5-1358/1 | 5-1358/1 |
24 NOVEMBER 2011
Dit voorstel herneemt de tekst van een voorstel dat reeds eerder in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend door de heer Hans Bonte c.s. (stuk Kamer, nr. 53-0448/001).
De duur en procedure voor arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid worden in principe bepaald via een algemeen bindend verklaarde cao. Dit principe blijft gehandhaafd met uitzondering van de bepaling die de invoeging voorziet van een nieuw artikel 9bis van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers. Het sociaal overleg blijft dus bepalend maar de nieuwe artikelen voorzien in basisgaranties voor de uitzendkrachten.
Daarnaast wil dit voorstel een billijke regeling invoeren inzake het recht op loon bij ziekte of voor betaalde feestdagen voor uitzendkrachten die met opeenvolgende dagcontracten ter beschikking gesteld worden van eenzelfde gebruiker.
Vaak wordt de wettelijke vereiste om de arbeidsovereenkomst af te leveren binnen twee dagen na de aanvang van de tewerkstelling, niet nageleefd. Het contract wordt dan bij de uitdiensttreding gegeven, en wordt opgesteld in functie van de effectieve aanwezigheden. Om dergelijke inbreuken te vermijden, wordt de sanctie bij niet-naleving verzwaard.
Verder wil dit voorstel de periodes van tewerkstelling als uitzendkracht laten meetellen voor de duur van de proeftijd, voor de vereiste anciënniteit om aanspraak te kunnen maken op gewaarborgd loon, voor de bepaling van de opzeggingstermijnen en voor het bepalen van de loon- en arbeidsvoorwaarden en de voordelen die bij de werkgever die de uitzendkracht aanwerft met een vaste arbeidsovereenkomst worden toegekend mits het vervullen van een bepaalde anciënniteit (bijvoorbeeld de vereiste anciënniteit voor pensioenplannen, groepsverzekeringen, loonbarema's, ...).
Ten slotte constateren we dat de arbeidsongevallenratio bij uitzendkrachten substantieel hoger ligt dan bij « klassieke » werknemers.
Globaal had 9,6 % van alle arbeidsongevallenaangiften in 2006 betrekking op uitzendwerknemers, terwijl zij slechts 3 % van het totale arbeidsvolume vertegenwoordigen.
De frequentiegraad (= het aantal ongevallen met minstens 1 dag werkonbekwaamheid tot gevolg × 1 000 000/aantal uren gewerkt in een jaar) is bij interim-arbeiders 95,47 versus 48,69 bij niet interim-arbeiders.
Bij interim-bedienden is dat 16,29 versus 6,60 bij niet interim-bedienden.
Het aandeel ongevallen met tijdelijke arbeidsongeschiktheid is belangrijker dan bij de rest van de werknemerspopulatie (62,9 % bij interim-arbeiders versus 51,98 % bij andere arbeiders, 50,64 % bij interim-bedienden versus 64,30 bij andere bedienden).
Die « zonder gevolg » (of met enkel medische hulp) zijn 30,93 % bij de interim-arbeiders versus 38,65 % bij andere arbeiders. Bij interim-bedienden is dat 45,18 % versus 57,69 % bij de andere bedienden.
De « Werkelijke Ernstgraad » (= aantal dagen werkonbekwaamheid of tijdelijke arbeidsongeschiktheid (TAO) als gevolg van ongevallen per 1 000 blootstellingsuren) is bij interim-arbeiders 1,77 versus 1,31 bij alle arbeiders, en bij interim-bedienden 0,26 versus 0,14 bij alle bedienden.
De blijvende arbeidsongeschiktheid is wel lager bij uitzendkrachten dan bij de rest.
Dit komt tot uiting in « globale ernstgraad » : bij interim-arbeiders 5,16 versus 5,60 bij alle arbeiders, bij interim-bedienden 0,62 versus 0,80 bij alle bedienden.
Nochtans moet dit laatste cijfer worden genuanceerd.
Het is bekend dat globale ernstgraad hoger ligt bij oudere werknemers terwijl de ongevalsfrequentie hoger ligt bij jonge werknemers.
Aangezien uitzendkrachten veelal jonge werknemers zijn, is het wel verontrustend dat het cijfer globale ernstgraad voor interim-arbeiders van 5,16 redelijk dicht in de buurt komt van de 5,60 voor alle arbeiders.
Deze cijfers zouden mede te verklaren zijn door de oververtegenwoordiging van jongeren in de interim-populatie : jongeren scoren sowieso slechter en zij zijn zeer sterk aanwezig in interim.
Ook het soort werk (meer arbeiders, hoge vertegenwoordiging in metaal en transport) is een verklarende factor voor deze hoge scores.
