5-1067/1

5-1067/1

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

7 JUNI 2011


Wetsvoorstel tot wijziging van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de tucht

(Ingediend door de heer Francis Delpérée c.s.)


TOELICHTING


Dit voorstel vertaalt de tuchtnota die in 2009 in de Atomium-groep besproken is, naar het Gerechtelijk Wetboek.

Die nota wijst erop dat de tucht op het niveau van de magistratuur ondanks twee wetgevende hervormingen nog steeds aan kritiek onderhevig is, met name wat de rol van het openbaar ministerie betreft, en dat om aanpassingen in de wetgeving is verzocht, in het bijzonder door het Hof van Cassatie en de Nationale Tuchtraad.

Uit de actualiteit van de jongste maanden is gebleken dat de toepassing van het huidige tuchtstelsel problematisch is.

De centrale rol die in het kader van de huidige tuchtprocedure toebedeeld wordt aan de korpschef is een pijnpunt gebleken, vermits het openbaar ministerie een tuchtdossier wel bij een korpschef aanhangig kan maken maar geen enkel rechtsmiddel ter beschikking heeft wanneer geen enkele tuchtstraf of ordemaatregel bedoeld in artikel 406 van het Gerechtelijk Wetboek uitgesproken is.

Voor sommige korpschefs lijkt het een lastige opgave om hun medewerkers een tuchtstraf op te leggen. Dit voorstel wil voldoende afstand creëren tussen de betrokkene, de korpschef, de overheid die de feiten onderzoekt en zij die in voorkomend geval een tuchtstraf oplegt. Desalniettemin kan de korpschef onmogelijk geheel buiten de tuchtprocedures gelaten worden. Als hoofd van een instelling van de rechterlijke orde is hij in de eerste plaats verantwoordelijk voor de goede werking, de naleving van de deontologische regels en het behoud van het vertrouwen in die instelling.

Hij moet dan ook in de eerste plaats beoordelen of de feiten die een medewerker ten laste worden gelegd, ter kennis moeten worden gebracht van de tuchtrechtbank overeenkomstig artikel 404 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangezien de ordemaatregelen bedoeld in artikel 406 per definitie maatregelen zijn die snel moeten worden genomen, blijven zij een bevoegdheid van de korpschef of van de hiërarchische meerdere.

Die moet het ongemak inschatten dat veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van de persoon ten aanzien van wie tuchtrechtelijke feiten ten laste gelegd worden.

De korpschef maakt de zaak onverwijld aanhangig bij de bevoegde tuchtrechtbank opdat zij een tuchtonderzoek naar de feiten voert.

De tuchtrechtbank licht de overheid bedoeld in artikel 412, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, in over de stand van de tuchtprocedure, zodat zij kan oordelen of de verlenging van de ordemaatregel al dan niet noodzakelijk is.

Teneinde de onafhankelijkheid van het tuchtorgaan te garanderen, met gewaarborgde onafhankelijkheid van de magistraten bij de uitoefening van hun ambt, worden de nieuwe rechtbanken die als zodanig een plaats bekleden binnen de rechterlijke orde niet ondergebracht bij bestaande rechtbanken van die orde.

Eén tuchtrechtbank wordt opgericht voor de Nederlandstalige leden en de personeelsleden van de rechterlijke orde en één tuchtrechtbank wordt opgericht voor de Franstalige en Duitstalige leden en de personeelsleden van de rechterlijke orde.

Het tuchtstelsel dat toepasselijk is op de magistraten, geldt eveneens voor de personeelsleden van de rechterlijke orde, aangezien zij — weliswaar onrechtstreeks — deel hebben aan de werking van het openbaar ministerie of van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde.

Aangezien het tuchtcontentieux beperkt is, zullen de tuchtorganen in principe geen permanent karakter hebben. Toch kan een detachering van de gemandateerde magistraten met het oog op de samenstelling van de tuchtrechtbank overwogen worden indien blijkt dat het contentieux een voltijdse detachering vereist, met een vervanging van die magistraat binnen zijn oorspronkelijk korps.

De preconstituante heeft geoordeeld dat de bepaling van artikel 151 van de Grondwet niet voor herziening vatbaar hoeft te worden verklaard. Dat artikel verbiedt de Hoge Raad voor de Justitie tuchtrechtelijke en strafrechtelijke bevoegdheden uit te oefenen, maar verleent hem bevoegdheden inzake extern toezicht op de algemene werking van de rechtscolleges en inzake werving van magistraten. Aldus kreeg de Hoge Raad voor de Justitie, ondanks het verzoek in zijn bijzonder onderzoeksverslag met betrekking tot de werking van de rechterlijke orde naar aanleiding van de Fortis-zaak, die bevoegdheid niet toegekend.

Hij behoort evenwel de magistraten voor te dragen die hij het meest competent acht om zitting te hebben in de tuchtrechtbanken.

Vermits de Grondwet eender welke tuchtrechtelijke rol voor de Hoge Raad voor de Justitie uitsluit en de tuchtrechtbanken hoofdzakelijk kennis zullen nemen van klachten met tuchtrechtelijk karakter, kent dit voorstel voorts geen enkele mogelijkheid toe aan de Hoge Raad voor de Justitie om een zaak rechtstreeks aanhangig te maken bij die rechtbanken. Niettemin kan de Hoge Raad voor de Justitie, naar het voorbeeld van alle belanghebbende derden, zich in die zin richten tot de korpschefs of tot het openbaar ministerie.

Het was noodzakelijk om de tuchtregeling toe te vertrouwen aan de rechtscolleges van de rechterlijke orde, aangezien krachtens artikel 152 van de Grondwet geen rechter uit zijn ambt kan worden ontzet of worden geschorst dan door een vonnis.

Dat idee was overigens reeds bepleit door magistraten van het openbaar ministerie ter gelegenheid van de hervorming van 1999 (Stuk Kamer 1666/5/5 — 97/98 blz. 58). Datzelfde idee is tevens naar voren gebracht door de Adviesraad van de magistratuur in zijn advies betreffende de tucht van de magistraten van de rechterlijke orde, goedgekeurd door de algemene vergadering van 18 maart 2010.

Aangezien artikel 153 van de Grondwet niet vatbaar voor herziening is verklaard, behoort dit voorstel de bevoegdheid van de Koning inzake de afzetting van de magistraten van het openbaar ministerie in acht te nemen.

Behoudens de uitspraak tot afzetting van de magistraten van het openbaar ministerie, verleent dit voorstel derhalve aan een niet-permanente rechtbank die daartoe opgericht wordt binnen de rechterlijke orde, de bevoegdheid tot het onderzoeken en bestraffen, in voorkomend geval, van de feiten die indruisen tegen artikel 404 van het Gerechtelijk Wetboek met een straf bepaald in artikel 405 of een maatregel bedoeld in artikel 407 van het Gerechtelijk Wetboek.

Het ambt van lid van die rechtbanken wordt toegevoegd aan het ambt dat zij uitoefenen binnen het rechtscollege waarin zij benoemd of aangewezen zijn. De keuze voor de oprichting van nieuwe rechtscolleges is ingegeven door het streven naar een versterkte onafhankelijkheid van de leden van die rechtscolleges en door de gemengde samenstelling ervan.

De wijziging van artikel 157 van de Grondwet maakt voortaan de aanwijzing van assessoren uit de magistraten van het openbaar ministerie en uit de personeelsleden van de rechterlijke orde mogelijk. De beoogde specialisering van die rechtscolleges verklaart waarom die tuchtrechtbanken niet samengesteld zijn uit louter magistraten van de zetel. De samenstelling ervan varieert naargelang het ambt van de persoon die tuchtrechtelijk vervolgd wordt.

Voor elk dossier dat aanhangig gemaakt wordt bij de rechtbank, wordt een kamer samengesteld uit twee magistraten van de zetel die aangewezen zijn voor een mandaat van zeven jaar door de minister van Justitie op voordracht van de Hoge Raad voor de Justitie en uit een lid-assessor dat aangewezen is uit een federale pool van magistraten en van personeelsleden van dezelfde taalrol, afkomstig uit de verschillende rechtsgebieden. De leden van die pool worden respectievelijk aangewezen als assessor door de gerechtelijke overheden of door de minister van Justitie, voor een termijn van zeven jaar, uit de magistraten of uit het gerechtspersoneel dat er reeds minstens tien jaar werkzaam is en geen tuchtrechtelijke antecedenten heeft.

De korpschefs en de leden van de Hoge Raad voor de Justitie mogen geen zitting hebben in een tuchtrechtbank.

Ter vrijwaring van de onpartijdigheid van de rechtbank wordt voor elk dossier erop toegezien dat er geen enkel lid van de kamer werkzaam is in dezelfde entiteit als de persoon die tuchtrechtelijk wordt vervolgd.

De personeelsleden van de rechterlijke orde en de magistraten die zijn aangewezen als assessor om deel uit te maken van het tuchtorgaan bezitten voor de uitoefening van hun rechtsprekende opdracht de hoedanigheid van rechter in de tuchtzaak die bij de rechtbank aanhangig is gemaakt.

De magistraten die zitting hebben in de tuchtrechtbanken kunnen gewraakt worden door de betrokkene.

Aan elke tuchtrechtbank of tuchtrechtbank in hoger beroep wordt een magistraat toegevoegd die aangewezen is door de Koning op voordracht van de Hoge Raad voor de Justitie voor een mandaat van zeven jaar om onderzoek te voeren in het kader van de tuchtprocedures middels terechtzittingen, confrontaties, raadpleging van strafdossiers, aanwijzing van een of meer deskundigen, en verzoeken om inlichtingen, met uitzondering van onderzoekshandelingen die onverenigbaar zijn met de uitoefening van een tuchtvordering, zoals elke dwangmaatregel ten aanzien van personen en hun goederen. In die zin lijkt het logisch om die taak van onderzoeksmagistraat toe te vertrouwen aan een lid van het openbaar ministerie.

Het onderzoek naar een tuchtrechtelijke klacht gebeurt door een magistraat die niet mag behoren tot het rechtsgebied waarin de betrokkene werkzaam is.

De tuchtprocedure wordt ingesteld aan de hand van de indiening van een klacht bij de voorzitter van de tuchtrechtbank. Hij wijst indien nodig een onderzoeksmagistraat aan voor onderzoek naar de klacht.

De onderzoeksmagistraat bezorgt na het onderzoek het tuchtdossier aan de voorzitter van de tuchtrechtbank die beslist of de aanhangigmaking bij het tuchtorgaan noodzakelijk is en vervolgens de zaak vaststelt.

De magistraat van het openbaar ministerie bij het gerecht waar de betrokkene werkzaam is, kan hoger beroep aantekenen tegen de beslissing van de voorzitter van de tuchtrechtbank, die hetzij de klacht onontvankelijk of kennelijk ongegrond verklaart, hetzij na onderzoek beslist geen vervolging in te stellen.

De tuchtorganen zullen in alle onafhankelijkheid werken. Voor de uitoefening van hun ambt binnen de tuchtorganen worden de leden van die organen niet onderworpen aan een evaluatie in hun oorspronkelijk korps.

Een tuchtvordering kan in voorkomend geval ingesteld worden tegen een lid van een tuchtorgaan wegens feiten die hem ten laste kunnen worden gelegd in zijn hoedanigheid van lid van de entiteit waar hij werkzaam is. Die vordering wordt net als alle andere tuchtvorderingen ingesteld door de bevoegde overheid op grond van artikel 412 van het Gerechtelijk Wetboek.

De magistraat met de meeste anciënniteit van de zetel van de pool van magistraten die op voordracht van de Hoge Raad voor de Justitie aangewezen zijn om zitting te hebben in de tuchtorganen, stelt de kamer samen voor elk dossier dat verzonden wordt naar de rechtbank. Net als ieder ander lid van de tuchtorganen mag hij enkel zitting hebben indien hij niet behoort tot dezelfde entiteit als de persoon tegen wie een tuchtprocedure loopt.

Aangezien een tuchtprocedure snel moet verlopen indien zij enige zin wil hebben, beoogt dit voorstel versnelde tuchtprocedures. Vandaar de vaststelling van termijnen voor het onderzoek en het uitspreken van een vonnis of arrest.

