5-2785/3

5-2785/3

Belgische Senaat

ZITTING 2013-2014

23 APRIL 2014


Wetsontwerp tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR

DE HEER ANCIAUX


I. PROCEDURE

Voorliggend facultatief bicameraal wetsontwerp werd ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers op 25 november 2013.

Het werd aangenomen op 20 maart 2014 met 71 tegen 50 stemmen bij 8 onthoudingen en aan de Senaat overgezonden op 21maart 2014.

Het werd op 25 maart geëvoceerd en in de commissie voor de Justitie besproken op 2 en 23 april 2014, in aanwezigheid van de minister van Justitie.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN JUSTITIE

Mevrouw Turtelboom, minister van Justitie, herinnert eraan dat voorliggend wetsontwerp in de Kamer van volksvertegenwoordigers op 20 maart 2014 werd goedgekeurd met 71 tegen 50 stemmen bij 8 onthoudingen. Het ontwerp omvat de vrije keuzemogelijkheid waarbij niemand wordt verplicht om te kiezen voor een bepaalde naam. Sedert de Franse revolutie wordt in ons land de naam van de vader doorgegeven. Voorliggend wetsontwerp wil hier nu twee mogelijkheden aan toevoegen : de keuze voor de naam van de moeder, of voor de dubbele naam van zowel de vader als de moeder van het kind, in de volgorde die men kiest. Belangrijk is dat er een eenheid is in de familie.

De minister herinnert eraan dat het ontwerp nu wordt besproken via de gebruikelijke parlementaire weg, nadat het in juli 2013 de goedkeuring kreeg van alle partijen die de parlementaire meerderheid uitmaken, omdat gedurende de afgelopen veertien jaar vele wetsvoorstellen werden ingediend door verschillende politieke fracties. Telkens blijkt dat men het eens is over de analyse van het probleem, maar dat men nooit tot een oplossing van het probleem komt. De minister meent dat nu knopen moeten worden doorgehakt en dit is het doel van het wetsontwerp.

Zij wijst erop dat de tekst, zoals hij vandaag voorligt, helemaal geen schokkende elementen bevat zoals sommigen beweren, maar dat hij volledig in de lijn ligt met wat in vele Europese landen ook reeds werd ingevoerd, met name dat de vader en de moeder samen kunnen beslissen welke naam zij aan hun kind wensen te geven. In Frankrijk hebben de ouders de keuze om hun beide namen samen te voegen. In de Scandinavische landen, in Oostenrijk, in Zwitserland en op het Iberisch schiereiland bestaat de mogelijkheid om de naam van de vader en de moeder door te geven. Volgens de minister wordt aldus een discriminatie weggewerkt. België is immers, samen met Italië, het laatste land waar deze nog bestaat.

Sommige wetsvoorstellen voorzagen in de verplichting om de naam van zowel de vader als de moeder aan het kind te geven. De minister wenst evenwel de weg van de geleidelijkheid te bewandelen om de discriminatie weg te werken en het respect te behouden ten aanzien van een eeuwenlange traditie. Vandaar dat zij meent dat voorliggend wetsontwerp een goede regeling inhoudt. Het geeft immers de mogelijkheid aan de ouders, maar verplicht hen geenszins. De cijfers in Frankrijk geven aan dat 82 % blijft kiezen voor de naam van de vader; 18 % maken een andere keuze.

Uit de reacties die de minister ontving blijkt dat het wetsontwerp tegemoet komt aan de verzuchting van een brede laag van de bevolking. Kinderen hebben immers twee ouders; het zou dan ook logisch zijn om hen ten minste de keuze te laten hun beide namen al dan niet aan hun kinderen te schenken. Zij meent dan ook dat de voorgestelde regeling een grote stap vooruit is. De minister verwijst in dit verband naar het standpunt van de Vrouwenraad die reeds jaren ijvert voor de wegwerking van de discriminatoire wetgeving volgens dewelke een kind dat binnen het huwelijk wordt geboren automatisch de naam van de vader krijgt. Het principe van de vrije keuze is volgens de Vrouwenraad dan ook een stap in de goede richting.

De minister erkent dat de voorgestelde tekst de weg van de geleidelijkheid bewandelt. Wetten zijn steeds vatbaar voor kritiek en zijn ook nooit definitief. In een volgende legislatuur kunnen vanzelfsprekend nog wijzigingen worden aangebracht, maar de minister benadrukt het belang om voorliggend wetsontwerp nog aan te nemen vóór de nakende ontbinding van de Wetgevende Kamers.

III. ALGEMENE BESPREKING

Mevrouw Taelman is van mening dat voorliggend wetsontwerp belangrijk is omdat het over onze kinderen gaat. Het debat is emotioneel omdat eenieder er een uitgesproken mening over heeft. Sommigen ijveren ervoor om een kind automatisch de naam van de moeder te geven vermits het moederschap altijd vaststaat. Anderen pleiten voor een dubbele naamgeving en nog anderen menen dat de bestaande traditie moet gerespecteerd worden en het kind derhalve de naam van de vader moet krijgen. Spreekster stelt vast dat er geen draagvlak bestaat voor de automatische toekenning van de naam van de moeder. Zij meent dat dit wel het geval is met de voorliggende tekst, hoewel men mogelijk verder zou kunnen gaan en voor de dubbele naamgeving zou kunnen opteren.

Over dit alles leven verschillende, uitgesproken meningen, die reeds uitgebreid aan bod kwamen in de Kamer van volksvertegenwoordigers. Men moet er zich evenwel van bewust zijn dat een aangelegenheid, waarover nu reeds vijfentwintig jaar wordt gedebatteerd, en die heeft aanleiding gegeven tot een veroordeling van Italië — waar de wetgeving identiek is als die van België — door het Europees Hof voor de rechten van de mens, niet langer op een oplossing kan wachten. Gelet op de nakende ontbinding van de Wetgevende Kamers moeten dan ook knopen worden doorgehakt. De voorgestelde wetswijziging is nodig, zowel vanuit maatschappelijk als juridisch oogpunt bekeken.

Mevrouw Taelman hoopt dan ook dat men niet zal overgaan tot amendering van het wetsontwerp dat reeds werd goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers, zodat de wet snel kan worden gewijzigd. Wie niet helemaal tevreden is met deze stap vooruit, kan in de volgende legislatuur steeds wetsvoorstellen indienen om nog verdere stappen te zetten in de goede richting. Zij stelt dan ook voor dat de commissie zou overgaan tot de stemming.

De heer Laeremans vindt deze redenering ongelooflijk grof. Hij verwijst naar de hoorzittingen die reeds in 2011 werden gehouden in de Senaat — nog vóór de bespreking van deze problematiek in de Kamer van volksvertegenwoordiger — maar die niet gevolgd werden door een ernstig debat ten gronde. Kan men in de Senaat niet langer een normaal debat houden over een fundamentele aangelegenheid als deze ? Is het niet langer toegelaten om als senator amendementen in te dienen op een wetsontwerp ?

Spreker verwijst naar de listige wijze waarop men de stemming heeft uitgelokt in de Kamercommissie voor de Justitie, gebruik makend van de toevallige en kortstondige afwezigheid van een fractieleider van een politieke fractie die deel uitmaakt van de parlementaire meerderheid. Mocht deze stemming op een correcte wijze gebeurd zijn, was voor dit wetsontwerp zelfs geen meerderheid gevonden in de bevoegde commissie en had de Kamer van volksvertegenwoordigers zich in plenaire vergadering niet eens kunnen uitspreken over de voorgestelde tekst. De heer Laeremans, zelf gewezen commissievoorzitter van de Kamer, zou zoiets nooit hebben laten gebeuren. Men heeft hier gebruik gemaakt van de goedgelovigheid en loyauteit van de betrokken fractieleider die met zijn partijvoorzitter aan het overleggen was. Men heeft hier een loopje genomen met de gangbare parlementaire procedure.

Als klap op de vuurpijl wordt de senatoren nu gevraagd om meteen over te gaan tot de stemming en geen amendementen in te dienen, ongeacht de visie van de senatoren over deze aangelegenheid. Dit is nooit gezien ! Dit is onwaarschijnlijk grof, gelet op het feit dat senatoren die deel uitmaken van de meerderheid reeds amendementen hebben ingediend en ook de heer Laeremans zelf dit reeds heeft gedaan vanuit de oppositie. Dit maakt deel uit van de democratische gang van zaken en men kan dit recht niet zomaar ontzeggen aan de senatoren.

