5-197COM

5-197COM

Commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden

Handelingen

DINSDAG 22 JANUARI 2013 - OCHTENDVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Bert Anciaux aan de staatssecretaris voor Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare Diensten over «het beleid inzake het dragen van religieuze symbolen in publieke functies» (nr. 5-2727)

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Ik heb deze vraag meer dan een jaar geleden al schriftelijk gesteld. Vandaag is ze omgezet in een vraag om uitleg.

In tal van steden en gemeenten ontstond commotie over het al dan niet verbieden van het dragen van religieuze symbolen door ambtenaren met een publieke en/of loketfunctie. Ook de federale overheid en de federale overheidsbedrijven beschikken over veel publieke functies en/of loketfuncties.

Vanuit de cruciale waarde van een actief pluralisme pleit ik tegen zulk een verbod; uiteraard dient iedereen de basisregels van veiligheid en hygiėne in acht te nemen.

Graag had ik van de minister vernomen welke regels hij hanteert voor het dragen van uiterlijke religieuze kenmerken door federale ambtenaren en personeelsleden van federale overheidsbedrijven in publieke en/of loketfuncties? Op basis van welke visie en argumenten is het beleid ter zake gesteund?

Zijn hieromtrent al problemen gerezen in de periode van 2007 tot 2011? Zo ja, welke problemen en met welke gevolgen?

De heer Hendrik Bogaert, staatssecretaris voor Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare Diensten. - Allereerst wil ik mij verontschuldigen; deze vraag is te lang op onze diensten blijven liggen.

Omtrent uw vraag welke regels gehanteerd worden voor het dragen van uiterlijke religieuze kenmerken kan ik u meedelen dat in het Statuut voor het Rijkspersoneel een onderscheid wordt gemaakt tussen de personeelsleden die in contact staan met het publiek en zij die niet in contact staan met het publiek.

Wat de eerste categorie betreft, bepaalt artikel 8 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel: "Wanneer hij bij zijn ambtsuitoefening in contact komt met het publiek vermijdt de rijksambtenaar elk woord, elke houding, elk voorkomen, die van die[n] aard zouden kunnen zijn dat ze het vertrouwen van het publiek in zijn volledige neutraliteit, in zijn bekwaamheid of in zijn waardigheid in het gedrang zouden kunnen brengen."

Wat de tweede categorie betreft, preciseert artikel 7 dat de rijksambtenaar "zijn collega's, zijn hiėrarchische meerderen en zijn ondergeschikten met waardigheid en hoffelijkheid dient te behandelen. Hij vermijdt elk woord, elke houding, elk voorkomen dat deze waardigheid en deze hoffelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen of de goede werking van de dienst zou kunnen schaden."

Mijn diensten zijn niet op de hoogte van problemen op dit vlak in onze organisatie in de periode 2007-2011. Als er zich problemen voordoen, sta ik open voor een debat maar, zoals gezegd, werden geen problemen gemeld.

Persoonlijk ben ik echter van oordeel dat het onderscheid tussen ambtenaren die in contact komen met het publiek, en de andere ambtenaren, vrij artificieel is.

Ambtenaren werken vandaag meer en meer in landschapskantoren. Vroeger was er achter het loket misschien een wand of een muur, maar vandaag ziet de burger ook heel wat ambtenaren aan het werk met wie hij of zij geen contact heeft.

Bovendien worden de federale ambtenaren nu jaarlijks geėvalueerd. Ook dat is een nieuw element.

Men kan inderdaad twee wegen bewandelen. Enerzijds, kan men pleiten voor actief pluralisme en, anderzijds, is toch wel enige voorzichtigheid geboden en is er nood aan consistente regels.

Ik kan me voorstellen dat een bepaalde geloofsgroep een bepaald percentage van het personeel op een departement uitmaakt en dat alle geloofsgenoten heel herkenbaar aanwezig zijn.

Vandaag denk ik ernstig na over het begrip neutraliteit en de toepassing ervan, want ik vind dat die neutraliteit het contact met het publiek toch overstijgt.

Religieuze herkenbaarheid mag uiteraard niet meespelen in de evaluatie, noch voor de evaluerende ambtenaar, noch voor de geėvalueerde. Ik heb daar a priori vertrouwen in.

Nu echter gewerkt word aan de modernisering van het statuut-Camu van 1937, waarin het statuut van de ambtenaren volledig wordt beschreven, moeten we in het raam daarvan eens grondig over de problematiek nadenken.

De gedachtegang van de heer Anciaux is waardevol, maar mijn insteek zou zijn om daaromtrent vrij consistente regels uit te werken.

Er zijn 123 000 federale ambtenaren, van wie een groot deel misschien niet in contact staat met het publiek, maar die hun collega's wel in een professionele context ontmoeten. Ook daar is neutraliteit geboden.

De modernisering van de code Camu wordt het sluitstuk van de hervorming. Er is dus nog wel wat tijd om over de problematiek te brainstormen en een goed debat te voeren.

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Ik dank de staatssecretaris voor zijn open antwoord.

Met alle respect voor de overtuiging van de staatssecretaris, vind ik toch dat we bijzonder voorzichtig moeten zijn met - laten we man en paard noemen - het verbieden van de hoofddoek. Zo'n verbod leidt immers zonder enige twijfel tot uitsluiting van mensen.

Als fervent verdediger van het actieve pluralisme, kan ik wel begrijpen dat in de publieke dienstverlening neutraliteit vanzelfsprekend hoort te zijn. Die neutraliteit betreft echter de inhoud van de diensten en de wijze waarop ze conform artikel 8 van het statuut van het rijkspersoneel worden verleend. Daarmee ben ik het volkomen eens.

De mensen moeten zich echter ook kunnen herkennen in een Staat en in een overheid. Zodoende moeten de ambtenaren ook de samenstelling van de bevolking kunnen weerspiegelen. Daarom denk ik dat actief pluralisme de enige juiste manier is om te voorkomen dat bepaalde groepen collectief worden uitgesloten. Dus is het goed dat de betrokkenheid en de herkenbaarheid verhoogd worden.

We zullen daarop zeker nog terugkomen.