Hoewel de strafvordering geen schorsende werking heeft ten aanzien van de tuchtvordering, kan het nuttig blijken de afsluiting van de strafvordering af te wachten alvorens een tuchtstraf uit te spreken. Daarom is bepaald dat de tuchtrechtbank binnen de termijnen die zijn vastgesteld voor de uitspraak, een vonnis kan uitspreken dat de beslissing opschort tot de definitieve strafvordering.

Ten slotte zal de tuchtrechtbank met het oog op transparantie in de tuchtprocedures die van toepassing zijn op de magistraten en op het gerechtelijk personeel, jaarlijks een rapport publiceren, met een overzicht van de genomen beslissingen, de bewezen geachte feiten en de uitspraken zonder dat de identiteit van de bestrafte persoon kenbaar wordt gemaakt.

TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN

Artikelen 2 tot 5 en 8

Aangezien de tuchtorganen in de rechterlijke orde ondergebracht worden, regelt het Gerechtelijk Wetboek de organisatie, de bevoegdheden, de wijze van benoeming en de duur van de ambten van de leden ervan, naar aanleiding van de wijziging van de Grondwet.

De tuchtrechtbank zal enerzijds zijn samengesteld uit magistraten die houder zijn van mandaten in de tuchtorganen en die zijn aangewezen op voordracht van de Hoge Raad voor de Justitie en anderzijds uit leden-assessoren die de rechtbank duiding zullen geven over de aard van het werk van de betrokkene.

De artikelen 58, 58bis en 259bis-10, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, zijn aldus aangevuld opdat dit nieuw soort mandaten kan worden verleend aan de magistraten van de tuchtrechtbank en aan de onderzoeksmagistraten. De benoemingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie behoort de kandidaten voor te dragen met het oog op een benoeming als « rechter in de tuchtrechtbank, raadsheer in de tuchtrechtbank in hoger beroep en onderzoeksmagistraat in de tuchtrechtbank ».

Om die taken te kunnen uitvoeren, worden de magistraten in de tuchtrechtbank aangewezen voor een periode van zeven jaar uit de magistraten die gedurende ten minste tien jaar een ambt als magistraat van de rechterlijke orde hebben uitgeoefend en die nog nooit een tuchtstraf hebben gekregen.

De kandidaturen moeten vergezeld gaan van de schriftelijke adviezen van de korpschefs van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij het rechtscollege waar zij werkzaam zijn.

Thans vereist het tuchtcontentieux niet dat de magistraten zouden worden aangewezen met het oog op de voltijdse uitoefening van hun ambten in de tuchtorganen. Niettemin is bepaald dat zij dat wel kunnen indien de contentieux dat rechtvaardigt.

De korpschefs en de leden van de Hoge Raad voor de Justitie mogen niet worden aangewezen als leden van de tuchtorganen.

De magistraten van de tuchtrechtbank kunnen geen opdracht aanvaarden zoals bedoeld in de artikelen 308, 323bis, 327 en 327bis, met name openbare ambten bij internationale of buitenlandse instellingen, opdrachten in dienst van de Koning of bij de federale overheidsdiensten (beleidsorganen en secretariaten) of bij regeringscommissies, -instellingen of -diensten, het Coördinatieorgaan voor dreigingsanalyse en de Cel voor financiële informatieverwerking.

Hun mandaat neemt automatisch een einde wanneer hun een tuchtstraf wordt opgelegd.

In die zin is een nieuw artikel 259sexies/1 opgesteld en ingevoegd in het Gerechtelijk Wetboek.

De installatie van alle magistraten in de tuchtrechtbank geschiedt tegelijk met de eedaflegging voor een kamer van het hof van beroep in het rechtsgebied waar de tuchtrechtbank gevestigd is, voorgezeten door de eerste voorzitter of door de raadsheer die hem vervangt, of voor de vakantiekamer.

Artikelen 6 en 11

Artikel 360quater van het Gerechtelijk Wetboek verbindt thans automatisch financiële consequenties aan de beoordeling « onvoldoende » ten aanzien van een magistraat die onderworpen is aan periodieke beoordeling, maar dit onverminderd de « tuchtrechtelijke gevolgen ». Indien de tuchtstraf echter een inhouding van de wedde meebrengt, kan de betrokken persoon twee keer worden bestraft. De wijziging in het voorstel strekt ertoe deze dubbele straf te voorkomen.

Artikel 11 van dit voorstel schrapt dit automatisch verlies gedurende zes maanden van de laatste driejaarlijkse verhoging, en vervangt het door ambtshalve aanhangigmaking bij de tuchtrechtbank wanneer de magistraat voor de tweede keer de beoordeling « onvoldoende » heeft verkregen.

In de toekomst wordt een dossier na de tweede beoordeling « onvoldoende » overgezonden aan de tuchtrechtbank die zal beslissen over de straf die de betrokken persoon moet worden opgelegd.

Door dit voorstel wordt de korpschef dus impliciet ertoe verplicht eerst te zoeken naar oplossingen met het oog op het verbeteren van het werk van de magistraten die niet voldoen, en zal hij zich niet meer kunnen beperken tot een bestraffing van geldelijke aard in het kader van de evaluatie.

Aangezien de magistraten van de zetel voor het leven zijn benoemd en een rechter krachtens artikel 152 van de Grondwet niet uit zijn ambt kan worden ontzet dan door een vonnis, kan enkel via de verzending van een dossier naar de tuchtrechtbank aan de loopbaan van een zittende magistraat een einde worden gesteld wegens feiten die een tuchtstraf verdienen.

Omdat in artikel 153 van de Grondwet is bepaald dat de Koning de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken benoemt en ontslaat, zal het niet de tuchtrechtbank zelf maar de Koning zijn die in voorkomend geval een einde kan maken aan de ambten van de leden van het openbaar ministerie. Met het oog op de versterking van de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie zal dit dossier echter eerst worden behandeld door de tuchtrechtbank, die een voorstel tot afzetting zal overzenden aan de Koning indien de tuchtrechtbank meent dat het slechte werk van de magistraat moet leiden tot diens afzetting. De Koning kan slechts afwijken van het voorstel van de tuchtrechtbank door zijn beslissing met redenen te omkleden.

De aanhangigmaking bij de tuchtrechtbank impliceert uiteraard niet automatisch dat het ambt van de onbekwame magistraat wordt beëindigd. In voorkomend geval kan een andere straf voldoende zijn. Sommige straffen hebben een weerslag op de wedde of op het ambt van de bestrafte magistraat.

Artikel 7

Dit artikel schrapt het verlies van de uitwerking van de eerstvolgende tussenverhoging voor de personeelsleden die tijdens hun evaluatie de vermelding « onvoldoende » hebben gekregen.

Het stelsel is gebaseerd op het stelsel dat geldt voor de magistraten.

Artikel 9

Er is bepaald dat de installatie en de eedaflegging van de leden van de tuchtorganen moet geschieden voor een kamer van het hof van beroep in het rechtsgebied waar de tuchtrechtbank gevestigd is, voorgezeten door de eerste voorzitter of door de raadsheer die hem vervangt of voor de vakantiekamer.

Artikel 10

Deze wijziging is het gevolg van het feit dat de hoven niet langer tuchtrechtelijke bevoegdheden uitoefenen. Artikel 341, § 4, wordt bijgevolg opgeheven.

Artikel 12

De strafmaat van de tuchtrechtelijke straffen wordt aangepast volgens het model van het besluit van 2 oktober 1937 dat van toepassing is op de ambtenaren.

De afstemming van de strafmaat op die van het besluit van 1937 is gekoppeld aan het protocol dat de minister van Justitie en de vakorganisaties in 2003 voor het personeel hebben ondertekend.

De gevolgen van dit voorstel voor de straffen en de duur van deze straffen houden echter rekening ermee dat het hierbij de bedoeling is de regels vast te leggen die van toepassing zijn op de leden en de personeelsleden van de rechterlijke orde. Hun hoedanigheid impliceert dat zij meer dan wie ook erop moeten toezien dat zij de regels inzake deontologie en de goede werking van hun organisatie in acht nemen en dat zij rekening houden met de impact van hun gedrag op het vertrouwen van de burger in justitie.

Behoudens de afzetting van de magistraten van het openbaar ministerie worden alle straffen uitgesproken door de tuchtrechtbank. Het onderscheid tussen een lichte en een zware straf is niet meer van belang en verdwijnt.

De periode waarin de inhouding van de wedde kan worden toegepast is vastgesteld op vijftien dagen tot een jaar, zodat de tuchtorganen de mogelijkheid hebben om straffen uit te spreken die zoveel mogelijk in verhouding staan tot de bestrafte gedragingen.

Voorts is voortaan voorzien in de overplaatsing bij tuchtmaatregel als tuchtstraf. Deze nieuwe straf is gerechtvaardigd aangezien in bepaalde gevallen pas door overplaatsing van de dader van de feiten een einde kan worden gemaakt aan het klimaat dat ontstaat onder invloed van welbepaald gedrag. Die straf zou ook kunnen worden toegepast na twee beoordelingen met de vermelding « onvoldoende » indien blijkt dat de betrokkene efficiënter zou zijn in een andere structuur.

De overplaatsing bij tuchtmaatregel mag niet worden verward met de voorrechten van de korpschef of van de hiërarchische meerdere om elke organisatiemaatregel te nemen die noodzakelijk is voor de werking van zijn organisatie. Zonder dat het om een tuchtstraf gaat, kunnen de noden van de dienst de korpschef ertoe nopen om een magistraat in te zetten in een kamer van een andere afdeling of om een magistraat af te vaardigen op grond van artikel 80, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

In tegenstelling tot de interne organisatiemaatregelen die een korpschef neemt om de goede werking van het rechtscollege te waarborgen, zal een overplaatsing bij tuchtmaatregel een straf zijn die wordt uitgesproken door de tuchtrechtbank als zij de verwijdering van een magistraat nodig acht.

Interne organisatiemaatregelen die door de personen aan wie ze worden opgelegd als een verhulde tuchtstraf worden ervaren, kunnen echter worden aangevochten voor de tuchtrechtbank.

Net zoals de terugzetting, zijn de lagere inschaling en het verlies van de laatste weddebijslag voortaan tuchtstraffen.

De terugzetting heeft betrekking op het personeel van de rechterlijke orde terwijl de intrekking van het mandaat van toepassing is op de magistraten.

Een griffier-hoofd van dienst zou bijvoorbeeld kunnen worden teruggezet in de graad van griffier.

Overeenkomstig de rechtspraak van de Raad van State (arrest 171 523 van 24 mei 2007) maakt dit voorstel een einde aan de uitwerking op het pensioen die krachtens de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen gepaard gaat met ontzetting uit het ambt en afzetting. Omdat deze straffen niet langer een inhouding van het pensioen meebrengen, verdwijnt het ontslag van ambtswege.

Voortaan wordt uitdrukkelijk bepaald dat het niet meer mogelijk is om opnieuw benoemd te worden in de rechterlijke orde na ontzetting uit het ambt of afzetting. Het is moeilijk denkbaar dat iemand die op tuchtrechtelijk vlak onbekwaam of onwaardig is bevonden om in de rechterlijke orde te werken, zelfs door opnieuw wervingsexamens af te leggen en zulks zelfs in een ander ambt, er opnieuw kan worden benoemd. Dat verbod is erop gericht het noodzakelijke vertrouwen in justitie te bewaren.

Het Gerechtelijk Wetboek bepaalt voortaan dat de tuchtrechtbank de uitvoering van een tuchtstraf kan schorsen om de betrokken persoon de mogelijkheid te bieden aan zichzelf te werken. Een dergelijke maatregel kan nuttig zijn voor iemand voor wie het ten laste gelegde feit duidelijk een feit is waarvoor een verschijning voor de tuchtrechtbank op zich reeds een ontradende maatregel is of hem de mogelijkheid biedt om problematisch gedrag bij te stellen.

Artikel 13

Artikel 405ter is aangepast aan de nieuwe tuchtrechtelijke bevoegdheidsverdeling.

Artikel 14

Aangezien ontzetting uit het ambt en afzetting niet langer het verlies van het pensioen van het lid of het personeelslid van de rechterlijke orde meebrengen, is het niet meer noodzakelijk dat het onderzoek van het verzoek tot ontslag ambtshalve wordt geschorst voor de duur van de procedure.

