5-2497/2

5-2497/2

Belgische Senaat

ZITTING 2013-2014

18 MAART 2014


Wetsontwerp tot hervorming van de procedure van klachtenbehandeling bij de Hoge Raad voor de Justitie


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR

DE HEER DELPÉRÉE


I. PROCEDURE

Dit verplicht bicameraal wetsontwerp werd oorspronkelijk ingediend als wetsvoorstel in de Kamer van volksvertegenwoordigers door mevrouw Becq, mevrouw Fonck en de heer Brotcorne op 14 december 2010. Het werd aangenomen op 20 februari 2014 met 134 stemmen bij 1 onthouding en overgezonden aan de Senaat op 21 februari 2014.

De commissie voor de Justitie heeft het wetsontwerp behandeld tijdens haar vergadering van 18 maart 2014, in aanwezigheid van de minister van Justitie.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN JUSTITIE

De minister verduidelijkt dat voorliggend wetsontwerp artikel 259bis-15 wijzigt om de Hoge Raad voor Justitie aan te wijzen als beroepsinstantie met een ombudsfunctie inzake Justitie. Dit beantwoordt aan de doelstelling van de regering om de rol van de Hoge Raad voor de Justitie en de dienstverlening naar de burger toe te verbeteren.

Dankzij dit wetsontwerp, dat oorspronkelijk in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend als een wetsvoorstel van de dames Becq en Fonck en de heer Brotcorne, zal de burger over een centraal aanspreekpunt beschikken voor alle klachten betreffende justitie, weliswaar binnen de beperkingen en bevoegdheden van de Hoge Raad en binnen de beperkingen van het wettelijk kader. De burger zal zeker kunnen zijn dat zijn klacht wordt behandeld en zal op de hoogte worden gehouden van het gevolg dat eraan gegeven wordt. Dit zal de transparantie en ook het vertrouwen van de burger in justitie ten goede komen.

III. ALGEMENE BESPREKING

Mevrouw Maes verklaart dat haar fractie voorliggend wetsontwerp toejuicht. Dit is een langverwachte wijziging van de klachtenprocedure en ligt in de lijn van het pleidooi voor een strenger en beter toezicht.

Spreekster vraagt zich wel af of de magistratuur hierover voldoende werd geraadpleegd. Inderdaad wordt haar een belangrijke bijkomende taak opgelegd daar de gefaseerde klachtenbehandeling in een eerste fase op de werkvloer door de korpschef zal gebeuren.

De minister meent dat zij er mag van uitgaan dat de dames Becq en Fonck en de heer Brotcorne de magistratuur op voldoende wijze hebben geconsulteerd. Ze bevestigt ook dat de magistratuur hierover uitgebreid werd geraadpleegd in een vorige legislatuur.

De heer Delpérée herinnert eraan dat de voorliggende tekst reeds in maart 2010 werd ingediend, maar dat het toenmalige voorstel na zijn goedkeuring in de Kamer van volksvertegenwoordigers, vanwege de ontbinding van de Kamers vervallen is.

Het voorliggende ontwerp was oorspronkelijk een wetsvoorstel van onder meer de heer Brotcorne, waaraan spreker zijn steun verleent.

Spreker benadrukt ten slotte dat de Hoge Raad voor de Justitie door de Grondwet werd opgericht, precies als een orgaan dat klachten en verzeoeken moet centraliseren. De voorliggende tekst gaat in die richting.

Mevrouw Khattabi verklaart dat haar fractie het ontwerp steunt.

Zij verwijst naar een opmerking van de heer Stefaan Van Hecke tijdens de bespreking in de Kamer, waarin hij vraagt of het zeker is dat wanneer een korpschef een klacht van een burger ontvangt, de bepalingen van de voorliggende tekst in overeenstemming zijn met de wet van 15 juli 2013tot wijziging van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de tucht.

De heer Courtois verwijst naar wat voordien gezegd is, en waaruit bleek dat beide teksten niet tegenstrijdig zijn. De voorliggende tekst is integendeel een bijkomend wapen voor de burger.

IV. BESPREKING VAN DE ARTIKELEN

Over de artikelen 1 tot 4 worden geen opmerkingen gemaakt.

V. STEMMINGEN

De artikelen 1 tot 4, alsook het wetsontwerp in zijn geheel, worden eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

Met dezelfde eenparigheid wordt vertrouwen geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van het verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Francis DELPÉRÉE. Alain COURTOIS.

De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als de door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp (zie stuk Kamer, nr. 53-811/6).