5-129COM

5-129COM

Commissie voor de Justitie

Handelingen

DINSDAG 28 FEBRUARI 2012 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van mevrouw Fatma Pehlivan aan de minister van Justitie over «het vrijgeven van lichamen bij rechtszaken» (nr. 5-1888)

Mevrouw Fatma Pehlivan (sp.a). - Ik heb een vraag over een rechtszaak met betrekking tot een moord en de onmenselijke gevolgen daarvan voor de familieleden.

Als een autopsie wordt uitgevoerd na een moord, waarbij de dader een dag later reeds wordt gevat, volledige bekentenissen heeft afgelegd en vlot meewerkt aan het onderzoek en de daaraan gekoppelde reconstructie van de feiten, kan een onderzoeksrechter nog altijd weigeren het slachtoffer te laten begraven zolang het onderzoek loopt.

Als argumentatie wordt aangevoerd dat een bijkomend autopsieonderzoek op het stoffelijk overschot nog altijd mogelijk moet zijn. Als het bovendien gaat om slachtoffers van buitenlandse origine kan als bijkomend argument worden aangevoerd dat een opgraving moeilijk of onmogelijk wordt als het betrokken slachtoffer in het thuisland wordt begraven vóór de rechtszaak is afgewikkeld. Om daaraan tegemoet te komen, kan de minister van Justitie van het thuisland schriftelijke garanties geven voor een eventuele opgraving. Soms weigert een onderzoeksrechter dan nog in te stemmen met een repatriëring, wat zeer zware consequenties heeft voor de familie, die de weigering dan maar moet aanvechten via de juridische weg.

In de Juristenkrant van 11 januari jongstleden wordt gesteld dat binnen de huidige juridische context geen rechtsbasis voorhanden is om opportuniteitsbeslissingen zonder patrimoniale belangen, gekoppeld aan opsporings- of onderzoeksbeslissingen van een onderzoeksmagistraat, te betwisten.

Hoe kan in dergelijke gevallen een oplossing geboden worden aan de onmenselijke gevolgen van een rechtszaak na moord?

Kan een onderzoeksrechter beslissen de schriftelijke garanties van de minister van Justitie van het thuisland van het betrokken slachtoffer zomaar naast zich neer leggen?

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - Bij de parketten en de politie geldt sedert 2 oktober 1998 de ministeriële richtlijn inzake het waardig afscheid nemen van een overledene in geval van een interventie door de gerechtelijke autoriteiten. Deze richtlijn bepaalt onder meer dat zo vlug als het kan, het lichaam vrijgegeven wordt zodat de nabestaanden de begrafenis kunnen organiseren volgens hun religieuze en filosofische overtuiging. Deze richtlijn werd ook overgenomen in circulaire COL 14/98 van het college van procureurs-generaal. Momenteel werkt het college van procureurs-generaal aan de actualisering van deze circulaire. De bovengenoemde bepaling werd overgenomen en in fine werd bepaald dat in de gevallen waarin de onderzoeksrechter door de parketmagistraat wordt gevorderd voor een gerechtelijk onderzoek, deze laatste de rechter zal verzoeken de principes en de methodologie uit de circulaire toe te passen. Het openbaar ministerie vraagt de onderzoeksrechter die, in het kader van het gerechtelijk onderzoek autonoom en in alle onafhankelijkheid kan beslissen, de achterliggende idee van deze circulaire in gedachte te houden en de methodologie toe te passen. De richtlijn is niet bindend voor de onderzoeksrechter, maar er zijn geen redenen om aan te nemen dat de onderzoeksrechter het principe van waardig afscheid kunnen nemen zou negeren.

Het ogenblik waarop in een gerechtelijk onderzoek tot het vrijgeven van een in beslag genomen lichaam wordt besloten, hangt uiteraard af van het verloop van het gerechtelijk onderzoek en in het bijzonder de verzameling van het forensische en wetenschappelijke bewijsmateriaal, onder meer naar aanleiding van de autopsie. Dat behoort tot de prerogatieven van de onderzoeksrechter die, net zoals elke andere magistraat de individuele belangen zal afwegen tegen de maatschappelijke belangen.

