5-90COM

5-90COM

Commissie voor de Justitie

Handelingen

WOENSDAG 6 JULI 2011 - OCHTENDVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Bert Anciaux aan de minister van Justitie over «een stijgende tendens tot legalisering van illegale drugs» (nr. 5-1082)

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Er klinken steeds meer stemmen die vaststellen dat de zogenaamde War on Drugs op vele fronten wordt verloren. Zelfs de meest harde, doortastende en zelfs militaire operaties slagen er steeds minder in om illegale productie, transporten en distributies tegen te houden. Deze oorlogsvoering eist niet alleen veel slachtoffers, maar kost ook handenvol geld. De inefficiëntie blijkt uiteraard uit een almaar stijgend gebruik en/of misbruik van deze illegale middelen.

Het is niet verwonderlijk dat heel wat mensen vragen hebben bij de internationale strijd tegen illegale drugs: sociologen, psychologen, drugsexperts, maar ook economen en gezondheidsdeskundigen. De doelstelling moet blijven het gebruik van illegale drugs zo klein mogelijk te houden en dit gebruik ook zoveel mogelijk te voorkomen.

Ik stel u deze vraag niet als een principieel voorstander of tegenstander van deze op legalisering gerichte tendens. De ernst van deze vragen en voorstellen maakt echter een diepgaand, open en breed maatschappelijk debat noodzakelijk.

Hoe evalueert en apprecieert de minister de steeds duidelijker klinkende vraag om drugs, die momenteel in een illegale omgeving worden geproduceerd, verhandeld, verdeeld en verbruikt, naar een wettelijk geregelde context over te dragen? Beaamt de minister de positieve effecten die de voorstanders daarvan voorstellen, onder andere een veel efficiëntere en effectievere strijd tegen de zware criminaliteit die hiervan leeft, een kwaliteitsvolle en sociale en medische context voor het gebruik van deze producten, enzovoort? Erkent de minister de vaststelling dat de wereldwijde War on Drugs als een verloren strijd mag worden gezien? Of verwijst de minister deze vaststellingen, argumenten en voorstellen kordaat naar de prullenmand als onbespreekbaar, fout en zelfs gevaarlijk?

Kan de minister ons verzekeren dat de War on Drugs in Europa en dus ook in ons land als succesvol en slagkrachtig mag worden geëvalueerd? Zijn de beleidskeuzes die België neemt volgens de minister de best mogelijke en blijft een systematische repressie en een radicale verbanning naar de illegaliteit de enige hoopvolle en daarmee ook succesvolle aanpak?

Hield de minister hierover al ruggenspraak met experts, academici, politie- en justitieactoren en de met preventie belaste gemeenschappen?

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Uw vraag betreft een zeer oud, steeds weerkerend debat omtrent het te voeren strafrechtelijke beleid inzake drugs. Alvast één les kan hieruit worden getrokken, met name dat drugsgebruik en drugshandel niet volledig uit te bannen zijn. Er bestaan hierover ook uiteenlopende en wisselende opvattingen.

Als beleidsmaker heb ik hierover uiteraard een persoonlijke mening. Tijdens mijn vorig mandaat heb ik een eerste richtlijn opgesteld, die onder het paarse beleid aan de kant werd geschoven. Nu is men in grote mate teruggekeerd naar de richtlijn die ik had opgesteld en die gebaseerd was op een filosofie van de laagste prioriteit. Ik sta daar nog altijd achter.

Het Belgische drugsbeleid wil niet alleen de producenten en handelaars bestraffen, maar wil vooral de gevaren van drugsgebruik voor de gebruikers en de maatschappij voorkomen en beperken.

Het Belgische drugsbeleid is dus allesbehalve blind repressief maar gediversifieerd en genuanceerd, en geeft prioriteit aan preventie en hulpverlening, vóór repressie. Ik verwijs ter zake naar de federale beleidsnota Drugs van 2001.