Het kan wenselijk zijn het ontslag toe te kennen in geval van een verzoek tot inruststelling vanwege de betrokkene, indien het erom gaat de betrokkene de mogelijkheid te bieden om een beroep uit te oefenen buiten het openbaar ambt of indien een SURB-assessor heeft gevraagd zijn mandaat niet te hernieuwen. Een verzoek tot ontslag zal geval per geval worden beoordeeld.

Artikel 15

De ordemaatregelen bedoeld in artikel 406 worden voortaan uitgesproken voor een duur van maximaal drie maanden en kunnen telkens voor eenzelfde periode worden hernieuwd.

De termijn van een maand zoals nu vermeld staat in artikel 406, is onvoldoende om de bevoegde autoriteit in staat te stellen het dossier in die periode te onderbouwen en de betrokkene te horen, met name wanneer de feiten complex zijn en tegen de betrokkene een strafrechtelijk onderzoek loopt.

Deze wijziging van de wetgeving moet voorkomen dat een korpschef, wiens tuchtrechtelijke bevoegdheid voortaan beperkt is tot de aanhangigmaking bij de tuchtrechtbank, door de rechtbank in hoger beroep ertoe zou worden verplicht een persoon terug te laten keren in weerwil van het belang van de dienst, omdat het tuchtonderzoek geen nieuwe elementen aan het licht heeft gebracht binnen een termijn die onvoldoende blijkt om een onderzoek af te ronden.

Er is voorzien in de mogelijkheid om zich te laten vertegenwoordigen indien de betrokkene niet geschikt is om gehoord te worden door de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid. Er kan onder meer gedacht worden aan het geval waarin de betrokkene zich beroept op een medisch attest waaruit blijkt dat hij om psychologische redenen niet in staat is persoonlijk te verschijnen terwijl hij wel in staat is om zich ter zake te onderhouden met zijn raadsman.

Teneinde de toezichthoudende rol van het openbaar ministerie op de hoven en rechtbanken te versterken, kan het de korpschef of de hiërarchische meerdere voortaan verplichten om kennis te nemen van de feiten waarvoor het openbaar ministerie hem vraagt een ordemaatregel te nemen. De korpschef of de hiërarchische meerdere behoudt de vrijheid om een dergelijke maatregel niet te nemen, maar dan moet hij dat ter kennis brengen van het openbaar ministerie, dat voortaan beroep kan instellen tegen dit gebrek aan maatregelen. Het openbaar ministerie kan ambtshalve handelen of op positieve injunctie van de minister van Justitie.

Het openbaar ministerie kan hoger beroep aantekenen tegen de beslissing van de korpschef of van de hiërarchische meerdere om artikel 406 niet toe te passen of om een ordemaatregel niet te verlengen.

Artikel 16

Artikel 407 is aangepast aan de nieuwe tuchtrechtelijke bevoegdheidsverdeling.

Artikelen 17 tot 22

De tuchtrechtbanken worden respectievelijk ingesteld te Gent en Namen en de tuchtrechtbanken in hoger beroep te Brussel.

Dit voorstel bepaalt dat de tuchtrechtbanken inzonderheid zijn samengesteld uit leden-assessoren die worden aangewezen uit een pool van magistraten en van personeelsleden, en die op niet-permanente wijze zitting hebben in deze nieuwe rechtscolleges.

Aangezien het gaat om rechtscolleges van de rechterlijke orde, moet de samenstelling ervan krachtens artikel 157 van de Grondwet door de wet worden vastgesteld. Het Gerechtelijk Wetboek stelt derhalve de wijze van aanwijzing en het aantal personen vast die zijn aangewezen per categorie van leden.

De kamers van de tuchtorganen zijn samengesteld uit drie leden.

Indien de vervolgde persoon een magistraat van de zetel is, is de kamer van de tuchtrechtbank samengesteld uit twee rechters-houders van het mandaat van rechter in de tuchtrechtbank en een rechter-assessor of een lid-assessor van een hof al naargelang de persoon werkzaam is in een rechtbank of een hof.

Indien de vervolgde persoon een magistraat van de zetel is, is de kamer van de tuchtrechtbank in hoger beroep samengesteld uit twee raadsheren in de tuchtrechtbank en hetzij een raadsheer-assessor hetzij een lid-assessor van een rechtbank al naargelang of de persoon werkzaam is in een hof of een rechtbank.

Indien de vervolgde persoon een magistraat van het openbaar ministerie is, is de kamer van de tuchtrechtbank samengesteld uit twee rechters in de tuchtrechtbank en een lid-assessor van een parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur ofwel uit twee rechters in de tuchtrechtbank en een lid van een parket-generaal al naargelang de persoon werkzaam is in een parket van eerste aanleg of van beroep.

Indien de vervolgde persoon een magistraat van het openbaar ministerie is, is de kamer van de tuchtrechtbank in hoger beroep samengesteld uit hetzij twee raadsheren bij de kamer van de tuchtrechtbank in hoger beroep en hetzij een lid van een parket-generaal, hetzij een lid van een parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur al naargelang de persoon werkzaam is in een parket van beroep of van eerste aanleg.

Indien de vervolging betrekking heeft op een personeelslid, is de kamer van de tuchtrechtbank of van de tuchtrechtbank in hoger beroep samengesteld uit twee rechters in de tuchtrechtbank en een assessor aangewezen uit een pool van door de minister van Justitie benoemde personeelsleden.

Elk lid of personeelslid dat voldoet aan de in dit voorstel bepaalde aanwijzingsvoorwaarden kan, met inachtneming van het gebruik der talen in gerechtszaken, worden aangewezen om zitting te hebben in deze rechtscolleges.

De korpschefs en de leden van de Hoge Raad voor de Justitie mogen niet worden aangewezen als leden van de tuchtorganen.

De leden-assessoren van de rechtscolleges worden aangewezen uit de categorieën van leden en van personeelsleden van de rechterlijke orde die in dit voorstel zijn bepaald.

De magistraten van de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken, de rechtbanken van koophandel, de vredegerechten en de politierechtbanken vormen eenzelfde categorie. Dat betekent bijvoorbeeld dat er niet noodzakelijk een rechter in de rechtbank van koophandel moet zijn onder de drie rechters die de kamer van de tuchtrechtbank vormen, om kennis te nemen van de vervolging tegen een rechter in de rechtbank van koophandel.

Met betrekking tot het personeel hanteert het voorstel twee categorieën, te weten niveau A en niveau B. De assessor die opgeroepen wordt om zitting te hebben, mag geen lagere graad hebben dan de vervolgde persoon.

Het is niet mogelijk dat de specialisatie zover zou gaan dat bijvoorbeeld wordt voorzien in de aanwezigheid van een referendaris bij het Hof van Cassatie wanneer de vervolgde persoon in dat ambt benoemd is.

Aangezien het om de samenstelling voor een rechtscollege met gemengde samenstelling gaat, leek de aanwijzing middels loting, volgens het model dat wordt gebruikt voor de Nationale Tuchtraad, weinig raadzaam.

Dit voorstel voorziet erin dat de magistraten-assessoren in eerste instantie door hun algemene vergadering of door hun korpsvergadering worden uitgekozen en dat in tweede instantie de in het wetboek vermelde gerechtelijke overheden gezamenlijk het aantal kandidaten aanwijzen dat in het wetboek is vastgesteld.

De minister van Justitie wijst de personeelsleden aan die zitting mogen hebben in de tuchtorganen op eensluidend advies van hun hiërarchische meerdere.

Het aantal personen dat is aangewezen om ambten uit te oefenen in de tuchtorganen moet de rechtscolleges in staat stellen kennis te nemen van elk geval, ongeacht het rechtscollege waarin zij benoemd of afgevaardigd zijn en ongeacht de wrakingsgronden. Dat aantal wordt vastgesteld in artikel 21 van dit voorstel.

Voor de assessoren betekent zitting hebben in een tuchtorgaan niet hetzelfde als een mandaat uitoefenen in de zin van artikel 58bis, 5º, van het Gerechtelijk Wetboek. Na afloop van de periode waarvoor zij zijn aangewezen in de tuchtorganen, worden de leden van deze rechtscolleges ook niet onderworpen aan een beoordeling door een evaluatiecollege. Herziening kan plaatsvinden voor zover de organen belast met de aanwijzingen hen opnieuw aanwijzen.

De kandidaat-assessoren moeten tien jaar in hun ambt benoemd zijn en mogen geen enkele tuchtstraf opgelegd gekregen hebben.

De nieuwe rechtscolleges die binnen de rechterlijke orde worden opgericht zijn respectievelijk bevoegd ten aanzien van de Nederlandstalige leden en personeelsleden van de rechterlijke orde en ten aanzien van de Franstalige en Duitstalige leden en personeelsleden van de rechterlijke orde.

De kamer bevoegd ten aanzien van de Duitstaligen zal zijn samengesteld uit ten minste een magistraat van de zetel die het bewijs heeft geleverd van kennis van de Duitse taal.

Rekening houdend met het geringe aantal personen binnen de rechterlijke orde dat het bewijs levert van kennis van de Duitse taal, blijkt de oprichting van tuchtkamers die uitsluitend zijn samengesteld uit Duitstaligen onmogelijk.

Door te bepalen dat geen enkel lid van de kamers in hetzelfde korps werkzaam mag zijn als de vervolgde persoon, waarborgt dit voorstel de nodige afstand tussen de tuchtrechtelijk vervolgde persoon en de overheden die hem moeten bestraffen.

De magistraat van de zetel met de meeste anciënniteit ziet voor het overige bij de samenstelling van de kamer erop toe dat die is samengesteld uit personen die geen beroepsmatige banden hebben met de persoon tegen wie de tuchtvervolging is ingesteld.

Overigens kunnen de leden van de tuchtorganen worden gewraakt.

Artikel 23

Deze bepaling behoeft geen commentaar.

Artikel 24

In artikel 412, § 1, is bepaald welke overheden bevoegd zijn om een zaak aanhangig te maken bij de tuchtrechtbanken.

Het gaat in de eerste plaats om de overheden die thans bevoegd zijn om een tuchtprocedure in te stellen. Sommige categorieën die in het Gerechtelijk Wetboek vergeten zijn, zoals de parketjuristen bij het federaal parket en de leden van de steundiensten, worden ook beoogd in het nieuwe artikel 412, § 1.

De tuchtprocedures ten aanzien van personen die een opdracht hebben gekregen in een andere entiteit van de rechterlijke orde worden voortaan ingesteld door de korpschef of de hiërarchische meerdere van de entiteit waarin zij de opdracht hebben gekregen. Die is immers beter in staat om de ten laste gelegde tekortkomingen van de persoon met een opdracht aan te geven en de impact van zijn gedrag in de praktijk te beoordelen.

Er is een einde gemaakt aan het debat met betrekking tot de tuchtrechtelijke rol van het openbaar ministerie : paragraaf 2 voorziet ook voor het openbaar ministerie bij het rechtscollege waar de betrokkene werkzaam is, in de mogelijkheid om de zaak rechtstreeks aanhangig te maken bij dit rechtscollege. Het parket kan de zaak ook aanhangig maken bij de tuchtrechtbank op positieve injunctie van de minister van Justitie.

Die bevoegdheid van het openbaar ministerie ligt in de lijn van zijn taak van algemeen toezicht op de werking van de hoven en rechtbanken.

Als politiek verantwoordelijke moet de minister van Justitie kunnen optreden tegen het eventuele niet optreden van de in artikel 412 bedoelde overheden en het openbaar ministerie door laatstgenoemde de positieve injunctie te geven om de feiten aan te geven bij de tuchtrechtbank.

Artikel 25

Deze bepaling behoeft geen commentaar.

Artikel 26

Teneinde na te gaan of de zaak bij de tuchtrechtbank aanhangig moet worden gemaakt, voert de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid of een magistraat die door deze overheid is aangewezen, een predisciplinair of deontologisch onderzoek uit.

De korpschef of de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid beslist op grond van dat onderzoek om de zaak al dan niet aanhangig te maken bij de tuchtrechtbank.

Bij de tuchtrechtbank wordt de zaak aanhangig gemaakt middels de neerlegging van het verzoek tot verschijning en van het dossier.

In het geval dat de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid de betrokkene niet binnen drie maanden inlicht over het gevolg van dit onderzoek, kan de betrokkene zich tot de tuchtrechtbank richten opdat er een definitieve beslissing wordt genomen. Deze bepaling strekt ertoe een persoon de mogelijkheid te bieden om van iedere verdenking te worden gezuiverd.

