5-915/1

5-915/1

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

28 MAART 2011


Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 1024 van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op het vermijden van openbare verkopen waar de schuldeiser geen baat bij heeft

(Ingediend door de heer Bert Anciaux)


TOELICHTING


Het voorstel wil verhinderen dat beslag wordt gelegd wanneer de opbrengsten van de verkoop lager zijn dan de kosten van de procedure. Daarom het voorstel om de kosten van de beslaglegging die niet door de opbrengsten daarvan worden gedekt ten laste te leggen van degene die de beslaglegging heeft gevraagd.

Schuldoverlast is en blijft een belangrijk probleem in België. Volgens de gegevens van de Nationale Bank van België waren in januari 2011 niet minder dan 366 517 mensen consumenten met betalingsachterstallen inzake kredietcontracten geregistreerd. Het gaat om het grootste aantal wanbetalers sinds de registratie vanaf 2003. In totaal bedraagt de achterstallige schuld in januari 2011 meer dan 2,44 miljard euro.

Vaak is er niet één oorzaak waardoor iemand in de schulden geraakt, maar gaat het om een samenloop van omstandigheden : ziekte, ongeval, werkverlies, een scheiding, een brand. Bij bestaande schulden komen dan aanmaningen met interesten en kosten waardoor mensen in een neerwaartse spiraal terechtkomen. In het allerslechtste geval komt het tot een gedwongen tenuitvoerlegging : vooral beslaglegging leidend tot openbare verkoop van de goederen en uithuiszetting, zodat de schuldenaar helemaal aan de onderkant van de maatschappij verzeilt. In België gebeurden er in 2002 3 473 openbare gerechtelijke verkopen en 5 838 uitdrijvingen (geëxtrapoleerde cijfers uit de recente enquête van de Conferentie Vlaamse Gerechtsdeurwaarders). Omgerekend doet een gerechtsdeurwaarder dus zo'n 11,27 uitdrijvingen en 6,7 openbare verkopen per jaar. Vlaanderen blijkt strenger te zijn dan Wallonië (2 071 openbare verkopen in Vlaanderen tegenover 812 in Wallonië en 2 989 uithuiszettingen in Vlaanderen tegenover 1 650 in Wallonië).

Een openbare verkoop is hoe dan ook altijd een menselijk drama. Daarom is het belangrijk hier voorzichtig mee om te gaan. Een uithuiszetting en openbare verkoop van meubelen en huisraad is immers één van de ergste dingen die je kan overkomen. Dit is des te erger als de verkoop van alles wat je lief is bijna niks opbrengt en slechts een druppel op de hete plaat is wat betreft de aanzuivering van je schuld. « Een openbare verkoop is een mislukt dossier. De inboedel wordt verkocht en brengt meestal amper iets op. De schuldeiser kan een kruis maken over het dossier. De schuldenaar komt in de miserie terecht, dikwijls voor de rest van zijn leven. » (Patrick Van Buggenhout, gerechtdeurwaarder in Leuven, in Trends 18 maart 2004).

Het is al te gek om tot een openbare verkoop over te gaan als men op voorhand weet dat de opbrengst van de verkoop lager is dan de kosten van de procedure. De bedoeling van dit wetsvoorstel is dan ook te verhinderen dat beslag wordt gelegd op de goederen van een persoon terwijl de opbrengsten van de verkoop lager zijn dan de kosten van de procedure. De wet sluit nu immers niet uit dat een tenuitvoerlegging deficitair is en dus kosten genereert eerder dan dat zij bijdraagt tot een (zelfs maar gedeeltelijke) uitbetaling van de schuldeiser. Krachtens artikel 517 van het Gerechtelijk Wetboek is de gerechtsdeurwaarder immers « verplicht zijn ambt uit te oefenen telkens hij erom wordt verzocht en voor ieder die erom verzoekt ». De gerechtsdeurwaarder is namelijk een openbaar ambtenaar die zich niet mag bezondigen aan ambtsweigering. Indien een schuldeiser hem verzoekt tot tenuitvoerlegging tegen een schuldenaar, kan de gerechtsdeurwaarder dit niet naast zich neerleggen omdat bijvoorbeeld na een solvabiliteitsonderzoek zou blijken dat de vermoedelijke kosten de vermoedelijke opbrengsten zullen overschrijden.

De schuldeiser die over een uitvoerende titel beschikt (bijvoorbeeld een vonnis dat in zijn voordeel werd uitgesproken) heeft immers recht op hetgeen die titel hem toekent. Dit principe is essentieel voor ons rechtsverkeer maar moet in bepaalde omstandigheden genuanceerd worden teneinde bepaalde excessen te vermijden.

Het hoeft geen betoog dat wanneer de verkoop van in beslag genomen goederen minder opbrengt dan de kosten van de inbeslagname en de verkoop, noch de schuldeiser, noch de schuldenaar hierbij enig belang hebben. De schuldeiser realiseert zelfs geen gedeeltelijke uitbetaling van hetgeen hem verschuldigd is. De opbrengsten komen immers uitsluitend ten goede aan de gerechtsdeurwaarder, ter dekking van de door hem gemaakte kosten. De schuldenaar van zijn kant ziet zich geconfronteerd met bijkomende schulden, zonder dat zijn oorspronkelijke schulden tegenover de schuldeiser ook maar enigszins ingelost zijn.

Het probleem rijst in het bijzonder wat belastingschulden betreft. Elke rekenplichtige is immers aansprakelijk voor de invordering van de kapitalen, inkomsten, rechten en belastingen, waarvan de inning hem is toevertrouwd (artikel 66, eerste lid, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit). Weliswaar kan de directeur der belastingen sedert kort ook een onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen verlenen, doch die mogelijkheid is beperkt tot bepaalde situaties van schuldoverlast. Gevolg van deze aansprakelijkheid, die steeds als een zwaard van Damocles boven de hoofden van de betrokken belastingambtenaren hangt, is dat deze laatsten geen risico nemen en in ieder geval tot tenuitvoerlegging overgaan, ook indien mag aangenomen worden dat een beslagprocedure niet zal leiden tot een daadwerkelijke recuperatie van belastingschulden. Dezelfde houding wordt aangenomen door de RSZ, die ter zake ook onverbiddelijk optreedt.

Dit wetsvoorstel wil een einde maken aan dergelijke laakbare en zinloze beslagleggingen door een toevoeging aan artikel 1024 van het Gerechtelijk Wetboek. Volgens die bepaling komen de kosten van tenuitvoerlegging ten laste van partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd. Wij stellen voor dat hierop een uitzondering wordt gemaakt wanneer de kosten van een beslaglegging niet worden gedekt door de opbrengst van die beslaglegging. De kosten daarvan blijven dan ten laste van degene die om de beslaglegging heeft verzocht, zonder enige mogelijkheid om die nog te verhalen. Het risico rust dus bij degene die de gerechtsdeurwaarder om de beslaglegging verzoekt.

Bert ANCIAUX.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 1024 van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :

« Evenwel blijven de kosten van de beslaglegging die niet door de opbrengsten daarvan worden gedekt ten laste van degene die om de beslaglegging heeft verzocht, zonder enige mogelijkheid van verhaal. »

25 februari 2011.

Bert ANCIAUX.