5-1803/1 | 5-1803/1 |
11 OKTOBER 2012
De Orde van geneesheren en de Orde van apothekers werden respectievelijk in 1938 en 1949 opgericht. In 1967 werden zij hervormd. Intussen zijn we vijfenveertig jaar verder, zonder dat de structuur en de werkingsregels van de beide Orden echt ten gronde zijn veranderd. We moeten echter vaststellen dat zeker de Orde van geneesheren sedert meer dan dertig jaar het voorwerp uitmaakt van heel wat kritiek, zowel van binnen het artsenkorps als van erbuiten. Diverse wetsvoorstellen werden ingediend tot de afschaffing van de beide Orden en de oprichting van een Hoge Raad voor ethiek en deontologie. Andere voorstellen wilden de bestaande Orden hervormen. In 2007 werden na overleg tussen diverse fracties in de Senaat in plenaire zitting een reeks wetsvoorstellen aangenomen welke de oprichting van een koepelstructuur, zijnde een Hoge Raad voor deontologie, tot doel hadden, en dit in combinatie met de oprichting van een Raad van eerste aanleg, een Raad van beroep en onder meer het behoud van een Orde voor de artsen en de apothekers. Deze Orden zouden echter sterk gedemocratiseerd worden en hun bevoegdheden specifiek afgestemd op deze van de Hoge Raad. De hieruit voortvloeiende wetsontwerpen zijn destijds overgezonden naar de Kamer van volksvertegenwoordigers (Parl. St., Kamer, 51-2887 e.a.), maar als gevolg van de ontbinding van de Kamers zijn deze er niet meer besproken. Niettegenstaande er eigen accenten worden gelegd, zijn de structuur en de krachtlijnen van dit wetsvoorstel ten dele geïnspireerd op de hoger vermelde wetsontwerpen.
Dit wetsvoorstel gaat uit van het principe dat deontologische regels en het bestaan van specifieke structuren die bevoegd zijn voor enerzijds het vaststellen van deze regels en anderzijds het verzekeren van de naleving ervan, aan een reële behoefte beantwoorden.
Het onderhavige wetsvoorstel voorziet op globale wijze in het instellen van een regeling inzake deontologie voor de verschillende gezondheidszorgberoepen. Aangezien de gezondheidszorg nu nog meer dan voorheen gebaseerd is op samenwerking tussen de verschillende categorieën, is ook het begrip « deontologie » vandaag zo complex dat vele aspecten ervan de afzonderlijke categorieën van gezondheidszorgberoepen overstijgen; de vaststelling van deontologische regels moet dan ook op een meer geïntegreerde wijze geschieden. Deze globale, geïntegreerde benadering wordt geconcretiseerd door enerzijds het oprichten van een Hoge Raad voor de deontologie van de gezondheidsberoepen, hierna « Hoge Raad » genoemd, waarin alle beroepscategorieën vertegenwoordigd zijn en die de basisregels van deontologie zal vaststellen die van toepassing zijn op alle gezondheidsberoepen. In deze Hoge Raad zullen alle gezondheidszorgberoepen vertegenwoordigd zijn. Verder zal de Hoge Raad bestaan uit zes specialisten in deontologische problemen en vier specialisten in patiëntenrechten.
Anderzijds wordt voorzien in een grondige aanpassing van de structuren en procedures in de bestaande Orden van geneesheren en apothekers en wordt ook de mogelijkheid gecreëerd tot het oprichten van bijkomende Orden voor andere gezondheidsberoepen.
Het is ook geenszins de bedoeling om aan alle beroepscategorieën een Orde op te dringen, aangezien in de wetsvoorstellen die gepaard gaan met onderhavig wetsvoorstel uitsluitend het bestaan van een Orde voor de artsen en voor de apothekers wordt bevestigd. Er dient te worden opgemerkt dat voor beide beroepen een Nederlandstalige en een Franstalige Orde worden opgericht, evenals een koepelstructuur per beroepsgroep, die bevoegd zal zijn voor overleg. In het verleden is echter wel gebleken (cf. de Gezondheidsdialogen die in 2003-2004 plaatsvonden op initiatief van de toenmalige minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid), dat door vertegenwoordigers van verschillende categorieën van gezondheidszorgberoepen, zoals verpleegkundigen, kinesitherapeuten en tandheelkundigen, de wens werd geuit een regeling inzake deontologie op te stellen. Ten aanzien van de gezondheidszorgberoepen waarvoor geen Orde zal worden opgericht, zullen evenwel de basisregels van deontologie die zullen worden vastgesteld door de Hoge Raad bindend zijn.
Daarenboven zal de Hoge Raad specifieke deontologische regels kunnen vaststellen die van toepassing zullen zijn op de beroepsgroepen waarvoor geen Orde wordt opgericht. Deze regels zullen worden vastgesteld na advies van de bestaande nationale raden die zijn opgericht binnen het kader van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen en die nu reeds zijn bekleed met een algemene adviesbevoegdheid ten aanzien van de minister over de uitoefening van het betrokken beroep. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid zal de Hoge Raad, ad hoc, niet zijn samengesteld uit de vertegenwoordigers van de overige beroepscategorieën.
Ten aanzien van deze beroepscategorieën waarvoor geen Orde wordt opgericht, zal een Raad van eerste aanleg en een Raad van beroep belast worden met de handhaving van de deontologische regels.
Wat de organen en structuren van de Orden betreft, voorziet de tekst in een aantal gemeenschappelijke basisregels die per beroepscategorie concreet zullen worden uitgewerkt bij afzonderlijke wet. Hiertoe zullen diverse wetsvoorstellen die gedurende deze zittingsperiode zijn neergelegd, als basis van de discussie dienen. Het is bijvoorbeeld zo dat de huidige Orden van geneesheren en apothekers met Provinciale Raden werken, hoewel dit voor andere categorieën niet noodzakelijk het geval zal zijn. Het kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn dat bepaalde organen afzonderlijk worden opgericht voor subcategorieën van beroepsbeoefenaars. Dit kan bijvoorbeeld voor apothekers die niet werkzaam zijn in officina, als specifieke categorie binnen de Orde van apothekers.
Dit wetsvoorstel houdt dus de mogelijkheid open dat naast de Orde van Geneesheren en de Orde van Apothekers, voor bijkomende beroepsgroepen een Orde wordt opgericht voor zover dit een meerwaarde zou betekenen en een dergelijk voorstel ook zou worden « gedragen » door de beroepsgroep.
De voornaamste krachtlijnen van de hervorming zijn overigens de volgende :
1. De wettelijke grondslag van de deontologische regels
Deze zal niet langer bestaan in « de naleving van de eer en de waardigheid van het beroep », die ook betrekking kan hebben op de privé-sfeer. De deontologie en de bevoegdheid van de Hoge Raad en de organen van de Orden mogen uitsluitend betrekking hebben op de beroepsuitoefening.
De basisregels van deontologie die op alle gezondheidszorgberoepen van toepassing zullen zijn, worden vastgesteld door de Hoge Raad. De Nationale Raden van de Orden zullen de deontologische regels vaststellen die specifiek van toepassing zijn op de beroepsgroep als dusdanig.
2. De democratisering van de diverse organen die bevoegd zijn voor de deontologie
Er zetelen in de Hoge Raad ook andere personen dan beroepsbeoefenaars, zoals specialisten in ethische problemen en deskundigen op het vlak van patiëntenrechten. Het is duidelijk dat het aspect « deontologie » de ganse maatschappij aanbelangt en niet alleen de beroepsbeoefenaars.
Er wordt bovendien bepaald dat alle vertegenwoordigers van de beroepscategorieën rechtstreeks verkozen worden door de beroepsbeoefenaars.
Er worden ten slotte zeer duidelijk « onverenigbaarheden » ingesteld, zowel tussen de « regelgevende organen » en de « rechtsprekende organen » enerzijds als tussen het lidmaatschap van de Hoge Raad of de organen van Orden en het uitoefenen van een verantwoordelijke functie van de organen van een beroepsvereniging anderzijds. Deze onverenigbaarheden zijn respectievelijk gesteund op de principes van enerzijds een volledige scheiding tussen de normatieve functie van de Hoge Raad en de Nationale Raden van de Orden en de rechtsprekende functie van de Territoriale Raden en de Raad van beroep en anderzijds het feit dat syndicale belangenverdediging, hoe eerbaar dit ook kan zijn, niet vergelijkbaar is met de uitoefening van bevoegdheden inzake deontologie, zoals voorzien in dit wetsvoorstel.
3. Er wordt een meer uniforme rechtspraak beoogd
In de raden die in eerste aanleg bevoegd zullen zijn voor de tuchtrechtelijke beslissingen, met name de territoriale of gelijkgestelde raden, zullen twee vertegenwoordigers van twee verschillende andere raden zetelen, voor zover deze voorzien zijn. Op deze wijze worden te aanzienlijke verschillen in de rechtspraak vermeden.
In geval van beroep tegen de tuchtrechtelijke beslissingen in eerste aanleg, wordt de Raad van beroep gevat, die bevoegd is ten aanzien van alle beroepscategorieën. De Raad van beroep is ingesteld op hetzelfde niveau als de overkoepelende structuur, met name de Hoge Raad. Dit is de beste garantie voor een uniforme rechtspraak.
4. Er komt een grotere transparantie ten aanzien van de rechtsprekende activiteiten van de Orden en van de Raad van beroep
In het geval een klacht wordt ingediend tegen een beoefenaar, verkrijgt de klager een aantal rechten. In het kader van het onderzoek door de Provinciale Raad kan hij worden gehoord en hij zal ook kennis krijgen van de tuchtrechtelijke beslissing. Zonder echt partij te zijn in de geschillenprocedures, zal hij zijn opmerkingen kunnen laten gelden tegenover elke instantie die bevoegd is om beroep in te stellen tegen de tuchtrechtelijke beslissingen, onder meer de magistraat van de territoriale of gelijkgestelde raad en de voorzitter van de Nationale Raad.
In het kader van een grotere transparantie, worden ook via jaarverslagen de diverse rechtsprekende beslissingen bij uittreksel aan het publiek kenbaar gemaakt.
5. De rechten van de beklaagde en de veroordeelde worden uitgebreid en verfijnd
De beklaagde zal zich kunnen laten bijstaan door een persoon van zijn keuze, ook al is die geen advocaat. Er wordt ook voorzien in de mogelijkheid om de uitspraak op te schorten of een sanctie op te leggen met uitstel.
Na een veroordeling wordt voorzien in mogelijkheden tot uitwissing van een sanctie en ook tot rehabilitatie na een schrapping.
Titel II — Hoge Raad voor Deontologie van de Gezondheidszorgberoepen
Artikel 2
Dit artikel voorziet in de oprichting van een Hoge Raad voor deontologie van gezondheidszorgberoepen, hierna « Hoge Raad » genoemd.
De Hoge Raad geniet de rechtspersoonlijkheid van publiek recht.
Artikel 3
§ 1. Dit artikel omschrijft de bevoegdheden van de Hoge Raad.
Deze bestaan uit het vaststellen van enerzijds de grondbeginselen van deontologie die gemeenschappelijk zijn voor het geheel van de beroepsbeoefenaars of meerdere categorieën ervan en anderzijds de regels van deontologie die van toepassing zullen zijn op de beroepscategorieën waarvoor geen Orde wordt opgericht.
De Hoge Raad krijgt een adviesbevoegdheid ten aanzien van de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, met betrekking tot het verlenen van bindende kracht aan de ontwerpen van regels van deontologie, zoals voorgesteld door de Nationale Raad van de Orden van specifieke beroepscategorieën.
De Hoge Raad zal bovendien adviezen verlenen over hoger vermelde regels van deontologie op verzoek van een orgaan zoals bedoeld in deze wet, een minister van één der regeringen, of de voorzitter van één van de Parlementen, van zowel de federale overheid als de gemeenschappen of de gewesten.
