5-2023/2

5-2023/2

Belgische Senaat

ZITTING 2012-2013

23 APRIL 2013


Wetsontwerp houdende instemming met de Kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar Lidstaten, enerzijds, en de Socialistische Republiek Vietnam, anderzijds, gedaan te Brussel op 27 juni 2012


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BUITENLANDSE BETREKKINGEN EN VOOR DE LANDSVERDEDIGING UITGEBRACHT DOOR

DE HEREN ANCIAUX EN DE GROOTE


I. INLEIDING

De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van 23 april 2013.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE VERTEGENWOORDIGER VAN DE HEER REYNDERS, VICE-EERSTEMINISTER EN MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN, BUITENLANDSE HANDEL EN EUROPESE ZAKEN

Dit wetsontwerp is gelijkaardig aan het wetsontwerp houdende instemming met de Kaderovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar Lidstaten, enerzijds, en de Republiek der Filippijnen, anderzijds, gedaan te Phnom-Penh op 11 juli 2012 (stuk Senaat, nr. 5-2024/1).

Op 14 mei 2007 werd de Commissie door de Raad gemachtigd om een Kaderovereenkomst inzake een breed Partnerschap en Samenwerking met Vietnam te onderhandelen, gebaseerd op de machtiging van november 2004 voor onderhandelingen met Brunei Darussalam, de Filippijnen, Indonesië, Maleisië, Singapore en Thailand. Tijdens het officiële bezoek van Commissievoorzitter Barroso aan Hanoi (25-27 november 2007) werden de onderhandelingen met Vietnam officieel gelanceerd. Op 4 oktober 2010 werd het Akkoord door beide partijen te Brussel geparafeerd, en dit in aanwezigheid van Commissievoorzitter Barroso en de Vietnamese eerste minister Dung.

De Kaderovereenkomst inzake een breed Partnerschap en Samenwerking met Vietnam is de derde dergelijke overeenkomst die met een ASEAN-land werd gesloten, na dit met Indonesië (ondertekend op 9 november 2009) en de Filippijnen (ondertekend op 11 juli 2012, zie stuk Senaat, nr. 5-2024/1). Deze Kaderovereenkomst vervangt het bestaande wettelijke kader zoals dit bepaald wordt in de Samenwerkingsovereenkomst van 17 juli 1995 tussen de Europese Gemeenschap en Vietnam en de Samenwerkingsovereenkomst van 7 maart 1980 tussen de Europese Economische Gemeenschap en de lidstaten van de ASEAN, die in 1999 tot Vietnam werd uitgebreid.

De nieuwe Kaderovereenkomst met Vietnam is een verdere stap naar een grotere politieke en economische betrokkenheid van de EU in Zuidoost-Azië. De overeenkomst bevat de gebruikelijke politieke clausules van de Europese Unie inzake de mensenrechten, het Internationaal Strafhof, massavernietigingswapens, handvuurwapens en lichte wapens, terrorismebestrijding, en geeft uitvoering aan het EU-beleid inzake belastingen en migratie. De Kaderovereenkomst biedt verder de basis voor een meer doeltreffend engagement van de EU en haar Lidstaten ten bate van Vietnam op het gebied van ontwikkeling, handel, economie en justitie. Zij beslaat eveneens gebieden als gezondheid, milieu, klimaatverandering, energie, onderwijs en cultuur, arbeid, werkgelegenheid en sociale zaken, wetenschap en technologie en vervoer. Voorts komen in de Kaderovereenkomst juridische samenwerking en de strijd tegen het witwassen van geld, de financiering van het terrorisme, de georganiseerde misdaad en de corruptie aan de orde. De Kaderovereenkomst bestrijkt ook gebieden die speciaal voor Vietnam van belang zijn, zoals samenwerking inzake de mensenrechten en de rechtsstaat, alsook inzake oorlogsresten en de preventie van natuurrampen.

De Kaderovereenkomst is een verdrag met een gemengd karakter. Hij geldt voor een eerste periode van vijf jaar en wordt daarna telkens automatisch verlengd met een jaar. Voor de goede werking en uitvoering van de Kaderovereenkomst wordt een Gemengd Comité in het leven geroepen.

Ten slotte zal de sluiting van de Kaderovereenkomst het opzetten en de sluiting vergemakkelijken van een Vrijhandelsovereenkomst met Vietnam overeenkomstig de doelstelling van de EU om een samenhangend economisch en politiek kader te creëren voor de betrekkingen tussen de EU en de ASEAN-landen.

III. BESPREKING

De heer Anciaux vindt dat binnen de beide Kaderovereenkomsten (zie stukken Senaat, nrs. 5-2023/1 en 5-2024/1) zeer veel terreinen aan bod komen, waarbij veel aandacht wordt besteed aan het aspect mensenrechten. Spreker stipt aan dat het gaat om een gemengd verdrag dat ook betrekking heeft op de bevoegdheden van gewesten en gemeenschappen. Hij wenst dan ook te vernemen hoe instemmingsprocedure binnen de Belgische Parlementen verloopt.

Volgens de heer De Groote bevat de Kaderovereenkomst inzake Vietnam een aantal algemene principes inzake mensenrechten terwijl er van de doodstraf, die nog toegepast wordt in Vietnam bitter weinig sprake is. De Europese Unie heeft in januari 2013 toch zelf een exportverbod voor bepaalde medische producten afgekondigd tegen dit land omdat ze zouden gebruikt worden voor het uitvoeren van executies.

