5-550/6 | 5-550/6 |
20 JUNI 2012
Nr. 30 VAN DE HEER TORFS
(Subamendement op amendement nr. 23)
Art. 8
In het voorgestelde artikel 727 de volgende wijzigingen aanbrengen :
1º In § 1, 3º, de woorden « 409, § 1 tot 3, 409, § 5 » vervangen door de woorden « 409, §§ 1, 2, 3 en 5 »;
2º In § 2, eerste lid, de woorden « zoals bepaald onder § 1, 1º » vervangen door de woorden « bedoeld in § 1, 1º »;
3º Paragraaf 2, tweede lid, vervangen door wat volgt :
« De onwaardigheid bedoeld in § 1, 2º wordt door de rechtbank uitgesproken op vordering van de procureur des Konings. »;
4º Paragraaf 2, derde lid, vervangen door wat volgt :
« De onwaardigheid bedoeld in § 1, 3º kan worden uitgesproken door de strafrechter die de dader schuldig bevindt aan een van de in § 1, 3º vermelde feiten. De strafrechter kan deze onwaardigheid ook uitspreken ten aanzien van hem die schuldig bevonden is wegens de poging om een dergelijk feit te plegen. ».
Verantwoording
Dit amendement heeft als doel terug te keren naar de oorspronkelijke idee van het globaal amendement nr. 12, dat opgemaakt werd naar aanleiding van de in de werkgroep « erfrecht » bereikte consensus tijdens de besprekingen van het voorliggend wetsvoorstel.
Artikelen 8 en 9 van het amendement nr. 12 wijzigen artikelen 727 en 728 van het Burgerlijk Wetboek. De bedoeling van het amendement was de strekking van het begrip van onwaardigheid om te erven uit te breiden, doch strikt te omlijnen en op één welomschreven uitzondering na de onwaardigheid van een erfgenaam niet meer te kunnen vaststellen na het overlijden van de erflater.
Amendementen nrs. 23 en 24 herschikken de inhoud van de artikelen 8 en 9 uit het amendement nr. 12. Deze technische herschikking kan door de indiener van dit amendement worden bijgetreden, doch niet de inhoudelijke wijzigingen die hebben plaatsgevonden bij deze herschikking.
De onwaardigheid in § 1, 2º werd toegevoegd om de situatie waarbij de dader, mededader of medeplichtige van de feiten die tot de dood van de erflater hebben geleid niet meer kan worden vervolgd door het feit dat hij zelf overleden is (én waarbij de strafvordering nog niet vervallen is door verjaring).
Als klassiek voorbeeld werd het gezinsdrama aangehaald waarbij de dader zijn echtgenote vermoordt om vervolgens zelfmoord te plegen. In de huidige stand van artikel 727 van het Burgerlijk Wetboek kan er geen onwaardigheid meer vastgesteld worden en kunnen in bepaalde gevallen de eigen erfgenamen van de dader grotere erfaanspraken laten gelden dan waar ze recht op zouden hebben ingeval dat de dader onwaardig zou verklaard zijn én dit ten nadele van de overige erfgenamen van het slachtoffer. Maatschappelijk wordt dit als onaanvaardbaar beschouwd en de werkgroep was van oordeel dat deze situatie uitgesloten moet worden.
Door het verval van de strafvordering, is enkel de burgerlijke rechter bevoegd om deze sanctie uit te spreken. Echter, in tegenstelling tot wat in amendement nr. 23 wordt voorgesteld, was de werkgroep van oordeel dat « de redenen om dergelijke zaak voor de rechter te brengen, de individuele belangen van de betrokken erfgenamen overstijgen en het algemeen belang treffen », waardoor het initiatief voor het instellen van deze vordering uitsluitend bij het openbaar ministerie gelegd werd.
