5-143COM

5-143COM

Commissie voor de Sociale Aangelegenheden

Handelingen

DINSDAG 17 APRIL 2012 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van mevrouw Fatma Pehlivan aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over «de eerwraak» (nr. 5-1894)

Vraag om uitleg van mevrouw Marleen Temmerman aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen over «lacunes in de aanpak van eergerelateerd geweld in België» (nr. 5-1895)

De voorzitster. - Ik stel voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Fatma Pehlivan (sp.a). - De eremoord op het Pakistaanse meisje Sadia Sheikh, waarvan het proces vorig jaar liep, is geen alleenstaand geval.

Men beweert dat eergerelateerd geweld verbonden zou zijn met religie. Ik ben het daar niet volledig mee eens. Volgens mij heeft eergerelateerd geweld een culturele oorsprong. Het is belangrijk te weten te komen bij welke bevolkingsgroepen sprake is van eergerelateerd geweld en hoe ermee moet worden omgegaan.

Onlangs maakte ik in Turkije deel uit van een panel waar op een open manier over eergerelateerd geweld werd gesproken. Men wil het strafbaar stellen.

Er moet worden onderzocht hoe het land van herkomst met dit probleem omgaat, want migranten brengen culturele gebruiken mee uit hun thuisland. De good practices uit het thuisland zouden hier kunnen worden overgenomen.

Zou de minister kunnen nagaan of bepaalde goede praktijken uit de landen van herkomst vertaald kunnen worden naar de gemeenschappen die hier wonen? Zo ja, met welke actoren kan ze hierover overleg plegen?

Mevrouw Marleen Temmerman (sp.a). - Kan de minister zeggen waar we één jaar na de goedkeuring van het nationaal actieplan staan? De indruk bestaat dat nog niet alle samenwerkingsakkoorden tussen de betrokken partners zijn gesloten en dat er nog niet concreet is gestart met de implementatie van de maatregelen die in het actieplan zijn opgenomen.

Tegen het einde van dit jaar, wanneer het actieplan halfweg is, wordt een tussentijdse evaluatie of een meting van de implementatie verwacht. Hoe zullen we meten of we inderdaad op de goede weg zijn?

Is de minister bereid prioriteit te geven aan de uitvoering van het actieplan, meer bepaald aan de maatregelen inzake eergerelateerd geweld? Zijn er lacunes in onze wetgeving die de aanpak van eergerelateerd geweld belemmeren?

Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen. - Het onderzoek van de Vrije Universiteit Brussel en de Universiteit Gent is een belangrijke stap omdat het de eerste keer is dat dit fenomeen in België wordt onderzocht. Het onderzoek laat onder andere toe de verschillende vormen van geweld te herkennen en het fenomeen in de juiste context te plaatsen, maar ook om goede praktijken te onderkennen inzake beleid en interventie van andere Europese landen, namelijk Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Zweden.

De resultaten geven aan dat het fenomeen wijdverbreid is in België, aangezien de ondervraagde beroepsmensen uit de sector aangeven dat ze allen in aanraking zijn geweest met slachtoffers van eerwraak.

Uit dit onderzoek kunnen we vele lessen trekken. Hierdoor zullen beroepsmensen de problematiek beter kunnen vatten. Er komen uit deze werkzaamheden verschillende aanbevelingen voort, maar de belangrijkste vaststelling is dat er geen nieuwe opvangstructuren dienen opgezet te worden, maar dat de hulpverleners beter moeten worden opgeleid om slachtoffers van eergerelateerd geweld beter op te vangen. Er is eveneens nood aan een multisectorale samenwerking, informatie-uitwisseling, een centralisatie van de expertise, de ontwikkeling van instrumenten om het fenomeen op te sporen, en uiteraard ook aan sensibilisering en preventie in de scholen.

Ik wens ook op te merken dat geen aanpassing van het strafrecht wordt aanbevolen, zoals in het geval van gedwongen huwelijken. Het strafrecht dient echter wel juist toegepast te worden om het gevoel van straffeloosheid te vermijden. Ik zal hierover een onderhoud hebben met de minister van Justitie.

Uit de werkzaamheden blijkt vooral dat er nood is aan een beleid dat aangepast is aan de complexiteit en de specificiteit van het fenomeen. Daarom zal het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen tegen het einde van 2012 een lijst van alle werkzaamheden opstellen die zal worden voorgelegd op een studiedag waarop alle belangrijke actoren van de gemeenschappen zullen worden uitgenodigd. Hierna zal men een beleid kunnen bepalen in de strijd tegen en ter preventie van eergerelateerd geweld door een strategisch en multidisciplinair plan op te stellen met alle betrokken actoren. Op dit moment zijn er reeds vele contacten gelegd en wordt er reeds samengewerkt, onder meer met de Directie Veiligheid en Preventie van de FOD Binnenlandse Zaken. Het is de bedoeling een folder samen te stellen waarin het onderzoek wordt voorgesteld aan beroepsmensen, en aan een Europees project deel te nemen. Het Instituut werkt eveneens samen met de Vlaamse Gemeenschap, de provincie Antwerpen en de stad Mechelen voor een nieuw lokaal project betreffende gedwongen huwelijken.

Ten slotte stelt het Instituut op dit moment, in samenwerking met de partners van het nationaal actieplan, een stand van zaken op van de verschillende maatregelen die ze genomen hebben. Het is de bedoeling het beleid tegen dit soort geweld op te voeren. Het Instituut moet een inventaris opmaken van de bestaande lacunes in de strijd tegen geweld tussen partners en tegen geweld op vrouwen. Wat de goede praktijken betreft, zullen we contact opnemen met de autoriteiten in de landen van herkomst. Ik zal volgende maand bij mijn bezoek aan Marokko deze problematiek aansnijden en volgende week heb ik een afspraak met de Turkse ambassadeur.

Mevrouw Fatma Pehlivan (sp.a). - Ik denk dat de contacten die de minister zal leggen, van belang zijn om eergerelateerd geweld in onze samenleving te bestrijden.

(De vergadering wordt gesloten om 15.55 uur.)