Wat is de stand van zaken betreffende de Vrijhandelsovereenkomst met Vietnam ?

De vertegenwoordiger van de minister van Buitenlandse Zaken antwoordt dat op Belgisch vlak nog geen enkel Parlement zijn instemming heeft gegeven. Tot nu toe hebben de Parlementen van slechts drie lidstaten hun instemming gegeven, met name Bulgarije in januari 2013, Duitsland en Nederland in december 2012.

De onderhandelingen voor een Vrijhandelsakkoord met Vietnam zijn gelanceerd in juni 2012. De derde onderhandelingsrond is aan de gang in Vietnam.

De heer Hellings verklaart dat zijn fractie heel nauw toeziet op het opnemen van sociale en milieuclausules in dit soort teksten. In de raamovereenkomst met Vietnam komen de milieu- en sociale clausules respectievelijk voor in de artikelen 30 en 50.

In de raamovereenkomst met de Filippijnen komen de milieuclausules voor in artikel 34. Maar waar zijn de sociale clausules ?

Het betreft twee landen, en dat is vooral het geval voor Vietnam, waar de handelspraktijken als oneerlijke concurrentie bestempeld kunnen worden, met producten die vervaardigd worden in sociale en milieuomstandigheden die nefast zijn voor de lokale bevolking, en die rechtstreeks in concurrentie treden met Europese producten die volgens strengere criteria vervaardigd worden.

Spreker merkt op dat artikel 57 van de tekst betreffende Vietnam in een regeling voorziet die de naleving van de verplichtingen die uit de overeenkomst voortvloeien waarborgt. Spreker wil weten wat de dwingende kracht is van deze clausules en over welke controlemogelijkheden men beschikt.

Voor de sociale verplichtingen verwijst de minister naar artikel 28 van het Verdrag met de Filippijnen.

Wat het dwingende karakter van de teksten betreft, antwoordt de minister dat in elke raamovereenkomst die de Europese Unie met een derde land sluit, de clausule betreffende de mensenrechten essentieel is.

Als deze rechten niet in acht worden genomen, kan de Europese Unie de overeenkomst unilateraal opschorten.

De heer Hellings vraagt wat er gebeurt als de milieu- en sociale clausules niet worden nageleefd. Kan men in dat geval het Verdrag opzeggen ? Hoe kan het partnerland aansprakelijk gesteld worden ?

De vertegenwoordiger van de minister van Buitenlandse Zaken antwoordt dat er een onderscheid is tussen de essentiële clausules (betreffende de mensenrechten, de samenwerking met het internationaal strafhof, de strijd tegen de verspreiding van massavernietigingswapens, ...) en de andere.

De Europese Unie kan tijdens de jaarlijkse vergadering van het gemengd comité met het partnerland wijzen op een probleem en de Overeenkomst opzeggen, maar daarvoor is het nodig dat alle lidstaten het erover eens raken dat de inbreuken een dergelijke opzegging rechtvaardigen.

De vertegenwoordiger van de minister van Buitenlandse Zaken legt uit dat in artikel, punt 1, van de Kaderovereenkomst wordt voorzien dat « 1. De partijen bevestigen hun gehechtheid aan de algemene beginselen van het internationale recht (...) alsook aan de eerbiediging van de democratische beginselen en de mensenrechten, (..) die van toepassing zijn voor beide partijen, die aan de basis liggen van het binnenlandse en buitenlandse beleid van beide partijen en een essentieel element van deze Overeenkomst vormen. » (stuk Senaat, nr. 5-2023/1, blz. 27).

De woorden « essentieel element » in artikel 1.1 van de Kaderovereenkomst met Vietnam geeft de Europese Unie de mogelijkheid om bij een ernstige schending van de mensenrechten de Kaderovereenkomst tegenover dit land op te schorten.

Volgens de heer Anciaux zijn beide Overeenkomsten voorbeelden van een degelijk juridisch kader voor een ruime institutionele samenwerking op gebied van de uitbouw van het overheidsapparaat. Het is een mooi voorbeeld voor andere overeenkomsten. In de Kaderovereenkomst met Vietnam is bovendien ook aandacht voor gendervraagstukken.

De heer Hellings is het ermee eens dat de mensenrechten essentiëler zijn dan milieu-, sociale of andere clausules.

Toch wil hij weten of er in dergelijke overeenkomsten gevallen bestaan waarin Staten gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om de overeenkomst in het gemengd comité op te zeggen, en zo ja, of het resultaten heeft opgeleverd. Hoe hebben het gemengd comité en het partnerland gereageerd ? Deze overeenkomst vertoont overeenkomsten met een bilaterale investeringsovereenkomst, gelet op het onderhandelingsproces en de doelstelling om investeringen te verdelen.

De vertegenwoordiger van de minister antwoordt dat het niet om een investeringsovereenkomst gaat, maar om een raamakkoord dat later moet worden ingevuld.

Hij heeft geen weet van een geval waarin een lidstaat aan het gemengd comité een probleem heeft voorgelegd dat tot een sanctie heeft geleid.

IV. STEMMINGEN

De artikelen 1 en 2, alsmede het wetsontwerp in zijn geheel, worden aangenomen met 8 stemmen met 1 onthouding.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteurs voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteurs, De voorzitter,
Bert ANCIAUX. Patrick DE GROOTE. Karl VANLOUWE.

De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp (zie stuk Senaat, nr. 5-2023/1 — 2012/2013).