand te brengen voor de meemoeder hebben de indieners van het wetsvoorstel zoveel mogelijk rechtszekerheid willen creëren.
III. ALGEMENE BESPREKING
A. Eerste gedachtewisseling
Mevrouw Turtelboom, minister van Justitie, is van mening dat de voorliggende wetsvoorstellen belangrijk zijn. Iedereen is zich terdege bewust van de problematiek van koppels die omwille van hun geaardheid niet op de klassieke manier een kindje kunnen krijgen en waarbij één van beiden bijgevolg wordt geconfronteerd met een procedure van adoptie die tot 12 maanden kan aanslepen. Dit gaat gepaard met heel wat problemen zoals onzekerheid, de onderwerping aan psychologische testen en sociaal onderzoek, terwijl het kindje op dat ogenblik reeds in het gezin is en goed wordt opgevoed en verzorgd. Men stelt trouwens vast dat ongeveer 60 % van de personen die een adoptiecursus volgen lesbische ouders zijn die aldus duidelijk aantonen dat zij volwaardig moeder willen zijn.
Een wettelijke regeling is logisch en noodzakelijk.
Er blijven enkele knelpunten bestaan :
— Beperkt men de regeling enkel tot medisch begeleide bevruchting of gaat men ruimer ? Spreekster meent dat men best ruimer gaat; er moet geen extra medicalisering zijn voor ouders die een kind willen.
— Enkel voor lesbische koppels of ook voor homoseksuele koppels ? Indien men de regeling uitbreidt tot homokoppels, dient ook de meer ingewikkelde problematiek van het draagmoederschap te worden geregeld. Een wettelijke regeling voor draagmoederschap houdt ook de omkadering in van draagmoederschap voor heteroseksuele koppels; elk commercieel circuit moet worden uitgesloten. Spreekster meent dat men de regeling best uitbreidt tot homokoppels, maar onder de opschortende voorwaarde van regeling van het draagmoederschap.
De minister stipt nogmaals aan dat het gebrek aan regeling aanleiding geeft tot heel wat menselijk leed. Het is in het belang van het kind om zo snel mogelijk, vanaf de geboorte, het volledige ouderschap te regelen. Nu heeft de meemoeder geen wettelijk statuut, zodat zij het kind bijvoorbeeld niet mag bezoeken op de afdeling intensieve zorgen. Sommige ziekenhuizen zijn daar zeer strikt in. Het is nodig een bestaande realiteit een wettelijke ruggensteun te geven.
De heer Hellings wil vooreerst enkele vragen stellen aan de indieners van de wetsvoorstellen.
In wetsvoorstel nr. 5-399 lijkt men zich alleen zorgen te maken over het lot van de lesbische moeders bij MBV. In wetsvoorstel nr. 5-2483 stelt men voor het geval van de moeders die MBV toepassen, te regelen; feitelijk behelst het alleen de lesbische moeders. Voorstel nr. 5-2445 gaat over de eerste 2 punten, maar ook over de andere vormen van voortplanting. Wat bedoelt men precies met de andere vormen van voortplanting buiten de MBV ?
Het zou kunnen gaan om vrouwen die op natuurlijke wijze zwanger worden en waarvan de biologische vader het vaderschap afwijst. Het kind heeft dan enkel een moeder en dus kan de lesbische partner meemoeder worden.
Het zou ook kunnen slaan op een vrouw die zwanger wordt na zelfinseminatie, een situatie die in de praktijk inderdaad voorkomt.
Een derde situatie zou die kunnen zijn van een man die vader wordt na een draagmoederschap in het buitenland. Is het voorgestelde artikel 33 van het wetsvoorstel 5-2445 van toepassing op mannen die beroep doen op een draagmoeder in het buitenland, wetende dat artikel 33 het aanbieden, beloven of aannemen van een voorstel, het ertoe aanzetten een vrouw draagmoeder te worden, het bekendmaken een aanbod voor of een aanvraag tot draagmoederschap, en het optreden als tussenpersoon tussen een wensouder en een draagmoeder bestraft ? De meeste mannen die vandaag alleenstaande vader worden doen dit via draagmoederschap. Het gaat om een klein aantal mannen maar ze bestaan, Meestal gaat het dan om commercieel draagmoederschap in de Verenigde Staten, Indië of Oekraïne. Worden deze gevallen van draagmoederschap dan strafbaar ? Als dat het geval is, dan is daarmee de situatie van de betrokken kinderen niet geregeld.
Spreker wil ook weten of de indieners van de 3 voorstellen in een overgangsperiode voorzien.
Wat met de talrijke kinderen die de laatste jaren uit een draagmoeder geboren zijn ? Zal dit wetsvoorstel hen ten goede komen ? Wat in geval van scheiding, bij heteroseksuele of homoseksuele koppels, vooraleer het kind geboren is ? Volwassenen verwekken een kind en gaan vervolgens uit elkaar maar dit mag niet beletten dat er rechten ontstaan voor de ouder die niet bevalt van het kind.
De heer Hellings vindt het belangrijk een regeling te voorzien voor de meest voorkomende gevallen : die van kinderen geboren ten gevolge van een gemedicaliseerd proces van medisch begeleide voortplanting. Dat is het meest urgent. Het stoort spreker echter dat in de wet specifiek wordt verwezen naar lesbische vrouwen. Het is volgens senator Hellings beter een algemene procedure op te stellen die op iedereen van toepassing is in geval er een kind geboren wordt met één enkele ouder. Vermits dat kind per definitie uit een vrouw geboren wordt, zullen in de feiten alleen lesbische koppels van de algemene regeling gebruik kunnen maken en zal de partner van een vrouw die een kind krijgt gemakkelijk het meeouderschap kunnen krijgen. Regels opstellen die enkel voor lesbiennes bedoeld zijn lijkt spreker geen goede aanpak. Dat mannen geen kinderen kunnen baren heeft niets te maken met een ongelijke behandeling, het is een louter fysiek gegeven.
De heer Courtois wijst erop dat de bespreking van het draagmoederschap in de verenigde commissies Justitie en Sociale Aangelegenheden in een vorige legislatuur plaatsvond (2008). In de huidige legislatuur werd dit punt niet geagendeerd.
De heer Mahoux stipt aan dat destijds geen consensus werd gevonden om tot een gezamenlijke tekst te komen. Zelf vindt de heer Mahoux dat de zwakste persoon in het draagmoederschap beschermd dient te worden, namelijk de persoon die het kind draagt, en dit tot na de geboorte.
Spreker wenst een nadere toelichting over het voorgestelde artikel 33 van het wetsvoorstel 5-2445, dat een verbod op draagmoederschap instelt. Hij meent dat deze bepaling anders dient te worden geformuleerd.
Er moet worden gepreciseerd dat elke commerciële overweging in verband met het draagmoederschap strafrechtelijk kan worden vervolgd.
Senator Mahoux meent dat men een gemakkelijke oplossing zou kunnen aanreiken voor lesbische koppels. Enkel een regeling voorzien voor lesbische koppels zou echter aanleiding kunnen geven tot een nieuwe discriminatie; men regelt dan immers enkel de problematiek voor lesbische koppels en niet voor homokoppels.
Homoseksuele paren kunnen enkel via draagmoederschap afstamming tot stand brengen. Daarvoor een wettelijk kader tot stand brengen dreigt enige tijd te kosten.
Mevrouw Matz wijst erop dat de heer Delpérée het wetsvoorstel 5-2483 van mevrouw Van Hoof heeft mede-ondertekend; het ligt geenszins in de bedoeling van deze fractie om de werkzaamheden te vertragen, integendeel.
Het is duidelijk dat het draagmoederschap een belangrijk gegeven is in dit debat, maar spreekster verkiest een afzonderlijke discussie en wil zich beperken tot de gevallen in het kader van MBV.
Het kan echter nuttig zijn een hoorzitting te organiseren om duidelijkheid te krijgen over de drie voorliggende voorstellen en de juridische problemen.
De heer Mahoux preciseert dat sommige voorstellen bepalen dat er gebruik moet worden gemaakt van MBV om afstamming tot stand te kunnen brengen.
Spreker gaat akkoord met het feit dat bepaalde juridische vragen kunnen rijzen bij de voorliggende wetsvoorstellen. Men mag echter niet al te veel tijd verliezen.
De heer Laeremans meent dat de minister van Justitie eens te meer misbruik maakt van zogenaamd schrijnende situaties om een fundamentele wijziging aan te brengen in de Belgische wetgeving. Eenzelfde methode werd gebruikt voor de wetgeving in verband met euthanasie, waar feiten uit hun verband werden gerukt om belangrijke wetgeving overhaast te stemmen, nog voor de verkiezingen. Voor een essentiële hervorming als deze lijken hoorzittingen onontbeerlijk, en niet in het minst met professoren familierecht van diverse universiteiten. De bespreking van voorliggende complexe thematiek wordt best naar een volgende legislatuur verschoven.
Het meest stuitend is dat de problematiek van de draagmoederschap als een soort bijlage wordt beschouwd. Het wetsvoorstel van de sp-a regelt enkel het strafrechtelijk aspect. Ook in de toelichting werd hierover niets gezegd. De vraag is wat draagmoederschap juist betekent. Hoe wordt dit gedefinieerd ? Enkel bij KI of ook bij een natuurlijke verwekking, bijvoorbeeld door één van de partners in een homokoppel ? Wat als de draagmoeder het kind wil houden ? Het zou schandalig zijn draagmoederschap strafbaar te stellen met vrij zware straffen zonder dat iemand weet wat draagmoederschap juist is. Invoeging van het begrip in het B.W. lijkt nodig.
