5-1149/1 | 5-1149/1 |
6 JULI 2011
De volksopstanden die sinds het begin van het jaar in de Arabische landen hebben plaatsgevonden, hebben de incoherentie en de onvolmaaktheden aan het licht gebracht van het Europees Nabuurschapsbeleid zoals het sinds 2004, het jaar van het ontstaan ervan, werd uitgevoerd. Theoretisch moest de Europese Unie immers aan haar Arabische buren « a privileged relationship, building upon a mutual commitment to common values », waaronder democratie, mensenrechten, de rechtsstaat en goed bestuur voorstellen. Heel wat actoren van het maatschappelijk middenveld en vorsers uit de Arabische wereld en uit Europa, zijn echter de mening toegedaan dat de Europese Unie bewust de ogen heeft gesloten voor het antidemocratische karakter van de partnerregimes in het Middellandse Zeegebied. En indien de Europese Unie doof is gebleven voor de aanklachten van de oppositieleden en het maatschappelijk middenveld van die regimes, dan was dat volgens hen omdat die status quo overeenstemde met de politieke prioriteiten van de Unie, te weten de strijd tegen immigratie en terrorisme en het tot stand brengen van economische partnerschappen die voordeliger zijn voor de lidstaten dan voor de lokale bevolking.
De recente Unie voor het Middellandse Zeegebied, die in 2008 werd opgericht, heeft niet gezorgd voor meer duidelijkheid inzake de samen op te bouwen gemeenschappelijke waarden. De instelling heeft immers vrijwillig gekozen voor de logica van de projecten, waardoor ze geen rekening hield met de politieke aard van de partnerregimes, noch met de realiteit waarmee de Arabische volkeren geconfronteerd werden. Alle delicate onderwerpen, zoals de mensenrechten of het Israëlisch-Palestijns conflict, werden dus terzijde geschoven ten gunste van een partnerschap dat hoofdzakelijk pragmatisch was opgevat. Om al die redenen is die instelling heel omstreden in de Arabische wereld. Bovendien heeft het uitgesproken leadership van Frankrijk, dat het initiatief had genomen tot de oprichting van de Unie voor het Middellandse Zeegebied, met name de Duitsers zeer geërgerd. Omdat het project niet relevant was voor de uitdagingen van de regio en door de interne spanningen tussen de lidstaten, raakte de instelling uiteindelijk verlamd.
Gezien die context hoeft het niet te verbazen dat de Europese Unie niet meteen haar steun heeft uitgesproken voor de revoluties na de omverwerping van Ben Ali in Tunesië en van Moebarak in Egypte. Toch heeft de Europese Unie zeer onlangs twee mededelingen over het ENB opgesteld (in maart en in mei 2011). Helaas is men daarbij overhaast te werk gegaan en heeft men de werking van het ENB niet echt in vraag gesteld. We herinneren eraan dat het ENB enkele weken voor de val van het Tunesische en Egyptische regime voorbereidingen trof om Tunesië een « geavanceerde status » te geven en met Libië over associatieverdragen onderhandelde ... Bovendien verantwoordt de Commissie de wijzigingen die er in haar nabuurschapsbeleid moeten komen alleen met de politieke veranderingen in de Arabische wereld. Op geen enkel moment wordt het ENB kritisch bekeken omdat het bij het sluiten van de ENB-partnerschappen geen rekening hield met de rechten van de mens. De Unie geeft in haar mededeling van mei 2011 ternauwernood toe dat « Uit de recente gebeurtenissen en de conclusies van de evaluatie is gebleken dat de EU-steun voor de politieke hervormingen slechts beperkte resultaten heeft opgeleverd ». De politieke boodschap van de Unie doet bijgevolg vragen rijzen, want die voorziet er voortaan in dat hulp zal worden geboden aan partners die inspanningen leveren om de democratie te verdiepen. In klare taal deelt de Europese Unie, die laks is met dictatoriale regimes, mee dat ze blijk zal geven van gestrengheid tegenover de nieuwe regimes die na vrije verkiezingen uit de stembus te voorschijn zullen komen ... Dit gezegd zijnde kan men zich verheugen over haar wil om het voortaan goed te doen. Maar het antwoord van Europa moet op het niveau staan van de nieuwe democratische horizon die zich aftekent voor ongeveer 280 miljoen burgers in de Arabische wereld, met als mogelijk model Tunesië en Egypte. En indien de Europese Unie opnieuw geloofwaardig wil worden voor de vrouwen en mannen die gevochten hebben — en nog moedig vechten — en die hun lot in eigen handen willen nemen, is het essentieel dat ze het beheer van het Euro-mediterraan partnerschap ten gronde herziet.
