5-2167/1

5-2167/1

Belgische Senaat

ZITTING 2012-2013

26 JUNI 2013


Voorstel van resolutie betreffende de implementatie van het poliklinisch bevallen

(Ingediend door mevrouw Elke Sleurs c.s.)


TOELICHTING


De voorbije jaren is er een evolutie merkbaar in de de duur van het ziekenhuisverblijf bij bevallingen. In Vlaamse materniteiten verbleef men respectievelijk 4,97 ligdagen in 2009 (gemiddelde bezettingsgraad van 63 %) en 4,82 ligdagen in 2010. In Waalse en Brusselse materniteiten liggen de cijfers voor 2010 iets hoger, respectievelijk 4,98 en 4,86 ligdagen. Vergeleken met 2005 (5,73 ligdagen) is dit dus een gunstige evolutie naar een kortere verblijfsduur. Het peripartaal ziekenhuisverblijf werd en wordt nog steeds deels gekenmerkt door een bijkomende hotelfunctie : met name familie en kennissenkring bezochten de kersverse moeder en baby in het ziekenhuis, dat « hoorde immers bij een bevalling ». Meer en meer worden deze luxedagen in het ziekenhuis omgezet tot wat medisch nodig wordt geacht, maar ook hier is er nog ruimte ten opzichte van wat strikt noodzakelijk is.

De zorg voor moeder en kind kent een evolutie naar een grotere efficiëntie met behoud van kwaliteit door onder andere gebruikt te maken van moderne technologieën en reorganisatie van de verloskundige zorg. Daarbovenop is de financiering voor een bevalling beperkter dan vroeger. Deze wordt berekend op basis van gemiddelden, zoals de ziekenhuisopnamen voor andere bepaalde pathologieën. Dit heeft ervoor gezorgd dat de ziekenhuizen zelf de vrouwen stimuleren om het verblijf te beperken tot wat ze nodig achten in het kader van hun algemeen beleid.

In vergelijking met andere Europese landen kan het peripartaal ziekenhuisverblijf nog korter. Het Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OESO)-gemiddelde voor de duur van een normale bevalling bedroeg 3,5 dagen in 2010, terwijl dat in België nog 4,3 dagen was. In Nederland wordt er vaak « poliklinisch bevallen », met een gemiddelde van 1,9 dagen bij een ongecompliceerde bevalling. Het Verenigd Koninkrijk geeft een goed voorbeeld van een verkort ziekenhuisverblijf waar de gemiddelde duur van een normale bevalling 1,8 dagen bedroeg in 2010.

Budgettaire optimalisatie is natuurlijk niet het doel op zich van een verkort ziekenhuisverblijf; het doel van een reorganisatie van de verloskundige zorg is en blijft het streven naar de best mogelijke kwaliteitsvolle verloskundige zorg door gynaecologen, vroedvrouwen en huisarsten in onderling overleg waarbij eenieder meer aandacht zal kunnen besteden aan de begeleiding van de zwangere vrouw. Een loutere hotelfunctie hoort niet thuis in deze doelstelling.

Een deel van de post-partumzorg kan mits goede organisatie en multidisciplinaire afspraken thuis georganiseerd worden. Het volgen van een klinisch pad voor bevallingen met een laag risico is daarin aan te raden. De klinische praktijk toont heden aan dat een kortverblijf vandaag reeds mogelijk is in geval van ongecompliceerde bevallingen. Niettemin dient net te worden onderzocht of langer dan vierentwintig uur in het ziekenhuis blijven na een bevalling met een laag risico wel kan beschouwd worden als hotelfunctie en dient te worden onderzocht of een beter georganiseerde postnatale zorg een compensatie kan bieden voor een « kortverblijf ».

« Kortverblijf » definiëren we als een verblijf van vierentwintig uren na een fysiologische partus, eventueel pas bij multipariteit. Volgens data van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (RIZIV) waren er in 2011 116 794 fysiologische partussen (70,4 % van de bevallingen).

De vraag van de indieners met betrekking tot kortverblijf na een fysiologische partus is een eerste stap naar een mogelijke verdere inschakeling en een grotere verantwoordelijkheid van vroedvrouwen bij bevallingen met een laag risico én de herwaardering van gynaecologen in bevallingen met een hoog risico. Het is echter belangrijk om eerst zeker te zijn dat de kwaliteit in kortverblijf even goed is als in langer verblijf en niet leidt tot heropnames van moeder en/ of kind.