De Hoge Raad kan slechts aan de minister een advies verlenen tot weigering van de bekrachtiging van de voorstellen van de Nationale Raden van de Orden in zoverre deze strijdig zijn met de grondbeginselen van deontologie.
De grondbeginselen en regels van deontologie hebben slechts bindende kracht nadat deze bekrachtigd zijn door de Koning.
Deze grondbeginselen en regels zijn van rechtswege bekrachtigd indien de Koning de bekrachtiging ervan niet geheel of gedeeltelijk geweigerd heeft binnen de zes maanden nadat deze werden medegedeeld aan de minister.
De deontologische code, die bestaat uit de grondbeginselen en regels van deontologie, wordt gedefinieerd als een geheel van regels die ertoe strekken onder meer bij te dragen tot een kwalitatief hoogstaande en universeel toegankelijke gezondheidszorg in het belang van de patiënt en tot een correcte aanwending van de middelen die door de gemeenschap ter beschikking zijn gesteld van de gezondheidszorg.
Het artikel omschrijft ten slotte, op niet-limitatieve wijze, de thema's die door de deontologische regels worden aangeraakt.
Artikel 4
Dit artikel bepaalt de samenstelling van de Hoge Raad, zoals hierboven reeds omschreven.
Enerzijds worden alle beroepscategorieën bedoeld in het koninklijk besluit nr. 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen in de Hoge Raad vertegenwoordigd.
Teneinde het aantal vertegenwoordigers te bepalen werd rekening gehouden met twee criteria, namelijk het aantal beoefenaars en de graad van afhankelijkheid waarmee het beroep door het merendeel van de beoefenaars wordt uitgeoefend. Het spreekt vanzelf dat, naarmate deze graad van zelfstandigheid toeneemt, de deontologie een meer uitgesproken plaats inneemt in de uitoefening van het beroep.
De groep paramedici, die uit een reeks disparate subgroepen bestaat, wordt als een afzonderlijke categorie beschouwd.
De Hoge Raad wordt voorgezeten door een tweetalige voorzitter, benoemd onder de leden van de Raad van State, het Hof van Cassatie of het Grondwettelijk Hof.
In de Hoge Raad zetelen overigens ook specialisten in de deontologische problemen, voorgedragen door de Vlaamse Interuniversitaire Raad of de Conseil interuniversitaire de la Communauté française, evenals leden met een deskundigheid inzake patiëntenrechten in de hoedanigheid van beoefenaar van een ombudsfunctie zoals bedoeld in de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt. Dit betreft zowel de federale ombudspersonen, als ombudspersoon in de ziekenhuizen, zoals die worden omschreven in hoger vermelde wet.
De Hoge Raad telt, per categorie, een gelijk aantal Nederlandstalige en Franstalige leden die respectievelijk de Nederlandstalige en Franstalige afdeling vormen.
Het artikel bepaalt in welk geval een afdeling afzonderlijk kan vergaderen en de bevoegdheden van de Hoge Raad kan uitoefenen. Dit is alleen het geval bij de uitoefening van de adviesbevoegdheid over de grondbeginselen of regels van deontologie, in het geval het verzoek tot advies afkomstig is van een minister van één van de gemeenschappen of gewesten of van de voorzitter van het Parlement van één van de gemeenschappen of gewesten, en dit binnen het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden. Indien twee derden van de leden van de andere afdeling zich verzetten tegen het advies van een afdeling, wordt de aangelegenheid besproken door de Hoge Raad die in voltallige zitting beslist.
Het artikel omvat nog een aantal onverenigbaarheden met het lidmaatschap van de Hoge Raad; dit betreft met name het uitoefenen van een leidinggevende functie of het zetelen in een orgaan van een vereniging tot verdediging van de belangen van beroepsbeoefenaars. De motivering hiervan bestaat in het feit dat de verdediging van beroepsbelangen niet kan samenvallen met de afstand die noodzakelijk is voor het vervullen van een functie in een orgaan met bevoegdheden inzake deontologie, zoals bedoeld in deze wet.
Beroepsmatige banden met ziekenfondsen of het lidmaatschap van organen of de directie van een verzorgingsinstelling zijn, om redenen van mogelijke belangentegenstelling, evenmin toegelaten.
Hetzelfde geldt voor het lidmaatschap van een Provinciale Geneeskundige Commissie of van de Commissie van Beroep, als voor een functie binnen het RIZIV.
De leden mogen slechts gedurende maximaal twee opeenvolgende termijnen van zes jaar in de Hoge Raad zetelen.
Andere elementen betreffen het vereiste quorum, de benoeming van een griffier en de samenstelling van het Bureau.
Artikel 5
Dit artikel bepaalt met welke meerderheid de beslissingen door de Hoge Raad worden genomen.
Artikel 6
Dit artikel bepaalt dat de Hoge Raad zijn huishoudelijk reglement vaststelt. Dat wordt bekrachtigd door de Koning.
Artikel 7
Dit artikel bepaalt de wijze van financiering van de werkingskosten van de Hoge Raad door een jaarlijkse dotatie die wordt ingeschreven in de begroting van de federale overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu.
Titel III — De Orden van gezondheidszorgberoepen
Hoofdstuk I — Algemene bepalingen
Artikel 8
Dit artikel bepaalt dat voor ieder van de beroepscategorieën bedoeld in artikel 4, § 1, eerste lid, 2º tot 8º, bij wet een Orde kan worden opgericht, hierna « de Orden » genoemd. Zoals hierboven omschreven, biedt dit wetsvoorstel een kader voor alle beroepscategorieën, ongeacht of hiervoor al dan niet een Orde wordt opgericht.
Zoals hierboven in de toelichting vermeld, spreekt het vanzelf dat de Orde van geneesheren en de Orde van apothekers zullen gehandhaafd blijven. Bij een afzonderlijke wet zullen deze echter tegelijkertijd grondig worden hervormd en aangepast aan de bepalingen van dit wetsvoorstel.
De Orden genieten publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid.
De organen van de Orden zijn de Nationale Raad enerzijds en de Provinciale of Territoriale en desgevallend gelijkgestelde raden die voor specifieke subcategorieën beroepsbeoefenaars kunnen worden opgericht anderzijds (cf. supra).
Dit artikel bepaalt bovendien het gebruik van de taal en de vergoeding van de voorzitter en de leden van de organen.
Er wordt ook voorzien dat per gezondheidsberoep waarvoor bij toepassing van het vorige lid twee Orden zijn opgericht, bij de Hoge Raad een koepelstructuur wordt opgericht. Deze koepelstructuren zullen zijn samengesteld uit de voorzitter en de leden van de nationale raden. Deze koepelstructuren zullen geen formele beslissingsbevoegdheid verkrijgen, maar wel een overlegbevoegdheid inzake deontologische kwesties waarvoor de nationale raden of hun voorzitter en/of leden een dergelijk overleg aangewezen achten. Een dergelijke regeling zal op het niveau van de Orden ruimte laten voor een eigen beleid, met een eigen visie en eigen accenten, in elk van beide landsdelen, doch mits overleg en coördinatie. Er dient hierbij ook te worden opgemerkt dat ook de Hoge Raad en de Raad van beroep een coördineerde rol zullen vervullen.
Ten slotte wordt het instellen van een regeling inzake financiering van de werkingsmiddelen aan de Koning overgelaten. Het huidige stelsel inzake verplichte bijdragen zonder daadwerkelijke transparantie is immers sedert jaren het voorwerp van terechte kritiek.
Artikel 9
Dit artikel voorziet dat de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit de regels en voorwaarden zal vaststellen krachtens welke een beroepsbeoefenaar hetzij door de Nederlandstalige Orde, hetzij door de Franstalige en Duitstalige Orde wordt ingeschreven op een lijst van de bedoelde Orde. Dit koninklijk besluit zal bij wet moeten worden bekrachtigd.
In de huidige situatie kunnen de artsen die hun voornaamste beroepsactiviteit hebben in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, of in de zes faciliteitengemeenten in de rand rond Brussel, evenals de Vlaams-Brabantse taalgrensgemeente met een specifiek statuut zich inschrijven op de Franstalige lijst of de Nederlandstalige lijst van de vroegere Provincie Brabant. Inderdaad, ingevolge een gedeeltelijke vernietiging door de Raad van State bij arrest van 17 oktober 1972 van artikel 32 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde van Geneesheren, werd ook de opheffing van artikel 3, vierde lid, van de wet van 25 juli 1938 vernietigd. Hierdoor kunnen tot op heden niet alleen de artsen van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad zich naar keuze inschrijven op de Nederlandstalige of de Franstalige lijst van de toenmalige provincie Brabant, doch ook de artsen van de toenmalige « administratief tweetalige gemeenten », met name zeven gemeenten in de huidige provincie Vlaams-Brabant met een bijzondere regeling zoals bedoeld in de wetten van 18 juli 1966 op het taalgebruik in bestuurszaken. Dit betreft de zes randgemeenten Drogenbos, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Kraainem, Wezenbeek-Oppem en Wemmel, evenals de taalgrensgemeente Bever. Bij de apothekers is de oorspronkelijke regeling, die uitsluitend aan de apothekers in het Brussels administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad het keuzerecht laat, wel overeind gebleven. Gelet op ervaringen uit het verleden, zijn de indieners van het wetsvoorstel van oordeel dat wetgevend werk inzake volksgezondheid en deontologie enerzijds en aangelegenheden inzake taalgebruik, best niet tegelijkertijd anderzijds en in hetzelfde forum plaatsvinden. Vandaar het voorstel om laatst genoemde kwestie slechts in een tweede stadium door de regering te laten bekijken.
Artikel 10
Dit artikel stelt een regeling in met betrekking tot de eigendom van onroerende goederen, beschikkingen onder de levenden of bij testament ten voordele van een Orde, en de werkingsmiddelen van de Orden.
Hoofdstuk II — De Provinciale, Territoriale of gelijkgestelde Raden van de Orden
Artikel 11
Dit artikel omvat een regeling inzake de plaats van de zetel van de in dit hoofdstuk bedoelde Raden.
Artikel 12
Dit artikel regelt de opdracht van deze Raden.
Dit betreft het opmaken van de lijst van hun Orde en het verlenen van het passend gevolg aan beslissingen van de Provinciale geneeskundige commissie of Commissie van beroep, tot vaststelling dat de beroepsbeoefenaar de vereisten inzake beroepsuitoefening niet meer vervult of fysiek of psychisch ongeschikt is. De Raden kunnen ook de naam van een persoon weglaten uit de lijst wanneer er sterke vermoedens zijn dat deze zijn beroep niet meer uitoefent.
Ten slotte worden nog specifieke voorwaarden voorzien voor het weigeren of uitstellen van inschrijving op de lijst of voor het behoud van inschrijving onder beperkende voorwaarden.
Artikel 13
De Raad is bevoegd voor het verlenen van advies, uit preventieve overwegingen of op vraag van een lid van de Orde, over alle aangelegenheden van deontologie. Indien dit betrekking heeft op de grondbeginselen van deontologie, maakt de Raad dit over aan de Nationale Raad van de Orde en aan de Hoge Raad.
De Raad kan bemiddelen tussen een betrokken beoefenaar en derden of tussen beoefenaars onderling, een tuchtrechtelijke sanctie opleggen, de bevoegde overheid kennis geven van elke onwettige beroepsuitoefening, vaststellen of de overeenkomsten die worden afgesloten tussen beoefenaars onderling of tussen een beoefenaar en derden overeenstemmen met de regels van deontologie, gevolg geven aan door gerechten voorgelegde geschillen inzake honoraria, in laatste aanleg beslissen over geschillen inzake honoraria die gezamenlijk door alle betrokkenen aan de Raad zijn voorgelegd en een repertorium bijhouden van verleende adviezen dat voor de leden toegankelijk is.