De doelstelling van deze resolutie is dan ook dat België, als lidstaat, er bij de Europese Unie voor pleit dat ze :
— in een eerste fase en op korte termijn het ENB laat evalueren door een onafhankelijke structuur;
— en in een tweede fase een hervormd beleid voorstelt met het oog op een nieuw Euro-mediterraan partnerschap gebaseerd op de waarden van de rechtsstaat, met oog voor de wederzijdse belangen van de lidstaten en de partnerlanden.
| Marie ARENA. Fatiha SAÏDI. Olga ZRIHEN. |
De Senaat,
A. gelet op de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 10 december 1948;
B. gelet op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;
C. gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie (artikelen 3 en 21), dat de bevordering van de mensenrechten en met name de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en van de fundamentele vrijheden centraal plaatst in het externe optreden van de Unie;
D. gelet op de verklaring van Barcelona tot oprichting van een Euro-mediterraan partnerschap, goedgekeurd op de Euro-mediterrane conferentie van de ministers van buitenlandse zaken die op 27 en 28 november 1995 werd gehouden en in het bijzonder op haar artikel 2 betreffende de rechten van de mens;
E. gelet op het Europees nabuurschapsbeleid dat sinds 2004 is ingesteld;
F. gelet op de actieplannen die werden goedgekeurd met de Palestijnse Autoriteit, Egypte, Israël, Jordanië, Libanon, Marokko en Tunesië;
G. gelet op de conclusies van de Associatieraad EU-Marokko van 13 oktober 2008, waarin aan Marokko een geavanceerde status werd toegekend;
H. gelet op de conclusies van de Associatieraad EU-Jordanië van 26 oktober 2010, waarin aan Jordanië een geavanceerde status werd toegekend;
I. gelet op de goedkeuring door de Europese Raad van Brussel van 13 en 14 maart 2008 van het proces van Barcelona : Unie voor het Middellandse Zeegebied en op de mededeling van de Commissie van 20 mei 2008 met als titel : « Het proces van Barcelona : Unie voor het Middellandse Zeegebied » (COM(2008)0319);
J. gelet op de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger/ondervoorzitter van de Commissie betreffende een partnerschap voor democratie en gedeelde welvaart met het zuidelijke Middellandse Zeegebied van 8 maart 2011 (COM(2011)0200);
K. gelet op de resolutie van het Europees Parlement van 7 april 2011 betreffende de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid — zuidelijke dimensie;
L. gelet op de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger/ondervoorzitter van de Commissie over Inspelen op de veranderingen in onze buurlanden (COM(2011)303);
M. gelet op de resolutie van de Belgische Senaat betreffende de « politieke situatie in Tunesië na de revolutie en de val van het regime van Ben Ali » van 3 maart 2011 (stuk Senaat 5-721/1);
N. gelet op de gezamenlijke mededeling van de Europese Commissie inzake migratie van 4 mei 2011 (COM(2011)248);
O. overwegende dat democratie en mensenrechten fundamentele beginselen zijn van de Europese Unie en dat zij de gemeenschappelijke waarden met de partnerlanden van het ENB moeten zijn;
P. gelet op de volksopstanden voor vrijheid, democratie en hervormingen, die plaatsvinden in Tunesië, Egypte, Libië, Syrië, Algerije, Marokko, Jordanië, waarvan er twee hebben geleid tot de val van dictatoriale regimes, te weten in Tunesië en Egypte;
Q. overwegende dat die gebeurtenissen met zich brengen dat de Europese Unie zich verheugt over de val van de bestaande dictaturen en de gewelddadige reacties van de overheden van de betreffende landen om de vreedzame manifestaties te onderdrukken in de rest van de Arabische wereld veroordeelt, alsook het proces van politieke, economische en sociale hervormingen politiek steunt;
