5-998/1

5-998/1

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

4 MEI 2011


Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek inzake de gevolgen van afstamming en van artikel 356 van het Burgerlijk Wetboek inzake de gevolgen van de adoptie, aangaande de naam van het kind

(Ingediend door de heren Guy Swennen en Bert Anciaux)


TOELICHTING


Sinds meerdere jaren worden in de Kamer en Senaat met de regelmaat van een klok wetsvoorstellen neergelegd teneinde het actuele naamrecht zoals vastgelegd in de het Burgerlijk Wetboek te wijzigen. Reeds eerder dienden we als eersten wetsvoorstellen in om de naamgeving van kinderen op een meer correcte en billijke wijze te regelen. Hierin bepleitten we een fundamenteel respect voor beide ouders en hielden daarbij rekening met de geëvolueerde maar nog niet afgeronde evolutie naar gendergelijkheid. Beide voorstellen (van Bert Anciaux, 26 september 1995, Stuk Senaat, nr. 1-112/1 en 5 augustus 1997, Stuk Senaat, nr. 1-719/1) vertrokken van een recht op dubbele familienaamgeving, waarbij de vader en de moeder van het kind (h)erkend werden in de naam van het kind en waarbij het ene voorstel de naam van de vader en het andere voorstel de naam van de moeder voorop plaatste.

Een kind heeft vanaf de geboorte recht op een identiteit, waarvan de voornaam en de familienaam de belangrijkste aanduidingen zijn. De naamgeving behoort dan ook tot de persoonsrechten.

De keuze van de voornaam is een recht dat de ouders toekomt; de wet laat hen daarin vrij.

Bij de familienaam is de band met het ouderschap sterker en is er van vrijheid geen sprake.

Lange tijd steunde het Belgische naamrecht op het decreet van 6 fructidor jaar II (23 augustus 1794) en artikel 57 van het Burgerlijk Wetboek, volgens dewelke het kind de naam van de vader draagt. Aan de grondslag van die regel ligt een sterk ingewortelde patriarchale conceptie van de familie.

Tot vandaag is het Belgisch naamrecht in wezen ongewijzigd gebleven. Ook nu nog krijgt een kind, behoudens enkele uitzonderlijke gevallen, automatisch de familienaam van de vader toegewezen.

Ingevolge de hervorming van de afstammingswetgeving is de naamwetgeving opgenomen in artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek. Volgens dit artikel draagt een kind in veruit de meeste gevallen de familienaam van de vader. Slechts in een aantal gevallen draagt een kind de familienaam van de moeder :

— wanneer enkel de moederlijke afstamming vaststaat (artikel 335, § 2, van het Burgerlijk Wetboek);

— wanneer de moederlijke én vaderlijke afstamming tegelijkertijd zijn komen vast te staan, maar het een door de vader in overspel verwekt kind betreft (artikel 335, § 1, in fine, van het Burgerlijk Wetboek);

— wanneer de vaderlijke afstamming wordt vastgesteld na de moederlijke afstamming, en :

* de ouders geen verklaring hebben afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand dat het kind de familienaam van de vader zal dragen (artikel 335, § 3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek);

* de ouders wél dergelijke verklaring hebben afgelegd maar het gaat om een door de vader in overspel verwekt kind en de echtgenote met wie de vader gehuwd was op het ogenblik van de vaststelling van de afstamming weigert haar instemming te geven tot de toekenning van de naam van haar echtgenoot aan het kind (artikel 335, § 3, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek).

Sinds geruime tijd is er kritiek op deze regeling : het zou niet compatibel zijn met de eigensoortige band tussen moeder en kind. Het is de moeder die het kind draagt en ter wereld brengt; het is ook de moeder die traditioneel het grootste deel van de zorg voor het kind op zich neemt. De strakke en oubollige wetgeving die de naamgeving voor kinderen regelt, zorgt voor heel wat wrevel en onbegrip bij grote groepen in de bevolking. Een enquête van de Juristenkrant, december 2010, verkoos de verplichting om een kind de familienaam van de vader te geven als het meest verwerpelijke federale wetsartikel.