Senator Laeremans wijst erop dat draagmoederschap, dat volgens hem leidt tot de « instrumentalisering » van de vrouw, heel wat aversie opwekt. De vrouw wordt beschouwd als een machine, als een soort productiehuls om doelbewust een kind voor anderen te produceren. Dit is voor spreker een zeer groot ethisch probleem. Een grondig debat is nodig, gelet op de vergaande implicaties. Spreker meent dat draagmoederschap vrouwonvriendelijk is en dus beter niet wordt gestimuleerd noch geregeld.
De heer Anciaux wijst op twee aspecten in deze belangrijke en delicate aangelegenheid.
Ten eerste moet de commissie oordelen welk wetsvoorstel als basis voor de verdere bespreking wordt gebruikt. De verschillen tussen de drie wetsvoorstellen zijn, hoewel niet bijzonder groot, ook niet onbelangrijk. De voorstellen 5-2445 en 5-2483 werden ook in de Kamer ingediend; het verschil ligt hem in het al dan niet genderneutraal zijn.
Spreker vindt de discussie belangrijk en ook zijn eigen fractie was voorstander van een gezamenlijke behandeling van voorliggende wetsvoorstellen met de wetsvoorstellen over draagmoederschap. De wetsvoorstellen betreffende draagmoederschap zijn echter verzonden naar de verenigde commissies sociale aangelegenheden en Justitie, terwijl voorliggende wetsvoorstellen enkel naar de commissie Justitie zijn verzonden. Dit betekent niet dat de sp-a fractie geen voorstander zou zijn van een snelle regeling van het draagmoederschap.
Indien men voorliggende regeling genderneutraal maakt, is er steeds een bijkomend aspect : bij een homokoppel kan men de discussie over wie de moeder is, niet vermijden.
Uitsluiting van commercieel draagmoederschap, en dit gelijktijdig met de behandeling van voorliggende wetsvoorstellen, zou gewenst zijn geweest, maar de heer Anciaux wenst op korte termijn een oplossing voor het meemoederschap. Het is niet meer te verantwoorden dat dit niet geregeld is en dat een lesbisch koppel via een, weliswaar terecht, moeilijke adoptieprocedure moet handelen.
De heer Vanlouwe denkt dat voorliggende wetsvoorstellen een oplossing bieden voor een in onze samenleving bestaand probleem. Het is nodig naar de best mogelijke oplossing te zoeken voor de lacune in onze wetgeving.
De wetsvoorstellen 5-2445 van de heer De Gucht c.s. en 5-2483 van mevrouw Van Hoof werden ook ingediend in de Kamer en medeondertekend door de sp-a. Toch zijn er wel degelijk verschillen tussen deze wetsvoorstellen. Het doel is hetzelfde, namelijk meeouders een afstammingsband te laten verkrijgen met een kind geboren binnen een relatie van koppels van hetzelfde geslacht, waarbij regels van afstamming dienen te worden gewijzigd. Het wetsvoorstel 5-2445 van de heer De Gucht gaat verder en betreft zowel lesbische koppels als homokoppels. Men kan uiteraard niet ontkennen dat het probleem van het draagmoederschap nog niet werd geregeld. Dit mag echter geen obstakel zijn om nu reeds een oplossing te bieden voor bepaalde lacunes in de wetgeving.
Het wetsvoorstel 5-2445 van de heer De Gucht c.s. betreft kinderen geboren binnen of buiten het kader van de medisch begeleide voortplanting. Het wetsvoorstel 5-2483 van mevrouw Van Hoof gaat minder ver en betreft enkel kinderen geboren binnen het kader van de medisch begeleide voortplanting. Wat is de juiste motivering hiervan ?
Senator Vanlouwe heeft ook vragen met betrekking tot het bezit van staat. Een aantal bepalingen met betrekking tot het bezit van staat zouden in het wetsvoorstel 5-2483 van mevrouw van Hoof mogelijks moeten worden aangepast, in het licht van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. In het wetsvoorstel 5-2445 van de heer De Gucht werd dan wel uitdrukkelijk verwezen naar de arresten van 7 maart 2013 en 9 juli 2013, waarbij het Hof oordeelt dat het bezit van staat als absolute grond van niet-ontvankelijkheid, ongrondwettelijk is. De rechter dient uiteraard rekening te houden met de belangen van het kind.
Het wetsvoorstel 5-2445 van de heer De Gucht houdt geen rekening met de regel van 300 dagen met betrekking tot het vermoeden van ouderschap; de biologische werkelijkheid ligt niet aan de basis van het vermoeden van meeouderschap. Ook in het wetsvoorstel 5- 2483 van mevrouw Van Hoof zou dit moeten worden aangepast.
De heer Vanlouwe besluit dat men niet overhaast te werk mag gaan; het is belangrijk een goede wetgeving te hebben. In dat opzicht zou een hoorzitting met bepaalde academici nuttig kunnen zijn. Welk van de 3 is het beste wetsvoorstel en wat is het verband met het draagmoederschap ? Spreker wil niet vertragend optreden, maar het heeft ook geen zin wetgeving te stemmen waarvan men weet dat ze op korte termijn moet worden aangepast.
Senator Defraigne merkt op dat het draagmoederschap in het Belgisch recht niet geregeld is, alhoewel er in het verleden al pogingen ondernomen werden dit te doen. Er kon echter geen akkoord bereikt worden. Toch hadden alle voorstellen omtrent draagmoederschap één gemeenschappelijk punt, een kleinste gemene deler zo men wil : de commercialisering van draagmoederschap werd verboden en beteugeld. Deze kleinste gemene deler volgt het in ons recht gangbare principe van een verbod op de commercialisering van het menselijk lichaam. Dit principe moet volgens spreekster behouden en verdedigd worden. Dit betekent echter niet dat we doof en blind moeten zijn voor wat er in het buitenland gebeurt. Het volgen van dat gangbare principe van niet-commercialisering is echter een belangrijk signaal aan de agentschappen en andere tussenpersonen die zich verrijken met dergelijke praktijken.
Mevrouw Defraigne is voorstander van een regelgeving omtrent het draagmoederschap, een maatschappelijk fenomeen dat de laatste 10 jaar enkel is toegenomen. Het zou goed geweest zijn een omvattend akkoord te maken in plaats van zich tevreden te stellen met de bespreking van probleemgevallen die af en toe in de pers opduiken en naar aanleiding waarvan teksten worden ingediend. Momenteel is dat echter niet mogelijk en de kans dat dat nog lukt voor het einde van deze legislatuur is bijzonder klein.
De vraag wordt gesteld of artikel 33 van het wetsvoorstel 5-2445 ook betrekking heeft op de vaders die een beroep doen op draagmoederschap in het buitenland. Mevrouw Defraigne verwijst naar de artikelen 7 e.v. van het Strafwetboek, die de algemene criteria bevatten om te bepalen wanneer welke rechtsregels van toepassing zijn inzake misdrijven gepleegd door Belgen in het buitenland of door buitenlanders in België. Het lijkt spreekster logisch dat deze algemene criteria ook van toepassing zijn in geval van het voorgestelde artikel 33.
Wat betreft het gebruik van het woord « lesbienne » in de wetgeving, verwijst mevrouw Defraigne ten slotte naar de wet betreffende medisch begeleide voortplanting van 6 juli 2007, die ook gebruik maakt van deze terminologie. Het zou dus niet de eerste keer zijn dat er expliciet naar lesbiennes wordt verwezen.
De heer Hellings merkt op dat hij niet zozeer een probleem heeft met het gebruik van het woord « lesbienne » of « lesbisch » dan wel dat hij er de voorkeur aan geeft de regeling in een algemeen kader in te schrijven en niet in een specifiek kader.
Volgens de heer Mahoux kan inderdaad het geheel van het Burgerlijk Wetboek herzien worden om alle ongelijke behandelingen op te diepen, maar het is misschien meer aangewezen het Burgerlijk Wetboek punctueel aan te passen om zo eindelijk rekening te houden met de werkelijkheid. Een globale herziening zou enorm veel tijd in beslag nemen. De stap die hier gezet wordt kan inderdaad frustreren door zijn kleinschaligheid, maar is ongetwijfeld efficiënter.
Het is volgens spreker een feit dat de meeste lesbische koppels een beroep doen op medisch begeleide voortplanting maar dat sommige koppels evengoed op een andere manier beroep doen op een donor of een vrijwilliger. In dat geval is er geen sprake van anoniem donorschap, wat een bijzonder probleem stelt dat moet geregeld worden. Er kunnen immers niet meer dan twee ouders zijn. Binnen het schema van de medisch begeleide voortplanting stellen zich geen problemen want de donor is in dat geval tot nader order anoniem.
Inzake artikel 33 van het wetsvoorstel 5- 2445 stelt de heer Mahoux dat de mogelijkheid tot draagmoederschap wel degelijk blijft bestaan, zij het onder specifieke voorwaarden die grotendeels gedefinieerd zijn.
Volgens mevrouw Van Hoof is het duidelijk te prematuur om de bepalingen over draagmoederschap te regelen, zeker gelet op de korte tijd die nog rest voor het einde van de legislatuur. Er kunnen echter wel belangrijke stappen gezet worden ten voordele van de lesbische meemoeder. In het kader van de medisch begeleide voortplanting maakt niemand in de commissie bezwaar tegen een regeling en het lijkt spreekster daarom goed dat al te regelen in een eerste stap. Na de verkiezingen zal het parlementair proces dan verder moeten gaan over de andere stappen, met name het mogelijk afschaffen van het commercieel draagmoederschap.
