5-1805/1 | 5-1805/1 |
11 OKTOBER 2012
De Orde der apothekers, opgericht bij de wet van 19 mei 1949, werd hervormd bij het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967.
Sedert meer dan dertig jaar staan de orden onder druk, vooral de Orde van geneesheren. Zowel vanuit het korps zelf als in de publieke opinie werd heel wat kritiek geuit en werd aangedrongen op een hervorming. Daarop werden verschillende wetsvoorstellen ingediend waarvan de meest verregaande de Orde willen afschaffen en vervangen door een raad inzake deontologie. Andere willen aanpassingen doorvoeren aan de structuren en procedures van de Orde.
De indieners van dit voorstel zijn van oordeel dat een Orde van apothekers nog steeds een functie kan vervullen, niettegenstaande een grondige hervorming met het oog op een verregaande democratisering en transparantie absoluut noodzakelijk is.
Onderhavig wetsvoorstel vormt één geheel met het wetsvoorstel tot oprichting van een Hoge Raad voor deontologie van de gezondheidsberoepen en tot vaststelling van de algemene beginselen voor de oprichting en de werking van de Orden van gezondheidsberoepen (stuk Senaat nr. 5-1803), én met het wetsvoorstel tot oprichting van een Nederlandstalige Orde van artsen en een Franstalige en Duitstalige Orde van artsen (stuk Senaat nr. 5-1804).
De krachtlijnen van de voorgestelde, globale hervorming worden omschreven in de toelichting bij het wetsvoorstel tot oprichting van een Hoge Raad voor deontologie van de gezondheidberoepen en tot vaststelling van de algemene beginselen voor de oprichting en werking van de Orden van de gezondheidsberoepen (stuk Senaat nr. 5-1803).
Dit wetsvoorstel voorziet in een aanvulling met een aantal bepalingen die specifiek zijn voor de Orde van apothekers. De verschillende wetsvoorstellen dienen dus samen te worden gelezen.
Hoofdstuk II — Oprichting, inrichting en bevoegdheden
Artikel 2 bepaalt dat twee Orden van apothekers worden opgericht, met name een Nederlandstalige enerzijds en een Franstalige en Duitstalige anderzijds.
Artikel 3 omschrijft de organen van de Orden, met name de Nationale Raad en vijf provinciale raden.
Artikel 4 voorziet de oprichting van de provinciale raden.
Artikel 5 voorziet het principe dat elke persoon die in België een activiteit uitoefent waarvoor het diploma van apotheker vereist is en die tegelijkertijd verband houdt met het afleveren van geneesmiddelen in een voor het publiek toegankelijke apotheek, zich moet inschrijven op een provinciale lijst van één van de Orden van apothekers.
De regeling volgens dewelke apothekers zich moeten of mogen inschrijven op een lijst van de Nederlandstalige, dan wel de Franstalige en Duitstalige Orde, zal worden bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit dat zal worden bekrachtigd bij wet.
Artikel 6 betreft de provinciale raden.
In het tweede lid wordt de bemiddelingsopdracht van de raad gepreciseerd, waarbij wordt bepaald dat deze bij conflicten of betwistingen tussen apothekers onderling, tussen apothekers en eigenaars-niet-apothekers, tussen apothekers en patiënten of tussen apothekers en bedrijven of andere derden, natuurlijke of rechtspersonen, bemiddelt tussen de partijen. In tegenstelling tot vroeger is de eerste benadering uitdrukkelijk een bemiddelende positie in plaats van een tuchtrechtelijke.
Artikel 7 legt het aantal leden van de raden vast, namelijk zeven apothekers en twee juristen.
Artikel 8 bepaalt de samenstelling van de Nationale Raad van beide Orden, die bestaat uit zeven verkozen apothekers, vier apothekers-hoogleraren, een lid met deskundigheid in ethische problemen, een lid met ervaring in patiëntenrechten en een beroepsmagistraat van het hof van beroep, het Arbeidshof, de Raad van State of het Hof van Cassatie. Er wordt ook een directeur-apotheker voorzien die de Nationale Raad bijstaat in het dagelijks bestuur.
Artikel 9 bevat specifieke bepalingen inzake de deontologische regels die van toepassing zijn op apothekers. Deze betreffen de relaties tussen de apothekers onderling en tussen de apothekers en derden inzake de beroepsuitoefening, evenals het niet-handelskarakter van het beroep.