Velen zijn het weliswaar eens met de kritiek op het bestaande naamrecht, maar zijn van oordeel dat de tijd niet rijp is voor een drastische wijziging van een eeuwenoud gebruik.

Daartegenover staat dat een nieuwe regeling die mannen en vrouwen in een gelijkwaardige positie brengt in zake de familienaam zwaarder doorweegt dan het in standhouden van de patriarchale traditie.

Op internationaal vlak is al diverse keren gewezen op de discriminatie tussen mannen en vrouwen in zake het naamrecht in tal van nationale wetgevingen. Op 27 september 1978 heeft het Comité van ministers van de Raad van Europa de resolutie (78)37 in zake de gelijkheid van echtgenoten in het burgerlijk recht aangenomen waarbij de lidstaten onder meer wordt gevraagd om iedere discriminatie tussen mannen en vrouwen op het vlak van het naamrecht op te heffen. Ook het UNO-Verdrag van 18 december 1979 inzake het uitbannen van alle vormen van discriminatie van vrouwen verplicht in artikel 16 de verdragsluitende Staten om alle nodige maatregelen te nemen teneinde iedere ongelijkheid terzake op te heffen.

In aanbeveling 1271 van 28 april 1995 herinnerde de Parlementaire Assemblée van de Raad van Europa eraan dat de naam kenmerkend is voor de identiteit van personen en stelde het volgende : « De blijvende discriminatie tussen mannen en vrouwen op het vlak van de familienaam is daarom onaanvaardbaar ». De vergadering riep daarom het Comité van ministers op om lidstaten met een discriminerende wetgeving op het vlak van het naamrecht te vragen iedere discriminatie tussen mannen en vrouwen op te heffen.

Deze maakte daarop de aanbeveling 1271 (1995) van de Parlementaire Assemblée over aan de regeringen van de lidstaten van de Raad van Europa. In haar aanbeveling 1362 van 18 maart 1998 vestigde de Parlementaire Assemblée vervolgens de aandacht op het feit dat tal van lidstaten nog steeds geen werk hebben gemaakt van een wijziging van het naamrecht.

In België bracht de Raad van gelijke kansen voor mannen en vrouwen op 21 maart 1997 advies nr. 14 uit betreffende de naam van het kind. De Raad stelde dat « het huidige systeem dat een discriminatie tussen mannen en vrouwen op het gebied van de familienaam behoudt, onaanvaardbaar is ». Diverse organisaties zoals de Vrouwenraad en diverse auteurs hebben tevens kritiek op het Belgische naamrecht geformuleerd.

In dat licht is het evenwel opmerkelijk dat het Grondwettelijk Hof (toen Arbitragehof) in zijn arrest 161/2002 van 6 november 2002 tot de conclusie kwam dat artikel 335, § 1, van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. Het Grondwettelijk Hof houdt rekening met de overweging dat de voorkeur voor de familienaam van de vader een historische verklaring vindt in de patriarchale opvattingen over de familie en het gezin die de samenleving gedurende lange tijd hebben gedomineerd. Het Grondwettelijk Hof stelt dat in de opvatting van de huidige samenleving (we spreken van 2002) ook andere regelingen aan de doelstelling van de naamgeving zouden kunnen beantwoorden, maar dat die vaststelling alleen niet volstaat om de geldende regeling als discriminatoir te beschouwen. Het hof is van oordeel dat met het toekennen aan een kind met dubbele afstammingsband van de naam van de vader, de wetgever geen maatregel heeft genomen die niet aan een objectief criterium zou beantwoorden en die niet adequaat zou zijn; bovendien wordt daardoor niet op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan de rechten van de betrokkenen.

