5-122COM

5-122COM

Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging

Handelingen

DINSDAG 14 FEBRUARI 2012 - OCHTENDVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Bert Anciaux aan de minister van Overheidsbedrijven, Wetenschapsbeleid en Ontwikkelingssamenwerking over «de relatief lage efficiëntie van de Belgische ontwikkelingshulp» (nr. 5-1647)

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Onlangs boog een internationale conferentie in Busan, Zuid-Korea, zich over de efficiëntie van de ontwikkelingshulp. Uit een OESO-rapport daarover blijkt dat deze hulp globaal genomen niet erg doeltreffend wordt georganiseerd. Van de dertien doelstellingen die internationaal zijn bepaald, blijkt er maar één gerealiseerd te worden. Met het bereiken van de twaalf andere gaat het de goede richting uit.

Het OESO-rapport is erg streng voor het Belgische ontwikkelingsbeleid. De zogenaamde koppelhulp, waarbij de ontwikkelingsbijstand aan economische doelstellingen wordt gekoppeld, verminderde weliswaar, maar het rapport stelt toch een achteruitgang tegenover 2005 vast. Op minder dan de helft van de gehanteerde criteria scoort België meer dan 50%. Blijkbaar werpen de inspanningen waartoe de voormalige minister zich engageerde en die België bij de koplopers moesten brengen, nog niet de verwachte vruchten af. De top van de administratie bevestigt dat de interne procedures te traag verlopen, zeker bij de concrete uitvoering van principebeslissingen.

Hoe evalueert en apprecieert de minister het strenge en toch wel negatieve rapport van de OESO over de efficiëntie van de Belgische ontwikkelingshulp? Bevestigt de minister de negatieve scores?

Welke oorzaken ziet hij daarvoor en hoe verklaart hij dat onze efficiëntie eerder achteruit dan vooruit ging?

Beaamt de minister dat onze procedures binnen de ontwikkelingssamenwerking nog steeds te log, te traag en dus inefficiënt verlopen en dat de omzetting van principebeslissingen in concrete acties op het terrein daarbij het grootste pijnpunt vormt?

Hoe en wanneer wil en zal de minister de problemen aanpakken en de ondertussen welbekende euvels verhelpen? Welke instrumenten heeft hij daarvoor ter beschikking? Kan de minister waarborgen dat België bij het volgende OESO-rapport beter zal scoren?

De heer Paul Magnette, minister van Overheidsbedrijven, Wetenschapsbeleid en Ontwikkelingssamenwerking, belast met Grote Steden. - We beschouwen het OESO-rapport als een nuttige bijdrage om voort te gaan met het hervormingsproces dat enige tijd geleden werd gestart. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het plan voor harmonisatie dat de administratie opstelde en de nieuwe procedures voor het opstellen van de indicatieve samenwerkingsprogramma's. Er is ook een hervorming van DGD aan de gang.

In mijn algemene beleidsnota ontwikkelingssamenwerking staat de verbetering van de efficiëntie en doeltreffendheid van onze samenwerking centraal. Zo wordt er bijvoorbeeld specifiek over administratieve vereenvoudiging gesproken. Deze verschillende acties moeten ervoor zorgen dat we beter aansluiten op de principes van de Verklaring van Parijs.

Voor bepaalde hervormingen, zoals de nationale uitvoering, zijn echter bijkomende aanpassingen van onze eigen wetgeving nodig - bijvoorbeeld delegatiebesluiten - en dat gaat niet vanzelf. Maar er wordt wel degelijk aan deze aanpassingen gewerkt. Het OESO-rapport toont aan dat we op de ingeslagen weg moeten voortgaan en het nodige zal dus zeker worden gedaan om beter te scoren.

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Ik begrijp uiteraard dat de minister nog maar pas in functie is en het is logisch dat de aanpassingen enige tijd vragen. Ik begrijp ook dat de beleidsnota zeker inspeelt op de bekommernissen van het OESO-rapport. Als ik minister was, zou ik het rapport aangrijpen om mijn aanpassingen te motiveren en hopelijk laat een van de volgende rapporten dan een positieve evolutie zien. Ik ben ervan overtuigd dat de minister het OESO-rapport ernstig neemt en dat is voor mij vandaag het belangrijkste.