Senator Van Hoof wenst te verduidelijken dat haar wetsvoorstel in drie procedures voorziet. Ten eerste het vermoeden van meemoederschap in het kader van medisch begeleide voortplanting, dat ook mogelijk is buiten de medisch begeleide voortplanting in het kader van erkenning, zolang er geen betwisting is van de biologische vader. Wanneer er wel een betwisting is, kan het uiteraard niet. Er wordt wel in een procedure voorzien dat meeouderschap door erkenning mogelijk maakt indien er geen medisch begeleide voortplanting is geweest tussen een lesbisch koppel, zoals bij vaderschap dat komt vast te staan door middel van een erkenning in hoofde van een man die niet de biologische vader is. De procedure wordt vastgesteld in het voorgestelde artikel 16 van het wetsvoorstel 5-2483/1. Er wordt ook duidelijk vastgelegd wie kan betwisten en binnen welke termijn.
Zodra de wet is gestemd is het wetsvoorstel van toepassing wat betreft het vermoeden van meemoederschap. Eenieder die vandaag via medisch begeleide bevruchting een kind heeft binnen een lesbisch koppel, kan vrij snel als meeouder worden erkend door de procedure van erkenning, als er tenminste nog geen adoptie heeft plaatsgevonden. De voorgestelde bepalingen gelden dus niet enkel voor diegenen die vanaf nu onder de regel vallen, maar ook voor personen die al een kind hebben en waarvan de adoptie niet rond is.
Gelet op de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof heeft spreekster zich gebaseerd op het huidige afstammingsrecht en daarop voortgewerkt. Het voorstel 5-2445/1 daarentegen regelt enkel iets voor holebi-relaties en niet voor de gewone afstammingsregels voor heterokoppels. Senator Van Hoof is verder de mening toegedaan dat in een later stadium de globaliteit zal moeten worden aangepakt.
B. Gedachtewisseling na de hoorzittingen
De commissie besliste hoorzittingen te houden met experten. Deze hoorzittingen gingen door op 12 en 19 maart 2014. Op deze hoorzittingen waren volgende personen aanwezig :
— de heer Paul Borghs, jurist gespecialiseerd in holebi- en transgenderwetgeving;
— mevrouw Jehanne Sosson, professor personen- en familierecht, UCL;
— de heer Yves Aerts, coördinator van Çavaria;
— de heer Patrick Senaeve, professor, Instituut voor Familerecht en Jeugdrecht, KULeuven.
De uiteenzettingen van deze experten zijn terug te vinden als elektronische bijlage bij dit verslag op de website van de Senaat (www.senaat.be). De gedachtewisseling met de experten wordt hieronder weergegeven.
1. Vragen van de leden
Volgens de heer Hellings ligt het belangrijkste verschil tussen de wetsvoorstellen nrs. 5-2445 en nr. 5-2483 in het feit dat het voorstel 5-2445 de mogelijkheid in zich draagt om de toekomstige wet op de afstamming toe te passen op de gevallen van mannelijke gelijkslachtige koppels die een beroep gedaan hebben op een draagmoeder. Het debat over draagmoederschap weegt zodoende op het debat over medisch begeleide bevruchting, dat in de feiten enkel lesbische koppels betreft. Het voorstel nr. 5-2445 wenst echter, in naam van de gelijkheid, de wetgeving van toepassing te maken zowel voor de mannelijke als voor de vrouwelijke koppels.
Het debat over draagmoederschap moet plaatsvinden, maar later, in een sereen kader. Het voorstel nr. 5-2445 verplicht de commissie echter om er reeds over te debatteren. Iedereen lijkt het erover eens te zijn dat het draagmoederschap niet-commercieel moet zijn en dat is ook de strekking van het wetsvoorstel nr. 5-2445. Een ander element werd door de heer Mahoux naar voren geschoven : voor hem en zijn fractie moet het draagmoederschap niet enkel niet-commercieel zijn, de draagmoeder moet op elk ogenblik kunnen terugkomen op haar belofte het kind af te staan. Dit is een essentieel element : de vrouw moet op elk ogenblik meester blijven van haar lichaam en wat ze ermee doet. Zelfs als ze een belofte heeft gedaan, moet ze daarop kunnen terugkomen. De heer Hellings meent dat ook daarover weinig discussie bestaat bij de commissieleden.
De heer Hellings meent dat de voorgestelde afstammingsregels op geen enkel ogenblik van toepassing zouden zijn in het geval van een homokoppel, dat een beroep gedaan heeft op altruïstisch draagmoederschap en waarvan de draagmoeder het absolute recht heeft steeds terug te komen op haar belofte het kind af te staan. De draagmoeder kan immers tot 2 maanden na de geboorte van het kind op elk ogenblik terugkomen op haar belofte afstand te doen. In bijna alle gevallen van homokoppels die een beroep doen op een draagmoeder zal de vaststelling van de afstamming via adoptie gebeuren. Kunnen de experten zeggen of zij het eens zijn met deze redenering ? En is het in dat geval niet zo dat hier veel nagedacht wordt over puur hypothetische gevallen wanneer het gaat over homoseksuele koppels ? Waarom niet verder werken met de gevallen van vereenvoudigde afstamming bij vrouwelijke koppels ?
Volgens de heer Delpérée blijkt uit de uiteenzetting van de heer Senaeve dat de hervorming zich moet inschrijven in het geheel van het afstammingsrecht. Het Grondwettelijk Hof is al 20 jaar bezig aan de afbraak van het afstammingsrecht. Het Hof geeft veel kritiek, maar stelt niets in de plaats. Dat is de verantwoordelijkheid van de wetgever en uit de uiteenzetting van professor Senaeve blijkt duidelijk dat ook veel andere zaken moeten geregeld worden, zoals bijvoorbeeld het draagmoederschap.
De heer Laeremans stelt vast dat de heer Aerts een pleidooi houdt om zo snel mogelijk, liefst vandaag nog, de wetgeving te wijzigen. Spreker zou graag weten of de heer Aerts kennis heeft genomen van de nota van professor Sosson. Zij maakte een internationale vergelijking en stelt vast dat wat hier wordt voorgesteld internationaal zeer geïsoleerd staat. Misschien zijn bepaalde alternatieven wenselijker, zoals een wijziging van de adoptieregeling waardoor de adoptie nog vóór de geboorte geregeld kan worden.
Is dat niet wenselijker dan nu snel-snel een constructie in het leven te roepen die op zich opnieuw discriminatoir is omdat ze anders is voor vrouwen dan voor mannen ? Bovendien zou deze constructie een ongelijkheid in het leven roepen tussen homokoppels en heterokoppels. Het is uitgerekend de homobeweging die lang en uitdrukkelijk gevochten heeft voor de adoptiewetgeving. Nu deze wetgeving bestaat stelt de beweging dat ze ze niet goed vindt, vooral om praktische redenen : de politie komt aan huis, er moeten cursussen gevolgd worden enzovoort. Dergelijke praktische zaken kunnen aangepast worden. Wat hier voorgesteld wordt is echter zeer fundamenteel en roept veel rechtsvragen op. Heeft de holebibeweging de internationale vergelijking gemaakt ? Hoe staan ze tegenover de regeling die in Denemarken en elders van toepassing is, namelijk een wijziging van de adoptieregeling ? Is dat voor de holebibeweging een te overwegen alternatief ? Welke argumenten hebben ze om dat al dan niet te verdedigen ?
Mevrouw Khattabi vreest dat het wetsvoorstel nr. 5-2445 zich bezondigt aan het spreekwoord « qui trop embrasse mal étreint ». Spreekster zou het jammer vinden dat, omdat zowel meemoeders als meevaders aan bod komen, er in geen van beide vraagstukken vooruitgang zou worden geboekt. Senator Khattabi nodigt de commissie uit een manier te vinden om stap voor stap verder te gaan, eventueel door de tekst te amenderen.
De heer De Gucht wenst in eerste instantie enkele zaken te verduidelijken. Het wetsvoorstel nr. 5-2445 wil mensen van hetzelfde geslacht, die getrouwd zijn en een kinderwens hebben, een weg bieden om de afstamming van hun kind te kunnen regelen zonder discriminatoire procedures te moeten volgen. Professor Senaeve en anderen hebben er op gewezen dat er qua uitwerking inderdaad een verschil is tussen lesbische en homokoppels. Een oplossing voor de vrouwen moet snel kunnen gaan omdat de situatie eenvoudiger is. Om voor mannelijke koppels tot een regeling te komen is eerst een debat nodig en moet voor andere problemen een oplossing gevonden worden, zoals voor het draagmoederschap.
Alle commissieleden beseffen dat de legislatuur op haar einde loopt. Het zou goed zijn als zoveel mogelijk partijen samen een oplossing zouden kunnen vinden voor de meemoeders. Een algemene regeling voor de meeouders zou dan op een later ogenblik geregeld kunnen worden.
Senator De Gucht vraagt professor Senaeve of het mogelijk is een materieel kader te creëren voor de meemoeders, om daarna de technische details aan te vullen. Een uitwerking tot in de kleinste technische details zou het bijzonder moeilijk kunnen maken om binnen de resterende tijd tot een oplossing te komen. Na de verkiezingen is er naar alle waarschijnlijkheid een andere samenstelling en het zou jammer zijn als een dossier waar al jaren rond gewerkt wordt, opnieuw vertraging zou oplopen.