Maar ook hier kan weer geargumenteerd worden dat een nieuwe regeling die mannen en vrouwen in een gelijkwaardige positie brengt inzake de familienaam zwaarder doorweegt dan de vraag of de huidige regeling nu al dan niet strijdig is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.

Alleszins hebben verschillende Europese lidstaten hun wetgeving aangepast om tot een grotere gelijkheid tussen mannen en vrouwen op het vlak van het naamrecht te komen.

Spanje kent de dubbele naam. Overeenkomstig artikel 53 van de wet op het bevolkingsregister worden personen genoemd door hun voornaam en hun achternamen, zowel van vader als van moeder. De eerste naam is die van de vader (de eerste) en de (eerste) naam van de moeder komt op de tweede plaats.

Omdat op die manier de naam van de moeder onherroepelijk verdwijnt met de tweede generatie, heeft artikel 109 de mogelijkheid ingevoerd om de volgorde van de namen aan te passen door een eenvoudige verklaring van de betrokkene.

In Portugal dragen de kinderen de namen van hun vader en hun moeder of van één van hen. Deze keuze ligt in de handen van de ouders. Bij onenigheid beslist de rechter in het belang van het kind.

In het nieuwe Nederlandse naamrecht (wet van 10 april 1997) kunnen de ouders een keuze maken tussen hun namen voor de naam van hun kind(eren). Zonder keuze krijgt het kind dat tijdens het huwelijk wordt geboren de naam van de vader. Een kind dat buiten huwelijk geboren wordt, behoudt daarentegen de naam van de moeder als bij de erkenning niet voor de naam van de vader wordt gekozen.

In Duitsland moeten de echtgenoten bij de huwelijkssluiting een gemeenschappelijke naam aannemen. Bij gebrek aan overeenstemming werd de naam van de man automatisch gezinsnaam. Deze subsidiaire regeling van de familienaam van de man heeft het Duitse Bundesverfassungsgericht onverenigbaar verklaard met het grondwettelijk erkende principe van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

In een arrest van 5 maart 1991 stelde het hof dat het beginsel van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ook geldt in het Duitse naamrecht en dat beide echtgenoten evenveel recht hebben op hun naam.

Op parlementair vlak werden in ons land verschillende pogingen ondernomen om het strakke, patriarchale naamrecht te doorbreken. Sommige wetsvoorstellen opteren voor het uitsluitend toekennen van de naam van de moeder als familienaam van het kind. Zij argumenteren dat dit het best aansluit bij de biologische werkelijkheid (cf. het adagium mater semper certa est) en bij de eigensoortige band die vrijwel altijd tussen de moeder en het kind bestaat.

Andere bepleiten de keuzevrijheid van de ouders (keuze tussen de familienaam van de moeder, de familienaam van de vader of de familienamen van beide ouders), met een aanvullende wettelijke regeling en de mogelijkheid om bij onenigheid naar de jeugdrechtbank te stappen

Ten slotte opteren een aantal wetsvoorstellen voor de dubbele familienaam van het kind samengesteld uit de namen van de vader en de moeder omdat op die manier de verbondenheid van het kind met de beide ouders wordt uitgedrukt. Zoals gezegd waren we de eersten die daarover wetgevende initiatieven namen.

Als we de mogelijkheden van de naamwetgeving op een rijtje zetten, zijn er naar onze mening vier mogelijkheden :

1. de naam van de vader, zoals reeds uitvoerig toegelicht, discriminerend voor de moeder;

2. de naam van de moeder, uiteraard discriminerend voor de vader en, toch niet te onderschatten, ingaand tegen een ruim ingebedde maatschappelijke traditie. Tevens kan het adagium mater semper certa est in de toekomst ondergraven worden door de mogelijkheid om in discretie te bevallen;

3. de dubbele naam, volgens een welbepaalde volgorde en een regeling naar volgende generaties toe;

4. de keuzevrijheid van de ouders, voor de naam van één van hen of de naam van beide.

