5-2281/1

5-2281/1

Belgische Senaat

ZITTING 2013-2014

10 OKTOBER 2013


Voorstel van resolutie betreffende het ethisch verantwoord gebruik van war drones en het aanmoedigen van een internationaal wetgevend kader

(Ingediend door de heer Jean-Jacques De Gucht c.s.)


TOELICHTING


INLEIDING

Oorlogsvoering is in een voortdurende staat van technologische ontwikkeling. Wereldoorlog II kende de atoombom die vervolgens tijdens de koude oorlog leidde tot de zogenaamde « nucleaire vrede ». De Verenigde Staten en de Sovjet Unie waren zich er immers van bewust dat op een nucleaire aanval een retaliatie zou volgen die het einde van de eigen staat en misschien zelfs de wereld zou betekenen. De nieuwste vorm van oorlogsvoering die opgang maakt, maakt gebruik van de technologische innovaties in de robotica. De meest bekende exponent hiervan is de « drone » of het « unmanned aerial vehicle » (UAV). Dit zijn onbemande vliegtuigen die vanop een afstand bestuurd worden. De piloot opereert vanuit een controlekamer zijn vliegtuig en weet zich daardoor veilig in tegenstelling tot zijn slachtoffer dat hij in zijn vizier heeft. Het Amerikaanse congres beval in 2000 reeds dat één derde van de grondvoertuigen en aanvalsvliegtuigen vervangen moeten worden door robots in 2015. Dit betekent een drastische verandering met de conventionele oorlogsvoering waarbij men de tegenstander recht in de ogen kijkt in. Het motief is tweeledig : geld en soldatenlevens.

Deze nieuwe technologie is ook bij het brede publiek bekend omwille van de participatie van de drones in de « war on terror » en de berichtgeving hier rond. Deze technologische innovatie in de oorlogsvoering ontwikkelt zich echter, zoals zo vaak, sneller dan het wetgevend kader dat de spelregels dient op te leggen die men hoort te volgen. De drones lijken niet altijd te opereren binnen het wetgevend kader en bovendien werpen ze nieuwe, vaak ethische, vraagstukken op omwille van de totaal nieuwe manier van oorlog voeren die in rekening moeten worden gebracht bij het aanpassen van de bestaande wetgeving.

WETGEVING

Het voornaamste wetgevend internationaal kader dat de spelregels van oorlogsvoering vast legt is het internationaal oorlogsrecht, ook gekend als het internationaal humanitair recht. Deze wetgeving is gebaseerd op een aantal verdragen waaronder de Universele Verklaring van de rechten van de mens, het Charter van de Verenigde Naties en de Conventie van Genève. In het Internationale Oorlogsrecht worden verschillende zaken aangestipt waarbij de vraag kan gesteld worden of drones er (al) aan voldoen. Hierbij lijken er twee elementen van cruciaal belang. Ten eerste is er de soevereiniteit van een land die gerespecteerd moet worden. Ten tweede is er de nadrukkelijke bepaling dat er discriminatie moet zijn tussen strijders en burgers. Deze twee elementen lijken problemen op te werpen bij de nieuwe vorm van oorlogsvoering waarbij drones ingezet worden.

Het gebruik van deze drones is dan ook een reactie op de zogenaamde asymmetrische oorlogsvoering (ook wel terrorisme genoemd) waarbij men de tegenstander veel moeilijker kan vastpinnen als behorende tot een staat en een regulier leger. De « war on terror » is geen strijd tegen één land maar een strijd tegen fundamentalisten, zoals Al-Qaeda, die niet gebonden zijn aan één staat en die gebruik maken van zelfmoordaanslagen en bermbommen waartegen de traditionele oorlogsvoering veel minder succesvol is. Bovendien zijn de strijders geen lid van een regulier leger en bevinden ze zich vaak onder de bevolking, hetgeen discriminatie in toenemende mate bemoeilijkt.

De asymmetrische oorlogsvoering is de reden dat er in toenemende mate gebruik wordt gemaakt van drones omwille van de voordelen die ze bieden in deze strijd. Maar het maakt tevens dat ze in strijd lijken met de bestaande wetgeving.