Artikel 10 voorziet een informatieverplichting in hoofde van de Nationale Raad, en dit met betrekking tot de werking van de commissie Parafarmacie, bedoeld in het volgende artikel
Hoofdstuk III — De commissie Parafarmacie
Artikel 11 regelt de instelling van de commissie Parafarmacie en bepaalt de samenstelling ervan. Deze commissie bestaat uit drie leden aangewezen door de Nationale Raad, twee leden aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van apothekers, alsook een vertegenwoordiger van de FOD Volksgezondheid en een vertegenwoordiger van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten.
Hoofdstuk IV — Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en inwerkingtredingsbepalingen
Artikel 12 heft het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de Orde der apothekers op.
Artikel 13 bepaalt de inwerkingtreding en de overdracht van bevoegdheden en de overgangsregels.
| Marleen TEMMERMAN. | |
| Bert ANCIAUX. |
Hoofdstuk I — Algemene bepaling
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, met uitzondering van het artikel 13, laatste lid,dat een aangelegenheid regelt als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Hoofdstuk II — Oprichting, inrichting en bevoegdheden
Afdeling I — Algemene bepalingen
Art. 2
Er wordt een Nederlandstalige Orde van apothekers en een Franstalige en Duitstalige Orde van apothekers opgericht, hierna « een Orde » genoemd. Een Orde wordt opgericht en ingericht overeenkomstig artikel 8 van de Deontologiewet gezondheidszorgberoepen.
Een Orde oefent ten opzichte van de apothekers de opdrachten en bevoegdheden uit als bepaald in Titel III van de Deontologiewet gezondheidszorgberoepen.
Art. 3
De organen van een Orde zijn :
1º de Nationale Raad;
2º vijf provinciale raden;
Afdeling II — De provinciale raden
Art. 4
In iedere provincie wordt een provinciale raad opgericht.
Art. 5
§ 1. Iedere persoon die in België een activiteit uitoefent waarvoor het diploma van apotheker vereist is en die tegerlijkertijd verband houdt met het afleveren van geneesmiddelen in een voor het publiek toegankelijke apotheek, schrijft zich in op een provinciale lijst van een Orde. De apotheker die in overheidsdienst werkt, is hiertoe alleen verplicht wanneer hij zijn beroep ook daarbuiten uitoefent.
§ 2. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de regels en voorwaarden krachtens welke een apotheker hetzij door de Nederlandstalige Orde, hetzij door de Franstalige en Duitstalige Orde wordt ingeschreven op een provinciale lijst van de bedoelde Orde. Hij kan hiertoe onder meer specifieke regels bepalen voor titularissen en de plaatsvervangende of tweede apothekers van een apotheek toegankelijk voor het publiek en voor houders van een wettelijk diploma van apotheker die geen titularis zijn van een apotheek en die in België een activiteit uitoefenen, maar hun woonplaats buiten België hebben.
Het in het vorige lid bepaalde besluit wordt vóór zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad aan de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden. Dit besluit mag niet in werking treden alvorens het bij wet wordt bekrachtigd, en dit uiterlijk binnen een termijn van zes maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Art. 6
De provinciale raden oefenen de opdrachten en bevoegdheden uit bepaald in titel III, hoofdstuk II, van de Deontologiewet gezondheidszorgberoepen.
Wat de bemiddelingsopdracht betreft bedoeld in artikel 13, tweede lid, b), van die wet, bemiddelen deze raden tussen apothekers onderling, tussen apothekers en officina-eigenaars die geen apotheker zijn, tussen apothekers en patiënten en tussen apothekers en bedrijven en andere derden.
Art. 7
De provinciale raad is samengesteld uit negen leden, meer bepaald :
— zeven rechtstreeks verkozen apothekers;
— twee leden die jurist zijn.
Afdeling III — De Nationale Raad
Art. 8
§ 1. Onverminderd de bepalingen in artikel 19, §§ 2 en 3 van de Deontologiewet gezondheidszorgberoepen is de Nationale Raad van elk van beide Orden samengesteld uit dertien leden, meer bepaald :
a) zeven rechtstreeks verkozen apothekers die ingeschreven zijn op een provinciale lijst van een Orde;
b) vier apothekers-hoogleraren verbonden aan een faculteit farmaceutische wetenschappen, benoemd uit een dubbeltal voorgedragen door de beheersorganen van de universiteiten;
c) een lid met een deskundigheid in de ethische problemen, benoemd uit een dubbeltal voorgedragen door de universiteiten;
d) een lid met een ervaring inzake wetgeving betreffende patiëntenrechten in de hoedanigheid van beoefenaar van een ombudsfunctie bedoeld in de artikelen 11 en 16, § 3, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt;
e) een beroepsmagistraat die zitting heeft in een hof van beroep, een Arbeidshof, de Raad van State of het Hof van Cassatie.