Bovendien is het bijzonder sterk dat zelfs de minister van Justitie en een fractieleider in de Senaat, beiden deel uitmakend van dezelfde politieke partij, nu reeds suggereren om de voorgestelde tekst in de volgende legislatuur te wijzigen. De heer Laeremans is evenwel van mening dat men in deze aangelegenheid, die zeer gevoelig ligt en aanleiding geeft tot hoog oplopende emoties, niet zomaar kan klungelen en improviseren. De minister wenst blijkbaar ruzie te stoken in alle families door zelf reeds aan te kondigen de naam van haar kinderen te zullen wijzigen. Zij zet beide echtgenoten zo tegen mekaar op en maakt ook de kinderen op tegen hun ouders, vermits de wetgeving van toepassing zal zijn op minderjarige kinderen. De minister wil zo de revanche realiseren van enkele overjaarse feministen !

De minister van Justitie wil de Senaat de mening opdringen dat men een discriminatoire wetgeving moet rechtzetten, maar dit is geenszins het geval, zoals blijkt uit de hoorzittingen die in de Senaatscommissie voor de Justitie werden gehouden. Concluderend, meent de heer Laeremans dat het ongehoord is dat men een wetgeving, die aanleiding heeft gegeven tot hoog oplopende discussies in de Kamer van volksvertegenwoordigers, snel wil doordrukken in de Senaat, zonder de mogelijkheid te creëren om een debat ten gronde te voeren.

De heer Delpérée wijst erop dat de Senaatscommissie voor de Justitie op 26 maart 2014 het geamendeerde wetsvoorstel houdende de vaststelling van de afstamming van de meemoeder (stuk Senaat, nr. 5-2445/1) heeft aangenomen. Indien de Senaat zowel dit wetsvoorstel als het thans besproken wetsontwerp tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde (stuk Senaat, nr. 5-2785) ongewijzigd zou aannemen, zou dit getuigen van incoherentie vermits de ene tekst geen rekening houdt met de andere. Nergens is in voorliggend wetsontwerp immers sprake van de meemoeder. Kan het kind de naam van de meemoeder verwerven volgens de door de minister voorgestelde regeling ? Dit is nergens voorzien !

De Senaat kan inderdaad, op basis van artikel 78 van de Grondwet, beslissen om niet te amenderen nadat hij een wetsontwerp dat reeds door de Kamer van volksvertegenwoordigers werd overgezonden heeft geëvoceerd. Indien de Senaat niet amendeert, is dit volledig conform de grondwettelijke voorschriften. Men dient zich evenwel af te vragen waarom deze bepaling in de Grondwet werd opgenomen. De grondwetgever heeft willen verhinderen dat onderling tegenstrijdige amendementen of amendementen ontdaan van elke zin zouden worden aangenomen. Dit is hier echter geenszins het geval : de ingediende amendementen die de senatoren reeds ontvingen zijn wel degelijk pertinent. Door nu te vragen, zoals mevrouw Taelman doet, deze niet te bespreken en meteen over te gaan tot de eindstemming in de commissie, snoert men de senatoren, als vertegenwoordigers van het Belgische volk, de mond. Dit is des te erger nu dit verzoek komt vanwege de senatoren. Dit strookt geenszins met de opvatting van de heer Delpérée over de rol van de Senaat, vandaag noch in de toekomst.

Mevrouw de Bethune is het eens met de vaststelling dat de commissie een belangrijk debat voert, dat ons allen aanbelangt. Het gaat immers om de kinderen en hun identiteit, en de verbondenheid van elkeen met de ruime familie over de generaties heen, grootouders en kleinkinderen. Dit is het bijzondere aan dit debat. Zij vindt het terecht dat men de bestaande wetgeving aanpast aan het bestaande rechtsgevoel. De wetgeving inzake naamgeving is een van de laatste bestaande discriminaties ten aanzien van de moeder bij de geboorte van het kind. Daarom zijn er reeds vele voorstellen om hieraan te verhelpen en het debat dat in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd gevoerd heeft aangetoond dat er een meerderheid wordt gevonden om de bestaande wetgeving te wijzigen. Dit is positief.

De vraag is evenwel : welke is de juiste oplossing ? Mevrouw de Bethune meent dat de eerlijkste oplossing erin bestaat aan de kinderen een dubbele naam te geven : de naam van de vader én van de moeder. Vanzelfsprekend moet een oplossing gevonden worden voor die gevallen waarbij één van de ouders niet gekend is, maar dit mag niet verhinderen dat een dubbele naamgeving het wettelijk stelsel wordt.

De regeling die door de Kamer van volksvertegenwoordigers werd aangenomen geeft aan de ouders een keuzemogelijkheid, maar wanneer er in de familie geen eensgezindheid is wordt automatisch de naam van de vader toegekend. Dit is niet rechtvaardig, vermits het wetsontwerp hiermee de eeuwenoude regeling precies bestendigt in plaats van de bestaande discriminatie op te heffen. In geval van onenigheid zou volgens mevrouw de Bethune dan ook automatisch de naam van beide ouders moeten worden gegeven aan het kind. Dit is ook de regeling die wordt voorgesteld in een recente doctoraatsverhandeling, naar dewelke in de Juristenkrant wordt verwezen, en die tot gerechtigheid zou leiden.

Spreekster kondigt dan ook de indiening aan van enkele amendementen, die ertoe strekken om, in geval van gebrek aan consensus tussen beide ouders, aan het kind de dubbele naam — dit wil zeggen van beide ouders — te geven. Daarbij wordt een keuzevrijheid gelaten om de naam van de vader toe te kennen indien men het hierover binnen het gezin eens is, om aldus de familietraditie verder te zetten. Een ander amendement dat mevrouw de Bethune zal indienen, heeft betrekking op het geval waarin de vader, weduwnaar van de intussen overleden moeder, toch aan het kind de dubbele naam wenst toe te kennen maar dit niet kan vermits de overleden moeder immers haar toestemming niet kan geven.

Mevrouw de Bethune meent dat de Senaat wel degelijk het debat ten gronde kan voeren. Dit hoeft geen weken te duren en kan snel vooruitgaan. Zij pleit dan ook voor een amendering van voorliggend wetsontwerp; de Kamer van volksvertegenwoordigers kan het geamendeerde ontwerp zonder problemen goedkeuren vóór de nakende ontbinding van de Wetgevende Kamers.

De heer Hellings verklaart voorstander te zijn van de automatische dubbele naamgeving in geval van een gebrek aan akkoord tussen beide ouders. Wat de volgorde van beide namen betreft, kan men werken met een loting.

De heer Courtois is van oordeel dat men in deze aangelegenheid toch een zekere ernst moet in acht nemen. Een loting in geval van gebrek aan een akkoord tussen beide ouders lijkt hem niet de aangewezen weg.

De heer Hellings repliceert dat, bij gebrek aan akkoord tussen beide ouders, de wil van de vader noch die van de moeder doorslaggevend mag zijn en een loting derhalve een oplossing biedt. Dit voorstel is een kwestie van gezond verstand en kan bepaalde conflicten oplossen. In de Kamer heeft dit voorstel het evenwel niet gehaald en dit is de reden waarom de Ecolo/Groen-fractie voorliggend wetsontwerp heeft gesteund, vermits hierover een minimaal akkoord mogelijk is. Het betekent immers een stap vooruit voor de betrokken gezinnen, in het bijzonder voor de moeders.

Spreker wenst evenwel te vernemen of het wetsontwerp, in geval van amendering door de Senaat, nog door de Kamer van volksvertegenwoordigers kan worden goedgekeurd nog vóór de nakende ontbinding van de Wetgevende Kamers. Voor de heer Hellings verandert dit alles omdat hij het ten gronde eens is met de strekking van de tussenkomst van mevrouw de Bethune inzake de automatische toekenning van de dubbele naam. Indien het nog mogelijk is een dergelijke amendering door te voeren, zal de heer Hellings dit steunen; in het andere geval meent hij dat voorliggend wetsontwerp een stap in de goede richting is en zal hij het goedkeuren.

