5-2325/1 | 5-2325/1 |
25 MAART 2014
I. PROCEDURE
Tijdens haar vergadering van 25 maart 2014 besprak de commissie voor de Justitie twee voorstellen van wetgevend initiatief opgesteld door het Parlementair Comité belast met de wetsevaluatie (zie stuk Senaat 2012-13, nr. 5-1893/2; Stuk Kamer 2012-13, nr. 53-2580/2). Deze voorstellen werden door het Parlementair Comité aan de Senaat bezorgd in toepassing van de wet van 25 april 2007.
Aangezien beide teksten zuiver technische correcties in de bestaande wetgeving beogen aan te brengen zonder de inhoudelijke draagwijdte ervan te wijzigen, besloot de commissie voor de Justitie om, op grond van de teksten, twee wetsvoorstellen op te stellen, te bespreken en aan te nemen, met toepassing van artikel 22.3 van het reglement van de Senaat.
De voorwaarden waaronder een Senaatscommissie van deze bijzondere procedure gebruik kan maken, worden in het voormelde artikel 22.3 als volgt omschreven :
« Wanneer de commissies naar aanleiding van een bespreking beslissen dat een wetgevend initiatief nodig is of dat de Senaat zijn standpunt te kennen moet geven, kunnen ze zelf een voorstel van wet of van resolutie opstellen, het bespreken, erover stemmen en hierover verslag uitbrengen, zonder dat de Senaat het vooraf in overweging neemt.
Deze procedure kan alleen worden aangevat als twee derden van de leden van de commissie zich schriftelijk akkoord verklaren en de voorzitter van de Senaat vooraf zijn toestemming heeft gegeven. In geval van twijfel over de ontvankelijkheid of over de bevoegdheid van de commissie, raadpleegt de voorzitter het bureau. »
De voorzitter van de commissie, de heer Courtois, heeft op 16 juli 2013 een brief voorgelegd aan de Voorzitster van de Senaat waarin twaalf (met andere woorden de vereiste tweederde meerderheid overeenkomstig artikel 22.3. van het reglement van de Senaat) leden van de commissie zich akkoord verklaarden met de in artikel 22.3. van het reglement van de Senaat bepaalde procedure. De Voorzitster van de Senaat verleende de vereiste toestemming.
II. WETSVOORSTEL TER VERBETERING VAN VERSCHILLENDE WETTEN DIE EEN AANGELEGENHEID REGELEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 77 VAN DE GRONDWET (5-2325)
A. Het wetsvoorstel
De commissie stelde op basis van het voorstel van wetgevend initiatief een wetsvoorstel op. Zij bracht daarbij enkele wijzigingen in de tekst aan, om rekening te houden met recente wetswijzigingen en met de opmerkingen van de minister van Justitie. De tekst van het wetsvoorstel luidt als volgt :
Wetsvoorstel tot verbetering van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet
HOOFDSTUK 1
Algemene bepaling
Artikel 1
Dit artikel geeft aan welke aangelegenheid de tekst beoogt te regelen.
HOOFDSTUK 2
Wijzigingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken
Artikel 2
Artikel 30, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken luidt als volgt :
« Art. 30. — Voor al de burgerlijke rechtbanken en rechtbanken van koophandel, gebruiken de persoonlijk ter zitting verschijnende partijen, voor al haar gezegden en verklaringen, de taal die zij verkiezen. Hetzelfde geldt voor het verhoor over feiten en vraagpunten en voor den gedingbeslissenden en den aanvullenden eed. »
Het Gerechtelijk Wetboek schafte het verhoor over feiten en vraagpunten af. Het kan in deze tekst worden vervangen door het verhoor van partijen.
Artikel 3
In artikel 43 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken wordt verwezen naar « de bepalingen van § 9 » en « de in § 9 voorziene examencommissie ». Paragraaf 9 werd echter impliciet opgeheven door de wet van 10 oktober 1967. Artikel 43 moet sindsdien verwijzen naar artikel 43quinquies.
HOOFDSTUK 3
Wijzigingen van de wet van 19 juli 1945 strekkend tot het voorzien in de uitvoering van artikel 82 van de Grondwet
Artikelen 4 en 5
De wet van 19 juli 1945 strekkend tot het voorzien in de uitvoering van artikel 82 van de Grondwet verwijst zowel in het opschrift als in het enige artikel naar het oude artikel 82 van de Grondwet, dat nu artikel 93 van de Grondwet is.
HOOFDSTUK 4
Wijzigingen van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting
Artikel 6
De Nederlandse tekst van artikel 1 van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting luidt als volgt : « kan in de plaatsen bij de Hoven van beroep van het Rijk voorzien worden volgens de onderstaande tabel : ».
Er wordt voorgesteld artikel 1 te laten aanvangen met het woord « Er ». Ook in de Franse tekst wordt een kleine aanpassing aangebracht : het woord « il » wordt vervangen door het woord « Il ».
