5-1314/2

5-1314/2

Belgische Senaat

ZITTING 2011-2012

10 JANUARI 2012


Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tot tweede wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de Leden van de Groep van Staten in Afrika, het Caribische Gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 en voor de eerste maal gewijzigd te Luxemburg op 25 juni 2005, en met de Slotakte, open voor ondertekening te Ouagadougou op 22 juni 2010 en te Brussel van 1 juli tot en met 31 oktober 2010


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BUITENLANDSE BETREKKINGEN EN VOOR DE LANDSVERDEDIGING UITGEBRACHT DOOR

DE HEER ANCIAUX


I. INLEIDING

De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van 10 januari 2012.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE HEER DIDIER REYNDERS, MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Het wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tot tweede wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de Groep van Staten in Afrika, het Caribische Gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, anderzijds, werd ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 en voor de eerste maal gewijzigd te Luxemburg op 25 juni 2005, en met de Slotakte, open voor ondertekening te Ouagadougou op 22 juni 2010 en te Brussel van 1 juli tot en met 31 oktober 2010.

Met zijn besluit van 23 februari 2009 machtigde de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen de Europese Commissie om de onderhandelingen met de ACS-landen te openen voor de tweede herziening van de Overeenkomst van Cotonou. De officiële aanzet voor de herziening werd gegeven op de gezamenlijke Raad van 29 mei 2009.

Deze herziening stelt het acquis of het specifieke karakter van het partnerschap ACS-EG niet ter discussie. Het opzet is de overeenkomst bij te werken en ze werkbaarder te maken door in te spelen op de belangrijke veranderingen in de internationale betrekkingen en op de evolutie die zich de voorbije vijf jaar hebben voorgedaan in de betrekkingen tussen de ACS-landen en de Europese Unie : de wereldwijde financiële en economische crisis, de scherpe stijging van de voedselprijzen, de verbintenis om de MDGs te verwezenlijken, de klimaatverandering, de samenhang tussen veiligheid en ontwikkeling, de rol van de Economische Partnerschapsovereenkomsten (EPA) en het toenemend belang van de regionale integratie in de ACS-landen, de erkenning van het grotere gewicht van de Afrikaanse Unie, een partnerschap met een hoger democratisch gehalte (erkenning van de rol van het maatschappelijk middenveld, de particuliere sector en de nationale parlementen, een betere interactie tussen de Gezamenlijke Raad en de Paritaire Parlementaire Vergadering) en de goedkeuring van andere partnerschapskaders, zoals de Strategie EU-Afrika. Verder is er de versterking van de noodzakelijke beleidscoherentie voor ontwikkeling en de naleving van de internationale verbintenissen inzake de doeltreffendheid van de hulp (meer bepaald de Verklaring van Parijs van 2005 en de Agenda van Accra van 2008). Tot slot werd het belang van de politieke dialoog tussen de partners en van democratisch bestuur nog extra benadrukt.

De grootste struikelblokken in de slotfase van de onderhandelingen waren :

— het verzoek om bij de bekrachtiging voorbehoud te kunnen aantekenen (vraag van de ACS-landen);

— artikel 8 (4) over de politieke dialoog — inlassing van een clausule inzake non-discriminatie op grond van seksuele geaardheid (vraag van de EU);

— artikel 13 over migratie — herijking op grond van een alomvattende benadering van de migratiestromen en versterking van de bepalingen inzake terugname (vraag van de EU);

— de vraag naar een gemeenschappelijke verklaring over het meerjarigfinancieel kader (vraag van de ACS-landen).

Deze heikele punten zijn inmiddels van de baan. De onderhandelingen werden dan ook officieel afgerond en de partijen parafeerden de tekst van de herziene Overeenkomst van Cotonou op de extra gezamenlijke Ministerraad van 19 maart 2010 in Brussel.

De Overeenkomst werd als volgt vlot getrokken :

— de ACS-landen zijn afgestapt van hun plan om een ontwerp van unilaterale verklaring op papier te zetten over de mogelijkheid om bij de bekrachtiging van de herziene Overeenkomst van Cotonou voorbehouden te formuleren. Het is bij een mondelinge verklaring gebleven;

— de tekst die werd goedgekeurd over de politieke dialoog — non-discriminatieclausule [Artikel 8 (4)] — is gebaseerd op artikel 2 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens;

— de partijen konden zich vinden in een gezamenlijke verklaring inzake migratie (artikel 13), die stelt dat de dialoog wordt voortgezet, los van het formele herzieningsproces en dat hierover verslag wordt uitgebracht op de volgende gezamenlijke ACS-EU-Raad;

— de ACS-landen laten de eisen van een gezamenlijke verklaring over het meerjarig financieel kader vallen.

De formele ondertekening van de tekst had plaats op de 35e zitting van de gewone gezamenlijke raad ACS-EU in Ouagadougou op 21 en 22 juni 2010.

III. ALGEMENE BESPREKING

De heer Anciaux vraagt waarom Cuba als enig ACS-land geen lid is van deze Overeenkomst. Zijn er landen van de EU die principiële bezwaren tegen Cuba hebben ?