Volgens de heer Hellings is de houding van senator De Gucht realistisch en positief. Hij deelt zijn mening. Toch zou spreker willen aandringen op de vraag naar de toepasbaarheid van deze wetgeving op homokoppels in het geval van draagmoederschap in combinatie met het recht van de draagmoeder om op elk ogenblik terug te kunnen komen op haar belofte het kind af te staan. Hij wijst er op dat het hier niet gaat om het willen uitsluiten van homokoppels, maar simpelweg om een fysiek onderscheid tussen mannen en vrouwen. Het is geen ongelijkheid die door de overheid opgelegd wordt.
Een tweede vraag betreft het probleem van het overgangsrecht, waar professor Senaeve op wees. Veel problemen bij lesbische koppels ontstaan bij overlijden of scheiding voor of na de geboorte van het kind. Ze stappen naar de rechter en deze gevallen komen tot bij het Grondwettelijk Hof, wat aanleiding gaf tot de verschillende arresten waar de experten op wezen.
Volgens professor Senaeve kunnen voorstellen inzake overgangsmaatregelen maar tot stand komen eens duidelijk is voor welk pad de wetgever kiest. De heer Hellings wordt echter regelmatig door vrouwen gecontacteerd die hem er op wijzen dat een nieuwe wet een overgangsperiode moet bevatten, waarbij in vereenvoudigde oplossingen wordt voorzien voor de gevallen die zich tijdens de overgangsperiode voordoen. Hoe ziet professor Senaeve dergelijke overgangsperiode ? Wat zou volgens hem de beste aanpak zijn voor de gevallen die nu hangende zijn en die zich de komende maanden verplicht zullen zien naar de rechter te stappen, tot wanneer de nieuwe wetgeving van kracht zou zijn ?
De heer Istasse steunt het voorstel van de heer De Gucht. Het is op dit ogenblik niet mogelijk alle problemen op te lossen. De commissie beschikt nog maar over een zeer beperkte tijd om nuttig werk te verzetten. Spreker vraagt om verder te werken met een aangepaste tekst die zich concentreert op de meemoeders, waarover een akkoord mogelijk is.
Mevrouw Van Hoof heeft een vraag in verband met de internationale tendensen. België is immers geen pionier wat betreft de voorgestelde regeling, verschillende landen zijn ons al voorgegaan. Stellen er zich veel problemen bij de landen die werken via het afstammingsrecht ? Professor Sosson werpt behoorlijk wat bezwaren op. Is dit omdat er meer betwistingen zijn bij gelijkslachtige relaties dan bij niet-gelijkslachtige relaties waarop de afstammingsregels van toepassing zijn ? Wat kunnen we leren uit de internationale vergelijking ?
Wat betreft de overgangsbepalingen meent de heer Delpérée dat vooral belangrijk is te weten wat de situatie zou zijn van kinderen die al geboren zijn binnen een gelijkslachtige relatie. Zal hun afstammingsband ten opzichte van één of meerdere van hun ouders veranderen ?
2. Antwoorden
De heer Aerts antwoordt dat er ooit een regeling moet komen over draagmoederschap, omdat het nu eenmaal bestaat, zowel voor homokoppels, voor lesbische koppels als voor heterokoppels. Er moet een einde komen aan de nu heersende onzekerheid, maar dat moet niet vandaag want dit vraagt een grondig debat. Spreker meent dat binnen elke politieke partij voor- en tegenstanders te vinden zullen zijn, de discussie is immers niet eenvoudig. Ook binnen de holebibeweging of feministische middens is er absoluut geen eensgezindheid over deze problematiek.
De heer Aerts is ontroerd door de bezorgdheid van senator Laeremans, gelet op het feit dat de partij van deze senator tegen de adoptie heeft gestemd. Spreker wil zeker niet de woorden in de mond gelegd krijgen dat hij niet voor deze adoptieregeling zou zijn. Wat vandaag voorligt is geen afschaffing van de adoptieregeling, die onverkort blijft bestaan en onder andere door gelijkslachtige koppels zal kunnen gebruikt worden die niet voldoen aan de voorwaarden die in de voorliggende wetswijziging zouden voorzien worden. Çavaria vraagt een andere en betere oplossing voor lesbische koppels, maar zeker niet de afschaffing van de adoptieregeling voor homokoppels.
De heer Borghs meent dat draagmoederschap op meer situaties betrekking heeft dan enkel twee mannen. Ook twee vrouwen kunnen betrokken zijn en vooral heteroseksuele koppels. De problematiek is ook in een andere zin ruimer doordat de draagmoeder van het kind bevalt. Wanneer mensen een beroep doen op een draagmoeder, dan kan dat in België en dan wordt het omkaderd door de Belgische wetgeving. Één van de mannen kan het kind erkennen of er kan geadopteerd worden. Veel mannen en heterokoppels doen een beroep op een draagmoeder in het buitenland. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld kan een geboorteakte worden afgeleverd met daarop de naam van beide mannen. In België wordt dergelijke Amerikaanse akte niet erkend, alhoewel het draagmoederschap in de Verenigde Staten wettelijk geregeld is. Voor dergelijke situatie is het nuttig een regeling uit te werken voor twee mannen.
Volgens de heer Borghs kan zo'n regeling beter in het kader van het draagmoederschap gebeuren, voor iedereen, in binnen- of buitenland. Uiteraard moet ook aandacht worden besteed aan de positie van de draagmoeder.
Elk land heeft inderdaad zijn eigen wetgeving, die de eigen keuzes en klemtonen reflecteert. Nederland keurde een regeling goed die vrij sterk lijkt op wat in België wordt voorgesteld. Ook andere landen hebben regelingen die uitgaan van de oorspronkelijke afstamming.
De ongelijkheid tussen mannelijke en vrouwelijke gelijkslachtige koppels vloeit volgens de heer Borghs gedeeltelijk uit de feiten voort. Twee vrouwen met een kinderwens kunnen een beroep doen op medisch begeleide voortplanting of zelfinseminatie. Er kan dus binnen hun relatie een kind geboren worden. Het kind heeft één juridische ouder en de bedoeling is een tweede juridische ouder toe te voegen vanuit het belang van het kind. De enige bezorgdheid zou immers mogen zijn hoe het kind zo snel en zo optimaal mogelijk te beschermen vanaf de geboorte of reeds ervoor.
Bij een draagmoeder bevalt een vrouw van het kind. Zij is de juridische moeder. In dat geval is het de bedoeling dat andere personen, twee vrouwen, twee mannen of een heterokoppel, de ouders worden van dat kind. Uiteraard moet de positie van de draagmoeder goed geregeld worden. Feit is dat de situatie anders is en ongelijke situaties moeten niet noodzakelijk gelijk behandeld worden.
De adoptie wordt zeker niet overbodig. Ook bij heterokoppels is er een automatische afstamming maar ook voor hen blijft de adoptie nuttig, bijvoorbeeld bij nieuw samengestelde gezinnen waar een stiefouder de kinderen van een overleden ouder adopteert. Alleen wordt de totaal overbodige procedure voor meemoeders vereenvoudigd, zodat het kind veel beter beschermd wordt en de huidige problemen in verband met persoonlijk contact, de meemoeder die geen onderhoudsgeld moet betalen enz. van de baan zijn.
Het aanpassen van de adoptiewetgeving biedt volgens de heer Borghs geen echte oplossing omdat je nog steeds een procedure moet doorlopen voor de rechtbank, met een hele omkadering, de bijhorende kosten en onzekerheid, de toestemmingsvereiste en de tussenkomst van de rechter. In Nederland werd de piste van een eventuele aanpassing van de adoptie onderzocht en de Nederlandse Raad van State adviseerde dat dat geen goed idee was. Adoptie is eigenlijk een maatregel van jeugdbescherming en in dit geval gaat het om gezinsvorming. Daarom adviseerde de Raad van State om te kiezen voor een oorspronkelijke afstammingsregeling.
Wat betreft de internationale tendensen verwijst de heer Borghs naar het huwelijk. Ook toen de openstelling van het huwelijk ter discussie voorlag werd gesteld dat België internationaal uit de boot zou vallen en dat er problemen zouden zijn met de erkenning in het buitenland. 11 jaar later zijn er geen gigantische problemen, maar zijn er wel veel landen die eveneens het huwelijk hebben opengesteld en landen waar het debat over de openstelling van het huwelijk wordt gevoerd.
Professor Senaeve heeft jammer genoeg niet voldoende tijd gehad om de uitgebreide nota van professor Sosson te bestuderen. Wat betreft de vraag over een eventuele wijziging van de adoptie en de invoering van een soort van preconceptuele adoptie, dus een adoptie waar de eerste stappen zouden gezet worden vóór de verwekking, meent spreker dat dat een denaturering zou inhouden van de instelling van de adoptie. Het is veel beter het afstammingsrecht aan te passen.
Over de werkwijze en de technische uitwerking van de tekst, stelt professor Senaeve dat het in het algemeen meer aangewezen is dat de wetgever zegt welke principes hij wenst in te voeren, waarna een technisch comité van enkele personen dat technisch uitwerkt. De experten worden nu wel uitgenodigd, maar het is niet duidelijk of men hun standpunt vraagt over de grote principes of over de technische uitwerking. Dergelijke uitwerking in detail is maar mogelijk nadat er beslist werd over de te volgen richting. Spreker heeft hetzelfde standpunt over het overgangsrecht. Uiteraard moet daarover nagedacht worden en moet worden nagegaan of de nieuwe regels al dan niet moeten worden toegepast voor reeds geboren kinderen, maar ook dat kan maar zinvol en verantwoord als je weet wat de regels zijn die de wetgever wenst in te voeren.
