5-47

5-47

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 9 FEBRUARI 2012 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Bert Anciaux aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Europese Zaken over «het beleid ten aanzien van Syrië» (nr. 5-414)

Mondelinge vraag van de heer Piet De Bruyn aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Europese Zaken over «de situatie in Syrië» (nr. 5-418)

De voorzitster. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand, KMO's, Zelfstandigen en Landbouw antwoordt.

De heer Bert Anciaux (sp.a). - De toestand in Syrië evolueert steeds meer naar een burgeroorlog.

Syrië is een machtig land in de regio en heeft al zeer lang een autoritair regime. De burgerbevolking is daarvan het grootste slachtoffer. Op de kap van de burgerbevolking wordt immers hoog geopolitiek spel gespeeld: niet alleen Rusland en China kiezen de kant van president Assad, maar ook vijanden als Irak en Iran steunen zijn regime en zelfs Israël blijkt te kiezen voor het behoud van het regime van Assad, liever dat dan niet te weten welk bestuur in de plaats kan komen.

Het is belangrijk te weten welke rol ons land wil spelen en wat Europa gaat doen ten aanzien van Syrië. Ik hoop dat Europa en België ertoe kunnen bijdragen dat het conflict niet verder op de kap van de bevolking wordt uitgevochten. Wat zal de minister van Buitenlandse Zaken daartoe actief ondernemen?

De heer Piet De Bruyn (N-VA). - Collega Anciaux heeft terecht onderstreept hoe penibel de toestand in Syrië nu al maandenlang is. Hij vraagt wat de minister van Buitenlandse Zaken gaat doen.

De Nationale Raad in Syrië is, voorzichtig uitgedrukt, ontgoocheld over de stemming in de VN-Veiligheidsraad, waarbij China en Rusland hun veto tegen een ontwerpresolutie hebben gesteld. De Nationale Raad werkt dan ook aan initiatieven om buiten het kader van de Verenigde Naties een coalitie op de been te brengen, die in eerste instantie de diplomatieke druk op de Syrische overheid hoog moet kunnen houden teneinde tot een akkoord te komen dat vrede en stabiliteit waarborgt. Dat is niet alleen van belang voor het land zelf, maar voor de hele regio.

Ik vind het gevaarlijk om diplomatieke coalities te zoeken buiten het kader van de Verenigde Naties. Die instelling blijft het meest geschikte forum. Ik merk echter dat ook in de Verenigde Staten een zekere welwillendheid bestaat tegenover dat initiatief.

Welke houding zal de Belgische diplomatie in dit verband aannemen?

Welke stappen zal de minister doen om op Europees vlak een eensgezind standpunt te bewerkstelligen?

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand, KMO's, Zelfstandigen en Landbouw. - Ik lees het antwoord van minister Reynders.

Aangezien de situatie in Syrië verslechtert, is maandagavond beslist de Belgische ambassadeur in Syrië onmiddellijk voor overleg terug te roepen. De Britse, Italiaanse, Spaanse, Nederlandse en Franse ambassadeurs werden ook teruggeroepen. De ambassades worden niet gesloten. Het is echter wel een politiek signaal om te protesteren tegen het aanhoudende en onaanvaardbare geweld tegen de bevolking. Het is de bedoeling dat de ambassadeur naar Damascus terugkeert. Wanneer dat gebeurt, hangt af van de evolutie van de toestand.

Daarnaast werd de Hoge Vertegenwoordigster Catherine Ashton gevraagd zo snel mogelijk de standpunten van de zevenentwintig EU-lidstaten te coördineren met betrekking tot de veiligheid van de diplomatieke en consulaire posten in Syrië en de maatregelen die zouden kunnen worden genomen om zo goed mogelijk op de evolutie van de toestand in te spelen. Het COPS en de hoofden van de posten van de EU-lidstaten in Damascus hebben daarover gisteren al vergaderd.

Het is van groot belang dat de EU-lidstaten en de Europese Dienst voor Extern Optreden, EDEO, nauw samenwerken. De huidige toestand moet een gelegenheid zijn voor de EU-delegatie en de EDEO om een leidende rol te spelen op het vlak van de coördinatie in dergelijke omstandigheden. Alle opties moeten worden bekeken om de consulaire dienstverlening, met inbegrip van een mogelijke noodevacuatie van onze landgenoten, te kunnen verzekeren.

Zoals bijna de hele internationale gemeenschap, inclusief de Arabische wereld, heb ik met grote teleurstelling en ontzetting kennis genomen van het Russische en Chinese veto tegen de ontwerpresolutie over de situatie in Syrië.

Dat veto geeft een verkeerd signaal aan het Syrische regime en kan de indruk wekken dat het Syrische volk aan zijn lot wordt overgelaten. Bovendien kan ook de oppositie de indruk krijgen dat enkel geweld nog een uitweg uit de crisis kan bieden.

Daarom heeft de minister alle leden van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, inclusief de Russische federatie en China, opgeroepen om hun verantwoordelijkheid te nemen om het geweld in Syrië onmiddellijk een halt toe te roepen. De stemming over de resolutie toont aan dat Rusland en China geïsoleerd staan met hun standpunt. De diensten hebben voorafgaand aan de stemming van de Veiligheidsraad ook contact gehad met de Russische ambassade om het Belgisch standpunt over de VN-resolutie toe te lichten.

