5-1573/2 | 5-1573/2 |
22 MEI 2012
De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van 22 mei 2012.
I. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE VERTEGENWOORDIGER VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Het OSPAR-Verdrag heeft tot doel verontreiniging te voorkomen en te beëindigen en de zeegebieden te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van menselijke activiteiten. Het OSPAR-Verdrag dateert van 22 september 1992.
De uitvoerende instantie van het OSPAR-Verdrag, de OSPAR-Commissie, kan OSPAR wijzigen en de bijlagen en aanhangsels goedkeuren, alsook beslissingen en aanbevelingen uitvaardigen.
In haar vergadering van 25 tot 29 juni 2007 in Oostende heeft de OSPAR-Commissie de volgende beslissingen genomen :
— de bijlagen II en III van het OSPAR-Verdrag werden gewijzigd om het principiële verbod op de opslag van koolstofdioxide in het OSPAR-zeegebied op te heffen;
— de OSPAR-Commissie heeft in de beslissing 2007/1 de opslag van koolstofdioxide in de waterkolom en op de zeebodem verboden;
— de bescherming van het mariene milieu ten aanzien van de opslag van koolstofdioxide is behartigd door de beslissing 2007/2 van de OSPAR-Commissie. Deze OSPAR-beslissing verbindt er de vergunnende overheid onder meer toe de OSPAR-richtlijnen betreffende de risicobeoordeling en het risicobeheer bij de opslag van de koolstofdioxide in geologische formaties te respecteren.
II. ALGEMENE BESPREKING
De heer Anciaux stelt vast dat dit een gemengd verdrag is, maar vraagt zich af waarom dit Verdrag ter instemming aan de parlementen van de drie gewesten wordt voorgelegd wanneer alleen het Vlaams Gewest, samen met de federale overheid, bevoegd is.
De heer Vanlouwe sluit zich aan bij deze opmerking.
De vertegenwoordiger van de minister van Buitenlandse Zaken antwoordt dat dit Verdrag door de federale overheid werd onderhandeld en een gemengd karakter heeft. Bijgevolg moet het aan de parlementen van de drie gewesten ter instemming worden voorgelegd.
De heer Anciaux heeft hierover twijfels omdat het Verdrag reeds dateert van 1992 en sindsdien een aantal bevoegdheden zijn overgeheveld naar de gewesten.
Volgens mevrouw de Bethune betreft het hier de opslag van kooldioxide in het mariene milieu van de oceaan buiten de territoriale wateren en zijn ook andere landen bevoegd. Het gaat dus om een aangelegenheid die niet enkel de bevoegdheid raakt van het Vlaamse Gewest.
De heer Daems verwijst naar de federale overheidscampagne « Waar is Gust ? »/« Où est Suzette ? » over de mariene biodiversiteit. Heeft dit enig verband met het Verdrag ?
De heer du Bus de Warnaffe stelt vast dat het Verdrag erin voorziet dat de opslag van kooldioxide permanent is. Hoe kan men nagaan of die opslag geen ongunstige gevolgen heeft voor het milieu ?
De vertegenwoordigster van de minister van de Noordzee antwoordt dat de CCS-studie van het Royal Belgian Institute of Natural Sciences — Geological Survey heeft aangetoond dat er geen opslagcapaciteit is in het Belgisch deel van de Noordzee, maar dat dergelijke opslag wel mogelijk is in de ondergrondse geologische structuren van andere Verdragspartijen. Waarborgen en voorwaarden worden voorzien in Bijlage II en III. Dit wordt uitgewerkt door de beslissing 2007/2 van de OSPAR-Commissie. In punt 3.2 van deze beslissing zijn er immers bepalingen opgenomen in verband met de evaluatie en de monitoring van de opslagactiviteiten en de verplichting tot mitigatie en zelfs sluiting van dergelijke zones indien er gevaar is.
De heer de Bus de Warnaffe besluit dat dit een controlesysteem veronderstelt dat nog moet worden georganiseerd.
De vertegenwoordigster van de minister van de Noordzee antwoordt dat de Verdragspartij die een vergunning verleent tezelfdertijd ook een monitoring- en een evaluatiesysteem moet instellen en daarover op regelmatige tijdstippen moet rapporteren aan de OSPAR-Commissie.
III. STEMMINGEN
De artikelen 1 en 2, alsook het wetsontwerp in zijn geheel, worden eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Bert ANCIAUX. | Karl VANLOUWE. |
De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp (zie stuk Senaat, nr. 5-1573/1 - 2011/2012).