5-1590/2

5-1590/2

Belgische Senaat

ZITTING 2011-2012

12 JUNI 2012


Wetsontwerp houdende instemming met het Aanvullend Akkoord tussen het Koninkrijk België en de Europese Organisatie voor de veiligheid van de luchtvaart bij het Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart « Eurocontrol » van 13 december 1960, inzake de voorrechten en immuniteiten van de Organisatie, en zijn Gemeenschappelijke Verklaring, gedaan te Brussel op 17 juli 2006


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BUITENLANDSE BETREKKINGEN EN VOOR DE LANDSVERDEDIGING UITGEBRACHT DOOR

DE HEER ANCIAUX


De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van 12 juni 2012.

I. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE VERTEGENWOORDIGER VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Eurocontrol (Europese organisatie voor de veiligheid van de luchtvaart) is een internationale gouvernementele organisatie die sinds het begin van de jaren 60 instaat voor de internationale samenwerking (binnen Europa) op het vlak van de veiligheid van de luchtverkeersleiding. De organisatie telt momenteel achtendertig Europese lidstaten, waaronder, van bij de oprichting, België. Krachtens de Eurocontrol-Conventie (de oprichtingsakte van de organisatie) van 13 december 1960, in werking getreden op 1 maart 1963 (en sindsdien herhaaldelijk gewijzigd), is de hoofdzetel gevestigd in Brussel.

Het juridisch statuut van de organisatie, evenals de voorrechten en immuniteiten die haar dienen toegekend te worden, werden opgenomen in de Eurocontrol-Conventie zelf, zodat elke lidstaat waar zich een Eurocontrol-vestiging bevindt, ertoe gehouden is aan de vestiging op zijn grondgebied de in de Conventie opgesomde faciliteiten te verlenen. Deze faciliteiten zijn de gebruikelijke voorrechten en immuniteiten die krachtens het internationaal recht en het gewoonterecht aan internationale gouvernementele organisaties toegekend worden. Het was bijgevolg voor de organisatie indertijd niet nodig bilaterale zetelakkoorden af te sluiten met de gastlanden (waaronder België) van haar verschillende vestigingen en installaties.

In 2004 verzocht de heer Victor M. Aguado, toenmalig directeur-generaal van Eurocontrol, België onderhandelingen te openen met het oog op het sluiten van een zetelakkoord. Het verzoek van Eurocontrol betrof, enerzijds, een verdere precisering van de toepassing van de voorrechten en immuniteiten die reeds in de Conventie van 1960 waren opgenomen en, anderzijds, het gelijkschakelen van de aan Eurocontrol toegekende faciliteiten met deze waarover andere internationale organisaties in België kunnen beschikken.

Wat het eerste aspect betreft — een verdere precisering van de toepassing van de reeds toegekende voorrechten en immuniteiten —, was het niet geheel duidelijk wat Eurocontrol bedoelde. Hierbij dient evenwel te worden opgemerkt dat, van Belgische zijde, de FOD Financiën eveneens vragende partij was voor een verdere precisering van de toepassing van sommige fiscale voorrechten uit de Conventie van 1960.

Wat het tweede onderdeel van het Eurocontrol-verzoek betreft, is het een feit dat sinds de vestiging van Eurocontrol in België het Belgisch zetelbeleid een evolutie heeft doorgemaakt.

In de loop van de voorbije decennia kende België een grote toename van het aantal vestigingen van internationale organisaties (hoofdzetels of vertegenwoordigingen, meestal bij de EU). Aangezien op internationaal vlak nog steeds geen uniformiteit bestaat op het gebied van de toekenning van voorrechten en immuniteiten aan internationale organisaties, heeft België er in dezelfde periode naar gestreefd om tenminste in het eigen zetelbeleid een zo groot mogelijke eenvormigheid — en dus een gelijke behandeling van de organisaties op zijn grondgebied — te bereiken. Steeds uitgaande van de algemene beginselen dat voorrechten en immuniteiten slechts worden toegekend aan internationale gouvernementele organisaties (dit wil zeggen Statenverbindingen, opgericht door een verdrag, en met een internationale rechtspersoonlijkheid) en dat deze voorrechten en immuniteiten functioneel dienen te zijn (zij worden slechts toegekend in de mate dat zij noodzakelijk zijn voor de onafhankelijkheid en de goede werking van de organisatie in kwestie) worden vandaag aan organisaties die zich voor de eerste keer in België vestigen enkele voordelen toegekend die in het verleden niet werden voorzien. Evenzeer worden bepaalde voorrechten niet meer toegestaan die indertijd wel werden toegekend. Deze evolutie is mede het gevolg van een aantal internationale verbintenissen die België sindsdien is aangegaan, met name op het vlak van de Europese regelgeving inzake fiscaliteit en de verdragen inzake sociale zekerheid.