Wat betreft een mogelijke ongelijkheid tussen lesbische koppels en homokoppels als er alleen een statuut voor de meemoeders zou ingevoerd worden en niet voor de homoseksuele meevader, sluit professor Senaeve zich aan bij de vorige spreker. De ongelijkheid volgt uit de feiten en vormt volgens spreker geen gevaar voor een discriminatie in de zin van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
Voor professor Sosson is het te bereiken doel duidelijk. De vraag is op welke manier dat doel te bereiken. De wijze waarop, de gebruikte techniek, is complex en werpt een tweede vraag op : voor wie moet het doel gerealiseerd worden. Afhankelijk van de groep mensen die men wil bereiken, zal de wijze waarop immers verschillen.
Op internationaal vlak werden verschillende keuzes gemaakt. Sommige landen hebben gekozen voor een aanpassing van de adoptie. Weinig landen kiezen ervoor een copy/paste regeling van de afstamming in te voeren omdat dat technische problemen stelt. Nog andere landen kozen een derde weg : een nieuwe wijze van vestiging van de afstamming, op de maat van de situaties omdat de situaties verschillend zijn. Daardoor vermijden ze technische problemen.
Het is overigens nog te vroeg om te zeggen dat zich in Nederland geen problemen voordoen, want de wet treedt er pas in werking op 1 april 2014. Nederland heeft inderdaad voor een soort transpositie gekozen, maar het is geen copy/paste regeling. Bovendien moet de inseminatie plaatsvinden in een erkend centrum, en dus met een anonieme donor maar ten opzichte van wie het kind de mogelijkheid zal hebben informatie te krijgen over zijn afstamming. Nederland heeft dus duidelijk een evenwicht gezocht.
Wat professor Sosson vandaag een zeer moeilijk technisch debat lijkt, is dat geen van beide wetsvoorstellen een technische oplossing biedt voor wat er gebeurt met de niet-anonieme donor wanneer er buiten de medisch begeleide voortplanting gewerkt wordt, dus in geval van een « vriendschappelijk begeleide voortplanting ». Het is nu eenmaal zo dat bepaalde vrouwen ervoor kiezen deze weg te bewandelen.
Op de vraag over draagmoederschap en of het debat moet beperkt worden tot de meemoeders, stelt mevrouw Sosson dat er een verschil is tussen beide wetsvoorstellen. Het voorstel nr. 5-2445 zegt dat het op iedereen van toepassing wil zijn, wat niet het geval is voor het voorstel nr. 5-2483. Dat is overigens geen garantie dat er bij dit laatste voorstel geen technische problemen zouden opduiken. Voor professor Sosson is het niet duidelijk hoe het voorstel nr. 5-2445, als het wet zou worden, zou kunnen toegepast worden, onder andere omdat helemaal niet duidelijk is of de situatie van draagmoederschap eronder zouden vallen of niet. Het bevat immers een bepaling die commercieel draagmoederschap verbiedt, waar op zich iedereen het over eens is. Maar als men zich afvraagt of het vermoeden van meeouderschap ook van toepassing zou zijn op mannen, wat door de genderneutraliteit wordt gesuggereerd, is dat helemaal niet duidelijk. Volgens het voorstel zal de echtgenoot of echtgenote de meeouder zijn. Door het gebruik van de term « echtgenoot » worden ook de homoseksuele koppels bedoeld. Maar dat blijkt dan enkel in het geval ze een beroep gedaan hebben op medisch begeleide voortplanting. De wet op medisch begeleide voortplanting is echter niet van toepassing op draagmoederschap. Dit stelt dus een probleem.
Wil het voorstel nr. 5-2445 de gevallen van draagmoederschap dan dekken in geval van een bekende donor ? Dit blijkt volgens professor Sosson toch ook niet echt het geval te zijn. Het kan toch niet de bedoeling zijn de draagmoeder als een « bekende donor » te beschouwen ? De technische oplossingen die voorzien worden lijken spreekster niet aangepast.
De vraag die vandaag wordt gesteld is of de beide debatten gesplitst worden, waarbij het draagmoederschap pas later wordt geregeld en nu enkel een oplossing wordt gezocht voor de meemoeders. Professor Sosson meent dat het biologische argument dat hiervoor gebruikt wordt, namelijk dat twee mannen geen kind kunnen hebben zonder een beroep te doen op een draagmoeder en dat er zodoende geen discriminatie zou zijn tussen mannelijk en vrouwelijke gelijkslachtige koppels, ook geldt voor twee vrouwen. Ook zij kunnen geen kind hebben zonder een beroep te doen op een donor.
Als er zou beslist worden zich enkel op de situatie van de meemoeders te richten, dan wordt het debat over het draagmoederschap naar een latere datum verschoven. Stelt het dan geen probleem om de situatie voor vrouwen onmiddellijk te regelen en voor mannen pas later ?
De voorliggende situatie is volgens professor Sosson niet vergelijkbaar met die van de openstelling van het huwelijk. In dat geval was inderdaad een copy/paste oplossing mogelijk. Hier is dat helemaal niet zo simpel omdat de vragen inzake afstamming ingewikkelder zijn.
Een regeling voor meemoeders uitwerken is technisch niet simpel. In het geval van wetsvoorstel nr. 5-2445 heeft professor Sosson een fundamenteel probleem met een artikel dat stelt dat het een vermoeden van meemoederschap invoert voor een kind dat verwekt wordt binnen het huwelijk. Naar wat verwijst de verwekking van een kind ? Het is duidelijk geen copy/paste van het afstammingsrecht, want daarin gaat het over het kind dat geboren wordt binnen een huwelijk en binnen de 300 volgende dagen. Deze regel is anders. Wat is dus het toepassingsgebied van de voorgestelde rechtsregel ?
Een tweede opmerking betreft de erkenning. In beide voorstellen wordt een erkenning voorzien buiten het huwelijk. Vermits men de afstammingsregels simpelweg wil transponeren, wordt gezegd dat de wettelijke moeder haar toestemming zal moeten geven voor deze erkenning. Wat gebeurt er wanneer zij deze toestemming niet geeft ? In dat geval stapt men naar de rechter die, naar analogie met de heteroseksuele koppels, zal moeten appreciëren of de meemoeder een goede moeder zal zijn. Dat is nog erger dan bij een adoptie, waar een controle plaatsvindt op basis van het belang van het kind. Diezelfde problemen zullen zich voordoen bij een volledige overzetting van de regels van de afstamming, als de moeder moet instemmen bij de erkenning. Zijn de partners ondertussen uit elkaar dan zal ze die instemming niet willen geven en dan zal de rechtbank de knoop moeten doorhakken in het belang van het kind.
Een derde probleem is dat in geen van beide wetsvoorstellen de technische voorwaarden voor het aanvechten van een vaststaande band van meemoederschap, duidelijk zijn. Het voorstel nr. 5-2445 zou kunnen herschreven worden in de zin dat het enkel van toepassing zou zijn op meemoeders en niet op meeouders zoals oorspronkelijk de bedoeling was. Ook het voorstel nr. 5-2483 is niet duidelijk betreffende de betwisting. Wat kan er betwist worden ? Er zijn in dit geval twee met mekaar gehuwde vrouwen, die een ouderschapsproject hadden. In de geboorteakte wordt de meemoeder beschouwd als moeder door de toepassing van het vermoeden van vaderschap. Wordt hier dan gesteld dat een andere vrouw het meemoederschap zou kunnen opeisen ? Bij heterokoppels is dergelijke regeling logisch : een andere man, die niet de echtgenoot is, kan het vaderschap betwisten. Maar welke andere vrouw zou dat kunnen doen ? Het aan te brengen bewijs is het bewijs dat de betroffen persoon geen toestemming heeft gegeven tot de verwekking van het kind in het kader van de wet op de medisch begeleide bevruchting. Maar als er gewerkt wordt in het kader van deze wet, dan is er een overeenkomst en is er dus een akkoord. Hoe zal er dan kunnen bewezen worden dat er geen akkoord is ? Dit klopt technisch niet.
Professor Sosson heeft ook vragen over de copy/paste van de afstamming waarbij men zegt dat, net zoals bij mannen, een onderzoek naar het vaderschap mogelijk zal zijn. In dit geval zal een onderzoek naar meemoederschap mogelijk worden. Maar wat moet er bewezen worden om een vrouw, die dat niet wenst, op te leggen dat ze meemoeder moet zijn ? Men moet bewijzen dat deze vrouw een gemeenschappelijk ouderschapsproject had en dat ze ingestemd heeft met de verwekking van het kind in het kader van de wet op de medisch begeleide voortplanting. In dat geval is het echter, aldus professor Sosson, niet nodig een vaderschapsonderzoek op te leggen. Als ze ingestemd heeft met deze procedure, zal er een automatisch meemoederschap zijn in het geval van een huwelijk. Ook als beide partners niet gehuwd zijn stelt zich een probleem van bewijslast.
Moeilijke vragen over de arresten van het Grondwettelijk Hof zullen niet kunnen vermeden worden. Professor Sosson vindt het problematisch om de regels aan te passen voor de meemoeders en niet voor alle burgers die kinderen krijgen. Ook bij de oplossing die professor Senaeve voorstelt, namelijk het omzetten van regels waarvan iedereen weet dat het Grondwettelijk Hof er problemen mee heeft, plaatst spreekster vraagtekens.
