5-37

5-37

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 1 DECEMBER 2011 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Piet De Bruyn aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen over «de situatie in Syrië en de maatregelen die werden genomen door de Arabische Liga» (nr. 5-318)

De heer Piet De Bruyn (N-VA). - De context is helaas bekend. Op het ogenblik dat de Syrische bevolking in navolging van acties in andere landen in de regio, op haar beurt een protestbeweging op gang bracht tegen het regime, reageerde het regime met het inzetten van buitensporig geweld. President Assad maakte meteen duidelijk dat hij van geen wijken wil weten.

Ondertussen zijn we negen maanden verder en liep het dodental op tot meer dan 3500 personen. De toestand `dramatisch' noemen is voor een keer dus zeker geen vorm van overdrijving.

Europa kondigde al eerder sancties af en ook België veroordeelde reeds meermaals het gebruik van extreem geweld bij het onderdrukken van de opstand. In april ontbood de minister de Syrische ambassadeur om hem het standpunt van ons land kenbaar te maken.

Ondertussen stellen we vast dat de Arabische Liga meer dan in het verleden, bereid is een rol te spelen in het conflict. Nog maar een paar dagen geleden stemden 19 van de 21 lidstaten in met een pakket maatregelen waaronder het opleggen van economische sancties, reisbeperkingen voor hoge Syrische ambtenaren en het aanvaarden door Syrië van een waarnemersmissie van vijfhonderd personen naar het land.

Dat initiatief van de Arabische Liga tegen een `broederstaat' is van bijzonder belang. Het toont aan dat de Arabische lente wel degelijk een keerpunt is geweest in het democratiseringsproces in de regio.

Het is van cruciaal belang dat de internationale gemeenschap die belangrijke beslissing van de Arabische Liga daadwerkelijk ondersteunt. Het initiatief van de Arabische Liga is immers het meest doeltreffende middel om de burgerbevolking in Syrië te beschermen tegen verder gebruik van extreme vormen van geweld door de eigen overheid.

Wat is het standpunt van België met betrekking tot het recente initiatief van de Arabische Liga en is de minister bereid om binnen de Europese context voluit steun te geven aan het opzetten van een waarnemingsmissie in Syrië onder de paraplu van de Arabische Liga?

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen. - Mijnheer De Bruyn, ik denk dat mijn antwoord u genoegen zal doen. U wordt nagenoeg op al uw wenken bediend, niet alleen in termen van intenties, maar ook van resultaten.

Ik kom net terug van een vergadering van de Raad van de ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie. We hebben daar ook over Syrië gesproken en tijdens de lunch hadden we de gelegenheid over dat probleem te spreken met de secretaris-generaal van de Arabische liga, de heer el-Araby. Wat de heer De Bruyn voorstelt als een sterke aanbeveling is een realiteit in de Belgische diplomatie in verschillende aangelegenheden die betrekking hebben op moeilijke dossiers, niet alleen Syrië, maar ook Iran. Telkens opnieuw hanteert de Belgische diplomatie de outreach-lijn. Daarmee bedoelen we dat het goed is te proberen met 27 tot een eensgezind standpunt te komen over een aantal wereldproblemen, maar het is zeker zo belangrijk ook vanuit de Europese Unie en haar lidstaten de hand te reiken aan organisaties, aan landen, om hen zo veel als mogelijk like-minded te maken in een aantal aangelegenheden. Wanneer we vandaag conclusies hebben goedgekeurd waarin ook zeer uitdrukkelijk namens de Europese Unie een woord van waardering en ondersteuning wordt uitgesproken ten aanzien van de beslissingen die in de Arabische Liga zijn genomen, inderdaad zoals de heer De Bruyn terecht zegt met 19 op 21 stemmen, is dat uiteindelijk de vrucht van een inspanning gedurende verschillende weken. Ook voor de bijeenkomst van de Mensenrechtenraad, op vraag van de EU, willen we een zeer sterke Arabische betrokkenheid. Wij steunen het Arabische initiatief om een missie op het terrein te ontplooien. Ook de VN-secretaris-generaal heeft dit initiatief gesteund. Het is duidelijk dat België zich niet alleen daarbij aansluit, maar ook een stuwende rol had in deze aangelegenheid.

De heer De Bruyn verwijst in zijn inleiding naar het feit dat ik de Syrische ambassadeur heb geconvoceerd in april. Ik heb dat nog een tweede maal gedaan in juli. Dat bewijst dat de Belgische diplomatie deze aangelegenheid bijzonder ernstig neemt.

De heer Piet De Bruyn (N-VA). - Ik dank de minister voor zijn duidelijk standpunt, dat in de lijn ligt van wat ik hoopte. Het zou goed zijn mochten alle actoren, de Europese Unie, maar ook de NAVO, hun diplomatieke contacten met het vrije Syrische leger aanwenden om ervoor te zorgen dat, als de volgende stap wordt gedaan naar een democratisering, het leger niet de plaats inneemt van het civiele bestuur.

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen. - Dat laatste punt is toch een nieuw element.

Als het gaat over de krachten die tegen het huidige Syrische regime zijn, moeten we zeker even veeleisend zijn als tegenover de krachten die tegen Kadhafi waren. Voor de Belgische diplomatie is het feit van gekant te zijn tegen iemand die de mensenrechten schendt, niet voldoende om erkend te worden. De tegenstanders van een regime moeten wel wat meer kunnen bewijzen om door ons erkend te worden. Dat is een lijn die we nauwgezet volgen.