Ten eerste is er binnen het internationaal oorlogsrecht het uitgangspunt dat er twee types van oorlogen zijn : een oorlog tussen twee staten en een oorlog binnen een staat (een burgeroorlog). Hieruit volgt dat wanneer men niet in oorlog is met een land, de soevereiniteit van dit lang gerespecteerd dient te worden. Een land waar men met niet mee in oorlog is, mag niet het slachtoffer worden van bombardementen of militaire aanvallen. In de « war on terror » wordt dit principe echter regelmatig verlaten. Deze « oorlog » waarin de Verenigde Staten zich bevindt is immers niet tegen een geografisch omgrensde staat. Het is geen oorlog tegen een land, maar wel tegen extremisten die vaak los staan van een staat. Zijn aanvallen op deze vijanden dan gerechtvaardigd ? Denk maar aan de aanvallen door drones op de taliban in Yemen, Somalië of Pakistan. De Pakistaanse rechtbanken oordeelden recent dat Pakistan het recht heeft de Amerikaanse drones neer te halen op basis van de soevereiniteit van het land. De vaagheid van de « war on terror » geeft immers een valse legitimiteit om waar dan ook ter wereld tegenstanders neer te schieten ongeacht in welk land ze zich bevinden. De soevereiniteit van een land is dan ver zoek en een globalisering van oorlogsvoering zeer nabij. De Verenigde Staten beroepen zich binnen het handvest van de Verenigde Naties op hun recht actie te ondernemen uit zelfverdediging indien een neutraal land er niet in slaagt om binnen zijn grondgebied acties tegen te gaan die hen kunnen schaden. Dit mag echter slechts indien een aanval effectief gebeurd is of het gevaar imminent is. Of men hiervan kan spreken bij de aanvallen in bijvoorbeeld Pakistan is dan nog maar de vraag.

Ten tweede is er in de wet de nadrukkelijke stipulering dat er discriminatie moet zijn tussen burgers en strijders. Burgers mogen niet het slachtoffer zijn van oorlogsvoering : een geweer moet op de gewapende vijand gericht worden, niet op een burger. Bovendien heeft elke mens het recht niet arbitrair van zijn leven beroofd te worden. Het probleem bij asymmetrische oorlogsvoering is nu net dat het moeilijker is om het onderscheid te maken tussen burgers en strijders. En hoewel er stemmen zijn die stellen dat de drones hierin net een antwoord kunnen bieden, zijn er evengoed stemmen die dit ontkrachten.

Drone-aanvallen zijn om te beginnen preventieve aanvallen : ze zijn gebaseerd op informatie dat een aanval dreigt. Maar hoe kan men de proportionaliteit beoordelen van een aanval die een anticipatie is op een zogenaamd dreigende aanval ? Deze informatie is bovendien gebaseerd op gegevens van op het terrein die ook in vraag gesteld kunnen worden. Hoe kan men met zekerheid zeggen dat deze gegevens accuraat zijn en er aldus geen verkeerde doelwitten worden aangevallen ? En indien we enkel uitgaan van informatie vergaard door drones, is er niet langer contact op de grond en is er dus geen manier om de informatie te verifiëren. De informatie die in dat geval vanuit luchtobservaties gehaald wordt kan misleidend zijn. « Verdacht gedrag » gemonitord vanuit de lucht kan een reden bieden voor een aanval. Maar hoe categoriseer je « verdacht gedrag » ? Zo wordt in Afghanistan elke man binnen een verdacht gebied als terrorist ervaren. Het leveren van voedsel aan militanten, hetgeen in het de internationale oorlogswet gezien wordt als niet participeren in de oorlog, kan gepercipieerd worden als verdacht gedrag.

In de praktijk lijkt de discriminatie tussen strijders en burgers daardoor dan ook niet altijd op te gaan. De zogenaamde zekerheid van een aanval vertaalt zich immers niet altijd op het terrein. Er zijn wel degelijk gevallen genoteerd van burgers die omkwamen tijdens aanvallen van drones. En zeker in de « war on terror », waarbij de ongrijpbare tegenstander zich tussen de gewone bevolking bevindt, is het raken van onschuldige burgers een onontkoombaar gegeven.

De wetgeving is er dus duidelijk niet in geslaagd om de technologische vooruitgang bij te benen. Dit is problematisch en moet aangepakt worden. Bovendien zijn er ook verschillende ethische vraagstukken bij het gebruik van drones die in acht moeten worden genomen in een hernieuwde wetgeving.