Artikel 14
Dit artikel vermeldt de gevallen waarin de Raad kennis neemt van een zaak, waardoor het deze zonder gevolg kan rangschikken of een tuchtrechtelijke sanctie kan opleggen.
Er wordt eveneens voorzien dat de Raad, op gezamenlijk verzoek van de belanghebbenden, in laatste aanleg kan beslissen over geschillen betreffende de door de beroepsbeoefenaar gevraagde honoraria.
Artikel 15
Dit artikel bepaalt de minimale samenstelling van elke raad, zoals deze op een meer concrete wijze zal kunnen worden ingevuld door specifieke wetgevingen.
Elke raad zal bestaan uit een meerderheid rechtstreeks verkozen beoefenaars van de betrokken categorie, evenals twee juristen met ervaring en deskundigheid in het gezondheidsrecht en het contractenrecht.
Voor de uitoefening van de tuchtrechtelijke bevoegdheden zullen de hierboven bedoelde juristen worden vervangen door hetzij één magistraat, hetzij door één advocaat die tenminste drie jaar ingeschreven is op het tableau van de Orde van advocaten.
De in het vorige lid bedoelde advocaten mogen gedurende de termijn van hun mandaat niet als raadsman optreden, noch in een Provinciale raad van dezelfde Orde, noch in de Raad van beroep met betrekking tot beslissingen van een in artikel 11 bedoelde raad van dezelfde Orde. Deze regeling is ingegeven door het feit dat magistraten en advocaten meer vertrouwd zijn met rechtspraak en sanctierecht, doch in andere domeinen zoals bijvoorbeeld het beoordelen van contracten niet noodzakelijk een meerwaarde betekenen ten aanzien van juristen met een zekere deskundigheid terzake.
De voorzitter wordt door alle leden verkozen, onder de leden, vertegenwoordigers van de betrokken beroepscategorie.
Er wordt nog gespecificeerd dat de onverenigbaarheden, de regels inzake verkiezing en inzake lidmaatschap gedurende maximaal twee opeenvolgende mandaten die van toepassing zijn op de leden van de Hoge Raad ook gelden voor de leden van deze in artikel 11 bedoelde Raden.
Daarenboven geldt nog de onverenigbaarheid van het lidmaatschap van bedoelde raad met dat van de Hoge Raad, de Raad van beroep en de Nationale Raad van de betrokken Orde.
De leden moeten tenminste gedurende drie jaar voorafgaand aan hun mandaat hun beroep uitgeoefend hebben.
De Koning kan voorzien in de vertegenwoordiging van de Duitstalige beoefenaars.
Wat betreft de werkzaamheden kunnen plaatsvervangende leden ingeschakeld worden indien dit nodig zou blijken. Elk lid van de Nationale Raad kan tevens uitgenodigd worden om de vergaderingen met raadgevende stem bij te wonen.
In het geval een Orde tenminste drie Raden telt die in dezelfde taal vergaderen, worden twee leden van twee verschillende andere raden die er de betrokken beroepscategorie vertegenwoordigen, door de Koning benoemd om de vergadering met raadgevende stem bij te wonen. De Raad kan slechts vergaderen wanneer tenminste één van beide bedoelde leden, of zijn plaatsvervanger, aanwezig is. Deze regeling is bedoeld om te aanzienlijke verschillen tussen de verschillende Raden te vermijden. De aanwezigheid van vertegenwoordigers van een andere provincie, regio of subcategorie zal desgevallend de ontwikkeling van afwijkende tendensen kunnen neutraliseren.
Artikel 16
Door de Raden wordt ook een lid aangeduid dat belast is met het bemiddelen in zaken die voor de Raad aanhangig worden gemaakt.
Dit artikel regelt eveneens de samenstelling en de bevoegdheden van het Onderzoekscollege, die de Raad voor elke zaak waarvoor zij dit nodig acht in zijn schoot kan aanduiden. Dit onderzoekscollege is belast met het onderzoek van zaken die voor de Raad aanhangig worden gemaakt.
Er wordt ook in onverenigbaarheden voorzien voor de bemiddelaar en de leden van het onderzoekscollege.
De samenstelling van een bureau, dat de werkzaamheden van de Raad regelt, wordt eveneens voorzien.
Artikel 17
Dit artikel bepaalt de tuchtrechtelijke procedure, met inbegrip van de desbetreffende bemiddelaar en desgevallend het Onderzoekscollege.
Hoofdstuk III — De Nationale Raad van de Orden
Artikel 18
Dit artikel bepaalt de bevoegdheden van De Nationale Raad van de Orden.
Hiertoe behoort onder meer het vaststellen van de regels van deontologie die van toepassing zijn op de beroepscategorie. Deze worden dan vervolgens ter bekrachtiging voorgelegd aan de Hoge Raad. De Nationale Raad brengt ook advies uit over de draagwijdte van de bedoelde regels inzake deontologie, ambtshalve of aan elke belanghebbende die hierom verzoekt.
Artikel 19
Dit artikel bepaalt de samenstelling van de Nationale Raad. Deze bestaat enerzijds voor tenminste de helft uit verkozen beroepsbeoefenaars van de betrokken categorie en anderzijds uit leden van de beroepsgroep die zijn voorgedragen door de beheersorganen van de universiteiten of hogescholen, telkens één of meerdere leden met respectievelijk een deskundigheid in ethische problemen en ervaring in patiëntenrechten, evenals een magistraat die zetelt in het Hof van Cassatie, het hof van beroep, het Arbeidshof of de Raad van State.
Met deze samenstelling worden alle disciplines die een deskundigheid aanbrengen met het oog op het adequaat vaststellen van regels van deontologie samengevoegd.
Er wordt nog gespecificeerd dat de onverenigbaarheden, de regels inzake verkiezing en inzake lidmaatschap gedurende maximaal twee opeenvolgende mandaten die van toepassing zijn op de leden van de Hoge Raad ook gelden voor de leden van de Nationale Raad. De voorzitter evenals zijn plaatsvervanger is een beroepsbeoefenaar die al dan niet rechtstreeks is verkozen.
Titel IV — De Raad van eerste aanleg en de Raad van beroep
Hoofdstuk I — De Raad van eerste aanleg
Artikel 20
Bij de Hoge Raad wordt een Raad van eerste aanleg opgericht die bestaat uit een Franstalige en een Nederlandstalige kamer en die bevoegd is voor het opleggen van de in het wetsvoorstel bedoelde tuchtrechtelijke maatregelen in het geval één of meerdere basisbeginselen of regels van deontologie door een lid van een beroepscategorie waarvoor geen Orde is opgericht bij toepassing van deze wet niet worden nageleefd.
De Raad van eerste aanleg heeft dezelfde samenstelling als de Provinciale of gelijkgestelde raden van de Orden, met dien verstande dat uitsluitend de beoefenaars van de betrokken beroepscategorie zetelen en een magistraat deze Raad voorzit.
Er wordt nog gespecificeerd dat de onverenigbaarheden, de regels inzake verkiezing en inzake lidmaatschap gedurende maximaal twee opeenvolgende mandaten die van toepassing zijn op de leden van de Hoge Raad ook gelden voor de leden van de Raad van eerste aanleg.
Hoofdstuk II — De Raad van beroep
Artikel 21
§ 1. Tegen eindbeslissingen van de Provinciale, Territoriale of gelijkgestelde raden en de Raden van eerste aanleg, kan hoger beroep worden ingesteld door de betrokken beoefenaar.
Dit artikel preciseert welke andere personen nog hoger beroep kunnen instellen.
In het geval een eindbeslissing een gevolg is van een klacht, kan de klager zijn opmerkingen meedelen aan de verschillende personen die hoger beroep kunnen instellen, zoals hierboven vermeld.
Dit artikel omvat daarenboven nog regels met betrekking tot de procedure voor de Raad van beroep.
De Raad van beroep is samengesteld uit een Nederlandstalige en een Franstalige kamer.
§ 2. De kamers van de Raad van beroep zijn elk samengesteld uit vijf rechtstreeks verkozen beoefenaars van elke categorie, evenals twee juristen met respectievelijk een ervaring en deskundigheid in gezondheidsrecht en contractenrecht, evenals drie beroepsmagistraten, raadsheer in een hof van beroep of een arbeidshof.
Van de leden, vertegenwoordigers van de beroepscategorie, zetelen slechts de vertegenwoordigers van de betrokken categorie, met uitzondering van de vertegenwoordiger van de provincie of de territoriale entiteit waar de betrokkene op de lijst is ingeschreven evenals diens plaatsvervanger.
Er wordt nog gespecificeerd dat de onverenigbaarheden, de regels inzake verkiezing en inzake lidmaatschap gedurende maximaal twee opeenvolgende mandaten die van toepassing zijn op de leden van de Hoge Raad ook gelden voor de leden van de Raad van beroep.
Er worden eveneens regels voorzien met betrekking tot de aanstelling en het statuut van de griffier, evenals de samenstelling en werking van het Bureau.
Er worden nog een aantal bepalingen voorzien inzake de vraag wie hoger beroep kan instellen, evenals de beroepsprocedure als dusdanig.
Titel V — Gemeenschappelijke bepalingen voor de in artikel 11 bedoelde Raden van de Orden en voor de Raad van eerste aanleg en de Raad van beroep
Artikel 22
Dit artikel bepaalt onder meer de mogelijkheid in hoofde van de betrokkene om zich te laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.
De openbaarheid van de zittingen wordt eveneens geregeld. In beginsel is de openbaarheid een recht in hoofde van de betrokken beroepsbeoefenaar, tenzij de betrokken beoefenaar zich hiertegen uitdrukkelijk verzet of wanneer de organen afzien van de openbaarheid in het belang van de openbare orde, de goede zeden, de belangen van minderjarigen, of indien de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene of van derden het vereist of wanneer de openbaarheid de belangen van de rechtsbedeling zou schaden.
Een ander belangrijk aspect is het instellen van een regeling inzake de mededeling van de tuchtrechtelijke beslissingen ingevolge een klacht. Met het oog op een maximale transparantie worden de beslissingen in beginsel aan de klagende partij medegedeeld, voor zover deze de patiënt is of een persoon die zijn rechten uitoefent bij toepassing van de artikelen 12, 13 of 14 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt. Dit zijn de door de patiënt aangeduide vertegenwoordiger, de ouders, een broer of een zus of één van de meerderjarige kinderen van de patiënt.
Langs de andere kant wordt voorzien dat noch de hierboven bedoelde beslissingen, noch de verslagen van de verklaringen van de betrokken beoefenaar voor het onderzoekscollege of de organen die krachtens dit voorstel bevoegd zijn voor het nemen van tuchtrechtelijke beslissingen mogen worden aangewend in een burgerrechtelijk of strafrechtelijk geschil voor de hoven en de rechtbanken. Deze regeling is ingegeven door enerzijds het feit dat de organen die zijn voorzien in dit wetsvoorstel geen opdracht hebben met betrekking tot de toepassing van andere wettelijke regelingen, noch op het niveau van het onderzoek, noch op het niveau van de uitspraak; anderzijds wordt de beroepsbeoefenaar op deze wijze gevrijwaard tegen klachten die uitsluitend bedoeld zouden zijn als een fase voorafgaand aan een gerechtelijke procedure met het oog op bijvoorbeeld een vergoeding van schade. Aangezien tuchtrecht enerzijds en burgerlijk recht of strafrecht anderzijds geen verband houden met elkaar, is deze regeling logisch.
Ten slotte bepaalt het artikel aan welke personen de eindbeslissingen nog worden overgemaakt met het oog op het instellen van hoger beroep.
Artikel 23
Dit artikel voorziet in een verstekprocedure.
Artikel 24
Dit artikel omvat een bevoegdheidsdelegatie aan de Koning en dit met betrekking tot de procedures voor de in artikel 11 bedoelde Raden, de Raad van eerste aanleg en de Raad van beroep.
De Koning zal ook onder meer de voorwaarden bepalen inzake verkiesbaarheid van de werkende en plaatsvervangende leden van de in deze wet bedoelde organen, evenals de verkiezingsprocedure.