Het verzoek van Eurocontrol bood dus een goede gelegenheid om ook met betrekking tot deze organisatie het beleid van eenvormigheid op het gebied van de toekenning van voorrechten en immuniteiten door te trekken. Er werd dan ook een Aanvullend Akkoord bij de Conventie van 1960 onderhandeld, dat werd ondertekend te Brussel op 17 juli 2006.

De bepalingen betreffende voorrechten en immuniteiten in de Conventie van 1960 blijven onverkort van kracht, tenzij voor zover zij in het Aanvullend akkoord worden gewijzigd. Verder worden in het Aanvullend Akkoord enkel de bijkomende voorrechten opgenomen die vandaag gebruikelijk zijn, maar waarin de Conventie van 1960 niet voorziet. De voornaamste hiervan zijn :

— een diplomatiek statuut voor de directeur-generaal van Eurocontrol (artikel 1);

— de gebruikelijke voorrechten en immuniteiten voor de vertegenwoordigers van de lidstaten wanneer zij deelnemen aan de vergaderingen van de beslissingsorganen van Eurocontrol (artikel 2);

— de gebruikelijke voorrechten en immuniteiten voor de ambtenaren van de organisatie, met inbegrip van de vrijstelling van inkomstenbelasting van het ogenblik dat zij onderworpen zijn aan een interne belasting (artikel 4);

— ‏vrijstelling bij eerste indiensttreding (artikel 5);

— vrijstelling van verplichte arbeidsvergunning voor de ambtenaren van Eurocontrol (artikel 6);

— een arbitrageprocedure (artikel 9).

Tegelijk met het Aanvullend Akkoord werd ook een gemeenschappelijke verklaring ondertekend, waarin wordt verduidelijkt dat, in afwachting van de inwerkingtreding van het Protocol van 27 juni 1997 tot consolidatie van het Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de Veiligheid van de luchtvaart « Eurocontrol » van 13 december 1960, zoals meermalen gewijzigd, de termen « Algemene Vergadering » en « Raad » in de artikelen 2 en 6 van het Aanvullend Akkoord verwijzen naar de huidige beslissingsorganen van Eurocontrol.

II. ALGEMENE BESPREKING

De heer De Bruyn stipt aan dat het statuut van het personeel van Eurocontrol nu tot een volwaardig diplomatiek statuut wordt omgevormd. Liet de Eurocontrol-Conventie ook een andere mogelijkheid toe of was er geen keuze ?

De vertegenwoordiger van de minister van Buitenlandse Zaken antwoordt dat de Eurocontrol-Conventie enkel voorziet in een beperkt aantal voorrechten en immuniteiten voor de directeur-generaal en het personeel van de organisatie. In de artikelen 4, 5 en 6 van het voorliggend Aanvullend Akkoord worden deze verder gepreciseerd en aangevuld om het statuut in België van de Eurocontrol-ambtenaren eenvormig te maken met het statuut van de ambtenaren van andere internationale gouvernementele organisaties. De toekenning van een « diplomatiek statuut » aan de directeur-generaal — op voorstel van België — past eveneens binnen het huidig Belgisch zetelbeleid : België kent enkel aan het hoofd van de vestiging van een internationale organisatie (en eventueel aan een plaatsvervanger) dezelfde voorrechten en immuniteiten toe als deze waarvan de leden van het diplomatiek personeel van de diplomatieke missies genieten.

Verder wijst de heer De Bruyn op het artikel 3 van het wetsontwerp dat voorziet dat dit wetsontwerp in werking treedt op 17 juli 2006. Wat zijn de gevolgen van deze retroactiviteit wanneer het Aanvullend Akkoord zal bekrachtigd zijn ?

De vertegenwoordiger van de minister antwoordt dat in de periode tussen de ondertekening en de ratificatie van het Akkoord, de fiscus voor de directe belastingen op het officieel gebruik een opschorting van inning toepast, die na de ratificatie wordt geregulariseerd met terugwerking tot de datum van ondertekening. De BTW op de aankoop van goederen, waarvoor het Akkoord een vrijstelling toekent, moet worden betaald maar kan na de ratificatie worden teruggevorderd op voorlegging van de aankoopfacturen.

III. STEMMINGEN

De artikelen 1, 2 en 3, alsmede het wetsontwerp in zijn geheel, worden eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.

Vertrouwen wordt geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Bert ANCIAUX. Karl VANLOUWE.

De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp (zie stuk Senaat, nr. 5-1590/1 — 2011/2012).