5-255COM

5-255COM

Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging

Handelingen

DINSDAG 5 NOVEMBER 2013 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van mevrouw Fauzaya Talhaoui aan de minister van Overheidsbedrijven en Ontwikkelingssamenwerking, belast met Grote Steden over ęde landroof in ontwikkelingslandenĽ (nr. 5-3878)

Mevrouw Fauzaya Talhaoui (sp.a). - De ngo-koepels klagen het toenemende fenomeen van landroof in ontwikkelingslanden al een tijdje aan. Landroof slaat dan op het grootschalig "aankopen" van gronden in ontwikkelingslanden voor landbouw op industriŽle schaal door bedrijven uit de geÔndustrialiseerde landen. In de strijd om de landbouwgronden gaat het er niet altijd even netjes aan toe, noch ethisch noch op wettelijk vlak. Bovendien worden de mensenrechten op grote schaal geschonden. Kleine boeren delven in die strijd meestal het onderspit, voor zover ze niet op een gewelddadige manier van hun gronden worden verdreven. Bij de verdrijvingsoperaties krijgen de oorspronkelijke eigenaren als schaamlapje maar een habbekrats voor hun gronden.

Een niet na te volgen voorbeeld is het Belgisch-Luxemburgse bedrijf Socfin, dat vijf euro per hectare per jaar betaalt aan de inwoners van Malen in het zuiden van Sierra Leone. De firma verwierf 6500 hectare voor een periode van vijftig jaar en betaalde daarvoor 1,650 miljoen. Omgerekend krijgt een lokale boer over vijftig jaar zo'n 250 euro voor een hectare land. De te verwachten jaaropbrengst - de brutowinst - wordt geschat op 200 ŗ 300 miljoen euro. De winst voor de `investeerders' en het verlies voor de lokale boeren blijkt overduidelijk ... Die laatsten wordt vaak een job op het bedrijf aangeboden, maar in realiteit gaat maar een fractie van de jobs naar de boeren en dan nog liefst de slechtst betaalde. In bovenstaand voorbeeld werden 189 jobs van de 1938 beloofde jobs gerealiseerd.

Dat is niet alles: onwillige `verkopers' en mensen die protesteren worden opgepakt, vervolgd en gevangengezet door de lokale overheden en daar komt dikwijls fysiek geweld en foltering aan te pas. Bedrijven voeren de gedupeerden in de media op als criminelen of terroristen. Vroeger konden de boeren van de opbrengst van hun grond drie maaltijden per dag eten, nu zien ze zwarte sneeuw en leven ze in bittere armoede.

Ik vraag mij echt af waarom BelgiŽ Łberhaupt nog moeite doet om in die Afrikaanse landen ontwikkelingsprojecten op te zetten. Ons land probeert er de armoede te bestrijden, mensen aan betere geneeskundige zorg te helpen en hun de middelen aan te reiken om zelfstandig voor hun voedsel en overleven in te staan. Dat gebeurt met de inzet van middelen uit het departement Ontwikkelingssamenwerking. Maar parallel doen bedrijven aan neokolonialistische roofbouw.

Het is niet altijd traceerbaar of die bedrijven, ook uit ons land, belastingen betalen in pakweg BelgiŽ. De dividenden worden door financiŽle experts op 10 tot 20% van het geÔnvesteerde kapitaal geschat, maar in het voorbeeld van het Socfin-project in Sierra Leone lijkt dat vele malen groter te zijn.

Blijkbaar investeert onze eigen ontwikkelingssamenwerking ook in gelijkaardige projecten. Zo is er het voorbeeld van de BIO, dat blijkbaar 500 miljoen euro investeerde in een project van 20 000 hectare van de Zwitserse groep Addax Petroleum voor de teelt van biobrandstoffen. Dat is op zich al een zeer discutabele teelt. Nu blijkt bovendien dat er onder het mom van hulp aan de lokale bevolking ook arbeidsvoorwaarden en -lonen gelden die doen denken aan lijfeigenschap.

We moeten vermijden dat de Belgische ontwikkelingssamenwerking de waterdrager wordt van bedrijven die ethisch onverantwoord investeren en daarbij de mensenrechten van de lokale boeren met voeten treden. Daarom wil ik weten welke garanties de minister inbouwt om onze investeringen in ontwikkelingssamenwerking niet te laten vernietigen door parallel neokoloniaal gedrag van sommige bedrijven?

Waarom kan de BIO laakbare investeringen doen? Plant de minister een doorlichting van die investeringsmaatschappij op basis van criteria waarin de mensenrechten, duurzame ontwikkeling en hun positieve invloed op de lokale bevolking centraal staan? Zo worden de doelstellingen van het beleid in overeenstemming gebracht met de uitgangspunten van de nieuwe wet op de ontwikkelingssamenwerking.