Wanneer de in artikel 412 bedoelde overheid een in artikel 406 bedoelde maatregel heeft uitgesproken wordt de zaak onverwijld aanhangig gemaakt bij de tuchtrechtbank. De tuchtrechtbank moet de in artikel 412 bedoelde overheid inlichten over de stand van de tuchtprocedure en een advies geven met betrekking tot de eventuele verlenging ervan.

Het lijkt niet wenselijk de tuchtrechtbank de mogelijkheid te bieden een in artikel 406 bedoelde maatregel te bevestigen en de tuchtrechtbank in hoger beroep het beroep tegen deze beslissing toe te vertrouwen. De in artikel 412 bedoelde overheid blijft het best geplaatst om te beoordelen of de terugkeer van de vervolgde persoon al dan niet kan worden overwogen.

Artikel 27

Artikel 27 van het voorstel regelt het onderzoek naar de tuchtrechtelijke klachten van particulieren door de in artikel 412, § 1, bedoelde overheden.

De ontvankelijke klachten worden onderworpen aan een onderzoek teneinde te bepalen of de aangegeven feiten bij de tuchtrechtbank aanhangig moeten worden gemaakt.

Indien het zou gaan om een algemene klacht over de werking van de rechterlijke orde of over de inhoud van een rechterlijke beslissing zonder dat een feitelijke schending van de tuchtregels ten laste wordt gelegd van een bij naam genoemde persoon, wordt de klacht verworpen.

De klachten moeten vanzelfsprekend worden onderbouwd.

De overheden zijn verplicht de klager of de Hoge Raad voor de Justitie binnen drie maanden na de neerlegging van de klacht in te lichten over het gevolg dat aan hun klacht of aangifte wordt gegeven, zoniet kan laatstgenoemde de zaak aanhangig maken bij het openbaar ministerie bij het rechtscollege waar de betrokkene werkzaam is, teneinde, indien nodig, de zaak bij de tuchtrechtbank aanhangig te maken.

De korpschef moet de klacht dus binnen een redelijke termijn onderzoeken, zoniet kan de tuchtrechtbank hem ertoe dwingen het onderzoek te beëindigen of in zijn plaats treden.

Artikel 28

Deze bepaling behoeft geen commentaar.

Artikel 29

Het vroegere artikel 418, dat artikel 415 wordt, wordt aangepast aan de nieuwe terminologie en de nieuwe tuchtrechtelijke bevoegdheidsverdeling.

Voortaan is bepaald dat de tuchtrechtbanken slechts de feiten kunnen behandelen die gebeurd, vastgesteld of meegedeeld zijn binnen een termijn van zes maanden vóór de aanhangigmaking ervan.

Zodra de korpschef of de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid kennis heeft van een problematische situatie, heeft die zes maanden de tijd om een onderzoek in te stellen en in voorkomend geval de zaak aanhangig te maken bij de tuchtrechtbank.

In geval van strafvordering wordt de termijn geschorst.

Artikel 30

Het nieuwe artikel 416 bepaalt de gevallen waarin kan worden afgeweken van de regel inzake de openbaarheid van de terechtzittingen.

Artikel 31

Deze bepaling behoeft geen commentaar.

Artikelen 32 en 33

Zodra bij de tuchtrechtbank een verzoek tot verschijning van een lid of een personeelslid van de rechterlijke orde aanhangig is gemaakt door de in artikel 412 bedoelde overheid of bij de tuchtrechtbank een zaak aanhangig is gemaakt door een magistraat of een klager, onderzoekt zij de ontvankelijkheid van het verzoek en de noodzaak tot aanwijzing van een onderzoeksmagistraat.

De magistraat die belast is met het onderzoek van de tuchtrechtelijke feiten beschikt niet over alle voorrechten van een onderzoeksrechter.

In voorkomend geval kan het tuchtonderzoek steunen op het strafdossier waartoe toegang kan worden verkregen bij de procureur-generaal bij het hof van beroep.

Hij kan evenwel getuigen horen, overgaan tot confrontaties en in voorkomend geval een beroep doen op een deskundige wanneer de vervolgde persoon bijvoorbeeld een depressie aanvoert.

In het voorstel worden de bestaande regels inzake de verschijning van de betrokkene overgenomen.

Het bepaalt dat het persoonlijk dossier bij het onderzoeksdossier wordt gevoegd.

Het feit dat een tuchtrechtelijke aangelegenheid voortaan wordt behandeld door rechtscolleges van de rechterlijke orde, mag niet raken aan de mogelijkheid zich te laten bijstaan door een vakbondsafgevaardigde of een collega in plaats van een beroep te moeten doen op een advocaat.

In het voorstel wordt de termijn waarin het verslag van de onderzoeksmagistraat aan de leden van de kamer wordt overgezonden, vastgesteld op vier maanden.

Er moet immers op worden toegezien dat de procedures snel worden gevoerd zodanig dat de verstoorde werking van de rechtscolleges zo veel mogelijk in de tijd wordt beperkt.

Het onderzoeksrapport en in voorkomend geval het advies van het openbaar ministerie wordt bij het tuchtdossier gevoegd dat ter beschikking wordt gesteld van de betrokken persoon.

De betrokkene wordt opgeroepen voor de rechtbank te verschijnen, hetzij binnen twee maanden na het einde van het onderzoek hetzij binnen drie maanden na de aanhangigmaking indien de kamer op grond van het dossier heeft geoordeeld dat het niet nuttig is een onderzoeker aan te wijzen.

Aangezien een strafprocedure lang kan aanslepen, zullen er gevallen zijn waarin de kamer noodgedwongen zal moeten vaststellen dat het onderzoek het niet mogelijk maakt om zich binnen de in het wetboek bepaalde termijnen uit te spreken. In dat geval kan de kamer haar beslissing schorsen tot de definitieve rechterlijke beslissing.

De interne maatregel die door een korpschef wordt genomen ten aanzien van een magistraat is geen handeling van een administratieve overheid en ressorteert dus niet onder de bevoegdheid van de Raad van State. Er is voorzien in een bijzondere procedure indien een magistraat een zaak aanhangig maakt bij een tuchtrechtbank teneinde een einde te maken aan een naar zijn mening als ordemaatregel verhulde tuchtstraf.

Om door de tuchtrechtbank te kunnen worden gevolgd, moet de magistraat aantonen dat het niet gaat om een interne organisatiemaatregel die gerechtvaardigd is door de noden van de dienst, maar om een maatregel die is genomen met de bedoeling hem te bestraffen.

De korpschef die de betwiste beslissing heeft genomen, heeft dertig dagen de tijd om het administratief dossier met de verschillende bewijsstukken (dienstorder, brieven) en zijn conclusies over te zenden, waarop de verzoeker kan antwoorden in een aanvullende memorie.

De kamer doet uitspraak binnen een termijn van maximaal negentig dagen na afloop van de periode waarin de magistraat zijn aanvullende conclusies kan neerleggen.

De tuchtrechtbank is niet bevoegd om kennis te nemen van als ordemaatregel verhulde tuchtstraffen ten aanzien van een personeelslid. Laatstgenoemde kan immers bij de Raad van State beroep aantekenen tegen de verhulde tuchtstraffen.

Artikel 34

In artikel 419 is bepaald wat een tuchtrechtbank kan doen indien een korpschef niet binnen vier maanden gevolg heeft gegeven aan een klacht.

Artikel 35

De tuchtrechtbanken in hoger beroep nemen kennis van beroepen die zijn ingediend tegen beslissingen genomen op grond van de artikelen 405, 407 en 408 en tegen de maatregelen bedoeld in artikel 406.

In artikel 420 van het voorstel is bepaald dat het hoger beroep tegen de beslissingen van de tuchtrechtbank wordt neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Brussel binnen dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing. De tuchtrechtbank in hoger beroep spreekt haar arrest binnen zestig dagen uit.

Hoger beroep tegen een maatregel bedoeld in artikel 406 moet binnen tien dagen na de kennisgeving van de beslissing van de overheid bedoeld in artikel 412, § 1, worden aangetekend.

Door te voorzien in een termijn van tien dagen om hoger beroep aan te tekenen en te bepalen dat de beslissing van de tuchtrechtbank in hoger beroep wordt uitgesproken binnen eenentwintig dagen na dit hoger beroep, ziet de wetgever erop toe dat het arrest nog nut heeft met betrekking tot de lopende schorsing op het tijdstip dat het wordt gewezen. Deze strikte termijnen beschermen de persoon ten aanzien van wie een in artikel 406 bedoelde maatregel genomen is en voorkomen dat een ordemaatregel niet kan worden hernieuwd.

Artikelen 36 en 37

De artikelen 427bis en 427ter betreffende uitwissing en eerherstel worden door artikel 32 opgeheven.

De regels betreffende de uitwissing stemmen overeen met de bepalingen van het besluit van 2 oktober 1937 die van toepassing zijn op de ambtenaren van de openbare diensten.

Behoudens de ontzetting uit het ambt en de afzetting worden de tuchtstraffen gewist na afloop van een tijdsperiode die varieert tussen zes maanden en drie jaar naargelang de opgelegde straf. Dat het huidige systeem voorziet in de mogelijkheid om na zes jaar eerherstel aan te vragen voor straffen die niet louter moreel zijn, lijkt buiten proportie voor het personeel voor wie deze bepalingen ook van toepassing zijn.

Artikel 38

De gegevensbank betreffende de rechtspraak in tuchtzaken van de Federale Overheidsdienst (FOD) Justitie, bedoeld in het huidige artikel 427, wordt vervangen door een jaarlijks activiteitenverslag van de kamers van de tuchtorganen.

Overigens zullen de vonnissen en arresten van de tuchtorganen net zoals de andere vonnissen en arresten van de andere rechtscolleges op Juridat kunnen worden geraadpleegd. De beslissingen vanwege de tuchtorganen worden meegedeeld aan de minister van Justitie na de kennisgeving ervan.

Artikel 39

De inhoud van de artikelen 424 tot 427quater is ofwel vervangen door een andere bepaling van de huidige wet ofwel opgeheven om plaats te laten voor de toepassing van het gemeen recht (verzet).

Artikel 40

De minimumstraf bedoeld in artikel 770 in geval van een tuchtstraf opgelegd naar aanleiding van een vertraging van het beraad, wordt aangepast aan de nieuwe strafmaat.

Artikel 41

De korpschefs die recht hebben op het behoud van de wedde en de voordelen die verbonden zijn aan dat mandaat gedurende twee jaar na afloop van dat mandaat of tot hun inruststelling, ontslag, ontzetting uit het ambt dan wel hun benoeming of aanwijzing in een ander ambt, verliezen dat voordeel indien hun mandaat door de tuchtorganen wordt ingetrokken.

Artikelen 42 en 43

Deze bepalingen regelen de overgangsregeling.

De vroegere procedure wordt behouden indien de Nationale Tuchtraad reeds een advies heeft gegeven op het tijdstip van de inwerkingtreding van de wet.

Alle andere lopende tuchtprocedures waarvoor de Nationale Tuchtraad geen advies heeft gegeven of geen advies moet geven, worden behandeld door de tuchtrechtbank.

De hernieuwing van de ordemaatregelen die uitgesproken zijn vóór de integrale inwerkingtreding van deze wet, wordt geregeld door vroeger artikel 406. Hoger beroep wordt echter aangetekend bij de tuchtrechtbank in hoger beroep.

Indien een ordemaatregel werd uitgesproken, maakt de overheid die hem op grond van artikel 406 heeft uitgesproken de zaak aanhangig bij de tuchtrechtbank.

Indien de termijn voor hoger beroep niet is afgelopen op het tijdstip van de inwerkingtreding van de wet, wordt het beroep binnen de rest van de termijn van een lopende maand ingesteld bij de tuchtrechtbank in hoger beroep.

Dat hoger beroep tegen de afwezigheid van tuchtstraf en tegen de afwezigheid van maatregel bedoeld in artikel 406, kan ook worden ingesteld door het openbaar ministerie.

De magistraten en de personeelsleden die aangewezen zijn in de Nationale Tuchtraad worden op eigen verzoek aangewezen om zitting te hebben als lid-assessor in de tuchtorganen. Zij worden gevoegd bij de personen die aangewezen zijn op grond van artikel 22.