Wraking van de voorzitter en de leden van de organen is mogelijk op basis van artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek.
Artikel 25
Dit artikel voorziet het principe dat de tuchtrechtelijke vervolging niet meer kan worden ingesteld na het verstrijken van een termijn van twee jaar na de dag waarop de Orde of de Raad van eerste aanleg kennis heeft genomen van de feiten, en bepaalt een concrete regeling voor dit principe.
Artikel 26
Dit artikel omvat regels inzake de cassatie-procedure.
Titel VI — Overige bepalingen
Artikel 27
Dit artikel benadrukt de onverenigbaarheid van lidmaatschap in meerdere organen bedoeld in deze wet.
Artikel 28
De totale duurtijd waarbij een persoon, als effectief of als plaatsvervangend lid, een mandaat mag bekleden in de organen van de Orde bedraagt 18 jaar.
Op het ogenblik van de kandidaatstelling moet men actief werkzaam zijn in een beroep van de betrokken beroepsgroep, waardoor de nauwe betrokkenheid van de kandidaat met de praktijk van de beroepsgroep gegarandeerd is.
Dit artikel voorziet ook in een regeling in geval van schrapping van de lijst van een Orde, een schorsing of vervallenverklaring, zoals bedoeld in artikel 3.
Artikel 29
Dit artikel omvat regels inzake het beroepsgeheim.
Titel VII — Sancties
Artikel 30
§ 1. De disciplinaire sancties die, in tegenstelling tot op heden tegenover de artsen en apothekers, door de bevoegde organen zullen kunnen worden uitgesproken, zijn de volgende :
1º de waarschuwing;
2º de berisping;
3º de schorsing van het recht het gezondheidsberoep uit te oefenen gedurende maximaal twee jaar;
4º de vervallenverklaring van het recht het beroep uit te oefenen met, ingeval de beoefenaar is ingeschreven op de lijst van een Orde, de schrapping van de lijst van de Orde.
Het artikel voorziet met betrekking tot de sancties bedoeld onder 3º en 4º hierboven in de mogelijkheid tot uitstel of opschorting.
Daarenboven kunnen ook alternatieve straffen worden opgelegd, met name onbezoldigd gemeenschapswerk of een administratieve geldboete.
Het artikel voorziet ook het principe dat voorlopige maatregelen kunnen worden genomen wanneer de beoefenaar binnen de uitoefening van zijn beroep feiten heeft gepleegd of fouten heeft begaan die van die aard zijn dat zijn verder optreden een risico betekent en deze feiten tenminste een schorsing rechtvaardigen.
Artikel 31
Dit artikel voorziet een regeling inzake uitwissing en eerherstel.
Het artikel voorziet ook een rechtsgrond die toelaat om bij koninklijk besluit te bepalen aan welke instanties de eindbeslissingen van de in deze wet bedoelde raden moeten worden medegedeeld met het oog op de uitvoering.
Artikel 32
Dit artikel voorziet in de mogelijkheid tot opheffing van de schrapping of de vervallenverklaring, bedoeld in artikel 30, na een termijn van drie jaar en dit ingevolge een beslissing van de Raad van beroep.
Artikel 33
Dit artikel specificeert dat de strafrechtelijke sancties, voorzien in artikel 38, § 1, 1º, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen van toepassing zijn op de verstrekker, die tijdens de duur van de schorsing of na de vervallenverklaring het beroep nog uitoefent.
Hetzelfde geldt ten aanzien van de personen die gewoonlijk handelingen stellen die behoren tot de uitoefening van een gezondheidszorgberoep waarvoor in uitvoering van deze wet een Orde is ingesteld en zonder ingeschreven te zijn op een lijst van deze Orde.
Titel VIII — Wijziging van het Gerechtelijk Wetboek
Artikel 34
Dit artikel voorziet in een wijziging van artikel 614 van het Gerechtelijk Wetboek, en dit met betrekking tot de bevoegdheid van het Hof van Cassatie.
Titel IX — Slotbepalingen
Artikel 35
Dit artikel voorziet dat deze wet de « Deontologiewet gezondheidszorgberoepen » zal worden genoemd.
Artikel 36
Dit artikel voorziet dat de Koning de datum van inwerkingtreding van de wet bepaalt, en dit voor elk van de categorieën van beroepsbeoefenaars zoals bedoeld in artikel 4, § 1, 2º tot 8º.
Het spreekt vanzelf dat ten aanzien van de artsen en de apothekers de nieuwe wet slechts in werking kan treden op de data waarop de koninklijke besluiten nrs. 79 en 80 van 10 november 1967 zullen worden aangepast aan de bepalingen uit dit wetsvoorstel of vervangen door een nieuwe wettelijke regeling
Dit belet uiteraard niet dat er voor de hangende geschillen nog in een overgangsregeling zou worden voorzien.
| Marleen TEMMERMAN. | |
| Bert ANCIAUX. |
Titel I — Algemene bepaling
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, met uitzondering van de artikelen 14 tot 17, 20 tot 26, en 34 die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Titel II — Hoge Raad voor Deontologie van de Gezondheidszorgberoepen
Art. 2
Een Hoge Raad voor deontologie van de gezondheidszorgberoepen wordt opgericht, hierna « Hoge Raad » genoemd.
De Hoge Raad geniet de rechtspersoonlijkheid van publiek recht.
Zowel in rechte als voor het aangaan van verbintenissen wordt de Hoge Raad vertegenwoordigd door zijn voorzitter en, bij diens afwezigheid, door zijn plaatsvervanger.
Deze wet is van toepassing op de beoefenaars van een gezondheidszorgberoep bedoeld in het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.
Art. 3
§ 1. De Hoge Raad heeft de volgende opdrachten :
1º het vaststellen van de grondbeginselen van deontologie die gemeenschappelijk zijn voor het geheel van de beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg of meerdere categorieën ervan;
2º het verlenen van advies aan de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, hierna « de minister » genoemd, over het verlenen van bindende kracht aan de ontwerpen van regels van deontologie, zoals voorgesteld door een Nationale Raad van een Orde en die betrekking hebben op :
a) de regels die specifiek van toepassing zijn op de betrokken categorie van beoefenaars;
b) de regels die de betrekkingen tussen de beoefenaars van eenzelfde categorie regelen.
3º het vaststellen van regels van deontologie bedoeld in 2º, voor categorieën van beoefenaars waarvoor geen Orde wordt opgericht bij toepassing van deze wet.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt, naargelang de betrokken categorie van beroepsbeoefenaars, advies ingewonnen bij het bevoegde orgaan bedoeld in artikel 21ter, 21decies, 28 of 50, § 2, van het koninklijk besluit nr. 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen of in artikel 3, 1º, van het koninklijk besluit van 10 november 1996 tot vaststelling van de erkenningsmodaliteiten van de beoefenaars van de tandheelkunde, houders van een bijzondere beroepstitel.
4º het verlenen van adviezen over de grondbeginselen bedoeld in 1º en over de regels bedoeld in 3º, op verzoek van een orgaan bedoeld in deze wet, een lid van de federale regering of van een gemeenschaps- of gewestregering, of van de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers, van de Senaat of van een gemeenschaps- of gewestparlement of ambtshalve.
§ 2. De Hoge Raad kan de minister enkel het advies geven geen bindende kracht te verlenen aan een voorstel van een Nationale Raad van een Orde bedoeld in § 1, 2º voor zover dat voorstel strijdig is met de in § 1, 1º, bedoelde grondbeginselen. De Hoge Raad motiveert zijn advies tot weigering van de bekrachtiging.
§ 3. De in § 1, 1º, 2º en 3º, bedoelde grondbeginselen en regels van deontologie hebben slechts bindende kracht nadat ze bekrachtigd zijn door de Koning en behoorlijk bekendgemaakt zijn in bijlage bij het koninklijk besluit van bekrachtiging.
De Koning spreekt zich uit binnen zes maanden vanaf het tijdstip waarop zowel de grondbeginselen of de regels van deontologie als het advies van de Hoge Raad zijn meegedeeld aan de minister.
§ 4. De in § 1, 1º, bedoelde grondbeginselen evenals de in § 1, 2º, bedoelde regels, vormen samen, na hun bekrachtiging door de Koning, de deontologische code van de betrokken beroepscategorie.
De deontologische code strekt er onder meer toe bij te dragen tot een kwalitatief hoogstaande en universeel toegankelijke gezondheidszorg in het belang van de patiënt en de gemeenschap en tot een correcte aanwending van de middelen die door de gemeenschap ter beschikking zijn gesteld van de gezondheidszorg. Hij stelt het geheel van de beginselen, gedragsregels en gebruiken vast die iedere beoefenaar van het betrokken gezondheidszorgberoep moet eerbiedigen of als leidraad nemen bij de uitoefening van zijn beroep.
§ 5. De code wijst tevens op het belang van een verantwoorde besteding van de middelen die door de gemeenschap ter beschikking zijn gesteld van de gezondheidszorg.
De in het eerste lid bedoelde code bevat tenminste de volgende thema's :
— de algemene deontologische rechten en verplichtingen van de beoefenaars van een gezondheidszorgberoep, met inbegrip van het beroepsgeheim;
— de algemene rechten en verplichtingen ten aanzien van de patiënt;
— de relatie tussen de beoefenaar en de samenleving, met inbegrip van de verzorgingsinstellingen en de verzekeringsinstellingen;
— de relatie tussen de beoefenaars onderling, met inbegrip van overleg en het doorgeven van informatie en documenten;
— de uitoefening van het beroep, met inbegrip van de continuïteit van de verzorging en werking van de wachtdiensten.
Eigenaars, bestuurders, houders van een vergunning of erkenning voor instellingen waar beoefenaars van een gezondheidsberoep hun activiteit uitoefenen mogen niet verhinderen dat deze de bepalingen van een deontologische code kunnen naleven.
Art. 4
§ 1. De Hoge Raad bestaat uit :
1º een voorzitter, benoemd onder de leden van de Raad van State, het Hof van Cassatie en het Arbitragehof, waarvan overeenkomstig de wet, het reglement of op een andere wijze is aangetoond dat hij een grondige kennis heeft van het Nederlands en het Frans;
2º acht artsen, waaronder vier huisartsen en vier artsen-specialisten;
3º twee apothekers;
4º twee beoefenaars van de tandheelkunde;
5º twee beoefenaars van de kinesitherapie;
6º twee beoefenaars van een paramedisch beroep;
7º zes beoefenaars die verpleegkundige of zorgkundige zijn, waarbij elk van deze beide beroepen vertegenwoordigd is door tenminste één persoon;
8º twee vroedvrouwen;
9º zes specialisten in de deontologische problemen, benoemd uit twee dubbele lijsten, de ene voorgedragen door de Vlaamse Interuniversitaire Raad en de andere door deConseil interuniversitaire de la Communauté française, of, bij ontstentenis, op voordracht van de Koning;
10º vier leden met ervaring en deskundigheid inzake patiëntenrechten, waarvan twee in de hoedanigheid van beoefenaar van een ombudsfunctie bedoeld in de artikelen 11 of 16, § 3, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt en twee als vertegenwoordiger van representatieve organisaties van patiënten of ziekenfondsen.
Van de in het 9º van het eerste lid bedoelde specialisten in de deontologische problemen mag maximum één lid tot eenzelfde categorie van beoefenaars van gezondheidszorgberoepen zoals bedoeld in het 2º tot 8º van het eerste lid, behoren.
Onverminderd het vorige lid, zijn ten minste twee in het 9º bedoelde specialisten in de deontologische problemen houder van een universitair diploma in de filosofie of de moraalwetenschappen.
§ 2. De voorzitters van de afdelingen van de Nationale Raden van een Orde bedoeld in Titel III, wonen de vergaderingen van de Hoge Raad bij met raadgevende stem.