Ten slotte de vraag over het overgangsrecht, die zeer complex is. Moet men de wet retroactief van toepassing maken precies voor de meemoeders die hun dubbele afstammingsband niet kunnen vestigen omdat hun partner niet meer wil instemmen met de adoptie ? Dergelijke retroactiviteit zal ook betrekking hebben op personen die een ander parcours gevolgd hebben. Men moet zich bewust zijn van de technische complexiteit van dergelijke aanpak.
3. Replieken
De heer Laeremans wijst er op dat zijn vraag inzake de adoptie niet sloeg op een eventuele afschaffing van deze mogelijkheid. De vraag strekte ertoe te weten wat de holebi-beweging vindt van een eventuele aanpassing van de adoptie, zodat deze optie mogelijk zou worden voorafgaand aan de geboorte.
Senator Van Hoof meent dat de vragen die door professor Sosson werden opgeworpen, evenzeer kunnen worden opgeworpen in een heterokoppel waar er een niet-biologische vader is. Ook bij een gehuwd heterokoppel heeft de vader die de toestemming heeft gegeven geen recht meer dit te betwisten. De vraag die professor Sosson opwerpt voor de meemoeder, geldt evenzeer voor de niet-biologische vader in een heterokoppel dat zich in een vergelijkbare situatie bevindt. Er worden vandaag geen nieuwe technische vragen gesteld. De opgeworpen vragen zijn relevant, maar gelden niet enkel in een gelijkslachtige relatie.
Wat betreft het probleem waar professor Sosson op wees betreffende het opeisen van het meemoederschap, meent senator Van Hoof dat het inderdaad mogelijk is dat een paar een overeenkomst sluit bij een fertiliteitscentrum, de relatie daarna spaak loopt en dat de moeder tijdens de zwangerschap een andere vrouw leert kennen die het kind gaat erkennen. Op dat moment kan de oorspronkelijke meemoeder nog steeds het meeouderschap opeisen omdat zij de overeenkomst heeft gesloten. Er zijn dus wel degelijk situaties denkbaar bij het spaak lopen van een relatie of huwelijk waar een andere vrouw dan de oorspronkelijke partner van de moeder het kind wil erkennen.
Professor Senaeve volgt het standpunt van senator Van Hoof. Hij geeft het voorbeeld van een gehuwd koppel waar de man onvruchtbaar is en ermee akkoord gaat dat de echtgenote zich via geslachtsbetrekkingen laat bevruchten door de buurman of de postbode. Het is de bedoeling van dit koppel een kind te verwekken binnen het huwelijk. Het vaderschap ten aanzien van de echtgenoot staat vast : noch echtgenoot noch echtgenote kunnen dit betwisten. Ook de genetische vader kan dat niet betwisten. Dit is al zo sinds de wet van 1987. Als dat zou getransponeerd worden op de meemoeder ziet professor Senaeve daar geen graten in.
Professor Sosson blijft er van overtuigd dat het verschillend is. Voor een koppel dat via een fertiliteitscentrum gaat is er geen probleem. Bovendien maakt de wet van 2007 het mogelijk een niet-anonieme donor te gebruiken voor sperma of eicellen. Als deze koppels naar een centrum gaan met een niet-anonieme donatie, dan vallen zij onder het kader van de wet op de medisch begeleide voortplanting. Het wetsvoorstel nr. 5-2445 stelt echter dat een bekende donor moet instemmen met de erkenning als de moeder niet gehuwd is. De donor krijgt dus wel degelijk een plaats vermits hij zijn toestemming zal moeten geven. In het geval van de buurman of de postbode in het voorbeeld van professor Senaeve zal dat niet het geval zijn. Waarom moet in het voorstel 5-2445 de niet-anonieme donor toestemming geven voor de adoptie als men tegelijk zegt dat de situatie voor homo-en heterokoppels precies hetzelfde is ?
De heer Hellings meent dat draagmoederschap toch niet op hetzelfde niveau geplaatst kan worden als vriendschappelijke of anonieme spermadonatie ? De donatie is absoluut niet hetzelfde. Bovendien is het anonieme draagmoederschap onmogelijk, in de hypothese dat er wetgevend zou opgetreden worden inzake het draagmoederschap. Het kind zal altijd geboren worden uit een vrouw. Alle experten hebben het uitgebreid gehad over de problematiek van de tenuitvoerlegging van een snelle afstammingsband voor lesbische vrouwen. Maar één van de fundamentele vragen, is of deze vereenvoudigde afstamming ook van toepassing zou zijn op homokoppels. Zal het voorstel 5-2445 op hen van toepassing zijn ? Volgens de heer Hellings zal dat niet het geval zijn. Er moet dus momenteel geen rekening gehouden worden met de vraag rond meevaderschap.
Het lijkt senator Hellings dat de problematiek van de homokoppels kan losgekoppeld worden van de voorstellen tot vereenvoudiging van de afstamming. Dergelijke regels zouden nooit van toepassing zijn op homokoppels, omdat ze in dat geval altijd een afstand impliceren, de afstand die de draagmoeder doet van haar kind en dus bijgevolg een adoptie.
Professor Sosson merkt op dat, indien men wenst dat de regelgeving niet van toepassing is op homokoppels, meer nodig is dan een simpele opkuis van de tekst van het voorstel nr. 5-2445. Het voorstel heeft namelijk een mengeling gemaakt en het volstaat niet een paar simpele aanpassingen te maken. Er moet op verschillende plaatsen gesleuteld worden aan de tekst.
Wat betreft het draagmoederschap is spreekster het ermee eens dat het om een andere materie gaat. Dat probleem vraagt een andere aanpak naargelang de draagmoeder de genetische moeder van het kind is of dat niet is. Veel draagmoeders in de Verenigde Staten werken met een gedoneerde eicel en zijn dus genetisch niet verbonden met het kind waar ze zwanger van zijn. Dat is een andere situatie. Het argument van de heer Hellings dat een vrouw niet kan verplicht worden haar kind af te staan is zeer valabel wanneer de draagmoeder de genetische moeder is van het kind, maar is wat anders wanneer ze dat niet is.
Volgens professor Sosson is een derde optie mogelijk, namelijk de vestiging van een afstammingsmethode die geen copy/paste is van het vermoeden van vaderschap, maar die er simpelweg uit zou bestaan in gelijkslachtige koppels een verklaring af te leggen waardoor het meeouderschap vaststaat, of de vrouwen nu met mekaar gehuwd zijn of niet. Dat is wat er in Noorwegen en Zweden gebeurt. Het meemoederschap wordt niet vermoed zoals het vaderschap wordt vermoed. De regels worden niet getransponeerd vermits de realiteit toch niet volledig gelijk is, maar er is een mogelijkheid de afstamming vast te stellen vanaf de geboorte van het kind. Het gaat bovendien niet om een adoptie en veronderstelt dus geen controle van een overheid. Die mogelijkheid bestaat wanneer is voldaan aan de voorwaarden om een beroep te doen op medisch begeleide voortplanting. Er is dus wel degelijk een andere weg mogelijk.
Professor Senaeve is het niet eens met het voorstel van professor Sosson. Hij is de mening toegedaan dat als een statuut wordt uitgewerkt, het beter is om via het afstammingsrecht te werken. Uiteraard kan er nooit een zuivere copy/paste zijn, er zullen aanpassingen nodig zijn.
Professor Senaeve ziet niet in hoe je een regeling kan treffen die alleen zou gelden voor het kind dat uit een lesbische gehuwde relatie geboren wordt waar de verwekking gebeurde via medisch begeleide voortplanting. Dit zou een flagrante discriminatie zijn. Als twee vrouwen beslissen via geslachtsbetrekkingen met een man een kind te hebben, wat ook een ouderschapsproject is, dan zou het een flagrante discriminatie zijn, niet enkel ten aanzien van de meemoeder maar in de eerste plaats ten aanzien van het kind dat in dergelijke relatie geboren wordt, dat het niet dezelfde bescherming krijgt als het kind dat in een gehuwd lesbisch koppel geboren wordt na donorinseminatie met een anonieme donor. Er wordt nogal veel gedacht en gesproken vanuit het standpunt en het belang van de meemoeder, maar er moet evenzeer of zelfs in de eerste plaats gedacht worden aan het belang van het kind. En er kunnen geen twee regelingen voor beide soorten kinderen getroffen worden.
De heer Laeremans stelt vast dat er zeer uiteenlopende meningen zijn en de tekst absoluut niet breed gedragen wordt. Hij benadrukt dat het gaat om fundamentele wetgeving, namelijk een kernelement van het familierecht. Dergelijke wetgeving kan niet geïmproviseerd worden en verdient beter dan prutswerk en compromissen allerhande. Als er zelfs geen duidelijkheid is over de terminologie dan staat de tekst nog nergens en is het beter het debat door te schuiven naar de volgende legislatuur. Het is trouwens zeer onwaarschijnlijk dat de voorliggende tekst, zelfs als hij goedgekeurd wordt in de Senaat, nog door de Kamer zal kunnen behandeld worden voor het einde van de legislatuur.
De heer Laeremans stelt voor de tekst voor te leggen aan de Raad van State en minstens aan de Dienst Wetsevaluatie van de Senaat, zodat duidelijk wordt of het voorstel minstens gedeeltelijk tegemoetkomt aan de opmerkingen die geformuleerd werden door de experten.