Uit een onderzoek verricht naar het aantal ligdagen naargelang de zorgverstrekker die de bevalling begeleidt komen de volgende aantallen ligdagen naar voor : voor vroedvrouwen in een ziekenhuis 3,38, voor huisartsen 3,98, voor gynaecologen 4,45 (1) . Bijna alle bevallingen worden door gynaecologen uitgevoerd (2) of worden althans zo geregistreerd. Vandaag verwachten patiënten zoals blijkt uit sociologisch onderzoek (3) nog steeds een deel hotelfunctie in het ziekenhuis, zoals privacy in een eenpersoonskamer, mogelijkheid tot het ontvangen van bezoek, enz., maar uiteraard blijft ook de verwachting en het vertrouwen dat er voldoende medische verzorging zal zijn. Mits een goede begeleiding en een goed georganiseerde nazorg kan een deel van de nazorg thuis gebeuren; denken we maar aan de begeleiding van borstvoeding. Er dient onderzocht te worden of een kortverblijf kwalitatief even goed is en of een langer verblijf effectief een hotelfunctie heeft of dat er toch een medisch nut is.

Tegelijk dient in een aangepast systeem met verkort ziekenhuisverblijf reeds prenataal voldoende inlichtingen te worden gegeven aan de toekomstige moeder met betrekking tot de organisatie voor de postnatale zorg voor zowel zichzelf als voor de baby. Een toegankelijke prenatale en postnatale zorg is dus een belangrijke factor. De bestaande postnatale thuiszorg gebeurt heden vaker bij complexe situaties of bij bevallingen van meerlingen. De kosten van deze postnatale zorg werden door één van de indieners eerder opgevraagd (4) .

Globaal wordt er een besparing verwacht voor het ziekenhuis bij meer kortverblijven mits voldoende kwaliteit kan worden gegarandeerd. Het is mogelijk dat kortverblijven een hogere kost voor de patiënt met zich meebrengen die in dat geval meer beroep zal doen op niet-medische zorg, alsook medische opvolging. Niettemin kan een gedragswijziging in verband met een beperking/ een afschaffing van niet-medische zorg in het ziekenhuis ervoor zorgen dat de patiënt een snellere terugkeer naar huis aanvaardt.

Elke SLEURS.
Louis IDE.
Inge FAES.
Lieve MAES.

VOORSTEL VAN RESOLUTIE


De Senaat,

A. overwegende dat meer dan 70 % van de bevallingen een fysiologische partus betreffen;

B. overwegende dat het postpartaal verblijf nog steeds een niet-medische component bevat;

C. overwegende dat pre- en postnatale zorg anders kunnen georganiseerd worden op grotere schaal dan vandaag het geval is;

D. overwegende dat uit de klinische praktijk bij gynaecologen reeds duidelijk is dat kortverblijf vandaag reeds mogelijk is, zeker bij bevallingen met een laag risico;

E. overwegende dat de huidige tijden van besparingen ons ertoe nopen om kostenefficiënt te werken;

F. overwegende dat een aanpassing van de taken van de verschillende zorgverstrekkers ervoor kan zorgen dat elkeen geherwaardeerd wordt in zijn functie,

Vraagt de regering :

1. om binnen zes maanden na goedkeuring van deze resolutie een grondige analyse op te starten met betrekking tot de herziening van het verloskundig model, dat eventueel in fasen kan worden opgestart, beginnend met kortverblijf voor fysiologische partus gecombineerd met pre- en postnatale zorg;

2. te onderzoeken of langer dan vierentwintig uur in het ziekenhuis blijven na een bevalling met een laag risico beschouwd kan worden als hotelfunctie of toch een medisch noodzakelijke functie heeft (kortverblijf wordt gedefinieerd als een verblijf van vierentwintig uren na een fysiologische partus);

3. te onderzoeken of de kwaliteit in kortverblijf even goed is als in langer verblijf en niet leidt tot heropnames van moeder en/of kind;

4. te onderzoeken of een beter georganiseerde postnatale zorg een compensatie kan bieden voor een kortverblijf;

5. te voorzien in een toegankelijke prenatale en postnatale zorg;

6. te onderzoeken wat de mogelijke besparing en voordelen hiervan kunnen zijn;

de rol van de gynaecologen bij bevallingen met een hoog risico en van vroedvrouwen bij bevallingen met een laag risico te herzien.

6 juni 2013.

Elke SLEURS.
Louis IDE.
Inge FAES.
Lieve MAES.

(1) Seminarie Universiteit Gent : « De verloskunde in beweging », 13 september 2012.

(2) Senaat, schriftelijke vraag nr. 5-4249 van mevrouw Elke Sleurs.

(3) Proefschrift Wendy Christiaens voorgelegd tot het behalen van de doctor in de sociologie 2007-2008, Universiteit Gent : « Het bevalt anders in Vlaanderen en Nederland ».

(4) Idem voetnoot 2.