De heer Mahoux wijst erop dat de Senaat nu een wetsontwerp bespreekt dat initieel door de regering werd ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers. Dit is belangrijk, vermits het erop wijst dat over dit wetsontwerp een consensus bestond in de schoot van de regering. Uit het debat dat over dit regeringsontwerp werd gevoerd in de Kamer van volksvertegenwoordigers blijkt dat het niet steeds eenvoudig was om na te gaan welk standpunt er werd ingenomen door sommige fracties, om inhoudelijke dan wel om strategische redenen.

Zoals vaak het geval is, werd veel inhoudelijk werk verricht in de Senaat. Om grondwettelijke redenen heeft de regering het wetsontwerp in de Kamer ingediend, maar daar heeft men de ernst erkend van het werk van de Senaat. De verscheidenheid aan meningen in de Kamer heeft tot een tekst geleid die werd aangenomen door zowel de bevoegde commissie als de plenaire vergadering van de Kamer van volksvertegenwoordigers. De Senaat heeft deze tekst snel geëvoceerd om te vermijden dat sommigen van de voorziene termijnen inzake evocatie en onderzoek gebruik zouden hebben gemaakt om te verhinderen dat de tekst daadwerkelijk kracht van wet zou verwerven in deze legislatuur. De evocatie is dus niet ingegeven door een verschil in visie over de tekst die door de Kamer van volksvertegenwoordigers werd aangenomen. De Senaat kan nu snel beslissen om niet te amenderen, en zou hiermee zijn respect betuigen voor zowel de consensus binnen de regering als het debat dat werd gevoerd in de Kamer. Men dient volgens de heer Mahoux dan ook aan de verleiding te weerstaan om het debat ten gronde helemaal opnieuw te voeren.

Niettemin wenst spreker op te merken dat hij in de standpunten die reeds tot uiting zijn gekomen over de dubbele naamgeving te weinig aandacht heeft gemerkt voor het belang van het kind. Er zijn immers kinderen die geen twee ouders hebben. De heer Mahoux herinnert eraan dat men een lange strijd heeft moeten leveren om het onderscheid tussen wettige en andere — buitenechtelijke — kinderen weg te werken en aldus een grote discriminatie tussen kinderen heeft weggewerkt. Zij hebben vandaag gelijke rechten en worden op dezelfde wijze gerespecteerd. De idee om kinderen vandaag een dubbele naam te geven leidt volgens hem tot een nieuwe discriminatie. Men zal immers perfect de kinderen kunnen identificeren die geen twee ouders hebben, vermits deze — in tegenstelling tot andere kinderen — geen twee namen zullen hebben. De stigmatisering van deze kinderen door de samenleving, die lange tijd heeft bestaan en uiteindelijk werd weggewerkt, wordt hier hernieuwd.

De heer Courtois wijst erop dat, indien in de commissie amendementen worden ingediend, deze ook ter stemming moeten worden voorgelegd. De vraag van mevrouw Taelman om onmiddellijk tot de eindstemming over te gaan kan, overeenkomstig het Reglement van de Senaat, pas in de plenaire vergadering van de Senaat worden gesteld.

De heer Anciaux verwijst naar zijn wetsvoorstel nr. 1-112/1, dat reeds op 26 september 1995 werd ingediend, en dat ertoe strekte om elk kind een dubbele naam te geven : de naam van de moeder gevolgd door de naam van de vader. De problematiek van de dubbele naamgeving ligt hem dus nauw aan het hart. Het is belangrijk dat er nu, na decennia van discussie, een stap vooruit wordt gezet. De heer Anciaux is immers voorstander van de dubbele naamgeving, zoveel als mogelijk. Men kan lang twisten over de vraag welke naam eerst moet komen — die van de vader dan wel die van de moeder — maar nu wordt door de regering voor het eerst een regeling voorgesteld, die door de Kamer van volksvertegenwoordigers werd aangenomen.

Zelf had de heer Anciaux verder willen gaan. Hij heeft ook heel wat vragen : wanneer kan men bijvoorbeeld vaststellen dat er tussen beide ouders onenigheid bestaat ? Hij heeft ook begrip voor sommige argumenten die andere senatoren naar voor brengen. Niettemin pleit hij ervoor om het voorliggende wetsontwerp niet te amenderen omdat men anders wellicht niet tot een regeling zal komen tijdens deze legislatuur. Het risico bestaat immers dat de Kamer niet tijdig — dit is vóór de ontbinding van de Wetgevende Kamers — zal instemmen met de amendementen die door de Senaat zouden worden aangenomen, als gevolg waarvan de bestaande situatie bestendigd wordt, hetgeen sommigen wellicht goed zou uitkomen. Dit risico wil spreker echter niet lopen, ook al had ook hij graag enkele wijzigingen aangebracht aan de voorgestelde tekst.

Zo had de heer Anciaux liever gezien dat, bij de dubbele naamgeving, eerst de naam van de moeder gevolgd door die van de vader werd toegekend. Hij is ook niet echt voorstander van de keuzemogelijkheid die nu wordt voorgesteld. Dit neemt niet weg dat het onaanvaardbaar zou zijn dat tijdens deze legislatuur geen stap vooruit wordt gezet. Hij pleit er dan ook voor dat de Senaat zou beslissen om niet te amenderen.

Mevrouw Defraigne meent dat de problematiek van de naamgeving symbolisch en emotioneel is. Men wenst een discriminatie weg te werken en een einde te stellen aan een patriarchale traditie die in het Burgerlijk Wetboek is vervat. Zij meent dat hierbij het belang van het kind moet voorop staan.

Spreekster betreurt dat een dergelijk debat overhaast wordt gevoerd aan het einde van de legislatuur, als gevolg waarvan de Senaat voor de keuze wordt gesteld om hetzij in te stemmen met de tekst die door de Kamer werd aangenomen, hetzij de bestaande situatie te bestendigen. Er is derhalve vrijwel geen ruimte voor een debat ten gronde en voor amendering, wat spreekster betreurt vermits het thema elkeen op een persoonlijke en intieme wijze aanbelangt. Diegenen die de tekst hebben opgesteld hadden meer rekening moeten houden met de parlementaire procedure.

Zij vraagt zich af of de commissie al dan niet de mogelijkheid heeft om een amendement ten gronde te bespreken, dat spreekster reeds heeft ingediend en waarvan zij hoopt dat een consensus mogelijk is. Kan de Kamer nog tijdig instemmen met een dergelijk amendement ? Mevrouw Defraigne wenst immers niet te verhinderen dat een bepaalde tekst wordt goedgekeurd maar wenst niettemin het standpunt van haar fractie duidelijk te maken. Haar fractie heeft het wetsontwerp niet geëvoceerd omdat men in de Senaat niet in het slecht spektakel wenste terecht te komen waarin men zich vandaag bevindt. Nu het wetsontwerp toch werd geëvoceerd, wenst spreekster te wijzen op enkele gevoeligheden die binnen haar fractie leven. Dit neemt niet weg dat zij bereid is om naar een consensusamendement te streven. Indien dit evenwel niet mogelijk zou zijn binnen de parlementaire meerderheid, zal de verdeeldheid evenwel naar buiten komen in de plenaire vergadering van de Senaat.

Ten persoonlijke titel is mevrouw Defraigne het eens met de keuzemogelijkheid die de voorgestelde tekst biedt aan de beide ouders. Zij is het evenwel niet eens met de suppletieve oplossing die eveneens deel uitmaakt van het wetsontwerp dat door de Kamer werd aangenomen, namelijk dat de naam van de vader wordt gegeven aan het kind in geval van gebrek aan onderling akkoord tussen de beide ouders. De vraag is evenwel hoe men dit gebrek aan consensus vaststelt. Dit is een leemte in de tekst. Bovendien lijkt deze oplossing op de processie van Echternach en wordt de stap vooruit, die door het wetsontwerp wordt mogelijk gemaakt, toch gevolgd door een stap achteruit. De kans is immers reëel dat de meeste ouders kiezen voor de suppletieve oplossing, als gevolg waarvan de bestaande discriminatie wordt bestendigd.

De heer Courtois is het eens met de vorige spreekster dat de Senaat is terecht gekomen in een slecht spektakel. De publieke opinie ging er immers van uit dat de nieuwe regeling werd goedgekeurd en begrijpt er nu niets meer van.