Omdat de eerste twee mogelijkheden steeds een « verliezende » ouder tot gevolg hebben, moet naar onze mening een oplossing gevonden worden in de mogelijkheden 3 en 4. Dan oogt uiteraard de mogelijkheid om de ouders vrij te laten kiezen « aantrekkelijk », maar met professor Senaeve (hoorzitting Commissie voor de Justitie in de Senaat op 15 maart 2011) verwerpen we een dergelijk systeem van keuzevrijheid. We onderschrijven zijn argumenten in dat verband, zoals weergegeven in de hoger aangegeven hoorzitting :

« 1. Vooreerst houdt dergelijk systeem waarbij de ouders moeten kiezen in dat één van beiden er uitdrukkelijk mee moet instemmen dat zijn naam verloren gaat in de volgende generatie (als ze kiezen voor ofwel vadersnaam ofwel moedersnaam) of minstens verloren gaat in de tweede generatie (als ze kiezen voor een samengestelde naam) alsook in het maatschappelijk gebruik (1) .

« Kiezen doet verliezen » zegt het spreekwoord. Kan men zich voorstellen welke enorme druk men aldus zou opleggen aan (doorgaans jonge) paren om tijdens de eerste zwangerschap van de vrouw uit te maken wie van beiden zijn naam zal laten vallen in de volgende of minstens in de tweede generatie ? Kan men zich voorstellen aan welke verwijten de ouder die akkoord gegaan is om zijn naam niet door te geven of slechts als tweede bestanddeel van de naam door te geven, zich zal blootstellen in zijn eigen familie en omgeving ? Ik kan me voorstellen dat met de huidige regeling het voor een moeder soms moeilijk is aan te nemen dat haar kinderen niet haar naam dragen, maar ze heeft zichzelf op dat vlak absoluut niets te verwijten, het is de wet die haar daartoe dwingt. Hoe verschillend zal de situatie echter zijn wanneer in een systeem van keuzerecht de moeder ermee akkoord gegaan is om haar naam te laten vallen of slechts als tweede bestanddeel door te geven (wat in de praktijk zeker het geval zal zijn, gelet onder meer op de Nederlandse ervaring).

Met andere woorden het invoeren van eender welk systeem van keuzevrijheid komt noodgedwongen neer op het uitlokken van discussies en betwistingen in gezinnen (en zijn er al niet genoeg moeilijkheden in de gezinnen in onze hedendaagse maatschappij ?), daar waar het juist de taak is van de overheid om de cohesie in de gezinnen te bevorderen. Tweespalt tussen de ouders is bovendien per definitie niet in het belang van het kind.

2. Het tweede niet te onderschatten nadeel van elk systeem van keuzevrijheid is dat dit de identificatie van personen binnen een familie enorm bemoeilijkt : in het ene gezin zullen de kinderen de naam van de vader dragen, in een ander gezin, waar de vrouw de broek draagt, zullen de kinderen de naam van de moeder dragen, in nog andere een samengestelde naam beginnend met de naam van de vader, en in een laatste groep een samengestelde naam beginnend met de naam van de moeder.

Als men er dan nog rekening mee houdt dat vanaf de volgende generatie veel personen een samengestelde naam zullen dragen, en men bij samengestelde namen van de ouders (en uiteraard slechts voor zover de ouders beider naam aan hun kind willen overdragen) weliswaar de naamsoverdracht beperkt tot één enkel onderdeel van deze samengestelde naam, maar weerom op basis van vrije keuze van de ouders zoals in het wetsvoorstel-Khattabi en in het wetsvoorstel-Faes, dan komt men tot een systeem waar niet minder dan 14 keuzemogelijkheden bestaan (het kind krijgt van de 4 naamsdelen van zijn ouders, er maximaal 2).