§ 3. Elk effectief lid heeft een plaatsvervanger die behoort tot dezelfde categorie bedoeld in § 1 en die slechts zetelt ingeval het effectieve lid afwezig is.
De plaatsvervanger van de voorzitter is tweetalig en behoort tot een andere taalrol dan de voorzitter en wordt op dezelfde wijze benoemd. Hij woont de vergaderingen met raadgevende stem bij en heeft slechts stemrecht wanneer hij, bij afwezigheid van de voorzitter, het voorzitterschap effectief waarneemt.
Elk jaar na de inwerkingtreding van hun benoeming, wisselen het effectieve en het plaatsvervangende voorzitterschap.
§ 4. De Hoge Raad telt, per categorie bedoeld in § 1, een gelijk aantal Nederlandstalige en Franstalige leden.
De Hoge Raad bestaat uit een Nederlandstalige en een Franstalige afdeling.
Beide afdelingen vergaderen en beslissen samen voor de uitoefening van de in artikel 3, § 1, bedoelde bevoegdheden, met uitzondering van het geval waarin bij toepassing van artikel 3, § 1, 4º, een lid van een gemeenschaps- of gewestregering of de voorzitter van een gemeenschaps- of gewestparlement, binnen het kader van de bevoegdheden van hun gemeenschap of gewest, om een advies verzoeken.
Ingeval een afdeling afzonderlijk vergadert overeenkomstig het vorige lid wordt zij voorgezeten door de voorzitter van de Hoge Raad of door zijn plaatsvervanger naargelang de taalrol waartoe deze behoren.
Elk ontwerp van advies, goedgekeurd door een afdeling overeenkomstig het vorige lid, wordt meegedeeld aan de voorzitter en de leden van de andere afdeling.
Ingeval een meerderheid van twee derden van de leden van de andere afdeling zich binnen een termijn van twee maanden na de mededeling ervan verzetten tegen het bedoelde ontwerp van advies, wordt dit voorgelegd aan de Hoge Raad, samengesteld uit de beide afdelingen, die in dat geval het advies uitbrengt.
§ 5. De voorzitter en de in § 1 bedoelde leden mogen geen leidende functie bekleden of zetelen in een bestuursorgaan van een vereniging tot verdediging van de belangen van een categorie van beoefenaars van een gezondheidszorgberoep bedoeld in § 1, 2º tot 8º.
Zij mogen geen lid zijn van een Provinciale Geneeskundige Commissie of van de Commissie van Beroep, noch van de directie van een verzorgingsinstelling.
Elke hoedanigheid of situatie die een strijdigheid van belangen met hun functie in de Raad kan inhouden wordt door de leden aan de voorzitter gemeld, hetzij onverwijld na de benoeming, hetzij van zodra deze strijdigheid van belangen zich voordoet. Indien zij hierom verzoeken, kunnen derden kennis nemen van deze meldingen.
Telkens een lid een strijdigheid van belangen heeft met betrekking tot een punt dat op de dagorde van de Hoge Raad wordt voorgelegd, meldt hij dit aan de voorzitter die er in overeenstemming met het betrokken lid het passend gevolg aan geeft. Bij gebrek aan overeenstemming beslist de Raad in afwezigheid van het betrokken lid.
§ 6. De effectieve en plaatsvervangende voorzitter, evenals de in § 1, 9º en 10º, bedoelde effectieve en plaatsvervangende leden, worden door de Koning benoemd voor een termijn van zes jaar.
De in § 1, 2º tot 8º, bedoelde leden worden verkozen door de beoefenaars van hun categorie.
De Koning bepaalt de voorwaarden en regels voor de toepassing van deze paragraaf. Hij kan hierbij een overgangsregeling bepalen in afwachting van het opstellen van een kadaster.
§ 7. Een effectief of plaatsvervangend lid kan maximaal twee opeenvolgende perioden van zes jaar in de Hoge Raad zetelen.
§ 8. De Hoge Raad kan slechts geldig beraadslagen en beslissen wanneer tegelijkertijd :
1º tenminste de helft van enerzijds de leden bedoeld in § 1, 2º tot 8º, en anderzijds van de leden bedoeld in § 1, 9º en 10º, aanwezig zijn;
2º van alle leden bedoeld in § 1, 2º tot 10º, tenminste de helft van iedere taalgroep aanwezig is.
Het bureau, dat wordt voorgezeten door de voorzitter van de Hoge Raad of, bij diens afwezigheid, zijn plaatsvervanger, is samengesteld overeenkomstig door de Koning bepaalde regels. Het bureau organiseert de werkzaamheden van de Hoge Raad.
De overige werkingsregels van de Hoge Raad, evenals de termijnen waarbinnen de gevraagde adviezen moeten worden verstrekt, worden door de Koning vastgesteld.
De Hoge Raad wordt bijgestaan door een tweetalige griffier, master in de rechten, benoemd door de Koning. Zijn mandaat van zes jaar is hernieuwbaar. De Koning kan ook een tweetalige adjunct-griffier benoemen. De Koning stelt de rechtspositie van de griffier en zijn adjunct vast na advies van de Hoge Raad en stelt de voorwaarden tot benoeming en de regels met betrekking tot hun bezoldiging vast.
De Koning bepaalt op welke wijze de tweetaligheid van de (adjunct-)griffier wordt bewezen.
§ 9. De leden bedoeld in § 1, 2º tot 8º, moeten ten minste gedurende de laatste vijf jaar voorafgaand aan hun mandaat hun beroep hebben uitgeoefend.
Art. 5
De beslissingen van de Hoge Raad worden genomen bij gewone meerderheid van de aanwezige leden, met uitzondering van de beslissingen bedoeld in artikel 3, § 1, 1º, 2º, en 3º, die worden genomen met een meerderheid van twee derden van de aanwezige leden.
Art. 6
De Hoge Raad maakt zijn huishoudelijk reglement op, dat door de Koning wordt bekrachtigd.
Art. 7
De werkingskosten van de Hoge Raad komen ten laste van de begroting van de federale overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.
Titel III — De Orden van gezondheidszorgberoepen
Hoofdstuk I — Algemene bepalingen
Art. 8
§ 1. Voor iedere categorie van de gezondheidszorgberoepen bedoeld in artikel 4, § 1, 2º tot 8º, kan door de wet een Nederlandstalige Orde en een Franstalige en Duitstalige Orde worden opgericht.
De Orden genieten de rechtspersoonlijkheid van publiek recht.
De organen van de Orden zijn :
1º de Nationale Raad;
2º meerdere Provinciale of Territoriale Raden.
Voor specifieke subcategorieën van beoefenaars kan een raad worden ingesteld die voor de toepassing van deze wet wordt gelijkgesteld met een Provinciale of Territoriale Raad bedoeld in het vorige lid, 2º.
Zowel in rechte als voor het aangaan van verbintenissen, worden de Orden vertegenwoordigd door de voorzitter hun Nationale Raad, of bij hun afwezigheid, door hun plaatsvervanger, en mits zij hiervoor een mandaat hebben verkregen van de Nationale Raad.
§ 2. De Koning regelt het gebruik van de talen bij de rechtspleging op grond van de bepalingen van de hoofdstukken I, II en IV, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken voor de gevallen waarin de organen tuchtrechtelijk optreden.
§ 3. De vergoeding van de voorzitter en de leden van de organen van de Orden en hun plaatsvervangers wordt bepaald door de Koning na overleg met de Nationale Raad.
§ 4. Per gezondheidsberoep waarvoor bij toepassing van het vorige lid twee Orden zijn opgericht, wordt bij de Hoge Raad een koepelstructuur opgericht, die is samengesteld uit de voorzitter en de leden van de nationale raden die een overlegbevoegdheid heeft met betrekking tot deontologische kwesties.
De Koning kan nadere regels bepalen met betrekking tot de benaming, organisatie en werking van de in het vorige lid bedoelde koepelstructuur.
§ 5. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit een regeling vastleggen inzake financiering en beheer van de werkingsmiddelen van de Orden en kan terzake de nodige regels vaststellen inzake controle en transparantie.
Art. 9
De Orden omvatten alle houders van het wettelijke of van het wettelijk als gelijkwaardig erkend buitenlandse diploma van de bedoelde categorie die in België woonachtig en ingeschreven zijn op de lijst van de provincie of territoriale omschrijving zoals bedoeld in dit hoofdstuk waar zij hun voornaamste beroepsactiviteit hebben of op de lijst van hun in artikel 8, § 1, vierde lid, bedoelde specifieke subcategorie.
De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de regels en voorwaarden krachtens welke een beroepsbeoefenaar hetzij door de Nederlandstalige Orde, hetzij door de Franstalige en Duitstalige Orde worden ingeschreven op een lijst van de bedoelde Orde.
Het in het vorige lid bepaalde besluit wordt vóór zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad aan de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden. Dit besluit mag niet in werking treden alvorens het bij wet wordt bekrachtigd, en dit uiterlijk binnen een termijn van zes maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Art. 10
De Orden mogen in eigendom uitsluitend deze onroerende goederen bezitten die voor hun werking noodzakelijk zijn.
Beschikkingen onder de levenden of bij testament ten voordele van de Orden behoeven machtiging door de Koning.
De Koning bepaalt de nadere regels met betrekking tot de werkingsmiddelen van de Orden teneinde deze in staat te stellen hun opdracht te vervullen.
Hoofdstuk II — De Provinciale, Territoriale of gelijkgestelde Raden van de Orden
Art. 11
De Provinciale en Territoriale Raden van de Orde hebben hun zetel in de hoofdplaats van hun provincie of in hun territoriale omschrijving.
In afwijking van het eerste lid, kunnen de Provinciale Raden van de Orde van Vlaams- en Waals-Brabant en de gelijkgestelde Raden hun zetel hebben in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
Art. 12
Een in artikel 11 bedoelde raad, in dit hoofdstuk « de Raad » genoemd, heeft als opdracht de lijst van zijn Orde op te maken.
Indien de aanvrager een onderdaan is van een andere lidstaat van de Europese Unie of een derde land dat geen lidstaat is, wint de Raad bij de Nationale Raad of bij de betrokken overheid van het land van oorsprong of herkomst dezelfde inlichtingen in als die welke gevraagd worden van de Belgische kandidaten.
Wanneer de daartoe bevoegde geneeskundige commissie of de geneeskundige commissie van beroep bedoeld in artikel 37 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen heeft beslist en aan de Orde heeft laten weten dat een beoefenaar de vereiste voorwaarden voor de uitoefening van het gezondheidszorgberoep niet meer vervult, of om reden van fysieke of psychische ongeschiktheid op een beperkte uitoefening van het gezondheidszorgberoep is aangewezen, laat de betrokken Raad in het eerste geval de naam van de beoefenaar uit de lijst weg en in het tweede geval maakt hij het behoud ervan afhankelijk van het nakomen van de opgelegde beperking.
De naam van de beoefenaar wordt ook uit de lijst weggelaten wanneer hij daarom verzoekt.
De betrokken Raad kan beslissen om de naam van de beoefenaar weg te laten uit de lijst als de beoefenaar al geruime tijd niet meer reageert op de diverse brieven van de Orde en er sterke vermoedens bestaan dat de betreffende beoefenaar zijn activiteit niet langer uitoefent. De Koning legt de voorwaarden vast waarbij in dit geval een weglating uit de lijst mogelijk is.
De beslissing waarbij een inschrijving op de lijst wordt geweigerd of uitgesteld, of waarbij onder beperkende voorwaarden de naam van de beoefenaar op de lijst wordt behouden, moet met redenen omkleed zijn.
De beslissing tot weigering van inschrijving kan slechts worden genomen in geval van een ernstig feit dat aanleiding kan geven tot schorsing of een zware fout die het vertrouwen van de bevolking in het gedrang brengt.