Francis DELPÉRÉE.
Christine DEFRAIGNE.
Sabine de BETHUNE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet

Art. 2

In artikel 58 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 10 april 2003, worden de woorden « de tuchtrechtbanken, » ingevoegd tussen de woorden « de rechtbanken van koophandel, » en « de hoven van beroep » en worden de woorden « , tuchtrechtbanken in hoger beroep » ingevoegd tussen de woorden « de hoven van assisen » en « en van het Hof van Cassatie ».

Art. 3

Artikel 58bis van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 13 juni 2006, wordt aangevuld met een 5º, luidende :

« 5º mandaat in de tuchtorganen : de mandaten van rechter in de tuchtrechtbank, van raadsheer in de tuchtrechtbank in hoger beroep en van onderzoeksmagistraat in de tuchtrechtbank. »

Art. 4

In artikel 259bis10, § 1, 1º, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 17 juli 2000 en de wet van 13 juni 2006, worden de woorden « of federale magistraat, bedoeld in artikel 58bis, 1º, 2º en 4º » vervangen door de woorden « , federale magistraat, rechter in de tuchtrechtbank, raadsheer in de tuchtrechtbank in hoger beroep of onderzoeksmagistraat in de tuchtrechtbank, bedoeld in artikel 58bis, 1º, 2º, 4º en 5º ».

Art. 5

In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 259sexies/1 ingevoegd, luidende :

« Art. 259sexies/1. De rechters in de tuchtrechtbank, de raadsheren in de tuchtrechtbank in hoger beroep en de onderzoeksmagistraten in de tuchtrechtbank worden aangewezen uit de magistraten die gedurende minstens tien jaar het ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van de zetel hebben uitgeoefend en die nog nooit een tuchtsanctie hebben gekregen.

Zij worden aangewezen voor een termijn van zeven jaar door de Koning op voordracht van de benoemingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie overeenkomstig de bepalingen bedoeld in artikel 259ter, § 1, eerste lid, 2º, en tweede, derde en vijfde lid, § 2, eerste tot derde lid, vierde lid a, b, c, e en f, § 4, eerste lid, derde tot tiende lid, twaalfde tot vijftiende lid en § 5.

De korpschefs en de leden van de Hoge Raad voor de Justitie kunnen niet worden aangewezen in de tuchtorganen.

De rechter in de tuchtrechtbank, de raadsheer in de tuchtrechtbank in hoger beroep en de onderzoeksmagistraat in de tuchtrechtbank kunnen voor de duur van hun mandaat vervangen worden door een benoeming en, in voorkomend geval, door een aanwijzing in overtal.

Het mandaat van rechter in de tuchtrechtbank, van raadsheer in de tuchtrechtbank in hoger beroep en van onderzoeksmagistraat in de tuchtrechtbank neemt een einde wanneer de betrokkene een opdracht bedoeld in de artikelen 308, 323bis, 327 en 327bis aanvaardt. Het mandaat neemt ambtshalve een einde wanneer hem een tuchtstraf wordt opgelegd. »

Art. 6

Artikel 259decies, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2002, wordt vervangen als volgt :

« § 3. Wanneer een magistraat achtereenvolgens twee evaluaties met de vermelding « onvoldoende » gekregen heeft, maakt de korpschef deze zaak aanhangig bij de tuchtrechtbank. »

Art. 7

In artikel 287ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 februari 1997 en vervangen bij de wet van 25 april 2007, wordt paragraaf 6 vervangen als volgt :

« § 6. Wanneer het personeelslid achtereenvolgens twee evaluaties met de vermelding « onvoldoende » gekregen heeft, maakt de in paragraaf 1 bedoelde overheid deze zaak aanhangig bij de tuchtrechtbank. »

Art. 8

In artikel 287sexies, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007, worden de woorden « tot rechter in de tuchtrechtbank, tot raadsheer in de tuchtrechtbank in hoger beroep, tot onderzoeksmagistraat in de tuchtrechtbank, » ingevoegd tussen de woorden « tot bijstandsmagistraat, » en « tot federaal magistraat ».

Art. 9

Artikel 288 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt aangevuld met een lid, luidende :

« De installatie van de raadsheren en de raadsheren-assessoren in de tuchtrechtbank in hoger beroep, van de rechters en rechters-assessoren in de tuchtrechtbank, en de installatie van de onderzoeksmagistraten in de tuchtrechtbank alsook die van de griffiers in de tuchtrechtbank en in de tuchtrechtbank in hoger beroep gebeurt voor een kamer van het hof van beroep in het rechtsgebied waar de tuchtrechtbank gevestigd is, voorgezeten door de eerste voorzitter of door de raadsheer die hem vervangt, of voor de vakantiekamer. »

Art. 10

In artikel 341 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 18 december 2006, wordt paragraaf 4 opgeheven.

Art. 11

Artikel 360quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd in nummering bij de wet van 27 december 2002, wordt opgeheven.

Art. 12

Artikel 405 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 mei 1999 en de wet van 7 juli 2002, wordt vervangen als volgt :

« Art. 405. § 1. De tuchtstraffen die van toepassing zijn op de leden en personeelsleden van de rechterlijke orde zijn :

1º vermaning

2º blaam;

3º inhouding van wedde;

4º overplaatsing bij tuchtmaatregel;

5º tuchtschorsing;

6º lagere inschaling of verlies van de laatste weddebijslag;

7º terugzetting of intrekking van het mandaat bedoeld in artikel 58bis;

8º ontzetting uit het ambt of afzetting.

§ 2. De inhouding van wedde wordt toegepast gedurende ten minste vijftien  dagen en ten hoogste een jaar en mag niet hoger zijn dan die bepaald in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.

§ 3. De bij tuchtmaatregel overgeplaatste persoon kan op zijn vraag geen nieuwe benoeming, noch een nieuwe aanwijzing noch een overplaatsing bekomen gedurende de termijn die voor de uitwissing van de tuchtstraf die hem treft, is bepaald.

§ 4. De tuchtschorsing wordt uitgesproken voor een periode van ten minste een maand en ten hoogste een jaar.

De tuchtschorsing heeft zolang zij duurt een verlies van 20 % van de brutowedde tot gevolg.

Gedurende de tuchtschorsing kan de betrokkene zijn aanspraken op bevordering of op verhoging in weddeschaal niet doen gelden.

§ 5. De lagere inschaling wordt opgelegd door toekenning :

1º van een lagere weddeschaal in dezelfde graad of in dezelfde klasse;

2º van een graad van hetzelfde niveau met een lagere weddeschaal.

§ 6. De terugzetting wordt opgelegd door toekenning van een graad in een lager niveau of van een lagere klasse.

Het personeelslid neemt in deze nieuwe graad of in deze nieuwe klasse rang in op de datum waarop de toekenning uitwerking heeft.

§ 7. Naast het verlies van het lopende mandaat heeft de intrekking van het mandaat bedoeld in artikel 58bis tot gevolg dat de betrokkene zich niet langer kan kandidaat stellen voor een mandaat bedoeld in artikel 58bis, behoudens de gevallen van uitwissing of herziening bedoeld in de artikelen 421 en 422.

§ 8. De ontzetting uit het ambt en de afzetting hebben het verlies van de hoedanigheid van lid van de rechterlijke orde of van lid van het personeel tot gevolg.

In afwijking op artikel 50 van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen, brengen zij niet het verlies van het pensioen met zich.

§ 9. De ontzetting uit het ambt en de afzetting brengt het verbod op verdere uitoefening van ambten in de rechterlijke orde mee.

De terechtwijzing en de blaam uitgezonderd, brengt een tuchtstraf het verbod mee zich kandidaat te stellen voor de Hoge Raad voor de Justitie, behoudens in het geval van uitwissing of herziening bedoeld in de artikelen 421 en 422.

§ 10. Het tuchtorgaan kan de uitspraak van de straf opschorten en de uitvoering van de uitgesproken straf uitstellen, in voorkomend geval onder de bijzondere voorwaarden die het bepaalt. »

Art. 13

Artikel 405ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 7 juli 2002, wordt vervangen als volgt :

« Art. 405ter. De overheid bedoeld in artikel 412, §§ 1 en 2, brengt de minister van Justitie of de Koning onverwijld op de hoogte van de aanhangigmaking bij de tuchtrechtbank. »

Art. 14

In artikel 405quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 7 juli 2002, wordt het woord « wordt » vervangen door het woord « kan » en wordt het woord « geschorst » vervangen door de woorden « geschorst worden ».

Art. 15

In artikel 406, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º het tweede lid wordt vervangen als volgt :

« De ordemaatregel wordt respectievelijk uitgesproken door de overheid bedoeld in artikel 412, § 1, voor de duur van hoogstens drie maanden en kan worden verlengd voor periodes van hoogstens drie maanden tot de eindbeslissing. De maatregel kan een inhouding van 20 % van de brutowedde meebrengen. Het openbaar ministerie kan zich ambtshalve of op injunctie van de minister van Justitie wenden tot de overheid bedoeld in artikel 412, § 1, met een verzoek tot schorsing in het belang van de dienst. »;

2º het derde lid wordt vervangen als volgt :

« Een ordemaatregel of verlenging kan enkel worden opgelegd nadat de betrokkene is gehoord of behoorlijk opgeroepen of, wanneer het verhoor van de persoon in kwestie onmogelijk is, hij zijn verweermiddelen schriftelijk heeft kunnen doen gelden of zich laten vertegenwoordigen. »;

3º paragraaf 1 wordt aangevuld met de volgende leden :

« De oproeping wordt bij de betrokkene bezorgd tegen ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief, met vermelding van de ten laste gelegde feiten, de plaats waar en de termijn waarin het dossier kan worden geraadpleegd alsook plaats en datum van verschijning.

Van de beslissing van de overheid bedoeld in artikel 412, § 1, wordt tegen ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief kennis gegeven aan de betrokkene en aan het parket binnen vijf dagen volgend op het verhoor van de betrokkene of op de datum vastgesteld voor dat verhoor of op de schriftelijke indiening van de verweermiddelen.

De kennisgeving maakt melding van het recht om hoger beroep in te stellen alsook van de geldende vormen en termijn.

De beslissing is onmiddellijk uitvoerbaar. »

Art. 16

In artikel 407 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 25 april 2007, worden de woorden « van de overheid die tot het uitspreken van de schorsing bevoegd is » vervangen door « van de tuchtrechtbank ».

Art. 17

Het opschrift van afdeling I, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, wordt vervangen door het opschrift : « Tuchtorganen ».

Art. 18

Artikel 409 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt vervangen als volgt :

« Art. 409. § 1. Er bestaat voor heel België een niet-permanente Franstalige tuchtrechtbank en een niet-permanente Nederlandstalige tuchtrechtbank bevoegd ten aanzien van de leden en de personeelsleden van de rechterlijke orde.

Binnen de Franstalige rechtbank neemt een kamer kennis van de zaken met betrekking tot de Duitstalige leden en personeelsleden van de rechterlijke orde; zij bestaat uit minstens één magistraat van de zetel die blijk heeft gegeven van de kennis van de Duitse taal.

De Franstalige rechtbank zetelt te Namen. De Nederlandstalige rechtbank zetelt te Gent. De tuchtdossiers worden gericht aan de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Namen of te Gent. Het ambt van griffier in de tuchtrechtbank wordt uitgeoefend door een griffier van de rechtbank van eerste aanleg in de zetel waar de tuchtrechtbank haar terechtzittingen houdt. Hij wordt aangewezen door de hoofdgriffier.

§ 2. Wanneer de kamers van de tuchtrechtbank zetelen ten aanzien van een magistraat van de zetel zijn zij samengesteld uit twee rechters in de tuchtrechtbank en een assessor uit een rechtscollege van hetzelfde niveau als de vervolgde persoon.

Wanneer zij zetelen ten aanzien van een magistraat van het openbaar ministerie zijn de kamers van de tuchtrechtbank samengesteld uit twee rechters in de tuchtrechtbank en een assessor aangewezen uit de magistraten van het openbaar ministerie van hetzelfde niveau als de vervolgde persoon.

Wanneer de tuchtprocedure betrekking heeft op een lid van het gerechtspersoneel zijn zij samengesteld uit twee rechters in de tuchtrechtbank en een assessor aangewezen uit de assessoren die aangewezen zijn door de minister van Justitie, en die van een niveau zijn dat ten minste gelijk is aan het niveau van de persoon tegen wie een tuchtprocedure loopt. »

Art. 19

Het opschrift van afdeling II, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, wordt opgeheven.