Voorts bepaalt ook de ministeriële richtlijn van 2003, aangevuld door de gemeenschappelijke richtlijn van de minister van Justitie en het College van Procureurs-generaal, dat er aan het bezit, door een meerderjarige, van een hoeveelheid cannabis voor persoonlijk gebruik, de laagste prioriteit in het vervolgingsbeleid wordt gegeven.

Ik verwijs ook naar de diverse lopende proefprojecten als proefzorg en de drugsbehandelingskamers te Gent of de strategische drugsadviseur te Luik, die deze opties van het drugsbeleid concreet vorm geven. Daarbij wordt de repressieve aanpak van de vervolging gediversifieerd naargelang van de bereidheid en de resultaten van het hulpverleningstraject.

Bovendien wordt het Belgische drugsbeleid gekenmerkt door een integrale aanpak, die zich over de hele strafrechtsketen uitstrekt, dus zowel de preventieve aspecten met allerhande voorlichtingsinitiatieven als hulpverlening en controle, aanpak en bestraffing van de drugscriminaliteit.

Ik ben persoonlijk geen voorstander van een beleid dat een vrije aanmaak, productie of teelt, verkoop en gebruik toelaat van producten waarvan de gezondheidsrisico's voor de gebruikers onomstotelijk kunnen worden aangetoond en die zich buiten de context van de medische behandeling situeren.

Dat de legalisering het probleem van de zware en georganiseerde drugscriminaliteit wereldwijd zou oplossen, durf ik eveneens sterk te betwijfelen. Het is mijn inziens significant dat bijvoorbeeld Nederland, dat sinds 1995 een meer gedogend drugsbeleid voerde, hiervan nu afstapt. In Nederland werd in 2008 een Adviescommissie Drugsbeleid ingesteld die moet nagaan op welke punten het Nederlandse drugsbeleid aanpassing verdient.

Ik raad de heer Anciaux aan kennis te nemen van de besluiten van die commissie. Ze stelde immers vast dat de wereld van de drugs dermate veranderd was dat het beleid op diverse punten zou moeten worden aangepast, waaronder het terugdringen van drugs- en alcoholgebruik door minderjarigen, het beleid ten aanzien van de coffeeshops, de versterking en de verbreding van de strijd tegen de georganiseerde drugsmisdaad en de samenwerking tussen de betrokken beleidsinstanties.

Zo werd vastgesteld dat de cannabisteelt voor de coffeeshops in handen is van grootschalige uitbaters die veelal verbonden zijn met de wereld van de georganiseerde misdaad. Het pure winstbejag van die grootschalige telers en handelaars heeft tegelijk de kwaliteit van de producten verminderd, wat een gevaar voor de gezondheid van de consument vormt. Ook met dat aspect moet rekening worden gehouden, want er zal altijd worden geprobeerd misbruik te maken van de zwakkeren.

Ook moet steeds rekening worden gehouden met de beleidscontext, zowel in het eigen land als in de ons omringende landen en de internationale verdragen die België binden.

Op de vraag of ik hierover overleg pleeg met experts en academici en dergelijke wijs ik erop dat in uitvoering van de wet van 11 mei 2003 houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de staat, de gemeenschappen, de Gemeenschappelijke gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie en de gewesten voor een globaal en geïntegreerd drugsbeleid, de Algemene Cel Drugsbeleid werd opgericht, ter ondersteuning van de Interministeriële conferentie.

Die Interministeriële conferentie en haar werkcellen reflecteren dus op regelmatige basis en multidisciplinair over de verschillende aspecten van het drugsbeleid en ze werkt adviezen uit ten behoeve van de betrokken ministers. Ze is dus een belangrijk en efficiënt instrument. Aan haar werkzaamheden werken ook experts mee, zoals Brice De Ruyver.

Als het de heer Anciaux interesseert, kan ik hem het rapport `Geen deuren, maar daden: nieuwe accenten in het Nederlands drugsbeleid' ter beschikking stellen.

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik ben het in grote mate met zijn visie eens.