ETHISCHE VRAAGSTUKKEN

Ten eerste is er de impact op de burgerbevolking. Zoals reeds vermeld zijn zij niet zelden het slachtoffer van aanslagen door drones. Onderzoek heeft bovendien aangetoond dat de aanwezigheid van drones een enorme psychologische impact heeft op de burgerbevolking. Deze onzichtbare en ongrijpbare dreiging vanuit de lucht zorgt voor enorme angst in die mate zelfs dat in bijvoorbeeld Waziristan, polovaccinaties voor kinderen stopgezet werden zolang als de Verenigde Staten deze aanvallen bleven uitvoeren. Drones zijn daardoor niet de beste promotors van vrede. Integendeel is het overlijden van burgerslachtoffers contraproductief in de strijd voor vrede. Het zorgt voor groeiende afkeer en bitterheid onder de burgerbevolking en kan burgers net in de armen van extremistische groeperingen drijven. Het aantal zelfmoordmissies kan daardoor stijgen. Het oorspronkelijke doel, namelijk het bestrijden van het terrorisme en de onzichtbare vijand zal dus niet worden bereikt. Drones zullen een omgekeerd effect hebben en een factor van rekrutering zal worden. Zo werd op 1 mei 2010 een aanslag verijdeld op Times Square in New York. De Amerikaanse bomlegger, van Pakistaanse afkomst, verklaarde dat de aanslag als wraak bedoeld was op de aanvallen uitgevoerd door drones in Pakistan. Als de soldaten ongrijpbaar worden kiest men de familie ervan te treffen.

Ten tweede is er de psychologische impact op de bestuurders van de drones zelf. Momenteel studeren er in de Verenigde Staten meer personen af die onbemande vliegtuigen zullen besturen dan piloten die effectief plaats zullen nemen in een cockpit. Bij de jongere generatie is er het gevaar dat ze een zogenaamde « playstation » mentaliteit ontwikkelen doordat ze opgegroeid zijn met oorlogsspelletjes. Anderzijds zijn er de oudere piloten die wel in een cockpit hebben gezeten en die de afstand met « de vijand » en het oorlogsfront als problematisch ervaren. De piloten ervaren immers niet langer de emoties die ze zouden hebben wanneer ze strijd zouden leveren « op het terrein ». Hiermee verbonden risico's zoals gevaar, angst of pijn die de eigenwaarde versterken en eveneens de waarde van « de ander » versterken dreigen te verdwijnen. Dit kan zowel bij de militair als bij het publiek het traditionele gevoel van oorlogsheld doen eroderen. Door de onthechtheid van het oorlogsgebied voelen ze bovendien in veel mindere mate empathie met hun tegenstander en kunnen ze veel minder goed verstaan waarom de tegenstander strijd voert.

Ook mag niet onderschat worden welk effect deze « kantoorjob » heeft bij de beleving door de betokkenen. De bestuurders werken in shiften van acht uur; een « 9 to 5 job zou je kunnen stellen. Net als bij een « gamer » kan dit de concentratie en het helder denken aantasten. De opgebouwde adrenaline heeft bovendien geen fysieke uitlaatklep. Hierdoor komt er fysieke uitputting. Het hoeft niet te verbazen dat deze piloten de meest uitgeputte piloten zijn van het leger. Na een shift gaan de bestuurders vervolgens naar huis naar vrouw, kinderen en haard. Ze hebben daardoor geen voeling met de aspecten van conventionele oorlogsvoering. Ze komen niet in contact met overlijden, angst, kameraadschap van medesoldaten en de mogelijkheid om gevoelens te delen gebaseerd op gemeenschappelijke ervaringen.

Ten derde is er de anonimiteit die met drones gepaard gaat. De personen die luchtaanvallen uitvoeren worden veel minder sterk veroordeeld dan soldaten bij conventionele oorlogsvoering. Denk maar aan de personen die de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki hebben gedropt.

Ten vierde is er het gevaar op een dronewedloop. De drones zijn intussen reeds over heel de wereld verspreid. Vaak zijn dit zogenaamde « surveillance drones ». Maar ook deze kunnen bewapend worden met raketten. Iedereen kan zich dus een drone aanschaffen en deze vervolgens bewapenen, ook groeperingen die los staan van de staat, dezelfde als diegene die in de « war on terror » bestreden worden. Een wapenwedloop kan op deze manier volledig uit de hand lopen. Dit zal dan bovendien geen wapenwedloop zijn tussen staten zoals voordien, maar een wapenwedloop tussen gouvermentele en niet-gouvermentele instanties. Zo heeft bijvoorbeeld Hezbollah al drones ingezet tegen Israël.