De resolutie moest het Syrische regime duidelijk maken dat de huidige strategie totaal onaanvaardbaar is en dat het geweld dan ook streng wordt veroordeeld.

Daarnaast is het essentieel dat er een duidelijke verwijzing komt naar een transitieplan dat de Arabische Liga overeengekomen is. Dit plan verwijst onder meer naar overdracht van de bevoegdheden van president Assad aan de vicepresident. De Europese Unie vraagt overigens al sinds augustus 2011 het vertrek van president Assad.

In de ontwerpresolutie werd bovendien expliciet vermeld dat een militair ingrijpen op dit moment niet aan de orde is. Het lijkt evident dat een eventuele internationale coalitie tegenover Syrië rond de Arabische Liga zal moeten worden georganiseerd. De Liga zal een centrale rol moeten spelen met een duidelijke relay naar de Verenigde Naties.

Op het ogenblik wordt een nieuwe ronde van sancties besproken in de werkgroep van de Raad, met als doel de nieuwe sancties aan te kondigen op de Raad Buitenlandse Zaken van 27 februari. Sinds het begin van de crisis is België voorstander van het verhogen van de druk op het Syrische regime, en dus van bijkomende sancties. Dat standpunt is nogmaals herhaald na de stemming in New York.

De effectiviteit van de Europese sancties is moeilijk te evalueren. We weten in ieder geval dat ze een zware last zijn voor het budget van de Syrische staat, aangezien de sancties belangrijke olie-inkomsten ontnemen. Alle Europese sancties worden door alle EU-lidstaten ingesteld, wat niet het geval is voor de sancties van de Arabische Liga waarbij elke lidstaat zelf beslist over de sancties die hij wil toepassen. Daarom hecht de EU er belang aan nauw samen te werken met de Arabische Liga om vooruitgang te boeken op dat vlak.

De minister heeft geen informatie over de impact van de Amerikaanse sancties, maar gelet op de beperkte handelsrelaties tussen Syrië en de VS, zijn het vooral de Europese sancties die zwaar wegen voor Syrië.

Tijdens de ontmoetingen die de minister in januari heeft gehad met twee belangrijke oppositiegroepen, de Syrische Nationale Raad en het Nationaal Coördinatiecomité, heeft hij dezelfde boodschap gegeven, namelijk dat het belangrijk is dat de oppositie een geloofwaardig alternatief biedt voor het post-Assad-tijdperk. Dat alternatief kan er komen als de oppositie zich achter een gezamenlijk platform kan scharen.

Indien een gezamenlijke structuur niet mogelijk is, zou de Syrische oppositie moeten proberen om tenminste overeenstemming te vinden over een strategie, een kalender en een aantal basisprincipes. Beide oppositiegroepen hebben de minister bevestigd dat ze, ondanks een eerder afspringen van de onderhandelingen, zullen blijven proberen om tot een eensgezind standpunt te komen. De minister hoopt dat de jongste ontwikkelingen in New York een bijkomende stimulans kunnen zijn om dat doel te bereiken.

(Voorzitter: de heer Armand De Decker, ondervoorzitter.)

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Ik ben het redelijk eens met het antwoord. Ik ben geen voorstander van militair ingrijpen, want dat zou wel eens de hele regio in lichterlaaie kunnen zetten, maar wel van economische sancties. Ik verwacht dan ook dat België op de Raad Buitenlandse Zaken van 27 februari mee aan de kar zal trekken om Syrië verregaande economische sancties op te leggen, ook als die onszelf een beetje pijn doen. Volgens mij is het de enige weg die we met heel Europa en hopelijk de hele wereldgemeenschap kunnen volgen. Tegelijkertijd moet de diplomatie niet alleen naar de oppositie luisteren, maar haar ook actief financieel steunen, zodat ze zich kan voorbereiden op een post-Assad-tijdperk. Ik weet dat dat zeer delicaat ligt, maar ik roep toch op tot steun aan de oppositie.

De heer Piet De Bruyn (N-VA). - Het antwoord geeft een mooi overzicht van de standpunten die de minister de afgelopen dagen heeft ingenomen en via de media verspreid. Ik onthoud daaruit het grote belang van verder diplomatiek overleg om in Europa te komen tot een eensgezind standpunt, ook over sancties, om op die manier ook het spook van een militair ingrijpen zo lang mogelijk en zo ver mogelijk weg te houden.

Daar kan ik uiteraard alleen maar tevreden over zijn. Ik betreur wel dat over mijn specifieke opmerking over het initiatief van de Syrische Nationale Raad om naar een diplomatiek front naast de Verenigde Naties te zoeken, niets is gezegd. Ik zal de minister daarover te gelegener tijd opnieuw ondervragen.

Ik wil ook de collega's oproepen om de resolutie rond Syrië die we hebben voorbereid, mee te ondertekenen. Al is het maar een symbolische daad, het is belangrijk het Syrische volk te steunen in zijn betrachting om zo snel mogelijk tot een stabiele en veilige samenleving te komen.