Art. 20

Artikel 410 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt vervangen als volgt :

« Art. 410. Er bestaat voor heel België een niet-permanente Franstalige tuchtrechtbank in hoger beroep en in een niet-permanente Nederlandstalige tuchtrechtbank in hoger beroep.

De Franstalige rechtbank in hoger beroep zetelt te Brussel. De Nederlandstalige rechtbank in hoger beroep zetelt te Brussel. De tuchtdossiers worden gericht aan de griffie van het hof van beroep.

Het ambt van griffier in de tuchtrechtbank in hoger beroep wordt uitgeoefend door een griffier van het hof van beroep in de zetel waar de tuchtrechtbank in hoger beroep haar terechtzittingen houdt. Hij wordt aangewezen door de hoofdgriffier.

Binnen de Franstalige tuchtrechtbank in hoger beroep is een kamer samengesteld uit minstens één magistraat van de zetel die blijk heeft gegeven van de kennis van de Duitse taal.

Wanneer zij zetelen ten aanzien van een magistraat van de zetel zijn de kamers van de tuchtrechtbank in hoger beroep samengesteld uit twee raadsheren in de tuchtrechtbank in hoger beroep en een raadsheer-assessor uit een rechtscollege van hetzelfde niveau als de vervolgde persoon.

Wanneer zij zetelen ten aanzien van een magistraat van het openbaar ministerie zijn de kamers van de tuchtrechtbank in hoger beroep samengesteld uit twee raadsheren in de tuchtrechtbank in hoger beroep en een raadsheer-assessor aangewezen uit de magistraten van het openbaar ministerie van hetzelfde niveau als de vervolgde persoon.

Wanneer de tuchtprocedure betrekking heeft op een lid van het gerechtelijk personeel zijn de kamers van de tuchtrechtbank in hoger beroep samengesteld uit twee raadsheren in de tuchtrechtbank in hoger beroep en een raadsheer-assessor aangewezen uit de assessoren aangewezen door de minister van Justitie en van een niveau dat ten minste gelijk is aan dat van de persoon tegen wie een tuchtprocedure loopt. »

Art. 21

Het opschrift van afdeling III vervangen bij de wet van 7 juli 2002, wordt opgeheven.

Art. 22

Artikel 411 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, wordt vervangen als volgt :

« Art. 411. § 1. De leden-assessoren van de tuchtrechtbank en van de tuchtrechtbank in hoger beroep worden aangewezen voor een termijn van zeven jaar.

De korpschefs en de leden van de Hoge Raad voor de Justitie mogen niet worden aangewezen in de tuchtorganen.

Het ambt van de leden-assessoren van de tuchtorganen neemt ambtshalve een einde wanneer zij een tuchtstraf krijgen opgelegd.

§ 2. De leden-assessoren van de tuchtorganen worden aangewezen uit de werkende beroepsmagistraten of op rust gestelde magistraten en uit het gerechtspersoneel van het niveau A en B.

Om als lid-assessor van de tuchtorganen te worden gekozen, moet de kandidaat tien ambtsjaren binnen de rechterlijke orde vervuld hebben, waarvan vijf jaar respectievelijk in het ambt van magistraat van de zetel, van magistraat van het openbaar ministerie of van personeelslid van het niveau A of B, en mag hij geen enkele tuchtstraf gekregen hebben.

De kandidaat-assessoren richten hun kandidaatstelling respectievelijk tot hun algemene vergadering, hun korpsvergadering of tot de minister van Justitie binnen dertig dagen na de oproep tot kandidaten in het Belgisch Staatsblad.

§ 3. De magistraten van de zetel die in aanmerking komen om zitting te hebben als lid-assessor in de tuchtorganen worden door hun algemene vergadering uitgekozen binnen zestig dagen na de oproep tot kandidaten in het Belgisch Staatsblad. De magistraten van het openbaar ministerie die in aanmerking komen om zitting te hebben als lid-assessor in de tuchtorganen worden door hun korpsvergadering uitgekozen binnen diezelfde termijn.

In elk rechtsgebied van het hof van beroep wijzen de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg, van de rechtbanken van koophandel en van de arbeidsrechtbanken alsook de voorzitter van de algemene vergadering van de vrederechters en van de rechters van de politierechtbank gezamenlijk uit de door de algemene vergaderingen geselecteerde kandidaten vier leden van die rechtbanken aan die zitting kunnen hebben als assessor in de tuchtrechtbank of als assessor in de tuchtrechtbank in hoger beroep. In het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel worden vier Nederlandstalige en vier Franstalige magistraten aangewezen.

De aanwijzingen worden met redenen omkleed.

In elk rechtsgebied van de hoven van beroep wijzen de eerste voorzitters van de hoven van beroep en van de arbeidshoven gezamenlijk uit de door de algemene vergaderingen geselecteerde kandidaten drie leden van die hoven aan om zitting te hebben als assessor in de tuchtrechtbank in hoger beroep of als assessor in de tuchtrechtbank.

In het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel worden drie Nederlandstalige en drie Franstalige raadsheren gezamenlijk aangewezen door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, de eerste voorzitter van het hof van beroep en de eerste voorzitter van het arbeidshof.

De aanwijzingen worden met redenen omkleed.

§ 4. In elk rechtsgebied van de hoven van beroep wijzen de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs gezamenlijk uit de door de korpsvergaderingen geselecteerde kandidaten drie magistraten van het parket van de procureur des Konings of van het arbeidsauditoraat aan die zitting kunnen hebben als assessor in de tuchtrechtbank of in de tuchtrechtbank in hoger beroep of die de bevoegdheid van het openbaar ministerie kunnen uitoefenen. In het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel worden drie Nederlandstalige en drie Franstalige magistraten gezamenlijk aangewezen door de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs.

De aanwijzingen worden met redenen omkleed.

De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, de procureurs-generaal en de federale procureur wijzen uit de door de korpsvergaderingen geselecteerde kandidaten gezamenlijk de zes leden van de Franstalige parketten-generaal en de zes leden van de Nederlandstalige parketten-generaal aan die zitting kunnen hebben als assessor in de tuchtrechtbank of in de tuchtrechtbank in hoger beroep, of die de bevoegdheid van het openbaar ministerie kunnen uitoefenen.

De aanwijzingen worden met redenen omkleed.

§ 5. Per rechtsgebied van het hof van beroep worden twee personeelsleden van het niveau A en twee personeelsleden van het niveau B die in aanmerking komen om zitting te hebben als assessor in de tuchtrechtbank of in de tuchtrechtbank in hoger beroep aangewezen door de minister van Justitie binnen negentig dagen na de oproep tot kandidaten, op eensluidend advies van hun hiërarchische meerdere. De minister van Justitie vraagt het advies van de hiërarchische meerdere van de kandidaat binnen tien dagen na de ontvangst van de kandidaatstelling. De adviezen worden overgezonden aan de minister van Justitie binnen zestig dagen na de oproep tot kandidaten.

In het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel worden twee Franstalige personeelsleden van het niveau A, twee Nederlandstalige personeelsleden van het niveau A, twee Franstalige personeelsleden van het niveau B en twee Nederlandstalige personeelsleden van het niveau B aangewezen.

§ 6. De lijst met de aangewezen leden voor de uitoefening van ambten in de tuchtorganen wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad binnen honderd dagen na de oproep tot kandidaten.

§ 7. De tuchtrechtbank en de tuchtrechtbank in hoger beroep worden elk respectievelijk voorgezeten door de rechter in de tuchtrechtbank en de raadsheer in de tuchtrechtbank in hoger beroep met de hoogste anciënniteit die aangewezen is om zitting te hebben in die tuchtorganen. Wanneer een dossier wordt verzonden naar de griffie van het tuchtorgaan, stelt, naargelang het geval, de rechter in de tuchtrechtbank of de raadsheer in de tuchtrechtbank in hoger beroep met de meeste anciënniteit het orgaan samen binnen vijf dagen.

De op grond van het eerste lid aangewezen leden mogen niet benoemd zijn of opdracht hebben ontvangen in eenzelfde rechtscollege, parket, griffie, parketsecretariaat of steundienst dan de persoon die tuchtrechtelijk vervolgd wordt en mogen zich evenmin in een hiërarchisch verband verhouden tot de betrokkene. »

Art. 23

Het opschrift van afdeling IV, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, die afdeling II wordt, wordt vervangen door volgend opschrift : « Aanhangigmaking bij de tuchtrechtbank »

Art. 24

Artikel 412 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt vervangen als volgt :

« Art. 412. § 1. Met het oog op de toepassing van de artikelen 405 of 407 wordt een zaak rechtstreeks bij de tuchtrechtbank aanhangig gemaakt :

1º ten aanzien van de magistraten van de zetel, met uitzondering van de magistraten van het Hof van Cassatie :

a. door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie ten aanzien van de eerste voorzitters van de hoven van beroep en van de eerste voorzitters van de arbeidshoven;

b. door de eerste voorzitter van het hof van beroep ten aanzien van de leden van dat hof, van de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg en van de voorzitters van de rechtbanken van koophandel, van de toegevoegde rechters bij de rechtbank van eerste aanleg en van de toegevoegde rechters bij de rechtbank van koophandel van het betrokken rechtsgebied;

c. door de eerste voorzitter van het arbeidshof ten aanzien van de leden van dat hof, daaronder begrepen de raadsheren in sociale zaken, alsook ten aanzien van de voorzitters van de arbeidsrechtbanken en van de toegevoegde rechters bij de arbeidsrechtbank van het betrokken rechtsgebied;

d. door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ten aanzien van de leden van die rechtbank, daaronder begrepen de assessoren in strafuitvoeringszaken, van de vrederechters, van de rechters in de politierechtbanken, van de toegevoegde vrederechters en van de toegevoegde rechters bij de politierechtbanken;

e. door de voorzitter van de rechtbank van koophandel ten aanzien van de leden van die rechtbank, daaronder begrepen de rechters in handelszaken;

f. door de voorzitter van de arbeidsrechtbank ten aanzien van de leden van die rechtbank, daaronder begrepen de rechters in sociale zaken;

2º ten aanzien van de magistraten van het openbaar ministerie, met uitzondering van de magistraten van het Hof van Cassatie :

a. door de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de procureurs-generaal bij de hoven van beroep en van de federale procureur;

b. door de procureur-generaal bij het hof van beroep ten aanzien van de leden van het parket-generaal bij het hof van beroep, van de leden van het auditoraat-generaal bij het arbeidshof, van de procureurs des Konings, van de arbeidsauditeurs, van de toegevoegde substituten procureur des Konings en de toegevoegde substituten arbeidsauditeur;

c. door de procureur des Konings ten aanzien van de leden van het parket van de procureur des Konings, door de arbeidsauditeur ten aanzien van de leden van het arbeidsauditoraat;

d. door de federale procureur ten aanzien van de federale magistraten;

e. ten aanzien van de bijstandsmagistraten en de verbindingsmagistraten in jeugdzaken, door de tuchtoverheid bevoegd voor het ambt waarin zij werden benoemd;

3º ten aanzien van de magistraten van het Hof van Cassatie :

a. door de algemene vergadering van het Hof van Cassatie ten aanzien van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie;

b. door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie ten aanzien van de zittende magistraten in het Hof van Cassatie;

c. door de minister van Justitie ten aanzien van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie;

d. door de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de eerste advocaat-generaal en de advocaten-generaal bij het Hof van Cassatie;

4º ten aanzien van de referendarissen van het Hof van Cassatie :

a. door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie ten aanzien van de referendarissen die de raadsheren bijstaan;

b. door de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de referendarissen die de leden van parket bijstaan;

5º ten aanzien van de referendarissen en van de parketjuristen :

a. door de eerste voorzitter van het hof van beroep ten aanzien van de referendarissen bij dat hof;

b. door de eerste voorzitter van het arbeidshof ten aanzien van de referendarissen bij dat hof;

c. door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ten aanzien van de referendarissen bij die rechtbank;

d. door de voorzitter van de arbeidsrechtbank ten aanzien van de referendarissen bij die rechtbank;

e. door de voorzitter van de rechtbank van koophandel ten aanzien van de referendarissen bij die rechtbank;

f. door de oudstbenoemde rechter in de politierechtbank ten aanzien van de referendarissen bij die rechtbank;

g. door de procureur-generaal bij het hof van beroep ten aanzien van de parketjuristen bij het parket-generaal en het arbeidsauditoraat-generaal;

h. door de procureur des Konings ten aanzien van de parketjuristen bij het parket van de rechtbank van eerste aanleg;

i. door de arbeidsauditeur ten aanzien van de parketjuristen bij het arbeidsauditoraat;

j. door de federale procureur ten aanzien van de parketjuristen bij het federaal parket;

