5-98

5-98

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 18 APRIL 2013 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Bert Anciaux aan de eerste minister over ęhet wapenembargo tegen SyriŽ en de politieke houding ten opzichte van het Syrische conflictĽ (nr. 5-941)

De voorzitster. - Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand, KMO's, Zelfstandigen en Landbouw, antwoordt.

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Eind mei loopt het wapenembargo tegen SyriŽ af. Frankrijk en Groot-BrittanniŽ willen, eventueel vůůr eind mei, een verregaande versoepeling van het embargo forceren, of als de andere EU-landen daar niet voldoende toe bereid zijn, het embargo gewoon laten aflopen.

Het EU-embargo werd op 28 februari reeds door de Europese Raad aangepast: de levering van `semimilitair' materiaal zoals pantserwagens en kogelvrije vesten is toegestaan. Als reden voor die versoepeling werd gesteld dat het de bedoeling was de oppositie beter te bewapenen zodat ze met gelijke wapens zou kunnen vechten. Daarnaast wilde Europa de gematigde en seculiere vleugel binnen het verzet versterken ten opzichte van de jihadistische groeperingen.

Op 23 april vindt een NAVO-top plaats. Daar zal het embargo ongetwijfeld verder worden besproken. Minister Reynders verklaarde eerder al dat hij persoonlijk geen voorstander van een versoepeling was.

De argumenten voor een versoepeling wegen niet op tegen de nadelen. Er zijn al veel te veel wapens in SyriŽ. De toevoer van nog meer wapens zal het conflict waarschijnlijk alleen maar rekken en de kansen op een vreedzame oplossing nog verkleinen.

De oppositie tegen Assad bestaat uit zeer diverse groepen, waaronder zeer sektarische groeperingen, met niet altijd duidelijke en soms zelf tegengestelde agenda's. Militaire steun bieden aan die groepen kan de instabiliteit in SyriŽ nog vergroten. Het is onduidelijk waar de wapens uiteindelijk terecht komen.

De wapens verdwijnen niet na de beŽindiging van een conflict, maar ze duiken vaak op bij andere strijdgroepen, in SyriŽ zelf of in omringende landen, met langdurige negatieve gevolgen voor de regio.

Er wordt een wapenwedloop gecreŽerd. De tegenpartij zal op haar beurt op zoek gaan naar meer en betere wapens. Het conflict zit bijgevolg muurvast. Beide partijen, of beter gezegd heel veel partijen, beseffen dat ze bij een militaire nederlaag het gelag zwaar zullen betalen. Het maakt de strijdende partijen nog meer vastberaden en meedogenloos. Vanuit een humanitair perspectief is een militaire overwinning zelfs niet wenselijk meer. Een versterking van de gewapende oppositie betekent dat die oppositie wordt aangemoedigd om op een militaire overwinning, of minstens op een militair status quo, in te zetten eerder dan op een politieke uitweg, of zelfs op een politieke verbreding van de oppositie.

Er moet volop worden ingezet op diplomatieke oplossingen. Er moet meer worden gedaan om met name Rusland ertoe te bewegen zijn steun aan het Syrische regime op te zeggen. De levering van wapens zal contraproductief werken. Bovendien is een wapenlevering voor jonge Belgische en Vlaamse strijders een perfect alibi om naar het Syrische conflict te trekken.

Welk standpunt zal BelgiŽ innemen met betrekking tot het voorstel om het wapenembargo tegen SyriŽ te versoepelen of te laten aflopen? Is de premier het ermee eens dat meer wapens niet de oplossing zijn, maar integendeel tot een escalatie van het conflict zullen leiden? Beseft de eerste minister dat die strategie op zijn minst zeer kortzichtig kan worden genoemd, rekening houdend met de onduidelijkheid en de wisselvalligheid van de oppositiegroeperingen?

Kan de Europese Unie zich daarom niet beter inzetten voor een breed gedragen wapenembargo en voor het begin van een diplomatieke oplossing, die door de gehele internationale gemeenschap wordt ondersteund? Zal de eerste minister bij gelijkgestemde naties steun zoeken om een tegengewicht te vormen tegen de druk vanuit het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk?

Ik hoor sommige ministers zeggen dat jongeren die naar SyriŽ gaan strafrechtelijk moeten worden vervolgd. Ik hoor dat zelfs scholen worden ingeschakeld om met de Staatsveiligheid samen te werken. Het is dan ook bijzonder hypocriet om als land een wapenembargo op te zeggen en tegelijkertijd de wapenhandel pakken geld te laten verdienen met dit dramatische humanitaire conflict in SyriŽ.

Ik hoop dat de minister namens de regering een forse uitspraak kan doen door te zeggen dat BelgiŽ zich achter het wapenembargo blijft scharen.

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand, KMO's, Zelfstandigen en Landbouw. - Ik lees het antwoord van de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken.

