5-1691/1

5-1691/1

Belgische Senaat

ZITTING 2011-2012

4 JULI 2012


Wetsvoorstel tot wijziging van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, met het oog op de schrapping van de verjaringstermijn van één jaar voor voor de onverschuldigde betaling die voortvloeit uit een materiële vergissing

(Ingediend door mevrouw Elke Sleurs c.s.)


TOELICHTING


Artikel 1376 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt als algemene regel dat wie bij vergissing of bewust iets ontvangt wat hem niet toekomt, dat moet teruggeven aan wie het onrechtmatig heeft betaald.

Dit principe werd overgenomen in artikel 120bis van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag van loonarbeiders.

Met toepassing van de verjaringsregels zoals bepaald in de wet van 27 februari 1987 kan de periode die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het onterecht betaalde bedrag één, drie of vijf jaar bedragen :

— in principe bedraagt de termijn drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied;

— de termijn wordt op vijf jaar gebracht wanneer de onverschuldigde sommen werden verkregen door frauduleuze handelingen of het niet naleven van de informatieverplichting door de rechthebbende;

— ten slotte kan de verjaringstermijn verminderd worden tot een jaar wanneer « de onverschuldigde betaling voortvloeit uit een juridische of een materiële vergissing van de kinderbijslaginstelling en de per vergissing gecrediteerde persoon niet wist of kon weten dat hij geen of niet langer recht had op de uitgekeerde bijslag, geheel of gedeeltelijk ».

Het hoeft geen betoog dat deze veelheid aan termijnen de rechtszekerheid van de sociaal verzekerde niet ten goede komt.

Indieners wensen de eenjarige verjaringtermijn ten aanzien van de sociaal verzekerde te schrappen omdat deze termijn niet in overeenstemming is met de letter en de geest van artikel 17 van het Handvest van de sociaal verzekerde (wet van 11 april 1995 tot uitvoering van het handvest van de sociale verzekerde).

Het Handvest van de sociaal verzekerde is in werking getreden op 1 januari 1997. Het handvest bevat een aantal belangrijke principes in verband met de rechten en de plichten van de bevolking (sociaal verzekerden) in hun contacten met de socialezekerheidsinstellingen. Het voornaamste doel van het handvest is de bevolking te beschermen door middel van een geheel van regels waaraan alle socialezekerheidsinstellingen zich moeten houden.

Om de sociaal verzekerde te beschermen, beperkt artikel 17, tweede lid, van het handvest de terugvordering van de betalingen als gevolg van een foute beslissing. Het bepaalt dat bij een vergissing door de sociale zekerheidsinstelling de nieuwe beslissing geen terugwerkende kracht kan hebben als het recht op de tegemoetkoming lager is dan hetgeen werd toegekend. Deze maatregel is voorbehouden aan sociaal verzekerden die te goeder trouw zijn.

Sinds 1997 verbiedt het Handvest van de sociaal verzekerde dus dat onterecht betaalde uitkeringen worden teruggevorderd bij verzekerden die te goeder trouw handelden, als de vergissing bij de uitbetalingsinstelling ligt.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde in een arrest van 20 januari 2010 (1/2010) dat artikel 120bis van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, in zoverre het de kinderbijslaginstellingen toestaat de kinderbijslag gedurende een jaar terug te vorderen die door een aan de instellingen toe te schrijven vergissing ten onrechte aan hun aangeslotenen is uitbetaald.

Indieners van dit voorstel wensen de verjaringstermijn van een jaar zoals bepaald in de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders op te heffen en zo een einde te maken aan de rechtsonzekerheid en de onwettigheid die momenteel heersen.

Elke SLEURS.
Helga STEVENS.
Louis IDE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 120bis van de wetten betreffende de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de de kinderbijslag voor loonarbeiders, ingevoegd bij de wet van 10 november 1967, vervangen bij de wet van 20 juli 2007 en gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998, wordt het laatste lid vervangen als volgt :

« In afwijking van het eerste lid wordt de termijn gebracht op vijf jaar, indien de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen. »

Art. 3

Deze wet treedt in werking op de dag dat ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

31 mei 2012.

Elke SLEURS.
Helga STEVENS.
Louis IDE.