De heer Vanlouwe is van oordeel dat de Senaat een reflectiekamer moet zijn en moet kunnen reflecteren over bepaalde gevoeligheden en lacunes die in een wetsontwerp vervat zijn. Het is dan ook bizar om een senator die deel uitmaakt van de parlementaire meerderheid te horen vragen om geen amendementen in te dienen omdat, indien ze zouden worden aangenomen, het wetsontwerp terug naar de Kamer moet worden verzonden. De chaos is evenwel gecreëerd door de verdeeldheid binnen de parlementaire meerderheid. De chaos vandaag is nog groter dan dit het geval was in het chaotisch verloop van de werkzaamheden in de Kamer van volksvertegenwoordigers gelet op, enerzijds, het aantal amendementen dat vanuit de meerderheid wordt ingediend en, anderzijds, de vraag vanuit diezelfde meerderheid om hierover geen debat te houden. Het is niet duidelijk of een door de Senaat geamendeerd wetsontwerp nog tijdig door de Kamer kan worden besproken. De minister dient deze duidelijkheid te verschaffen.

Ten gronde, vindt de heer Vanlouwe dat de minister wel heel selectief is wanneer zij beweert dat eenieder voor de voorgestelde regeling gewonnen is. Vele mensen hebben hierover immers een andere mening, zo blijkt uit de reacties die spreker ontving. Het draagvlak is niet zo groot als de minister het voorstelt en zelfs binnen de parlementaire meerderheid zijn er ernstige meningsverschillen. Men moet dan ook oppassen om op een drafje enkele ingrijpende wijzigingen door te voeren die eenieder onmiddellijk raken. Velen vinden het immers de logica zelf dat de naam van de vader automatisch wordt doorgegeven. Deze traditie stamt uit de Napoleontische tijd en is sterk ingeworteld. Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof blijkt dat de wetgever niet wordt aangespoord tot een wetswijziging en dat moeders niet worden gediscrimineerd doordat zij hun familienaam niet kunnen doorgeven aan het kind. Spreker erkent dat de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens en de Fundamentele Vrijheden anders is, maar dit toont alleen maar aan dat men voorzichtig moet zijn en niet zomaar moet meegaan met de tendens om de bestaande regeling als discriminatoir te beschouwen.

Dit geldt des te meer nu blijkt dat het voorliggend wetsontwerp getuigt van kunst- en vliegwerk. Er wordt een tekst ingediend door de regering, daarop worden amendementen ingediend, die vervolgens ingetrokken worden ten voordele van andere amendementen, en dan worden initieel ingediende amendementen heringediend. Bovendien hebben andere sprekers er reeds op gewezen dat het wetsontwerp in tegenspraak is met het geamendeerde wetsvoorstel houdende de vaststelling van de afstamming van de meemoeder (stuk Senaat, nr. 5-2445/1) dat de Senaatscommissie voor de Justitie op 26 maart 2014 heeft aangenomen. Het staat buiten kijf dat het wetsontwerp bol staat van de technisch-juridische problemen.

Vele vragen blijven onbeantwoord, zoals bijvoorbeeld voor personen die vandaag reeds een dubbele naam hebben, onder meer ingevolge adoptie. Welke naam wordt dan doorgegeven aan het kind van een dergelijk persoon ? Quid met diegenen die vandaag wettelijk samenwonen en een kind verwekken dat pas geboren wordt nadat de relatie stuk is gelopen ? Hoe zit het met de aangifte van de geboorte ? De ambtenaar van de burgerlijke stand kan slechts akte nemen van deze aangifte. In het kader van de administratieve vereenvoudiging pleit de heer Vanlouwe om dit ook in de materniteit te laten gebeuren, maar dit is vooralsnog niet het geval hoewel hiervoor een maatschappelijk draagvlak bestaat.

Verder blijven er tal van vragen onbeantwoord. Wat verstaat men precies onder de begrippen « naam » en « samengestelde naam » ? De naam van sommige personen bestaat uit drie of meer woorden, zoals bijvoorbeeld « Van den Driessche ». Is dit een enkelvoudige dan wel een dubbele naam ? Hoe zit het met de schrijfwijze van de dubbele naam ? Moet bijvoorbeeld een koppelteken worden gegeven ?

Artikel 13 van het wetsontwerp handelt over de inwerkingtreding en bepaalt dat de wet in werking treedt op een door de Koning te bepalen datum en uiterlijk op de eerste dag van de twaalfde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Deze tijd is nodig om de omzendbrief met de nodige praktische schikkingen te kunnen voorbereiden, zo verklaarde de minister in de Kamer. Bepaalde elementen die in de wet hadden moeten staan, zullen volgens de heer Vanlouwe in een omzendbrief worden bepaald.

Ten slotte wijst de heer Vanlouwe erop dat de minister zich beroept op een consensus binnen de regering, waarop zij vervolgens amendementen indiende op het wetsontwerp, die gevolgd werden door nieuwe amendementen van de minister en door nog andere amendementen die werden ingediend door senatoren die deel uitmaken van de parlementaire meerderheid. Het is dan ook geenszins duidelijk wat het standpunt van de regering en van de meerderheid is en welke richting men wil uitgaan. Dit komt bovenop de juridisch-technische onduidelijkheid die tot heel wat onbeantwoorde vragen leidt.

De minister wil in de plaats van de heer Vanlouwe antwoorden op de reacties die hij heeft ontvangen. Het wetsontwerp biedt wel degelijk de keuzemogelijkheid voor de ouders en voor wie hiervan geen gebruik wil maken hoeft er helemaal niets te veranderen. Dit is het unieke aan het wetsontwerp : men kan een bestaande traditie in ere houden als men wil, maar men heeft ook de keuze om voor de dubbele naam te kiezen. Daarom is dit een belangrijke stap vooruit die vermijdt dat ons land zal worden veroordeeld door het Europees Hof voor de rechten van de mens en de Fundamentele Vrijheden.

De minister ontkent niet dat het wetsontwerp niet perfect is, maar beklemtoont dat het zich inschrijft in de weg van de geleidelijkheid van een samenleving die zich aanpast. Mogelijk kan men in de toekomst verder gaan en opteren voor een volledig dubbele naamgeving; het zou eveneens kunnen dat de thans voorgestelde regeling tweehonderd jaar geldig blijft zoals dit het geval was met de bestaande.

Nopens de procedure, merkt de minister op dat een aantal amendementen die vandaag voorliggen, werden verworpen in de Kamer van volksvertegenwoordigers. Zij is dan ook van oordeel dat het geenszins zeker is dat amendementen die in de Senaat worden aangenomen ook door de Kamer van volksvertegenwoordigers zullen worden aangenomen. Daarom pleit zij ervoor het wetsontwerp ongewijzigd aan te nemen. Anders zal tijdens deze legislatuur wellicht geen stap vooruit kunnen worden gezet in een aangelegenheid waarover reeds decennialang wordt gediscussieerd. Dit zou een slecht signaal zijn. Zoals in andere dossiers die zij heeft aangebracht — de justitiehervorming, de strafuitvoering, het wegwerken van de wachtlijsten, ... — hoopt zij hier een belangrijke stap te kunnen zetten. Vanzelfsprekend is het de verantwoordelijkheid van het parlement om erover te oordelen of men een bestaande, patriarchale en discriminatoire wetgeving die mogelijk aanleiding geeft tot een internationale veroordeling van ons land al dan niet wil wegwerken.

Mevrouw Piryns wenst het algemeen standpunt van Groen toe te lichten. Haar fractie is bijzonder te vinden voor het verlenen van een vrije keuze en mogelijkheid voor de dubbele naamgeving. Heel wat mensen vinden het belangrijk het kind een dubbele naam te kunnen geven. Spreekster vindt het een ware discriminatie dat vrouwen tot op heden hun naam niet konden doorgeven.

Spreekster betreurt en begrijpt niet dat intussen rond dit onderwerp een waanzinnig politiek spelletje werd gespeeld. Wat is er zo ingewikkeld aan voorliggend ontwerp ? De dubbele naamgeving is trouwens geen plicht.

