5-1128/1

5-1128/1

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

28 JUNI 2011


Voorstel van resolutie voor een houding van actief pluralisme in functie van het dragen van religieuze kenmerken van ambtenaren in publieke functies

(Ingediend door de heer Bert Anciaux)


TOELICHTING


Met de Verlichting en de Moderniteit declameerde het Westen fundamentele waarden als leidraad voor de organisatie van de gemeenschap. Deze waarden, zoals onder andere waarborg op vrije meningsuiting, een streven naar gelijke kansen en rechtmatige behandeling vonden hun vertaling in de rechtsstaat en werden beklonken in verdragen zoals de teksten over de rechten van de mens. Daarbij verliet men het prerogatief van één overheersend mens- en maatschappijbeeld. De eerste « golf » van de Verlichting, met onder andere D. Erasmus en T. More, beklemtoonde juist daarom het grote belang van een « ontmoeting » van verschillende visies en streefde bewust naar een dialoog binnen de krijtlijnen van wederzijds respect. Daardoor zouden samenlevingen zich verrijken en juist in en door hun diversiteit een maatschappelijke consensus creëren. Toen stond het samenleven van verschillende religies centraal, waarbij elke beleving — bij uitbreiding culturele eigenheid — een volwaardige plaats verdiende, naast doch niet onder of boven andere.

De tweede golf, met R. Descartes als belangrijkste exponent, introduceerde de empirie als wetenschappelijke methode om de waarheid te vatten. Bij deze benadering stond een onbevangen en neutrale attitude garant voor een zo waardevrij mogelijk onderzoek. Daardoor zouden onderzoeksresultaten zo waarachtig mogelijk zijn, niet verstoord door het geruis van overtuigingen of geloof. Deze tweede golf legde de basis voor veel wetenschappelijke vooruitgang, ook al leerden de voorbije eeuwen dat deze methodes regelmatig in hun eigen staart beten.

De relatie tussen deze twee tendensen binnen de Verlichting kan helder worden beschreven. De klassiek wetenschappelijke empirie, uitgebreid met recentere invullingen zoals de falsificatie (K. Popper) geldt ontegensprekelijk voor alles wat de exacte wetenschappen betreft. Daarbij is het nodig, zoals R. Descartes stelde, om het eigen hoofd te neutraliseren. Maar voor vragen die de exacte wetenschappen overstijgen, vaak geworteld in de menselijke diepte (zingeving, relaties, menswetenschappelijke aspecten, ...), werkt deze klassiek wetenschappelijke aanpak contraproductief. Geen mens kan zich in zulke zaken neutraal opstellen, de eigen persoonlijkheid, ervaringen en overtuigingen vormen een levendig referentiekader dat kleurt en eigen perspectieven schetst. Voor de eerste golf van de Verlichting vormt deze benadering een voorwaarde. Ze streeft bewust naar ruimte voor een georganiseerde ontmoeting van deze grote diversiteit in meningen en geloof. Daarbij gelden echter onverkort en onaantastbaar de basiswaarden die hun beslag vonden in de rechtsstaat en de principes daarin vertaald : de vrije uitwisseling van ideeën, het verzet tegen een beklemmende hegemonie, rechten van de mens. Deze ondergrens mag nooit worden opgegeven, deze (voor)waarden vormen een ondoordringbare bodem.

I. Kant, de grootste filosoof van de Verlichting, trachtte heel expliciet de thema's of vragen die hij als noumenaal bestempelde (ethiek, religie, moraliteit, ...) buiten de klassiek empirische rationaliteit te houden. Daarmee verzoende hij de eerste en tweede golf van de Verlichting.

Het mag eigenaardig en zelfs verontrustend worden genoemd dat de eerste golf van de Verlichting blijkbaar in de vergetelheid sukkelde. Zo pleiten nogal wat maatschappelijke tenoren, met de Verlichting als referentie, voor een toepassing van de neutraliteit met alle kenmerken van de tweede golf, op menselijke en maatschappelijke situaties. Toch was en is deze aanpak daarvoor geschikt noch bedoeld. Want deze benadering gaat helemaal voorbij aan de sterke en hoge nood aan expliciete maatschappelijke discussie, debat en verkenningen van overtuigingen, dit vanuit een weliswaar kritisch maar basaal constructief en optimistisch perspectief.