§ 2. Een directeur-apotheker staat de Nationale Raad bij in het dagelijks bestuur van elke Orde. Zij worden benoemd door de Nationale Raad. Zij nemen deel aan de vergaderingen met raadgevende stem. Hun bezoldiging wordt vastgesteld door en komt ten laste van de Nationale Raad.
Art. 9
Onverminderd artikel 3, § 4, van de Deontologiewet gezondheidszorgberoepen regelen de deontologische regels de relatie tussen de apotheker en de artsen, de beoefenaars van de tandheelkunde, de titularissen van de paramedische beroepen, de verzorgingsinstellingen, de verzekeringsinstellingen, de overheid, de eigenaars van apotheken die geen apotheker zijn en de farmaceutische industrie, met inbegrip van het doorgeven van informatie en bescheiden.
Ze bevatten eveneens bepalingen die ertoe strekken het niet-handelskarakter van het beroep van officinaapotheker te vrijwaren. Zo daartoe redenen zijn, kan de code de bedingen aanwijzen die, wegens hun onverenigbaarheid met de beginselen van de code en inzonderheid met het niet-handelskarakter van het beroep, verboden zijn in overeenkomsten die apothekers sluiten betreffende de uitoefening van hun beroep.
Art. 10
Onverminderd artikel 18 van de Deontologiewet gezondheidszorgberoepen heeft de Nationale Raad als opdracht om informatie te verstrekken over de werking en de beslissingen van de commissie Parafarmacie. De Nationale Raad informeert de officina-apothekers over de criteria bedoeld in artikel 13, § 1, eerste lid, en publiceert elk advies dat hij over de toepassing ervan in concrete gevallen geeft.
Hoofdstuk III — De commissie Parafarmacie
Art. 11
§ 1. Er wordt binnen een Orde een commissie Parafarmacie ingesteld die de Nationale Raad adviseert over de criteria waaraan niet-geneesmiddelen moeten voldoen om in de officina-apotheek te worden verkocht.
De commissie Parafarmacie is samengesteld uit twaalf leden, meer bepaald :
1º drie leden aangewezen door de Nationale Raad;
2º twee leden aangewezen door de representatieve farmaceutische beroepsorganisaties;
3º een vertegenwoordiger van de federale overheidsdienst Volksgezondheid;
4º een vertegenwoordiger van het Federaal Agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten.
§ 2. De Koning bepaalt, na advies van de Nationale Raad, de nadere regels betreffende de werking van de commissie.
Hoofdstuk IV — Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en inwerkingtredingsbepalingen
Art. 12
Het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de Orde der apothekers wordt opgeheven.
De Koning vervangt in de bestaande wetgeving en reglementering de verwijzingen naar het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de Orde van apothekers of naar bepalingen ervan door een verwijzing naar deze wet of naar bepalingen ervan.
Art. 13
De Koning bepaalt voor elk van de bepalingen van deze wet, met uitzondering van dit artikel, de datum van inwerkingtreding.
De Koning neemt de nodige maatregelen om de toepassing van artikel 5, § 1, te verzekeren.
De Koning bepaalt de wijze waarop de bevoegdheden van de bij het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 ingestelde provinciale raden, raden van beroep en nationale raad worden overgedragen aan de provinciale raden, de raden voor apothekers buiten de officina, de raden van beroep, de Nationale Raad en de Hoge Raad die bij deze wet en de Deontologiewet gezondheidszorgberoepen worden ingesteld.
Hij bepaalt eveneens de datum waarop deze overdracht geschiedt.
Tot op deze datum en bij wijze van overgangsmaatregel blijven de bij het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 ingestelde raden hun volledige bevoegdheden uitoefenen, overeenkomstig het genoemde besluit en zijn uitvoeringsbesluiten. De Koning kan hen echter opdracht geven te handelen overeenkomstig deze wet en inzonderheid belasten met het vervullen van bepaalde taken waarin deze wet voorziet.
De zaken die in eerste aanleg aanhangig werden gemaakt vóór de datum van de overdracht van de bevoegdheden, bepaald in het derde lid, worden afgehandeld overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de Orde der apothekers. Elke hieropvolgende aanleg van eenzelfde zaak na deze datum wordt afgehandeld overeenkomstig deze wet. Alle vóór deze datum gestelde procedure-akten en genomen beslissingen worden echter voor geldig gehouden, indien zij voldoen aan de regeling van het voormelde koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967.
17 juli 2012.
| Marleen TEMMERMAN. | |
| Bert ANCIAUX. |