De fractie van spreekster vindt wel dat het voorliggend ontwerp een aantal tekortkomingen vertoont. De facto wordt er immers een vetorecht aan de man gegeven als het koppel er niet in slaagt overeenstemming te vinden over de naam van hun kind. Het is jammer dat in een wetsontwerp dat net probeert een discriminatie op te heffen een vetorecht wordt gegeven aan één van beide partners, meer bepaald aan de vader. Spreekster had het graag anders gezien, maar meent dat het nu te laat is om dat nog op te lossen. Aldus zal zij het voorliggende wetsontwerp steunen, om aldus toch een stap in de goede richting te zetten.

Mevrouw Taelman wil repliek verlenen op de leden die menen dat de huidige wetgeving voldoet en dat het Grondwettelijk Hof hierover nog geen arresten heeft gewezen. Spreekster verwijst naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, waaruit blijkt dat onze wetgeving, net als de Italiaanse wetgeving toen, op 7 januari 2014, wel degelijk een probleem vormt. Het voorliggende wetsontwerp is een stap in de goede richting en komt tegemoet aan de bemerkingen van het EHRM. « Het Hof erkent dat twee personen in gelijke situaties, namelijk de vader en de moeder, ongelijk worden behandeld; ondanks het feit dat de vader akkoord ging mocht de moeder haar naam niet aan de pasgeborene geven. Het Hof besluit tot een schending van artikel 14 en artikel 8, omdat de bepaling van de naam van de wettelijke kinderen enkel en alleen gemaakt werd op een discriminatie gebaseerd op het geslacht van de ouders. Daarnaast erkent het Hof dat dit soort regels gegrond zijn in een patriarchale opvatting van de familie en de macht van de echtgenoot. Dit soort regels kunnen nodig zijn in de praktijk en zijn niet altijd in strijd met het verdrag, MAAR het feit dat geen afwijking mogelijk is, is buitensporig star en discriminatoir tegenover vrouwen. »

De voorliggende tekst geeft enerzijds comfort aan de maatschappij waar de patriarchale opvatting nog lijkt te primeren, maar geeft anderzijds de keuze, indien de ouders het willen, om ook de naam van de moeder te gebruiken. Dat komt dus tegemoet aan de overwegingen van het Hof bij de veroordeling van Italië.

Spreekster besluit met de verwijzing naar het artikel in de Juristenkrant van eind maart. Wie nu nog pleit dat er geen sprake is van discriminatie en dat de huidige situatie moet behouden worden, heeft, gelet op de uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, geen poot meer om op te staan.

De heer Laeremans meent dat het Europees Hof voor de rechten van de mens de laatste jaren zijn boekje heel zwaar te buiten gaat. Het gaat hier om wetgeving die honderden jaren oud is en bovendien vrouwvriendelijk is. Het Europees Hof ageert hier als een soort « gouvernement de juges » en mengt zich voortdurend in zaken, zoals ook asiel, waarbij het zich in de plaats stelt van een overheid of een Europese lidstaat. Dit wekt de woede op van verscheidene staten. Zo heeft Groot-Brittannië zich reeds meerdere malen tegen het Hof verzet. Ook de voorzitter van het Belgisch grondwettelijk Hof heeft hierop reeds verschillende keren verzet en merkt op dat het Europees Hof zeer zwaar zijn boekje te buiten gaat en in de plaats treedt van wetgevers. Aldus wordt wetgeving die in democratische Europese lidstaten reeds decennia lang bestaat zomaar onderuit gehaald. Deze werkwijze houdt gevaren in, aangezien de wetgever geen enkele autonomie meer krijgt. Het Europees Hof voor de rechten van de mens diende om de naleving van de verdragen van de Raad van Europa te bewaken en had aldus een soort waakhondfunctie, maar niet om in de plaats te treden van de wetgever.

Spreker vindt het artikel dat in de Juristenkrant is verschenen zeer tendentieus en militant geschreven. Spreker verwijst eerder naar het advies van professor Senaeve die in de Kamer en het Adviescomité gelijke kansen werd gehoord, dat meer beredeneerd is en voor meer terughoudendheid pleit.

Spreker wenst ook zijn ergernis uit te drukken over de wijze waarop men zo een belangrijke zaak wil forceren. Hij verwijst naar de interviews met Raf Terwingen die zeer boos was over de manier waarop de stemming in de Kamer heeft plaatsgevonden en over de manier waarop de partijen onder druk werden gezet. Er werd hier een loopje genomen met de individuele mening en de vrijheid van denken van de parlementsleden.

Spreker blijft gekant tegen de voorgestelde wetswijziging. België is trouwens niet veroordeeld door het Europees Hof voor de rechten van de mens. Er bestaat vandaag in België reeds een zekere keuzemogelijkheid en onze wetgeving is geen kopie van de Italiaanse wegeving. Het oordeel van het Grondwettelijk Hof is ter zake belangrijker, aangezien dit in essentie oordeelt over gelijkheid en discriminatie.

Op de valreep wetgeving in alle haast goedkeuren, is niet gezond, des te meer over materies waarbij de hele samenleving betrokken is. Alle ouders van minderjarige kinderen worden hier op hun verantwoordelijkheid gewezen. Uit peilingen is gebleken dat het merendeel van de samenleving voorliggende wijzigingen niet gewenst acht.

Spreker is van oordeel dat de bestaande wijziging niet discriminerend is voor de moeder, maar integendeel wijst op de grote verantwoordelijkheid van de vader jegens moeder en kind. De vader heeft immers een veel kleinere natuurlijke band met het kind dan de moeder en de toekenning van de naam zorgt dan ook voor een compensatie. De band met zijn kinderen wordt hierdoor versterkt waardoor hij meteen extra geroepen is om zijn verplichtingen ten aanzien van zijn nakomeling te blijven voldoen, ook in tijden van moeilijkheden of bij echtscheiding. In tijden waar echtscheiding schering en inslag is en de poging zich te onttrekken aan de alimentatieplicht veelvuldig voorkomt is het niet wenselijk de band tussen vader en kind te verzwakken. Ook progressieve professoren zoals professor Senaeve staan op dezelfde golflengte. En wijzen op nieuwe conflicten die binnen de gezinnen kunnen ontstaan door de vele keuzemogelijkheden. Het is niet de opdracht van de overheid om aan degenen die reeds hebben nog meer te geven en aan degenen die niets of weinig hebben, niets te gunnen, zo stelt professor Senaeve. De nieuwe wetgeving maakt het immers mogelijk alleen de naam van de moeder te geven. Het lijkt spreker ook in het belang van het kind dat de band met de vader wordt versterkt. De naam is een psychologisch middel om de vader beter bij het kind te betrekken en hem te stimuleren om zich vanaf het begin in te laten met zijn verzorging en opvoeding. Het geeft een bijkomend verantwoordelijkheidsgevoel. In die zin heeft de naamgeving een belangrijke pedagogische waarde voor die rechtsonderhorigen. Het zou een verkeerd signaal zijn van de wetgever om op een tijdstip waarop een niet onaanzienlijk deel van de vaders het laat afweten, deze compensatie in symboliek naar de rechtsgeschiedenis te verwijzen. In 80 % van de gevallen bij scheiding hebben de kinderen de hoofdverblijfplaats bij de moeder. Bij de beoordeling van het huidige naamrecht moet ook belang worden gehecht aan de cultureel historische waarde. Voorzichtigheid is geboden, volgens professor Senaeve, die hierbij verwijst naar de uitspraak van het grondwettelijk Hof van 6 november 2002.

Het verschil in behandeling volstaat niet om de geldende regeling als discriminatoir te beschouwen. Discriminatie houdt immers ongelijk te behandelen in gelijke situaties. Dat is in casu niet het geval.

Er bestaat trouwens een alternatief als men de naam van de vader niet wil voor het kind, namelijk pas in het huwelijk te treden als de kinderen er al zijn.

Professor Senaeve stelt ook dat belangrijke hervorming dienen te worden gedragen door de meerderheid van de bevolking. Dit is niet het geval.

De vele keuzes en mogelijkheden zullen leiden tot een ware chaos en moeilijkheden creëren binnen de gezinnen en de families. Kiezen is verliezen. Druk zal worden opgelegd aan jonge paren om tijdens de eerste zwangerschap uit te maken wie van beiden zijn naam zal laten vallen. De ouder die akkoord gaat zijn naam niet door te geven zal zich blootstellen aan heel wat verwijten van familie en omgeving. Het invoeren van een systeem van keuzevrijheid komt noodgedwongen neer op het uitlokken van discussies en betwistingen, wat de cohesie in een doorgaans jong gezin niet zal bevorderen.