De emanatie van deze eenzijdige en te beperkte invulling van het Verlichtingsideaal toont zich overduidelijk in de negatieve perceptie van uiterlijke religieuze of ideologische kenmerken. Daarbij speelt niet zozeer een verwijzing naar het recente maar ongerijmde voorstel van een collega om dergelijke outing zelfs te verbieden voor medewerkers van parlementairen of zelfs voor parlementairen zelf. De schriftuur en lezing van dit voorstel bewijzen meteen de totale absurditeit ervan. Meer ernstig dienen de beslissingen van sommige lokale overheden genomen, die een verbod uitvaardigden voor ambtenaren met een publieke functie om op welke wijze dan ook een religieuze of ideologische overtuiging kenbaar te maken in hun kleding of accessoires. Daarbij fungeert het principe van een neutrale dienstverlening als belangrijkste argument, vreemd genoeg met referenties aan de Verlichting. Deze beslissingen zijn erg verontrustend, want ze illustreren een gevaarlijke tendens tot onverdraagzaamheid, ze ontkennen het belang van een ontmoeting van verschillen en miskennen de keuze van sommige mensen om zich heel uitdrukkelijk tot een bepaald geloof of overtuiging te bekennen. Deze analyse onderschrijft de nood — vanzelfsprekend — aan een optimale dienstverlening vanwege de overheid. Elke ambtenaar, op welke plaats of in welke functie ook, is ex officio verplicht om de vraag van elke burger op een gelijk- en evenwaardige wijze te beantwoorden. Daartoe werd hij/zij aangeworven of aangesteld, daarop wordt hij/zij systematisch geëvalueerd, daarvoor betaalt de gemeenschap. Daarin maakt een fysieke verschijning geen enkel verschil, bijna integendeel, want in deze ontmoetingen staat de kwaliteit van de ambtenaar nog meer volop voor het voetlicht, veel meer dan in een back office, of via de telefoon of geschreven communicatie. Indien mogelijke vooringenomenheid zou spelen bij een ambtenaar, dan bevindt deze zich letterlijk eerder tussen de twee oren, dan via expliciete gedragingen of verwoordingen.

Het verbod voor ambtenaren om uiterlijke religieuze en andere symbolen te tonen gaat ook voorbij aan een belangrijke identiteitsvraag. Voor sommige mensen, vanuit religieuze of andere inspiraties, betekenen deze symbolen een bijzondere, soms noodzakelijke uiting van hun overtuiging of keuze. Deze uiterlijkheid vormt een integraal deel van wat zij als hun identiteit definiëren. Het verbieden van dergelijke keuze betekent meteen het ontkennen van een cruciale waarde van de Verlichting, namelijk respect voor elke eigenheid en de overtuiging van de noodzaak aan ontmoeting van diversiteit, omwille van het waardevolle effect ervan. Uiteraard spelen hier grenzen, bijvoorbeeld indien de mens onherkenbaar wordt bij een fysiek contact of wanneer de attributen een gevaar zouden betekenen (bij bepaalde machines of bezigheden). Dit zijn echter uitzonderlijke situaties die gelden voor elke vorm van kleding of accessoires, ongeacht de visie of keuze die er achter schuilen (bijvoorbeeld van esthetische aard). Een verbod op bijvoorbeeld religieuze uiterlijke kenmerken betekent meteen dat een aantal mensen wordt uitgesloten van bepaalde overheidsfuncties, kortom discriminatie van personen voor wie juist deze uiterlijkheden onlosmakelijk bij hun identiteit behoren. Ook hier klinkt een bevreemdend argument, waarbij men dit verbod vergoelijkt omdat het uiterlijk kenmerk juist emancipatie zou fnuiken ... terwijl de maatregel net dit ongewenste effect sorteert. De wijze waarop bijvoorbeeld Angelsaksische landen zich in deze zaken profileren, bewijst dat — zelfs bij geüniformeerde beambten — de identiteit probleemloos zichtbaar blijft.

Het mag niet worden ontkend dat dit verbod zich manifesteert op het moment dat vooral moslima's hun intrede deden op de arbeidsmarkt, ook bij lokale besturen. Daarmee wekt deze restrictieve aanpak een terechte argwaan dat hier in de feiten vooral moslimgelovigen worden geviseerd. Al die voorbije decennia tilde blijkbaar niemand aan de zichtbaarheid van andere symbolen (kruisjes, bepaalde T-shirts of haardrachten, enz.). Westerse gemeenschappen tellen steeds meer moslims, waar vele gelovigen hun religie op een erg uitgesproken wijze belijden — zoals ook bij de joden, hindoes, sikhs, enz. voorkomt. Deze maatregel gekoppeld aan dit tijdsscharnier illustreert, bewust of onbewust, een vorm van islamofobie. De beoogde personen en hun geloofsgemeenschappen voelen zich terecht geviseerd en meteen ook geschoffeerd. Dit soort maatregels en de argumentatie en media-aandacht daaromtrent, brengt gelovige mensen, bij uitstek moslims, in een defensieve en oncomfortabele situatie. De meerderheid ervan, meestal de progressieve krachten, worden hierdoor gefnuikt in hun streven naar een open en constructief samenleven met andere culturen en religies. Ook hier verwekt dit verbod een anti-emancipatorisch effect, haaks op wat de Verlichting beoogde.