Ten vijfde is er de kwestie van de automatisering van oorlogsvoering. Drones zijn een ver gevorderd voorbeeld van de automatisering van de oorlogsvoering. Maar we zitten hiermee nog niet op de grenzen van het technologisch mogelijke. Voorlopig neemt een mens nog steeds de eindbeslissing of een drone de trekker overhaalt of niet. Drones die deze keuze autonoom gaan maken zijn echter niet langer verre toekomstmuziek. Ethiek is dan zeker ver te zoeken. Een vliegtuig dat in naam van een staat de trekker overhaalt is een ethisch vraagstuk waar goed over nagedacht en gedebatteerd moet worden. Voorstanders argumenteren dat het technologisch mogelijk is om drones het onderscheid te laten maken tussen burgers en tegenstanders. Daarnaast stellen ze dat een drone nooit op basis van negatieve emoties zoals angst en haat iemand zal neerschieten. Ze kunnen ook geen oorlogsmisdaden plegen zoals marteling of verkrachting. Tegenstanders twijfelen echter aan de technologische mogelijkheid om een drone in te doen schatten of de persoon tegenover hem een soldaat of geen soldaat is, tenzij die persoon met een fluo jasje zou aangeven een soldaat te zijn. De Conventie van Genève laat dit over aan het oordeel van een soldaat en het is net dit waartoe een drone (momenteel) niet in staat is. Zijn sensoren en software zijn kunnen dit onderscheid (momenteel) niet maken. Tegenstanders stellen bovendien dat een volledig automatische drone ook geen medelijden en intuïtie kent. Respect voor het oorlogsrecht is eveneens een menselijke eigenschap en alleen het menselijk beoordelingsvermogen maakt het mogelijk de drijfveren van de tegenstander in te schatten. En een machine kan ook niet inschatten of een tegenstander gewond is en zich wil overgeven. Ook is het zo dat een machine geen proportionaliteit kan inschatten met het oog op militair geweld, een cruciaal gegeven in het oorlogsrecht. En een machine kan niet ter verantwoording geroepen worden voor de daden dat het gepleegd heeft. Dus als een machine een inbreuk pleegt op het oorlogsrecht ? Wie wordt dan ter verantwoording geroepen ? De commandant, de operator, de fabrikant, ... ? Dat een machine ooit dit foute oordeel maakt, is evident. Het is namelijk onmogelijk op voorhand alle denkbare scenario's te programmeren. Het is met andere de vraag of het mogelijk is ethisch besef mee te geven met een machine ? Deze discussie laait momenteel volop.

De Verenigde Staten hebben in hun interne wetgeving opgenomen dat zeker de komende tien jaar er altijd « een man aan de knop » zal zitten, maar dit neemt niet weg dat deze discussie nu reeds gevoerd moet worden op internationaal niveau. Er leeft immers de vrees dat indien de drones geheel automatisch vijanden gaan opsporen en doden er « mechanische slachtpartijen » zullen volgen.

Ten zesde is er het drempelverlagend effect. Dit is misschien het grootste probleem dat samenhangt met de twee hoofdredenen voor het gebruik van drones : geld en soldatenlevens. Voordien moesten politieke leiders de afweging maken of de publieke opinie hun oorlog zou steunen. Deze publieke opinie werd sterk beïnvloed door de « bodybags » die terugkeerden van het front. Bij onbemande vliegtuigen loopt men dit risico niet. Bovendien ligt de kost van een drone veel lager dan de conventionele wapens. Tel daar nog eens het voordeel bij van de superieure militaire natie die kan aanvallen zonder zelf geraakt te worden en drones dragen het gevaar in zich een wereld te creëren van geglobaliseerde oorlog. Na het nucleaire tijdperk, het drone tijdperk.

EUROPA

De voornaamste producenten van drones zijn Israel en de Verenigde Staten. Meer en meer wordt echter ook duidelijk dat de Europese Unie mee wil stappen in het verhaal rond drones. Groot-Brittannië voerde reeds drone aanvallen uit in Afghanistan en Frankrijk heeft recent drones aangekocht bij de Verenigde Staten om in te zetten in Mali. Bovendien is er voor de zoveelste keer een ballonnetje opgelaten over de productie van een Europese drone. Dassault, EADS Cassidian en Finmeccanica communiceerden naar hun regeringen om een gezamenlijk drone-programma te lanceren. Deze Europese drone zou er deels komen vanuit de vrees van Europese drone producenten dat ze weggeconcurreerd zullen worden door Israël en de Verenigde Staten, deels vanuit een geopolitieke bekommernis afhankelijk te worden van andere landen in het leveren van militaire technologie. Het lijkt echter dat de Europese Unie voorbijgaat aan een kritisch debat over deze nieuwe manier van oorlogsvoering. Enige vorm van kritiek over de grijze zone waarbinnen de drones aanvallen zich afspelen zou echter een prioriteit moeten zijn.