Zijn er in het algemeen maatregelen denkbaar om ondernemingen die op die manier flagrant de mensenrechten schenden, de lokale bevolking in armoede brengen, in BelgiŽ noch in het betrokken land amper fiscale bijdragen betalen op hun woekerwinsten en er dan nog eens in slagen de kosten van de armoede af te wentelen op onze ontwikkelingssamenwerking, aan te pakken voor de ellende die ze veroorzaken?

De heer Jean-Pascal Labille, minister van Overheidsbedrijven en Ontwikkelingssamenwerking, belast met Grote Steden. - Mensenrechten en waardig en duurzaam werk zijn, overeenkomstig artikel 11 van de wet betreffende de Belgische ontwikkelingssamenwerking van 19 maart 2013, prioritaire thema's voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Ze spelen onder andere een belangrijke rol bij het opstellen en onderhandelen van een bilateraal Indicatief Samenwerkingsprogramma.

Ook in de multilaterale samenwerking maken ze steeds deel uit van de Belgische prioriteiten, zoals duidelijk aangehaald tijdens het recent overleg tussen BelgiŽ en UNDP op 21 en 22 mei jongstleden in Brussel plaatsvond.

Wat het fenomeen van landroof en landinname via grootschalige aankopen/leasing/huur betreft, staat BelgiŽ volledig achter de Voluntary Guidelines on the Responsible Governance of Tenure of Land, Fisheries and Forests van de FAO. BelgiŽ zet zich ook actief in voor het opstellen van richtlijnen betreffende Responsible Agricultural Investment van de FAO en het Policy Framework for Investment in Agriculture van de OESO.

Het vermelde project van de BIO werd, zoals alle investeringen van de organisatie, onderworpen aan een evaluatie ex ante om het ontwikkelingseffect ervan te beoordelen. De analyse wees uit dat het project met hoge waarschijnlijkheid op korte, middellange en lange termijn rechtstreeks of onrechtstreeks positieve duurzame effecten zal hebben op economisch, sociaal en milieugebied.

Verschillende aanbevelingen in het eerste deel van de onafhankelijke externe evaluatie van de BIO uit 2012, die tot doel had de ontwikkelingsrelevantie van de investeringen te verhogen, en de commentaren van bepaalde ngo's alsook enkele toelichtingen die de BIO zelf gaf, krijgen evenwel mijn aandacht. De beoordeling van de relevantie, de doeltreffendheid, de levensvatbaarheid en de impact van de investeringen van de BIO zullen worden meegewogen en opgenomen in de analyse van de ontwikkelingsrelevantie en van de investeringsdoelen van de organisatie. Beide punten moeten bij het opstellen van een nieuw regelgevend kader voor de betrekkingen tussen de BIO en de Belgische staat nauwkeurig worden uitgewerkt.

Zo legt het recent voorontwerp van wet op de hervorming van de BIO aan laatstgenoemde hogere ethische eisen op. Het zal voor de BIO verboden worden te investeren in staten zonder of met lage belastingen alsook in offshore jurisdicties en zullen de interventies van de BIO zich exclusief en zowel rechtstreeks als onrechtstreeks op micro-, kleine en middelgrote ondernemingen richten, voornamelijk op ondernemingen die zich bezighouden met agrarische activiteiten. Het wordt de BIO bovendien uitdrukkelijk toegestaan om te investeren in sociale ondernemingen.

Het is ongehoord dat de ontwikkelingssamenwerking een multinational steunt voor een grootschalig agro-industrieel project dat gericht is op een exportproduct in een land dat sterk wordt getroffen door voedselonzekerheid. Het is absoluut noodzakelijk om te blijven werken aan een zo groot mogelijke coherentie van het hele beleid van de internationale samenwerking en dat ook te blijven bevorderen.

BelgiŽ speelt vooral in op de internationale activiteiten betreffende het aspect van maatschappelijk duurzaam verantwoord ondernemen. Zoals reeds vermeld steunt BelgiŽ effectief de uitvoering van bovengenoemde vrijwillige richtlijnen van de FAO en de OESO. De Belgische regering heeft ook de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen goedgekeurd. De OESO-richtlijnen zijn aanbevelingen inzake arbeid, mensenrechten, ketenverantwoordelijkheid, milieu, consumentenbescherming, concurrentie enzovoort.

BelgiŽ heeft een Nationaal Contactpunt voor die richtlijnen opgericht binnen de FOD Economie.

Ten slotte wil ik vermelden dat binnen de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling, ressorterend onder de POD Duurzame Ontwikkeling, zeer specifieke aandacht wordt besteed aan de verschillende aspecten van maatschappelijk verantwoord ondernemen, ook internationaal.

Mevrouw Fauzaya Talhaoui (sp.a). - Ik moedig de voortrekkersrol van BelgiŽ aan en vraag dat ons land in de Indicatieve Samenwerkingsprogramma's blijft hameren op mensenrechten en duurzame ontwikkeling.

Ik hoop dat de wet op de hervorming van de BIO tijdig tot stand zal komen om het grootschalige project voor biobrandstoffen van de Zwitserse maatschappij Addax Petroleum kritisch te evalueren.