5-73

5-73

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 12 JULI 2012 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van mevrouw Dalila Douifi aan de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding over «de duurzame oplossingen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen» (nr. 5-649)

Mevrouw Dalila Douifi (sp.a). - De cijfers van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tonen een opvallende stijging van het aantal asielaanvragen door niet-begeleide minderjarige vreemdelingen in de voorbije jaren: 384 in 2006, 711 in 2009,1649 in 2011 en al 595 dit jaar. Het grote aantal asielaanvragen door niet-begeleide minderjarigen uit Afghanistan valt in het bijzonder op. Die groep staat aan de top, met voor 2011 maar liefst 46,2% van de aanvragen. Dit jaar vertegenwoordigen ze al 50,9% van de aanvragen, allemaal in de leeftijdscategorie van 16 tot 17 jaar.

Ons land heeft de verblijfsprocedure voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen aanzienlijk verbeterd. De regering heeft sinds 8 december 2011 voor deze categorie bij wet een bijzondere verblijfsprocedure geregeld. Alleen personen die door de dienst Voogdij geïdentificeerd zijn als niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, kunnen een beroep doen op deze procedure. De belangrijkste doelstelling van deze procedure bestaat erin een duurzame oplossing te vinden voor het verblijf van de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen in ons land. Die oplossing kan verschillende vormen aannemen: ten eerste, gezinshereniging in het land waar de ouders zich legaal bevinden; ten tweede, de terugkeer naar het land van herkomst of een ander land waar de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen legaal kan verblijven, indien een aantal garanties worden ingebouwd; ten slotte, de verblijfsmachtiging in België.

Naar aanleiding van het dossier van de jonge asielzoeker die werd teruggestuurd naar Afghanistan heeft de staatssecretaris verklaard dat ze de categorie asielzoekers in de leeftijd van 16 tot 17 jaar die niet in aanmerking komen voor asiel, sneller wil uitwijzen of vrijwillig laten terugkeren. Ze wil ons land hiervoor laten aansluiten bij het programma ERPUM (European Return Platform for Unaccompanied Minors), waarvan landen als het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen, Zweden en Nederland reeds gebruik maken.

Welke stappen heeft de staatssecretaris gedaan om ons land te laten aansluiten bij het ERPUM-programma? Kadert de deelname van ons land aan dit programma in de doelstelling van het regeerakkoord om de vrijwillige terugkeer te bevorderen en in de bijzondere verblijfsprocedure voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen?

Kan de staatsecretaris informatie geven over het onderzoek naar mensensmokkel van niet-begeleide minderjarige asielzoekers uit Afghanistan die dan in ons land asiel aanvragen? Uit mijn ervaring met onthaalklassen voor anderstalige nieuwkomers weet ik immers dat net deze jongeren de eerste slachtoffers zijn van mensensmokkel.

Mevrouw Maggie De Block, staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding. - Het is noodzakelijk nogmaals te verduidelijken dat de terugkeer waarover ik onlangs heb gesproken in het kader van het ERPUM-programma, wel degelijk de vrijwillige terugkeer betreft. Het gaat immers over niet-begeleide minderjarigen.

Het ERPUM-programma maakt deel uit van een Europees project van vrijwillige terugkeer dat gepaard gaat met een re-integratieplan, waarin onder meer scholing en hulp aan de ouders om een economische activiteit op te starten zijn opgenomen. Het is gericht op niet-begeleide minderjarige vreemdelingen die geen politiek asiel noch subsidiaire bescherming kregen. Het programma ontwikkelt een gemeenschappelijke methode voor family tracing met lokale autoriteiten, internationale en lokale organisaties.

Zweden heeft samen met het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Noorwegen het initiatief genomen om dit platform, gesubsidieerd door het Europees Terugkeerfonds, op te richten na de aanvaarding door de Europese Commissie van het actieplan voor de niet-begeleide minderjarigen. Dit actieplan gaat uit van het belang van het kind en moet steeds de basis vormen voor alle te nemen maatregelen. Indien de terugkeer de beste oplossing lijkt te zijn, dan dient alles in het werk te worden gesteld om de familie van de minderjarigen te lokaliseren, teneinde er zeker van te zijn dat de terugkeer een familiehereniging toelaat.

In juni heb ik van een bilaterale ontmoeting met mijn Zweedse collega, Tobias Billström, gebruik gemaakt om met hem een uitvoerige en interessante gedachtewisseling te hebben over dit project. Ik zou het project zeker als een te onderzoeken mogelijkheid willen aanhouden, ook voor België. In het zomerreces zal ik dan ook met hem over de concrete uitwerking van dit programma spreken.

Het behoort niet tot mijn bevoegdheid verklaringen af te leggen over lopende onderzoeken van mensenhandel en mensensmokkel. Die onderzoeken maken deel uit van het actieplan dat door mijn minister Turtelboom en mijzelf aan de Ministerraad werd voorgelegd en onlangs werd goedgekeurd.

België heeft als eerste land een geïntegreerde aanpak inzake deze fenomenen ontwikkeld. In de omzendbrief van 26 september 2008 is de samenwerking tussen de instanties omschreven. Een nieuw actieplan in de strijd tegen mensenhandel en -smokkel wordt geïmplementeerd en verder afgewerkt en zal ongetwijfeld tot betere resultaten leiden. Het is echter nog te vroeg om cijfers over minderjarigen die het slachtoffer zijn van trafikanten bekend te maken; verder onderzoek is onontbeerlijk, omdat de toekomst van die jongeren zwaar wordt gehypothekeerd.

Mevrouw Dalila Douifi (sp.a). - Het belang van de jongeren staat voor ons allen centraal. De huidige procedure van vrijwillige terugkeer van een jongere is zo rigide dat zelfs jongeren die willen terugkeren, daar niet toe in staat zijn. Ze zou dan ook best worden aangepast. Als dat kan via een Europees programma zoals ERPUM, dat ook trajectbegeleiding bevat, is dat uitstekend. Ik kijk dan ook uit reikhalzend uit naar de initiatieven die de minister in dat verband onderzoekt.

We mogen niet blind zijn voor de mensenhandel met jongeren als slachtoffer; we moeten daar openlijk over spreken. Daartegen reageren is in het belang van de jongeren, die in ons land misschien geen toekomst hebben, maar hier zijn terechtgekomen als slachtoffer van smokkel.