Maar deze cijfers zijn eveneens te verklaren door de stijgende druk van de vraag naar arbeid, waarbij blijkbaar minder tijd en aandacht wordt besteed aan goede selectie en opvang.
Daarmee samenhangend kan ook het doorschuiven door gebruikers van gevaarlijk werk naar derde werknemers, waaronder interims, een hoger risico tot gevolg hebben.
Een belangrijke indicator voor het onvoldoende vertrouwd zijn met, en voorbereid zijn op, de werkomgeving blijkt ook als we kijken naar de gebeurtenissen die aan de basis lagen van de arbeidsongevallen. Het verlies van controle over een vervoer- of transportmiddel of over handgereedschap ligt verhoudingsgewijs meer aan de basis van de arbeidsongevallen bij uitzendkrachten dan bij gewone werknemers. Hetzelfde geldt voor de gevallen waar het gegrepen of meegesleept worden door een voorwerp, of de vaart daarvan aan de basis ligt van het ongeval.
Opvallend is immers ook dat de toenemende tewerkstelling van uitzendkrachten in 2006 geresulteerd heeft in een relatief sterkere toename van het aantal arbeidsongevallen, terwijl dit voor het geheel van de private arbeidswereld niet het geval was : de frequentiegraad en werkelijke ernstgraad zijn daar ongewijzigd gebleven.
Een van de instrumenten om de gebruikers van uitzendkrachten meer te responsabiliseren voor een degelijke opvang en begeleiding van de uitzendkrachten, is om de gebruikers verantwoordelijk te stellen voor de gevolgen verbonden aan een arbeidsongeval. Daarom worden de gebruikers, door de artikelen 15 tot 17 van dit voorstel, verplicht de uitzendkrachten onder te brengen bij hun eigen ongevallenverzekeraar.
Artikelen 2 en 14
In de uitzendsector wordt ook gewerkt met dagcontracten. Een dergelijk dagcontract kan bij een plotse afwezigheid van een vaste werknemer een oplossing bieden. Soms worden dagcontracten echter misbruikt om ziektedagen of betaalde feestdagen niet te moeten betalen.
Het artikel 2 voert een nieuw artikel 11bis in, in de wet van 24 juli 1987 dat bepaalt dat werknemers die door een uitzendkantoor tijdens een week met minstens drie dagcontracten werden ter beschikking gesteld aan éénzelfde gebruiker, recht hebben op doorbetaling van het loon voor de dagen van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte voor de resterende dagen van die week.
Het artikel 14 voert een nieuwe bepaling in, in het artikel 14, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 april 1974 waardoor een werknemer, waaronder ook een uitzendkracht, recht heeft op loon voor één feestdag die valt in de periode van zeven dagen die volgt op het einde van de arbeidsovereenkomst of de verrichting van de arbeid mits hij over een periode van twee weken voorafgaand aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst of van de verrichting van de arbeid gedurende minstens drie dagen in dienst is geweest van de onderneming.
Artikel 3
Dit artikel voegt de inbreuk tegen het niet afleveren van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid binnen de termijn van twee werkdagen na de indiensttreding bij het uitzendbureau, toe aan de inbreuken die strafbaar zijn met de strafbepaling die voorzien is in het artikel 39, 1º, van de wet van 24 juli 1987.
Artikel 4
Uitzendkrachten worden nu soms lange tijd bij eenzelfde gebruiker tewerkgesteld waarbij hen vaak de belofte van een vast contract wordt voorgehouden. Een uitzendkracht kan zo soms enkele jaren voor eenzelfde gebruiker werken als uitzendkracht om dan op het einde van de rit geen vast contract te krijgen. Door dergelijke praktijken blijven uitzendkrachten jarenlang in een precaire arbeidssituatie zitten en blijven ze gedepriveerd van de voordelen die ze zouden genieten wanneer ze een arbeidsovereenkomst zouden hebben met de gebruiker zelf.
Om deze praktijken een halt toe te roepen en om de uitzendkracht te laten genieten van de voordelen waarop hij recht heeft, bepaalt dit nieuwe artikel 9bis in de wet van 24 juli 1987 dat de uitzendkracht die gedurende minstens zestig arbeidsdagen binnen een periode van dertien weken werd ter beschikking gesteld bij eenzelfde gebruiker wordt beschouwd als zijnde aangeworven met een contract van onbepaalde duur door deze gebruiker vanaf de eerste dag van de ter beschikkingstelling.
Op voorstel van de Nationale Arbeidsraad (NAR) kan de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit afwijkende bepalingen voorzien voor de gevallen waarin de tijdelijke arbeid tot doel heeft in de vervanging van een vaste werknemer te voorzien.