6º ten aanzien van de attachés van de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie, door de procureur-generaal bij dat Hof;

7º ten aanzien van de personeelsleden van het niveau A, de griffiers, de secretarissen en het personeel van griffies, parketsecretariaten en steundiensten :

a. door de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de hoofdgriffier van het Hof van Cassatie, en van de hoofdsecretaris van het parket-generaal bij het Hof van Cassatie;

b. door de procureur-generaal bij het hof van beroep ten aanzien van de hoofdgriffier van het hof van beroep en van het arbeidshof, en van de hoofdsecretaris van het parket-generaal bij het hof van beroep en bij het arbeidshof, en van de personeelsleden van het niveau A bij deze hoven, bij de parketten-generaal en de auditoraten-generaal;

c. door de federale procureur ten aanzien van de hoofdsecretaris en van de personeelsleden van het niveau A bij het federaal parket;

d. door de procureur des Konings ten aanzien van de hoofdgriffier van de rechtbank van eerste aanleg, van de hoofdgriffier van de rechtbank van koophandel, van de hoofdgriffier van de politierechtbank, van de hoofdgriffier van het vredegerecht, en van de hoofdsecretaris van het parket van de procureur des Konings, en van de personeelsleden van het niveau A bij deze rechtbanken en parketten;

e. door de arbeidsauditeur ten aanzien van de hoofdgriffier van de arbeidsrechtbank en van de hoofdsecretaris van het arbeidsauditoraat en van de personeelsleden van het niveau A bij deze rechtbanken en parketten;

f. door de magistraat korpschef van het rechtscollege of van het parket ten aanzien van de leden van de steundiensten;

g. door de hoofdgriffier ten aanzien van de griffiers-hoofden van dienst, de griffiers, de deskundigen, de administratief deskundigen en ICT-deskundigen, assistenten en medewerkers bij de griffie;

h. door de hoofdsecretaris ten aanzien van de secretarissen-hoofden van dienst, van de secretarissen, deskundigen, de administratief deskundigen en ICT deskundigen, assistenten en secretariaatsmedewerkers bij het parket.

De plaatsvervangende magistraten ressorteren onder dezelfde overheid als de werkende magistraten. De leden en personeelsleden met een opdracht binnen een rechtscollege, parket, griffie, parketsecretariaat of steundienst ressorteren onder dezelfde overheid als degenen die er benoemd zijn.

De leden en personeelsleden met een opdracht buiten de Belgische rechterlijke orde ressorteren onder de overheid bedoeld in het eerste lid.

§ 2. Bij de tuchtrechtbank kan een zaak ook rechtstreeks aanhangig gemaakt worden op vordering van het openbaar ministerie bij het rechtscollege waar de betrokkene werkzaam is.

De minister van Justitie kan het openbaar ministerie bedoeld in het eerste lid injunctie geven een dossier betreffende een lid of een personeelslid van de rechterlijke orde aanhangig te maken bij de tuchtrechtbank.

§ 3. Bij de tuchtrechtbank kan ook beroep aanhangig gemaakt worden dat door de betrokken magistraten ingesteld is tegen de verhulde tuchtstraffen waarvan zij zich het slachtoffer achten. »

Art. 25

Het opschrift van afdeling V, ingevoegd bij de wet van 7 juli 2002, wordt opgeheven.

Art. 26

Artikel 413, ingevoegd bij de wet van 7 juli 2002 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt vervangen als volgt :

« Art. 413. § 1. Naar de feiten bedoeld in artikel 404 wordt een onderzoek gevoerd door de overheid bedoeld in artikel 412, § 1, of door een magistraat die zij aanwijst. De overheid bedoeld in artikel 412, § 1, bepaalt de opdracht van de magistraat die belast is met het onderzoek.

Van de opening van een onderzoek wordt onverwijld kennis gegeven aan de betrokkene door de overheid bedoeld in artikel 412, § 1.

De overheid bedoeld in artikel 412, § 1, die na onderzoek van oordeel is dat de betrokkene voor de tuchtrechtbank moet verschijnen, verzendt het onderzoeksdossier en de conclusies naar de tuchtrechtbank met het oog op oproeping. Deze licht de betrokkene daarover in.

Het onderzoek mag niet meer dan drie maanden in beslag nemen.

§ 2. Bij de tuchtrechtbank wordt de zaak aanhangig gemaakt door neerlegging van het verzoek tot verschijning en van het dossier ter griffie.

Het verzoek tot verschijning vermeldt de naam, de hoedanigheid en het adres van de betrokkene alsook de uiteenzetting van de feiten en de middelen, en is gehandtekend.

Tegen de beslissing tot aanhangigmaking bij de tuchtrechtbank kan geen beroep worden ingesteld.

§ 3. Indien binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de opening van een onderzoek geen enkel gevolg wordt gegeven door de overheid bedoeld in artikel 412, § 1, die het initiatief tot dat onderzoek heeft genomen, kan de betrokkene de zaak aanhangig maken bij de tuchtrechtbank, die in de plaats treedt van die overheid. De tuchtrechtbank richt tot de overheid bedoeld in artikel 412, § 1, een verzoek tot conclusie binnen vijftien dagen na de aanhangigmaking. De conclusies worden binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek overgezonden.

§ 4. Wanneer een ordemaatregel bedoeld in artikel 406 wordt genomen, maakt de overheid bedoeld in artikel 412, § 1, onverwijld een verzoek tot verschijning aanhangig bij de tuchtrechtbank door haar een kopie van de beslissing en van het dossier over te zenden.

Uiterlijk vijftien dagen vóór de datum waarop de schorsing bedoeld in artikel 406 een einde neemt, brengt de tuchtrechtbank de overheid bedoeld in artikel 412, § 1, op de hoogte van de stand van de tuchtprocedure en brengt zij een advies uit over de eventuele verlenging van de ordemaatregel. »

Art. 27

Artikel 414 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 7 juli 2002, wordt vervangen als volgt :

« Art. 414. De overheid bedoeld in artikel 412, § 1, ontvangt en onderzoekt de tuchtrechtelijke klachten die rechtstreeks overgezonden zijn door particulieren of door de Hoge Raad voor de Justitie.

Om ontvankelijk te zijn, moeten klachten van particulieren schriftelijk worden ingediend, ondertekend en gedagtekend. Ze moeten de volledige identiteit van de klager bevatten. Deze laatste voegt de bewijsstukken eraan toe waarover hij beschikt.

Wanneer de klacht ontvankelijk is, wordt een onderzoek uitgevoerd overeenkomstig artikel 413, § 1, eerste en tweede lid. De klager wordt schriftelijk op de hoogte gebracht van de opening van het onderzoek.

De klager, de persoon tegen wie het onderzoek loopt en eventuele getuigen kunnen gehoord worden tijdens het onderzoek.

De verklaringen van de klager, van de persoon tegen wie het onderzoek loopt en van de getuigen worden opgetekend in een proces-verbaal. De gehoorde personen ontvangen op eigen verzoek een kopie van het proces-verbaal van hun verklaringen.

De persoon tegen wie een klacht is ingediend, kan zich tijdens de zitting laten bijstaan door een persoon naar zijn keuze, maar mag zich niet laten vertegenwoordigen.

De overheid bedoeld in artikel 412, § 1, licht de klager en de betrokkene in over het gevolg dat aan de klacht wordt gegeven.

De overheid bedoeld in artikel 412, § 1, licht op gemotiveerde wijze de advies- en onderzoekscommissies in over het gevolg dat gegeven wordt aan de tuchtrechtelijke klachten die overgezonden zijn door de Hoge Raad voor de Justitie.

De beslissing van de overheid bedoeld in artikel 412, § 1, is definitief voor de klager.

Indien de overheid bedoeld in artikel 412, § 1, geen beslissing aan de klager of de betrokkene heeft overgezonden, of de Hoge Raad voor de Justitie niet geïnformeerd heeft binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de indiening van klacht, kunnen zij zich rechtstreeks richten tot het openbaar ministerie bij het rechtscollege waar de aangeklaagde persoon werkzaam is teneinde de zaak in voorkomend geval aanhangig te maken bij de tuchtrechtbank.

Het openbaar ministerie bij het rechtscollege waar de aangeklaagde persoon werkzaam is, richt tot de overheid bedoeld in artikel 412, § 1, een verzoek tot conclusie binnen vijftien dagen na de aanhangigmaking. De conclusies worden binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek overgezonden.

Het openbaar ministerie neemt op basis van de meegedeelde elementen een met redenen omklede beslissing binnen de maand na de mededeling. »

Art. 28

Afdeling VI ingevoegd bij de wet van 7 juli 2002, wordt hoofdstuk IV met opschrift : « Tuchtprocedure ».

Art. 29

Artikel 415 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt vervangen als volgt :

« Art. 415. Bij de tuchtrechtbank kunnen enkel feiten aanhangig gemaakt worden die zich hebben voorgedaan of die vastgesteld zijn of meegedeeld zijn aan de overheid bedoeld in artikel 412, § 1, binnen zes maanden die voorafgaan aan de datum van de aanhangigmaking ervan.

De tuchtvordering staat los van de strafvordering en van de burgerlijke rechtsvordering. Wanneer dezelfde feiten aanleiding geven tot een strafvordering wordt de termijn van zes maanden opgeschort tot de kennisgeving van de definitieve rechterlijke beslissing. »

Art. 30

Artikel 416 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 7 juli 2002, wordt hersteld als volgt :

« Art. 416. De tuchtrechtbanken behandelen de zaak in openbare terechtzitting, tenzij de betrokkene verzoekt om een zitting achter gesloten deuren.

De tuchtrechtbank kan tevens achter gesloten deuren zitting houden gedurende de hele procedure of een gedeelte ervan, in het belang van de goede zeden of van de openbare orde, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van de persoon tegen wie vervolging is ingesteld zulks vereisen of, in de mate dat dit door de tuchtrechtbank onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geacht, wanneer de openbaarheid de belangen van de rechtsbedeling zou schaden. »

Art. 31

Het opschrift van het vroegere hoofdstuk IV wordt opgeheven.

Art. 32

Artikel 417 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 417. § 1. De tuchtrechtbank spreekt zich uit over de ontvankelijkheid van het verzoek en over de noodzaak tot aanwijzing van een onderzoeksmagistraat binnen de maand nadat de zaak bij haar aanhangig gemaakt is door de overheid bedoeld in artikel 412, § 1, of door het openbaar ministerie, of in het geval bedoeld in artikel 413, § 3, binnen de maand na de verzending van de conclusies.

§ 2. De voorzitter van de tuchtrechtbank wijst een onderzoeksmagistraat aan uit de magistraten die zijn aangewezen volgens de procedure bedoeld in artikel 259sexies/1.

Bij gewettigde verdenking kan de onderzoeksmagistraat gewraakt worden middels een akte die toegezonden wordt aan de griffie vóór de datum van de terechtzitting. De wraking wordt in laatste aanleg beoordeeld door de tuchtrechtbank in hoger beroep.

§ 3. De onderzoeksmagistraat neemt alle nodige maatregelen in het tuchtonderzoek, afgezien van strafrechtelijke onderzoekshandelingen en dwangmaatregelen. Hij kan getuigen horen, overgaan tot confrontaties of expertises laten uitvoeren.

De betrokkene kan middels een met redenen omkleed verzoekschrift aan de griffie verzoeken om bijkomende handelingen in het tuchtonderzoek. De onderzoeksmagistraat neemt binnen vijftien dagen een beslissing omtrent dat verzoek.

De onderzoeksmagistraat kan de procureur-generaal bij het hof van beroep verzoeken om toegang tot het strafdossier.

De betrokkene wordt gehoord tijdens het onderzoek. Hij kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door de persoon van zijn keuze.

De overheid die belast is met het onderzoek kan de persoonlijke verschijning van de betrokkene bevelen.

Van elke terechtzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt. De processen-verbaal worden ondertekend door de gehoorde persoon.

