5-987/1

5-987/1

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

2 MEI 2011


Wetsvoorstel ter verbetering van de verloven van werknemers na de geboorte of de adoptie van een kind

(Ingediend door mevrouw Caroline Désir)


TOELICHTING


De arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 voorziet in twee bijzondere verloven in verband met familiegebeurtenissen, die worden toegekend aan werknemers zoals ze worden gedefinieerd in artikel 1 van diezelfde wet.

Het eerste van die verloven, het vaderschapsverlof, staat in artikel 30, § 2, eerste lid, dat bepaalt dat de werknemer het recht heeft om van het werk afwezig te zijn ter gelegenheid van de geboorte van een kind waarvan de afstamming langs zijn zijde vaststaat, gedurende tien dagen, door hem te kiezen binnen vier maanden te rekenen vanaf de dag van de bevalling.

Het tweede verlof, het adoptieverlof, werd in de wet van 1978 ingevoegd bij de programmawet van juli 2004.

Het nieuwe artikel 30ter, § 1, eerste en tweede lid, bepaalt dat de werknemer die in het kader van een adoptie een kind in zijn gezin onthaalt, met het oog op de zorg voor dit kind, recht heeft op een adoptieverlof gedurende een aaneengesloten periode van maximum zes weken, zo het kind bij het begin van dit verlof de leeftijd van drie jaar niet heeft bereikt, en maximum vier weken in de andere gevallen. Indien de werknemer ervoor kiest om niet het toegestane maximum aantal weken adoptieverlof op te nemen, dient het verlof ten minste een week of een veelvoud van een week te bedragen.

Opdat het recht op adoptieverlof kan worden uitgeoefend, moet dit verlof echter een aanvang nemen binnen twee maanden volgend op de inschrijving van het kind als deel uitmakend van het gezin van de werknemer in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar hij zijn verblijfplaats heeft.

De indienster van het voorstel ziet twee essentiële problemen voor de toepassing van die bepalingen.

Het vaderschapsverlof werd ingesteld opdat de vader zou kunnen genieten van de geboorte van zijn kind en tijd zou kunnen besteden aan zijn gezin. Dat is natuurlijk een belangrijke vooruitgang, zowel voor het evenwicht tussen mannen en vrouwen in de relatie met het kind, als voor een betere verzoening van het privé-leven met het beroepsleven.

De samenleving is echter veranderd en het kerngezin bestaat niet meer noodzakelijk uit een vader, een moeder en een kind. Homoseksuele paren hebben nu dezelfde rechten als heteroseksuele paren wat huwelijk, wettelijk samenwonen of adoptie betreft.

De van de wet van 1978 afgeleide rechten zijn echter niet toepasselijk op homoseksuele paren, waardoor er sprake is van discriminatie, die niet mag worden in stand gehouden.

Dat had de Nationale Arbeidsraad (NAR) al vastgesteld in een advies dat hij in maart 2003 gaf op verzoek van de heer Frank Vandenbroucke, die toen minister van Sociale Zaken was, naar aanleiding van een ontwerp van koninklijk besluit dat de zeven gesolidariseerde dagen vaderschaps- en adoptieverlof gelijkstelde met effectieve arbeidsdagen voor de berekening van de jaarlijkse vakantie.

De NAR stelde vast dat « het recht op vaderschapsverlof gekoppeld is aan de afstamming », zodat « dit discriminerend kan zijn voor koppels van hetzelfde geslacht ».

Het doel van dit voorstel is dus dat recht ook aan homoseksuele paren te geven, of ze nu feitelijk of wettelijk samenwonen, dan wel gehuwd zijn. Die relatie moet echter in elk geval al minstens een jaar bestaan.

In dat geval wordt bepaald dat de werknemer of werkneemster het equivalent van het vaderschapsverlof kan krijgen onder de in de wet bepaalde voorwaarden.

Er wordt in dezelfde oplossing voorzien voor arbeidsovereenkomsten wegens dienst op Belgische binnenschepen.

Het tweede probleem waarop de indienster van dit voorstel wijst, is de toepasbaarheid van het adoptieverlof dat aan de werknemer wordt toegekend.

Artikel 30ter bepaalt immers dat het adoptieverlof moet worden opgenomen binnen twee maanden volgend op de inschrijving van het kind als deel uitmakend van het gezin van de werknemer in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar hij zijn verblijfplaats heeft.

Die inschrijving vindt echter slechts plaats op het einde van de adoptieprocedure, eens het geadopteerde kind juridisch deel uitmaakt van het gezin. Het gevolg is dat de doelstelling, namelijk de werknemer de kans te geven het kind bij zijn komst in het gezin op te vangen en ervoor te zorgen, niet wordt bereikt

De NAR stelde daarom in bovenvermeld advies voor een ander vertrekpunt in de wet in te schrijven, namelijk dat het adoptieverlof moet kunnen worden opgenomen vanaf het ogenblik dat de aanvraag tot inschrijving in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister gedaan wordt.

Tot slot moet erop worden gewezen dat het verlof dat door dit voorstel in artikel 30, § 2, wordt opgenomen, niet mag worden gecumuleerd met het adoptieverlof.

Men beoogt bijvoorbeeld de situatie van een homoseksueel paar waarin de werkneemster het equivalent van het vaderschapsverlof geniet na de geboorte van het kind van haar partner, en die vervolgens adoptieverlof zou opnemen voor de procedure de ze heeft opgestart om de wettelijke ouder van het kind te worden.

Er wordt in dezelfde oplossing voorzien voor arbeidsovereenkomsten wegens dienst op Belgische binnenschepen.

Caroline DÉSIR.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Het eerste lid van artikel 30, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2002 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, wordt aangevuld met de volgende volzinnen :

« Wanneer het kind geboren wordt bij een paar van hetzelfde geslacht, geldt dit recht voor de gehuwde of samenwonende werknemer, op voorwaarde dat hij het bewijs levert dat hij sedert minstens een jaar met de biologische ouder van het kind samenwoont. Dit verlof is niet cumuleerbaar met het verlof waarin artikel 30ter voorziet. »

Art. 3

In artikel 30ter, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 9 juli 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º het woord « inschrijving » wordt vervangen door de woorden « aanvraag tot inschrijving »;

2º hetzelfde lid wordt aangevuld met de volgende volzin :

« Dit verlof is niet cumuleerbaar met het verlof waarin artikel 30 voorziet. »

Art. 4

Artikel 25quinquies, § 2, eerste lid, van de wet van 1 april 1936 op de arbeidsovereenkomst wegens dienst op binnenschepen, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, wordt aangevuld met de volgende volzinnen :

« Wanneer het kind geboren wordt bij een paar van hetzelfde geslacht, geldt dit recht voor de gehuwde of samenwonende werknemer, op voorwaarde dat hij het bewijs levert dat hij sedert minstens een jaar met de biologische ouder van het kind samenwoont. Dit verlof is niet cumuleerbaar met het verlof waarin artikel 25sexies voorziet. »

Art. 5

In artikel 25sexies, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 9 juli 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º het woord « inschrijving » wordt vervangen door de woorden « aanvraag tot inschrijving »;

2º hetzelfde lid wordt aangevuld met de volgende volzin :

« Dit verlof is niet cumuleerbaar met het verlof waarin artikel 25quinquies voorziet. »

Art. 6

Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

3 februari 2011.

Caroline DÉSIR.