Artikel 5
Artikel 16 van de wet van 24 juli 1987 bepaalt dat contractuele bedingen waarbij het de uitzendkracht verboden is zich bij een gebruiker te verbinden, als niet bestaande worden beschouwd. Dit artikel is bedoeld om de uitzendkracht te beschermen zodat hij desgevallend een vaste job kan aannemen.
Echter in de praktijk worden soms contractuele bedingen gesloten tussen een uitzendbureau en een gebruiker waarbij het de gebruiker verboden is om de uitzendkracht een contract aan te bieden, al dan niet binnen een bepaalde termijn.
Dergelijke bedingen belemmeren de kansen van een uitzendkracht op een stabiele job en belemmeren de mobiliteit.
Het nieuwe artikel 18 dat wordt ingevoerd in de wet van 24 juli 1987 voorziet daarom dat dergelijke contractuele bedingen tussen gebruiker en uitzendbureau als niet bestaande worden beschouwd.
Artikel 6
Dit artikel voegt een bepaling toe aan het artikel 48 van de arbeidsovereenkomtenwet van 3 juli 1978 waardoor periodes van de tewerkstelling als uitzendkracht bij een gebruiker meetellen als proeftijd voor arbeiders.
Artikel 7
Dit artikel regelt hetzelfde als artikel 5, wat betreft de proeftijd voor bedienden.
Artikel 8
Dit artikel regelt hetzelfde als artikel 6 wat betreft de proeftijd voor dienstboden.
Artikel 9
Dit artikel laat de tewerkstelling als uitzendkracht bij een gebruiker meetellen voor de vereiste anciënniteit voor de toekenning van het gewaarborgd loon bij arbeidsongeschiktheid aan een arbeider.
Artikel 10
Dit artikel laat de tewerkstelling als uitzendkracht bij een gebruiker meetellen voor de vereiste anciënniteit voor de bepaling van de opzeggingstermijn voor handarbeiders.
Artikel 11
Dit artikel laat de tewerkstelling als uitzendkracht bij een gebruiker meetellen voor de vereiste anciënniteit voor de toekenning van het gewaarborgd loon bij arbeidsongeschiktheid aan een bediende in zijn proeftijd.
Artikel 12
Dit artikel regelt hetzelfde als het artikel 9 wat betreft de opzeggingtermijn voor bedienden.
Artikel 13
Dit artikel regelt dat tewerkstelling als uitzendkracht bij een gebruiker meetelt voor de anciënniteit die vereist is voor het bepalen van de loon- en arbeidsvoorwaarden en voor de toekenning van bepaalde voordelen (bijvoorbeeld de vereiste anciënniteit voor pensioenplannen, groepsverzekeringen, loonbarema's, ...) indien de uitzendkracht wordt aangeworven met een vaste arbeidsovereenkomst bij die gebruiker.
Artikelen 15-17
Deze artikelen regelen dat, wat betreft de arbeidsongevallenverzekering, de gebruiker van de uitzendkracht wordt aangeduid als zijn werkgever. De Koning bepaalt de nadere regels van toepassing.
Artikel 18
Dit artikel bepaalt de datum van inwerkingtreding van deze wet.
| Bert ANCIAUX. | |
| Ludo SANNEN. | |
| Guy SWENNEN. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
In de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers wordt een nieuw artikel 9/1 ingevoegd, luidende :
« Art. 9/1. — Bij uitzendarbeid geldt dat indien de uitzendkracht minstens zestig arbeidsdagen binnen een periode van dertien weken ter beschikking is gesteld van éénzelfde gebruiker, hij beschouwd wordt als verbonden door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur met deze gebruiker vanaf de eerste dag van de ter beschikkingstelling.
Op voorstel van de Nationale Arbeidsraad kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad afwijken van de bepalingen van het eerste lid voor tijdelijke arbeid die tot doel heeft in de vervanging van een vaste werknemer te voorzien. »
Art. 3
In dezelfde wet wordt een artikel 11/1 ingevoegd, luidende :
« Art. 11/1. — Onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 52 en 71 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten heeft de uitzendkracht recht op loon voor de dagen van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, ander van een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar of van het werk, die vallen in de werkweek waarin hij verbonden was met minstens drie dagcontracten met éénzelfde uitzendkantoor en door dit uitzendkantoor werd ter beschikking gesteld van éénzelfde gebruiker. »
Art. 4
Artikel 18 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 5 september 2001, wordt hersteld in de volgende lezing :
« Art. 18. — Contractuele bedingen waarbij het de gebruiker verboden is een contract aan te bieden aan de uitzendkracht die bij de gebruiker tewerkgesteld is, worden als niet bestaande beschouwd.Contractuele bedingen waarbij een schadevergoeding voor het uitzendkantoor wordt bepaald voor het aanwerven door de gebruiker van een bij de gebruiker tewerkgestelde uitzendkracht, worden als niet bestaande beschouwd. »
Art. 5
In het artikel 39, 1º, van dezelfde wet worden de woorden « 8, § 1, » ingevoegd tussen de woorden « der artikelen » en het woord « 9 ».