Bovendien gaat deze regeling nog veel verder. De discussie wordt ook opgelegd aan alle gezinnen met minderjarige kinderen.

Volgens professor Senaeve zullen de verschillende mogelijke combinaties leiden tot een chaotische toestand. Op basis van de naam van het kind kan men niet meer uitmaken uit welk gezin hij komt. Dat is een achteruitgang. Spreker verwijst ook naar het advies van de heer Swennen die zich op dezelfde golflengte bevindt en geen voorstander is van de wijziging van de vigerende wetgeving ter zake. Indien de wetgeving toch zou worden gewijzigd, verklaart hij zich voorstander van een dubbele naamgeving. Spreker stelt ook dat er geen juridische reden is voor een wijziging, omdat de huidige naamwetgeving noch volgens het Belgisch recht noch volgen het EVRM discriminerend is. Indien er een keuzerecht wordt toegekend, zou dit eerder aan het kind moeten toekomen en niet aan de ouders. Het kind zou dan, naar analogie met de nationaliteitskeuze op de leeftijd tussen achttien en tweeëntwintig, zijn naam kunnen wijzigen. De keuze kan tot conflicten tussen ouders en families leiden.

Er is ook de problematiek van de oudere minderjarige kinderen, die reeds een identiteit hebben opgebouwd rond hun naam. Plots kunnen zij worden geconfronteerd met de beslissing van de ouders die een andere naam willen geven of toevoegen. Wat met de rechten van het kind ? Het kind wordt slachtoffer van het hele gedoe. In de overgangsmaatregelen wordt niets voorzien inzake een mogelijk vetorecht van het kind.

Ook professor Renchon wijst erop dat de vader en de moeder buiten het huwelijk in werkelijkheid over een keuzemogelijkheid beschikken, door de datum waarop de vader het kind erkent zo goed mogelijk te kiezen. Er is geen verplichting de wetgeving aan te passen.

Professor Sosson stelde op haar beurt dat het arrest van het EHRM aanleiding geeft tot verschillende interpretaties. Welke regeling men ook aanneemt, deze zal de weg naar conflicten openen.

Met betrekking tot de overgangsregeling, stelt professor Senaeve dat het beter zou zijn dat wie onder de oude wet geboren is, zijn of haar naam behoudt. Indien de wetgever een radicale wetswijziging doorvoert, moet, met het oog op het vermijden van conflicten, een duidelijke grens worden betrokken. Het is aangewezen niet in een overgangsregeling te voorzien.

Een overgangsregeling getuigt volgens spreker van een zielig revanchisme, die gênante discussies tot gevolg zal hebben. De basisregel zou in ieder geval moeten zijn dat de nieuwe regeling voor de toekomst geldt en niet voor het verleden. Het gaat niet op te spelen met de identiteit van jonge mensen. Vaak zijn deze reeds op zoek naar identiteit en deze wijziging creëert een bijkomende moeilijkheid. Als het kind de naam van de moeder niet draagt, zou men het kunnen verwijten een zwakke moeder te hebben die zich laat beïnvloeden door een dominante vader.

Men moet ook beseffen dat de regeling voor heel wat administratieve moeilijkheden zal zorgen. Alle akten van burgerlijke stand zullen moeten worden gewijzigd.

De regeling is niet gedragen door de maatschappij; de maatschappij ligt veeleer wakker van essentiële zaken met betrekking tot verwijten over de werking van Justitie.

De heer Laeremans verwijst ten slotte naar het standpunt van Mia Doornaert die op 23 juli 2013 een interessante vrije tribune schreef in De Standaard : « Het is een dramatisch aantoonbaar maatschappelijk feit dat armoede en kansarmoede in grote mate alleenstaande vrouwen met kinderen treft. Die trend wordt nog versterkt in een samenleving waarin de gezinsband steeds losser wordt. Een wet die toelaat de naam van de vader uit te vlakken en daardoor de band van vader met kind nog losser maakt, dient in de huidige concrete omstandigheden de belangen van vrouwen en kinderen niet. »

De nieuwe regelgeving is dus noch in het belang van de kinderen, noch in het belang van vrouwen die daardoor nog meer zouden kunnen worden geconfronteerd met gewezen echtgenoten die hun verantwoordelijkheid niet nemen ten aanzien van hun kinderen. Het kind draagt immers hun naam niet.

Er zal bovendien chaos worden gecreëerd, zo stelt ook Geert De Kerpel in Tertio : « De stamboomlijn riskeert zoek te geraken, waardoor men personen minder makkelijk kan identificeren. De wet wordt verkocht als progressief, maar draait in werkelijkheid de klok eeuwen terug. Elke familienaam wordt een uiting van concrete machtsverhoudingen tussen de ouders. De dubbele naam opleggen als nieuwe standaard zou volgens hem eenvoudiger zijn. Hier gaat het om een « verandering om de verandering », zoals zelfs senator Armand De Decker eerder zou hebben gesteld. »

De Vlaamse Kinderrechtencommissaris meent dat men uitgaat van de rechten van de ouders en niet van die van het kind.

De heer Laeremans besluit dat voorliggend wetsvoorstel geen vooruitgang betekent voor de vrouw. Men vervalt in symboliek en revanchisme, waardoor de bijstand door de vaders zal verminderen.

Negentig percent van de bevolking deelt deze mening en is geen voorstander van de nieuwe wet. Van een kloof met de burger gesproken...

Het gaat niet op dit wetsontwerp overhaast door het parlement te jagen; men mag het individuele succes hier niet laten primeren op het algemene collectieve belang van de samenleving.

De heer Hellings stelt vast dat er vijfentwintig amendementen werden ingediend. Die heffen het vetorecht van de vader niet op en de keuze van de volgorde waarin de naam van de vader en die van moeder worden geplaatst, wordt er niet door geobjectiveerd. Dat waren echter de twee doelstellingen van de fractie van de spreker. Bijgevolg zullen de leden van die fractie tegen de amendementen stemmen. Spreker wenst vooruitgang te boeken, om alle redenen die door de vorige sprekers werden vernoemd.

De heer Mahoux is het eens met dat laatste, aangezien iedereen de kans heeft gehad om zijn mening te geven.

Hij herinnert eraan dat het een ontwerp van de regering betreft, waarmee erg onzorgvuldig wordt omgesprongen.

Hoewel een vertegenwoordiger van extreemrechts zonet de EHRM, de rechtsstaat en de Commissie van Venetië ter discussie stelde en daarbij toch verwees naar het algemeen belang, voldoet de voorliggende tekst aan de vereisten van het Europees Hof voor de rechten van de mens wat openheid betreft, en creëert hij een begrensde ruimte van vrijheid. Spreker stelt vast dat sommigen een feministisch standpunt verdedigen terwijl anderen, soms binnen dezelfde formaties, het ontwerp bekritiseren omdat het een einde maakt aan een lange traditie. De beperkingen verhinderen misschien dat de administratie erg ingewikkeld wordt, een mogelijkheid die uitgebreid werd besproken.

In elk geval is de verplichting tot het geven van een dubbele naam in wezen volstrekt onaanvaardbaar, ook omdat sommige kinderen erdoor worden gestigmatiseerd.

Aangezien de fractie van spreker instemt met de tekst die werd overgezonden door de Kamer, zal ze tegen de ingediende amendementen stemmen, en indien de tekst grondig zou worden gewijzigd, zal ze die evenmin goedkeuren.

De heer Vanlouwe verwijst naar de door hem gestelde vragen waarop geen antwoord werd verschaft. Er is gewezen op heel wat lacunes in het wetsontwerp waarover geen verduidelijking werd verschaft.

Een eerste opmerking betreft het gebrek aan definities; wat verstaat men onder « naam » en onder « dubbele naam » ? Moet er een streepje staan tussen beide namen ? Waarom staat dit niet in de wet en zou dit in een omzendbrief moeten geregeld worden ?

Quid met de vereenvoudigde aangifte op de materniteit ?

Wat met achternamen die niet volledig op officiële documenten staan ? Dubbele namen kunnen immers voor materiële problemen zorgen.