De beslissing tot weigering, tot uitstel of tot behoud onder beperkende voorwaarden, kan niet worden genomen tenzij de betrokken beoefenaar ten minste dertig dagen vooraf bij aangetekende brief is uitgenodigd om te worden gehoord op de vergadering van de Raad, tijdens welke zijn zaak zal worden onderzocht.
Het uitstel tot inschrijving op de lijst mag maximaal één jaar duren.
Niemand mag tegelijkertijd ingeschreven zijn op de lijst van meer dan één Raad.
Art. 13
De Raad heeft evenzeer als opdracht te waken over het naleven van de deontologie van de betrokken categorie van gezondheidszorgberoepen, met inbegrip van de code bedoeld in Titel II.
Te dien einde wordt de Raad ermee belast :
a) uit preventieve overwegingen, op eigen initiatief of op verzoek van een lid van de Orde, advies te verlenen over alle aangelegenheden inzake deontologie. De Raad maakt de vraag om advies over aan de Nationale Raad van de betrokken Orde en aan de Hoge Raad indien zij betrekking heeft op de grondbeginselen bedoeld in artikel 3, § 1, 1º.
Alvorens enig advies te verlenen, maakt de Raad het ontwerp van advies over aan de Hoge Raad en de Nationale Raad van de betrokken Orde. Het advies mag worden verleend voor zover de voorzitter van tenminste één van de beide bedoelde raden niet binnen de maand na de ontvangst van het ontwerp aan de Raad heeft meegedeeld dat hij de aangelegenheid aan zijn raad zal voorleggen op grond van de bevoegdheden van die raad.
De Raad mag eveneens ambtshalve advies vragen aan de Nationale Raad en aan de Hoge Raad;
b) op verzoek van elke belanghebbende te bemiddelen tussen beoefenaars van dezelfde categorie onderling en tussen beoefenaars enerzijds en derden, waaronder patiënten, instellingen of verenigingen, anderzijds, teneinde geschillen inzake deontologie op te lossen;
c) de bevoegde overheden kennis te geven van de daden van onwettige uitoefening van het gezondheidszorgberoep waarvan hij kennis heeft;
d) vast te stellen of de overeenkomsten die de beoefenaars met betrekking tot de uitoefening van hun beroep onder elkaar of met derden afsluiten, verenigbaar zijn met de regels van deontologie. De Koning kan nadere regels bepalen met betrekking tot deze bevoegdheid;
e) gevolg te geven aan elk verzoek om advies vanwege de hoven en rechtbanken omtrent betwistingen betreffende honoraria;
f) een repertorium bij te houden met alle door de Raad gegeven adviezen, dat voor de op de lijst opgenomen beoefenaars toegankelijk is.
Art. 14
§ 1. De Raad heeft tevens als opdracht hetzij ambtshalve, hetzij na een klacht door een belanghebbende, hetzij na mededeling door de procureur des Konings van een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke uitspraak, hetzij na melding door een andere bevoegde instantie, kennis te nemen van elke zaak en deze zonder gevolg te rangschikken of een tuchtrechtelijke sanctie bedoeld in deze wet op te leggen.
Voor de uitoefening van deze bevoegdheid heeft de Raad gezag en rechtsmacht over de beoefenaars die zijn ingeschreven op de lijst van zijn Orde en over de onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie of een derde land niet-lidstaat met een gelijkgesteld diploma, die in een ander land als beoefenaar gevestigd zijn en die een dienstverrichting uitoefenen in het ambtsgebied van deze Raad.
§ 2. De Raad heeft ook als opdracht, op gezamenlijk verzoek van de belanghebbenden, in laatste aanleg te beslissen over alle geschillen betreffende de door de beoefenaar aan zijn cliënt gevraagde honoraria, behoudens bedingen tot toekenning van bevoegdheid die neergelegd zijn in overeenkomsten of verbintenissen gesloten in het kader van de verzekering geneeskundige verzorging en uitkeringen.
Art. 15
§ 1. Elke Raad is tenminste samengesteld uit de volgende categorieën van leden :
a) een meerderheid rechtstreeks verkozen beoefenaars van de betrokken categorie bedoeld in artikel 4, § 1, 2 tot 8;
b) tenminste twee masters in de rechten waarvan één met ervaring en deskundigheid in het gezondheidsrecht en één met ervaring en deskundigheid in het contractenrecht.
Voor de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 13, tweede lid, c,) en 14, § 1, worden de in het vorige lid, b), bedoelde masters in de rechten vervangen door hetzij één enkele magistraat, hetzij één enkele advocaat die tenminste drie jaar ingeschreven is op het tableau bedoeld in het tweede Deel, Boek III, van het Gerechtelijk Wetboek.
De in het vorige lid bedoelde advocaat mag gedurende de termijn van zijn mandaat niet als raadsman optreden voor een Raad van dezelfde Orde, noch voor de Raad van beroep met betrekking tot beslissingen van een Raad van dezelfde Orde. De voorzitter wordt door de leden van de Raad verkozen onder de leden bedoeld in het eerste lid, a), overeenkomstig de door de Koning bepaalde regels.
De Koning benoemt de leden bedoeld in het eerste lid, b), en het tweede lid en hun plaatsvervangers voor een termijn van zes jaar, waarbij Hij de in het tweede lid bedoelde leden en plaatsvervangers benoemt op gezamenlijke voordracht door de ministers die de Volksgezondheid en Justitie in hun bevoegdheid hebben.
Artikel 4, §§ 5, 6 en 7, is van overeenkomstige toepassing op de Raad.
De leden van de Raad mogen noch lid zijn van de Hoge Raad, noch van de Raad van beroep, noch van de Nationale Raad van de betrokken Orde.
De Koning kan voorzien in een vertegenwoordiging van de Duitstalige beoefenaars. Te dien einde kan Hij een afzonderlijk kiesdistrict oprichten.
De in het eerste lid, a), bedoelde leden moeten gedurende tenminste drie jaar voorafgaand aan hun mandaat hun beroep hebben uitgeoefend.
Indien de werkzaamheden van de betrokken Raad het vereisen, kunnen de plaatsvervangende leden door de voorzitter ingeschakeld worden bij de behandeling van een zaak.
Een verkozen lid van dezelfde territoriale omschrijving of hetzelfde materiële bevoegdheidsdomein van de Nationale Raad, kan uitgenodigd worden om de vergadering van de Raad met raadgevende stem bij te wonen.
§ 2. Ingeval een Orde tenminste drie Raden telt die in dezelfde taal vergaderen, worden twee leden, bedoeld in § 1, eerste lid, a), van twee verschillende andere Raden, door de Koning benoemd om de vergadering met raadgevende stem bij te wonen.
De in het eerste lid bedoelde leden, evenals hun plaatsvervangers worden, op voorstel van de Radenwaartoe zij behoren, door de Koning benoemd voor een termijn van twee jaar die niet kan worden verlengd.
De Raad kan slechts vergaderen wanneer tenminste één van beide bedoelde leden, of zijn plaatsvervanger, aanwezig is.
Art. 16
§ 1. De Raad wijst een lid aan dat belast is met het bemiddelen in zaken die bij de Raad aanhangig worden gemaakt. In geval van een mislukking van de bemiddelingspoging neemt de bemiddelaar niet langer deel aan de behandeling van de zaak door de betrokken Raad.
§ 2. De Raad kan voor elke tuchtzaak waarvoor hij dit nodig acht, een onderzoekscollege aanwijzen dat belast is met het onderzoek van zaken die voor de Raad aanhangig worden gemaakt.
Dit onderzoekscollege wordt samengesteld uit minstens twee leden van de Raad, waarvan tenminste één bedoeld in artikel 15, § 1, eerste lid, a), en tenminste één bedoeld in artikel 15, § 1, eerste lid, b). Deze leden nemen met betrekking tot dezelfde zaak op geen enkele wijze deel aan de behandeling van de zaak door de betrokken Raad.
Het onderzoekscollege wordt in elke zaak waarvoor het is aangewezen gehoord.
Indien de Raad het nodig acht, kan hij door het onderzoekscollege nieuwe onderzoeksdaden laten stellen.
§ 3. De leden van het onderzoekscollege en de bemiddelaar mogen hun voornaamste activiteit niet in een zelfde praktijk of gezondheidszorgvoorziening hebben als de betrokken beoefenaar en moeten onafhankelijk en onpartijdig zijn tegenover de betrokken partijen.
§ 4. De in § 1 bedoelde bemiddelaar en alle leden van het in § 2 bedoelde college hebben een plaatsvervanger die behoort tot dezelfde categorie.
In eenzelfde zaak is de functie van bemiddelaar onverenigbaar met het lidmaatschap van het onderzoekscollege.
§ 5. Overeenkomstig door de Koning bepaalde regels wordt een bureau samengesteld dat de werkzaamheden van de Raad regelt.
Art. 17
De Raad die overeenstemt met de lijst waarop de beoefenaar is ingeschreven, is bevoegd.
De voorzitter schrijft de zaak in op de agenda van de Raad, die een bemiddelaar aanwijst, tenzij de Raad van oordeel is dat de zaak onverwijld naar een onderzoekscollege moet worden verwezen of moet worden beoordeeld overeenkomstig artikel 14, § 1.
De bemiddelaar nodigt de klager(s) en de betrokken beoefenaar(s) uit en stelt vervolgens bij proces-verbaal het resultaat van de bemiddeling vast.
Ingeval de bemiddeling niet is geslaagd, verwijst de Raad de zaak naar een onderzoekscollege of beslist hij overeenkomstig artikel 14, § 1.
Het onderzoekscollege hoort de klager(s) en de betrokken beoefenaar(s) en brengt vervolgens verslag uit aan de Raad die beslist overeenkomstig artikel 14, § 1.
De eindbeslissing van de Raad wordt meegedeeld aan de betrokken beoefenaar(s), onverminderd artikel 22.
Hoofdstuk III — De Nationale Raden van de Orden
Art. 18
De Nationale Raad heeft als opdracht :
1º de in artikel 3, § 1, 2º, bedoelde regels van deontologie vast te stellen en ter bekrachtiging voor te leggen. Deze regels moeten tenminste door drie vijfden van de leden waaronder de voorzitter, worden goedgekeurd;
2º een repertorium van de door de in artikel 11 bedoelde raden en de Raad van beroep genomen definitieve tuchtrechtelijke beslissingen bij te houden, evenals de regels betreffende de toegang tot de geanonimiseerde beslissingen vermeld in dit repertorium vast te stellen;
3º aan de in artikel 11 bedoelde raden een model van huishoudelijk reglement voor te stellen en, na aanvaarding door deze raden, de betrokken reglementen goed te keuren;
4º aan de beoefenaars een attest af te leveren waaruit blijkt dat aan de voorwaarden inzake de naleving van de algemene beginselen en de regels van deontologie voor de toegang tot het beroep is voldaan, wanneer deze beoefenaar zijn beroep wenst uit te oefenen in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een derde land, niet-lidstaat. Bij de inschrijving van een buitenlandse beroepsbeoefenaar kan de Nationale Raad op verzoek van een in artikel 11 bedoelde raad bij de betrokken overheid van het land van oorsprong of van herkomst van de kandidaat dezelfde inlichtingen inwinnen als die welke voor een Belgische kandidaat worden gevraagd;
5º aan de betrokken overheden de conclusies mee te delen die hij trekt uit de beoordeling van ernstige en duidelijk omschreven feiten die gevolgen kunnen hebben voor de toegang tot of de uitoefening van het beroep en die ter kennis werden gebracht door een andere lidstaat van de Europese Unie of een derde land, niet-lidstaat, waar zich een Belgische beoefenaar of een beoefenaar afkomstig uit België, gaat vestigen;
6º advies te verlenen omtrent de toepassing of de draagwijdte van de in 1º bedoelde regels, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een in artikel 11 bedoelde raad, hetzij op basis van een ontwerp-advies van deze raad.
De Nationale Raad maakt de vraag om advies over aan de Hoge Raad indien ze betrekking heeft op de grondbeginselen bedoeld in artikel 3, § 1, 1º.