Volgens de heer De Gucht is het duidelijk dat de heer Laeremans dit dossier het liefst zou begraven. Spreker meent dat de voorliggende tekst zo snel mogelijk moet worden gestemd om de meemoeders zo snel mogelijk een wetgevend kader te geven waardoor zij niet langer discriminerend behandeld worden op dit gebied.
IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING
Amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 1 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) dat ertoe strekt de volledige tekst van het wetsvoorstel te vervangen door de tekst van het wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de invoering van een statuut voor meeouders (stuk Senaat, nr. 5-2483/1).
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Amendement nr. 33
Subamendement op amendement nr. 1
De heer Delpérée dient amendement nr. 33 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe in de Franstalige tekst telkens het woord « co-mère » te vervangen door het woord « coparente » en het woord « co-maternité » door het woord « comaternité ».
De heer Delpérée verwijst naar zijn schriftelijke toelichting.
Voorgesteld opschrift
Amendement nr. 2
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 2 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgestelde opschrift het woord « meeouder » te vervangen door « meemoeder ».
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
De heer Delpérée stelt voor in de Franstalige tekst het woord « co-mère » te vervangen door het woord « coparente ».
De heer Mahoux heeft geen probleem met de originele, Nederlandstalige tekst, maar er moet verder gekeken worden dan het puur taalkundige aspect. De oorspronkelijke tekst was inclusief en wenste een oplossing te bieden voor het geheel van problematieken die zich op een bepaald moment zouden kunnen voordoen, zelfs al werd in de oorspronkelijke versie opgemerkt dat de tekst in eerste instantie enkel op lesbische koppels van toepassing zou zijn. Daarop werd beslist over te stappen naar een tekst die duidelijker gericht was op de situatie van lesbische koppels. Nu wordt nog een stap verder gezet door te verwijzen naar meemoeders, terwijl meemoeders wel degelijk meeouders zijn. Het behoud van de term « meeouder » heeft bovendien als voordeel dat de term niet moet worden aangepast wanneer de wetgeving ook van toepassing wordt op mannelijke gelijkslachtige koppels.
De heer Hellings meent dat de woorden « co-moeder » en « co-mère » moeten worden behouden, louter uit redenen van doeltreffendheid. Zelfs in de hypothese dat de wetgever een regeling zou uitwerken voor een niet-commercieel en vrijwillig draagmoederschap, zou het voorliggende wetsvoorstel niet van toepassing zijn op homoseksuele koppels die een beroep gedaan hebben op dergelijk draagmoederschap. Het zal voor homoseksuele koppels steeds gaan over de afstand van een kind, gevolgd door een adoptie. De automatische afstamming zal ook in de toekomst nooit van toepassing zijn op homoseksuele koppels. Het is daarom belangrijk om vandaag werk te maken van wat het meest dringend is en het meest belangrijk, namelijk de automatische afstamming voor lesbische koppels die meestal een beroep doen op medisch begeleide voortplanting. Het gaat niet over de gelijkheid of ongelijkheid tussen homo's en lesbiennes. Het gaat over de gevallen waar de wet op van toepassing zal zijn. In dit geval zal dat op lesbische koppels zijn omdat zij zelf van een kind bevallen.
Wat betreft de discussie over toekomstige regelgeving, merkt de heer Mahoux op dat er al lang gepraat wordt over een regeling voor het draagmoederschap, maar dat er nog geen akkoord over is. De posities van de groepen zijn duidelijk. Er wordt vastgehouden aan het inbouwen van een vorm van discriminatie in de tekst die niet aanwezig was in de oorspronkelijke versie. Dat is nu eenmaal het compromis omdat er geen meerderheid was om het oorspronkelijke voorstel te steunen, alhoewel senator Mahoux persoonlijk de voorkeur geeft aan de oorspronkelijke tekst.
De heer Courtois meldt ter informatie van de commissieleden dat de taaldienst van de Senaat laat weten dat het woord « parent » in het Frans een ruimere betekenis heeft dan het woord « ouder » in het Nederlands. Om die reden werd gekozen voor het woord « co-mère » in de vertaling.
De heer Delpérée geeft de voorkeur aan het woord dat de commissie heeft voorgesteld. Hij zal een subamendement indienen op amendement nr. 1 om de tekst in die zin aan te passen.
Mevrouw Van Hoof stelt voor in het Frans het woord « coparente » te behouden, zoals de heer Delpérée aangeeft. Het wetsvoorstel dat voorligt gaat namelijk enkel over de afstammingsbanden ten aanzien van de meemoeder.
Artikel 1/1 (nieuw)
Amendement nr. 3
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 3 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in de voorgestelde tekst een artikel 1/1 in te voegen, luidende :
« Art. 1/1. In artikel 56 van het Burgerlijk Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 14 januari 2013, worden de woorden « door de vader of door de moeder » telkens vervangen door de woorden « door de vader, de moeder of de meemoeder ».
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Voorgesteld artikel 2
Amendement nr. 4
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 4 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgestelde artikel 2 de woorden « de meeouder » te vervangen door de woorden « de meemoeder » en het woord « meeouderszijde » door het woord « meemoederszijde ».
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Voorgesteld artikel 3
Amendement nr. 5
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 5 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgestelde artikel 3 de woorden « de meeouder » te vervangen door de woorden « de meemoeder » en het woord « meeouderszijde » door het woord « meemoederszijde ».
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Artikel 3/1 (nieuw)
Amendement nr. 6
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 6 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om een artikel 3/1 (nieuw) in te voegen teneinde ook de mogelijkheid te voorzien om de meemoeder te vermelden in de akte van aangifte van een levenloos kind, aangezien de afstamming voortaan ook ten aanzien van de meemoeder vastgesteld kan worden.
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Voorgesteld artikel 4
Amendement nr. 7
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 7 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgestelde artikel 4 de woorden « het meeouderschap » te vervangen door de woorden « het meemoederschap ».
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Voorgesteld artikel 5
Amendement nr. 8
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 8 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgestelde artikel 5 de woorden « het meeouderschap » te vervangen door de woorden « het meemoederschap ».
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Amendement nr. 29
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 29 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in artikel 5 enkele technische aanpassingen aan te brengen teneinde rekening te houden met de wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank.
Mevrouw Van Hoof verduidelijkt dat het gaat om een technische aanpassing teneinde rekening te houden met de wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank.
Voorgesteld artikel 6
Amendement nr. 9
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 9 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgestelde opschrift van Hoofdstuk 2/1 het woord « meeouderszijde » te vervangen door het woord « meemoederszijde ».
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Voorgesteld artikel 8
Amendement nr. 10
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 10 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgesteld artikel 325/1 de woorden « het meeouderschap » te vervangen door de woorden « het meemoederschap ».
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Voorgesteld artikel 9
Amendement nr. 11
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 11 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgestelde opschrift van afdeling 2 het woord « meeouderschap » te vervangen door het woord « meemoederschap ».
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Voorgesteld artikel 10
Amendement nr. 12
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 12 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgesteld artikel 325/2 het woord « meeouder » te vervangen door het woord « meemoeder ».
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Voorgesteld artikel 11
Amendement nr. 13
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 13 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om verschillende wijzigingen aan te brengen aan het voorgesteld artikel 325/3.
Mevrouw Van Hoof licht toe dat amendement nr. 13 enerzijds de kinderen betreft die niet werden verwekt met behulp van medisch begeleide voortplanting. Voor de betwistingsperiode geldt voor eenieder, zowel de moeder, de echtgenote, de vrouw die het meeouderschap opeist, de vordering van de man en de vordering van het kind, een periode van één jaar na de ontdekking. Voor de moeder geldt een periode van één jaar na de geboorte. Verder worden de §§ 3 en 4 samengebracht in navolging van een opmerking van professor Senaeve.
Senator Laeremans heeft grote vragen bij amendement nr. 13, dat hij totaal onleesbaar vindt. Het zal grote rechtsvragen veroorzaken. Het amendement stelt letterlijk : « De vordering van de echtgenote moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat zij niet heeft toegestemd in de daad die de voortplanting tot doel had of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de verwekking van het kind niet het gevolg kan zijn van de daad die de voortplanting tot doel had en waarin zij heeft toegestemd. » Dit is pure Kafka. Bovendien creëert het nieuwe rechtsfiguren die niet gedefinieerd zijn en veel uitleg behoeven. Waarin moet een echtgenote, waarvan senator Laeremans veronderstelt dat ze niet de moeder is maar de meemoeder wordt, toestemmen ? Dat er een kind komt ? In dat geval krijgt de toestemming een aparte juridische draagwijdte. Spreker kan zich indenken dat er situaties zijn waarbij op een gegeven moment iemand in een koppel zwanger wordt zonder dat voor die zwangerschap specifiek toestemming is gegeven. Wat betekent trouwens « toestemming geven voor een zwangerschap » ? In een heteroseksuele relatie bestaat dat volgens spreker niet. Welk daden van voortplanting kunnen hieronder vallen ? Kan het een natuurlijke daad zijn waarbij men zich bewust door een man laat bevruchten om tot een zwangerschap te komen ? Of moet dit gezien worden in het kader van een medisch begeleide voortplanting ? Dat is niet duidelijk.