R. overwegende dat de huidige volksopstanden de incoherentie en de gebreken van het Europees nabuurschapsbeleid aan het licht hebben gebracht en dat de doelstellingen inzake democratie, mensenrechten, politieke, sociale en institutionele hervormingen niet werden bereikt;
S. gelet op de verklaringen van de Europese Commissie van mei 2011 in haar COM (2011)303 :
— « uit de recente gebeurtenissen en de conclusies van de evaluatie is gebleken dat de EU-steun voor de politieke hervormingen slechts beperkte resultaten heeft opgeleverd »;
— « De nieuwe benadering moet gebaseerd zijn op wederzijdse verantwoordingsplicht en gemeenschappelijke inzet voor de universele waarden van mensenrechten, democratie en de rechtsstaat »;
— « De grotere EU-steun voor de buurlanden is voorwaardelijk. De steun hangt af van de vooruitgang die wordt geboekt bij het opbouwen en consolideren van de democratie en de naleving van de beginselen van de rechtsstaat. Hoe meer en sneller een land vooruitgang boekt bij zijn interne hervormingen, op hoe meer EU-steun het zal kunnen rekenen »;
— « Het stimuleren van de samenwerking met de Raad van Europa kan ook bijdragen tot een betere eerbiediging van de mensenrechten »;
— « Het Israëlisch-Palestijnse conflict en andere conflicten in het Midden-Oosten, de zuidelijke Kaukasus, Moldavië en de Westelijke Sahara blijven gevolgen hebben voor aanzienlijke bevolkingsgroepen, wakkeren radicalisering aan, verslinden aanzienlijke lokale en internationale middelen en vormen een grote belemmering voor hervormingen »;
— « Op het vlak van de arbeidsmobiliteit kunnen de EU en haar buurlanden elkaar aanvullen. De beroepsbevolking van Europa vergrijst en in bepaalde sectoren zullen er zich tekorten aan arbeidskrachten voordoen. De buurlanden beschikken over goed opgeleide, jonge en getalenteerde werknemers om die krapte op de arbeidsmarkt op te vangen. De EU is zich ervan bewust dat bij het aantrekken van die talentvolle arbeidskrachten risico's van braindrain kunnen optreden, waardoor aanvullende steunmaatregelen nodig kunnen zijn om de gevolgen te verzachten »;
— « Met het oog op een grotere mobiliteit van de burgers tussen partnerlanden en de EU, in het bijzonder voor studenten, onderzoekers en zakenmensen, roept de Commissie de lidstaten op om de mogelijkheden van de EU-Visumcode volledig te benutten »;
— « Geselecteerde zuidelijke buurlanden zullen ook de kans krijgen om zich voor te bereiden op toekomstige DCFTA-onderhandelingen »;
T. gelet op de resolutie van het Europees Parlement van 7 april, die oordeelt dat : « alleen als de Raad en de Commissie in staat zijn om lering te trekken uit het verleden en uit de actuele gebeurtenissen en zij een grondige en uitgebreide analyse kunnen opmaken van de tekortkomingen van het bestaande ENB, de EU de mogelijkheid krijgt om een geloofwaardig en effectief beleid te ontwikkelen ten aanzien van haar mediterrane partners »;
U. overwegende dat de financiering van het ENB de recente en komende ontwikkelingen in de regio moet weerspiegelen;
V. overwegende dat de staten-aandeelhouders van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) op 21 mei jongstleden het beginsel hebben goedgekeurd van een uitbreiding van haar investeringen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten;
W. overwegende dat de Unie voor het Middellandse Zeegebied zich momenteel in een impasse bevindt, met name na het onbepaalde uitstel van de tweede top van de staats- en regeringsleiders van de Unie voor het Middellandse Zeegebied en van de ministeriële vergaderingen alsook na het ontslag van haar secretaris-generaal;