Toepassing : vader = Decoster — Decat (V1-V2); moeder = Flamant — Lechat (M1-M2),

Kind :

1) Decoster-Decat (de — samengestelde — naam van de vader)

2) Decoster (één van de namen van de vader)

3) Decat (één van de namen van de vader)

4) Flamant-Lechat (de — samengestelde — naam van de moeder)

5) Flamant (één van de namen van de moeder)

6) Lechat (één van de namen van de moeder)

7) Decoster-Flamant (V1-M1 : samengestelde naam met onderdelen afkomstig van elk van beide ouders)

8) Flamant-Decoster (M1-V1 : idem)

9) Decat-Flamant (V2 — M1 : idem)

10) Flamant-Decat (M1 — V2 : idem)

11) Decat-Lechat (V2 — M2 : idem)

12) Lechat-Decat (M2 — V2 : idem)

13) Decoster-Lechat (V1 — M2 : idem)

14) Lechat-Decoster (M2 — V1 : idem) (2)

Dit zal uiteindelijk leiden tot een nogal chaotische toestand waardoor men niet meer op basis van de naam van het kind zal kunnen uitmaken uit welk gezin hij komt, en dat is volgens mij een achteruitgang.

Bovendien is het weinig elegant dat sommige personen aldus, op grond van een door hun ouders uitgeoefende keuze, het met een enkelvoudige naam zullen moeten stellen, en anderen daarentegen met een samengestelde naam door het leven zullen moeten gaan.

3. Een derde en laatste bezwaar tegen elk systeem van keuzevrijheid voor de ouders is dat het bijzonder moeilijk is om een aanvaardbaar systeem te vinden ingeval de ouders er niet uitkomen, dit wil zeggen geen akkoord bereiken.

a) In het Nederlandse recht geldt in dat geval automatisch de geslachtsnaam van de vader. Dit is ook het systeem dat gekozen wordt in het wetsvoorstel-Faes (voorgesteld artikel 335, § 2, van het Burgerlijk Wetboek). De achterliggende bedoeling van deze regel is de verantwoordelijkheid en de opvoedingstaken van de man als vader van het kind te beklemtonen, omdat de eigensoortige band die de moeder met haar kind heeft, er nu eenmaal niet is tussen de vader en het kind (3) . Als de wetgever zou opteren voor de vrije keuze van de familienaam, is dit volgens mij uiteindelijk het minst slechte systeem, maar dat zal wellicht ook niet door iedereen aanvaard worden. Maar van de andere kant kan met deze achterliggende redengeving evengoed het behoud van het huidige recht met het doorgeven van vadersnaam verdedigd worden.

b) Tijdens de parlementaire besprekingen in Nederland is ooit voorgesteld dat bij gebreke van akkoord, de ouders maar moesten loten om uit te maken of hun kind vadersnaam dan wel moedersnaam zou krijgen : kruis of munt dus (4) . Loten is in de traditie van de West-Europese landen niets ongewoon; zo bepaalde in het verleden in een aantal landen (België, Nederland, ...) het lot wie (van de mannen) onder de wapenen werd geroepen; maar dat voorstel lokte in Nederland zoveel reactie uit dat het al vlug werd opgeborgen (5) . In het wetsvoorstel-Khattabi komt een afgezwakte versie van dit lotingsysteem voor : bij onenigheid krijgt het kind verplicht een samengestelde naam, maar (enkel) de volgorde van de onderdelen wordt bij loting bepaald.

Een principieel nadeel van een systeem van loting, is dat ingeval er goede redenen zijn voor een ouder om te pleiten voor het doorgeven van zijn naam, en de andere ouder die keuze op oneigenlijke gronden weigert, het van het lot afhangt of de ouder die alle redenen heeft te pleiten voor zijn naam dan wel de dwarsliggende ouder, gelijk krijgt. Dergelijke oplossing draagt bepaald niet bij tot de alom bepleite humanisering van het personen- en familierecht.