In de zaak waarnaar werd verwezen, werden de lichamen van de slachtoffers door de onderzoeksrechter kort na de lijkschouwing vrijgegeven voor begraving in België, maar niet voor begraving in het buitenland. De rituele wassing van de lijken werd toegestaan en er werd een begroeting georganiseerd. De betrokken familieleden drongen aan op een begrafenis in Turkije. Ze hebben daartoe procedures gevoerd in kort geding, in eerste aanleg en in beroep en twee procedures voor de kamer van inbeschuldigingstelling, die niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. De kamer van inbeschuldigingstelling te Gent oordeelde in zijn arrest van 26 oktober 2010 dat het de wettelijke taak is van de onderzoeksrechter om bewijzen te verzamelen en de maatregelen te nemen die de rechtscolleges in staat moeten stellen met kennis van zaken uitspraak te doen en dat de partijen zich niet kunnen verzetten tegen deze onderzoeksmaatregel van de onderzoeksrechter. Het komt de onderzoeksrechter ook toe te oordelen of eventuele garanties die door buitenlandse autoriteiten gegeven worden, volstaan om tot de vrijgave over te gaan. In voorliggend geval oordeelde het hof van beroep te Brussel in zijn arrest van 27 juni 2011 met betrekking tot deze schriftelijke garanties dat `nergens uit blijkt dat de minister van Justitie in Turkije in deze materie over enige bevoegdheid beschikt en bijgevolg geen garantie kan geven'. Uit het door de partij voorgelegd schrijven blijkt immers dat enkel de procureur van de republiek tijdens het onderzoek of de rechtbank tijdens de vervolging tot het opgraven van begraven lichamen kan beslissen, waaraan het hof nog als overweging toevoegt dat dergelijke verzoeken het voorwerp moeten zijn van rogatoire commissies, die tijdrovend zijn en het gerechtelijk onderzoek ten zeerste bemoeilijken.

Ik geef u deze technische uitleg omdat het uiteraard in het gerechtelijk onderzoek en in de scheiding der machten tot de autonomie behoort van de uitgesproken arresten, om meer duiding te geven met betrekking tot deze zaak, maar vooral om te benadrukken dat het in ieder geval de filosofie moet zijn om zoveel mogelijk rekening te houden met het waardig afscheid van een overledene.

Mevrouw Fatma Pehlivan (sp.a). - Het antwoord van de minister is zeer technisch en juridisch, maar ik begrijp niet dat een minister van Justitie niet de bevoegdheid heeft om uit naam van de procureur of van de onderzoeksrechter een garantie tot opgraving te geven. Het recht om op een waardige manier afscheid te nemen wordt in deze zaak wel heel erg geschonden.

Ik besef dat er regels zijn, maar er is ook het menselijke aspect. Dat is volledig uit het oog verloren in deze zaak.

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - Het was net de bedoeling van de ministeriële richtlijn van 1998, die nu geüpdatet wordt door het College van Procureurs-generaal, om met de menselijke waardigheid rekening te houden. Anderzijds kunnen rechters onafhankelijk uitspraken doen. In deze zaak is er een conflict. In een rechtsstaat met scheiding der machten, ligt de uiteindelijke beslissing bij de rechterlijke overheid.

Ik heb geantwoord dat het Hof van beroep in Brussel oordeelt dat de brief van de minister van Justitie geen wettelijke garantie is, en dat alleen de procureur van de republiek een echte garantie kan geven. Ik citeer uit gerechtelijke uitspraken om deze zaak te duiden, maar ik wijs ook op het belang dat ik zelf hecht aan de ministeriële richtlijn en de mogelijkheid waardig afscheid te kunnen nemen van een overledene.

Mevrouw Fatma Pehlivan (sp.a). - Ik betreur dat de hele zaak zo gelopen is. Ik heb begrepen dat een garantie niet kan worden gegeven door de minister van Justitie van het betrokken land, maar wel door de procureur van de provincie waar het lichaam zal worden begraven. De volgende stap in dit dossier bestaat er bijgevolg in dat de procureur een garantie moet geven.

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - In het arrest van het Hof van beroep staat inderdaad dat alleen de procureur van de republiek die garantie kan geven.