Hoe zal bovendien de toestemming bewezen worden die een echtgenote al dan niet heeft gegeven ? Moet deze toestemming op papier gezet worden en zo niet, hoe zal men dat dan bewijzen ? Kan of moet dat in een contract worden opgenomen ? Wanneer heeft een daad de voortplanting tot doel ? Het is mogelijk dat een seksuele daad helemaal niet de voortplanting tot doel had. Een koppel kan het bijvoorbeeld eens zijn een kind te krijgen via medisch begeleide voortplanting, maar plots komt de vrouw zwanger naar huis na een seksuele daad. Hoe moet dit geïnterpreteerd worden ? Er is meer uitleg nodig over wat de toestemming inhoudt. Men introduceert rechtsgevolgen aan de toestemming, dus is het maar logisch dat men weet wat die toestemming precies inhoudt.
Mevrouw Van Hoof antwoordt dat de huidige afstammingsregels binnen het B.W. werden doorgetrokken. Artikel 318, § 4, van het B.W. bepaalt het volgende : « De vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap is niet ontvankelijk als de echtgenoot toestemming heeft gegeven tot kunstmatige inseminatie of tot een andere daad die de voortplanting tot doel had, tenzij de verwekking van het kind hiervan niet het gevolg kan zijn. » In het voorgestelde amendement staat precies hetzelfde ten opzichte van de echtgenote. Ook vandaag kan de echtgenoot binnen een heterokoppel niet betwisten wanneer hij deze toestemming heeft gegeven. Deze regelgeving bestaat al sinds 1987.
De heer Laeremans repliceert dat in het huidige artikel 318, § 4, nadrukkelijk wordt verwezen naar kunstmatige inseminatie. In het voorliggende amendement wordt een andere terminologie gebruikt. Er is dus wel degelijk een verschil.
Mevrouw Van Hoof stipuleert dat de wet op de medisch begeleide voortplanting nog niet bestond in 1987. Toen werd de terminologie « kunstmatige inseminatie » gebruikt. Als het gaat over meeouderschap binnen het huwelijk, wordt er gerefereerd naar medisch begeleide voortplanting of de daad die de verwekking tot gevolg heeft. Het amendement is dus volledig conform de bepalingen van de wet op de medisch begeleide voortplanting.
Wat betreft de toestemming, geldt volgens spreekster ook vandaag al dat eender welk middel kan worden aangewend om de toestemming te bewijzen. Het ouderschapsproject in het kader van de medisch begeleide voortplanting is het meest duidelijke omdat dan samen een conventie werd gemaakt. Bij de andere daad kan elk middel waarmee kan bewezen worden dat iemand al dan niet de vader is, aangewend worden voor de rechtbank.
Amendement nr. 30
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 30 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgestelde artikel 325/3 enkele technische aanpassingen aan te brengen teneinde rekening te houden met de wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank.
Voorgesteld artikel 13
Amendement nr. 14
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 14 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om verschillende wijzigingen aan te brengen aan het voorgesteld artikel 325/4.
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Voorgesteld artikel 14
Amendement nr. 15
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 15 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgesteld artikel 325/5 de woorden « De meeouder » te vervangen door de woorden « De meemoeder ».
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Voorgesteld artikel 15
Amendement nr. 16
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 16 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgesteld artikel 325/6 de woorden « de meeouder » telkens te vervangen door de woorden « de meemoeder ».
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Voorgesteld artikel 16
Amendement nr. 17
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 17 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgesteld artikel 325/7 verschillende wijzigingen aan te brengen om het beginpunt te verduidelijken van de termijn voor de betwisting van het meemoederschap dat door erkenning werd vastgesteld naar analogie met de betwisting van het meemoederschap dat van rechtswege komt vast te staan.
Mevrouw Van Hoof licht toe dat amendement nr. 17 in eerste instantie het beginpunt betreft van de termijn voor de betwisting van het meemoederschap dat door erkenning werd vastgesteld naar analogie met de betwisting van het meemoederschap dat van rechtswege komt vast te staan. Buiten het huwelijk en de toestemming in het kader van de MBV-wet worden evenwel geen rechtsgevolgen gehecht aan de loutere toestemming van de vrouwelijke partner van de moeder tot een daad die de voortplanting tot doel had net zoals dit evenmin het geval zou zijn indien een man buiten het huwelijk en buiten het kader van de MBV-wet daartoe de toestemming zou hebben gegeven.
Amendement nr. 31
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 31 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgestelde artikel 325/7 enkele technische aanpassingen aan te brengen teneinde rekening te houden met de wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank.
Voorgesteld artikel 17
Amendement nr. 18
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 18 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het opschrift van afdeling 4 het woord « meeouderschap » te vervangen door het woord « meemoederschap ».
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Voorgesteld artikel 18
Amendement nr. 19
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 19 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgesteld artikel 325/8 het woord « meeouderschap » te vervangen door het woord « meemoederschap ».
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Amendement nr. 32
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 32 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgestelde artikel 325/8 enkele technische aanpassingen aan te brengen teneinde rekening te houden met de wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank.
Voorgesteld artikel 19
Amendement nr. 20
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 20 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgesteld artikel 325/9 de volgende wijzigingen aan te brengen :
1° in het eerste lid worden de woorden « de vermeende meeouder » vervangen door de woorden « de vermeende meemoeder ».
2° in het tweede lid wordt het woord « meeouderszijde » vervangen door het woord « meemoederszijde ».
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Voorgesteld artikel 20
Amendement nr. 21
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 21 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgesteld artikel 325/10 het woord « meeouderschap » te vervangen door het woord « meemoederschap » en de woorden « de vermeende meeouder » te vervangen door de woorden « de vermeende meemoeder ».
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Voorgesteld artikel 21
Amendement nr. 22
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 22 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgesteld lid van artikel 328bis het woord « meeouderschap » te vervangen door het woord « meemoederschap ».
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Voorgesteld artikel 22
Amendement nr. 28
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 28 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgesteld artikel 22 te vervangen als volgt :
« Art. 22. Artikel 329 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, wordt aangevuld met een lid, luidende :
« Ten aanzien van een kind kunnen niet meer dan twee afstammingsbanden uitwerking hebben.
Zo een kind wordt erkend door meer dan een persoon van hetzelfde geslacht, heeft alleen de eerste erkenning gevolg zolang ze niet is vernietigd. Deze bepaling is niet van toepassing in geval van een erkenning door de meemoeder van een kind dat door de moeder erkend werd.
Zo een kind wordt erkend door een vader en een meeouder, heeft alleen de eerste erkenning gevolg zolang ze niet is vernietigd. »
Mevrouw Van Hoof licht toe dat amendement nr. 28 stelt dat afstammingsbanden niet meer dan twee uitwerkingen kunnen hebben. Je kan maar afstammen van twee ouders. Bij betwisting geldt de eerste erkenning indien zowel een meemoeder als een vader dit opeist.
Voorgesteld artikel 23
Amendement nr. 23
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 23 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgesteld artikel 23 het woord « meeouder » te vervangen door het woord « meemoeder ».
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Voorgesteld artikel 24
Amendement nr. 24
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 24 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgesteld artikel 332bis het woord « meeouderschap » telkens te vervangen door het woord « meemoederschap ».
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Voorgesteld artikel 25
Amendement nr. 25
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 25 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgestelde derde en vierde lid voorgestelde artikel 332ter het woord « meeouderschap » telkens te vervangen door het woord « meemoederschap ».
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Voorgesteld artikel 26
Amendement nr. 26
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 26 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgestelde artikel 26 de volgende wijzigingen aan te brengen :
a) in 1° wordt het woord « meeouderszijde » vervangen door het woord « meemoederszijde » en worden de woorden « de meeouder » telkens vervangen door de woorden « de meeouder ».
b) in 2° wordt het woord « meeouderszijde » vervangen door het woord « meemoederszijde » en worden de woorden « van de meeouder » vervangen door de woorden « van de meemoeder ».
Mevrouw Van Hoof verwijst naar haar schriftelijke verantwoording.
Voorgesteld artikel 28
Amendement nr. 27
Subamendement op amendement nr. 1
Mevrouw Van Hoof c.s. dienen amendement nr. 27 in (zie stuk Senaat, nr. 5-2445/2) als subamendement op amendement nr. 1. Dit amendement strekt ertoe om in het voorgestelde artikel 28 aan te vullen met het volgende lid :
« Onverminderd het eerste lid, zijn de artikelen 325/4 tot 325/7 vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze wet van toepassing op kinderen geboren voor de inwerkingtreding van deze wet, voor zover er tussen de persoon die het kind wenst te erkennen en het kind nog geen afstammingsband ontstaan is via adoptie. »
Mevrouw Van Hoof licht toe dat dit amendement verduidelijkt dat de meemoeder als overgangsmaatregel de mogelijkheid heeft om kinderen geboren voor de inwerkingtreding van deze wet te erkennen.
V. STEMMINGEN
De amendementen nrs. 2 tot 32 worden aangenomen met 14 stemmen tegen 1 stem.
Het amendement nr. 33 wordt aangenomen met 13 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
De heer Mahoux heeft zich onthouden bij het amendement nr. 33 om de redenen die hij weergegeven heeft bij de discussie over het gebruik van het woord « co-mère » of « coparent ».
Het gesubamendeerde amendement nr. 1 wordt aangenomen met 14 stemmen tegen 1 stem.
Het geheel van het geamendeerde wetsvoorstel houdende afstamming van de meemoeder wordt aangenomen met 14 stemmen tegen 1 stem.
Er werd vertrouwen geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.
| De rapporteur | De voorzitter |
| Bert ANCIAUX. | Alain COURTOIS. |