5-61

5-61

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 31 MEI 2012 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Bert Anciaux aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Duurzame Ontwikkeling over «twee rechtszaken met betrekking tot discriminatie bij het belasten van financiële producten» (nr. 5-565)

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Er is niet alleen de financiële crisis, maar nu loopt België ook nog het risico dat Europa financieel gezien een pad in de korf komt zetten. De Europese Commissie zal de Belgische staat namelijk voor het Europees Hof van Justitie dagen omwille van discriminatie bij het belasten van financiële producten.

België heft geen roerende voorheffing op Belgische beveks, maar doet dat wel voor soortgelijke buitenlandse financiële producten. Frankrijk werd onlangs door het Europees Hof in een soortgelijk dossier veroordeeld tot een boete van vier miljard euro. Toch een aanzienlijk bedrag, dat naar België vertaald volgens de FOD Financiën zou neerkomen op een honderd miljoen euro uit te betalen aan de gedupeerde banken, hoe cynisch dat ook klinkt.

Hoe en wanneer zal die extra uitgave worden verrekend? Wat zullen de gevolgen daarvan zijn? Moet de wet worden aangepast? Kan de minister bevestigen dat België voor het Europees Hof wordt gedaagd en dat er, gelet op het precedent van Frankrijk, veel kans bestaat dat België veroordeeld wordt? Hadden we dat niet kunnen voorkomen?

Ik hoop dat de minister zegt dat die veroordeling nog niet zeker is en dat er nog wat tegen gedaan kan worden. Wat zijn volgens de minister de gevolgen van een veroordeling?

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Financiën en Duurzame Ontwikkeling, belast met Ambtenarenzaken. - Het arrest van het Hof van Justitie heeft betrekking op de wettelijke bepalingen in Frankrijk, waarbij op grond van het Franse recht niet-ingezeten instellingen voor collectieve beleggingen in effecten, in tegenstelling tot ingezeten instellingen, wel onderworpen worden aan een bronbelasting over de aan hen door Franse vennootschappen uitgekeerde dividenden.

Met betrekking tot een gelijkaardige problematiek is op 3 juni 2010 de Europese Commissie overgegaan tot een gemotiveerd advies. Het gaat over een inbreukprocedure, zoals er tegen België op het moment een honderdtal lopen. Het belang van zo'n inbreukprocedure moet overschat noch onderschat worden. Het is wel duidelijk dat sommigen uit de voormelde uitspraak van het Europees Hof in de Franse zaak, argumenten zullen halen om met nog meer overtuiging te zeggen dat de uitspraak van het Hof ook geldt voor de Belgische situatie. Als lid van de uitvoerende macht kan ik een dergelijk standpunt natuurlijk niet onderschrijven: ten aanzien van de procedure die tegen België loopt, blijf ik verdedigen dat de Belgische wetgever een conforme beslissing heeft genomen.

Over de rechtszaak tegen België is nog geen uitspraak gedaan. Dat betekent niet dat, gelet op de uitspraak in de Franse zaak, de mogelijke gevolgen op fiscaal, wetgevend en begrotingsvlak momenteel niet worden onderzocht. We moeten ons uiteraard voorbereiden op de eventualiteit van een voor België negatieve uitspraak.

In de rand van de Europese procedure, hebben immers ook verschillende vennootschappen bezwaar ingediend. Aangezien het daarbij gaat om niet-ingezetenen ten aanzien van België, is in geval van een negatieve uitspraak de berekening van de gevolgen voor de begroting relatief complex.

Men moet immers rekening houden met de toepassing van de dubbelbelastingverdragen. Aangezien het per definitie gaat om vennootschappen die in België niet-ingezeten zijn, vallen ze daardoor hoogstwaarschijnlijk ook onder de toepassing van de dubbelbelastingverdragen: het is dus niet eenvoudig een raming te maken in zo'n situatie.

Er is niettemin een berekening van de budgettaire impact gemaakt, die op ongeveer honderd miljoen euro werd geraamd. Ik heb intussen wel de opdracht gegeven om die berekening te actualiseren. Dat geldt overigens ook voor andere berekeningen. Zo las ik vandaag in Het Laatste Nieuws dat de begroting een tekort vertoont van 780 miljoen, terwijl de administratie me later op de dag meldt dat het over 150 miljoen gaat. Men zal begrijpen dat ik zekerheid wil over de cijfers alvorens er een discussie over aan te gaan in deze assemblee.

De uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak tegen België wordt niet binnenkort verwacht. Indien die uitspraak negatief zou zijn, dan zal daarmee uiteraard rekening worden gehouden bij een volgende begrotingscontrole, op basis van definitieve cijfers.

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Ik dank u voor uw antwoord. Ik begrijp uw houding perfect. Het spreekt vanzelf dat u zeker achter die maatregel blijft staan. U kan de situatie perfect inschatten, wat mij geruststelt. Ik ben ervan overtuigd dat u alle voorbereidingen neemt ingeval er een veroordeling zou worden uitgesproken.

Eén zaak heb ik niet begrepen. Wanneer verdragen inzake dubbele belasting werden gesloten, dacht ik dat de niet-ingezetenen hier geen belasting zouden moeten betalen als ze in het buitenland al worden belast. Dan zou het verschil niet zo groot zijn. Ik dacht dat het niet alleen over niet-ingezetenen ging, wat het verschil met Frankrijk zou verklaren, maar dat het over niet-Belgische BEVEKS ging, dat een Belgische burger die investeert in niet-Belgische BEVEKS wel roerende voorheffing moet betalen terwijl een niet-ingezetene die investeert in Belgische BEVEKS geen roerende voorheffing moet betalen. Een niet-ingezetene die investeert in niet-Belgische BEVEKS zou echter ook geen belasting moeten betalen volgens het dubbel belastingprincipe. Misschien is het inderdaad moeilijk om te berekenen.