Het probleem is evenwel dat er geen bevredigende alternatieven zijn voor het bepalen van de naam van het kind als de ouders het niet eens geraken. Ooit is voorgesteld dat het kind dan automatisch een samengestelde naam zou krijgen, maar dat de volgorde ervan bepaald zou worden door het geslacht van het oudste kind : is het een jongen, dan zou hij en al zijn broers en zussen die zullen volgen vadersnaam krijgen gevolgd door moedersnaam; is het een meisje, dan zou het de omgekeerde volgorde zijn (6) . Hierbij vraag ik mij af of dit uiteindelijk ook geen arbitrair systeem is. Denk aan het geval van de tweeling jongen-meisje : dan zou de volgorde van de samengestelde naam bepaald worden door het geslacht van het kind dat het eerst uit de moederschoot komt. » Tot daar de weergegeven argumentatie van professor Senaeve.

Overeenkomstig de hierboven aangegeven noodzaak dat de wetgever de familienaam imperatief dient op te leggen en de ouders geen keuzevrijheid toe te laten, is naar onze mening de enige oplossing het toekennen van een dubbele naam, waarbij elke partner zijn naam aan het kind geeft.

Blijft dan uiteraard de vraag in welke volgorde deze namen toegekend zullen worden. Gelet op enerzijds de historische achtergrond van de huidige naamwetgeving en anderzijds het daarmee samenhangend identificatievoordeel, hebben wij er voor gekozen eerst de naam van de vader, gevolgd door de naam van de moeder toe te kennen aan het kind.

Het probleem van het toekennen van een dubbele naam aan het kind stelt uiteraard problemen wanneer de afstamming van het kind slechts met een ouder vaststaat. Indien slechts een naam toegekend wordt, bestaat de kans op feitelijke discriminatie van het kind. Daarom stellen wij voor dat het kind de dubbele naam van die ouder krijgt. Uiteraard hebben wij een oplossing moeten zoeken voor het geval die ouder zelf slechts één naam heeft : om alsnog het kind een dubbele naam te geven, wordt met name de naam van de moeder, of bij gebreke daaraan die van de vader van de betrokken ouder toegevoegd aan de naam van de ouder.

Ingeval van een latere, tweede vaststelling van het ouderschap, is het uitgangspunt dat de naam (of beter « namen ») van het kind ongewijzigd blijft, maar de ouders mits een verklaring daartoe alsnog de naam kunnen wijzigen in de volgorde naam van de vader-naam van de moeder. Terzijde merken we op dat in paragraaf 6 van het gewijzigde artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek wordt voorzien dat het kind, eens twaalf jaar, zich akkoord moet verklaren met een naamswijziging.

Een volgend probleem dat een oplossing vereist, is dat van twee ouders van hetzelfde geslacht. Daarbij voorzien we dat de eerste naam deze is van de ouder waarmee een biologische band bestaat, gevolgd door de naam van de andere ouder.

Tot slot wordt voorzien dat bij het doorgeven van een dubbele naam door beide ouders alleen het eerste deel van de respectieve namen wordt doorgegeven om in dat geval te komen tot de dubbele naam van het kind.

Wat specifiek de gevolgen van (gewone of volle) adoptie betreft, menen wij dat ook in die gevallen de bestaande naamgeving aan een wijziging toe is, en meer specifiek overeenkomstig het hier voorgestelde artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval valt er één probleem op te lossen, met name ingeval van adoptie door een koppel van gelijk geslacht, vermits dan geen van beide ouders een biologische band met het adoptiekind heeft. Daarom wordt zoals nu voorzien dat die ouders een keuzemogelijkheid hebben, doch uitsluitend wat betreft de volgorde van de twee namen en mits daartoe vooraf een akkoord over te maken aan de rechtbank.