Voor de indiener van dit amendement lijkt het belangrijk te wijzen op het persoonlijk en rechtstreeks belang dat sommige erfgenamen of legatarissen er bij kunnen hebben dat een andere erfgenaam wordt uitgesloten en op het behoud van strafrechtelijke waarborgen voor de persoon die postuum onwaardig wordt verklaard. Het openbaar ministerie beschikt over meer onderzoeksmogelijkheden dan de burgerlijke rechtbank om de waarheid van de feiten aan het licht te brengen, rekening houdende met het respecteren van bepaalde procedures waarover de onwaardige zou beschikt hebben, mocht hij nog in leven zijn, en met respect voor de rechten van verdediging.
Zal de burgerlijke rechter bijvoorbeeld in staat zijn om uitspraak te doen over wettige zelfverdediging of over een verschoonbare doodslag ? Hoe kan de burgerlijke rechter oordelen over de toerekeningsvatbaarheid van de dader voor de gepleegde feiten ?
De redenering bij de toelichting van amendement nr. 23, die inhoudt dat het enkel om « louter burgerrechtelijke gevolgen van de vordering » gaat, is niet coherent met de visie dat de sanctie enkel maar kan worden uitgesproken ingeval dat de verantwoordelijkheid van de dader voor de feiten, volgens de criteria die normalerwijze in het strafrecht gehanteerd worden, moet vaststaan.
Voorts past dit amendement het derde lid van de voorgestelde § 2 van artikel 727 van het Burgerlijk Wetboek aan. Uit de libellering van dit lid in amendement nr. 23 zou kunnen worden afgeleid dat de strafrechter verplicht is de onwaardigheid na veroordeling voor één van de in § 1, 3º opgesomde misdrijven uit te spreken. Het was de bedoeling van de werkgroep erfrecht om deze vorm van onwaardigheid een facultatief karakter te geven. Zie hiervoor ook de libellering van het nieuwe artikel 46 van het Strafwetboek (art. 32 van amendement nr. 12).
Voor het overige worden enkele puur technische wijzigingen aangebracht, om de tekst in overeenstemming te brengen met de richtlijnen van de wetgevingstechniek van de Raad van State.
Nr. 31 VAN DE HEER TORFS
(Subamendement op amendement nr. 24)
Art. 9
In het voorgestelde artikel 728 de woorden « vermeld onder lid 3 van de vorige paragraaf » vervangen door de woorden « bedoeld in artikel 727, § 1, 3º ».
Verantwoording
De mogelijkheid om vergiffenis te schenken in artikel 728 van het Burgerlijk Wetboek slaat op de gevallen bedoeld in artikel 727, § 1, 3º, waarbij de strafrechter de mogelijkheid heeft om de onwaardigheid uit te spreken, als bijkomende burgerlijke sanctie bij een veroordeling.
Nr. 32 VAN DE HEER TORFS
(Subamendement op amendement nr. 12)
Art. 24
In littera b), de volgende wijzigingen aanbrengen :
a) in het 2º, de woorden « deze eis kan alleen door de wettelijke erfgenamen worden ingesteld » doen vervallen;
b) in het 3º, de woorden « deze eis kan alleen door de wettelijke erfgenamen worden ingesteld » doen vervallen.
Verantwoording
Beide wijzigingen van het derde lid van artikel 957 van het Burgerlijk Wetboek hebben als doel de mogelijkheid om de herroeping van een schenking wegens ondankbaarheid te vorderen niet te beperken tot de wettelijke erfgenamen.
In het geval dat deze er zijn, krijgen ingevolge dit amendement ook de testamentaire erfgenamen de mogelijkheid om de ondankbaarheid in te roepen als grond van herroeping van de schenking.
| Rik TORFS. |
Nr. 33 VAN DE HEER DELPÉRÉE
(Subamendement op amendement nr. 23)
Art. 8
In het voorgestelde artikel 727 de volgende wijzigingen aanbrengen :
1º in § 1, het woord « zijn » vervangen door het woord « is »;
2º in § 1, 2º, de woorden « als dader, mededader of medeplichtige » alsook de woorden « door zijn overlijden » doen vervallen;
3º in § 2, eerste lid, de woorden « van het schuldig bevinden » vervangen door de woorden « voor de erfgerechtigde van schuldig te zijn bevonden ».