Alvorens enig advies te verlenen, deelt de Nationale Raad het ontwerp van advies mee aan de Hoge Raad. Het advies mag worden verleend voor zover de voorzitter van de Hoge Raad niet binnen de maand na de mededeling ervan aan de voorzitter van de Nationale Raad laat weten dat hij de aangelegenheid aan de Hoge Raad zal voorleggen op grond van de bevoegdheden van dat orgaan.
De Nationale Raad mag eveneens ambtshalve advies vragen aan de Hoge Raad.
7º binnen zes maanden na het verstrijken van elk kalenderjaar een jaarverslag te publiceren, waarin de werkzaamheden van de in artikel 11 bedoelde raden en de Nationale Raad worden omschreven, en alle nodige maatregelen te nemen met het oog op de financiële transparantie van alle organen van de Orde;
8º alle nodige uitvoeringsmaatregelen te nemen om de doelstellingen van de Orde te verwezenlijken;
9º aan de leden van de Orde de regels van deontologie bedoeld in artikel 3, § 1, 2º, die op hen van toepassing zijn, bekend te maken.
Het jaarverslag bedoeld in het eerste lid, 7º, bevat ook de jaarrekeningen en vermeldt onder meer per in artikel 11 bedoelde raad, op globale en anonieme wijze, welk gevolg werd gegeven aan de klachten, zowel door de in artikel 11 bedoelde raden als, in voorkomend geval, door de Raad van beroep.
Het jaarverslag vermeldt eveneens op globale wijze in welke gevallen er werd afgeweken van het beginsel van de openbaarheid van de zitting.
De Koning kan modaliteiten en nadere regels bepalen waaraan het jaarverslag, met inbegrip van de jaarrrekeningen, moeten voldoen.
Art. 19
§ 1. De Nationale Raad telt :
a) rechtstreeks verkozen beoefenaars van de betrokken categorie, ten belope van minstens de helft van de in a) tot d) bedoelde leden;
b) één of meer leden van de beroepsgroep die zijn voorgedragen op een dubbele lijst door de beheersorganen van de universiteiten of hogescholen;
c) één of meer leden met een deskundigheid in de ethische problemen op een dubbele lijst voorgedragen door de universiteiten;
d) één of meer leden met ervaring inzake wetgeving betreffende de patiëntenrechten in de hoedanigheid van beoefenaar van een ombudsfunctie bedoeld in de artikelen 11 of 16, § 3, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt;
e) een beroepsmagistraat die zitting houdt in een hof van beroep, een arbeidshof, de Raad van State of het Hof van Cassatie.
De Koning benoemt de effectieve leden bedoeld in het eerste lid, b) tot e), en hun plaatsvervangers voor een termijn van zes jaar.
Artikel 4, §§ 5, 6, 7 en 9, is van overeenkomstige toepassing op de Nationale Raad.
§ 2. De voorzitter en zijn plaatsvervanger worden door de leden verkozen uit respectievelijk de leden bedoeld in § 1, eerste lid, a) en b), en hun plaatsvervangers.
Titel IV — De Raad van eerste aanleg en de Raad van beroep
Hoofdstuk I — De Raad van eerste aanleg
Art. 20
Bij de Hoge Raad wordt een Raad van eerste aanleg opgericht die bestaat uit een Nederlandstalige en een Franstalige kamer.
De Raad van eerste aanleg is bevoegd voor het opleggen van de tuchtrechtelijke sancties bedoeld in artikel 30, § 1, aan categorieën van beoefenaars van gezondheidszorgberoepen bedoeld in artikel 4, § 1, 2º tot 8º, waarvoor geen Orde is opgericht bij toepassing van deze wet.
De Raad van eerste aanleg wordt samengesteld zoals de in artikel 11 bedoelde raden, met dien verstande dat uitsluitend beoefenaars van de betrokken categorie bedoeld in artikel 4, § 1, 2º tot 8º, zitting houden en een magistraat deze Raad voorzit.
Artikel 15, § 1, laatste lid, is van overeenkomstige toepassing op de Raad van eerste aanleg.
De Koning bepaalt de nadere regels met betrekking tot de samenstelling van de Raad van eerste aanleg.
Artikel 4, §§ 5, 6, 7 en 9, is van overeenkomstige toepassing op de Raad van eerste aanleg.
De Raad van eerste aanleg is uitsluitend bevoegd voor het opleggen van tuchtrechtelijke sancties voorzover de betrokken beoefenaar de deontologie van de betrokken categorie of de grondbeginselen of regels van deontologie bedoeld in artikel 3, § 1, 1º en 3º, overtreedt.
De Koning stelt de lijst van artikelen van deze wet vast die, naast dit artikel, van toepassing zijn op de Raad van eerste aanleg.
Hoofdstuk II — De Raad van beroep
Art. 21
§ 1. Bij de Hoge Raad wordt een Raad van beroep opgericht. De Raad van beroep heeft als opdracht kennis te nemen van en uitspraak te doen in hoger beroep over de beslissingen van de in artikel 11 bedoelde raden en van de Raad van eerste aanleg.
De Raad van beroep is samengesteld uit een Nederlandstalige en een Franstalige kamer.
§ 2. De kamers van de Raad van beroep zijn elk samengesteld uit :
a) vijf rechtstreeks verkozen beoefenaars van elke categorie bedoeld in artikel 4, § 1, 2º tot 8º;
b) twee masters in de rechten waarvan één met ervaring en deskundigheid in het gezondheidsrecht en één met ervaring en deskundigheid in het contractenrecht;
c) drie beroepsmagistraten, raadsheer in een hof van beroep of een arbeidshof.
Van de leden bedoeld in het eerste lid, a), houden slechts de vertegenwoordigers van de betrokken categorie zitting, met uitzondering van de vertegenwoordiger van de provincie of territoriale entiteit of categorie waarvan de betrokkene op de lijst is ingeschreven evenals diens plaatsvervanger.
De Koning benoemt de effectieve leden, met uitzondering van deze bedoeld in het eerste lid, a), en hun plaatsvervangers voor een periode van zes jaar, waarbij Hij de leden bedoeld in het eerste lid, c), en hun plaatsvervangers, benoemt op gezamenlijke voordracht van de ministers die de Volksgezondheid en Justitie in hun bevoegdheid hebben.
De Koning benoemt uit de leden die magistraat zijn de voorzitter en diens plaatsvervanger.
Artikel 4, §§ 5, 6, 7 en 9, is van overeenkomstige toepassing op de Raad van beroep.
De Raad van beroep spreekt zich in eerste en laatste aanleg uit over betwistingen in verband met deverkiezingsverrichtingen met betrekking tot zijn leden bedoeld in het eerste lid, a). In dat geval nemen enkel de leden bedoeld in het eerste lid, b) en c), deel aan de beraadslaging.
§ 3. De Raad van beroep wordt bijgestaan door een tweetalige griffier, master in de rechten, benoemd door de Koning. Zijn mandaat van zes jaar is hernieuwbaar. De Koning kan ook een tweetalige adjunct- griffier benoemen. De Koning stelt de rechtspositie van de griffier en zijn adjunct vast na advies van de Hoge Raad en stelt de voorwaarden tot benoeming en de regels met betrekking tot hun bezoldiging vast. De Koning bepaalt op welke wijze de tweetaligheid van de (adjunct-)griffierwordt bewezen.
§ 4. Het bureau, dat wordt voorgezeten door de voorzitter of de ondervoorzitter van de Raad van beroep, en dat is samengesteld overeenkomstig door de Koning bepaalde regels, organiseert de werkzaamheden van de Raad van beroep.
§ 5. Tegen eindbeslissingen van de in artikel 11 bedoelde raden en van de Raad van eerste aanleg kan hoger beroep worden ingesteld door de betrokken beoefenaar binnen een door de Koning bepaalde termijn.
De voorzitter van de bedoelde afdeling van de Nationale Raad van de betrokken Orde, evenals de voorzitter van de Hoge Raad kunnen eveneens hoger beroep instellen tegen de eindbeslissingen van de in artikel 11 bedoelde raden en van de Raad van eerste aanleg.
Ingeval een eindbeslissing het gevolg is van een klacht, kan de klager zijn opmerkingen mededelen aan de in het tweede lid bedoelde voorzitters.
Hoger beroep tegen voorbereidende beslissingen of onderzoeksbeslissingen, kan uitsluitend ingesteld worden samen met het hoger beroep tegen de eindbeslissing. Het hoger beroep schorst de tenuitvoerlegging.
§ 6. De Raad van beroep neemt kennis van de zaak en belast een verslaggever-magistraat met het onderzoek. Hij wordt bijgestaan door een beoefenaar, lid van de Raad van beroep. De verslaggever brengt verslag uit aan de Raad van beroep. Op diens verzoek vervult hij alle bijkomende onderzoeksdaden. De verslaggever kan een lid van de in artikel 11 bedoelde raad of van de Raad van eerste aanleg horen dat belast was met de zaak, evenals de partijen.
Alvorens over de zaak te beraadslagen kan de Raad van beroep een lid van de in artikel 11 bedoelde raad of van de Raad van eerste aanleg dat belast was met de zaak en de partijen horen.
De verslaggever-magistraat en de beoefenaar die hem heeft bijgestaan nemen geen deel aan de beraadslaging en de beslissing in de zaak.
Alleen met een twee derde meerderheid kan de Raad van beroep een sanctie opleggen indien er in eerste aanleg geen werd opgelegd of een in eerste aanleg opgelegde sanctie verzwaren.
De beslissingen van de Raad van beroep worden aan de betrokken beoefenaars medegedeeld, onverminderd artikel 22.
§ 7. De Koning stelt de lijst van artikelen van deze wet vast die, naast dit artikel, van toepassing zijn op de Raad van beroep.
Titel V — Gemeenschappelijke bepalingen voor de in artikel 11 bedoelde Raden van de Orde en voor de Raad van eerste aanleg en de Raad van beroep
Art. 22
§ 1. De betrokken beoefenaar van een gezondheidszorg beroep mag zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.
De zittingen van de in artikel 11 bedoelde raden, de Raad van eerste aanleg en de Raad van beroep zijn openbaar, tenzij de betrokken beoefenaar zich hiertegen uitdrukkelijk verzet of wanneer de organen afzien van de openbaarheid in het belang van de openbare orde, de goede zeden, de belangen van minderjarigen, of indien de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene of van derden het vereist of wanneer de openbaarheid de belangen van de rechtsbedeling zou schaden.
De beslissingen van de in artikel 11 bedoelde raden, de Raad van eerste aanleg en de Raad van beroep ingevolge een klacht, worden aan de klagende partij medegedeeld, voor zover deze de patiënt is of een persoon die zijn rechten uitoefent bij toepassing van de artikelen 12, 13 of 14 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.
Noch de in het vorige lid bedoelde beslissingen, noch de verslagen van de verklaringen van de betrokken beoefenaar voor het onderzoekscollege, de in artikel 11 bedoelde raden, de Raad van eerste aanleg en de Raad van beroep, mogen worden aangewend in een geschil voor de hoven en de rechtbanken, bedoeld in het Gerechtelijk Wetboek of het Wetboek van strafvordering.
§ 2. De eindbeslissingen van de in artikel 11 bedoelde raden worden meegedeeld aan de voorzitter van de bedoelde afdeling van de betrokken Nationale Raad van de Orde en aan de voorzitter van de Hoge Raad, overeenkomstig de door de Koning bepaalde regels en binnen de door Hem bepaalde termijn.
De eindbeslissingen van de Raad van eerste aanleg en de Raad van beroep worden meegedeeld aan de voorzitter van de Hoge Raad overeenkomstig de door de Koning bepaalde regels en binnen de door Hem bepaalde termijn.
Art. 23
Ingeval een eindbeslissing van de in artikel 11 bedoelde raden, de Raad van eerste aanleg en de Raad van beroep bij verstek wordt genomen, kan door de betrokken beoefenaar verzet worden gedaan.