Wat met mensen die nu al een dubbele familienaam hebben ?

Ten slotte vraagt spreker naar de wijze waarop eventuele conflicten kunnen worden vastgesteld als enkel de vader aangifte doet.

Aangezien deze wetgeving kinderen aanbelangt, is het belangrijk dat ze sluitend is.

Spreker vermoedt dat een overhaaste stemming van voorliggende tekst snel aanleiding zal geven tot een reparatiewet.

Spreker betreurt ook de chaotische werkwijze, zowel in de Kamer als in de Senaat, die hier zijn rol van reflectiekamer niet opneemt.

De heer Courtois verklaart dat hij tegen de amendementen zal stemmen. Hij is evenwel niet tevreden met de voorliggende tekst. Hij meent ook dat men niet goed te werk gegaan is.

De minister verklaart moeilijk een duidelijk antwoord te kunnen geven op de bedenkingen van de heer Laeremans, aangezien deze eerder een uiteenzetting gaf dan concrete vragen stelde.

Zo verwees hij naar het principe « la mère donne la vie, le père donne son nom ». Spreekster hoopt dat de vader aan zijn kind meer verschaft dan de naam. Het is toch de bedoeling dat beide ouders worden betrokken bij de opvoeding van het kind, of ze al dan niet gescheiden zijn, en of het kind al dan niet hun naam draagt. De affiniteit met het kind en de verantwoordelijkheid die men draagt voor het kind overstijgen de naamgeving.

Wat betreft de oplossing van conflicten, verwijst de minister naar de situatie in het buitenland. In sommige landen, zoals Duitsland, behandelt de familierechtbank soortgelijke conflicten. Voor een dergelijk systeem is niet geopteerd. Er wordt wel, zoals in de meeste West- Europese landen, een by default- oplossing ingebouwd, namelijk de naam van de vader. Aldus kiest men voor de weg van de geleidelijkheid.

Het klopt dat een aantal uitwerkingen in een omzendbrief zullen worden gezet. Zo bijvoorbeeld de plaats waar de akte van de burgerlijke stand kan worden opgesteld. Een ambtenaar kan zich naar de materniteit verplaatsen; zodoende dient de akte bij de burgerlijke stand worden opgesteld. Wat betreft de mogelijkheden via elektronische weg, verwijst spreekster naar de minister van Binnenlandse Zaken die de huidige stand van zaken op dat vlak kan schetsen.

Wat bij onenigheid ? Hoeveel conflicten kennen wij vandaag over de voornaam van het kind ? Hoe vaak wordt een politicus hierover aangesproken ? Spreekster meent dat men deze situatie kan doortrekken naar de familienaam. Ook in de andere landen blijkt dat ouders afspraken maken over de naam.

Op het vlak van ICT, zijn er al contacten geweest met de verschillende administraties. Momenteel zijn er geen problemen.

De vraag die vandaag voorligt is of men een stap vooruit wil zetten in het wegwerken van een discriminatie tussen mannen en vrouwen en ons aligneren op de regelgeving in de andere Europese landen. Wil men een veroordeling afwachten van het Europees Hof voor de rechten van de mens ? Het ligt in de lijn van Justitie om problemen op te lossen, met gezond verstand en empathie voor de samenleving.

De heer Vanlouwe meent dat er geen antwoord is gegeven op zijn vragen, bijvoorbeeld met betrekking tot de omzendbrief.

Verder stipt spreker aan dat België nog geen veroordeling heeft opgelopen inzake de naamgeving, in tegenstelling tot voor andere zaken, zoals voor internering. In casu wordt verwezen naar de rechtspraak van het Europees Hof, terwijl België niet is veroordeeld. En waar België wel is veroordeeld, zet men de rechtspraak aan de kant.

De heer Vanlouwe vraagt wat gebeurt als de vader een dubbele naam aangeeft, en achteraf blijkt dat de moeder er niet akkoord mee was. Moet deze dan een procedure tot betwisting van de naam instellen ?

De heer Anciaux neemt aan dat in de omzendbrief wordt verduidelijkt dat, bij vaststelling van een conflict, zal worden geopteerd voor de naam van de vader.

De minister meent dat de wetgeving duidelijk is. Hetzij is er toestemming van beide echtgenoten, hetzij niet. Is er geen toestemming, is het de by default oplossing, namelijk de naam van de vader.

De tekst behoudt het voorrecht van de vader.

De heer Mahoux vraagt wie de geboorte van het kind mag aangeven. Momenteel is dat de vader, wat discriminerend is. Verandert er iets op dat vlak ? Hoe weet men zeker dat de ouders het eens zijn over de naam van het kind ?

Als antwoord op de vraag van de heer Mahoux omtrent de aangifte verwijst de heer Delpérée naar artikel 356 van het Burgerlijk Wetboek, dat de vader of de moeder beoogt, of beiden. Maar in het artikel staat uiteraard niets over de naam.

De heer Mahoux antwoordt dat dat geen antwoord is op de vraag hoe men zeker weet dat de ouders het eens zijn over de naam van het kind, wanneer de vader de geboorte van het kind gaat aangeven. Spreker wil hiermee enkel onderstrepen dat er nog heel wat vragen zijn, maar dat er moet worden besloten of men de voorgestelde tekst al dan niet wil aannemen.

De heer Laeremans blijft op zijn honger zitten betreffende de rechten van het kind. Hoe kan dit zich verzetten of is dit enkel lijdend voorwerp ?

IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Opschrift

Amendementen nrs. 11 tot 24 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 11 in (stuk Senaat, nr. 5-2785/2) dat ertoe strekt het opschrift te vervangen. Inderdaad, met de amendementen nrs. 12 tot 24 (stuk Senaat, nr. 5-2785/2) wenst de indiener het huidige instituut van de familienaamgeving te behouden. Het opschrift dient aldus te worden aangepast.

Artikel 2

Amendementen nrs. 1 tot 3 en 5 tot 6 van de heer Delpérée en mevrouw Matz

De heer Delpérée en mevrouw Matz dienen amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 5-2785/2), dat ertoe strekt de voorliggende tekst in overeenstemming te brengen met de tekst betreffende de invoering van een statuut voor meeouders (stuk Senaat, nr. 5-2445). Het voorgestelde artikel 335 dient immers te worden aangepast om ervoor te zorgen dat de naamsoverdracht in het kader van meemoederschap in dezelfde lijn ligt als de naamsoverdracht voor een kind dat een vader en een moeder heeft.

Mevrouw Taelman stipt aan dat de wet op het meemoederschap de vaststelling van de juridische afstammingsband betreft voor lesbische koppels naar analogie met heterokoppels. Indien men hieruit afleidt dat alle rechten en plichten die voortvloeien uit de afstammingsband in het Burgerlijk Wetboek moeten worden aangepast, dan is er nog heel wat werk aan de winkel. Dan moet bijvoorbeeld ook artikel 756 van het Burgerlijk Wetboek worden aangepast. Men kan stellen dat artikel 334 inhoudt dat, zodra de afstamming vaststaat, de betrokkene dezelfde rechten en plichten heeft als vader en moeder. Dan moet dit niet in elke bepaling met betrekking tot rechten en plichten worden aangepast. Spreekster denkt dan ook dat het amendement overbodig is.

De heer Mahoux meent dat het belangrijk is dat de lesbische koppels dezelfde rechten hebben als andere koppels. Spreker heeft wel vragen bij de procedure. Men gaat hier een artikel aanpassen in functie van een tekst die nog moet worden aangenomen door de plenaire vergadering van de Senaat.

De heer Delpérée blijft erbij dat coherentie tussen beide wetten belangrijk is. De tekst met betrekking tot het meemoederschap geeft aan de lesbische koppels geen keuzevrijheid op het vlak van de naam van het kind. Het ene systeem is niet verenigbaar met het andere.

De heer Laeremans treedt dit bij. Het volstaat niet te verwijzen naar artikel 334, dat de situatie betreft waarbij er een vader en een moeder is. De wet met betrekking tot het meemoederschap regelt de situatie waarbij er een moeder en een meemoeder is. Artikel 334 bepaalt dat bij onenigheid de naam van de vader primeert. Wie is dan de vader als er een moeder en een meemoeder is ? Spreker meent dat deze bepaling niet naar analogie kan worden toegepast in het geval van een moeder en een meemoeder.