Verantwoording
Dit subamendement wordt gerechtvaardigd door een grammaticale tekstverbetering voor het 1º. Voor het 2º is het wenselijk om de vermeldingen « als dader, mededader of medeplichtige » te schrappen. Door het verval van de strafvordering kan men de persoon die de feiten heeft begaan niet meer kwalificeren. De rechtsvordering heeft enkel betrekking op het burgerlijke niveau.
Het wordt verkieslijk geacht om het verval van de strafvordering niet te beperken tot enkel overlijden, ook verjaring is mogelijk.
De Franse term « reconnaissance de culpabilité » kan voor verwarring zorgen. Hij zou als een « schuldbekentenis » kunnen worden geïnterpreteerd. Het gaat in dit voorstel om het geval waarbij de erfgerechtigde schuldig is bevonden door de bevoegde rechtbank.
Nr. 34 VAN DE HEER DELPÉRÉE
(Subamendement op het globaal amendement nr. 12)
Art. 10
In de Franse tekst van het voorgestelde artikel 729, derde lid, de volgende wijzigingen aanbrengen :
1º de woorden « accroît aux autres » vervangen door de woorden « accroît celle des autres »;
2º de woorden « seul en son degré » vervangen door de woorden « seul à son degré ».
Verantwoording
Het gaat om grammaticale verbeteringen.
Nr. 35 VAN DE HEER DELPÉRÉE
(Subamendement op het globaal amendement nr. 12)
Art. 11
In de Franse tekst van het voorgestelde artikel 730, tweede lid, de woorden « succéder à ses biens » vervangen door de woorden « hériter de ses biens ».
Verantwoording
Het gaat om een grammaticale verbetering.
Nr. 36 VAN DE HEER DELPÉRÉE
(Subamendement op het globaal amendement nr. 12)
Art. 12
In de Franse tekst van het voorgestelde artikel 739, eerste lid, de woorden « appelé en son degré » vervangen door de woorden « appelé à son degré ».
Verantwoording
Het gaat om een grammaticale verbetering.
Nr. 37 VAN DE HEER DELPÉRÉE
(Subamendement op het globaal amendement nr. 12)
Art. 13
Dit artikel vervangen door wat volgt :
« In artikel 740 van hetzelfde Wetboek de volgende wijzigingen aanbrengen :
1º In het eerste lid van de Franse tekst, het woord « représentation » vervangen door het woord « substitution »;
2º het tweede lid doen vervallen. ».
Nr. 38 VAN DE HEER DELPÉRÉE
(Subamendement op het globaal amendement nr. 12)
Art. 16
In de Franse tekst van het voorgestelde artikel 743, eerste lid, tweede zin, de woorden « soient en » vervangen door de woorden « se situent à des ».
Verantwoording
Het gaat om grammaticale wijzigingen in het Frans.
Nr. 39 VAN DE HEER DELPÉRÉE
(Subamendement op het globaal amendement nr. 12)
Art. 18
In de Franse tekst van het voorgestelde artikel 786, de woorden « accroît aux autres » vervangen door de woorden « accroît celle des autres ».
Verantwoording
Het gaat om grammaticale verbeteringen.
Nr. 40 VAN DE HEER DELPÉRÉE
(Subamendement op het globaal amendement nr. 12)
Art. 22
In de Franse tekst van het voorgestelde artikel 848 de volgende wijzigingen aanbrengen :
1º in het eerste lid, de woorden « à lui fait » vervangen door de woorden « qui lui a été consenti »;
2º in het tweede lid, de woorden « à lui fait » vervangen door de woorden « qui lui a été consenti ».
Verantwoording
Het gaat om grammaticale verbeteringen.
Nr. 41 VAN DE HEER DELPÉRÉE
(Subamendement op amendement nr. 23)
Art. 8
In het voorgestelde artikel 727 de volgende wijzigingen aanbrengen :
1º In § 1, het 2º doen vervallen;
2º In § 2, de woorden « van het schuldig bevinden » vervangen door de woorden « voor de erfgerechtigde van schuldig te zijn bevonden »;
3º In § 2, een lid invoegen tussen het tweede lid en het derde lid, luidende :
« De onwaardigheid kan worden uitgesproken zelfs al is de strafvordering vervallen ».