Wanneer de eiser in verzet een tweede maal verstek laat gaan, is een nieuw verzet niet meer ontvankelijk.
Art. 24
§ 1. De Koning kan nadere regels bepalen met betrekking tot de procedures voor de in artikel 11 bedoelde raden, de Raad van eerste aanleg en de Raad van beroep.
De bij toepassing van het eerste lid vast te stellen regels betreffen onder meer de termijnen, de tegensprekelijke aard van de rechtspleging, de rogatoire commissie, het uitoefenen van het recht van wraking met inbegrip van de rechtsmiddelen tegen terzake genomen beslissingen, het geheim van de beraadslagingen, de motivering en de kennisgeving van de beslissingen.
Hij bepaalt de regels met betrekking tot de tenuitvoerlegging en kennisgeving aan de bevoegde overheden van definitief geworden tuchtrechtelijke sancties.
Hij bepaalt de regels met betrekking tot de samenstelling en de werking van het secretariaat van de indeze titel bedoelde organen.
§ 2. Ingeval de voorzitter of een lid van een in deze titel bedoelde raad op een door de Koning bepaald aantal vergaderingen niet aanwezig, noch vertegenwoordigd is door zijn plaatsvervanger, wordt zijn mandaat van rechtswege beëindigd.
De Koning kan nadere regels bepalen met betrekking tot de toepassing van het eerste lid.
De ontslagnemende leden blijven in dienst tot het ogenblik waarop in hun vervanging is voorzien.
§ 3. De beslissingen van de diverse organen zijn uitvoerbaar na het verstrijken van de termijnen voor het instellen van verzet of na het verstrijken van de termijn voor hoger beroep ingeval de beslissing is genomen door een in artikel 11 bedoelde raad of de Raad van eerste aanleg.
§ 4. De voorzitter en de leden van de in deze titel bedoelde organen, kunnen worden gewraakt op basis van de in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde redenen.
Art. 25
Tuchtrechtelijke vervolging kan niet meer worden ingesteld na het verstrijken van een termijn van twee jaar na de dag waarop de Orde of de Raad van eerste aanleg kennis genomen heeft van de feiten.
De tuchtrechtelijke vervolging bedoeld in het eerste lid, neemt een aanvang op het ogenblik waarop de voorzitter van een in artikel 11 bedoelde raad of van de Raad van eerste aanleg de zaak voor het eerst op de agenda van de Raad plaatst, zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid.
In geval van strafvordering voor dezelfde feiten, gaat de termijn bedoeld in het eerste lid in op de dag waarop de gerechtelijke overheid de bevoegde raad waarvan de beoefenaar afhangt op de hoogte brengt van het feit dat een eindbeslissing tot stand is gekomen of dat de strafvordering niet wordt voortgezet.
Art. 26
§ 1. In laatste aanleg genomen beslissingen kunnen door de betrokken beoefenaar van een gezondheidszorgberoep, door de minister, door de voorzitter van de Hoge Raad of door de voorzitters van de afdelingen van de betrokken Nationale Raad voor het Hof van Cassatie worden gebracht wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen.
Voorziening tegen voorbereidende beslissingen of onderzoeksbeslissingen kan alleen geschieden met voorzieningen tegen de eindbeslissing.
De voorziening schorst de tenuitvoerlegging.
Na cassatie wordt de zaak verwezen naar dezelfde raad, anders samengesteld. Deze raad dient zich te schikken naar het betrokken arrest van het Hof van Cassatie.
De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie kan zich in cassatie voorzien in het belang van de wet.
§ 2. Voor de procedure in cassatie gelden, zowel wat de pleegvormen als wat de termijnen betreft, dezelfde regels als in burgerlijke zaken, behalve volgende afwijkingen :
1º de voorzieningstermijn bedraagt een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing;
2º de voorziening in cassatie wordt ingesteld bij aangetekend schrijven bij de voorzitter van de betrokken raad. De voorziening wordt op dezelfde wijze en binnen een termijn van vijftien dagen door de partij die de voorziening instelt, ter kennis gebracht van, naargelang het geval, de minister, de voorzitter van de bevoegde afdeling van de betrokken Nationale Raad en de betrokken beoefenaar;
3º van de arresten gewezen door het Hof van Cassatie, wordt door de griffier van het Hof bij gerechtsbrief kennis gegeven aan de partijen en aan de voorzitter van de betrokken raad.
Titel VI — Overige bepalingen
Art. 27
Elkeen mag slechts in één enkel orgaan bedoeld in deze wet zetelen, hetzij als voorzitter, hetzij als lid of als plaatsvervanger.
Art. 28
De totale duurtijd gedurende dewelke een persoon een mandaat mag bekleden in de organen bedoeld in deze wet bedraagt maximaal 18 jaar. Alle beoefenaars van een gezondheidszorgberoep bedoeld in artikel 4, § 1, 2º tot 8º, die in België regelmatig hun praktijk uitoefenen en die de nationaliteit hebben van een lidstaat van de Europese Unie, kunnen zich kandidaat stellen voor zowel de verkiesbare mandaten als de benoembare mandaten in de organen bedoeld in deze wet.
De schrapping van de lijst van de Orde of een vervallenverklaring bedoeld in artikel 30 impliceert van rechtswege het einde van ieder mandaat in de organen bedoeld in deze wet.
Gedurende de periode waarin zijn recht om het beroep uit te oefenen geschorst is overeenkomstig artikel 30, mag de houder van een mandaat in een orgaan bedoeld in deze wet dit niet uitoefenen.
De Koning bepaalt de procedure voor de verkiezing van de effectieve en plaatsvervangende leden van de diverse organen.
Art. 29
De leden van de in deze wet bedoelde organen zijn gebonden door het beroepsgeheim in alle zaken waarvan zij kennis hebben gekregen bij of ter gelegenheid van de uitoefening van hun ambt.
Hetzelfde geldt voor alle personen die, in welke hoedanigheid ook, deelnemen aan de werking van deze organen of een Orde.
De schending van dit geheim wordt bestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
Titel VII — Sancties
Art. 30
§ 1. De in artikel 11 bedoelde Raden en de Raad van eerste aanleg, beide in eerste aanleg, en de Raad van beroep, in tweede aanleg, kunnen aan de beoefenaars van een gezondheidszorgberoep bedoeld in artikel 4, § 1, 2º tot 8º, de volgende sancties opleggen :
1º de waarschuwing;
2º de berisping;
3º de schorsing van het recht het beroep uit te oefenen gedurende maximaal twee jaar;
4º de vervallenverklaring van het recht het beroep uit te oefenen met, ingeval de beoefenaar is ingeschreven op een lijst van de Orde, schrapping van de lijst van de Orde.
De bevoegde raden kunnen bij het opleggen van een sanctie bedoeld in het eerste lid, 3º, het uitstel voor een deel of het geheel van de genomen sanctie toepassen, met een maximum van twee jaar.
§ 2. Voor de sancties bedoeld in § 1, eerste lid, 1º, 2º en 3º, kunnen de bevoegde raden voorzien in het opleggen van een alternatieve of een bijkomende sanctie, voor zover deze het maatschappelijk nut dient en in verband staat met het door de gesanctioneerde veroorzaakte leed.
Deze sanctie bedraagt ten minste 20 uren en ten hoogste 120 uren onbezoldigd gemeenschapswerk in een rust- of verzorgingstehuis, een psychiatrische instelling of een instelling voor jongeren met drugsproblemen.
§ 3. Voor de sancties bedoeld in § 1, eerste lid, 2º en 3º, kunnen de bevoegde raden voorzien in het opleggen van een bijkomende geldboete van 250 euro tot 5 000 euro.
De Koning bepaalt de regels van betaling en inning van de geldboetes. De geldboete wordt geïnd ten voordele van de Schatkist.
§ 4. Wanneer de beoefenaar binnen de uitoefening van zijn beroep feiten heeft gepleegd of fouten heeft begaan die van die aard zijn dat zijn verder optreden een risico betekent en deze feiten tenminste een schorsing rechtvaardigen, kan de in artikel 11 bedoelde raad, de Raad van eerste aanleg of de Raad van beroep voorlopige maatregelen nemen, met name het uitspreken van een onmiddellijke, voorlopige bij voorraad uitvoerbare schorsing en dit overeenkomstig de regels die door de Koning worden bepaald.
Art. 31
§ 1. Tuchtstraffen, minder zwaar dan een schorsing van het recht om het beroep uit te oefenen, worden uitgewist drie jaar na de tenuitvoerlegging van de laatste sanctie, op voorwaarde dat aan de betrokkene intussen geen nieuwe sanctie werd opgelegd.
§ 2. De beoefenaar die één of meer tuchtstraffen heeft opgelopen die niet uitgewist kunnen worden bij toepassing van § 1, kan bij de Raad van beroep een aanvraag tot herstel in eer en rechten indienen.
Deze aanvraag is ontvankelijk op voorwaarde dat :
1º een termijn van drie jaar is verlopen sedert de tenuitvoerlegging van de laatste sanctie. Indien de sanctie werd opgelegd voor een feit dat aanleiding heeft gegeven tot een strafrechtelijke veroordeling, kan het herstel in eer en rechten pas verleend worden indien er ook herstel in eer en rechten verleend werd voor de strafrechtelijke veroordeling;
2º de betrokkene niet reeds sinds ten minste tien jaar herstel in eer en rechten heeft genoten. Wanneer een aanvraag tot herstel in eer en rechten wordt ingediend, na de verwerping van de vorige aanvraag, is de nieuwe aanvraag slechts ontvankelijk na het verstrijken van een termijn van twee jaar volgend op de verwerping.
§ 3. De toepassing van §§ 1 en 2 doet voor de toekomst alle gevolgen van de sanctie ophouden.
§ 4. De Koning bepaalt aan welke instanties de eindbeslissingen van de in deze wet bedoelde raden moeten worden meegedeeld met het oog op de uitvoering.
Art. 32
De schrapping of de vervallenverklaring bedoeld in artikel 30 kan na een termijn van drie jaar worden opgeheven en desgevallend kan de herinschrijving op de lijst van de Orde worden toegestaan nadat de Raad van beroep, na de betrokken beoefenaar te hebben gehoord, een gunstige beslissing in die zin neemt.
Art. 33
De straffen bedoeld in artikel 38, § 1, 1º, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, zijn van toepassing op de beoefenaar die tijdens de duur van de schorsing of na de vervallenverklaring het beroep nog uitoefent.
Artikel 38, § 1, 1º, eerste lid, van hetzelfde besluit is van toepassing op de personen die gewoonlijk handelingen stellen die behoren tot de uitoefening van een gezondheidszorgberoep waarvoor in uitvoering van deze wet een Orde is ingesteld en zonder ingeschreven te zijn op een lijst van deze Orde.
Titel VIII — Wijziging van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 34
In artikel 614 van het Gerechtelijk Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 4 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º het 2º wordt vervangen als volgt :
« 2º tegen beslissingen van de Provinciale Raden, de Territoriale Raden, de Gelijkgestelde Raden, de Raad van eerste aanleg of de Raad van beroep, overeenkomstig artikel 26 van de wet van ... tot oprichting van een Hoge Raad voor Deontologie van de gezondheidszorgberoepen en tot vaststelling van de algemene beginselen voor de oprichting en de werking van de Orden van de gezondheidszorgberoepen; »
2º het 3º wordt opgeheven.
Titel IX — Slotbepalingen
Art. 35
Deze wet wordt de « Deontologiewet gezondheidszorgberoepen » genoemd.
Art. 36
Met uitzondering van dit artikel, bepaalt de Koning de datum van inwerkingtreding van deze wet, voor elk van de categorieën van beroepsbeoefenaars bedoeld in artikel 4, § 1, 2º tot 8º.
14 juni 2012.
| Marleen TEMMERMAN. | |
| Bert ANCIAUX. |