De heer Mahoux meent dat het belangrijk is het evenwicht tussen de partijen van het Noorden en de landen van het Zuiden in de overeenkomsten van Lomé en Cotonou te herstellen, wetende dat niet alle landen met dezelfde kracht en macht onderhandelen. Men heeft de neiging om tegenover overeenkomsten van deze aard de regels van de Wereldhandelsorganisatie te plaatsen, die niet altijd rekening houden met de wanverhouding in dit opzicht.

De heer De Groote stelt vast dat de herziening van de Overeenkomsten van Lomé en Cotonou vooral gericht is op het voldoen aan nieuwe noden op het gebied van politiek en veiligheid. Het is volledig terecht dat België, net als de meerderheid van de lidstaten, de voorkeur gaf aan de herziening van artikel 13 van de Overeenkomst van Cotonou betreffende migratie. De ACS-landen van hun kant weigerden om het vraagstuk van de terugname te regelen op multilateraal niveau omdat zij van mening waren dat dit een bilaterale aangelegenheid is.

De partijen konden zich uiteindelijk vinden in een gezamenlijke verklaring betreffende migratie, dit stelt dat de dialoog wordt voortgezet los van het formele herzieningsproces en dat hierover verslag wordt uitgebracht op de volgende ACS-EU Raad (stuk Senaat, nr. 5-1314/1, blz. 4).

Daarmee werd echter geen enkele garantie op een goed resultaat bekomen. Het is een gemiste kans dat de bepalingen inzake terugname niet worden versterkt, die toch van groot belang zijn voor de verdere samenwerking met de ACS-landen.

De heer Daems stelt vast dat het hier gaat om een partnerschapsovereenkomst tussen de ACS-landen enerzijds en de EU en haar Lidstaten anderzijds.

Er wordt gekozen voor een strategische samenwerking met aandacht voor armoedebestrijding. Er wordt de nadruk gelegd op de vrijmaking van de handel in het kader van een economische integratiebeweging die in bepaalde delen van de ACS-landen aan de gang is. Zo is er een West-Afrikaanse Economische Unie opgericht en in een meer beperkt kader een monetaire unie.

Wat wordt er in de praktijk gedaan door het Europees Ontwikkelingsfonds en de Belgische ontwikkelingshulp inzake de ACS-landen ? Spreker is de overtuiging toegedaan dat er zeer weinig evolutie is inzake infrastructuurwerken zoals wegen, spoorlijnen of stockage-voorzieningen. Het gaat hier nochtans over zeer aanzienlijke budgetten inzake ontwikkelingssamenwerking zowel op internationaal, Europees en nationaal vlak. Er moet dringend onderzoek gebeuren naar de doeltreffendheid van de ingezette middelen desnoods op regionaal vlak. Het ter beschikking stellen van zuiver water aan de ontwikkelingslanden zou al zeer veel problemen oplossen.

Er wordt gesteld dat door de partnerschapsovereenkomst de voedsel-autosufficiëntie zal bevorderd worden. Het jaarlijks budget van het World Food Program bedraagt zo'n 6 à 7 miljard dollar terwijl nog steeds zo'n 100 à 150 miljoen mensen per jaar dringende voedselnoodhulp nodig.

De economische partnerschapsovereenkomsten (EPA) worden door de ontwikkelingslanden fel bekritiseerd omdat zij eerder als een hinderpaal dan een stimulans voor de ontwikkeling kunnen beschouwd worden. Het concept EPA moet daarom dringend onderzocht worden. De onderhandelingen hierover worden nog altijd gevoerd door technici die weinig terreinkennis hebben.

De minister legt uit dat dat Cuba het akkoord van Cotonou niet heeft getekend en dus niet betrokken werd bij de EPA-onderhandelingen. Er werden verschillende diplomatieke pogingen ondernomen om het land toch in dit kader op te nemen. Overigens is Cuba evenmin lid van CARICOM (waar onder meer over regionale handel wordt overlegd) maar ze hebben wel toegang tot het Generalized System of Preferences (GSP) van de EU.

Besprekingen omtrent overeenkomsten tussen twee partijen die zich in een zeer verschillende ontwikkelingssituatie bevinden, zijn altijd problematisch. Om de relaties met de betrokken landen te bevorderen, is het interessant een link te creëren tussen economische samenwerking en ontwikkelingssamenwerking in de economische partnerschapsovereenkomsten. Binnen deze overeenkomsten aanvaardt de Europese Unie, zoals andere ontwikkelde zones in de wereld, af en toe haar eigen markten open te stellen en een aantal van haar protectionistische regels af schaffen, teneinde op haar beurt toegang te krijgen tot de markten van de landen van andere regio's in de wereld.

IV. STEMMINGEN

De artikelen 1 en 2, alsook het wetsontwerp in zijn geheel, worden eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Bert ANCIAUX. Karl VANLOUWE.

De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp (zie stuk Senaat, nr. 5-1314/1 - 2011/2012).