Verantwoording
De Franse woorden « reconnaissance de culpabilité » kunnen voor verwarring zorgen. Ze zouden kunnen worden geïnterpreteerd als een « schuldbekentenis ».
Om verwarring te voorkomen, is het beter dezelfde termen te gebruiken als in § 1, 3º.
Bovendien is het verkieslijk om in § 2 een specifiek lid op te nemen waarin wordt duidelijk gemaakt dat de onwaardigheid kan worden uitgesproken zelfs al is de strafvordering vervallen, bijvoorbeeld door het overlijden van de erfgerechtigde.
| Francis DELPÉRÉE. |
Nr. 42 VAN DE HEER TORFS C.S.
(Subamendement op amendement nr. 30)
Art. 8
In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :
a) in het 3º, de woorden « wordt door de rechtbank » vervangen door de woorden « is een burgerlijke sanctie, die door de rechtbank wordt »;
b) in het 4º, de woorden « is een burgerlijke sanctie, die » invoegen tussen de woorden « bedoeld in § 1, 3º, » en de woorden « kan worden uitgesproken ».
| Rik TORFS. | |
| Martine TAELMAN. | |
| Francis DELPÉRÉE. | |
| Hassan BOUSETTA. | |
| Alain COURTOIS. |
Nr. 43 VAN MEVROUW TAELMAN C.S.
(Subamendement op amendement nr. 23)
Art. 8
Dit artikel vervangen door wat volgt :
« Artikel 727 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij wet van 23 januari 2003, wordt vervangen door wat volgt :
« Art. 727. — § 1 Onwaardig om te erven, en dus van de erfenis uitgesloten is :
1º Hij die als dader, mededader of medeplichtige schuldig is bevonden om op de persoon van de overledene een feit te hebben gepleegd dat zijn dood heeft veroorzaakt, als bedoeld in de artikelen 376, 393 tot 397, 401, 404 en 409 § 4 van het Strafwetboek; zo ook hij die schuldig is bevonden aan de poging om een dergelijk feit te plegen;
2º Hij die onwaardig is verklaard omdat hij een feit bedoeld in het 1º heeft gepleegd, of gepoogd heeft te plegen, maar voor dat feit niet werd veroordeeld omdat de strafvordering door zijn overlijden vervallen is;
3º Hij die onwaardig is verklaard omdat hij als dader, mededader of medeplichtige schuldig is verklaard om op de persoon van de overledene een feit te hebben gepleegd als bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403, 405, 409, §§ 1, 2, 3 en 5 of 422bis van het Strafwetboek.
§ 2. De onwaardigheid bedoeld in § 1, 1º, is een burgerlijke sanctie die uitwerking heeft door het louter feit dat de erfgerechtigde schuldig werd bevonden.
De onwaardigheid bedoeld in § 1, 2º, is een burgerlijke sanctie die door de rechtbank wordt uitgesproken op vordering van de Procureur des Konings.
De onwaardigheid bedoeld in § 1, 3º is een burgerlijke sanctie die kan worden uitgesproken door de strafrechter die de erfgerechtigde schuldig bevindt aan een van de daarin vermelde feiten. De strafrechter kan deze burgerlijke sanctie ook uitspreken ten aanzien van hem die schuldig bevonden is wegens de poging om een dergelijk feit te plegen. ».
Verantwoording
In dit amendement zijn de opmerkingen die tijdens de bespreking binnen de commissie voor justitie van de Senaat zijn gemaakt naar aanleiding van de indiening van de amendementen nr. 23, 30, 33, 41 en 42 verwerkt. Voor de duidelijkheid is het hele artikel 727 herschreven. Bovendien is de overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse versie bewaakt. De verwijzing naar de burgerlijke sanctie is ook in het eerste lid van § 2 opgenomen, zodat er geen twijfel over kan bestaan dat de onwaardigheid in alle hypotheses een burgerlijke sanctie is.
| Martine TAELMAN. | |
| Rik TORFS. | |
| Francis DELPÉRÉE. | |
| Hassan BOUSETTA. | |
| Alain COURTOIS. |