X. overwegende dat er dringend twee onafhankelijke staten moeten worden opgericht, de staat Israël en de staat Palestina, die leefbaar en stabiel moeten zijn, in een omgeving die de veiligheid van de bevolking van elk van beide staten waarborgt en gelet op de rol die de Europese Unie kan spelen bij het oplossen van het conflict in het Midden-Oosten,
1. verheugt zich over de democratische veranderingen en de hoop op het tot stand komen van een rechtsstaat in Tunesië en in Egypte, steunt de volksbewegingen die nu in alle Arabische landen bestaan en veroordeelt het repressieve antwoord op de democratische verzuchtingen van de bevolking en op de vreedzame manifestaties van die bevolking krachtig;
2. beklemtoont hoe essentieel een nieuw Euro-mediterraan partnerschap, gebaseerd op de waarden van de rechtsstaat en rekening houdend met de wederzijdse belangen van de lidstaten en van de partnerlanden, is;
3. dringt erop aan dat over dit nieuwe beleid wordt overlegd met alle democratische en representatieve bestanddelen van de mediterrane samenlevingen, ook met het maatschappelijk middenveld (vakbonden, NGO's, verenigingen, enz.);
4. pleit ervoor dat alle diensten met als taak de tenuitvoerlegging van het ENB een interne audit ondergaan, vooral inzake de wijze waarop de doelstellingen van democratie en mensenrechten, de rechtsregel en het goed bestuur sinds 2004 in acht werden genomen bij het sluiten van associatieverdragen en het toekennen van de geavanceerde status;
5. vraagt de Europese Unie een mechanisme tot stand te brengen met het oog op de toepassing van de « mensenrechtenclausule » in alle akkoorden met derde landen;
6. vraagt de Europese Unie de momenteel bestaande meerjarenakkoorden en financieringen met Egypte en Tunesie gedurende de hervorming van het ENB tijdelijk op te schorten en de beschikbare middelen te heroriënteren naar jaarprojecten die kunnen worden ingediend door een representatief en pluralistisch middenveld;
7. onderstreept dat alle vereiste maatregelen moeten worden genomen, met name voldoende financiële middelen, human resources en technische middelen om te garanderen dat de partnerlanden buiten Europa die geconfronteerd worden met verplaatsingen van de bevolking, die het hoofd kunnen bieden;
8. beklemtoont het belang van de vakbonden en van de sociale dialoog bij de democratische ontwikkeling van de partners in het zuiden; moedigt hen aan het arbeidsrecht en de vakbondsrechten te versterken;
9. verzoekt de Europese Unie inzake het Euro-mediterraan partnerschap samen te werken met de parlementaire assemblee van de OVSE, zoals ze van plan is met de Raad van Europa te doen;
10. verzoekt de Europese Unie projecten van gemeenschappelijk belang te ontwikkelen inzake competenties en human resources, die het verkeer van de bevolking van de partnerlanden ten goede komen en wel in een win-win situatie zowel voor die landen als voor de Europese Unie;
11. verzoekt de Europese Unie voor een versterking van de mobiliteit van de burgers tussen de partnerlanden en de EU te zorgen, die verder reikt dan studenten, onderzoekers en zakenmensen en de EU-Visumcode uit te breiden tot het maatschappelijk middenveld en tot eenieder die steekhoudende argumenten heeft voor een verblijf in de Unie;
12. verzoekt de Europese Unie de ondertekening van handelsakkoorden met de landen van de regio afhankelijk te maken van studies naar de impact op de economische en sociale omstandigheden en zich ervan te vergewissen dat de sociale en economische normen in de context van die akkoorden werkelijk worden geëerbiedigd.
15 juni 2011.
| Marie ARENA. Fatiha SAÏDI. Olga ZRIHEN. |