Art. 6
Artikel 48 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten wordt aangevuld als volgt :
« § 5. De periodes die een werkman als uitzendkracht bij de werkgever heeft gewerkt, worden beschouwd als proeftijd als bedoeld in dit artikel. »
Art. 7
In artikel 52, § 1, van dezelfde wet wordt tussen het vijfde en zesde lid het volgende lid ingevoegd :
« De periodes die een werkman als uitzendkracht bij de werkgever heeft gewerkt, tellen mee voor de anciënniteit als bedoeld in het vorige lid. »
Art. 8
Artikel 59 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid :
« De periodes die een werkman als uitzendkracht bij de werkgever heeft gewerkt, worden beschouwd als anciënniteit als bedoeld in dit artikel. »
Art. 9
Artikel 67 van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt :
« § 4. De periodes die een bediende als uitzendkracht bij de werkgever heeft gewerkt, worden beschouwd als proeftijd als bedoeld in dit artikel. »
Art. 10
Artikel 71 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid :
« De periodes die een bediende als uitzendkracht bij de werkgever heeft gewerkt, worden beschouwd als proeftijd als bedoeld in dit artikel. »
Art. 11
Artikel 82 van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt :
« § 5. De periodes die een bediende als uitzendkracht bij de werkgever heeft gewerkt, worden beschouwd als anciënniteit als bedoeld in dit artikel. »
Art. 12
Artikel 109 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid :
« De periodes die een dienstbode als uitzendkracht bij de werkgever heeft gewerkt, worden beschouwd als proeftijd als bedoeld in dit artikel. »
Art. 13
Onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 6 tot en met 12 van deze wet, tellen de periodes die een werknemer als uitzendkracht bij een werkgever heeft gewerkt, mee voor de anciënniteit die vereist is voor de toekenning van de loon- en arbeidsvoorwaarden en de voordelen die worden geregeld op basis van wetten of overeenkomsten die bij de betrokken werkgever van toepassing zijn.
Art. 14
In artikel 14, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen wordt in de plaats van het 1º en het 2º, die respectievelijk het 2º en het 3º worden, een nieuw 1º, ingevoegd, luidende :
« 1º het loon voor één feestdag die valt in de periode van zeven dagen die volgt op het einde van de arbeidsovereenkomst of de verrichting van de arbeid, voor zover de werknemer tijdens de periode van 2 weken voorafgaand aan het einde van de arbeidsovereenkomst of de verrichting van de arbeid gedurende minstens drie dagen in dienst is geweest van de onderneming. »
Art. 15
In artikel 49bis, zesde lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, vervangen bij de wet van 13 juli 2006 en gewijzigd bij de wet van 3 juni 2007, wordt het 8º opgeheven.
Art. 16
In dezelfde wet wordt in hoofdstuk IV een afdeling IV ingevoegd, luidende :
« Afdeling 4. Gebruikers van uitzendkrachten
Art. 86/1. — Deze afdeling is van toepassing op de gebruiker van een uitzendkracht die personeel tewerkstelt en de hoedanigheid van werkgever heeft overeenkomstig de in artikel 1, 1º, bedoelde wet.
Art. 86/2. — Voor de toepassing van hoofdstuk III wordt de in artikel 86/1 bedoelde gebruiker beschouwd als de werkgever van de uitzendkracht gedurende de periode waarin de uitzendkracht bij de gebruiker werkt.
De Koning bepaalt de nadere regels voor de toepassing van dit artikel, inzonderheid in verband met :
1º de aangifte van de ongevallen;
2º de mededeling van gegevens nodig voor de regeling van het ongeval;
3º de mededeling van de loon- en arbeidstijdgegevens met het oog op de berekening van de verzekeringspremie. »
Art. 17
In artikel 19 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, gewijzigd bij de wet van 24 december 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) het eerste lid wordt aangevuld als volgt :
« en de arbeidsongevallenverzekering en de aangifte van arbeidsongevallen overeenkomstig afdeling 4 van hoofdstuk IV van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971. »;
b) in het derde lid wordt de inleidende bepaling aangevuld als volgt :
« en voor wat de bepalingen in verband met de arbeidsongevallenwet betreft na advies van het beheerscomité van het Fonds voor arbeidsongevallen. »
Art. 18
Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van de artikelen 15, 16 en 17 die in werking treden op een door de Koning te bepalen datum.
14 november 2011.
| Bert ANCIAUX. | |
| Ludo SANNEN. | |
| Guy SWENNEN. |