Ik heb al meerdere keren de kans gehad om mij over deze kwestie uit te spreken en mijn standpunt is niet veranderd. Vanuit een humanitair oogpunt is de situatie in SyriŽ catastrofaal en ze verergert naargelang het conflict blijft duren. BelgiŽ en de Europese Unie hebben altijd de voorkeur gegeven aan een politieke oplossing en hebben via alle niet-militaire, dus diplomatieke en economische middelen druk uitgeoefend op het Syrische regime om het principe van een transitie na onderhandelingen te aanvaarden.

Wij moeten erkennen dat onze demarches tot nog toe niet het gewenste resultaat hebben opgeleverd. We moeten onze inspanningen om de internationale gemeenschap ertoe aan te zetten een gemeenschappelijke actie te ondernemen, zeker niet stopzetten. We moeten echter realistisch zijn: Rusland en Iran zullen het Syrische regime niet laten vallen zolang dat een kans heeft om aan de macht te blijven.

We weten dat op militair vlak wapens en technische assistentie blijven toestromen, zowel bij het regime als bij sommige rebellengroepen. Het lijkt erop dat de radicale groepen de voornaamste begunstigden zijn. Het conflict kristalliseert zich tussen enerzijds een regime dat zich schuldig maakt aan grootschalige oorlogsmisdaden en anderzijds een gewapende oppositie waarvan de meest efficiŽnte milities dicht bij Al-Qaida aanleunen en de oprichting van een radicaal islamitisch regime als doel hebben. Net de gematigde groepen die de revolutie in naam van de democratische beginselen zijn begonnen, zijn de enige die niet over middelen beschikken.

In die omstandigheden heb ik begrip voor het standpunt van degenen die een selectieve hulp wensen te bieden aan een aantal gematigde bewegingen die de bevolking kunnen beschermen en zo hopen te voorkomen dat die gematigde groepen door extremistische bewegingen worden gemarginaliseerd. Ik heb er echter ook al meermaals op gewezen dat we heel voorzichtig moeten zijn en erop moeten toezien dat mechanismen worden ingesteld die kunnen voorkomen dat de wapens, en vooral dan de gevaarlijkste wapens zoals raketten, in foute handen komen. Het debat is niet afgerond en de versplintering van de oppositie maakt het er niet makkelijker op.

In dit stadium, nu er meer dan 70 000 doden zijn en heel het land is verwoest, zijn er geen goede opties meer. Ik moet vaststellen dat de Europese Unie eens te meer haar onvermogen heeft aangetoond om in haar directe nabijheid op te treden en een bevolking te beschermen. Indien tegen eind mei geen akkoord wordt bereikt over de selectieve opheffing van het embargo, dan zal het hele embargo waarschijnlijk niet worden verlengd. Verscheidene partners werken momenteel aan compromisvoorstellen waardoor het embargo kan worden gehandhaafd en er tegelijkertijd een zekere marge blijft om de gematigde oppositie te steunen.

Die denksporen zijn verre van afgerond en ik kan nu nog niet zeggen wat het standpunt van BelgiŽ zal zijn. Mijn eerste prioriteit is de verdeeldheid binnen de Europese Unie over dit dossier weg te werken en ook te voorkomen dat een eventuele consensus alleen zou neerkomen op niets doen, wat helaas meestal de gemakkelijkste optie is.

Het fenomeen van de Belgen die in SyriŽ gaan strijden, is een duidelijke illustratie van het gevaar dat is ontstaan doordat men dit conflict heeft laten verrotten.

Elk geval is uniek en vraagt om een specifieke aanpak. Het kan echter niet worden betwist dat sommigen ongetwijfeld ontroerd zijn door het lijden van de bevolking en geschokt zijn door de onmacht van de internationale gemeenschap, terwijl anderen hierin een kans zien om een militaire opleiding te krijgen voor terroristische doeleinden.

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Ik ga ervan uit dat minister Laruelle namens de voltallige regering heeft gesproken. Ik had mijn vraag immers aan de eerste minister gesteld, maar de minister zegt dat ze het antwoord van de vice-eersteminister leest.

Ik ben het eens met de analyse van de minister. Het gaat immers om een heel complex en ernstig probleem. Ik begrijp de frustratie en de woede van de bevolking, die het gevoel heeft dat heel de internationale gemeenschap haar in de steek laat.

Toch geloof ik niet dat de bewapening van al die fracties tot enig resultaat zal leiden. Ik ben er dan ook fundamenteel van overtuigd dat we alles in het werk moeten stellen om het embargo te handhaven, maar dat mag niet tot gevolg hebben dat we op het terrein niets doen. We moeten misschien ook over andere sporen nadenken. De internationale gemeenschap is nu al actief op het gebied van bewapening. Rusland en Iran, enerzijds, en Saudi-ArabiŽ, Irak en Qatar, anderzijds, leveren massaal wapens en verdienen daar goed aan. Dat moet worden gestopt. Ik denk niet dat Europa een rol moet spelen in de wapenleveringen. Misschien moeten we iets meer doen dan alleen humanitaire acties opzetten en naar een politieke oplossing zoeken, maar ten gronde moeten we de bendes van elkaar scheiden en zorgen dat de bevolking in veiligheid is.

Ik vraag de minister dan ook de regering erop te wijzen dat elke versoepeling van het embargo volgens mij tot grotere catastrofes aanleiding zal geven.