5-233COM

5-233COM

Commissie voor de Sociale Aangelegenheden

Handelingen

DINSDAG 18 JUNI 2013 - OCHTENDVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Patrick De Groote aan de minister van Middenstand, KMO's, Zelfstandigen en Landbouw over «de Belgische amendementen op het voorstel om een moratorium op drie neonicotinoïden in te voeren» (nr. 5-3544)

De heer Patrick De Groote (N-VA). - In een antwoord op een vraag om uitleg van collega du Bus de Warnaffe zei de minister dat België in de beroepscommissie van 29 april 2013 het initiële voorstel van Europees commissaris voor Gezondheid en Consumenten, Tonio Borg, heeft ondersteund, maar dat België verschillende amendementen heeft ingediend. Ze wees erop dat in België het federale niveau bevoegd is om producten toe te laten, terwijl de gewesten de gebruiksvoorwaarden vastleggen.

België zou een uitzondering op het moratorium op neonicotinoïden hebben gevraagd en hebben verkregen voor de serreteelt en voor de landbouwteelten wanneer deze nog niet in bloei staan en nog niet door de bijen worden bezocht. Het betreft hier dus de gebruiksvoorwaarden.

Kan de minister een precieze omschrijving van de uitzonderingen geven? Wordt er bijvoorbeeld voor serreteelt een onderscheid gemaakt tussen de bloementeelt en de groenteteelt? Of hoe gebeurt de afbakening tussen de bloeiperiode en de periode waarin het gebruik van neonicotinoïden is toegestaan?

Aangezien de serreteelt voornamelijk een Vlaams fenomeen is, mogen we ervan uitgaan dat de uitzondering voor de serreteelt op voorstel van Vlaanderen is gekomen. Waren beide amendementen - dus ook het gebruik van neonicotinoïden voor de bloeiperiode - een voorstel van het Vlaams Gewest?

Waren er nog amendementen van België of van Belgische gewesten? Welke hebben het gehaald, welke niet?

Werd in het debat het gevaar van bodemaccumulatie van neonicotinoïden en van de vervuiling van het oppervlaktewater door neonicotinoïden in rekening genomen?

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand, KMO's, Zelfstandigen en Landbouw. - Hierna volgen de uitzonderingen inzake het verbod op het gebruik van neonicotinoïden op granen en gewassen die aanlokkelijk zijn voor bijen, of zaad van dergelijke gewassen dat ermee behandeld werd.

De lijst van gewassen die aanlokkelijk zijn voor bijen, werd beperkt tot gewassen die effectief bloeien alvorens ze worden geoogst, zoals kolen.

Het verbod geldt niet voor zaadbehandeling van granen die worden gezaaid tussen 1 juli en 1 december, omdat bijen volgens de Europese Commissie in deze periode niet worden blootgesteld aan het gecontamineerd stof dat kan vrijkomen bij het uitzaaien met pneumatische zaaimachines.

Het verbod geldt niet voor gewassen die aanlokkelijk zijn voor bijen en die worden geteeld onder bescherming, omdat dergelijke teelten niet of nauwelijks bezocht worden door bijen, of het nu om bloemen gaat of om groenten die ook kunnen bloeien.

Het verbod geldt niet voor bijen aanlokkelijke gewassen die worden bespoten na de bloei, omdat dergelijke teelten dan niet meer worden bezocht door bijen. Deze uitzondering kon niet worden toegestaan voor behandelde zaden, omdat de neonicotinoïden in dat geval gedurende de hele levenscyclus, dus ook vóór de bloei, aanwezig zijn in het gewas en dus ook in de bloemen en het stuifmeel.

De vermelde amendementen werden voorgesteld door de federale dienst bevoegd voor gewasbeschermingsmiddelen aan de hand van de hierboven opgebouwde logica en niet op basis van een economisch belang, zoals de vraag suggereert. Deze logica verkreeg de goedkeuring van de gewesten.

Het eerste, derde en vierde amendement werd mee door België ingediend.

Een aantal amendementen van België werd niet aangehouden. België had om een gefaseerde aanpak gevraagd voor teelten waarin geen alternatieven bestaan voor de neonicotinoïden. Voor koolzaad, erwten, vlas, sierteelt en pootaardappelen werd een uitstel van verbod tot 1 juli 2015 gevraagd. Aangezien dit de deur openzette voor een lange lijst van uitzonderingen, wenste de Europese Commissie daar niet op in te gaan.

België had ook voorgesteld om aardappelen toe te voegen aan de lijst van voor bijen aanlokkelijke gewassen, aangezien deze teelt bezocht wordt door hommels. De Europese Commissie wenste zich echter te beperken tot honingbijen, aangezien alleen deze werden onderzocht in het evaluatierapport van EFSA.

Het debat was volledig gebaseerd op het evaluatierapport van EFSA. EFSA had alleen mandaat gekregen om de effecten op honingbijen via zaad- of bodembehandeling te onderzoeken.

De heer Patrick De Groote (N-VA). - De minister haalt aan dat de maatregelen voor de serreteelten niet door economische motieven, maar door de logica zijn ingegeven. Dat begrijp ik niet. Bij sproeien in serres gaan de toxische producten evengoed in de grond en is er ook een blijvende bodemaccumulatie. Wat is daar dan de logica van?

De minister zegt dat de bodemaccumulatie niet werd onderzocht. EFSA heeft daar bij de Europese Commissie wel op aangedrongen, maar die is daar niet op ingegaan. Dat is dan een jammerlijke zaak, want ik blijf erbij dat we meer onderzoek moeten verrichten naar bodemaccumulatie.

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand, KMO's, Zelfstandigen en Landbouw. - We zeggen in het Frans: "Qui trop embrasse, mal étreint". Wie te veel hooi op zijn vork neemt, realiseert niet veel.

(De vergadering wordt gesloten om 11.40 uur.)