Na analyse van de tekst met betrekking tot het meemoederschap, wijst de heer Delpérée op artikel 31 van het wetsvoorstel met betrekking tot het meemoederschap (stuk Senaat, nr. 5-2445) :

« Artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek regelt de naamsoverdracht als gevolg van de afstamming. Gelet op de introductie van het meeouderschap worden de §§ 1 en 3 aangevuld en gewijzigd naar analogie met de nieuwe mogelijkheden betreffende de naamsoverdracht (wetsontwerp nr. 53-3145 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek). ».

De indieners van het wetsvoorstel betreffende het meeouderschap leggen dus zelf het verband tussen het meeouderschap en de toekenning van de naam.

Mevrouw Taelman beaamt dit. In de tekst met betrekking tot het meemoederschap (stuk Senaat, nr. 5-2445) werd de problematiek geregeld. Men krijgt de keuze. Aldus is het amendement des te meer overbodig.

Amendementen nrs. 3, 5 en 6 hebben dezelfde strekking als amendement nr. 1.

Amendement nr. 2 van de heer Delpérée en mevrouw Matz (stuk Senaat, nr. 5-2785/2) vloeit voort uit de bezorgdheid voor de ouder die een kind erkent na het overlijden van de moeder.

Amendement nr. 4 van de heer Delpérée en mevrouw Matz

De heer Delpérée en mevrouw Matz dienen amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 5-2785/2) om te voorkomen dat de regels van de naamtoekenning gemakkelijk kunnen worden omzeild, gewoon door bij de geboorte van het kind te weigeren om in te stemmen met de vaststelling van de afstamming van vaderszijde of de afstamming ten opzichte van de meeouder.

Indien de rechtbank die wordt verzocht de erkenning toe te staan, dit verzoek inwilligt, dient zij duidelijk te laten vaststellen hetzij dat de vader en de moeder, of beide meeouders, zich akkoord hebben verklaard met betrekking tot de naam die zij aan het kind wensen te geven, hetzij dat het kind de naam van de vader of van de meeouder zal dragen.

Het is de bedoeling een lacune in het huidige Burgerlijk Wetboek op te vullen.

Amendementen nrs. 8, 9 en 25 van mevrouw de Bethune en mevrouw Van Hoof

Mevrouw De Bethune en mevrouw Van Hoof dienen amendement nr. 8 en amendement nr. 9 in (stuk Senaat, nr. 5-2785/2) dat ertoe strekken de kinderen geboren na de inwerkingtreding van de wet de dubbele familienaam toe te kennen, samengesteld uit de naam van de vader en de naam van de moeder. Indien een van de ouders of hen beide een dubbele familienaam dragen, wordt de eerste naam van deze ouder(s) doorgegeven.

Deze amendementen worden ingetrokken ten voordele van amendement nr. 25.

Mevrouw de Bethune en mevrouw Van Hoof dienen amendement nr. 25 in (stuk Senaat, nr. 5-2785/2) dat ertoe strekt de derde zin van het tweede lid van het voorgestelde artikel 335, § 1, te vervangen. In geval van onenigheid of bij afwezigheid van keuze draagt het kind de naam van zijn vader en van zijn moeder, samengesteld uit de naam van zijn vader, of in geval die een dubbele naam heeft, uit diens eerste naam, gevolgd door de naam van zijn moeder of, ingeval die een dubbele naam heeft, haar eerste naam.

Amendementen nrs. 12 en 13 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendementen nrs. 12 en 13 in (stuk Senaat, nr. 5-2785/2) die er toe strekken het huidige instituut van de familienaamgeving te behouden.

Artikelen 3 tot 11

Amendementen nrs. 14 tot 22 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient de amendementen nrs 14 tot 22 in (stuk Senaat, nr. 5-2785/2), die er toe strekken de artikelen 3 tot 11 te doen vervallen. De indiener wenst immers het huidige instituut van de familienaamgeving te behouden.

Artikel 12

Amendement nr. 7 van de heer Delpérée en mevrouw Matz

De heer Delpérée en mevrouw Matz dienen amendement nr. 7 in (stuk Senaat, nr. 5-2785/2) om artikel 12 te doen vervallen.

Tijdens de hoorzittingen voor het adviescomité voor de maatschappelijke emancipatie hebben de universiteitsprofessoren allemaal gepleit tegen het invoeren van een overgangsbepaling. Stabiliteit is essentieel bij de toekenning van de naam.

De nieuwe wet zal dus van toepassing zijn op kinderen die geboren zijn na de inwerkingtreding van deze wet en voor zover er nog geen gemeenschappelijke kinderen zijn.

Een overgangsregeling maakt de zaken en ook het leven van de kinderen, nodeloos ingewikkeld.

Amendement nr. 10 van mevrouw de Bethune en mevrouw Van Hoof

Mevrouw De Bethune en mevrouw Van Hoof dienen amendement nr. 10 in (stuk Senaat, nr. 5-2785/2) dat ertoe strekt ook de naam te kunnen wijzigen van minderjarige kinderen waarvan één van de ouders reeds overleden is volgens de nieuwe wettelijke regels.

Amendement nr. 23 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 23 in (stuk Senaat, nr. 5-2785/2), dat ertoe strekt het artikel te doen vervallen. De indiener wenst inderdaad het huidige instituut van de familienaamgeving te behouden.

De indiener vraagt nogmaals naar de rechten en de reactiemogelijkheden van het minderjarige kind dat plots wordt geconfronteerd met een nieuwe naam. Als er een nieuw kind komt in het gezin, kan men beslissen dat ook de andere minderjarige kinderen van het gezin plots de naam van de moeder krijgen, waardoor men deze kinderen van hun naam « berooft ». Men neemt aldus een stuk van hun identiteit weg. Heeft het kind hier enige inspraak ?

De minister antwoordt dat dit artikel werd ingevoegd na advies van de Raad van State. Ouders met kinderen kunnen immers geen gebruik maken van de naamsverandering op basis van de wet van 1987.

De Kinderrechtencommissaris oordeelde zelf dat men best het advies van het kind niet vroeg. Hij meent dat men dergelijke verantwoordelijkheid niet bij het kind mag leggen.

Artikel 13

Amendement nr. 24 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 24 in (stuk Senaat, 5-2785/2), dat ertoe strekt de wet in werking te laten treden op een door de Koning te bepalen datum.

V. STEMMINGEN

Amendement nr. 11 wordt verworpen met 12 stemmen tegen 1 stem bij 4 onthoudingen.

Amendement nr. 1 wordt verworpen met 7 stemmen tegen 4 stemmen bij 4 onthoudingen.

Amendement nr. 12 wordt verworpen met 12 stemmen tegen 1 stem bij 4 onthoudingen.

Amendement nr. 25 wordt verworpen met 9 tegen 4 stemmen bij 4 onthoudingen.

Amendement nr. 2 wordt verworpen met 9 tegen 8 stemmen.

Amendement nr. 3 wordt verworpen met 9 tegen 4 stemmen bij 4 onthoudingen.

Amendement nr. 13 wordt verworpen met 12 tegen 1 stem bij 4 onthoudingen.

Amendement nr. 4 wordt verworpen met 9 tegen 8 stemmen.

De amendementen nrs. 5 en 6 worden verworpen met 9 tegen 3 stemmen bij 5 onthoudingen.

De amendementen nrs. 14 tot 24 worden verworpen met 12 stemmen tegen 1 stem bij 4 onthoudingen.

Amendement nr. 7 wordt verworpen met 9 tegen 2 stemmen bij 6 onthoudingen.

Amendement nr. 10 wordt verworpen met 9 tegen 8 stemmen.

Het wetsontwerp in zijn geheel wordt aangenomen met 9 tegen 8 stemmen.

Dit verslag is eenparig goedgekeurd door de 9 aanwezige leden.

De rapporteur, De voorzitter,
Bert ANCIAUX. Alain COURTOIS.

Ten gevolge van de aanneming van dit wetsontwerp vervallen volgende wetsvoorstellen : nrs. 5-52, 5-444, 5-562, 5-628 et 5-998.

De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als die van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden wetsontwerp (zie stuk Kamer, nr. 53-3145/10).