Guy SWENNEN
Bert ANCIAUX.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987 en gewijzigd bij de wet van 1 juli 2006, wordt vervangen als volgt :

« Art. 335. § 1. Het kind wiens afstamming van vaderszijde en van moederszijde tegelijkertijd komt vast te staan, draagt de naam van zijn vader, gevolgd door de naam van de moeder.

Ingeval een ouder zelf een dubbele naam draagt, wordt slechts de eerste van deze namen overgedragen op het kind.

§ 2. Het kind wiens afstamming alleen van vaderszijde of alleen van moederszijde vaststaat draagt de beide namen van die ouder.

Indien de ouder evenwel geen dubbele naam draagt, wordt de naam van de ouder vervolledigd met de naam van de moeder van die ouder, en bij ontstentenis daarvan, met de naam van de vader.

§ 3. Indien een van de afstammingen na de andere komt vast te staan, blijft de naam van het kind onveranderd. Evenwel kunnen de ouders in een door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakte akte verklaren dat het kind de naam van zijn vader, gevolgd door deze van zijn moeder, zal dragen.

Die verklaring moet worden gedaan binnen een jaar te rekenen van de dag waarop de personen die de verklaring doen de vaststelling van de afstamming hebben vernomen en voor de meerderjarigheid of de ontvoogding van het kind. Van de verklaring wordt melding gemaakt op de kant van de akte van geboorte en van de andere akten betreffende het kind.

§ 4. Ingeval de ouders van het kind hetzelfde geslacht hebben, krijgt het kind de naam van de ouder waarmee een biologische band vaststaat, gevolgd door de naam van de andere ouder.

§ 5. De namen van het eerste kind moeten in dezelfde volgorde gegeven worden aan de kinderen die nadien uit dezelfde ouders geboren worden.

§ 6. Indien de afstamming van een kind wordt gewijzigd wanneer het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, mag zonder zijn instemming geen verandering van zijn naam worden aangebracht. »

Art. 3

Artikel 353-1 van hetzelfde wetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 353-1. De adoptie verleent aan de geadopteerde in plaats van zijn naam, die van de adoptant of de adoptanten overeenkomstig artikel 335 van dit wetboek.

In geval van gelijktijdige adoptie door twee personen van hetzelfde geslacht, verklaren die personen, in onderlinge overeenstemming, voor de rechtbank de volgorde van de namen die aan de geadopteerde gegeven worden. »

Art. 4

De artikelen 353-2 tot en met 353-6 van hetzelfde wetboek worden opgeheven.

Art. 5

Artikel 356-2 van hetzelfde wetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 356-2. Door de volle adoptie verkrijgt het kind in plaats van zijn naam, die van de adoptant of de adoptanten overeenkomstig artikel 335 van dit wetboek.

In geval van gelijktijdige adoptie door twee personen van hetzelfde geslacht, verklaren die personen, in onderlinge overeenstemming, voor de rechtbank de volgorde van de namen die aan de geadopteerde gegeven worden. »

5 april 2011.

Guy SWENNEN
Bert ANCIAUX.

(1) Bij een samengestelde naam zal in het maatschappelijke gebruik immers veelal slechts het eerste bestanddeel van de naam aangewend worden.

(2) De enige combinatie die volgens deze wetsvoorstellen niet mogelijk zal zijn, is de samengestelde naam van de vader of de samengestelde naam van de moeder, maar in de omgekeerde volgorde als die van de ouder : Decat-Decoster; Lechat-Flamant.

(3) Toelichting bij het wetsvoorstel nr. 5-628/1, blz. 2-3.

(4) Tweede Kamer, 1992-93, 22 408, nr. 7.

(5) Zie E.H. Hondius en E. Loeb, « Gelijke behandeling en de naam van het kind », Nederlands Juristenblad 1994, 195.

(6) Wetsvoorstel-Drion en Talhaoui (24 november 1999) Parlem Stuk Kamer 1999-2000, nr. 50-283/1.