Artikel 7
Artikel 5 van dezelfde wet luidt als volgt :
« Art. 5. — Niettegenstaande het bepaalde in artikel 4, kan de Koning voorzien in de vervanging van magistraten die, overeenkomstig artikel 33 van de wet van 18 oktober 1908, gewijzigd bij de wet van 18 mei 1929 of artikel 188bis van de wet van 18 juni 1869, gewijzigd bij de wet van 28 juli 1952, ertoe gemachtigd zijn een post in de magistratuur van de Kolonie of een rechterlijk ambt bij een internationaal organisme in België of in het buitenland te aanvaarden. »
Deze bepaling kan worden opgeheven. De vervanging van magistraten die een ambt opnemen bij een internationale, supranationale of buitenlandse instelling wordt geregeld door artikel 309 van het Gerechtelijk Wetboek. De regeling voor de vervanging van magistraten die een post in de magistratuur van de Kolonie aanvaarden, heeft evenmin nog enige zin.
HOOFDSTUK 5
Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Artikel 8
In artikel 151 van het Gerechtelijk Wetboek is de verwijzing naar artikel 326, eerste lid, niet langer correct. Artikel 326 werd door de wet van 12 april 2004 ingedeeld in paragrafen. Artikel 151 moet verwijzen naar artikel 326, § 1.
Artikel 9
Artikel 613, 4, van het Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt :
« Art. 613. Het Hof van Cassatie doet uitspraak :
4 over de conflicten van attributie, ter uitvoering van artikel 106 van de Grondwet. »
Artikel 106 van de Grondwet is artikel 158 van de gecoördineerde Grondwet.
Artikel 10
Ook artikel 615 van het Gerechtelijk Wetboek verwijst naar een artikel van de oude Grondwet :
« Art. 615. — Buiten de bevoegdheid toegekend bij de artikelen 409, 410 en 486 en bij artikel 90 van de Grondwet, neemt het Hof van Cassatie in algemene vergadering kennis van de vorderingen tot ontzetting uit hun ambt of tot schorsing, ingesteld tegen leden van de Raad van State. »
Artikel 90 is artikel 113 van de gecoördineerde Grondwet.
Artikel 11
Artikel 5 van het Bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek « Gebiedsomschrijving en zetel van hoven en rechtbanken » verwijst naar artikel 104 van de oude Grondwet, dat nu artikel 156 is. Voorts bepaalt dit artikel nog dat het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel zich uitstrekt over de provincie Brabant. Het rechtsgebied omvat nu echter de provincies Vlaams- en Waals-Brabant en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad (zie artikel 156 van de Grondwet).
HOOFDSTUK 1
Algemene bepaling
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
HOOFDSTUK 2
Wijzigingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken
Art. 2
In artikel 30, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, gewijzigd bij de wet van 3 mei 2003, worden de woorden « verhoor over feiten en vraagpunten » vervangen door de woorden « verhoor van partijen »
Art. 3
In artikel 43 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 11, tweede lid, worden de woorden « § 9 » vervangen door de woorden « artikel 43quinquies »;
2° in § 12, eerste lid, gewijzigd bij de wet van 23 september 1985, worden de woorden « door een examen, voor de in § 9 voorziene examencommissie » vervangen door de woorden « hij overeenkomstig artikel 43quinquies ».
HOOFDSTUK 3
Wijzigingen van de wet van 19 juli 1945 strekkend tot het voorzien in de uitvoering van artikel 82 van de Grondwet
Art. 4
In het opschrift van de wet van 19 juli 1945 strekkend tot het voorzien in de uitvoering van artikel 82 van de Grondwet worden de woorden « artikel 82 » vervangen door de woorden « artikel 93 ».
Art. 5
In het enig artikel van dezelfde wet, worden de woorden « artikel 82 » vervangen door de woorden « artikel 93 ».
HOOFDSTUK 4
Wijzigingen van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting
Art. 6
In artikel 1 van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in de Franse tekst wordt het woord « il » vervangen door het woord « Il ».
2º in de Nederlandse tekst wordt het woord « Er » in limine ingevoegd.
Art. 7
Artikel 5 van dezelfde wet wordt opgeheven.
HOOFDSTUK 5
Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 8
In artikel 151, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, worden de woorden « artikel 326, eerste lid » vervangen door de woorden « artikel 326, § 1 ».
Art. 9
In artikel 613, 4, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden « artikel 106 » vervangen door de woorden « artikel 158 ».
Art. 10
In artikel 615, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 15 september 2006, worden de woorden « artikel 90 » vervangen door de woorden « artikel 103 ».
Art. 11
In artikel 5 van het Bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek — Gebiedsomschrijving en zetel van hoven en rechtbanken, vervangen bij de wet van 26 juni 1974, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in de inleidende zin worden de woorden « artikel 104 » vervangen door de woorden « artikel 156 »;
2º in het 2° worden de woorden « de provincie Brabant » vervangen door de woorden « de provincies Vlaams-Brabant en Waals-Brabant en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad ».
III. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING
De artikelen 1 tot en met 11 worden zonder bespreking eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.
IV. STEMMING OVER HET GEHEEL
Het wetsvoorstel in zijn geheel wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.
Vertrouwen wordt geschonken aan de rapporteur.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Bert ANCIAUX. | Alain COURTOIS. |