Dit voorstel van resolutie beoogt een formeel en publiek statement, waarin de Senaat zich expliciet uitdrukt tegen een verbod op het dragen van uiterlijke religieuze en andere kenmerken voor ambtenaren, ongeacht de plaats of positie waarin ze worden ingezet. De resolutie steunt enerzijds op principes die onder andere wortelen in de Verlichting, die uitdrukking geven aan respect voor diversiteit en het geloof dat ontmoetingen van overtuigingen leiden naar verrijking en verruimde menselijke en maatschappelijke perspectieven. Anderzijds beklemtoont deze resolutie de nood aan een optimale publieke dienstverlening, die op generlei wijze wordt bedreigd indien ambtenaren, binnen de perken van veiligheid en gekaderd binnen adequate evaluatie- en controlesystemen, hun levensbeschouwelijke of ideologische keuze uiten, voor zover deze keuze zich niet uitspreekt tegen de basiswaarden van een moderne, open en pluralistische democratie.

Met dit voorstel van resolutie geeft de Senaat eveneens blijk van bezorgdheid over de wijze waarop de basiswaarden van de Verlichting, onder het mom van neutraliteit en waardevrijheid, met de voeten worden getreden.

Bert ANCIAUX.

VOORSTEL VAN RESOLUTIE


De Senaat,

A. verontrust door de beslissing van sommige overheden waarbij het ambtenaren wordt verboden om uiterlijke religieuze of ideologische en andere kenmerken te tonen tijdens de uitoefening van hun ambt;

B. verwijzend naar de principes van onder andere de Verlichting, de rechtsstaat, de Universele Verklaring van de rechten van de mens;

C. het belang beklemtonend van het feit dat alle mensen, dus ook ambtenaren, over het recht beschikken om — binnen de perken van veiligheid en andere uitzonderlijke omstandigheden — uiting te geven aan hun identiteit, ook indien deze wordt geuit door uiterlijke kenmerken;

D. bevestigend dat niemand mag worden verplicht tot het belijden van een godsdienst of overtuiging en dat iedereen beschikt over een vrije keuze tot religie, ideologie of overtuiging;

E. overtuigd dat ambtenaren, ongeacht hun persoonlijke overtuiging, een optimale publieke dienstverlening kunnen waarborgen, onder andere door hun gerichte rekrutering, door hun persoonlijke deontologie en door interne en externe systemen van evaluatie en kwaliteitscontrole;

F. onderlijnend dat de overheid als werkgever een voorbeeldfunctie moet opnemen;

G. bekommerd om de optimale kansen voor tewerkstelling, zeker voor groepen die door hun etnisch-culturele identiteit hierbij extra moeilijkheden ondervinden;

H. het belang beklemtonend van het feit dat alle overheidsfuncties van welke aard of niveau ook, toegankelijk moeten zijn voor alle geschikte kandidaten, ook deze die er voor kiezen om hun identiteit te uiten via uiterlijke kenmerken en daarmee ook de kans dat dit personeelsbestand een weerspiegeling biedt van de diversiteit van de Belgische bevolking,

Vraagt de regering :

1. op geen enkele wijze, op geen enkele plaats en in geen enkele omstandigheid — behoudens redenen van veiligheid of andere uitzonderlijke condities — een verbod voor ambtenaren op het dragen van uiterlijke religieuze en ideologische kenmerken goed te keuren voor alle diensten van de federale overheid en de aan de federale overheid verbonden overheidsbedrijven;

2. expliciet te ijveren om het personeelsbestand van de federale overheid en de aan de federale overheid verbonden overheidsbedrijven zo in te vullen dat het in zo groot mogelijke mate een weerspiegeling vormt van de sociaal- en etnisch-culturele variatie van ons land en hieromtrent verder actieplannen te ontwikkelen;

3. op actieve en expliciete wijze te zoeken naar mogelijkheden om ook het geüniformeerde personeel van de federale overheid (politie, leger, douane, civiele bescherming, enz.) optimale kansen te bieden hun identiteit te tonen, overeenkomstig de wijze waarop dit onder andere in Angelsaksische landen wordt ingevuld.

26 april 2011.

Bert ANCIAUX.