Het onderzoeksdossier wordt ten minste tien dagen vóór de verschijning ter beschikking gesteld van de betrokkene en van de persoon die hem bijstaat.

Het persoonlijk dossier met de evaluaties, adviezen verstrekt het in het kader van voorgaande bevorderingen of postulaties, klachten alsook voorafgaande beslissingen en tuchtstraffen wordt bij het onderzoeksdossier gevoegd.

De onderzoeksmagistraat verzendt het onderzoeksrapport naar de leden van de kamer uiterlijk vier maanden na zijn aanwijzing. »

Art. 33

Artikel 418 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, wordt vervangen als volgt :

« Art. 418. § 1. Indien de rechtbank van oordeel is dat er geen onderzoeksmagistraat dient te worden aangewezen, wordt de persoon tegen wie tuchtvervolging is ingesteld, ter terechtzitting voor de kamer opgeroepen binnen drie maanden na de aanhangigmaking bij de rechtbank.

Wanneer een magistraat belast werd met het onderzoek naar de feiten, wordt de betrokkene opgeroepen om te verschijnen voor de tuchtrechtbank binnen twee maanden na de verzending van het onderzoeksrapport naar de leden van de kamer.

§ 2. De oproepingsbrief van de betrokkene vermeldt de ten laste gelegde feiten, plaats, datum en uur van de terechtzitting alsook de samenstelling van de kamer.

Ingeval van gewettigde verdenking kan de persoon tegen wie tuchtvervolging is ingesteld de leden van de kamer wraken middels een akte die toegezonden wordt aan de griffie vóór de datum van de terechtzitting. De wraking wordt in laatste aanleg beoordeeld door de tuchtrechtbank in hoger beroep.

Het onderzoeksrapport en in voorkomend geval het schriftelijk advies van het openbaar ministerie worden bij het tuchtdossier gevoegd. Het onderzoeksdossier wordt gedurende vijftien dagen vóór de verschijning ter beschikking gesteld van de betrokkene en van de persoon die hem bijstaat.

Het lid of het personeelslid van de rechterlijke orde verschijnt in persoon. Hij kan zich laten bijstaan door de persoon van zijn keuze.

§ 3. Het vonnis wordt uitgesproken binnen twee maanden na de eerste terechtzitting, van die beslissing wordt kennis gegeven aan de korpschef en aan het openbaar ministerie bij het rechtscollege waar de betrokkene werkzaam is, alsook aan de betrokkene zelf.

Bij strafrechtelijke vervolging kan de kamer haar beslissing echter opschorten tot de definitieve rechterlijke beslissing.

Indien de kamer van oordeel is dat een magistraat van het openbaar ministerie moet worden afgezet, verzendt de tuchtrechtbank een met redenen omkleed voorstel tot afzetting naar de Koning.

Van de beslissing van de Koning wordt kennis gegeven aan de betrokkene binnen dertig dagen na de ontvangst van het voorstel tot afzetting.

§ 4. De magistraat die een als tuchtmaatregel verhulde ordemaatregel betwist die ten aanzien van hem is genomen door een korpschef, kan tegen die beslissing beroep instellen bij de tuchtrechtbank binnen dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing van de korpschef. Dat beroep heeft geen schorsende werking.

Naast de identiteit en hoedanigheid van de verzoeker en een kopie van de bestreden beslissing vermeldt het gehandtekende verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten en de middelen.

Binnen tien dagen na de aanhangigmaking verzendt de kamer een kopie van het verzoek naar de korpschef, met het verzoek haar binnen dertig dagen het administratief dossier en zijn conclusies te bezorgen.

Een kopie van het dossier en van de conclusies van de korpschef wordt verzonden naar de verzoeker, die binnen een termijn van dertig dagen aanvullende conclusies kan toezenden. Een kopie van de aanvullende conclusies wordt verzonden naar de korpschef.

De korpschef en de verzoeker worden opgeroepen voor de kamer binnen zestig dagen na afloop van de vastgestelde termijn voor de neerlegging van de aanvullende conclusies.

De kamer kan de korpschef, de persoon in kwestie en getuigen horen.

De kamer doet uitspraak binnen dertig dagen na de dag van verschijning voor de rechtbank. »

Art. 34

Artikel 419 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 419. In de gevallen waar een zaak bij de tuchtrechtbank aanhangig is gemaakt door het openbaar ministerie wanneer de overheid bedoeld in artikel 412, § 1, geen kennis gegeven heeft van een beslissing aan de klager of de betrokkene, of de Hoge Raad voor de Justitie niet ingelicht heeft binnen een termijn van vier maanden na de indiening van de klacht, kan deze hetzij :

a) indien zij vaststelt dat het onderzoek door de korpschef nog niet geopend is, nog lopende is of nog niet volledig is, de korpschef verzoeken dat onderzoek te voltooien binnen een termijn die zij bepaalt, of de aanwijzing vragen van een magistraat die de klacht moet onderzoeken;

b) weigeren, in voorkomend geval na onderzoek, gevolg te geven aan een klacht;

c) in voorkomend geval na onderzoek, de betrokkene oproepen om te verschijnen op een datum die zij bepaalt.

Het vonnis van de tuchtrechtbank is definitief voor de klager. »

Art. 35

Artikel 420 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 juli 2002 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, wordt vervangen als volgt :

« Art. 420. § 1. Behoudens de afzetting van de magistraten van het openbaar ministerie wordt het hoger beroep tegen de tuchtstraffen bedoeld in artikel 405 en tegen de maatregelen bedoeld in artikelen 407 en 408 aangetekend voor de tuchtrechtbank in hoger beroep binnen dertig dagen na de kennisgeving bij gehandtekend verzoekschrift dat gericht is aan de griffie en dat een uiteenzetting van de middelen omvat.

Het hoger beroep schorst de onmiddellijke uitvoering van de tuchtstraf.

De eiser in hoger beroep wordt opgeroepen te verschijnen binnen dertig dagen na de aantekening van het hoger beroep bij de griffie.

Het openbaar ministerie bij de tuchtrechtbank, de overheid bedoeld in artikel 412, § 1, en het openbaar ministerie bij het rechtscollege waar de betrokkene werkzaam is, kunnen eveneens hoger beroep aantekenen tegen de straf of tegen het gebrek aan straf waartoe de tuchtrechtbank beslist heeft.

Van het arrest van de tuchtrechtbank in hoger beroep wordt kennis gegeven aan de betrokkene, aan de korpschef, aan het openbaar ministerie bij het rechtscollege waar de betrokkene werkzaam is en aan de tuchtrechtbank binnen zestig dagen na de aantekening van het hoger beroep bij de griffie.

§ 2. Beroep tegen een maatregel of tegen het gebrek aan een maatregel bedoeld in artikel 406 wordt bij de tuchtrechtbank in hoger beroep binnen tien dagen na de kennisgeving van de beslissing ingesteld door de geschorste persoon of door het openbaar ministerie bij het rechtscollege waar de betrokkene werkzaam is.

Het beroep dat ingesteld wordt tegen een maatregel of tegen het gebrek aan een maatregel bedoeld in artikel 406 heeft geen schorsende werking.

De eiser in hoger beroep wordt opgeroepen te verschijnen voor de tuchtrechtbank in hoger beroep binnen vijftien dagen na de aantekening van het hoger beroep bij de griffie.

Hoger beroep kan binnen een maand worden aangetekend door de korpschef tegen de uitspraak van de tuchtrechtbank die een als ordemaatregel verhulde tuchtmaatregel vernietigt.

Van het arrest van de tuchtrechtbank in hoger beroep wordt kennis gegeven aan de betrokkene, aan de overheid bedoeld in artikel 412, § 1, aan het openbaar ministerie bij het rechtscollege waar de betrokkene werkzaam is en aan de tuchtrechtbank binnen zeven dagen na de terechtzitting. »

Art. 36

Artikel 421 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, wordt vervangen als volgt :

« Art. 421. De tuchtstraffen worden ambtshalve uitgewist na :

1º zes maanden in geval van terechtwijzing;

2º negen maanden in geval van blaam;

3º één jaar in geval van inhouding van wedde;

4º achttien maanden in geval van overplaatsing bij tuchtmaatregel;

5º twee jaar in geval van tuchtschorsing;

6º drie jaar in geval van lagere inschaling en terugzetting.

Uitwissing geldt voor de toekomst. »

Art. 37

Artikel 422 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 juli 2002 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, wordt vervangen als volgt :

« Art. 422. Iedere persoon die een tuchtstraf heeft gekregen, kan een verzoek tot herziening richten aan de tuchtrechtbank voor zover hij aantoont over een nieuw element te beschikken.

De betrokkene voegt bij zijn verzoek een volledig verslag over de redenen en de bewijzen waarover hij beschikt om de herziening van het vonnis of het arrest te verkrijgen. De tuchtrechtbank kan het verzoek van de betrokkene onontvankelijk verklaren bij gebrek aan redenen of bewijzen, zonder de betrokkene voorafgaandelijk te hebben gehoord.

In geval van afzetting zendt de tuchtrechtbank een advies aan de Koning. »

Art. 38

Artikel 423 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 juli 2002 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, wordt vervangen als volgt :

« Art. 423. De tuchtorganen stellen jaarlijks een activiteitenverslag op met inachtneming van de anonimiteit van de betrokkenen. Het verslag wordt overgezonden naar de Hoge Raad voor de Justitie. De beslissingen vanwege de tuchtorganen worden meegedeeld aan de minister van Justitie na de kennisgeving ervan. »

Art. 39

De artikelen 424 tot 427 van hetzelfde Wetboek worden opgeheven.

Art. 40

In artikel 770, § 5, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 26 april 2007, worden de woorden « zware straf in eerste graad » vervangen door de woorden « inhouding van de wedde ».

Art. 41

De intrekking van het mandaat van korpschef leidt tot het verlies van het behoud van wedde bedoeld in artikel 102, § 1, derde lid, van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem, alsook bedoeld in artikel 18 van de wet van 18 december 2006 tot wijziging van de artikelen 80, 259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decies, 259undecies, 323bis, 340, 341, 346 en 359 van het Gerechtelijk Wetboek, tot herstel in dit Wetboek van artikel 324 en tot wijziging van de artikelen 43 en 43quater van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Art. 42

De tuchtoverheden bedoeld in het vroegere artikel 412, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek blijven bevoegd voor de lopende procedures waarin de Nationale Tuchtraad een advies verstrekt heeft op de datum van integrale inwerkingtreding van deze wet.

De overheden bedoeld in vroegere artikel 410 van het Gerechtelijk Wetboek maken de lopende tuchtprocedures die niet bedoeld zijn in het eerste lid, onverwijld aanhangig bij de tuchtrechtbank.

De overheden die een in artikel 406 bedoelde ordemaatregel hebben uitgesproken, die lopende is bij de integrale inwerkingtreding van de wet, maken een verzoek tot verschijning aanhangig bij de tuchtrechtbank middels de verzending van een kopie van de beslissing en van het dossier.

De hernieuwing van de ordemaatregelen die uitgesproken zijn vóór de integrale inwerkingtreding van deze wet, blijft onderworpen aan het vroegere artikel 406 van het Gerechtelijk Wetboek. Het beroep tegen die ordemaatregelen wordt ingesteld voor de tuchtrechtbank in hoger beroep.

In voorkomend geval wordt het hoger beroep tegen de beslissingen die genomen zijn op grond van de artikelen 405 en 406 van het Gerechtelijk Wetboek vóór de integrale inwerkingtreding van deze wet, aangetekend door de betrokkene of door het openbaar ministerie voor de tuchtrechtbank in hoger beroep binnen de nog niet verstreken termijn bedoeld in het vroegere artikel 425 van het Gerechtelijk Wetboek.

De magistraten en de personeelsleden die aangewezen zijn in de Nationale Tuchtraad worden op eigen verzoek aangewezen om zitting te hebben als lid-assessor in de tuchtorganen. Zij worden gevoegd bij de personen die aangewezen zijn op grond van artikel 22.

Artikel 36 is van toepassing op de tuchtstraffen uitgesproken na de inwerkingtreding van deze bepaling.

Art. 43

De Koning bepaalt de inwerkingtreding van elke bepaling van deze wet.

25 mei 2011.

Francis DELPÉRÉE.
Christine DEFRAIGNE.
Sabine de BETHUNE.