BESLUIT

Technologische innovatie moet aangemoedigd worden. De realpolitik zegt ons mee te gaan in technologische innovatie willen we niet in het (militair) machteloze kamp terecht komen. Dit neemt echter niet weg dat de mensheid rationeel is en internationale instanties en kaders heeft gecreëerd die respect en aandacht vragen voor fundamentele mensenrechten, zeker binnen het kader van oorlog. De recente beelden die ons bereikt hebben uit Syrië tonen nogmaals aan dat ethiek meer dan ooit tijdens een oorlog onder druk komt te staan. Daarom is het, meer dan elders, ten tijde van oorlog broodnodig dat er kaders gecreëerd worden waarbinnen men dient te opereren. De creatie van de atoombom heeft geleid tot verschillende verdragen zoals het Non-Proliferatie Verdrag. Na het nucleaire tijdperk is er ook voor het aanstormende drone tijdperk een wetgevend kader nodig waarbinnen spelregels worden opgesteld. Laat ons daarom op internationaal niveau deze ethische discussie ten gronde voeren. De Verenigde Naties is hiermee begonnen. Laat ons als klein land ook hier mee aan de kar trekken, net zoals we onze vooruitstrevendheid getoond hebben bij de creatie van wetgeving rond anti-persoonsmijnen.

Jean-Jacques DE GUCHT.
Bert ANCIAUX.
Yoeri VASTERSAVENDTS.

VOORSTEL VAN RESOLUTIE


De Senaat,

A. gelet op de internationale verdragen die ten tijde van oorlog moeten gerespecteerd worden zoals :

— het internationaal humanitair recht of het oorlogsrecht;

— de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

— de conventies van Genève;

B. gelet op verschillende rapporten, zoals « drones : the physical and psychological implications of a global theatre of war », die wijzen op de juridische en ethische pijnpunten bij het gebruik van drones;

C. gelet op de recente uitingen van Christof Heyns, VN-rapporteur voor buitengerechtelijke executies, die ethische vragen stelt bij het gebruiken van drones en hun overeenstemming met internationale wetgeving;

D. gelet op de aanvallen door Amerikaanse drones in Pakistan, Yemen en Somalië ondanks dat de Verenigde Staten niet in oorlog zijn met deze staten en de Verenigde Staten aldus de soevereiniteit van deze staten naast zich neerleggen;

E. beseffende dat elk land het recht heeft op zelfbescherming zoals neergeschreven in het Handvest van de Verenigde Naties indien een neutrale staat er niet in slaagt binnen het eigen grondgebied acties die een andere staat schaden te onderdrukken;

F. gelet op het rapport « Vested interest or moral indicisiveness » van het Zwitsers Federaal Instituut voor Technologie dat vragen opwerpt rond de juridische correctheid van drone aanvallen en de zwijgzaamheid en afwezig kritische stem van de Europese Unie ten aanzien van deze kwestie aan de kaak stelt;

G. gelet op het recht van de bevolking om geïnformeerd te worden;

H. beseffende de leidinggevende positie die België heeft ingenomen tijdens de creatie van de anti-persoonsmijnen wetgeving,

Vraagt de regering,

1. een leidinggevende rol op te nemen in het aanmoedigen van een ethisch en juridisch debat rond het inzetten van « war drones »;

2. er bij de Europese Unie op aan te dringen het gebruik van « war drones » met een kritische ingesteldheid te benaderen en juridische duidelijkheid te scheppen door zich te engageren voor een internationaal wetgevend kader, alvorens verdere stappen te zetten in het uitbreiden van het Europees gebruik van drones;

3. deze kwestie bij de Verenigde Naties hoog op de agenda te plaatsen en hier initiatieven te vragen om te komen tot de creatie van een internationaal wetgevend kader;

4. er bij de internationale instellingen en partners, inzonderheid de Verenigde Staten, op aan te dringen transparant te zijn over het aantal drone aanvallen en het aantal burgers dat er slachtoffer van is geworden.

25 juni 2013.

Jean-Jacques DE GUCHT.
Bert ANCIAUX.
Yoeri VASTERSAVENDTS.